Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. Onderwijsagenda’s voor Bonaire, Saba en Sint Eustatius (Kamerstuk 36410-VIII-133)
36 800 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2026
Nr. 13
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en
opmerkingen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap over de brief juni 2024 over Onderwijsagenda’s voor Bonaire, Saba en
Sint Eustatius (Kamerstuk 36 410-VIII, nr. 133), over de brief van 21 februari 2025 over het Ministerieel Vierlandenoverleg OCW
2024 (Kamerstuk 36 600-VIII, nr. 164), over de brief van 24 april 2025 inzake Inspectierapport sociale veiligheid Sacred
Heart School (Kamerstuk 31 293, nr. 799), over de brief van 30 oktober 2024 over Aanwijzing wegens wanbeheer Stichting Katholiek
Onderwijs Saba (Kamerstuk 31 293, nr. 759), over de brief van 16 december 2024 inzake Spoedaanwijzing stichting katholiek onderwijs
Saba (Kamerstuk 31 293, nr. 776), over de brief van 11 september 2024 over Publicatie inspectierapporten Sacred Heart
School en Stichting Katholiek Onderwijs Saba (Kamerstuk 31 293, nr. 746), over de brief van 14 november 2024 over Publicatie inspectierapport Saba Educational
Foundation (Kamerstuk 31 289, nr. 594), over de brief van 7 juni 2024 over de Beleidsreactie onderzoeksrapport «Verkenning
problematiek zorgopleidingen hbo/wo Caribische studenten» (Kamerstuk 29 282, nr. 577) en over de brief van 23 mei 2024 inzake Verslag Kennismissie Caribisch gebied (Kamerstuk
36 410-IV, nr. 68).
De vragen en opmerkingen zijn op 15 september 2025 aan de Minister en Staatssecretaris
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 5 november 2025 zijn
de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Bromet
Adjunct-griffier van de commissie, Easton
Inhoud
I
Vragen en opmerkingen uit de fracties
2
–
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
2
–
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
5
–
Inbreng van de leden van de NSC-fractie
5
–
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
6
II
Reactie van de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
6
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
de onderhavige documenten, maar betreuren dat een Kamermeerderheid heeft besloten
het geplande commissiedebat om te zetten in een schriftelijk overleg. Wat deze leden
betreft spelen er genoeg problemen en leven er genoeg vragen die een mondelinge gedachtewisseling
met de bewindspersonen rechtvaardigen. De demissionaire status van het kabinet vormt
geen excuus op de problemen maar op hun beloop te laten. In het eerste kwartaal van
2026 komt ook de Onderwijsraad samen met drie eilandcommissies op Bonaire, Sint Eustatius
en Saba met een verkenning over het onderwijs in Caribisch Nederland. Het zou goed
zijn als de Staatssecretaris tegen die tijd ook zelf in kaart heeft wat mogelijk en
noodzakelijk is vanuit de zijde van het ministerie, zodat een voortvarend vervolg
gestalte kan krijgen. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dringen daarom aan op
een snelle reactie op de vragen en opmerkingen vanuit de Kamer bij dit schriftelijk
overleg.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien onderwijs als het fundament van onze
samenleving. Het zorgt dat kinderen elkaar ontmoeten, dat ze tot bloei kunnen komen
en hun talenten kunnen ontwikkelen. Deze leden willen investeren in de toekomst van
onze kinderen en daarmee in de toekomst van onze maatschappij. Dit betekent tevens
dat Nederland moet zorgen dat ons onderwijs van ons allemaal is en blijft. Tegelijkertijd
signaleren deze leden met lede ogen dat er te veel mis gaat met het onderwijs in Caribisch
Nederland, niet alleen op de CAS-, maar ook op de BES-eilanden: de onderwijskwaliteit
is er onvoldoende gewaarborgd, te vaak staan er onvoldoende bevoegde docenten voor
de klas, onderwijzend personeel wordt niet voldoende gestimuleerd en in gelegenheid
gesteld om kennis en vaardigheden op peil te houden en leerlingen ervaren te vaak
ongelijke kansen. Hoe beoordelen de bewindspersonen de ernst van deze problematiek,
mede in vergelijking met het onderwijs in Europees Nederland? Welke voortgang heeft
de Staatssecretaris inmiddels geboekt bij de uitvoering van de motie van het lid White
c.s. van oktober 2024 die de regering een plan van aanpak vraagt om het onderwijs
te verbeteren?1
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderkennen dat de CAS-eilanden autonome landen
zijn binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Dit betekent dat ook hun onderwijsbeleid
autonomie kent. Niettemin is de onderlinge betrokkenheid geïnstitutionaliseerd in
het Ministerieel Vierlandenoverleg. Welke aanknopingspunten zien de bewindspersonen
om via dit Vierlandenoverleg op vrijwillige basis verbeteringen en hervormingen te
ondersteunen in het onderwijs op de CAS-eilanden?
In Caribisch Nederland is Nederlands lang niet in alle huishoudens de thuistaal: vaak
is dat Engels, Spaans of Papiamentu. Dit betekent dat mensen in Caribisch Nederland
ook niet vanzelfsprekend dagelijks met de Nederlandse taal in aanraking komt. De leden
van de GroenLinks-PvdA-fractie menen dat het Nederlands er daarom vooral waarde heeft
als slechts één van de grotere taalgebieden, waarin men de toekomstperspectieven van
de inwoners verruimt, bijvoorbeeld als deze willen gaan studeren in Europees Nederland.
