Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 390 Wijziging van Boek 1 en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de introductie van onder meer een regeling voor draagmoederschap en de versterking van het recht van het kind op afstammingsinformatie (Wet kind, draagmoederschap en afstamming)
Nr. 8
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 13 november 2025
Met belangstelling heb ik kennis genomen van de opmerkingen en vragen van de leden
van de fracties van de GroenLinks-PvdA, VVD, D66, BBB, CDA, SP, ChristenUnie, SGP
en Volt. De voornoemde inbrengen laten zien dat draagmoederschap verschillende kanten
kent. Aan de ene kant biedt het mensen met een onvervulde kinderwens de mogelijkheid
die wens alsnog te vervullen. De Universiteit Leiden heeft in opdracht van het Wetenschappelijk
Onderzoek- en Datacentrum (WODC) onderzoek gedaan naar de prevalentie en praktijk
van draagmoederschap in Nederland.1Hieruit blijkt dat er jaarlijks 30 tot 50 kinderen worden geboren met behulp van draagmoederschap
voor in Nederland woonachtige wensouders. Dit betreffen zowel binnenlandse trajecten
(57%) als die waarbij een draagmoederschapstraject in het buitenland wordt gevolgd
(43%).2 Het gaat daarbij zowel om paren van verschillend geslacht (39%) als paren van gelijk
geslacht (55%).3
Aan de andere kant kent deze manier om een kinderwens in vervulling te laten gaan
ook de nodige risico’s, die – mede gelet op de vaak internationale component – nooit
volledig kunnen worden uitgesloten. De Commissie Joustra heeft hier ook op gewezen.4 Zij signaleerde in haar onderzoek naar de wijze waarop interlandelijke adoptie in
het verleden dat bij draagmoederschap dezelfde kwetsbaarheden spelen als bij interlandelijke
adoptie. Bij beide gaat het om het vervullen van een kinderwens, waarbij bemiddeling
plaatsvindt, waarmee op enige manier geld is gemoeid en waarbij sprake is van internationaal
verkeer. Inmiddels is uw Kamer geïnformeerd over het afbouwplan van interlandelijke
adoptie, nadat uw Kamer voor de motie daartoe heeft gestemd.5 Reden hiervoor is dat interlandelijke adoptie geen duurzame oplossing biedt om de
belangen van kinderen te beschermen.6
In oktober 2024 is het WODC-onderzoek «Het Gedragen Kind, Prevalentie en Praktijk
van Draagmoederschap in Nederland» (hierna: WODC-onderzoek 2024) aan uw Kamer aangeboden.
In de aanbiedingsbrief is aangegeven dat het kabinet het rapport zal bestuderen en
met een inhoudelijk reactie zal komen.7 Ik ben de onderzoekers erkentelijk voor hun inspanningen en het onderzoeksrapport
dat is opgeleverd. In paragraaf 2.3. (Nederlands wettelijk kader) wordt nader ingegaan
op het rapport en op de vragen die zijn gesteld die samenhangen met het onderzoek.
Hoewel interlandelijke adoptie en draagmoederschap allebei een manier zijn om een
kinderwens in vervulling te laten gaan, hebben zij ook elk hun eigen kenmerken en
kennen zij in de praktijk een ander verloop. Bij adoptie gaat het om kinderen die
al zijn geboren, met wie de aspirant-adoptiefouders geen genetische verwantschap hebben
en voor welke kinderen in het land van herkomst geen passende opvang kan worden geboden.
Bij draagmoederschap gaat het om kinderen die (doorgaans) ten minste deels genetisch
verwant zijn aan de wensouder(s) en die geboren worden om de kinderwens van deze specifieke
ouders te vervullen.
Draagmoederschap komt voor en zal blijven voorkomen, met of zonder regeling en ongeacht
de invulling van een regeling. In het WODC-onderzoek 2024 geven de onderzoekers aan
het bovendien plausibel te achten dat draagmoederschap naar aanleiding van het stopzetten
van interlandelijke adoptie verder toeneemt.8 Volgens de Commissie Joustra heeft de Nederlandse overheid in het kader van interlandelijke
adoptie nagelaten tijdig maatregelen te treffen om adoptiemisstanden te bestrijden.
Met een wettelijk kader rond draagmoederschap zoals voorgesteld, wordt juist getracht
te stimuleren dat draagmoederschap verantwoord plaatsvindt en daarmee het risico op
misstanden te verkleinen. Het voorstel beoogt wensouders als zij kiezen voor draagmoederschap
te stimuleren een zorgvuldig traject te doorlopen en ethisch te handelen in het belang
van het (toekomstige) kind en de draagmoeder, ook als het gaat om trajecten in het
buitenland. De risico’s kunnen niet allemaal worden uitgesloten. Niet met de voorgestelde
regeling, ook niet met een andere regeling, en ook niet met een verbod van draagmoederschap
of het in stand laten van de huidige (juridische) situatie. Dat maakt draagmoederschap
een ethisch en juridisch gecompliceerd onderwerp, waarop heldere keuzes van de wetgever
nodig zijn.
Ik waardeer het dat de leden van de hiervoor genoemde fracties vragen over het wetsvoorstel
hebben gesteld waarbij al die verschillende aspecten die verbonden zijn aan draagmoederschap
worden belicht. De vragen uit het verslag beantwoord ik op basis van de indeling zoals
die ook in het verslag is gemaakt. Daar waar het de leesbaarheid ten goede komt en
vragen elkaar overlappen, is de beantwoording van vragen gebundeld en zijn kopjes
toegevoegd. En waar de bundeling ertoe heeft geleid dat er geen antwoorden meer staan
in de oorspronkelijke paragraaf is dit vermeld (in de inhoudsopgave). Voor de herleidbaarheid
van de antwoorden tot de vragen in het verslag zijn de vragen in het verslag opgenomen
in een tabel en genummerd (zie bijlage). In deze nota naar aanleiding van het verslag
zijn telkens de nummers van de vragen vermeld gevolgd door de beantwoording.
I. ALGEMEEN DEEL
1. Inleiding
Verwachte gevolgen van de voorgestelde regeling
Gemaakte keuzes in het wetsvoorstel
Keuze om in te zetten op een regeling
Keuze in vervolg op advies Fiom
Mater semper certa est
Commissie Joustra
Verbod op draagmoederschap
2. Huidige situatie
2.1. Aanleiding
Verwerking advies Afdeling advisering van de Raad van State
2.2. Vormen van draagmoederschap
2.3. Nederlands wettelijk kader
WODC-onderzoek 2024
2.4. Wettelijke kaders in het buitenland
Vergoedingen in het buitenland
2.5. Ontwikkelingen in internationaal verband
Internationale kaders voor draagmoederschap
Casablancaverklaring
3. Mensenrechtelijke aspecten draagmoederschap
3.1. Het kind
Belang van het kind/IVRK
3.2. De draagmoeder
Herroeping
4. Dilemma’s en keuzes in het voorstel
5. Een wettelijke regeling voor draagmoederschap
5.1. Hoofdlijnen regeling
Leeftijden
5.2. Een regeling voor de toekenning van ouderschap na draagmoederschap
Burgerlijke stand en Basisregistratie Personen
Toegestane vergoedingen bij draagmoederschap in Nederland
Nationaliteitsrechtelijke gevolgen
5.3. Een regeling voor de erkenning van ouderschap na draagmoederschap in het buitenland
Landenlijst
5.4. Europeesrechtelijke aspecten draagmoederschapsregeling
Europese richtlijn Mensenhandel
6. Strafrechtelijk kader draagmoederschap
[leeg]
6.1. Inleiding
6.2. Strafbaarstelling betalen overdracht ouderschap
Extraterritoriale werking
6.3. Strafbaarstelling hogere vergoeding aan draagmoeder
6.4. Versoepeling bemiddelingsverbod
Opheffen verbod
7. Overige onderdelen
7.1. Draagmoederschapsregister
7.2. Wensouderverlof
7.3. Blijvende risico’s en mogelijke neveneffecten regeling
7.4. Overgangsrecht
8. Consultatie
[leeg]
8.1. Algemene consultatieronde
8.2. Consultatie strafbaarstelling en wensouderverlof
9. Uitvoerings- en handhavingsaspecten
Landelijk expertisecentrum
10. Verwerken persoonsgegevens
11. Regeldruk en financiële aspecten
11.1. Aantallen
[leeg]
11.2. Regeldruk
12. Regeling in Caribisch Nederland
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
III. Overig
I. ALGEMEEN DEEL
1. Inleiding
Verwachte gevolgen van de voorgestelde regeling
Vraag 1, 2, 4, 6, 59 en 87
De leden van de CDA- en ChristenUnie-fractie hebben vragen gesteld over de effecten
van het tot op heden gevoerde beleid respectievelijk de voorgestelde regeling.
Ondanks het ontbreken van een wettelijke regeling maken in Nederland woonachtige wensouders
gebruik van draagmoederschap om hun kinderwens te vervullen, zowel in Nederland als
in andere landen. Dit gebeurt ook in toenemende mate, zo blijkt uit het WODC-onderzoek
2024. Een van de redenen die wordt genoemd is dat de publieke opinie rond draagmoederschap
is veranderd.9 De Staatscommissie Herijking ouderschap (hierna ook: Staatscommissie) adviseerde
in 2016 dan ook om met een wettelijke regeling te komen voor nationaal en internationaal
draagouderschap. De Commissie Joustra signaleerde in 2021, net als de Staatscommissie,
dat met name internationaal draagmoederschap risico’s met zich brengt voor kind en
draagmoeder en uiteindelijk ook voor de wensouders. Deze risico’s zijn niet te negeren,
terwijl een kind dat genetisch verwant is aan een van de wensouders ook een groot
belang heeft bij erkenning van zijn afstamming. Het wetsvoorstel beoogt niet draagmoederschap
als zodanig te bevorderen, maar stimuleert mensen die deze wijze van gezinsvorming
overwegen om te kiezen voor een zorgvuldig en transparant traject. De voorgestelde
regeling sluit aan bij de veranderingen en de behoeften in de samenleving van vandaag
en in de toekomst. Het kind staat hierbij centraal, meer in het bijzonder de ontwikkeling
van diens afstammingsidentiteit en de bescherming van banden met personen die een
belangrijke rol spelen in zijn leven. Als wensouders kiezen voor een zorgvuldig en
verantwoord draagmoederschapstraject, ziet het kabinet geen aanleiding om beperking
als doel te hebben, voor zover dit al mogelijk zou zijn.
Het huidige verbod om kenbaar te maken dat men een draagmoeder zoekt c.q. draagmoeder
wil zijn, bemoeilijkt met name binnenlands draagmoederschap, hetgeen ertoe leidt dat
wensouders geregeld kiezen voor een draagmoederschapstraject in het buitenland. Dit,
terwijl juist binnenlandse draagmoederschapstrajecten eenvoudiger te controleren zijn.
Hoe het aantal draagmoederschapstrajecten zich zal ontwikkelen, is niet te voorspellen.
De onderzoekers van het WODC-onderzoek 2024 achten het plausibel dat draagmoederschap
naar aanleiding van het stopzetten van interlandelijke adoptie verder zal toenemen.10 In het wetsvoorstel is een evaluatiebepaling opgenomen; binnen vijf jaar na de inwerkingtreding
van de wet wordt aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk gezonden. Ook via het draagmoederschapsregister
zullen de ontwikkelingen wat betreft aantallen worden gevolgd.
Wat betreft de vraag naar buitenlandse voorbeelden en de effecten die dit tot gevolg
heeft, geldt dat Cyprus en Griekenland al een aantal jaren wetgeving omtrent draagmoederschap
hebben. Er zijn mij geen cijfers bekend over een eventuele toename in vraag en aanbod
na het implementeren van een regeling aldaar.
Vraag 3
De leden van de CDA-fractie vragen of het wetsvoorstel voorziet in beter zicht op
en registratie van aantallen draagmoederschapstrajecten.
Op dit moment is er geen zicht op draagmoederschapstrajecten en worden draagmoederschapstrajecten
niet als zodanig geregistreerd. Dit wetsvoorstel voorziet in een draagmoederschapsregister.
Het primaire doel van het register is om informatie te bewaren voor het kind over
diens afstamming en ontstaansgeschiedenis. Daarnaast heeft het register ook als doel
het verzamelen van statistische gegevens ten behoeve van wetenschappelijk en statistisch
onderzoek. Dit zal bijdragen aan meer inzicht in en registratie van draagmoederschapstrajecten
in Nederland. Dit betreft zowel binnenlandse als buitenlandse trajecten.
Gemaakte keuzes in het wetsvoorstel
Hieronder volgt de beantwoording van een aantal vragen over de gemaakte keuzes en
het verzoek om een nadere toelichting daarop.
Vraag 7
De leden van de VVD-fractie constateren dat de route van draagmoederschap via het
buitenland niet onmogelijk wordt gemaakt, er geen vergunningenstelsel zoals bij interlandelijke
adoptie komt en de regering ook niet wil werken met een landenlijst. Deze leden vragen
hoe bij deze keuzes de belangen van (toekomstige) kinderen zijn gewogen. Nu onder
andere de Commissie Joustra waarschuwt voor misstanden in het buitenland, is het voor
deze leden van belang dat de regering de kans op misstanden minimaliseert.
De belangen van (toekomstige) kinderen zijn, conform artikel 3 van het Internationaal
Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), de eerste overweging geweest om te
komen tot een juridisch kader voor draagmoederschap. Draagmoederschap komt voor in
Nederland, ook zonder wettelijke regeling. Wensouders gaan ook nu al naar het buitenland
voor een draagmoederschapstraject. Het ontbreken van een specifiek juridisch kader
brengt risico’s met zich, waaronder voor het kind. Zo bestaat er lange tijd onduidelijkheid
over de juridische afstammingsband en het gezag waardoor zich allerlei problemen kunnen
voordoen, zoals op het gebied van verzekeringen en medische behandelingen. Een ander
risico is dat een uit een draagmoeder geboren kind staatloos kan worden. Het individuele
kind heeft er dan ook groot belang bij en recht op dat de afstammingsband met de genetische
ouder, maar ook met de verzorgende tweede ouder zonder genetische band, via een snelle
procedure wordt erkend of vastgesteld. Dat wordt ook bevestigd door het Europese Hof
voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM).11 Met een wettelijke regeling voor zorgvuldig en transparant draagmoederschap worden
de belangen van, onder meer, het kind beter beschermd.
Onderkend wordt dat de risico’s bij draagmoederschap groter kunnen zijn als wensouders
kiezen voor een traject in het buitenland. Overwogen is dat met een verbod, vergunningstelsel
of landenlijst niet kan worden voorkomen dat wensouders (zonder vergunning) een draagmoederschapstraject in (niet op een eventuele landenlijst vermelde) andere landen aangaan. Daarbij
laat de hiervoor genoemde jurisprudentie van het EHRM geen ruimte om de band tussen
het kind en de genetisch verwante wensouder en de verzorgende tweede ouder, niet te
erkennen. Een landenlijst zou bovendien ten onrechte de indruk kunnen wekken dat een
traject uit een land van de lijst altijd zorgvuldig zou zijn, terwijl dit een beoordeling
per traject vergt. Er bestaat internationaal echter geen consensus over de randvoorwaarden
voor draagmoederschap en evenmin een basis voor de controle op elkaars procedures.
Met een wettelijke regeling wordt getracht de keuzes die in Nederland woonachtige
wensouders in een buitenlands traject maken zo te beïnvloeden dat wordt bereikt dat
zij ook bij een traject in het buitenland zich rekenschap geven van de zorgvuldigheidseisen.
Tegelijkertijd kunnen misstanden, zeker in het buitenland, vooraf niet compleet worden
uitgesloten. In de verplichte voorlichting zullen betrokkenen zoveel mogelijk bewust
worden gemaakt van de risico’s van buitenlands draagmoederschap en zal informatie
worden verschaft over hoe trajecten in het buitenland verantwoord kunnen verlopen.
Vraag 65
De leden van de Volt-fractie vragen waarom er wordt benadrukt dat dit wetsvoorstel
enkel dient om betere bescherming voor betrokkenen te waarborgen en niet zou dienen
om draagmoederschap in zekere mate te bevorderen. Zij willen hierop graag een reflectie
van de regering zien.
Het kabinet verwijst hiervoor graag naar het advies van de Staatscommissie Herijking
ouderschap. De Staatscommissie geeft daarin aan dat de keuze om een kind te krijgen
is ingegeven door de wens van de ouder(s) en dat de wens om een kind groot te brengen
in beginsel mooi en positief is. Daarmee is het beginpunt van de vraag naar ouderschap
doorgaans niet het belang van het toekomstige kind, maar de kinderwens van de ouder.
Ouders zullen zich evenwel ook rekenschap moeten geven van het belang van het kind
bij de invulling van hun kinderwens. De Staatscommissie is van oordeel dat, waar de
overheid is betrokken bij het realiseren van die wens, de beoordeling van het belang
van het kind een centrale plaats moet krijgen.12 Het kabinet meent dat de rol van de overheid in die zin dan ook niet is het stimuleren
van het gebruik van draagmoederschap als zodanig, maar om waarborgen voor zorgvuldig
en transparant draagmoederschap te bieden. Het wetsvoorstel beoogt in dat verband
om het belang van het kind en de waardigheid en belangen van draagmoeder en wensouders
voorop te stellen en kinderhandel en uitbuiting van de draagmoeder tegen te gegaan.
Vraag 94
De leden van de ChristenUnie maken zich grote zorgen over de kwetsbare positie van
vrouwen wanneer draagmoederschap een inkomstenbron wordt en vinden dit evenmin in
het belang van het kind. Zij vragen de regering hoe deze zorg gewogen is en voorkomen
wordt.
De zorgen van de leden van de ChristenUnie worden gedeeld, in die zin dat financieel
gewin geen drijfveer zou mogen zijn voor de draagmoeder om deel te nemen aan een draagmoederschapstraject.13 Dit is belangrijk voor de waardigheid van het kind. Bovendien leiden financiële prikkels
tot oneigenlijke druk op de draagmoeder en maken deze haar positie kwetsbaar. Financiële
druk kan ook risico’s met zich brengen, zoals het achterhouden van belangrijke medische
informatie.
Om de hiervoor genoemde redenen worden betalingen aan de draagmoeder in Nederland
gemaximeerd. Voor buitenlandse trajecten zal in eerste instantie eventuele nationale
wetgeving met betrekking tot vergoedingen aan de draagmoeder aldaar leidend zijn.
Het vanuit Nederland reguleren van (de hoogte van) betalingen bij buitenlandse trajecten
zoals dat bij binnenlandse trajecten wordt voorgesteld, is niet uitvoerbaar. Dat heeft
er onder meer mee te maken dat de kosten voor een draagmoederschapstraject sterk verschillen
per land. Zo bestaan er enorme verschillen in (financiële) vangnetten en medische
voorzieningen die nationale overheden aan hun burgers bieden. Ten aanzien van betalingen
voor de overdracht van het ouderschap van het kind wordt met het voorgestelde artikel
151ca van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wel een harde grens getrokken. Van een dergelijke
betaling is sprake als een beloning wordt gegeven of in het vooruitzicht wordt gesteld
voor de overdracht van een (gezond) kind. Als geen gezond kind wordt overgedragen,
vindt er ook geen betaling plaats of moet deze worden teruggegeven. Deze vormen van
betaling zijn in geen geval toelaatbaar, ook niet in het kader van buitenlandse draagmoederschapstrajecten.
Dit dient mede om, zoals de leden van de ChristenUnie benoemen, een kwetsbare positie
van draagmoeders te voorkomen.
In de te volgen voorlichting en counseling die in het wetsvoorstel als één van de
voorwaarden worden gesteld voor erkenning van rechtswege van ouderschap na buitenlands
draagmoederschap, zullen wensouders worden gewezen op het belang van de vrijwillige
deelname van de draagmoeder aan het traject. De verantwoordelijkheid om de vrijwillige
deelname van de draagmoeder te onderzoeken, ligt in eerste instantie bij de wensouders.
Zij hebben contact met de draagmoeder, of zouden hiervoor moeten kunnen zorgen, en
kunnen (mede) bepalen onder welke voorwaarden het draagmoederschapstraject wordt aangegaan.
Daaronder valt ook het voorkomen dat onredelijke betalingen aan de draagmoeder worden
gedaan. Wensouders kunnen bij een betaling de motieven van de draagmoeder voor deelname
aan een traject, de levensstandaard en de sociaaleconomische status van de draagmoeder
afwegen tegen de (voorgenomen) betaling. In het wetsvoorstel is voor erkenning van
rechtswege van het ouderschap dat is ontstaan na buitenlands draagmoederschap ook
de voorwaarde opgenomen van een rechterlijke toets in het buitenland. Als in de procedure
in het buitenland een rechter is betrokken, wordt aangenomen dat deze de vrije instemming
van alle betrokkenen heeft bezien.
Keuze om in te zetten op een regeling
Vraag 39, 56, 162, 163, 164
De leden van de SGP-fractie vragen waarom niet meer is ingezet op het bestrijden van
huidige problematiek (bij buitenlandse trajecten) in plaats van in te zetten op regulering.