Delen de bewindspersonen deze analyse?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie waarderen het Papiamentu als Caribisch cultuurgoed.
Het is een creolentaal die zo’n kwart miljoen mensen hanteren als thuistaal. Men ervaart
het Papiamentu er ook – ondanks de varianten Papiamentu op Curaçao en Bonaire en Papiamento
op Aruba – als één taalgebied. Klopt het beeld dat het verschil tussen beide varianten
vooral bestaat in een fonetische of etymologische spellingswijze? Wat betekent het
handhaven van beide varianten voor de toekomstkansen van deze relatief kleine taal?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten waarde aan de erkenning van minderheidstalen
en wijzen op de Wet Gebruik Friese taal die sinds 2014 bepaalt dat de officiële talen
in de provincie Fryslân het Nederlands en het Fries zijn.2 Zou ook een dergelijke bepaling voor het Papiamentu op Bonaire voorzien in een behoefte
bij de lokale bevolking? Zo ja, welke stappen wil de Minister dan daarvoor zetten?
Zo nee, waarom dan niet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen op een amendement dat de Kamer in 2024
met algemene stemmen heeft aangenomen en waarmee zij tenminste één zelfstandige bacheloropleiding
regelde om het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek naar de Fryske taal en cultuur
te versterken.3 Hoe denkt de Minister erover om ook voor het Papiamentu tenminste één bacheloropleiding
te waarborgen? Zou ook hiervoor eenzelfde structurele bijdrage van het Ministerie
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van jaarlijks € 340.000,– toereikend zijn, zoals
bij het amendement voor de bacheloropleiding Frysk gebeurde?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien taal niet alleen als één van de vakken
binnen het funderend onderwijs, maar ook als een voorwaarde voor alle kennisoverdracht
die op scholen plaatsvindt. Welke taal daarvoor het meest geschikt is, dat willen
deze leden pragmatisch beoordelen: het gaat er vooral om wat werkt voor een goede
kennisoverdracht en voor de beste toekomstkansen van kinderen en jongeren in Caribisch
Nederland. Dit betekent dat onderdompelen in de Nederlandse taal (immersie) dus ook
niet per se het wondermiddel vormt, waarmee alle kinderen en jongeren zijn gebaat.
De United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (UNESCO) heeft
in het verleden gepleit voor een structurele inzet van de moedertaal in het onderwijs
omdat dit kennisverwerving bevordert, het leren van andere talen ondersteunt en bijdraagt
aan een positieve identiteitsvorming en de bredere ontwikkeling van leerlingen.4 Onlangs publiceerde ook de Onderwijsraad een advies over het benutten van talige
diversiteit op scholen.5 De Onderwijsraad adviseert om andere thuistalen meer te benutten voor het leren van
en in het Nederlands. Uit onderzoek weten we al langer dat meer ruimte voor andere
thuistalen in het onderwijs niet ten koste gaat van de Nederlandse taalvaardigheid,
maar leerlingen juist helpt bij het leren van de Nederlandse taal en bij andere vakken.
Delen de bewindspersonen dit oordeel, mede met betrekking tot het Papiamentu?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderkennen dat het Papiamentu als thuistaal
wel een probleem heeft als relatief klein taalgebied omdat het Papiaments taalaanbod
in de vorm van gedrukte en digitale documenten wel erg beperkt is. Dit roept de vraag
op of men kinderen en jongeren in Caribisch Nederland niet te kort doet als onderwijs
overwegend plaatsvindt in het Papiamentu met enkele uurtjes Nederlands als vreemde
taal. Tijdens het rondetafelgesprek dat de Kamer op 4 september 2025 organiseerde
over de voertaal en instructietaal in het Caribisch deel van het Koninkrijk stelde
mevrouw dr. Van der Elst-Koeiman dat het het beste werkt als Papiamentu en Nederlands
parallel worden gegeven in een verhouding van 50–50 procent. Kunnen de bewindspersonen
deze visie onderschrijven? Welke consequenties verbinden zij dan daaraan? Beheersen
overigens de medewerkers van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ook
voldoende het Papiamentu om toezicht te houden op onderwijs in die taal?
Op enkele middelbare scholen in Caribisch Nederland wordt inmiddels tweetalig onderwijs
Nederlands en Engels aangeboden en bij het basisonderwijs zijn initiatieven waarbinnen
het Engels fungeert als primaire instructietaal. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
keuren dit niet af, ook al omdat een deel van de scholieren een Engelstalige vervolgopleiding
zal gaan volgen in Europees Nederland of in Angelsaksische landen. Hoe beziet de Staatssecretaris
zulke initiatieven?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie signaleren dat ook de fysieke omgeving bij
het onderwijs in Caribisch Nederland niet altijd op orde is: vaker nog dan bij schoolgebouwen
in Europees Nederland is er sprake van achterstallig onderhoud, lessen vinden soms
noodgedwongen plaats in de buitenlucht, maar worden afgeblazen bij slecht weer, wat
ook in Caribisch Nederland wel voorkomt en het internet functioneert aanmerkelijk
minder vanzelfsprekend dan in Europees Nederland. Welke stappen zet de Staatssecretaris
om hierin verbetering te brengen en hoeveel middelen trekt hij hiervoor uit in meerjarenperspectief?
De Staatssecretaris schreef onlangs in een nota naar aanleiding van het verslag bij
het wetsvoorstel Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting dat met elk van de eilanden
in een convenant afspraken werden gemaakt over de resterende bouw- en renovatieopgave,
maar dat voor elk eiland het tijdpad anders is, waarbij momenteel de verwachting is
dat de opgave op zijn vroegst is afgerond in 2028.6 Kan de Staatssecretaris nader toelichten van welke factoren dit gaat afhangen?