Draagmoederschap komt voor in Nederland en zal blijven voorkomen. Op dit moment is
er geen specifieke regeling voor draagmoederschap. In dat licht heeft de Staatscommissie
Herijking ouderschap in 2016 geadviseerd om te komen met een wettelijke regeling voor
nationaal en internationaal draagmoederschap. Met de voorgestelde wettelijke regeling
voor draagmoederschap en een versterking van het recht op informatie over de ontstaansgeschiedenis
wordt op evenwichtige wijze aangesloten bij de veranderingen en de behoeften in de
samenleving van vandaag en in de toekomst. Het kind staat hierbij centraal, meer in
het bijzonder de ontwikkeling van diens afstammingsidentiteit en de bescherming van
banden met personen die een belangrijke rol spelen in diens leven. Met de voorgestelde
regeling wordt beoogd wensouders te laten kiezen voor een zorgvuldig traject, bij
voorkeur in Nederland. Door binnen Nederland een regeling te bieden, wordt zo veel
mogelijk voorkomen dat ouders de grens over gaan voor een draagmoederschapstraject.
In het buitenland heeft de Nederlandse overheid immers in veel mindere mate invloed
op het verloop van deze trajecten.
Het wetsvoorstel bevat prikkels om ouders te bewegen verantwoorde keuzes te maken
en een zorgvuldig en transparant traject te doorlopen. Die prikkel bestaat met name
uit de zekerheid over de afstamming van het uit de draagmoeder geboren kind: door
een beslissing vooraf van de Nederlandse rechter of het vooruitzicht van een erkenning
van rechtswege bij de ambtenaar van de burgerlijke stand of ambtenaar Basisregistratie
Personen (BRP). De verplichte voorlichting en counseling als onderdeel van een draagmoederschapstraject
maakt wensouders bewust van de mogelijke risico’s van een buitenlands draagmoederschapstraject
alsmede van het belang van het voldoen aan de basisvoorwaarden. Ook wordt met het
wetsvoorstel een draagmoederschapsregister ingericht, waardoor informatie over de
afstamming voor het kind door het kind kan worden achterhaald.
Op deze manier worden ouders gestimuleerd om een zorgvuldige en verantwoorde keuze
te maken. Als de wensouders dit nalaten, kunnen zij geen gebruikmaken van de mogelijkheden
uit het wetsvoorstel om hun juridische ouderschap tot stand te laten komen. Zij zullen
zich dan daarvoor tot de Nederlandse rechter moeten wenden. Een verbod op draagmoederschap
is niet zinvol, omdat een verbod er niet toe zal leiden dat draagmoederschap niet
meer voorkomt en niet zal verhinderen dat draagmoederschap gebruikt blijft worden
als middel van gezinsvorming. Het belang van het (toekomstige) kind is beter gediend
met een wettelijke regeling voor verantwoord draagmoederschap, zowel in Nederland
als het buitenland. Het wetsvoorstel biedt een kader aan de hand waarvan (internationale)
draagmoederschapstrajecten kunnen worden beoordeeld.
Vraag 175
De leden van de CDA-fractie vragen voorts of de regering in het loslaten van het tot
nu toe geldende ontmoedigingsbeleid risico’s ziet op een toename van buitenlands draagmoederschap,
misstanden en het ontbreken van handhavingsmogelijkheden?
Mits het draagmoederschapstraject zorgvuldig verloopt en voldoet aan de waarborgen
die wij in Nederland belangrijk vinden, behoeft een eventuele toename van het aantal
buitenlandse draagmoederschapstrajecten niet zozeer een probleem te zijn. Belangrijk
is dat een dergelijk traject zorgvuldig is. Het wetsvoorstel voorziet daartoe in bepaalde
waarborgen, waaronder de verplichte voorlichting en counseling die wensouders moeten
doorlopen. Juist de aangescherpte toets die in Nederland zal moeten worden uitgevoerd
bij het beoordelen van de vraag of in het buitenland tot stand gekomen ouderschap
van wensouders in Nederland erkend kan worden (zie ook de beantwoording van de hiervoor
gestelde vragen van deze leden), beoogt misstanden te voorkomen, omdat het voor wensouders
bepaald niet «loont» om met het trachten te vervullen van hun kinderwens buiten de
duidelijk afgebakende paden te treden. Wensouders lopen dan immers het risico dat
hun ouderschap in Nederland niet wordt erkend met alle mogelijke gevolgen voor hun
positie als verzorgers en opvoeders van het kind van dien. Het klopt dat wij vanuit
Nederland niet de mogelijkheid hebben om alle misstanden die zich op de wereld voordoen
aan te pakken. Maar het feit dat wij in Nederland in het belang van het kind, alsmede
in het belang van draagmoeder en wensouders diverse eisen stellen aan de erkenning
van het in het buitenland ontstane ouderschap van wensouders, maakt het voor betrokkenen
onaantrekkelijk om in trajecten te stappen waarvan niet op voorhand duidelijk is dat
zij hieraan voldoen
Vraag 178 en 179
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering de kritiek deelt dat met de regeling
voor ouderschap na buitenlands draagmoederschap een belangrijk uitgangspunt in de
Nederlandse regeling losgelaten wordt, namelijk dat er geen sprake mag zijn van commercieel
draagmoederschap. Verder vragen deze leden of de regering bereid is te onderzoeken
of er aanvullende beschermingsmaatregelen nodig zijn om commercieel draagmoederschap
in het buitenland te voorkomen.
Op dit moment zijn betalingen bij draagmoederschap niet gereguleerd. Betaald (al dan
niet commercieel) draagmoederschap is op dit moment dus mogelijk. Betalingen aan de
draagmoeder, anders dan een redelijke vergoeding voor onkosten, alsmede een redelijke
tegemoetkoming voor zwangerschap en bevalling, de pijn en het ongemak, zijn om meerdere
redenen niet in het belang van het kind. In de huidige situatie bestaat geen mogelijkheid
voor een effectieve reactie op dergelijke onwenselijke praktijken. Daar brengt het
wetsvoorstel verandering in. In het wetsvoorstel worden twee strafbaarstellingen geïntroduceerd
waarmee betalingen bij draagmoederschap worden begrensd. Het betreft de strafbaarstelling
van het betalen voor de overdracht van het ouderschap van een kind en de strafbaarstelling
van het geven en ontvangen van vergoedingen die bij algemene maatregel van bestuur
(amvb) te bepalen maxima te boven gaan. Zoals door de leden van de CDA-fractie is
opgemerkt, zal het in de praktijk lastig kunnen zijn deze strafbepalingen te handhaven.
Desondanks wordt normstelling op dit punt van belang geacht. De strafbaarstelling
van het betalen voor de overdracht van het ouderschap van een kind heeft ook gevolgen
voor buitenlandse trajecten waarbij Nederlanders betrokken zijn. Dit onderwerp zal
dan ook aandacht krijgen in de verplicht te volgen voorlichting bij buitenlandse trajecten
door de wensouders. Met dit wetsvoorstel wordt daarnaast het ouderschap na draagmoederschap
in Nederland beter geregeld en mogelijk gemaakt dat betrokkenen elkaar in Nederland
makkelijker kunnen vinden. Hiermee wordt beoogd wensouders die hun kinderwens in vervulling
willen doen gaan met behulp van een draagmoeder, kiezen voor draagmoederschap in een
traject in Nederland. Waar wensouders toch besluiten een buitenlands traject te volgen,
worden zij in het wetsvoorstel gestimuleerd te kiezen voor een zorgvuldig traject.
Dat is een traject dat goede waarborgen biedt voor kind, draagmoeder en wensouders
door duidelijke basisvoorwaarden te stellen voor de acceptatie in Nederland van de
buitenlandse geboorteakte van het aldaar uit een draagmoeder geboren kind.
Op deze wijze zijn waarborgen in de regeling opgenomen om onwenselijke betalingen
voor zover mogelijk te beperken.
Keuze in vervolg op het advies van Fiom en maatschappelijk debat
Vraag 58, 95, 174,176 en 177
De leden van de CDA en ChristenUnie-factie hebben vragen naar aanleiding van het advies
van Fiom om te wachten met een regeling voor internationaal draagmoederschap en vragen
zich af of er voldoende maatschappelijk debat is gevoerd over het reguleren van verschillende
vormen van draagmoederschap.
Aan het opstellen van de regeling is het nodige maatschappelijk debat voorafgegaan.
De Staatscommissie Herijking ouderschap heeft op 7 december 2016 onder voorzitterschap
van de heer A. Wolfsen haar rapport «Kind en ouders in de 21e eeuw» uitgebracht. Zij
adviseerde, na een onderzoekstraject van ruim twee jaar, waarin het onderwerp van
diverse kanten is bezien en besproken met onder meer maatschappelijke organisaties,
om met een wettelijke regeling te komen voor nationaal en internationaal draagmoederschap,
juist vanwege de kwetsbare positie van alle betrokkenen. Dit wetsvoorstel voorziet
daarin.
De (rechts)praktijk wordt geregeld geconfronteerd met draagmoederschapstrajecten die
in het buitenland zijn doorlopen. Daarvoor bestaat op dit moment geen specifiek juridisch
kader. In de recente rechtspraak is te zien dat in het buitenland opgemaakte geboorteaktes
waarop beide wensouders als de juridische ouders van het kind staan vermeld in Nederland
worden erkend. Dat gebeurt dan nadat de rechter het traject én de buitenlandse rechterlijke
beslissingen die ten grondslag liggen aan de vermelding van de wensouders als ouders
op de geboorteakte van het kind heeft getoetst aan de door de Staatscommissie Herijking
ouderschap geformuleerde zorgvuldigheidseisen.14 Belangrijke waarborgen, zoals het vereiste dat ten minste één van de wensouders de
genetische ouder van het kind is en duidelijkheid over de mogelijkheid voor het kind
om te zijner tijd de identiteit van de draagmoeder en van een eventuele eicel- of
spermadonor wiens gameten voor de procreatie van het kind zijn gebruikt te achterhalen,
spelen bij deze rechterlijke toets een belangrijke rol. Als de rechter vaststelt dat
het buitenlandse traject aan die zorgvuldigheidseisen voldoet, geeft hij verklaringen
voor recht af waarmee de in het buitenland genomen rechterlijke beslissingen en de
in het buitenland opgemaakte geboorteakte in Nederland worden erkend.
De in het wetsvoorstel opgenomen voorwaarden op grond waarvan buitenlandse draagmoederschapstrajecten
van rechtswege erkend worden (voorgesteld artikel 10:101a BW) sluiten aan bij de in
de rechtspraak gehanteerde normen, maar scherpen deze ook aan. Zo dient een verslag
van de door de wensouders afgeronde voorlichting en counseling over zowel de juridische
als de psychologische aspecten van draagmoederschap te worden overgelegd. Ook dient
een rechterlijke beslissing ten grondslag te liggen aan de afstamming. En voorts moet,
als het ouderschap van de wensouders direct vanaf de geboorte van het kind is ontstaan,
er een mogelijkheid zijn geweest voor de draagmoeder om het ouderschap van de wensouder(s)
te betwisten. In de situatie waarin het traject niet voldoet aan de (extra) basisvoorwaarden,
verandert de huidige gang van zaken niet. In dat geval zal de vraag of de in het buitenland
opgemaakte geboorteakte van het kind waarop de wensouder(s) als ouder(s) zijn (is)
vermeld, door een rechter beoordeeld blijven worden aan de hand van artikel 10:100
en artikel 10:101 BW. Met de voorgestelde regeling is gewaarborgd dat de erkenning
van buitenlandse draagmoederschapstrajecten niet zozeer gemakkelijker wordt, maar
wel dat de periode vanaf de geboorte van het kind totdat de juridische band met de
wensouders is gevestigd, zo kort mogelijk is. Hiermee wordt in overeenstemming met
de rechtspraak van het EHRM gewaarborgd dat, in de situaties waarin betrokkenen het
traject met uiterste zorgvuldigheid hebben doorlopen, het kind minder lang in een
onzekere positie zal verkeren omtrent zijn juridische afstamming. Gelet op het feit
dat de voorgestelde regeling voor de erkenning van buitenlandse draagmoederschapstrajecten
juist aanscherpingen en verduidelijking bevat ten opzichte van de huidige toets die
de Nederlandse rechter uitvoert, wordt wachten tot de gevolgen van wetgeving voor
draagmoederschap in Nederland zijn bezien – zoals FIOM in de brief van 3 oktober 2023
aan de vaste Commissie van Justitie en Veiligheid adviseert – niet opportuun geacht.
Zoals in de memorie van toelichting is genoemd (o.a. par. 6.3) is opsporing van misstanden
rond bijvoorbeeld betalingen bij internationaal draagmoederschap lastig. Betrokkenen
hebben vaak geen baat bij het melden of prijsgeven van gemaakte afspraken en buitenlandse
autoriteiten zullen doorgaans niet snel meewerken aan rechtshulpverzoeken als het
land waarom het gaat deze handelingen niet strafbaar heeft gesteld.
In het wetsvoorstel wordt het betalen voor de overdracht van het ouderschap van een
kind strafbaar gesteld, ook als dit door in Nederland woonachtige wensouders in het
buitenland gebeurt. Voorgesteld artikel 151ca Sr stelt dat voor de betaling voor de
overdracht van het ouderschap van het kind een strafmaximum van twee jaar staat of
een geldboete van de vierde categorie. Het delict wordt in het wetsvoorstel aangemerkt
als feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Dit maakt dat in de gevallen
waarbij signalen van misstanden bij de politie of het OM terechtkomen, zij in het
belang van het onderzoek bijzondere opsporingsbevoegdheden kunnen inzetten.
Overigens zijn betalingen bij draagmoederschap op dit moment niet gereguleerd. Betaald
(al dan niet commercieel) draagmoederschap is op dit moment dus mogelijk. Betalingen
aan de draagmoeder, anders dan een redelijke vergoeding voor onkosten, alsmede een
redelijke tegemoetkoming voor zwangerschap en bevalling, de pijn en het ongemak, zijn
om meerdere redenen niet in het belang van het kind. Deze redenen zijn hierboven reeds
aan bod gekomen. In de huidige situatie bestaat echter geen mogelijkheid voor een
effectieve reactie op dergelijke onwenselijke praktijken. Daar brengt het wetsvoorstel
verandering in door het betalen voor de overdracht van het ouderschap van een kind
en het geven en ontvangen van vergoedingen die bij amvb te bepalen maxima te boven
gaan, strafbaar te stellen. Dit maakt dat in de gevallen waarbij signalen van misstanden
bij de politie of het OM terechtkomen, zij hiernaar onderzoek kunnen verrichten. Met
het wetsvoorstel wordt daarnaast gemakkelijker gemaakt voor wensouders en draagmoeders
om elkaar te vinden. Openbaarmaking van de wens om zelf draagmoeder te worden of een
draagmoeder te vinden is na inwerkingtreding van het wetsvoorstel niet langer verboden.
Hiermee wordt getracht om het aanbod van altruïstisch draagmoederschap in Nederland
te vergroten. Naar verwachting zal het aantal wensouders dat een draagmoeder zoekt
het aantal draagmoeders (blijven) overschrijden. Er moet daarom terdege rekening mee
worden gehouden dat we in Nederland te maken zullen blijven houden met hier woonachtige
wensouders die (ook) in het buitenland een draagmoeder gaan zoeken. Het kabinet onderkent
daarbij dat de invloed van de Nederlandse overheid niet zover reikt dat misstanden
in het buitenland volledig kunnen worden uitgesloten. Met het wetsvoorstel worden
wensouders die toch naar het buitenland gaan voor een draagmoederschapstraject, gestimuleerd
dit traject zo zorgvuldig mogelijk te doorlopen. Het wetsvoorstel voorziet in verplichte
voorlichting en counseling voorafgaand aan het draagmoederschapstraject. Onder meer
informatie over de strafbaarstelling van het betalen voor de overdracht over het ouderschap
van een kind zal onderdeel zijn van de verplichte voorlichting, evenals het wijzen
op mogelijke risico’s op misstanden in het buitenland. Daarnaast dient er een rechterlijke
toets in het buitenland te hebben plaatsgevonden en moeten de afstammingsgegevens
van het kind bekend zijn, wil het in het buitenland tot stand gekomen ouderschap hier
te lande van rechtswege erkend kunnen worden. Hiermee wordt getracht het risico op
misstanden zoveel mogelijk te beperken.
De afgelopen jaren heeft voorts een uitgebreide consultatie plaatsgevonden. Het merendeel
van de reacties in de consultatie onderschrijft de wenselijkheid van een draagmoederschapsregeling.
Daarbij wordt gewezen op het feit dat draagmoederschap in de praktijk voorkomt en
dat het verstandig is om hiervoor een regeling met waarborgen te treffen. Het zijn
juist ook de risico’s verbonden zijn aan draagmoederschap die leiden tot de conclusie
dat het noodzakelijk is om te komen tot een regeling voor draagmoederschap. Dit blijkt
ook uit het recente WODC-rapport.15 Daaraan doet niet af dat over de wenselijkheid van draagmoederschap verschillend
kan worden gedacht.
Met de Staatscommissie Herijking ouderschap meent het kabinet dat waar de overheid
is betrokken bij het realiseren van een kinderwens, de beoordeling van het belang
van het kind een centrale plaats moet krijgen. Het kabinet meent dat de rol van de
overheid in die zin dan ook niet is het stimuleren van het gebruik van draagmoederschap
als zodanig, maar om, als wensouders voor een draagmoederschapstraject kiezen, de
wensouders te stimuleren een zorgvuldig traject te doorlopen en ethisch te handelen
in het belang van het (toekomstige) kind en de draagmoeder. Mits het draagmoederschapstraject
zorgvuldig verloopt en voldoet aan de waarborgen die wij in Nederland belangrijk vinden,
behoeft een eventuele toename van het aantal buitenlandse draagmoederschapstrajecten
overigens ook niet zozeer een probleem te zijn. Belangrijk is dat een dergelijk traject
zorgvuldig is. Het wetsvoorstel beoogt om het belang van het kind en de waardigheid
en belangen van draagmoeder en wensouders voorop te stellen en misstanden en uitbuiting
van de draagmoeder tegen te gegaan. De stimulans om voor een zorgvuldig traject te
kiezen zit daarbij vooral in de geboden zekerheid over de juridische afstamming van
het na het draagmoederschapstraject geboren kind: een beslissing vooraf van de Nederlandse
rechter of het vooruitzicht van een erkenning van rechtswege bij de ambtenaar van
de burgerlijke stand of ambtenaar BRP. De verplichte voorlichting en counseling helpt
daarbij door zeker te stellen dat wensouders worden geïnformeerd over de risico’s
van (buitenlands) draagmoederschap en over hoe trajecten verantwoord kunnen verlopen.
Mater semper certa est
Vraag 232 en 233
De leden van de ChristenUnie-fractie stellen vragen over het «mater semper certa est»
beginsel en over of er voldoende maatschappelijk debat is gevoerd over het afstand
doen van dit beginsel.
Het mater semper certa est beginsel houdt in dat het moederschap van de vrouw uit
wie het kind wordt geboren altijd vaststaat. Als een kind in Nederland wordt geboren
en aangifte wordt gedaan van de geboorte, wordt een geboorteakte opgemaakt. Met de
huidige wetgeving wordt daarop ook in geval van draagmoederschap de geboortemoeder
als moeder vermeld. Zij is daarmee dan ook de juridische moeder van het kind. Het
beginsel is pas bij de herziening van het afstammingsrecht in 1998 in de wet vastgelegd
door expliciet te bepalen dat de vrouw uit wie het kind geboren werd de moeder van
het kind is. Wij kennen echter inmiddels ook andere vormen van moederschap (bijvoorbeeld
bij de geboorte van een kind staande het huwelijk van twee vrouwen).
Is een kind in het buitenland geboren, dan wordt aldaar een geboorteakte opgemaakt.
In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld als het kind de Nederlandse nationaliteit heeft,
kan die geboorteakte worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand
in Den Haag. Als de Nederlandse rechter heeft vastgesteld dat het in het buitenland
doorlopen traject zorgvuldig is geweest, hetgeen doorgaans getoetst wordt aan de vereisten
zoals geformuleerd door de Staatscommissie Herijking ouderschap, en er in het buitenland
een rechter betrokken is geweest bij de toekenning van het ouderschap aan een of beide
wensouders, wordt in de regel de ambtenaar van de burgerlijke stand gelast deze buitenlandse
akte in te schrijven en daarop een latere vermelding te plaatsen van de beslissingen
van de buitenlandse rechter. Die beslissingen betreffen dan bijvoorbeeld de ontkenning
van het moederschap van de draagmoeder en de vaststelling van het ouderschap van de
wensouders.16 Door de latere vermelding van de buitenlandse beslissing blijft de identiteit van
de draagmoeder voor het kind achterhaalbaar. Met de in het wetsvoorstel gedane voorstellen
van gerechtelijke toekenning van ouderschap van wensouders die aldus direct als ouders
op de geboorteakte van het kind zullen worden vermeld, wordt bereikt dat de juridische
afstamming van het uit de draagmoeder geboren kind eerder vaststaat dan thans het
geval is. De draagmoeder wordt als vrouw uit wie het kind is geboren op het vervolgblad
van de geboorteakte vermeld. Daarmee blijft haar identiteit voor het kind zelf kenbaar
uit de geboorteakte. Aan het kind kan immers op verzoek een afschrift van de geboorteakte
worden verstrekt, waarop, anders dan in het uittreksel van de geboorteakte, ook de
gegevens van de draagmoeder staan vermeld. Het direct aanmerken van de wensouders
als de juridische ouders is in het belang van het kind omdat daarmee voorkomen wordt
dat er na de geboorte een zekere periode is waarin onduidelijkheid bestaat over zijn
afstamming en daarmee gepaard gaande onzekerheid over bijvoorbeeld de zeggenschap
over het kind.