Ook de sociale veiligheid vormt een belangrijke voorwaarde voor goed onderwijs. Wat
dat betreft zijn de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verontrust door het bericht
dat er een onafhankelijk onderzoek moest komen naar de sociale veiligheid op de Gwendolyn
van Puttenschool op Sint-Eustatius.7 Bij deze enige – maar niet openbare – middelbare school op het eiland had de inspectie
eerder vastgesteld dat het onderwijs op deze school niet voldeed aan de basiskwaliteit,
dat het bestuur onvoldoende had ondernomen om verbeteringen door te voeren en dat
docenten, ouders en leerlingen klaagden dat het bestuur al veel langer disfunctioneerde.
Het bestuur wordt daar nu versterkt met een zogenoemde change manager. Uit de berichtgeving
maken deze leden niet op wat precies allemaal zó is misgegaan met de sociale veiligheid
dat juist daarop nu nadruk komt te liggen. Wat kan de Staatssecretaris hierover melden?
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brieven omtrent het onderwijs
en wetenschap in Caribisch Nederland en hebben daar nog enkele vragen over.
De leden van de VVD-fractie vragen welke positie het Papiaments heeft ten opzichte
van het Nederlands in het onderwijs. Deze leden vragen of er te behalen doelen zijn
vastgelegd voor het Nederlands. Zo niet, waarom niet en zo ja, wat zijn deze? Deze
leden vragen tevens wat de positie is van het Papiaments en Nederlands in het basisonderwijs.
Zij hoorden bij het rondetafelgesprek over de voertaal en instructietaal in het Caribisch
deel van het Koninkrijk dat er nu ongelijke kansen zijn vanwege het minder beheersen
van de Nederlandse taal. Wat zou er in het onderwijs moeten veranderen om meer gelijke
kansen te krijgen?
Inbreng van de leden van de NSC-fractie
Bij het rondetafelgesprek over de voertaal en instructietaal in het Caribisch deel
van het Koninkrijk hebben diverse deskundigen benadrukt dat het systeem van primair
onderwijs dringend verbetering behoeft. De meertaligheid op de Cariben speelt daarbij
een rol; het gebruik én behoud van Papiaments als voornaamste taal eveneens.
De leden van de NSC-fractie stellen zich op het standpunt dat de taalpositie van het
Papiaments actief verbeterd moet worden. Tegelijk staat vast dat het aanbod aan onderwijsmateriaal
in het Papiaments tekort schiet. Bovendien is de «omslag» van hetgeen in het Papiaments
geleerd wordt naar enige andere taal (Nederlands, Engels, Spaans) moeizaam.
Het baart deze leden zorgen dat de facto de kwaliteit van het primair onderwijs (volgens
alle experts) zo achteruit is gegaan. Daarbij lijkt er op beleidsniveau géén overeenstemming
te bestaan over de rol van onderwijs in het Papiaments parallel aan de rol van een
«grote» taal, zoals Nederlands.
Bij de beleidsvorming op dit onderwerp is essentieel dat kansenongelijkheid wordt
voorkomen en/of bestreden. Papiaments verdient als taal volledige bescherming, maar
als kinderen onvoldoende vaardig worden in een tweede taal naast dat Papiaments dan
heeft dat enorme gevolgen voor hun toekomst: hun kansen op de arbeidsmarkt bijvoorbeeld,
en daarmee integraal hun bestaanszekerheid: een zekerheid derhalve die op elk vlak,
en in alle delen van het Koninkrijk, dient toe te nemen.
Bij de leden van de NSC-fractie leidt dit tot de volgende vragen: is de Staatssecretaris
het met deze leden eens dat budget moet worden vrijgemaakt voor de verbetering van
het aanbod aan lesmateriaal in het Papiaments? Is de Staatssecretaris het eens dat
de kwaliteit van het primair onderwijs op de Cariben op Koninkrijksniveau op de agenda
moet worden gezet? Hoe kijkt de Staatssecretaris aan tegen de ongewenste gevolgen
van de huidige inrichting van het primair Caribisch onderwijs? Wat is de Staatssecretaris
concreet voornemens aan beleid te ontwikkelen om de voornoemde kansenongelijkheid
te voorkomen, met inachtneming van de noodzaak tot bescherming van Papiaments als
kleine taal? Kunnen de bewindspersonen reflecteren op de rol van de inspectie in het
Caribisch deel van het Koninkrijk: in hoeverre schiet de handhaving van het onderwijsbeleid
thans te kort?
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
De leden hebben kennisgenomen van de stukken over onderwijs en wetenschap in Caribisch
Nederland. De leden hebben geen vragen aan de bewindspersonen.
II Reactie van de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Reactie op de vragen van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de bewindspersonen de ernst van
de onderwijskwaliteitsproblematiek beoordelen, mede in vergelijking met het onderwijs
in Europees Nederland. Daarnaast vragen ze ook welke voortgang de Staatssecretaris
inmiddels geboekt heeft bij de uitvoering van de motie van het lid White c.s. van
oktober 2024, die de regering een plan van aanpak vraagt om het onderwijs te verbeteren.