De vraag die verder wordt gesteld, is of er voldoende maatschappelijk debat is geweest
over de nuancering van het mater semper certa est-beginsel. Naar het oordeel van het
kabinet is dat het geval. De multidisciplinair samengestelde Staatscommissie Herijking
ouderschap heeft voordat zij met haar advies kwam hoorzittingen gehouden. Daarnaast
is door de Staatscommissie in een periode van twee jaar uitvoerig gesproken met verschillende
maatschappelijke en overheidsorganisaties, belangenorganisaties en wetenschappers,
andere professionals en ook met ervaringsdeskundige burgers.17 Vanuit haar visie op de maatschappelijke en technologische ontwikkelingen in de maatschappij
heeft de Staatscommissie in haar eindrapport geadviseerd te komen met een regeling
voor draagmoederschap waarbij als aan de in de wet gestelde voorwaarden is voldaan
het kind vanaf de geboorte in familierechtelijke betrekking tot de wensouders komt
te staan. Het advies van de Staatscommissie is vervolgens besproken met professionals
en geïnteresseerden op het Congres Kind en ouder in de 21e eeuw, waarover uw Kamer bij brief van 11 mei 2017 is geïnformeerd.18 Nadat volgens de lijnen van het advies van de Staatscommissie een wetsvoorstel is
opgesteld, is dat in internetconsultatie gebracht. In de consultatiereacties is het
belang van nieuwe wetgeving voor draagmoederschap breed onderschreven. Het aspect
dat de wensouders direct vanaf de geboorte van het kind als diens juridische ouders
kunnen worden aangemerkt, is daarbij uitdrukkelijk aan de orde geweest. Verwezen wordt
naar pagina 36 en 37 van de memorie van toelichting voor een beschrijving van de diversiteit
aan reacties en de overwegingen hieromtrent. De Raad voor Strafrechtstoepassing en
Jeugdbescherming (RSJ) benadrukte bijvoorbeeld dat een wettelijke regeling voor het
kind direct duidelijk maakt wie de juridische ouders zijn en wie de verantwoordelijkheid
dragen voor de verzorging en opvoeding op de lange termijn. Ook zijn er kritische
reacties, waarin bijvoorbeeld wordt gewezen op bescherming van de band tussen het
kind en de geboortemoeder en waarin de nadruk wordt gelegd op het belang van genetische
en biologische verwantschap als basis voor ouderschap.
Commissie Joustra
Vraag 47, 48, 53, 54 en 57
De leden van de VVD-, de GroenLinks-PvdA-, en de ChristenUnie-fractie vragen hoe het
wetsvoorstel zich verhoudt ten opzichte van het rapport van de Commissie Joustra.
Uit het rapport van de Commissie Joustra volgt dat de Nederlandse overheid op verschillende
vlakken heeft nagelaten tijdig maatregelen te treffen om adoptiemisstanden te bestrijden.
Doordat het optreden van de overheid tekort schoot op het gebied van wet- en regelgeving,
het doen van onderzoek naar misstanden, het toezicht en de handhaving, konden de misstanden
voortduren. Hierbij heeft zij de terechte opmerking gemaakt dat veel van de elementen
die bij interlandelijke adoptie een rol spelen, ook bij draagmoederschap spelen: een
sterke kinderwens, beperkte mogelijkheden tot toezicht (mede door het internationale
aspect) en financiële prikkels.
Het kabinet onderkent met de voorgestelde regeling dat draagmoederschap voor komt
en zal blijven voorkomen, én dat de genoemde risico’s bij draagmoederschap spelen.
Dat is overigens het geval onder de voorgestelde regeling, maar ook als er geen regeling
tot stand zou worden gebracht of bij een verbod op draagmoederschap. Met de voorgestelde
wettelijke regeling heeft het kabinet ervoor gekozen om te bevorderen dat dat draagmoederschap
op een verantwoorde wijze plaatsvindt, rekening houdend met de belangen en positie
van kinderen, draagmoeders en wensouders. Belangrijke overweging daarbij is dat – anders
dan bij adoptie – een kind dat wordt geboren na draagmoederschap in de regel genetisch
verwant is aan (één van) de wensouders. Gelet op het recht van het kind op bescherming
van diens identiteit en van diens privéleven moet een staat voorzien in een manier
waarop, bijvoorbeeld met behulp van de rechtsfiguur adoptie, een familierechtelijke
betrekking met de wensouder(s) kan ontstaan. Dit blijkt ook uit de rechtspraak van
het EHRM. Gelet op die verplichting, acht het kabinet het stimuleren van verantwoorde
keuzes rond draagmoederschap te verkiezen boven niets doen.
De voornaamste les die is getrokken uit het rapport van de Commissie Joustra is dat
de overheid ontwikkelingen rond wensouderschap in binnen- en buitenland moet blijven
volgen, en daarbij ook proactief moet optreden al dan niet via regulering. Hoewel
de keuze voor draagmoederschap steeds een keuze tussen wensouders en draagmoeder zal
zijn, is het de taak van de overheid om ervoor te zorgen dat wensouders en zo mogelijk
ook de draagmoeder zo veel mogelijk het belang van het kind daarbij voor ogen houden.
Daartoe moeten zij geïnformeerd (kunnen) zijn over de risico’s van een dergelijk traject,
de belangen die daarbij spelen en in het bijzonder het belang om een zorgvuldig en
transparant traject te volgen. Dit is niet alleen in het belang van het kind, maar
ook van de draagmoeder en van de wensouders. De Commissie Joustra heeft gewezen op
de risico’s van commerciële uitbuiting van een kinderwens en hoe dit kan bijdragen
aan misstanden. Voorkomen moet worden dat kinderen verworden tot handelswaar en dat
draagmoeders worden uitgebuit. Door betalingen voor de overdracht van het ouderschap
van een kind strafbaar te stellen en door maximumbedragen te verbinden aan de vergoedingen
aan de draagmoeder, beoogt het kabinet een bijdrage te leveren aan het voorkomen van
dergelijke misstanden. Uit het rapport van de Commissie Joustra volgt ook hoe belangrijk
het voor het kind is om zijn of haar afkomst te kennen. Een kind geboren uit draagmoederschap
moet kunnen achterhalen wie zijn of haar biologische ouders zijn, zodat het inzicht
heeft in zijn of haar ontstaansgeschiedenis en medische achtergrond. Dat heeft ertoe
geleid dat het wetsvoorstel voorziet in een draagmoederschapsregister, waarin de gegevens
over de afstamming en ontstaansgeschiedenis worden vastgelegd. Verder beoogt het wetsvoorstel
wensouders te stimuleren om te kiezen voor een binnenlands draagmoederschapstraject
waarop beter toezicht mogelijk is, maar dit neemt niet weg dat buitenlandse trajecten
zullen blijven voorkomen. Ook in die gevallen wil het wetsvoorstel wensouders stimuleren
om een zorgvuldig traject kiezen. Allereerst met de verplichte voorlichting en counseling,
maar ook met de voorwaarden voor erkenning van in het buitenland tot stand gekomen
ouderschap na draagmoederschap, zoals het vereiste dat het kind aan ten minste één
van de wensouders genetisch verwant moet zijn en dat de relevante gegevens worden
opgenomen in het draagmoederschapsregister. Voldoet het traject niet aan deze voorwaarden,
dan zal de rechter, het belang van het kind centraal stellend, beoordelen of het ouderschap
van de wensouders in Nederland alsnog tot stand dient te komen. De rechter kan de
raad voor de kinderbescherming vragen een onderzoek in te stellen. Indien de rechter
dat noodzakelijk acht in het belang van het kind, kan hij ook kinderbeschermingsmaatregelen
treffen.
Er is niet overwogen opnieuw advies te vragen aan de Commissie Joustra over de regeling
voor draagmoederschap. Reden daarvoor is dat de Commissie Joustra inmiddels haar taken
heeft beëindigd en als zodanig niet meer bestaat. De observatie van de Commissie Joustra
sluit bovendien aan bij de conclusies van de Staatscommissie Herijking ouderschap,
die uitgebreid heeft geadviseerd over dit thema en daarbij dezelfde risico’s heeft
onderkend. Gelet hierop, is geen toegevoegde waarde gezien in een nieuw advies van
de Commissie Joustra.
Opgemerkt wordt dat de vraag naar de eventuele gelijktijdige inwerkingtreding van
de gewijzigde adoptiewetgeving thans geen beantwoording meer behoeft. Inmiddels wordt
niet meer gewerkt aan een herziening van wet- en regelgeving over interlandelijke
adoptie, maar wordt interlandelijke adoptie afgebouwd.
Verbod op draagmoederschap
Vraag 15 en 38
De leden van de SGP-fractie hebben vragen over het verbieden van draagmoederschap
als middel om misstanden tegen te gaan.
Als maatregel om misstanden bij draagmoederschap te voorkomen, acht ik een verbod
op draagmoederschap niet zinvol. Een dergelijk verbod zal er namelijk niet toe leiden
dat draagmoederschap niet meer voorkomt. De praktijk in andere landen laat zien dat
wensouders dan naar het buitenland gaan om daar een draagmoederschapstraject aan te
gaan. Dit blijkt ook uit de jurisprudentie van het EHRM dat zich diverse keren heeft
uitgesproken over de juridische positie van kinderen die uit een draagmoeder zijn
geboren. Het EHRM heeft herhaaldelijk geoordeeld dat het in strijd is met het door
artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) beschermde recht op eerbiediging van het privéleven van het uit de
draagmoeder geboren kind om hem een familierechtelijke betrekking met zijn wensouders
te ontzeggen.19 Het EHRM verplicht de aangesloten staten weliswaar niet om in het buitenland ontstaan
ouderschap van een uit een draagmoeder geboren kind te erkennen, 20 maar een aangesloten staat is wel verplicht om op de een of andere manier, bijvoorbeeld
door adoptie, erin te voorzien dat ook in die staat een familierechtelijke betrekking
tussen het kind en de wensouder(s) kan ontstaan.21
Dit betekent dat een verbod op draagmoederschap niet tot gevolg zal hebben dat draagmoederschap
daardoor ook niet meer zal voorkomen in Nederland. Ook strafbaarstelling van overtreding
van het verbod zal dat niet kunnen voorkomen. Bovendien zullen wensouders dan ook
naar het buitenland gaan om hun kinderwens in vervulling te doen gaan. Dit, terwijl
draagmoederschapstrajecten in Nederland juist met de nodige waarborgen zijn omkleed.
Het wetsvoorstel voegt daar nog een aantal waarborgen aan toe, bijvoorbeeld de rechterlijke
toets voorafgaand aan de conceptie, de verplichte voorlichting en counseling ook in
gevallen van laag technologisch draagmoederschap, en het opnemen van gegevens over
de ontstaansgeschiedenis van het kind in het draagmoederschapsregister. In de verplichte
voorlichting en counseling zullen de wensouders onder meer worden gewezen de risico’s
van buitenlands draagmoederschap, alsmede van het belang van het voldoen aan de basisvoorwaarden.
Informatieverschaffing over hoe trajecten in het buitenland verantwoord verlopen draagt
bij aan het voorkomen van misstanden.
Ik meen dan ook dat het in dit kader effectiever is om wensouders, als zij kiezen
voor draagmoederschap, te stimuleren om indien mogelijk een binnenlands traject aan
te gaan. En als zij toch kiezen voor een internationaal traject, hen te stimuleren
om te kiezen voor een zorgvuldig traject.
2. Huidige situatie
2.1. Aanleiding
Verwerking advies Afdeling advisering van de Raad van State
Vraag 5 en 51
De leden van de CDA- en ChristenUnie-fractie hebben vragen met betrekking tot het
advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling).
Mede naar aanleiding van het advies van de Afdeling zijn het wetsvoorstel en de toelichting
aangevuld. Zo is in de toelichting de normerende functie van de wet meer voorop gesteld
en is toegelicht dat het onmogelijk is om in casu een regeling te treffen die alle
risico’s op voorhand uitsluit. Tevens is benadrukt dat het met name aan de wensouders
is om te kiezen voor een zorgvuldig traject. De verplichte voorlichting en counseling
zullen er naar verwachting aan bijdragen dat wensouders ter zake ook een verantwoorde
keuze maken. In dat kader en in vervolg op het advies van de Afdeling is voor erkenning
van rechtswege van in het buitenland ontstaan ouderschap na draagmoederschap als voorwaarde
toegevoegd dat de wensouders voorafgaand aan de buitenlandse rechterlijke beslissing
de Nederlandse voorlichting en counseling over zowel de juridische als de psychologische
aspecten van draagmoederschap hebben gevolgd. In die voorlichting zal het belang van
het volgen van een verantwoord draagmoederschapstraject worden onderstreept en zal
worden gewezen op de risico’s van draagmoederschap, met name in geval van een buitenlands
traject. Daarbij zal tevens aandacht worden besteed aan de verantwoordelijkheid van
wensouders en de negatieve gevolgen, in de eerste plaats voor het kind, als geen zorgvuldig
traject wordt gevolgd. Ook zijn de mensenrechtelijke aspecten uitgebreider in kaart
gebracht en is de verhouding van de regeling tot het EU-recht toegelicht. Verder is
de verhouding tussen de strafbaarstellingen verduidelijkt en zijn de voorgestelde
strafmaxima aangepast. Ook zijn in de wet en de toelichting de onderdelen over de
draagmoederschapsovereenkomst en het draagmoederschapsregister nader uitgewerkt. Verder
zijn op advies van de Afdeling de regelingen die niet direct verband houden met draagmoederschap
uit het voorstel geschrapt. Het betreft de bepalingen die zien op de verruiming van
de mogelijkheden voor kinderen om de afstammingsrelatie met ouders te doorbreken en
op de bescherming van minderjarige ouders. Nu met de aanpassingen opvolging is gegeven
aan het advies van de Afdeling is niet overwogen om opnieuw advies te vragen.
Vraag 8
De leden van de VVD-fractie stellen dat via de route van buitenlands draagmoederschap
onjuiste gegevens in de Nederlandse systemen terecht kunnen komen. Bij de beantwoording
van deze vraag ga ik ervan uit dat zij hierbij doelen op buitenlandse documenten die
in de procedure bij de Nederlandse rechter worden overgelegd. De aan het woord zijnde
leden vragen hoe de rechter kan controleren of de documenten die de wensouders aanleveren
juist en volledig zijn?
In Nederland krijgen rechters geregeld te maken met documenten over ouderschap van
kinderen dat in het buitenland is ontstaan of teniet gegaan door een rechterlijke
uitspraak. De huidige in Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) opgenomen
regels van internationaal privaatrecht, artikel 10:100 en artikel 101 BW, zien op
de voorwaarden waaronder in het buitenland door de bevoegde autoriteiten opgemaakte
documenten, rechtsfeiten en rechterlijke beslissingen in Nederland worden erkend.
Het uitgangspunt van het internationaal privaatrecht is dat in zijn algemeenheid wordt
vertrouwd op de juistheid van in het buitenland door bevoegde autoriteiten opgestelde
documenten of door de rechter gegeven beslissingen, welke stukken in de regel gewaarmerkt
zijn. Dergelijke stukken zeggen daarenboven veelal iets over de procedure en de juridische
werkelijkheid, niet over de biologische werkelijkheid, zoals dat ook geldt voor kinderen
die via andere wijze ontstaan. Daarbij wordt opgemerkt dat nooit 100% valt uit te
sluiten dat in procedures bij de rechter documenten worden overgelegd waarin onjuiste
gegevens staan die niet als zodanig worden beoordeeld. Dat is bij de huidige gang
van zaken ook al zo en daar verandert het wetsvoorstel niets aan.
Vraag 9
De leden van de BBB-fractie geven aan dat het belangrijk is onderscheid te maken in
laagtechnologisch draagmoederschap en hoogtechnologisch draagmoederschap. Zoals de
wet nu voorligt zijn de rechten voor beide vormen van draagmoederschap hetzelfde.
Hoe staat de regering tegenover deze analyse? Deze leden wensen te vernemen waarom
ervoor is gekozen om deze verschillende gevallen gelijk te behandelen.
Het klopt dat de regeling techniek-onafhankelijk is geformuleerd. Dat wil zeggen dat
het een kader biedt zowel voor hoog- als laagtechnologisch draagmoederschap. In beide
gevallen zal de rechter voorafgaand aan de conceptie toetsen of aan de gestelde randvoorwaarden
is voldaan. Zoals in paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting is genoemd, is uitgangspunt
van de regeling de intentie van de draagmoeder om het kind af te staan, ongeacht of
er een genetische band bestaat tussen haar en het kind. Dat geldt zowel bij het ontstaan
van ouderschap als voor de regeling bij conflicten tussen draagmoeder en wensouders.
Overigens betekent dat niet dat de mogelijke genetische relatie tussen draagmoeder
en kind geen rol van betekenis speelt. Mocht er een conflict ontstaan tussen wensouders
en draagmoeder, waarbij de draagmoeder de gerechtelijke toekenning van het ouderschap
bij de rechter ter discussie stelt, dan zal de rechter zonder meer rekening kunnen
houden met het eventuele gegeven dat er een genetische band bestaat tussen draagmoeder
en kind. De rechter zal daarbij ook rekening houden met de uitgesproken intenties
en met de genetische band met de wensouder(s). De keuze voor een techniek-onafhankelijke
regeling sluit aan bij het uitgangspunt van het wetsvoorstel dat wordt aangesloten
bij de bestaande praktijk. Hoogtechnologische trajecten komen daarbij overigens vaker
voor dan laagtechnologische trajecten.22
2.2. Vormen van draagmoederschap
Vraag 10, 11 en 234
De leden van de ChristenUnie- en Volt-fractie hebben vragen over de gebruikte terminologieën
in het wetsvoorstel.
Waar mogelijk is in het wetsvoorstel gekozen voor genderneutrale formuleringen. Zo
is bij het formuleren van de definitiebepaling een afweging gemaakt tussen het uitgangspunt
dat bij het opstellen van wetgeving het normale spraakgebruik zoveel mogelijk wordt
gevolgd (Aanwijzingen voor de regelgeving, aanwijzing 3.3) en het uitgangspunt dat
indien mogelijk sekseneutrale persoonsaanduidingen worden gebruikt (Aanwijzingen voor
de regelgeving, aanwijzing 3.8). Daarom is de definitie van draagmoeder genderneutraal
geformuleerd en wordt voor het ouderschap na draagmoederschap gesproken over wensouders.
Aldus is rekening gehouden met het gegeven dat ook personen met een andere genderidentiteit
dan vrouw als draagmoeder kunnen optreden. De memorie van toelichting bij het voorstel
onderkent expliciet dat het hierbij ook kan gaan om wensouders van gelijk geslacht
of voor één wensouder alleen. Overigens wordt ook in de omschrijving van de partner
van de draagmoeder, waar taalkundig mogelijk en passend binnen de terminologische
uitgangspunten van de betrokken wet, geen voorschot genomen op de genderidentiteit
van die partner. Op andere plekken in Boek 1 BW komen nog termen voor die uitgaan
van het van oudsher gemaakte binaire onderscheid tussen de genders (man/vrouw). In
sommige bepalingen heeft het gemaakte onderscheid geen functie en komt het louter
voort uit het feit dat de Nederlandse taal geen genderneutrale aanduiding bevat voor
de bedoelde termen. In een aantal gevallen is welbewust beoogd om onderscheid te maken.
Dit geldt bijvoorbeeld in het onderscheid tussen «moeder» en «vader» in het afstammingsrecht
in titel 11, Boek 1 BW. Het juridisch moederschap en vaderschap ontstaat op deels
andere gronden, waarbij wordt aangesloten bij de sekse van de ouders (zie de artikelen
1:198–199 BW). Volgens het afstammingsrecht geldt bijvoorbeeld dat (behalve als sprake
is van draagmoederschap) de vrouw uit wie het kind wordt geboren de juridische moeder
is van het kind. Overigens is ervoor gekozen om de termen nu niet aan te passen, omdat
dat een uitgebreide wetgevingsoperatie zou betekenen.23 Wel wordt bij het opstellen van nieuwe wetgeving of wijziging van wetgeving daar
waar mogelijk gebruik gemaakt van sekseneutrale persoonsaanduidingen.
2.3. Nederlands wettelijk kader
WODC-onderzoek 2024
Op 17 oktober 2024 is het WODC-onderzoek 2024 over de prevalentie van draagmoederschap
in Nederland naar uw Kamer gestuurd. Het doel van het onderzoek was om inzicht te
krijgen in prevalentie van draagmoederschapstrajecten in Nederland en de karakteristieken
hiervan. De onderzoekers hebben dossieronderzoek gedaan bij rechtbanken en de raad
voor de kinderbescherming. Daarnaast is gesproken met betrokkenen bij draagmoederschapstrajecten
(wensouders, draagmoeders, enkele kinderen en deskundigen die beroepsmatig te maken
hebben met draagmoederschapstrajecten). Er is gekeken naar het aantal kinderen dat
(in Nederland of in het buitenland voor Nederlandse wensouders) is geboren na draagmoederschap
in de periode van 2017 tot en met 2022. Dit heeft geleid tot 165 unieke zaken. In
94 gevallen ging het om een buitenlands draagmoederschapstraject. Bij 71 zaken ging
het om een binnenlands draagmoederschapstraject. Uit het dossieronderzoek blijkt dat
er jaarlijks 30 tot 50 kinderen worden geboren met behulp van draagmoederschap voor
in Nederland woonachtige wensouders, waarbij het aantal zaken de afgelopen jaren is
toegenomen. Dit betreffen zowel binnenlandse trajecten (57%) als die waarbij een draagmoederschapstraject
in het buitenland wordt gevolgd (43%).24 De onderzoekers benadrukken dat dit geslaagde draagmoederschapstrajecten betreffen.
Dat wil zeggen trajecten waarbij uiteindelijk een kind is geboren en de wensouders,
de juridisch ouders zijn geworden. De interesse in het vervullen van een kinderwens
via een draagmoederschapstraject is groter, maar niet in alle gevallen leidt dit tot
het daadwerkelijk aangaan van een draagmoederschapstraject waarbij de kinderwens wordt
vervuld. Volgens de onderzoekers zal gezien de recente afbouw van interlandelijke
adoptie de vraag naar draagmoederschapstrajecten in de toekomst alleen maar groter
worden.
De onderzoekers concluderen verder dat de binnenlandse draagmoederschapstrajecten
over het algemeen positief verlopen. Een belangrijke constatering hierbij is dat de
wensouders en draagmoeders in de huidige situatie allen tevreden waren over het traject.
De knelpunten die worden genoemd hangen veelal samen met het ontbreken van een wettelijke
regeling voor draagmoederschapstrajecten. In het onderzoek beschrijven de onderzoekers
dat zij met name integere en verantwoorde trajecten hebben gezien en dat alle geïnterviewden
voor het onderzoek, zowel voorstanders van draagmoederschap als personen met een meer
kritische houding hier, de noodzaak onderschrijven om te komen tot een wettelijke
regeling.25
Naast het inzicht in de cijfers rondom draagmoederschapstrajecten beschrijven de onderzoekers
ook zorgen over draagmoederschapstrajecten die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen.
Die zorgen zien onder meer op de invloed van geld bij internationale trajecten, de
autonomie van de draagmoeder, de ontstaansgeschiedenis van het kind en de snelle (mondiale)
ontwikkelingen op dit terrein. De onderzoekers geven aan dat het wetsvoorstel verbeterd
moet worden en stellen dat aanvullend onderzoek nodig is onder meer naar de vraag
op welke wijze toezicht op internationale trajecten kan worden vormgegeven en in hoeverre
dat effectief kan zijn. Verder geven de onderzoekers aan dat er in ieder geval gekeken
moet worden of in het wetsvoorstel voldoende toezicht kan worden gehouden op wat er
nu precies gebeurt in de praktijk en geven aan dat de raad voor de kinderbescherming
een grotere rol zou moeten krijgen in het wetsvoorstel. De onderzoekers achten het
in alle gevallen noodzakelijk dat er een DNA-test wordt overgelegd zodat duidelijkheid
wordt verkregen over de ontstaansgeschiedenis van het kind.
Rol raad voor de kinderbescherming
De onderzoekers vragen zich af of de raad voor de kinderbescherming in het traject
een grotere rol zou moeten vervullen. Om oneigenlijke motieven of praktijken beter
te kunnen signaleren. Het is belangrijk om op te merken dat onder het huidige systeem
de rechter in procedures betreffende draagmoederschap de raad voor de kinderbescherming
om advies kan vragen. Dat wordt onder de nieuwe regeling niet anders. De rechter kan
ook in de procedures over toekenning ouderschap de raad voor de kinderbescherming
om advies vragen. In die procedures kijkt de rechter of toekenning van ouderschap
in het belang van het kind is. Daarbij kijkt de rechter ook of de vrije instemming
van alle betrokkenen blijkt. De rechter toetst of de draagmoederschapsovereenkomst
voldoet aan de gestelde eisen (voorgesteld onder artikel 1:214 en 216 BW). Ik heb
er vertrouwen in dat de rechterlijke toetsing, zoals beoogd met dit wetsvoorstel,
voldoende waarborgen biedt voor zorgvuldige trajecten. Waarbij ik nogmaals wil benadrukken
dat het wetsvoorstel niet alle risico’s kan uitsluiten en de rechter alle (mogelijke)
misstanden kan zien.
In het wetsvoorstel zijn verder voorlichting en counseling voor de wensouders en draagmoeder
verplicht gesteld voorafgaand aan de start van een draagmoederschapstraject. De voorlichting
en counseling zijn bedoeld om alle betrokkenen goed te informeren over de juridische,
medische, emotionele en sociale aspecten van draagmoederschap. Hiermee wordt beoogd
dat alle betrokkenen goed voorbereid het draagmoederschapstraject aangaan en weten
waar zij aan beginnen, waardoor de kans op conflicten kleiner is. Als lopende het
traject toch conflicten ontstaan, voorziet de voorgestelde regeling in de mogelijkheid
om onder bepaalde voorwaarden de gerechtelijke toekenning van ouderschap te laten
herroepen door de rechter. Daarbij schrijft de regeling voor dat juridisch advies
voor de draagmoeder beschikbaar moet zijn. In de verplichte voorlichting en counseling
wordt tevens het belang om te kiezen voor zorgvuldige en integere trajecten benadrukt.
Het is aan de wensouders en draagmoeders om daadwerkelijk die verantwoorde keuze te
maken.
Naast de rechterlijke toets is er ook nauw contact met verschillende professionals
die betrokken zijn bij draagmoederschap in Nederland. De raad voor de kinderbescherming
speelt hierbij ook een rol. Er is op regelmatige basis casuïstiekbespreking met de
raad voor de kinderbescherming waarbij wordt gesproken over zaken die de raad voorbij
ziet komen. De intentie is om deze casuïstiek besprekingen met de raad voort te zetten,
ook als het wetsvoorstel de status van wet verkrijgt en in werking is getreden. Daarnaast
bestaat het voornemen om in samenspraak met de ketenpartners een periodiek overleg
op te zetten. Signalen die daarbij naar voren komen zullen waar nodig worden meegenomen
in de beleidsontwikkeling. Daarnaast blijft de rechter de mogelijkheid houden om,
indien daar aanleiding voor bestaat, een raadsonderzoek te bevelen in individuele
gevallen. Indien er zorgen zijn kan de raad voor de kinderbescherming worden gevraagd
om onderzoek te doen en indien er misstanden zijn dan blijven die strafbaar onder
het wetsvoorstel. Ik blijf de zaken, signalen vanuit de praktijk en de beleidsontwikkelingen
monitoren en zie op dit moment onvoldoende aanleiding voor een andere rol van de raad
voor de kinderbescherming dan is voorgesteld in het wetsvoorstel dan wel een nadere
rechtelijke toetsing.
Toezicht op buitenlandse trajecten
Verder stellen de onderzoekers dat er nader onderzoek vereist is om te kijken op welke
wijze het toezicht op buitenlandse draagmoederschapstrajecten versterkt kan worden.
In het wetsvoorstel worden wensouders gestimuleerd te kiezen voor draagmoederschapstrajecten
die voldoen aan de zorgvuldigheidseisen. Het wetsvoorstel maakt het mogelijk om ouderschap
na een buitenlands draagmoederschapstraject te erkennen zonder tussenkomst van de
rechter, mits voldaan is aan bepaalde voorwaarden. Deze regeling zorgt er voor dat
er sneller duidelijkheid komt over het juridisch ouderschap van de wensouders hetgeen
in het belang is van het kind. De voorwaarden zijn vergelijkbaar met de eisen die
worden gesteld aan een draagmoederschapstraject in Nederland. Het wetsvoorstel kan
niet alle misstanden in zowel het binnen- als buitenland rondom draagmoederschapstrajecten
uitsluiten. Het zijn de wensouders en de draagmoeders die een verantwoorde keuze moeten
maken. Het wetsvoorstel beoogt te stimuleren dat betrokkenen een zorgvuldige route
volgen.
DNA-test
Het is belangrijk dat een kind geboren uit draagmoederschap weet van wie het afstamt.
Het belang van kinderen om hun ontstaansgeschiedenis te kunnen achterhalen is ook
duidelijk gebleken bij de misstanden rondom internationale adoptie. De mogelijkheid
voor een kind om te kunnen achterhalen wie zijn of haar biologische ouders zijn, heeft
een levenslange betekening voor het kind. Daarom zal in de verplichte voorlichting
aan de wensouders hieraan de nodige aandacht worden besteed om duidelijk te maken
tegen welke vragen zij aan (kunnen) lopen en de informatie die zij het kind moeten
geven.
Er is echter niet voor gekozen om een bepaling op te nemen die voorziet in een verplichte
DNA-ouderschapstest na draagmoederschap. De reden daarvoor is dat het geen rol van
de overheid is om de juistheid van biologische afstammingsrelaties te controleren.
De onzekerheid die kan bestaan over de genetische afstamming in het geval van draagmoederschap
is niet anders dan de onzekerheid die feitelijk voor iedereen bestaat. Het staat het
kind, zoals ieder ander die niet uit een draagmoeder is geboren, natuurlijk altijd
vrij om op latere leeftijd zelf DNA-onderzoek te laten verrichten.
Vraag 12, 185 en 194
De leden van de VVD-, CDA- en Volt-fractie hebben vragen over wat bekend is over misstanden
rondom draagmoederschap in Nederland, en daarmee samenhangend (de bevindingen van)
het WODC-onderzoek 2024.
De onderzoekers beschrijven in het WODC-onderzoek 2024 dat zij met name integere en
verantwoorde trajecten hebben gezien.26 Er zijn echter ook zorgen naar voren gekomen, bijvoorbeeld het gebruik van anonieme
donoren bij sommige buitenlandse trajecten. Hierdoor kan een kind geen of geen volledige
afstammingsinformatie achterhalen.
Ik deel dat misstanden voorkomen moeten. Door het verplicht stellen van voorlichting
en counseling kunnen wensouders en draagmoeders bewuste en verantwoorde keuzes maken.
Kinderen worden geboren via draagmoederschap, zowel in binnenland als vanuit het buitenland,
maar een regeling ontbreekt. Daar brengt dit wetsvoorstel verandering in. Graag wijs
ik in aanvulling op dit wetsvoorstel op de EU-Richtlijn inzake de bestrijding en voorkoming
van mensenhandel die recent is herzien (Richtlijn 2024/1712).27 Mede vanwege de ernst van uitbuiting van respectievelijk draagmoederschap, gedwongen
huwelijken en illegale adoptie zijn deze bijzondere uitbuitingsvormen nu in artikel
2, derde lid, van Richtlijn 2011/36/EU geëxpliciteerd. Ter implementatie hiervan worden
uitbuiting van draagmoederschap, uitbuiting van gedwongen huwelijken en uitbuiting
van illegale adoptie toegevoegd aan de wettelijke niet-limitatieve opsomming van specifieke
vormen van uitbuiting, die is opgenomen in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht
(hierna: Sr) waarin mensenhandel strafbaar is gesteld.28 Daarmee wordt expliciet wettelijk vastgelegd dat uitbuiting zich in de context van
deze specifieke praktijken kan manifesteren. Hiermee wordt geen verandering gebracht
in de bestaande reikwijdte van de strafbaarstelling van mensenhandel.
Vraag 127
De leden van de CDA-fractie vragen of het niet raadzaam zou zijn om over te gaan tot
onderzoek door een instantie zoals de raad voor de kinderbescherming en/of toezicht
vanuit jeugdzorg, naar wensouders die zich niet aan de normstellende voorwaarden houden
waaraan naar het oordeel van de regering draagmoederschap – waar ook ter wereld uitgevoerd
– ten minste zou moeten voldoen.
In het wetsvoorstel is niet gekozen voor een standaard onderzoek door de raad voor
de kinderbescherming en/of toezicht vanuit jeugdzorg indien de regeling niet is gevolgd.
Het wetsvoorstel stimuleert wensouders die kiezen voor draagmoederschap om een zorgvuldig
traject te doorlopen. Hiermee wordt het risico op misstanden verkleind. Als wensouders
desondanks geen gebruikmaken van de regeling wil dit niet direct zeggen dat deze risico’s
zich ook verwezenlijken en de belangen van het kind in het geding zijn. Als de rechter
dat nodig vindt, kan hij de raad voor de kinderbescherming altijd vragen onderzoek
te doen, hetgeen, indien het onderzoek daartoe aanleiding biedt kan leiden tot het
nemen van een kinderbeschermingsmaatregel. Tevens is in het wetsvoorstel bepaald dat
betrokkenen die de regeling niet hebben gevolgd en vervolgens een verzoek om adoptie
doen, aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen die vergelijkbaar zijn aan de voorwaarden
die worden gesteld voor de gerechtelijke toekenning van het ouderschap voor de conceptie.
Zo dienen betrokkenen bij binnenlandse trajecten een draagmoederschapsovereenkomst
over te leggen en mag er niet meer betaald zijn dan de bij amvb bepaalde maximale
redelijke vergoeding. Ook moet voorlichting en counseling zijn gevolgd. Hiermee wordt
voorkomen dat eenvoudig voorbij gegaan kan worden aan de in de draagmoederschapsregeling
gestelde eisen. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om standaard onderzoek
te laten uitvoeren door de raad voor de kinderbescherming en/of toezicht vanuit de
jeugdzorg indien de regeling niet is gevolgd.
Vraag 80
De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe zij bij internationaal draagmoederschap
het percentage commercieel belang versus altruïstisch belang schat.
Het is niet (goed) mogelijk een algemeen gangbare en geaccepteerde afbakening te maken
tussen commercieel, betaald en altruïstisch draagmoederschap. Als in een draagmoederschapstraject
betalingen worden gedaan, betekent dat immers niet per definitie dat sprake is van
een commercieel traject. In de op het wetsvoorstel gebaseerde amvb wordt een scherpe
omschrijving gegeven van de betalingen die zijn toegestaan bij binnenlandse draagmoederschapstrajecten.
Het opstellen van een dergelijke regeling voor buitenlandse trajecten is alleen al
vanwege het verschil in levensstandaard niet goed mogelijk. In het WODC-onderzoek
2024 is gekeken naar het aantal kinderen dat voor in Nederland woonachtige wensouders
via draagmoederschap is geboren in de periode van 2017 tot en met 2022. In het dossieronderzoek
bij de raad voor de kinderbescherming waren 46 buitenlandse trajecten (en 83 binnenlandse
trajecten). Van de buitenlandse trajecten zijn 27 trajecten doorlopen in de Verenigde
Staten waarvan bekend is dat de draagmoeder betaald krijgt voor het traject. Een aantal
trajecten is doorlopen in Canada (3 trajecten), waar, buiten onkosten geen betaling
aan de draagmoeder is toegestaan. In Canada zijn daarentegen wel (commerciële) bemiddelingsorganisaties
betrokken.29 In het WODC-rapport wordt verwezen naar literatuur omtrent motieven voor draagmoeders
om deel te nemen aan een traject. Hieruit blijkt dat vrouwen om verschillende redenen
kiezen voor een traject. Zowel altruïstische redenen zoals culturele overtuigingen
en de wens om een ander te helpen, als financiële redenen. Dit laatste gebeurt met
name bij arme vrouwen in afhankelijke gezinnen. De onderzoekers beschrijven een recent
onderzoek waaruit blijkt dat de meeste draagmoeders uit de Verenigde Staten het traject
aangaan vanwege altruïstische of «pro-sociale» redenen (88,1%) en dat 9,7 procent
aangeeft draagmoeder te zijn geworden vanwege financiële redenen.30
Vraag 83
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering in beeld heeft in hoeverre de berichtgeving
over Georgië Nederlandse wensouders betreft?
In 2023, maar ook daarna, zijn meerdere berichten gepubliceerd over de opkomst van
betaald draagmoederschap in Georgië. Deze opkomst lijkt mede het gevolg te zijn van
de oorlog in Oekraïne, een land waar de overdracht van het ouderschap van de draagmoeder
aan de wensouders al langer zonder rechtelijke tussenkomst mogelijk is. Uit het WODC-onderzoek
komt naar voren dat in de periode van 2017 tot en met 2022 vier draagmoederschapstrajecten
waarbij het kind is geboren in Georgië aan de Nederlandse rechter zijn voorgelegd.
Uit het dossieronderzoek bij de raad voor de kinderbescherming komen drie draagmoederschapstrajecten
in Georgië naar voren. Deze dossiers kunnen gaan over dezelfde kinderen, omdat er
overlap bestaat tussen de dossiers bij de raad voor de kinderbescherming en de rechtbanken.31 Het wetsvoorstel biedt geen ruimte voor een automatische erkenning binnen Nederland
van ouderschap na draagmoederschap dat in het buitenland zonder rechtelijke beoordeling
tot stand komt. In deze gevallen zal steeds de Nederlandse rechter moeten beoordelen
wie naar Nederlands recht de ouders van het kind zijn.
2.4. Wettelijke kaders in het buitenland
Vergoedingen in het buitenland
Vraag 13, 63 en 140
De leden van de CDA- en ChristenUnie-fractie hebben vragen over de vergoedingen in
Nederland en in het buitenland.
In bepaalde staten in de VS krijgen draagmoeders, bijvoorbeeld in Californië, een
bedrag ter compensatie van het ongemak en de risico’s die gepaard gaan met een zwangerschap
en bevalling. Deze bedragen kunnen oplopen tot 50.000 dollar, naast een compensatie
voor onkosten.32 In Canada is het niet toegestaan de draagmoeder een compensatie te geven naast het
vergoeden van onkosten. De Staatscommissie Herijking ouderschap stelde in haar rapport
uit 2016: «geldelijk gewin mag niet de drijfveer zijn van een draagmoeder, maar tegelijkertijd
moet goed voor haar gezorgd worden».33 Het is van belang dat een (potentiële) draagmoeder vrijwillig instemt met een traject.
Op haar mag geen oneigenlijke druk worden uitgeoefend in de vorm van financiële vergoedingen
of ander voordeel of boetebedingen die zijn gekoppeld aan een succesvolle afronding
van het traject of de overdracht van het kind. Tegelijkertijd mag de draagmoeder niet
financieel slechter worden van het traject. Deze uitgangspunten hebben ook te gelden
bij de beantwoording van de vraag of een in het buitenland verstrekte compensatie
aan de draagmoeder wenselijk wordt geacht. Er kunnen echter niet in zijn algemeenheid
uitspraken worden gedaan over welke hoogte van betalingen bij buitenlandse trajecten
al dan niet wenselijk zou zijn. Dat heeft er onder meer mee te maken dat de kosten
voor een draagmoederschapstraject sterk verschillen per land. Zo bestaan er enorme
verschillen in (financiële) vangnetten en medische voorzieningen die nationale overheden
aan hun burgers bieden. De in de concept-amvb neergelegde bedragen gelden alleen voor
draagmoederschapstrajecten in Nederland. Of een in het kader van een buitenlands draagmoederschapstraject
betaalde vergoeding redelijk is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Naarmate het prijspeil (waaronder de medische of juridische kosten in het desbetreffende
land) hoger ligt, zal in de regel een hogere vergoeding eerder acceptabel zijn. Maar
ook van belang is welke vergoeding op grond van de betreffende nationale wet- en regelgeving
mag worden betaald en welke kosten door de overheid worden vergoed. Ook de levensstandaard
in het betreffende land speelt een rol, net zoals de individuele omstandigheden van
de draagmoeder.
Dit maakt ook dat het vanuit Nederland reguleren van (de hoogte van) betalingen bij
buitenlandse trajecten zoals dat bij binnenlandse trajecten wordt voorgesteld, niet
goed mogelijk is.
Het wetsvoorstel beoogt wensouders te stimuleren om zoveel mogelijk te kiezen voor
een draagmoederschapstraject binnen Nederland. Naar verwachting zullen wensouders
echter ook naar het buitenland blijven gaan om een draagmoeder te vinden. Het wetsvoorstel
bevat prikkels om de wensouders ook in die gevallen te laten kiezen voor een zorgvuldig
traject. In de verplichte voorlichting en counseling wordt hieraan ook aandacht besteed,
zodat zij zich bewust zullen zijn van de risico’s die buitenlands draagmoederschap
met zich brengt, de rol van betalingen aan de draagmoeder in dat verband en de gevolgen
van hun keuze op de identiteitsontwikkeling van hun (toekomstige) kind.