8
Het is essentieel dat elk kind in Nederland, waar het ook woont, dezelfde kansen krijgt
om zich optimaal te ontwikkelen. Ook in Caribisch Nederland is de kwaliteit van het
onderwijs kwetsbaar en hebben niet alle scholen de basiskwaliteit. Daarom is het van
belang dat we blijven investeren in de kwaliteit van het onderwijs op Bonaire, Saba
en Sint Eustatius. Hoewel er overeenkomsten zijn tussen Europees en Caribisch Nederland,
zijn er ook veel verschillen die vragen om een specifieke aanpak vanwege de lokale
context, schaal en ligging. Maatwerk is essentieel, waarbij gekeken wordt naar wat
echt werkt, en niet automatisch Europees Nederlandse oplossingen gekopieerd worden
naar de eilanden.
In de derde onderwijsagenda's9 zijn de met de openbare lichamen en schoolbesturen gezamenlijk opgestelde prioriteiten
en ambities opgenomen die met voorrang worden opgepakt, zodat het onderwijs verder
verbeterd kan worden. Het gaat hier om de aanpak van, zoals ook door de leden van
GroenLinks-PvdA benoemde vraagstukken, als het lerarentekort, de instructietaal en
versterking van de schoolbesturen. Deze agenda’s hebben betrekking op de periode van
schooljaar 2023–2024 tot en met schooljaar 2026- 2027. Het is de eerste keer dat een
Onderwijsagenda per eiland is vastgesteld, in plaats van één Onderwijsagenda voor
Caribisch Nederland. Dit sluit aan bij de verschillende ontwikkelingen in het onderwijs
op de drie eilanden. Het Ministerie van OCW is nauw betrokken bij de uitvoering van
deze agenda’s.
In de Verzamelbrief kinderopvang in Caribisch Nederland10 heeft de Staatssecretaris Participatie en Integratie de stand van zaken toegelicht
ten aanzien van de kinderopvang in Caribisch Nederland, alsmede de uitvoering van
de motie van het lid White t.a.v. het onderdeel voor- en naschoolse opvang. Binnen
het programma BES(t) 4 Kids wordt sinds 2018 gewerkt aan het verbeteren van de kinderopvang
op de eilanden. Het programma is een intensieve samenwerking tussen de openbare lichamen
Bonaire, Saba en Sint Eustatius en de Ministeries SZW, OCW, VWS en BZK, en richt zich
specifiek op het bieden van kwalitatief goede, veilige en toegankelijke dagopvang
en buitenschoolse opvang. De dagopvang neemt in het programma ook een grotere rol
in de voorbereiding van kinderen richting groep 1. Het programma BES(t) 4 Kids loopt
in ieder geval tot 2028.
De leden vragen welke aanknopingspunten de bewindspersonen zien om via het Vierlandenoverleg
op vrijwillige basis verbeteringen en hervormingen te ondersteunen in het onderwijs
op de CAS-eilanden.
Zoals eerder aangegeven in de beantwoording van Kamervragen van het lid White11 werkt het Ministerie van OCW op verschillende onderdelen samen met de landen. Hoewel
onderwijs een autonome landsaangelegenheid is, is de onderlinge samenwerking belangrijk
voor het Koninkrijk als geheel, het Caribische deel van het Koninkrijk en het studiesucces
van scholieren en studenten in het bijzonder. Begin november is de Minister voornemens
met de Ministers van de andere landen hier weer betekenisvolle stappen te zetten tijdens
het Ministerieel Vierlandenoverleg.
De onderwijsministeries binnen het Koninkrijk werken op de benedenwindse eilanden
samen met de onderwijsinstellingen in het kader van «samen opleiden» via het samenwerkingsverband
Kibrahacha. Daarnaast wordt binnen het Koninkrijk met het netwerk Nederlands als Vreemde
Taal gewerkt aan beter onderwijs in het Nederlands als Vreemde Taal in een meertalige
omgeving. Ook werken de landen van het Koninkrijk via de werkgroep Rode Draden Doorlichting
waar mogelijk samen aan het opvolgen van de aanbevelingen uit de doorlichtingen van
het onderwijs, uitgevoerd in het kader van de landspakketten.
De leden van GroenLinks-PvdA vragen of de bewindspersoon hun analyse deelt dat het
Nederlands in Caribisch Nederland vooral waarde heeft als één van de grotere taalgebieden,
waarin men de toekomstperspectieven van de inwoners verruimt, bijvoorbeeld als deze
willen gaan studeren in Europees Nederland.
Het Nederlands bestaat in Caribisch Nederland naast andere veelvoorkomende talen als
het Papiaments, het Engels en het Spaans, en is voor veel leerlingen in het onderwijs
een vreemde taal. Een goede beheersing van het Nederlands is van groot belang voor
álle leerlingen op de eilanden, niet alleen voor degenen die willen gaan studeren
in Europees Nederland. Daarom is het overkoepelende doel voor het Nederlandse taalonderwijs
in Caribisch Nederland om het taalniveau voldoende op niveau te krijgen om: mee te
kunnen komen in de (lokale) samenleving, op een passend niveau door te stromen naar
het vervolgonderwijs, en op een geschikte plek in te stromen op de arbeidsmarkt. Hier
blijven wij ons voor inzetten.
Ook vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of het beeld klopt dat het verschil
tussen de beide varianten van het Papiaments, Papiamentu op Curaçao en Bonaire en
Papiamento op Aruba, vooral bestaat in een fonetische of etymologische spellingswijze.
Zij vragen zich af wat het handhaven van beide varianten voor de toekomstkansen van
deze relatief kleine taal betekent.
Mede namens de Minister van BZK informeren wij u dat het klopt dat het verschil tussen
beide varianten van het Papiaments voornamelijk betrekking heeft op de spelling. Op
Curaçao en Bonaire wordt een fonetische schrijfwijze gehanteerd, terwijl Aruba heeft
gekozen voor een etymologische benadering. Het bestaan van twee varianten vormt geen
bedreiging voor de toekomstkansen van het Papiaments. Met passende ondersteuning op
het gebied van onderwijs, media en ambtelijk taalgebruik kan de taal zich verder ontwikkelen.
Het hanteren van beide spellingen doet recht aan de eigen identiteit van de eilanden,
terwijl samenwerking binnen het Koninkrijk zorgt voor behoud en versterking van Papiamentu/Papiamento
als volwaardige bestuurstaal en belangrijk cultureel erfgoed.
Verder wijzen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op de Wet Gebruik Friese taal
die sinds 2014 bepaalt dat de officiële talen in de provincie Fryslân het Nederlands
en het Fries zijn.12 Zij vragen of een dergelijke bepaling voor het Papiamentu op Bonaire zou voorzien
in een behoefte bij de lokale bevolking en zo ja welke stappen wil de Minister daarvoor
zetten en zo nee, waarom niet.
Namens de Minister van BZK informeren wij u dat de bestuursafspraak Papiaments op
Bonaire het Papiaments erkent als een volwaardige en zelfstandige taal op Bonaire
naast onder meer het Nederlands, Spaans en Engels. De mogelijkheid om Papiamentu te
gebruiken in bestuurlijk verkeer is vastgelegd in de Wet openbare lichamen Bonaire,
Sint-Eustatius en Saba (WolBES). Daarmee is het Papiamentu in juridische zin verankerd
als bestuurstaal en wordt het gebruikt in onder meer het onderwijs, de rechtspraak
en de communicatie met inwoners. Een afzonderlijke wettelijke regeling, zoals die
specifiek voor het Fries geldt, heeft daarom geen directe toegevoegde waarde. De bestaande
kaders voorzien al in de formele erkenning en bescherming van het Papiamentu. Wel
blijven de bij de bestuursafspraak betrokken partijen, waaronder het Ministerie van
OCW, samen met andere betrokken organisaties bezien of aanvullende maatregelen wenselijk
zijn om de positie van het Papiamentu verder te versterken. Daarbij valt te denken
aan ondersteuning van onderwijs en ambtelijk taalgebruik, zodat de taal ook in de
toekomst stevig geworteld blijft in de lokale samenleving.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen er voorts op dat op basis van een amendement
in 2024 tenminste één zelfstandige bacheloropleiding is om onderwijs en onderzoek
naar de Fryske taal en cultuur te versterken.13 Zij vragen hoe de Minister erover denk om ook voor het Papiaments tenminste één bacheloropleiding
te waarborgen en of hiervoor eenzelfde structurele bijdrage ad jaarlijks € 340.000,–
als voor de bacheloropleiding Frysk, toereikend zou zijn.
Ondanks het feit dat het begrijpelijk is dat de GroenLinks-PvdA-fractie de relatie
legt met het amendement voor de bachelor Fries, is het om verschillende redenen niet
logisch om deze inzet door te trekken naar het Papiaments.
Er is een verschil in welke artikelen binnen het Europees Handvest voor regionale
en minderheidstalen (hierna: Handvest) zijn geratificeerd voor het hoger onderwijs
naar de Friese taal en cultuur respectievelijk voor de Papiamentse taal en cultuur.
De Friese taal is erkend onder deel III van het Handvest en artikel 8.e.ii is geratificeerd
voor het hoger onderwijs. Dit betekent dat de overheid zich heeft verplicht voorzieningen
te verschaffen voor de bestudering van de taal als vak in het universitaire onderwijs.
Aan deze verplichting geeft het Ministerie van OCW nu invulling.
In navolging van het KNAW-rapport «De toekomst van de Frisistiek»14 heeft de GroenLinks-PvdA-fractie in 2024 het amendement ingediend om vanuit het Ministerie
van OCW structureel € 340.000,– beschikbaar te stellen voor deze bachelor.15 Dit is zeer uitzonderlijk. Universiteiten en hogescholen ontvangen de bijdrage van
OCW in de vorm van een lumpsum en beslissen zelf over hoe zij de middelen inzetten
voor hun onderwijs en onderzoek. Naast de bijdrage van OCW, is in de Bestjoersôfspraak
Fryske taal en kultuer 2024–2028 afgesproken dat het Ministerie van BZK en de provincie
Fryslân eveneens financieel bijdragen aan deze bachelor.16 De RUG heeft zelf aangegeven bereid te zijn om deze bachelor te ontwikkelen en aan
te bieden met de aanvullende middelen die werden geboden vanuit de overheid. Dit is
een belangrijk gegeven gezien het feit dat de autonomie voor het starten van een opleiding
wettelijk gezien bij de hogescholen en universiteiten zelf ligt.
Voor de Papiamentse taal en cultuur geldt dat de overheid de taal onder het Handvest
heeft erkend in Europees Nederland onder deel II en op Bonaire onder deel III. De
erkenning in deel II in Europees Nederland betekent dat de overheid zich heeft verplicht
om geen belemmeringen voor het gebruik van deze talen in wet- of regelgeving op te
nemen. Dit is het geval. In artikel 7.2 van de Wet op hoger onderwijs en wetenschap
is bepaald dat onderwijs dat gegeven wordt in een andere taal dan het Nederlands mogelijk
is.