Voor wat betreft de vraag over de verhouding met het beëindigen van de adoptierelatie
met de VS door Nederland merk ik het volgende op. Deze beëindiging is gebaseerd op
het subsidiariteitsbeginsel, het beginsel op grond waarvan – kort gezegd – een adoptie
slechts kan plaatsvinden nadat de autoriteiten van het land van herkomst de mogelijkheden
tot plaatsing van het kind in dat land naar behoren hebben onderzocht, en hebben vastgesteld
dat een interlandelijke adoptie het hoogste belang van het kind dient. De Nederlandse
overheid is van mening dat de VS zelf de mogelijkheden en middelen bezit om de desbetreffende
kinderen, die niet genetisch verwant zijn aan de wensouders, goed op te vangen. De
situatie en uitgangspunten bij draagmoederschap zijn totaal anders, het subsidiariteitsbeginsel
speelt in deze context geen enkele rol. Bij draagmoederschap gaat het om kinderen
die (deels) genetisch verwant zijn aan de wensouders. De afstammingsband tussen een
genetisch eigen kind en een wensouder moet worden erkend in het belang van het betrokken
kind. Zo blijkt ook uit de rechtspraak van het EHRM.34 Dit betekent dat ook een draagmoederschap dat voor Nederlandse wensouders in de VS
heeft plaatsgevonden op enigerlei wijze een doorwerking zal moeten krijgen in de Nederlandse
rechtssfeer.
Het wetsvoorstel bevat twee strafbepalingen die zien op niet-toelaatbare betalingen
bij draagmoederschap. Voor binnenlandse trajecten wordt in een amvb bepaald waarvoor
en tot welk maximum aan de draagmoeder vergoedingen mogen worden betaald om nog te
kunnen spreken van verantwoord draagmoederschap. Het gaat bijvoorbeeld over vergoeding
van positiekleding en inkomstenderving. Naast een daadwerkelijke onkostenvergoeding,
mag de draagmoeder een bedrag ontvangen van maximaal € 190,– per maand gedurende een
beperkte periode.35 Deze tegemoetkoming is voor het zijn van draagmoeder en daarmee voor het ongemak,
de pijn en de inspanningen tijdens en na de zwangerschap, alsmede voor onvoorziene
kosten die samenhangen met het draagmoederschapstraject. Daarnaast is in het wetsvoorstel
opgenomen dat het betalen voor de overdracht van het ouderschap van een kind strafbaar
is. Als Nederlandse wensouders betalen voor de overdracht van het ouderschap van een
in het buitenland geboren kind kan hiertegen eveneens in Nederland strafrechtelijk
worden opgetreden, ongeacht of deze gedragingen in het desbetreffende land strafbaar
zijn gesteld.
Deze strafbepalingen zijn gestoeld op het uitgangspunt van de Staatscommissie dat
geldelijk gewin niet de drijfveer mag zijn van een draagmoeder om deel te nemen aan
het traject, maar dat tegelijkertijd goed voor haar moet worden gezorgd.36 Dit uitgangspunt geldt wat betreft het kabinet ook bij de beantwoording van de vraag
welke hoogte wenselijk wordt geacht in het buitenland wanneer daar geen juridische
kaders voor zijn.
Vraag 14
De leden van de SP-fractie vragen of er andere Europese landen zijn met wetgeving
die raakt aan het wetsvoorstel en in welke landen wetgeving omtrent draagmoederschap
in de maak is. Ook vragen zij of er internationaal gezien ervaringen zijn met wetgeving
die hierop betrekking heeft en of wetgeving op dit vlak ook leidt tot een toename
in de vraag en het aanbod van het draagmoederschap.
Een aantal landen in Europa heeft een wettelijke regeling voor draagmoederschap, bijvoorbeeld
Griekenland en het Verenigd Koninkrijk (hierna: VK).37 Ook een aantal Oost-Europese landen hebben draagmoederschap gereguleerd, zoals Oekraïne
en Georgië.38 In landen zoals Frankrijk, Duitsland, Italië, Zwitserland, Spanje en China is draagmoederschap
expliciet verboden.39 In Ierland is in de zomer van 2024 wel een wetsvoorstel aangenomen rond regulering
van binnenlands draagmoederschap, maar deze wet moet voor zover nu bekend nog inwerking
treden.
De regelgeving rond binnenlands draagmoederschap in het VK en Ierland is gebaseerd
op vergelijkbare uitgangspunten als het onderhavige wetsvoorstel. Zo dient er genetische
verwantschap te zijn met minimaal één van de wensouders, moeten (onkosten)vergoedingen
aan de draagmoeder redelijk zijn en moeten alle partijen juridisch advies hebben ingewonnen
voordat een draagmoederschapsovereenkomst wordt gesloten. Belangrijkste verschil is
dat in beide landen een rechterlijke toets plaatsvindt na de geboorte van het kind.
In Ierland wordt er een autoriteit ingericht waaraan voorafgaand aan de conceptie
toestemming voor het draagmoederschap moet worden gevraagd.40 Het VK heeft (nog) geen specifieke wetgeving voor internationaal draagmoederschap.
Voor Ierland geldt dat voor zover nu bekend dat wetgeving voor internationaal draagmoederschap
in voorbereiding is.
2.5. Ontwikkelingen in internationaal verband
Vraag 16
De leden van de SGP-fractie vragen de regering een rechtsvergelijking te maken tussen
het Italiaanse en Nederlandse model, waarbij de handhaafbaarheid en belangen van de
draagmoeder en het kind worden meegenomen.
Op dit moment is er geen specifieke wettelijke regeling voor draagmoederschap in Nederland,
behoudens een strafbepaling die ziet op bemiddeling bij draagmoederschap. Het wetsvoorstel
voorziet in een procedure waarbij wensouders en draagmoeder de rechter voor de conceptie
toestemming kunnen vragen zodat de wensouders meteen vanaf de geboorte de juridische
ouders zijn van het kind, mits voldaan is aan bepaalde randvoorwaarden. Verder voorziet
het wetsvoorstel in de erkenning van ouderschap na buitenlands draagmoederschap zonder
rechterlijke toets, als voldaan is aan vergelijkbare voorwaarden die aan draagmoederschapstrajecten
in Nederland worden gesteld.
Over Italië is mij bekend dat binnenlands en ook internationaal draagmoederschap verboden
is. Italianen die een kind krijgen met een draagmoeder zijn strafbaar, ook als het
draagmoederschap in het desbetreffende land wel legaal is. Italianen die dit toch
doen riskeren bij terugkomst in Italië een geldboete van 1 miljoen euro en een gevangenisstraf
van maximaal twee jaar.
Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat de
afstammingsband tussen een genetisch eigen kind en een wensouder op de een of andere
wijze moet worden erkend in het belang van het betrokken kind.41 Daarbij zal afstamming die binnen de EU tot stand is gekomen, in andere EU-lidstaten
moeten worden erkend, ten minste ten behoeve van de uitoefening van het vrij verkeer
van personen.42 Een algemeen verbod op of strafbaarstelling van draagmoederschap maakt dat niet anders.
Of het verbod in Italië in overeenstemming is met de jurisprudentie van zowel het
EHRM als het Hof van Justitie van de EU en of het verbod te handhaven is, is uiteindelijk
ter beoordeling aan de genoemde hoven. Er is op dit moment nog geen zicht op het effect
van deze strafbaarstelling op kinderen geboren met behulp van draagmoederschap. De
wetgeving van Italië is op een fundamenteel ander uitgangspunt gestoeld dan de huidige
en voorgestelde Nederlandse wetgeving. Het Nederlandse voorstel gaat uit van het uitgangspunt
dat draagmoederschap, mits op verantwoorde wijze vormgegeven, een acceptabele wijze
van gezinsvorming is. Het wetsvoorstel tracht te stimuleren dat wensouders en draagmoeders
draagmoederschap op die verantwoorde wijze vormgeven. Een algeheel verbod past daar
niet bij. In die zin zijn het Italiaanse en Nederlandse model onvergelijkbaar.
Internationale kaders voor draagmoederschap
Vraag 17, 18, 19, 20, 98, 99, 100, 101 en 107
De leden van de VVD-, SGP- en Volt fractie hebben vragen over de inspanningen van
Nederland op internationaal niveau en de totstandkoming van internationale kaders
voor internationaal draagmoederschap.
De dilemma’s die zijn verbonden aan draagmoederschap spelen niet alleen in Nederland,
maar juist en vooral in internationaal verband. Het wetsvoorstel beoogt zorgvuldige
draagmoederschapstrajecten te bevorderen. Daarbij beoogt het wetsvoorstel een kader
te bieden aan de hand waarvan (internationale) draagmoederschapstrajecten door de
rechtspraktijk kunnen worden beoordeeld. Een dergelijk kader ontbreekt op dit moment.
In die zin verwacht het kabinet dat het wetsvoorstel een positief effect zal hebben
bij de beoordeling van internationale draagmoederschapstrajecten. Daarbij onderkent
het kabinet tegelijkertijd dat de invloed van de Nederlandse overheid niet zo ver
reikt dat het risico op misstanden ook in het buitenland volledig kan worden uitgesloten.
Het tot stand brengen van een instrument op internationaal niveau zou een bijdrage
kunnen leveren aan het verder voorkomen of beperken van misstanden. Daarom spant Nederland
zich zowel in EU-verband (bijvoorbeeld in het kader van de totstandkoming van de zogenoemde
Ouderschapsverordening43) als mondiaal (in het kader van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht
(HccH)44) in om te komen tot een instrument met betrekking tot de erkenning van ouderschap,
en als daar draagvlak voor is ook meer specifiek voor draagmoederschap.
Met het voorstel van de Europese Commissie voor een Ouderschapsverordening wordt beoogd
uniforme regels te geven voor de aanwijzing van de bevoegde rechter en het toepasselijke
recht, de wederzijdse erkenning van de afstamming en de introductie van een Europees
certificaat van afstamming. Bij de besprekingen over de Ouderschapsverordening wordt
ook ouderschap ontstaan na draagmoederschap betrokken. Het materiële familierecht
wordt niet geharmoniseerd. Daardoor zullen de consequenties voor het onderhavige wetsvoorstel
beperkt zijn. Het voorstel van de Ouderschapsverordening vormt een aanvulling op andere
regels van het internationaal privaatrecht van de EU. Mogelijk noopt de Ouderschapsverordening
wel tot herziening van Titel V Afstamming van Boek 10 BW. Voor een inschatting van
deze consequenties zal allereerst de inhoud van een definitieve Ouderschapsverordening
afgewacht moeten worden. Uiteraard wordt dan ook de Staatscommissie voor het Internationaal
Privaatrecht gevraagd om te adviseren over die verordening. Dit zal echter niet binnen
afzienbare termijn het geval kunnen zijn. De eerste lezing van het Commissievoorstel
is begin 2024 afgerond. Op basis van de mondelinge en schriftelijke inbreng van de
lidstaten zijn verschillende wijzigingen voorgesteld. Deze voorgestelde aanpassingen
van het voorstel, die een breed scala aan onderwerpen/bepalingen betreffen, worden
momenteel nader besproken.
In het kader van de HccH is een werkgroep ingesteld waar ook Nederland aan deelneemt.
De inzet van Nederland is te komen tot een effectief (breed gedragen) instrument,
dat waarborgen bevat voor zorgvuldig draagmoederschap. De werkgroep is in november
2023 voor het eerst bij elkaar gekomen. De besprekingen hebben voornamelijk een oriënterend
karakter, waarbij wordt onderzocht of het mogelijk is om consensus te bereiken over
de inhoud van een verdrag. Daarbij is (wederom) gebleken dat de standpunten zeer uiteenlopen.
Naar verwachting zal eind 2025/begin 2026 het eindrapport van de werkgroep worden
gepubliceerd. Op grond daarvan zal worden beslist of er voldoende draagvlak is om
een verdrag over de erkenning van ouderschap tot stand te brengen. Zo ja, dan zal
een zogeheten «special commission» worden ingesteld om concrete conceptteksten op
te stellen.
Deze onderhandelingen laten duidelijk zien dat landen zeer uiteenlopende standpunten
hebben op dit terrein en dat het uitermate lastig is om tot een instrument te komen.
Dat neemt niet weg dat Nederland zich daarvoor blijft inspannen. Zo heeft Nederland
in EU-verband begin 2024 een bijeenkomst georganiseerd waarbij verschillende landen
met een draagmoederschapsregeling een presentatie verzorgden. Ook Nederland heeft
hierbij een presentatie verzorgd over de huidige situatie in Nederland betreffende
draagmoederschap, het wetsvoorstel en de redenen om een wetsvoorstel aanhangig te
maken.
Casablancaverklaring
Vraag 21, 22, 23 en 64
De leden van de SGP- en ChristenUnie-fractie vragen om toe te lichten waarom de regering
geen opvolging heeft gegeven aan de Casablancaverklaring. Ook vragen zij of er landen
zijn die draagmoederschap strafbaar hebben gesteld naar aanleiding van de Casablancaverklaring.
De genoemde verklaring is een initiatief van groep private partijen, bestaande uit
artsen, juristen en filosofen met eigen opvattingen aangaande draagmoederschap. Ik
deel de visie van de ondertekenaars van de verklaring niet. De zorgen in de verklaring
onderstrepen mijns inziens juist het belang van de totstandkoming van een regeling
voor zorgvuldig draagmoederschap. Draagmoederschap komt in Nederland voor, ook nu
er nog geen wettelijke regeling is. Het niet wettelijk regelen, een verbod op of anderszins
de afschaffing van draagmoederschap kunnen misstanden niet voorkomen en risico’s niet
wegnemen. Met de voorgestelde regeling wordt getracht misstanden en bestaande risico’s
rond draagmoederschap zo veel mogelijk te beperken. Betrokkenen worden met de voorgestelde
regeling gestimuleerd te kiezen voor verantwoord draagmoederschap waarbij de positie
van alle betrokkenen zo goed mogelijk is geborgd.
Dit is de reden waarom het kabinet – anders dan wordt aanbevolen in de Casablancaverklaring
– niet heeft gekozen voor een verbod op draagmoederschap, strafbaarstelling daarvan
of specifieke bepalingen die zien op de rechtsongeldigheid van zogenoemde draagmoederschapscontracten
Het kabinet ziet, nog afgezien van de haalbaarheid daarvan, gelet op het voorgaande
evenmin aanleiding om zich in internationaal verband in te spannen voor een verbod
op draagmoederschap.
Er zijn mij geen landen bekend die draagmoederschap strafbaar hebben gesteld naar
aanleiding van de Casablancaverklaring. Zoals eerder gesteld heeft Italië inmiddels
nationaal en internationaal draagmoederschap verboden.
Ik beschik niet over een systematisch een actueel overzicht van de wetgeving omtrent
draagmoederschap in het buitenland. In het WODC-onderzoek 2024 wordt vermeld dat draagmoederschap
in Italië en Rusland, Frankrijk, Duitsland, Italië, Zwitserland, Spanje en China expliciet
is verboden.45 Van deze landen is bekend dat Italië eveneens internationaal draagmoederschap heeft
verboden.
3. Mensenrechtelijke aspecten draagmoederschap
3.1. Het kind
Belang van het kind/IVRK
Vraag 24, 25, 26, 27, 34, 35 en 116
De fracties van de SP, ChristenUnie en SGP hebben vragen gesteld over verschillende
aspecten van draagmoederschap en het belang van het kind, meer specifiek ook in het
licht van Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
(EVRM) en het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Die vragen worden hieronder
achtereenvolgens beantwoord.
Vraag 24
De leden van de SP-fractie hebben vragen over het strafbaar stellen van wensouders
bij het gebruik van anonieme donoren in het geval van buitenlands draagmoederschap.
Deze leden vinden dat als het belang van het kind vooropgesteld wordt, wat een belangrijk
en terecht doel is van de wet, het voorkomen van anonieme donoren zwaarder moet wegen
dan het belang van privacy van de betrokken donor. Is de regering het eens met deze
afweging? Heeft de regering nog aanvullende redenen waarom het strafbaar stellen van
het gebruik van anonieme donoren onwenselijk zou zijn?
Het gebruik van anonieme ei- en zaadcellen is onwenselijk. De Wet donorgegevens kunstmatige
bevruchting (Wdkb) borgt dat in Nederland geen fertiliteitsbehandelingen kunnen plaatsvinden
met gebruik van ei- en zaadcellen en embryo’s van anonieme donoren. Met deze wet is
het Nederlandse recht invulling gegeven aan het recht op afstammingsgegevens, zoals
vervat in artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het IVRK. Deze artikelen betreffen
het recht van een kind om te weten van wie het afstamt. Bij alle fertiliteitsbehandelingen
die plaatsvinden via Nederlandse klinieken dient aan deze regelgeving te worden voldaan.
In het buitenland is veelal sprake van andere wet- en regelgeving. In sommige landen
kan op grond van de daar geldende wet- en regelgeving een fertiliteitsbehandeling
plaatsvinden met gebruik van ei- en zaadcellen en embryo’s van anonieme donoren. De
Nederlandse overheid kan geen toezicht uitoefenen op situaties waarin de inseminatie
buiten de Nederlandse klinieken plaatsvindt, dat wil zeggen in een thuissituatie of
in het buitenland. Een strafbaarstelling is daarom weinig zinvol.
Dat laat onverlet dat ook bij (internationaal) draagmoederschap het gebruik van anonieme
ei- en zaadcellen en embryo’s onwenselijk is. Om die reden is in het voorliggende
wetsvoorstel als voorwaarde opgenomen dat de afstammingsgegevens voor het kind (op
termijn) achterhaalbaar moeten zijn. Indien die gegevens bij buitenlandse trajecten
niet beschikbaar zijn, moeten de wensouders in Nederland alsnog een rechterlijke procedure
starten om te trachten het ouderschap juridisch te regelen, waardoor langere tijd
onzeker blijft wie uiteindelijk de (juridische) ouders van het kind zijn. In de verplicht
te volgen voorlichting zal ook het belang van het gebruik van bekende donoren worden
belicht, juist met het oog op het belang van het kind. Hiermee bevat het wetsvoorstel
volgens het kabinet voldoende prikkels voor wensouders om geen gebruik te maken van
anonieme ei- en zaadcellen en embryo’s.
In navolging van het Nederlandse standpunt ten aanzien van anonieme en/of commerciële
gameetdonatie is door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport overwogen
om een beperking aan te brengen in de Zorgverzekeringswet (Zvw) wat betreft de vergoeding
van fertiliteitsbehandelingen die in het buitenland plaatsvinden waarbij gebruik wordt
gemaakt van anonieme en/of commerciële gameetdonatie. Uw Kamer is hierover in de brief
betreffende Wijziging basispakket Zorgverzekeringswet 2026 geïnformeerd.46 Het blijkt voor zorgverzekeraars niet mogelijk om te controleren of er tijdens een
in vitro fertilisatie-traject (ivf-traject) in het buitenland gebruik wordt gemaakt
van een anonieme donor. Het is daarom niet uitvoerbaar om een beperking op te nemen
waarmee het gehele ivf-traject bij de wensmoeder uit wordt gesloten van vergoeding.
Vraag 25
De leden van de ChristenUnie vragen hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot de artikelen
6 en 9 van het IVRK.
Het wetsvoorstel doet niets af aan het inherente recht op leven van het kind en de
waarborgen tot overleven en ontwikkeling zoals neergelegd in artikel 6 IVRK. Op grond
van artikel 7 heeft het kind daarbij recht om de eigen ouders te kennen en daardoor
opgevoed te worden. Artikel 9 IVRK bepaalt dat Staten die partij zijn, een kind niet
scheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil. Daarvan is bij draagmoederschap naar
het oordeel van het kabinet geen sprake. Het IVRK bepaalt immers niet specifiek wie
als ouders van het kind zouden moeten worden aangemerkt. Het beperkt zich daarbij
zeker niet tot biologisch ouderschap, maar laat juist expliciet ruimte voor intentioneel
ouderschap, zoals via adoptie (zie artikelen 20 en 21 IVRK). Bij draagmoederschap
spreken de draagmoeder en de wensouders af dat de draagmoeder na de geboorte van het
kind afstand doet van het kind ten behoeve van de wensouders. Het kind krijgt daarmee
vanaf de geboorte juridische ouders. Dat neemt niet weg dat het kind ook recht heeft
op kennis over zijn oorsprong (artikel 8 IVRK). Het wetsvoorstel voorziet daarin via
het draagmoederschapsregister.
Vraag 26, 27, 34 en 35
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering kan uitleggen hoe een geval
waarin bewust, voor de conceptie, een situatie wordt gecreëerd waarin een kind niet
opgroeit bij beide of één van beide biologische ouders, in het belang is van het kind.
Daarnaast vragen deze leden of voldoende helder is wat de gevolgen zijn van de verschillende
vormen van draagmoederschap op de lange termijn voor kinderen. Ook vragen zij of er
voldoende bekend is over wat de lichamelijke en mentale gevolgen zijn van het niet
opgroeien bij biologische ouders en welke onderbouwing de regering heeft voor haar
standpunt in dezen.
Ook de leden van de SGP-fractie hebben vragen gesteld over de biologische band tussen
de draagmoeder en kind. Deze leden constateren dat er vanaf het moment van conceptie
een hechte band is tussen moeder en kind. Die wordt onderbroken of zelfs afgebroken
ingeval van draagmoederschap. Deze leden vragen de regering te reflecteren op de hechtingsproblematiek
die dit wetsvoorstel teweegbrengt. Verder constateren deze leden dat dit wetsvoorstel
reguleert dat er voor een kind wordt bepaald dat er geen relatie zal worden opgebouwd
met de biologische moeder of (in geval van zowel ei- als zaadceldonatie) de vrouw
die het kind negen maanden heeft gedragen en het op de wereld zette. In veel gevallen
wordt er voor het kind bepaald dat zijn of haar taal en culturele normen en waarden
zullen afwijken van die van de biologische moeder. Deze leden constateren dat dit
in strijd is met het IVRK en vragen de regering hierop te reflecteren en daarbij specifiek
in te gaan op het belang van hechting van het kind met de biologische moeder, waarbij
het negen maanden heeft doorgebracht.
Het belang van het kind staat in het wetsvoorstel voorop. Zoals in de inleiding is
genoemd komt draagmoederschap voor en zal het blijven voorkomen. De regering heeft
geen aanleiding om te veronderstellen dat draagmoederschap op zich in strijd komt
met het belang van het kind, mits dit op verantwoorde wijze plaatsvindt. Er zijn verschillende
onderzoeken die laten zien dat voor goed opvoederschap geen biologische of genetische
relatie nodig is tussen de ouder en het kind. De kwaliteit van de relaties binnen
het gezin en met de sociale omgeving zijn belangrijker voor het welzijn van het kind
dan, onder meer, de biologische band met het kind of het geslacht of seksuele voorkeur
van diens ouders.47 Uit langdurig onderzoek in het Verenigd Koninkrijk naar het welzijn van kinderen
die zijn geboren met behulp van eicel- of spermadonatie of een draagmoeder, blijkt
het volgende. Kinderen die zijn geboren na draagmoederschap ontwikkelen over het algemeen
een goed psychosociaal aanpassingsvermogen. Deze kinderen lieten op 7-jarige leeftijd
weliswaar meer aanpassingsproblemen zien vergeleken met kinderen die zijn geboren
met behulp van donorconceptie of zonder behulp van een derde, maar deze afwijking
viel nog steeds binnen de normaalwaarden vergeleken met het aanpassingsvermogen van
de totale populatie 7-jarigen in het Verenigd Koninkrijk. Daarnaast was dit verschil
op 10-jarige leeftijd verdwenen en was er geen indicatie voor psychische problemen,
zo werd geconcludeerd in dit onderzoek.48 Ook op 14-jarige leeftijd – een leeftijd waarop kinderen begrip hebben van verwantschap
– blijkt het goed te gaan met deze kinderen.49 Volgens de onderzoekers kan het op jonge leeftijd geven van openheid van ouders naar
een kind dat is geboren na draagmoederschap over diens ontstaansgeschiedenis een positieve
invloed hebben op de identiteitsontwikkeling.50 Op jongvolwassen leeftijd (tussen 18 en midden 20) bekommerden de onderzochte jongeren
zich niet om de manier waarop ze zijn geboren of zijn ze hier positief over.51 Hoewel uit voorgaande onderzoeken, mede vanwege de beperkte onderzoeksgroep, de jonge
leeftijd van de onderzochte kinderen en het feit dat uitsluitend westerse gezinnen
zijn betrokken, slechts voorzichtige conclusies kunnen worden getrokken, wijzen deze
resultaten niet op het bestaan van fysieke of mentale problemen zoals hechtingsproblematiek.
Of dit ook op latere leeftijd, bijvoorbeeld wanneer deze kinderen zelf een gezin zullen
vormen, niet zo zal zijn, kan niet worden gezegd. Daarover zijn nog geen gegevens
voorhanden. Overigens zal, zoals in de memorie van toelichting is genoemd, in de wetsevaluatie
na vijf jaar de dan bestaande actuele wetenschappelijke kennis over de gevolgen voor
het welzijn van kinderen in kaart worden gebracht.
Uit het IVRK (artikel 7) volgt onder meer dat het kind het recht heeft om direct na
de geboorte een naam en nationaliteit te verwerven en, voor zover mogelijk zijn of
haar ouders te kennen en door hen te worden verzorgd. De term «ouders» in deze bepaling
verwijst niet alleen naar de genetische- en geboorteouders van het kind maar ook naar
de ouders die het kind daadwerkelijk opvoeden en verzorgen (psychologische ouders).52 In het WODC-onderzoek 2024 wordt beschreven dat dit recht voor een kind geboren na
draagmoederschap op verschillende manieren werkt. Aan de ene kant heeft het kind recht
om te worden opgevoed door diens psychologische ouders, nu het kind doorgaans door
hen vanaf de geboorte is opgevoed. Aan de andere kant heeft het kind, gelet op het
recht op behoud van identiteit uit artikel 8 van het IVRK, het recht op naast de verzorgende
ouder ook zijn of haar draagmoeder en eventuele eicel- of spermadonor te kennen.53 Het IVRK schrijft niet voor dat het kind op basis van dit artikel recht heeft om
de identiteit of de taal en culturele normen en waarden, van de geboortemoeder te
behouden. Het kabinet deelt dan ook niet de visie van de leden van de SGP-fractie
dat sprake is van strijd met het IVRK. Wel heeft het kind recht op informatie over
de afstamming en ontstaansgeschiedenis. Het wetsvoorstel bevat waarborgen om het recht
van het kind op afstammingsinformatie te verstevigen. Zo wordt in de regeling vereist
dat de afstammingsgegevens bekend zijn en wordt deze informatie voor het kind opgeslagen
in een register. De constatering van de SGP-leden dat het wetsvoorstel voor het kind
bepaalt dat er geen relatie zal worden opgebouwd met de biologische moeder of sperma-
of eiceldonor, berust op een kennelijk misverstand. Het staat draagmoeder, donoren
en wensouders vrij om afspraken te maken over eventueel contact met het kind.
Vraag 116
De leden van de SGP-fractie vragen de regering hoe de «redelijke onkostenvergoeding»
uit het wetsvoorstel zich verhoudt met het Verdrag van de Rechten van het Kind waarin
kinderkoop expliciet strafbaar is gesteld. Zij vragen of het betalen van een redelijke
onkostenvergoeding niet verboden is door dit verdrag.
Artikel 35 IVRK bepaalt dat verdragslanden alle passende maatregelen dienen te nemen
ter voorkoming van de verkoop van of de handel in kinderen in welke vorm dan ook.
Deze begrippen worden verder niet door het verdrag gedefinieerd. In het kader van
het wetsvoorstel is het van belang een onderscheid te maken tussen betaald draagmoederschap
en de verkoop van kinderen. Voor dit onderscheid is bepalend waarop de betaling is
gericht: de overdracht van het kind of de compensatie voor het dragen van het kind.
Daarom wordt met het wetsvoorstel ook strafbaar gesteld de betaling voor de overdracht
van het ouderschap. In dat kader is ook het tijdstip waarop de vergoeding wordt betaald
en wanneer het ouderschap van de wensouders komt vast te staan van belang. Niet acceptabel
is een afspraak waarbij een geldelijke beloning in het vooruitzicht gesteld voor de
overdracht van het (gezonde) kind, waarbij geen betaling plaatsvindt zonder die overdracht.
Daarvan valt te onderscheiden een betaling die gericht is op het betalen van onkosten
aan de draagmoeder. Dergelijke betalingen, zoals ook mogelijk gemaakt binnen het wetsvoorstel,
geven invulling aan het uitgangspunt dat goed gezorgd moet worden voor de draagmoeder.
Van een expliciet verbod in het IVRK op het betalen van een onkostenvergoeding aan
een draagmoeder is sowieso geen sprake.
Vraag 28
De leden van de SGP-fractie constateren dat het wetsvoorstel in de praktijk zal bijdragen
aan een grotere mate van wensdenken en wensouderschap met schadelijke gevolgen voor
(draag)moeder en kind. Deze leden vragen de regering hoe dit wetsvoorstel voorziet
in het terugdringen van het aantal abortussen in het licht van het doel zoals was
afgesproken in het coalitieakkoord dat aan de basis lag van kabinet Rutte-IV.
Onder het wetsvoorstel beslist de draagmoeder tijdens de zwangerschap zelf over eventueel
nodige medische ingrepen ten aanzien van haar of het ongeboren kind en over het eventueel
afbreken van de zwangerschap. Afspraken over situaties waarin door de draagmoeder
een zwangerschapsafbreking zou moeten worden overwogen, of over het afbreken van de
zwangerschap op verzoek van de wensouders zijn nietig en daarmee nooit afdwingbaar.
Het kabinet verwacht niet dat dit wetsvoorstel een (neven)effect heeft op het aantal
zwangerschapsafbrekingen in Nederland.
Vraag 29 en 30
De leden van de SGP-fractie vragen hoe dit wetsvoorstel bijdraagt aan het welzijn
van kinderen die door wensouders toch «niet gewenst» blijken vanwege aangeboren afwijkingen
of «ongewenste kenmerken». Deze leden vragen de regering tevens of er vooraf een toets
plaatsvindt of de wensouders eventuele «teleurstellingen» kunnen opvangen.
De in het wetsvoorstel opgenomen verplichte voorlichting en counseling moeten ervoor
zorgen dat de betrokkenen weten waaraan zij beginnen, zij goed geïnformeerd instemmen
met een draagmoederschapstraject en dat verwachtingen over en weer op elkaar zijn
afgestemd, bijvoorbeeld over wat te doen gedurende de zwangerschap bij constatering
van ernstige afwijkingen bij het ongeboren kind. Overigens geldt daarbij dat tijdens
de zwangerschap de draagmoeder zelf beslist over eventueel nodige medische ingrepen.
Voor iedere zwangerschap, dus ook bij draagmoederschap, geldt dat onverwachte situaties
niet kunnen worden voorkomen. Dit element zal dan ook naar voren komen in de verplichte
voorlichting. De emotionele weerbaarheid van betrokkenen kan in dat licht ook onderdeel
van gesprek in de counseling zijn. Welke onderdelen minimaal aan bod dienen te komen
in de voorlichting en counseling wordt nog nader uitgewerkt, in samenspraak met onder
meer de raad voor de kinderbescherming, psychosociaal counselors en ervaringsdeskundigen.
Vraag 31
De leden van de SGP-fractie menen dat een kind altijd een geschenk is en geen object
van volwassen verlangen en vragen in te gaan op de mensenrechten van het kind en draagmoeder
in vergelijking met de wensouders.
Ervan uitgaande dat deze leden vragen hoe de mensenrechtelijke positie van het kind
zich verhoudt tot de mensenrechtelijke positie van de wensouders respectievelijk hoe
de mensenrechtelijke positie van de draagmoeder zich verhouden tot die van de wensouders,
antwoord ik als volgt.
Het gaat in dit geval met name om de rechten zoals neergelegd in het IVRK en het EVRM.
Zo zijn in het IVRK diverse rechten van het kind gewaarborgd.54 In de preambule wordt overwogen dat het voor de ontwikkeling van een kind van belang
is om in een gezinsomgeving op te groeien. Daarbij bepaalt artikel 3 IVRK dat het
belang van het kind steeds een eerste overweging dient te vormen. Het Comité inzake
de Rechten van het kind heeft in een General Comment benadrukt dat het belang van het kind is gericht op het volledig en effectief genot
van alle rechten uit het IVRK.55 Artikel 9 IVRK bepaalt dat een kind niet mag worden gescheiden van zijn ouders, tegen
zijn wil, behoudens de situatie waarin dit in het belang van het kind noodzakelijk
is. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de ouders gescheiden leven en samen niet
kunnen beslissen bij wie het kind zal wonen. Overigens schrijft het IVRK niet voor
wie de ouders van een kind zijn en gaat het ook niet primair uit van genetisch ouderschap.
Artikel 18 IVRK erkent het principe dat ouders in beginsel gezamenlijk verantwoordelijk
zijn voor de opvoeding en ontwikkeling van het kind, daarvoor ook het eerst verantwoordelijk
zijn en daarbij het belang van het kind hun allereerste zorg is. De ouders hebben
voorts op grond van artikel 17, tweede lid 2, IVRK de primaire verantwoordelijkheid
voor het waarborgen van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling
van het kind. Hierbij past dat de overheid zich terughoudend opstelt. Ook uit de rechtspraak
van het EHRM over artikel 8 EVRM blijkt dat de overheid een goede rechtvaardiging
nodig heeft om zich te mengen in het familieleven van ouders en kinderen.56
Als het gaat om de rechten van het kind in het algemeen en zijn belang in het bijzonder
in afstammingskwesties, dan volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat het recht om
informatie over iemands afkomst en de identiteit van iemands ouders te achterhalen
een integraal onderdeel is van het recht op privéleven.57 Het bestaan van een genetische band tussen kind en ouders is daarbij echter niet
doorslaggevend is.58 Het voorstel komt hier primair aan tegemoet in de vorm van het draagmoederschapsregister,
dat vastlegt voor het kind welke afspraken er zijn gemaakt over het draagmoederschap
en zijn conceptie.
Voor wat betreft de rechten van de draagmoeder en wensouders, beschermt artikel 8
EVRM het recht op het privé en gezinsleven. Uit de EHRM jurisprudentie over artikel
8 EVRM volgt onder meer dat personen die gezinsbanden met elkaar hebben een normaal
gezinsleven met elkaar moeten kunnen leiden en een band met elkaar moeten kunnen ontwikkelen.59 In de rechtspraak van het EHRM genieten familiebanden tussen biologische ouders en
kinderen, maar bijvoorbeeld ook tussen de niet-biologische partner van de ouder en
het kind de bescherming van artikel 8 EVRM.60 Ook de relatie van het kind met wensouders valt blijkens de jurisprudentie van het
EHRM onder het recht van het kind op bescherming van diens privéleven.61
Specifiek voor de draagmoeder is nog van belang dat haar recht op privéleven ook haar
recht op lichamelijke integriteit omvat.62 Dat betekent bijvoorbeeld ook dat zij en zij alleen bepaalt of zij de wens heeft
om zwanger te worden om het kind voor iemand anders te dragen en baren.
Vraag 32
De leden van de SGP-fractie vragen voorts een nadere afweging waarin expliciet ingegaan
wordt op de belangen van het kind en draagmoeder. Hoe versterkt dit wetsvoorstel hun
positie ten opzichte van de situatie zonder dit wetsvoorstel of de mogelijkheid dat
dit wetsvoorstel een verbod op draagmoederschap zou behelzen?
Dit wetsvoorstel versterkt de positie van kind en draagmoeder doordat in de eerste
plaats meer zekerheid wordt geboden over de ouderschapssituatie vanaf de geboorte,
doordat binnen Nederland vooraf een rechtelijke toets plaatsvindt, doordat daarbij
wordt gewaarborgd dat de draagmoeder wordt voorgelicht en gecounseld en dat risico’s
voor haar worden afgedekt. Het wetsvoorstel zorgt er daarbij ook voor dat voor het
kind de afspraken rondom het draagmoederschap achterhaalbaar zijn. En het wetsvoorstel
maakt voor de draagmoeder (als ook voor de wensouders) duidelijk welke betalingen
wel en welke niet acceptabel zijn. Een vergelijkbare bescherming mist in de huidige
situatie zonder specifieke wetgeving en deze bescherming kan ook niet worden bereikt
met een algemeen verbod op draagmoederschap. Ik licht dit graag nader toe.
In de huidige situatie wordt het draagmoedertraject achteraf, als het kind reeds is
geboren en overgedragen aan de wensouders, door de rechter getoetst. Het ouderschap
van één wensouder kan soms al tot stand zijn gekomen door (prenatale) erkenning, het
ouderschap van de andere wensouder of van beide wensouders moet vervolgens via de
rechter tot stand komen. Ook kan het in geval van een buitenlands draagmoedertraject
zijn dat het ouderschap van één of beide wensouders aldaar reeds tot stand is gekomen.
De erkenning in Nederland van dat ouderschap loopt ook in dat geval via de Nederlandse
rechter, die dus achteraf de zorgvuldigheid van het traject toetst. Afhankelijk van
de specifieke omstandigheden geldt dit ook voor het gezag over het kind. Gelet op
deze achteraftoetsing, wordt de rechter feitelijk geconfronteerd met een fait accompli-situatie.
Het kind woont bij de wensouders, die doorgaans ofwel beiden de genetische ouders
zijn dan wel één van beiden. Gelet op de rechten van het kind en diens belang is de
rol van de rechter veelal beperkt tot het formaliseren van de reeds bestaande situatie.
Als het wetsvoorstel de status van wet verkrijgt en in werking treedt, zal het toetsmoment
in geval van nationale draagmoederschappen aan de voorkant van het proces komen te
liggen. De rechter zal nagaan of aan alle in de wet genoemde voorwaarden is voldaan.
Is dat niet het geval, dan zal hij betrokkenen nog geen uitsluitsel geven over het
ouderschap van het kind dat zij door de draagmoeder willen laten dragen en baren.
Dat geeft de rechter indien nodig mogelijkheden om het proces nog voor aanvang bij
te sturen. Met deze werkwijze zal zekerder zijn dat betrokkenen weten waar zij aan
beginnen en daar goed over hebben nagedacht, mede ook gelet op de in het wetsvoorstel
opgenomen verplichting om voorlichting en counseling te volgen. Dat is in het belang
van het kind, maar zeker ook van de draagmoeder en de wensouders.
Als draagmoederschap in Nederland zou worden verboden, kunnen wensouders zich naar
het buitenland blijven begeven om daar toch met behulp van een draagmoeder een kind
te krijgen. Dit gebeurt ook in diverse landen binnen en buiten Europa waar draagmoederschap
verboden is. Ondanks een dergelijk verbod hebben die landen te maken met kinderen
die geboren worden uit een draagmoeder in het buitenland, die door de wensouders –
zijnde onderdanen zijn van het desbetreffende land – daarheen worden gebracht en daar
worden verzorgd en opgevoed. Het EHRM heeft zich diverse malen uitgesproken over de
juridische positie van na draagmoederschap geboren kinderen in landen waarin draagmoederschap
is verboden. Uit die rechtspraak blijkt dat het in strijd is met het door artikel
8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven van het uit de draagmoeder
geboren kind om hem een familierechtelijke betrekking met zijn wensouders te ontzeggen.63 Het EHRM verplicht weliswaar de aangesloten staten niet om in het buitenland ontstaan
ouderschap van een uit een draagmoeder geboren kind te erkennen, maar de staat is
wel verplicht om op de een of andere manier, bijvoorbeeld met behulp van de rechtsfiguur
adoptie erin te voorzien dat de familierechtelijke betrekking met de wensouder(s)
kan ontstaan.64 Dit betekent dat een verbod op draagmoederschap niet tot gevolg zal hebben dat draagmoederschap
in Nederland niet meer zal voorkomen, maar het zou wel betekenen dat Nederland in
beginsel nog slechts te maken zou krijgen met draagmoederschapstrajecten uit het buitenland.
Het is inherent aan deze buitenlandse trajecten dat de toets door de Nederlandse rechter
en een beslissing over het ouderschap van de wensouders achteraf genomen zal moeten
worden. Gelet op het belang van de rechtszekerheid van zowel kind, draagmoeder als
wensouders is een toets vooraf te prefereren, opdat de rechter indien nodig nog kan
bijsturen. Bovendien zijn binnenlandse draagmoederschapstrajecten eenvoudiger te controleren.
Vraag 33
De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat het recht op een kind niet bestaat, maar
dat dit wetsvoorstel wel in hoge mate bijdraagt aan de illusie dat wensouders overal
recht op hebben. Deze leden vragen de regering te expliciteren waar de grenzen voor
wensouderschap liggen in vergelijking met de rechten van het kind.
Medisch technologische ontwikkelingen maken nieuwe vormen van gezinsvorming mogelijk,
waaronder gezinsvorming met behulp van draagmoederschap. Dat neemt niet weg dat het
recht op een kind (nog steeds) niet bestaat. Hoewel een kinderwens invoelbaar is,
zijn er volgens het kabinet wel grenzen wat betreft wensouderschap. Namelijk daar
waar deze wens de ontwikkeling van (toekomstige) kinderen bedreigt. Bijvoorbeeld als
de afstammingsinformatie niet voor het kind beschikbaar is (artikel 7 en 8 van het
IVRK) of als sprake is van verkoop van of handel in kinderen (artikel 35 IVRK). Ook
ligt er wat betreft het kabinet een grens daar waar andere betrokkenen bij het wensouderschap
ernstig worden benadeeld, bijvoorbeeld als sprake is van uitbuiting van de draagmoeder.
Het wetsvoorstel bevat waarborgen om de rechten van kinderen, maar ook die van draagmoeder
en wensouders te beschermen.
Vraag 40
De leden van de SGP-fractie menen dat dit wetsvoorstel noodzakelijk geacht werd door
de regering om ervoor te zorgen dat draagmoederschap meer gereguleerd werd teneinde
misstanden die zich in het verleden hebben voorgedaan te voorkomen. De leden van de
SGP-fractie constateren dat met deze regeling een leemte ontstaat waarbij het aan
de wensouders is om het belang van het kind zo goed mogelijk te borgen. Deze leden
vragen hoe het belang van het kind tot uiting komt in dit besluit en hoe de stem van
de draagmoeder hierin meegewogen wordt. Kan de regering in de beantwoording hiervan
ook ingaan op de controleerbaarheid van de bescherming van deze belangen?
Het wetsvoorstel laat naar het oordeel van het kabinet geen leemte in de regelgeving.