Voor de erkenning van deel III op Bonaire heeft het Rijk artikel 8.e.iii en niet artikel
8.e.ii geratificeerd, aangezien het niet mogelijk is om universitair onderwijs te
verschaffen op Bonaire omdat daar geen universiteit is. Dit betekent dat het Rijk
de bestudering van de taal aanmoedigt en/of toestaat. De Universiteit van Curaçao
biedt een bachelor- en master lerarenopleiding Papiamentu aan. Deze universiteit valt
niet onder het Nederlandse hoger onderwijsstelsel, maar de Nederlandse overheid en
het openbaar lichaam Bonaire hebben aangegeven dat het van belang is dat deze opleiding
bestaat.17 Ook bestaan er aan deze universiteit leerstoelen die in het kader van hun leeropdracht
het Papiaments onderzoeken.
Alles overziend ziet het Ministerie van OCW, gezien de verschillen in de wijze van
erkenning onder het Handvest, het feit dat er geen universiteit is op Bonaire, de
wijze van financiering van hogescholen en universiteiten in het Nederlandse hoger
onderwijsstelsel en de autonomie die de instellingen kennen in hun opleidingsaanbod,
geen reden om in te grijpen in het Nederlandse hoger onderwijsstelsel en structureel
middelen vrij te maken voor een bachelor Papiamentse taal en cultuur. Het Ministerie
van OCW hecht grote waarde aan de autonomie die instellingen hebben ten aanzien van
onderwijs, onderzoek en de bestedingsvrijheid op hun middelen. Uiteraard staat het
de bekostigde universiteiten en hogescholen in Nederland vrij om onderwijs naar de
Papiamentse taal en cultuur te verzorgen vanuit de rijksbijdrage die zij van het Ministerie
van OCW ontvangen.
De leden van GroenLinks-PvdA vragen naar aanleiding van het advies van de Onderwijsraad
om andere thuistalen meer te benutten voor het leren van en in het Nederlands, hoe
met betrekking tot het Papiaments tegen dit advies aangekeken wordt.
In het onderwijs op Aruba, Bonaire en Curaçao bestaan het Nederlands en het Papiaments
naast elkaar. Wanneer een leerling één taal goed en volledig leert spreken, wordt
taalgevoel ontwikkeld waardoor de leerling ook andere talen beter leert spreken. Elk
land in het Koninkrijk is verantwoordelijk voor het eigen onderwijsbeleid en de (onderwijs)taal,
maar de manier waarop andere thuistalen ingezet worden bij het leren van en in het
Nederlands, is aan het onderwijsveld zelf. Vanuit het Ministerieel Vierlandenoverleg
wordt inzet op meertaligheid gestimuleerd vanuit de gedeelde overtuiging dat beide
talen niet tegenover elkaar staan, maar elkaar juist kunnen versterken. Uw Kamer ontvangt
op een later moment nog een beleidsreactie op het gehele advies van de Onderwijsraad.
Daarnaast vragen de leden van GroenLinks-PvdA of de bewindspersonen van OCW de visie
onderschrijven of men kinderen en jongeren in Caribisch Nederland niet te kort doet
als onderwijs overwegend plaatsvindt in het Papiaments met enkele uurtjes Nederlands
als vreemde taal, en welke consequenties zij hieraan verbinden.
Het Ministerie van OCW onderschrijft het principe dat er binnen het onderwijs in Caribisch
Nederland zowel aandacht aan het Papiaments als het Nederlands dient te worden gegeven.
Dit is in de verschillende sectorwetten ook aangegeven. In welke verhouding dit precies
wordt gegeven is aan de scholen en dat is inherent aan de vrijheid van onderwijs als
bedoeld in artikel 23 van de Grondwet. Het Ministerie van OCW heeft voor Bonaire in
de Derde Onderwijsagenda afspraken met de schoolbesturen gemaakt om meertaligheid
in het onderwijs te verankeren en beleid te ontwikkelen waarmee binnen het onderwijs
de resultaten in verschillende talen kunnen toenemen. Alle scholen op Bonaire zijn
bezig met meertaligheid, dat omvat Nederlands, Papiaments, Engels, en alle ander thuistalen
van de leerlingen.
Aanvullend wordt ook gevraagd of de medewerkers van de Inspectie het Papiaments voldoende
beheersen om toezicht te houden op onderwijs in die taal.
De Inspectie van het Onderwijs is de onafhankelijke toezichthouder die op grond van
de Wet op het onderwijs toezicht houdt op de scholen in Europees en Caribisch Nederland.
Het toezicht wordt gehouden op bestuursniveau. Het beheersen van een specifieke (bv,
Papiaments, Nederlands of Engels) taal of vakgebied door de inspecteur is voor het
toezicht op een taal of zaakvak niet nodig.
Verder vragen de leden van de fractie GroenLinks-PvdA hoe de Staatssecretaris aankijkt
tegen initiatieven om in Caribisch Nederland tweetalig onderwijs in het Engels aan
te bieden.
De scholen in Caribisch Nederland dienen uitvoering te geven aan sectorwetten, WPO
BES, WVO 2020. Binnen de grenzen van de wet- en regelgeving is ruimte om maatwerk
aan te bieden aan leerlingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie signaleren dat de fysieke omgeving bij het
onderwijs in Caribisch Nederland niet altijd op orde is en vragen de Staatssecretaris
welke stappen hij zet om hierin verbetering te brengen, hoeveel middelen hiervoor
beschikbaar zijn en welke factoren van invloed zijn op het tijdspad.