Eerder stelt het wetsvoorstel normen waar die op dit moment nog ontbreken. Daarmee
maakt het wetsvoorstel het risico op misstanden kleiner. Tegelijk kunnen misstanden
op dit terrein met geen enkele regeling worden voorkomen. Ook wanneer niet aan zorgvuldigheidseisen
is voldaan, heeft het uit de draagmoeder geboren kind recht op bescherming van zijn
privéleven en daarmee in ieder geval recht op het tot stand komen van familierechtelijke
betrekkingen met de wensouders door erkenning van de in het buitenland ontstane familierechtelijke
betrekkingen en/of door adoptie.65 Het klopt dat in de voorgestelde regeling voor het voorkomen van misstanden een beroep
wordt gedaan op wensouders. Overigens geldt die afhankelijkheid ook in alle andere
situaties waarbij mensen een kind verwachten of hopen te krijgen. Zij kunnen keuzes
maken in het vervullen van hun kinderwens. Van hen kan dan ook worden verlangd om
bij het traject zorgvuldigheidseisen in acht te nemen en daarmee te handelen in het
belang van het (toekomstige) kind en van de draagmoeder. De consulaire of gemeenteambtenaar
dan wel de Nederlandse rechter beoordeelt bij de erkenning van de in het buitenland
vastgestelde afstammingsband na draagmoederschap of voldaan is aan de zorgvuldigheidseisen.
Als dat niet het geval is geweest, zal de rechter een beslissing moeten nemen die,
gegeven de omstandigheden, het meest in het belang van de kind is. Daarbij kan hij
ook advies inwinnen van de raad voor de kinderbescherming.
Vraag 124
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering aan kan geven welke waarborgen ze
stelt om te voorkomen dat marktwerking er bij bemiddeling voor zorgt dat commerciële
belangen voorop worden gesteld in plaats van het belang van het kind?
In het wetsvoorstel is bepaald dat de Minister een ontheffing kan verlenen aan een
organisatie die bemiddelt. De belangrijkste waarborg om marktwerking te voorkomen
is dat de organisatie opereert zonder winstoogmerk. De nadere kaders voor de ontheffing
zullen nog worden uitgewerkt in lagere regelgeving. Daarbij wordt het belang van het
kind centraal gesteld. Ik zeg u graag toe dat uw Kamer gelijktijdig met de internetconsultatie
van een dergelijke algemene maatregel van bestuur een afschrift van het ontwerpbesluit
krijgt toegezonden.
Vraag 41, 42 en 43
De leden van de SGP-fractie vragen om een reflectie op de aanwijsbare verschillen
tussen adoptie, pleegouderschap en draagmoederschap. Zij vragen om daarbij de actualiteit
mee te wegen, waarbij gezien wordt dat naast de juridische en maatschappelijke complexiteit
er veel complexe onvoorziene problemen bij kunnen komen, zoals een oorlogssituatie
of een pandemie. Deze leden vragen aan te geven waarom de mogelijkheden voor interlandelijke
adoptie zo stevig zijn ingeperkt na het rapport van de Commissie Joustra, maar dat
de mogelijkheden voor draagmoederschap juist worden verbreed, terwijl de mogelijkheid
op misstanden mogelijkerwijs groter is in verband met het nog te doen ontstaan leven
waarvoor een (juridische) oplossing gevonden moet worden.
Het meest in het oog springende verschil tussen adoptie, pleegouderschap en draagmoederschap
is dat het bij adoptie en pleegouderschap gaat om kinderen die al zijn geboren voor
wie een passend gezin wordt gezocht en waarmee de wensouders geen genetische verwantschap
hebben. Bij draagmoederschap gaat het om kinderen die genetisch verwant zijn aan de
wensouder(s).
Net als bij interlandelijke adoptie kunnen ontwikkelingen in internationaal verband,
zoals een oorlogssituatie of pandemie, invloed hebben op de landen waar wensouders
naartoe kunnen gaan. En in gevallen waarin trajecten al zijn gestart, kunnen dergelijke
ontwikkelingen ertoe leiden dat het beoogde doel – opname van het kind in het gezin
van de wensouders – niet of pas op termijn kan worden gerealiseerd. Ook anderszins
zijn er overeenkomsten tussen interlandelijke adoptie en draagmoederschap waar het
de kwetsbaarheden in de praktijk betreft; bij beide gaat het om het vervullen van
een kinderwens, waarbij bemiddeling plaatsvindt, geld mee is gemoeid en sprake is
van internationaal verkeer. De Commissie Joustra heeft hier ook op gewezen.
Anders dan de aan het woord zijnde leden menen, worden met het wetsvoorstel de mogelijkheden
voor draagmoederschap niet verbreed. Het wetsvoorstel beoogt normen te stellen, opdat
als wensouders kiezen voor draagmoederschap, zij een zorgvuldig en transparant traject
volgen. Zo verplicht het wetsvoorstel wensouders (en bij binnenlandse trajecten ook
de draagmoeder) om voorlichting en counseling te volgen. Op deze manier worden zij
bewust van de impact die deze wijze van gezinsvorming op henzelf en het kind kan hebben.
Hiermee neemt de overheid haar verantwoordelijkheid om burgers goed te informeren.
3.2. De draagmoeder
Vraag 36
De leden van de SGP-fractie constateren dat al de aspecten van draagmoederschap fundamentele
vragen met zich meebrengen die in andere medische gevallen direct afgewezen zouden
worden. Zij vragen de regering een nadere beschouwing op het verhuren van organen
in vergelijking met wetgeving die dit verbiedt.
Voor zover deze leden doelen op de Wet op de orgaandonatie enerzijds en het wetsvoorstel
kind, draagmoederschap en afstamming anderzijds, verdient allereerst opmerking dat
het bij draagmoederschap niet gaat om het (ver)huren van een baarmoeder, maar om een
altruïstische daad, namelijk om het dragen van een kind voor een ander. In zowel het
geval van orgaandonatie als draagmoederschap is het van belang dat de toestemming
tot donatie of het besluit tot draagmoederschap vrijelijk en in het besef van de gevolgen
wordt verleend. Tevens mogen in beide gevallen uitsluitend de werkelijke kosten worden
vergoed en betreft het een daad «om niet».
In Nederland worden, naast organen, verschillende menselijke lichaamsmaterialen om
niet gedoneerd zoals stamcellen, bloed, weefsels en gameten voor behandeling van een
medeburger. Ik vind dat we dit systeem moeten koesteren. Op deze wijze staat ontegenzeggelijk
vast dat een donor geen enkele druk ervaart om zijn lichaamsmateriaal te doneren louter
dan de wetenschap dat hij daarmee anderen kan helpen. Datzelfde heeft te gelden voor
een persoon die draagmoeder wil zijn. Die moet in vrijheid en zonder druk kunnen besluiten
om een kind voor een ander te dragen.
Vraag 44
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of voldoende helder is wat de gevolgen
op de lange termijn zijn van de verschillende vormen van draagmoederschap voor draagmoeders.
Zij vragen te beschrijven welke gevolgen de regering op lange termijn ziet.
Er is niet veel onderzoek gedaan naar de lange termijn gevolgen van verschillende
vormen van draagmoederschap voor draagmoeders. Hierna volgt een beschrijving van de
enkele onderzoeken waarin hiernaar is gekeken. Uit onderzoek van Jadva en collega’s
uit 2015 onder 20 draagmoeders in het Verenigd Koningrijk (waarbij 9 draagmoeders
een kind hebben gedragen met gebruik van hun eigen eicel, en 11 hiervan met een niet-eigen
eicel) blijkt dat het 10 jaar na de geboorte van het kind over het algemeen goed gaat
met deze vrouwen.66 Zij lieten bijvoorbeeld geen tekenen van depressie zien, de meesten meldden positieve
gevoelens ten opzichte van het door hen gedragen kind en niemand uitte spijt over
de betrokkenheid bij het draagmoederschap. Bij deze resultaten dient wel te worden
opgemerkt dat de ervaringen van de deelnemende draagmoeders aan dit onderzoek mogelijk
niet representatief zijn voor alle draagmoeders. Dit onderzoek betreft een vervolg
op een door dezelfde onderzoekers uitgevoerd onderzoek uit 2003 naar de ervaringen
van 34 draagmoeders 1 jaar na de geboorte van het kind.67 Deze draagmoeders zijn opnieuw benaderd voor het onderzoek uit 2015, waaraan 20 draagmoeders
hebben deelgenomen. Mogelijk dat de 14 andere draagmoeders andere ervaringen hebben
gehad.
Vraag 113
De leden van de SGP-fractie vragen hoe van tevoren wordt vastgesteld dat de wensouders
de draagmoeder niet onder druk hebben gezet om over te gaan op draagmoederschap.
Voor zover het binnenlandse draagmoederschapstrajecten betreft, kan de rechter een
verzoek om toekenning van het ouderschap na draagmoederschap slechts toekennen indien
onder meer de vrije instemming van de draagmoeder blijkt (voorgesteld artikel 1:214,
derde lid, BW). Op welke wijze bij een buitenlands draagmoederschapstraject vooraf
wordt vastgesteld dat de wensouders de draagmoeder niet onder druk hebben gezet om
over te gaan op draagmoederschap is afhankelijk van de betreffende nationale wet-
en regelgeving en praktijk aldaar. Overigens kan op grond van het voorgestelde artikel
10:101a, derde lid, BW alleen van rechtswege erkenning sprake zijn als er een rechterlijke
beslissing ten grondslag ligt aan de afstamming. Als er geen rechterlijke beslissing
in het buitenland is gegeven, zal alsnog de rechter in Nederland de zaak moeten beoordelen.
Daarbij zal de rechter ook mede aan de hand van de overgelegde stukken bezien of er
sprake is van vrije instemming van de draagmoeder.
Vraag 114
Deze leden vragen zich af hoe voorkomen wordt dat vrouwen die financieel in de knel
zitten sneller zullen kiezen voor een draagmoederschapstraject om met de «redelijke
onkostenvergoeding» hun financiële positie te verbeteren.
Het wetsvoorstel voorziet voor binnenlandse trajecten in een redelijke onkostenvergoeding
aan de draagmoeder. Onder deze onkostenvergoeding vallen zowel de daadwerkelijk gemaakte
kosten door de draagmoeder, als een beperkte tegemoetkoming aan de draagmoeder voor
de inspanningen en het eventuele ongemak dat gepaard gaat met de zwangerschap. Het
verbeteren van de financiële positie waar deze leden aan refereren zou dan zien op
de beperkte tegemoetkoming aan de draagmoeder. In het wetsvoorstel is opgenomen dat
de hoogte van de beperkte tegemoetkoming wordt vastgesteld bij amvb, waarbij wordt
aangesloten bij de hoogte van de geldende vrijwilligersregeling. De beperkte tegemoetkoming
is zodanig laag dat er niet gesproken kan worden van een doorslaggevend geldelijk
gewin voor de draagmoeder. Het wetsvoorstel voorkomt op deze manier dat de onkostenvergoeding
door draagmoeders gebruikt wordt om hun financiële positie te verbeteren.
Voor betalingen bij buitenlands draagmoederschap kunnen geen specifieke grenzen worden
gesteld, omdat de levensstandaard per land verschilt. Zoals eerder aangegeven, worden
wensouders bij de voorlichting en counseling, een van de voorwaarden voor erkenning
van rechtswege van ouderschap na buitenlands draagmoederschap, gewezen op het belang
van de vrijwillige deelname van de draagmoeder. Daaronder valt ook het voorkomen dat
onredelijke betalingen aan de draagmoeder worden gedaan. De wensouders (kunnen) contact
hebben met de draagmoeder en kunnen (mede) bepalen onder welke voorwaarden het draagmoederschapstraject
wordt aangegaan. Daardoor kunnen de wensouders de motieven van de draagmoeder voor
deelname aan het traject, de levensstandaard en de sociaaleconomische status van de
draagmoeder afwegen tegen de (voorgenomen) betaling.
Vraag 115
De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan ingaan op de waarborgen die gesteld
worden aan draagmoeders alvorens zij aan dit traject beginnen. Ook vragen zij of er
een psychologisch onderzoek wordt gedaan en wordt gekeken naar haar positie in de
samenleving, en hoe wordt voorkomen dat kwetsbare vrouwen hier slachtoffer van worden.
Bij draagmoederschapstrajecten in Nederland zijn zowel de wensouders als de draagmoeder
verplicht om voorlichting en counseling te volgen. In de voorlichting wordt informatie
over het traject verschaft en de daarbij behorende juridische voorwaarden en risico’s.
De counseling ziet op de medische en psychosociale aspecten van draagmoederschap.
Bij amvb zullen ten aanzien van de counseling nadere regels worden gesteld. Het beeld
is nu dat de counseling wordt gedaan door artsen en ervaren en gespecialiseerde counselors.
Daarnaast wordt de draagmoeder verplicht om (op kosten van de wensouders) bijgestaan
te worden door een onafhankelijk juridisch deskundige. Deze deskundige kan de draagmoeder
adviseren met oog voor haar specifieke omstandigheden.
In het geval van draagmoederschapstrajecten in het buitenland is voorlichting en counseling
voor de wensouders een van de voorwaarden voor erkenning van rechtswege na buitenlands
draagmoederschap. De wensouders worden in deze voorlichting en counseling gewezen
op het belang van een zorgvuldig traject. Daaronder valt onder andere de vrijwilligheid
van de draagmoeder.
Herroeping
Vraag 45, 46, 62, 67, 74, 75 en 76
De leden van de fracties van BBB, ChristenUnie en Volt hebben vragen over de mogelijkheden
om de gerechtelijke toekenning van het ouderschap te herroepen dan wel, in geval internationale
draagmoederschapstrajecten, de afstammingsband met de wensouders aan te tasten.
Bij de beantwoording van deze vragen wordt eerst ingegaan op draagmoederschapstrajecten
in Nederland en daarna op internationale draagmoederschapstrajecten.
Bij draagmoederschapstrajecten in Nederland kunnen de draagmoeder en wensouders de
rechtbank voor de conceptie verzoeken om toekenning van het ouderschap na draagmoederschap.
Een essentieel onderdeel daarbij is de vrije instemming van alle betrokkenen met het
traject. Ook een belangrijk element daarbij is de rechtszekerheid; met name gelet
op het belang van het kind bij zekerheid over ouders, naam en nationaliteit vanaf
de geboorte, zoals ook neergelegd in internationale verdragen zoals het EVRM en het
IVRK. Als de rechter een dergelijk verzoek toewijst, kan daarom nadien die toekenning
slechts onder bepaalde voorwaarden worden herroepen.
Bij de herroeping wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin de draagmoeder
nog niet zwanger is en sinds de toekenning van het ouderschap ook geen kind uit haar
is geboren, en de situatie waarin de draagmoeder zwanger is of reeds bevallen. In
de eerstgenoemde situatie kunnen alle personen die het verzoek deden tot gerechtelijke
toekenning van het ouderschap de rechter verzoeken de toekenning te herroepen. Niet
vereist is dat er sprake is van bedreiging, dwaling of bedrog (voorgesteld artikel
1:220, eerste lid, BW).
Is na de toekenning bij de draagmoeder een zwangerschap tot stand gekomen of is een
kind uit haar geboren, dan gelden voor de mogelijkheid van herroeping andere voorwaarden.
De draagmoeder respectievelijk de wensouder die niet de biologische ouder is, kunnen
tot uiterlijk drie maanden na de geboorte de rechter vragen de gerechtelijke toekenning
van het ouderschap te herroepen (voorgesteld artikel 1:220, tweede, derde en vierde
lid, BW). De rechter beslist binnen zes weken op een dergelijk verzoek (voorgesteld
artikel 1:220 zesde lid, BW).
Voor de draagmoeder geldt dat de rechter de toekenning van het ouderschap kan herroepen
als sprake is van bedreiging, dwaling of bedrog waardoor de draagmoeder tot draagmoederschap
is bewogen. Daarnaast is voor de draagmoeder herroeping mogelijk als na de toekenning
de omstandigheden zijn gewijzigd en de rechter herroeping in het belang van het kind
wenselijk voorkomt. Deze omstandigheden zijn in de wet niet nader omschreven, zodat
de rechter de ruimte heeft om alle omstandigheden van het individuele geval te bezien
en voorts te beoordelen of herroeping is aangewezen, in het belang van het kind.
Voor de wensouder die niet de biologische ouder is geldt dat de rechter de toekenning
kan herroepen als er sprake is van bedreiging, dwaling of bedrog bij het verzoek tot
gerechtelijke toekenning van het ouderschap, of als de wensouder nadien is bedrogen
door de draagmoeder omtrent de wijze waarop de zwangerschap tot stand is gekomen.
De wensouder die de biologische ouder is van het kind kan het ouderschap niet aantasten.
Met deze regeling is aangesloten bij andere onderdelen van het afstammingsrecht: als
sprake is van een genetische band of instemming met een daad die de verwekking van
het kind tot gevolg kan hebben gehad, bestaat een niet te ontlopen verantwoordelijkheid
voor het kind (zie bijv. art. 1:200, eerste en derde lid, 1:202a, eerste en tweede
lid, 1:205, eerste lid en 1:2025a, eerste lid, BW).
Een verzoek tot herroeping kan worden ingediend tot uiterlijk drie maanden na de geboorte
van het kind. Bij het bepalen van de termijn van herroeping door de draagmoeder is
enerzijds gekeken naar het belang van de draagmoeder om terug te kunnen komen op eerder
gemaakte afspraken. En anderzijds het belang van rechtszekerheid voor met name het
kind over diens afstamming. De termijn moet lang genoeg zijn voor de draagmoeder om
zich tot de rechter te wenden met een verzoek om herroeping, maar moet tegelijkertijd
ook niet te lang zijn met het oog op de rechtszekerheid over de afstamming, naam en
nationaliteit van het kind. Daarbij speelt tevens een rol dat bij draagmoederschap
de geboortemoeder het kind niet draagt met het oog op eigen toekomstig moederschap.
Aanvankelijk was een termijn van zes weken voorgesteld. In navolging van het advies
van de raad voor de kinderbescherming en zijn ervaringen in de praktijk bij binnenlandse
adoptie is de termijn op drie maanden bepaald; in de uitzonderlijke situatie waarin
wordt teruggekomen op het voornemen tot afstand, gebeurt dit in de meeste gevallen
gedurende de eerste drie maanden na de geboorte van het kind. In gevallen waarin wensouders
tussentijds hebben aangegeven het traject te willen staken en alsnog het ouderschap
op zich hebben genomen, is niet voorzien in een specifieke vorm van monitoring. In
die gevallen kan worden teruggevallen op de gangbare vrijwillige hulp via bijvoorbeeld
een wijkteam of op de reguliere kinderbeschermingsmaatregelen.
Of in geval van internationale draagmoederschapstrajecten een afstammingsband met
de wensouders tot stand komt, kan komen dan wel kan worden aangetast, wordt bepaald
door de in het betreffende land geldende regels. Zie ook artikel 10:93 en 96 BW. Voor
de erkenning van rechtswege van een in het buitenland tot stand gekomen familierechtelijke
betrekking na draagmoederschap is, als de wensouders vanaf de geboorte de ouders van
het kind zijn geweest, in elk geval vereist dat er een mogelijkheid heeft bestaan
voor de draagmoeder om dit ouderschap te betwisten (zie voorgesteld artikel 10:101a
BW).
4. Dilemma’s en keuzes in het voorstel
Vraag 49 en 50
De leden van de VVD-fractie leggen het volgende voorbeeld voor. Indien, al dan niet
na het volgen van de Nederlandse procedure voor toekenning van ouderschap vóór de
geboorte, het kind in land X ter wereld komt, en daar wordt geadopteerd, is het niet
bij voorbaat zeker dat de buitenlandse adoptie in Nederland wordt erkend. Bij niet-erkenning
van die adoptie volgt de vraag onder welke voorwaarden de situatie in Nederland kan
worden geregeld. Zij vragen of de regering uitgebreid kan ingaan op het bovenstaande
voorbeeld en vragen of de regering deelt dat het, gelet op verschillende situaties,
wenselijk kan zijn om het adoptierecht bij de tijd te brengen naast een goede regeling
voor draagmoederschap? Ook vragen zij in hoeverre de regering het wenselijk acht dat
de modernisering van het adoptierecht gelijktijdig inwerking treedt met de wettelijke
regeling voor draagmoederschap?
Het Nederlandse Internationaal Privaatrecht kent op dit moment geen specifieke regeling
voor de erkenning van in het buitenland tot stand gekomen familierechtelijke betrekkingen
na draagmoederschap, waaronder een aldaar uitgesproken adoptie. Primair wordt aan
de hand van de bepalingen in Boek 10 BW bezien of erkenning van het in het buitenland
tot stand gekomen ouderschap mogelijk is. Indien erkenning wordt onthouden, bijvoorbeeld
omdat sprake is van strijd met de openbare orde, kunnen wensouders de Nederlandse
rechter verzoeken alsnog een juridische afstammingsband tot stand te brengen. Afhankelijk
van de situatie wordt daarbij op dit moment gebruik gemaakt van verschillende algemene
leerstukken, zoals erkenning, ontkenning vaderschap en gerechtelijke vaststelling
vaderschap en adoptie volgens de regels van Boek 1 BW. In het door deze leden gegeven
voorbeeld waarbij het ouderschap na draagmoederschap tot stand is gekomen door adoptie,
zijn noch het Haags Adoptieverdrag 1993, noch de Wet opneming buitenlandse kinderen
na adoptie van toepassing. In de rechtspraktijk zien we wel dat de rechter in een
dergelijk geval de door de buitenlandse rechter genomen beslissing beoordeelt aan
de hand van de reguliere regeling tot erkenning van buitenlandse beslissingen in art.