Het Ministerie van OCW werkt samen met de drie openbare lichamen aan de bouw en renovatieopgave
voor alle bekostigde scholen in Caribisch Nederland. De afgelopen jaren is het grootste
deel van de primair onderwijsscholen al voorzien van nieuwe of gerenoveerde gebouwen.
Voor de resterende opgave is momenteel nog ongeveer 76 miljoen dollar beschikbaar
voor bouwprojecten die zich in verschillende fases van ontwikkeling bevinden. De schaal
van de eilanden, de daarmee beperkte uitvoeringskracht, en de in afgelopen jaren sterk
toegenomen bouwkosten vormen de grootste uitdagingen voor de snelheid waarmee dit
gerealiseerd kan worden. Naast bouwen zet het ministerie ook in op het verbeteren
van structureel onderhoud, onder andere door de schoolbesturen te ondersteunen bij
het actueel houden van de meerjarige onderhoudsplannen en de openbare lichamen bij
het opstellen van een onderwijshuisvestingsplan dat ook moet anticiperen op de demografische
ontwikkelingen zoals beschreven door de Staatscommissie in het rapport «Gerichte Groei».
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de Staatssecretaris kan melden
over de situatie op de Gwendolyn van Putten school op Sint Eustatius en waarom de
nadruk ligt op de sociale veiligheid.
De Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) beoordeelde de kwaliteit van
het onderwijs eerder dit jaar als onvoldoende en heeft de school een aantal herstelopdrachten
gegeven. De inspectie heeft de afgelopen periode gesprekken gevoerd met het schoolbestuur
en de school om de voortgang te monitoren en zal dit najaar een herstelonderzoek doen.
Recent zijn er ook zorgen over de sociale veiligheid ontstaan. OCW ambtenaren zijn
in gesprek met het schoolbestuur om te kijken wat er gedaan kan worden om de situatie
– zowel de kwaliteit van het onderwijs als de sociale veiligheid – te verbeteren.
Daarvoor is het van belang dat het bestuur op volle sterkte is, daarom is het bestuur
aangevuld met twee interim-bestuurders. Om een goed en breed gedeeld beeld te krijgen
van de situatie, zal een extern bureau onderzoek doen naar de sociale veiligheid.
Een verandermanager zal daar samen met de schoolleiding gevolg aan geven.
De verwachting is dat met deze stappen de basis op orde wordt gebracht en de rust
weer wederkeert zodat de leerlingen van de Gwendoline van Putten school krijgen waar
ze recht op hebben: goed onderwijs.
Reactie op de vragen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie vragen welke positie het Papiaments heeft ten opzichte
van het Nederlands in het onderwijs op Bonaire.
Op Bonaire, als onderdeel van Caribisch Nederland, is de instructietaal in het primair
onderwijs Nederlands en Papiaments, zoals vastgelegd in de WPO BES. Hoe de verdeling
tussen de twee talen wordt vormgegeven is aan de scholen zelf. In het voortgezet onderwijs
is de instructietaal Nederlands zoals vastgelegd in de WVO 2020. In het middelbaar
beroepsonderwijs is op grond van artikel 7.1.1 WEB BES de instructietaal Nederlands
en de examens worden ook in die taal afgenomen. Echter, het bevoegd gezag van een
instelling kan ook voor het Papiaments kiezen voor zover het een assistentenopleiding
of basisberoepsopleiding betreft. Hiervoor moet het bevoegd gezag een aantal aspecten
in ogenschouw nemen, dat in artikel 7.1.1, tweede lid, WEB BES omschreven staat.
Daarnaast vragen de leden of er te behalen doelen zijn vastgelegd voor het Nederlands.
Voor scholen in Caribisch Nederland gelden dezelfde onderwijsdoelen als voor scholen
in Europees Nederland. Deze bestaan uit kerndoelen voor het primair onderwijs en de
onderbouw van het voortgezet onderwijs, eindtermen voor de bovenbouw van het voortgezet
onderwijs en het referentiekader taal en rekenen voor het primair en voortgezet onderwijs.
In de algehele herziening van het curriculum wordt voor het onderwijs in Caribisch
Nederland een aanvullend traject gevolgd waarbij Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO)
beoordeelt of de onderwijsdoelen ook van toepassing zijn op de scholen op Bonaire,
Sint Eustatius en Saba, of dat er nog aanpassingen nodig zijn in verband met de Caribische
context.
Voorts vragen de leden van de VVD-fractie wat er in het onderwijs in het Caribisch
deel van het Koninkrijk zou moeten veranderen t.a.v. het minder beheersen van de Nederlandse
taal om meer gelijke kansen te krijgen.
Het is een belangrijke taak voor het onderwijs om iedere leerling en student kansen
te bieden zich optimaal te ontwikkelen zodat ze mee kunnen (blijven) doen in de maatschappij
en een stevige positie kunnen innemen op de arbeidsmarkt. In de onderwijsagenda voor
Caribisch Nederland is de inzet op meertaligheid en Nederlands als vreemde taal een
speerpunt Vanzelfsprekend is kansengelijkheid in het Caribisch deel van het Koninkrijk
heel belangrijk. Hierbij moet wel in ogenschouw genomen worden dat de zelfstandige
landen verantwoordelijk zijn voor hun eigen onderwijsbeleid en daarin andere keuzes
kunnen maken. Vanuit het Ministerieel Vierlandenoverleg zetten wij ons in voor het
creëren van gelijke kansen voor alle leerlingen – ongeacht welke moedertaal zij thuis
spreken – en stimuleren we een inzet op meertaligheid. Binnen de wet- en regelgeving
specifiek voor Caribisch Nederland krijgen scholen de ruime om maatwerk te bieden
aan leerlingen en studenten die door de onvoldoende beheersing van de Nederlandse
taal mogelijk kansen mislopen om zich optimaal te kunnen ontwikkelen. In het kader
van doorstroom naar Europees Nederland is het CAFY programma opgezet, een onderdeel
van dit programma is versterking van de Nederlandse taal.
Reactie op de vragen van de leden van de NSC-fractie
De leden van de NSC-fractie vragen of de Staatssecretaris het eens is dat er meer
budget vrijgemaakt moet worden voor de verbetering van het aanbod aan lesmateriaal
in het Papiaments.
Hoewel de verantwoordelijkheid voor het aanbieden van geschikt lesmateriaal Papiaments
in principe bij de commerciële uitgeversmarkt ligt, blijft de vraag naar geschikte
lesmethodes groot en heeft het ministerie voor het Papiaments de afgelopen jaren meer
dan 1 miljoen euro geïnvesteerd in het ontwikkelen van lesmateriaal in het primair
onderwijs. Hiervan is eind 2024 een methode Papiamentu voor de scholen op Bonaire
opgeleverd inclusief bijbehorende methodetoetsen, en wordt er op dit moment gewerkt
aan het ontwikkelen van aanvullend lees- en schrijfmateriaal. Wanneer het aanbod lesmateriaal
Papiaments vanuit de markt te wensen overlaat, staat het ministerie altijd open om
hier met het onderwijsveld op Bonaire over in gesprek te gaan.
De leden vragen ook of de Staatssecretaris het met hen eens is dat de kwaliteit van
het primair onderwijs op de Cariben op Koninkrijksniveau op de agenda moet worden
gezet, en hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen de ongewenste gevolgen van de huidige
inrichting van het primair Caribisch onderwijs.
De landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten zijn autonome landen binnen het Koninkrijk,
waardoor primair onderwijs een landsaangelegenheid is. Wel wordt via het Ministerieel
Vierlandenoverleg op vrijwillige basis gewerkt aan de kwaliteit van het primair onderwijs.
Zoals eerder aangegeven in de beantwoording van Kamervragen van het lid White18 wordt in het kader van «samen opleiden» via het samenwerkingsverband Kibrahacha gewerkt
aan de lerarenopleidingen op de benedenwindse eilanden. Daarnaast wordt binnen het
Koninkrijk met het netwerk Nederlands als Vreemde Taal gewerkt aan beter onderwijs
in het Nederlands als Vreemde Taal in een meertalige omgeving. Ook werken de landen
van het Koninkrijk via de werkgroep Rode Draden Doorlichting waar mogelijk samen aan
het opvolgen van de aanbevelingen uit de doorlichtingen van het onderwijs, uitgevoerd
in het kader van de landspakketten.
Aanvullend vragen de leden van de NSC-fractie wat de Staatssecretaris concreet voornemens
is aan beleid te ontwikkelen om kansenongelijkheid voor Papiamentstalige leerlingen
te voorkomen, met in achtneming van de noodzaak tot bescherming van Papiaments als
kleine taal.
De positie van het Papiaments in het onderwijs op Bonaire is op verschillende plekken
in de wet- en regelgeving geborgd. Echter blijft het borgen van de positie van het
Papiaments in en buiten het onderwijs op Bonaire een doorlopend proces. Dit is ook
vastgelegd in de Bestuursafspraak voor het Papiaments op Bonaire (2021) en is de reden
dat meerdere onderwijsartikelen onder deel III van het Europees Handvest voor regionale
en minderheidstalen op basis van bestaande wet- en regelgeving van toepassing zijn
verklaard op het Papiaments. Als er toch sprake zou zijn van eventuele belemmeringen
voor het gebruik van het Papiaments in het onderwijs, dan zal daarnaar worden gekeken.
De leden van de NSC-fractie vragen of de bewindspersonen kunnen reflecteren op de
rol van de inspectie in het Caribisch deel van het Koninkrijk en in hoeverre de handhaving
van het onderwijsbeleid thans te kort schiet.
De inspectie houdt in Caribisch Nederland – net als in Europees Nederland – toezicht
op de naleving van wet- en regelgeving in het onderwijs. De inspectie houdt in haar
toezicht rekening met verschillen in wet- en regelgeving en met de specifieke context.
Het toezicht in Caribisch Nederland is vanwege de uitdagingen intensiever dan in Europees
Nederland. Elke twee jaar krijgt elke school een uitgebreid kwaliteitsonderzoek. De
uitdagen zijn divers: zo is de aansluiting op het vervolgonderwijs in Nederland, vanwege
de taal, voor veel leerlingen moeilijk. Voor leerlingen van de bovenwindse eilanden
komt daar de overstap naar een ander onderwijssysteem bij. Ook hebben de eilanden
te maken met een toename van kinderen uit de regio die de voertaal op school en op
het eiland (Engels, Nederlands en/of Papiaments) niet spreken. De kleinschaligheid
van de eilanden en de uitvoering van inclusief onderwijs brengt daarnaast met zich
mee dat binnen een groep of klas grote verschillen bestaan tussen leerlingen in niveau,
maar vooral ten aanzien van de (extra) ondersteuningsbehoeften.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
A.E.W. Easton, adjunct-griffier