10:100 BW.68
Het is aan de rechter om te beoordelen of verzoeken tot erkenning van in het buitenland
ontstaan ouderschap na draagmoederschap kunnen worden toegewezen. Deze procedures
kunnen lang duren en brengen onzekerheid mee. Het door deze leden genoemde voorbeeld
onderstreept het belang om de regelgeving op dit punt bij de tijd te brengen en te
voorzien in een regeling specifiek voor de erkenning van in het buitenland tot stand
gekomen familierechtelijke betrekkingen na draagmoederschap. In het onderhavige wetsvoorstel
is hiervoor een regeling opgenomen.
Daarnaast wordt momenteel gewerkt aan een afbouw van interlandelijk adoptie. Onderdeel
van dat traject is dat tevens kritisch wordt gekeken naar de erkenningsregeling voor
adopties die in het buitenland hebben plaatsgevonden. Bij deze beoordeling wordt ook
de verhouding tot het onderhavige wetsvoorstel betrokken.
Hoewel er inhoudelijk raakvlakken bestaan tussen beide onderwerpen, acht het kabinet
een gelijktijdige inwerkingtreding van deze bepalingen niet nodig. Beide trajecten
kennen een eigen tempo en dynamiek. Waar nodig kan worden volstaan met het opnemen
van relevante bepalingen in beide voorstellen, waarna door middel van zogenaamde samenloopbepalingen
kan worden voorkomen dat dit leidt tot wetstechnische problemen.
Vraag 52
De leden van de CDA-fractie vragen de regering in te gaan op de vragen of de voorgestelde
manier moeilijker controleerbaar is, of de procedures zorgvuldig tot stand zijn gekomen
en of het moeilijker uit te sluiten is of het om uitbuiting gaat.
Bij de huidige gang van zaken beoordeelt de Nederlandse rechter of het in het buitenland
verlopen draagmoederschapstraject aan de zorgvuldigheidseisen voldoet. Leidraad voor
de rechter is daarbij het rapport van de Staatscommissie Herijking ouderschap.69 Soms wordt expliciet overwogen dat het enkele feit dat een beslissing van een buitenlandse
rechter niet overeenstemt met bepalingen uit het Nederlands recht, onvoldoende is
om aan te nemen dat sprake is van onverenigbaarheid met de openbare orde en wordt
vervolgens geoordeeld dat de door de buitenlandse rechter gegeven beslissing van rechtswege
in Nederland kan worden erkend. Als geconstateerd wordt dat het proces niet aan de
gestelde maatstaven voldoet, bijvoorbeeld omdat uit de stukken niet blijkt wie de
genetische ouders van het kind zijn, kan de rechter een bijzondere curator benoemen
om zich te laten adviseren over hoe het verder moet met het ouderschap van het desbetreffende
kind of de raad voor de kinderbescherming vragen om onderzoek te doen.70 De rechter in Nederland heeft geen rechtstreeks contact met de draagmoeder, hij gaat
af op de verklaring van de draagmoeder in de stukken dat zij instemt met de overdracht
van het ouderschap van het uit haar geboren kind aan de wensoude(s). Hij heeft dan
ook geen direct zicht op de beweegredenen van de draagmoeder om als draagmoeder te
fungeren. Uit de ervaringen met draagmoederschappen uit de Verenigde Staten en Canada
blijkt dat kwetsbare vrouwen door de voorafgaande screening en het counselingstraject
niet in aanmerking komen om als draagmoeder te fungeren. Als het wetsvoorstel de status
van wet verkrijgt, zal de ambtenaar van de burgerlijke stand voortaan de stukken controleren
om te bezien of de geboorteakte waarop een of beide wensouders als ouders staan vermeld,
van rechtswege kan worden erkend en aldus kan worden ingeschreven in de registers
van de burgerlijke stand. De ambtenaar zal de in de wet gestelde vereisten daarvoor
nalopen. Het kan ook zijn dat de wensouders geen inschrijving van de akte vragen,
maar de erkenningsvraag met betrekking tot de buitenlandse geboorteakte aan de orde
komt bij de inschrijving van het kind in de BRP. In dat geval zal dezelfde toets worden
uitgevoerd. Mocht er bij de ambtenaar twijfel rijzen over een of meerdere stukken
of deze niet met elkaar stroken of andere omissies opmerken, dan zal hij de van rechtswege
erkenning weigeren en de wensouders naar de rechter verwijzen. In dit opzicht verandert
het wetsvoorstel feitelijk weinig.
Vraag 55
De leden van de GroenLinks- PvdA-fractie vragen of de regering voldoende vertrouwen
in het draagmoederschapsregister heeft om mogelijke misstanden bij draagmoederschap
in het buitenland te voorkomen. Deze leden willen weten hoe de regering dit gaat waarborgen
en op welke wijze de regering dit gaat bijsturen als het draagmoederschapsregister
hier onvoldoende in blijkt te voorzien.
Het draagmoederschapsregister heeft als doel dat een kind dat is geboren na draagmoederschap
kan achterhalen wat zijn ontstaansgeschiedenis is. Daarom geldt als vereiste om gebruik
te kunnen maken van de voorgestelde regeling, zowel bij binnenlandse als bij buitenlandse
trajecten, dat de identiteit van degene die zaadcellen of eicellen heeft afgestaan
of zal afstaan voor de bevruchting op termijn te achterhalen is voor het kind door
raadpleging van het draagmoederschapsregister of bevraging van het register gehouden
door het College donorgegevens kunstmatige bevruchting overeenkomstig de Wet donorgegevens
kunstmatige bevruchting. Het draagmoederschapsregister kan aldus eraan bijdragen dat
misstanden, in die zin dat kinderen hun ontstaansgeschiedenis niet kunnen achterhalen,
worden voorkomen. Dit is ook één van de misstanden die naar voren is gekomen in het
rapport van de Commissie Joustra. Echter, het draagmoederschapsregister kan niet voorkomen
dat wensouders kiezen om naar het buitenland te gaan en daar gebruik te maken van
een anonieme donor. In de verplichte voorlichting en counseling zal overigens wel
worden benadrukt dat het in het belang van het kind is voor diens (identiteits)ontwikkeling
dat het de ontstaansgeschiedenis kan achterhalen en dat het gebruik van anonieme donoren
zeer onwenselijk is.
Vraag 60
De leden van de Volt-fractie geven aan dat de regering schrijft dat zij zich ervan
bewust is dat de invloed van de Nederlandse overheid niet zo ver reikt dat misstanden
rondom draagmoederschap, zeker in het buitenland, kunnen worden uitgesloten. Deze
leden vragen in welke mate de regering nu maatregelen treft die gericht zijn op het
voorkomen en tegengaan van misstanden rondom draagmoederschap, zowel in Nederland
als in het buitenland (binnen en buiten Europa).
Het wetsvoorstel beoogt om draagmoederschapstrajecten, zowel binnenlands als buitenlands,
zo zorgvuldig mogelijk te laten verlopen. Daarom zijn wensouders, en in het geval
van een binnenlands draagmoederschapstraject, ook de draagmoeder, verplicht om voorlichting
en counseling in Nederland te volgen. Hierbij worden zij gewezen op de eventuele risico’s
en ook op hun eigen verantwoordelijkheid voor een zorgvuldig traject. Om gebruik te
kunnen maken van de regeling moet daarnaast aan bepaalde zorgvuldigheidseisen zijn
voldaan. Zo moet de afstammingsinformatie van het kind beschikbaar zijn, zodat het
kind op termijn diens ontstaansgeschiedenis kan achterhalen. Dit is belangrijk met
het oog op de (identiteits)ontwikkeling van een kind. Een ander vereiste betreft de
rechterlijke toets, bij een binnenlands traject voorafgaand aan de conceptie en bij
een buitenlands traject een rechterlijke toets aldaar of, in het geval die ontbreekt,
alsnog achteraf in Nederland. Dat neemt niet weg dat het kabinet zich er bewust van
is dat geen enkele regeling volledige bescherming kan bieden tegen onwenselijke praktijken.
De regering benadrukt dat internationale afspraken een belangrijke rol zouden kunnen
spelen bij het tegengaan van misstanden en het bevorderen van verantwoorde keuzes
rond draagmoederschap. Waar mogelijk zet Nederland zich dan ook actief in om dergelijke
afspraken te realiseren. Tegelijkertijd lopen de opvattingen over draagmoederschap
wereldwijd sterk uiteen, waardoor ook de perceptie van wat een misstand is verschilt.
Dit maakt het uitermate ingewikkeld om op dit terrein tot een internationale regeling
te komen. Ook binnen de EU zijn er aanzienlijke verschillen in de opvattingen over
draagmoederschap. In het kader van de onderhandelingen over het Commissievoorstel
voor een Ouderschapsverordening, dat ook ziet op ouderschap na draagmoederschap, wordt
gekeken of lidstaten op grond van de verordening meer ruimte zouden moeten krijgen
om hun eigen recht (inclusief zorgvuldigheidsnormen) toe te passen wanneer sprake
is van draagmoederschap.
5. Een wettelijke regeling voor draagmoederschap
5.1. Hoofdlijnen regeling
Leeftijden
Vraag 61, 181 en 182
De leden van de VVD-, CDA- en ChristenUnie-fractie hebben vragen gesteld over het
niet stellen van een minimale of maximale leeftijdsgrens voor de draagmoeder.
In het wetsvoorstel zijn geen leeftijdsgrenzen vastgelegd met betrekking tot de leeftijd
van draagmoeder behalve dat zij meerderjarig dient te zijn. In het Standpunt geassisteerde
voortplanting met gedoneerde gameten, gedoneerde embryo’s en draagmoederschap van
de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) wordt een indicatieve
maximumleeftijd aangehouden van 50 jaar voor een embryoplaatsing na eiceldonatie.71 In de praktijk worden door vruchtbaarheidsklinieken ook lagere leeftijdsgrenzen gehanteerd,
te weten een maximumleeftijd voor de (draag)moeder van 45 jaar.
Als de draagmoeder nog erg jong is en geen eigen voltooid gezin heeft, is dit een
sterke aanwijzing dat de keuze voor draagmoederschap niet in haar belang noch het
belang van het toekomstige kind is. Dit zal moeten blijken bij de screening door de
vruchtbaarheidskliniek en in de counseling.
Het bepalen van een specifieke minimale leeftijdsgrens, anders dan achttien jaar,
zoals 24 jaar, zoals Fiom adviseert, is niet goed te onderbouwen en daarmee arbitrair.
Het voorgestelde derde lid van artikel 1:215 BW biedt ruimte aan de rechter om tot
een eigen oordeel te komen over de rijpheid en geschiktheid van de draagmoeder voor
een traject. De leeftijd kan ook aan de orde komen tijdens de counseling en bij twijfel
kan de rechter de raad voor de kinderbescherming vragen om nader onderzoek te verrichten
naar de geschiktheid van, bijvoorbeeld, de draagmoeder.
Wat betreft het door Fiom voorgestelde vereiste van een voltooid gezin en het eerder
een kind hebben gekregen, kan nog het volgende worden gesteld. Er kunnen zich gevallen
voordoen waarbij een draagmoeder zelf geen kinderwens heeft of waarbij de draagmoeder
(nog) geen voltooid gezin heeft, maar zij weloverwogen en goed geïnformeerd ervoor
kiest om als draagmoeder op te treden. De rechter kan dit beoordelen en zou dan ook
in die gevallen de mogelijkheid moeten kunnen hebben om het ouderschap na draagmoederschap
toe te kennen. Gelet op het voorgaande is er dan ook geen aanleiding om het advies
van Fiom op dit punt over te nemen.
Vraag 68
De leden van de Volt-fractie vragen of er voldoende expertise en capaciteit aanwezig
is bij de betrokken partijen die de voorlichting en counseling aanbieden? En kan de
regering belichten waarom ervoor is gekozen dat de wensouders en/of draagouder zelf
de kosten hiervan moeten dragen?
In het wetsvoorstel is bepaald dat bij of krachtens amvb regels worden gesteld over,
onder meer, de eisen die worden gesteld aan degene die de voorlichting of counseling
verzorgt. Deze amvb wordt voorbereid. Zoals in de memorie van toelichting is benoemd,
is het van belang dat de professionals die de counseling bieden ervaring hebben op
het gebied van begeleiding bij een onvervulde kinderwens. Ook voor degene die voorlichting
biedt geldt dat diegene dient te beschikken over voldoende ervaring en kennis van
(begeleiding bij) fertiliteitstrajecten dan wel een (onvervulde) kinderwens. In de
bij of krachtens amvb te stellen regels zal hiermee rekening worden gehouden.
Wat betreft de keuze om betrokkenen zelf de kosten van voorlichting en counseling
te laten dragen het volgende. Een eventuele vergoeding van die kosten zou uit collectieve
middelen moeten worden betaald. Hoewel de wens om een kind te krijgen invoelbaar is,
is de keuze om een dergelijke wens te vervullen in beginsel een privéaangelegenheid.
Gelet op het voorgaande ziet het kabinet dan ook geen aanleiding voor een tegemoetkoming
vanuit de overheid in de kosten van voorlichting en counseling bij draagmoederschap.
Wel wordt het van belang geacht dat de kosten voor, in ieder geval, de voorlichting
geen (financiële) drempel opwerpen in het doorlopen van een zorgvuldig traject volgens
de regeling. Hiermee zal rekening worden gehouden in de nadere uitwerking van dit
onderdeel.
5.2. Een regeling voor de toekenning van ouderschap na draagmoederschap
Vraag 70
De leden van de VVD-fractie vragen of het wetsvoorstel met zich meebrengt dat het
kind na draagmoederschap op de dag van de bevalling ook feitelijk moet worden overgedragen
aan de wensouders. Deze leden wijzen erop dat in andere landen soms is gekozen voor
een korte periode waarbij de overgang van het ouderschap plaatsvindt kort na de geboorte
van het kind, zodra de rechter heeft vastgesteld dat alle partijen met de overgang
van het ouderschap instemmen. Wat zijn hier de voor- en nadelen van voor wensouders
en de belangen van het kind?
Het wetsvoorstel brengt niet met zich dat een kind meteen op de dag van de bevalling
door de draagmoeder moet worden overgedragen aan de wensouders. Het is aan de draagmoeder
en wensouders om hierover met elkaar afspraken te maken waarbij zij rekening kunnen
houden met de individuele omstandigheden van hun geval en zich rekenschap kunnen geven
van het belang van het kind. In de draagmoederschapsovereenkomst moeten afspraken
worden opgenomen onder meer over het contact tussen de draagmoeder en het kind na
de geboorte (voorgesteld artikel 1:216, eerste lid, onder d, BW).
Vraag 72
De leden van de D66-fractie hebben een aantal vragen over de toegankelijkheid van
rechterlijke procedures. Deze leden vragen of de regering zicht heeft op het aantal
mensen voor wie de route langs de rechter een drempel kan zijn voor een legale route
van draagmoederschap. Wat kan de regering doen om dit risico te beperken, bijvoorbeeld
in de vorm van tegemoetkomingen in de kosten? Hoe kijkt de regering aan tegen de andere
kosten waar wensouders mee geconfronteerd worden vanwege de procedure (VOG, counseling,
vergoedingen aan draagmoeder), die voor andere ouderparen niet gelden? Hoe heeft de
regering in dat licht het risico op ongeoorloofde ongelijke behandeling gewogen?
Er is geen overzicht van het aantal mensen voor wie de route langs de rechter een
drempel kan zijn voor het regelen van het juridisch ouderschap conform de voorgestelde
regeling. Zowel onder de huidige regeling als de voorgestelde regeling voor de overgang
van het juridisch ouderschap is tussenkomst van de rechter nodig. Hierbij is aangesloten
bij het advies van de Staatscommissie Herijking ouderschap dat een rechterlijke toets
nodig is om de belangen van het kind en de draagmoeder goed te kunnen waarborgen.
Dit sluit ook aan bij het gegeven dat de rechter momenteel is betrokken bij iedere
beëindiging van juridisch ouderschap.72 In de bestaande situatie vindt de rechterlijke toets na de geboorte van het kind
plaats, in de voorgestelde (binnenlandse) regeling voorafgaand aan de conceptie. Voor
buitenlandse trajecten geldt dat indien het juridisch ouderschap in het buitenland
is overgegaan en daarbij aan bepaalde zorgvuldigheidseisen is voldaan en in het buitenland
een rechterlijke toets heeft plaats gevonden, geen rechterlijke toets in Nederland
meer nodig is.
Als de wet inwerking treedt en betrokkenen bij een binnenlands traject niet de regeling
volgen, maar achteraf een adoptieverzoek indienen bij de rechter, zullen zij conform
voorgesteld artikel 1:228, vierde lid, BW aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen
die vergelijkbaar zijn met de voorwaarden die worden gesteld voor de gerechtelijke
toekenning van het ouderschap voor de conceptie (o.a. een draagmoederschapsovereenkomst
overleggen en voorlichting en counseling volgen). Hiermee wordt voorkomen dat, bijvoorbeeld
vanwege financiële redenen, voorbij kan worden gegaan aan de in de draagmoederschapsregeling
gestelde eisen. De keuze van wensouders om hun kinderwens te vervullen door een draagmoederschapstraject
aan te gaan, is in beginsel een privéaangelegenheid. Hoewel de wens om een kind te
krijgen invoelbaar is, ziet het kabinet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor
een tegemoetkoming vanuit de overheid uit de collectieve middelen.
Burgerlijke stand en Basisregistratie Personen
Vraag 73 en 154
De leden van de fractie van SGP en Volt hebben vragen over de wijze van vermelding
van de draagmoeder in de geboorteakte en de BRP en het borgen van de belangen van
de draagmoeder in deze.
Als de rechter op grond van de voorgestelde regeling een verzoek om toekenning van
het ouderschap na draagmoederschap toewijst, heeft het kind vanaf geboorte de wensouders
als juridische ouders. Dat brengt mee dat zij ook als zodanig in de geboorteakte worden
vermeld. De draagmoeder wordt met een latere vermelding vermeld in de geboorteakte.
Hierbij is rekening gehouden met het belang van de draagmoeder bij erkenning van de
rol die zij heeft vervuld. Tevens is rekening gehouden met het belang van het kind
om deze informatie ook via de geboorteakte te kunnen achterhalen. Ook andere personen
die een gerechtvaardigd belang hebben, kunnen die informatie door een afschrift van
de geboorteakte krijgen. Daarbij kan worden gedacht aan de gemachtigde van betrokkene,
zijn bloedverwanten in de opgaande en neergaande lijn, zijn erfgenamen, zijn echtgenoot
of geregistreerde partner en zijn wettelijk vertegenwoordiger.
Voor de BRP geldt dat deze voor een belangrijk deel is gericht op het verstrekken
van gegevens die overheidsorganen nodig hebben voor de vervulling van hun taken. Het
doel en de strekking van de BRP is het in stand houden van een doelmatige informatievoorziening
van de overheid, met gelijktijdige waarborging van de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer van de geregistreerde burgers. Bij de inschrijving van het kind in de
BRP worden de actuele gegevens van het kind en de ouders op basis van de geboorteakte
opgenomen in de BRP. De draagmoeder is niet de juridische ouder van het kind.
Nu de gegevens over de draagmoeder daarmee niet nodig zijn voor de uitoefening van
overheidstaken, is er ook geen grond om deze op te nemen in de BRP. Het wel opnemen
van deze gegevens zou een ongerechtvaardigd inbreuk zijn op de privacy en persoonlijke
levenssfeer van zowel het kind als de draagmoeder. Registratie in de BRP heeft voor
hen geen aanvullende waarde naast de vermelding in de geboorteakte. Daarbij geldt
dat gegevens pas in de BRP worden opgenomen vanaf het moment van geboorte. Dat is
bijvoorbeeld ook zo bij een prenatale erkenning; in de BRP worden de gegevens over
het kind, waaronder die van de juridische ouders, opgenomen met ingang van de datum
van geboorte van het kind.
De leden van de SGP-fractie vragen of het niet registeren van de draagmoeder bij de
burgerlijke stand, haar kwetsbaar maakt voor uitbuiting. Ik kan deze redenering niet
volgen. De draagmoeder wordt in het voorstel wel aldus geregistreerd bij de burgerlijke
stand. Het risico van dwang en uitbuiting door tussenpersonen hangt naar mijn oordeel
alleen daarom al niet hiermee samen.
Met het wetsvoorstel wordt juist een bijdrage geleverd aan het tegengaan van uitbuiting.
Het voorstel versterkt het zicht op draagmoederschapstrajecten vanuit de overheid.
Zo zal bij de verplichte counseling de motivatie van de draagmoeder om een kind te
dragen voor de wensouders uitvoerig aan de orde komen. Het verslag van de counseling
wordt aan de rechter overgelegd bij het verzoek om gerechtelijke toekenning van ouderschap.
De rechter zal zich er ook terdege van vergewissen dat de draagmoeder, die op dat
moment ook nog niet zwanger is, zich goed realiseert wat het traject inhoudt en of
zij dat samen met de wensouders wil aangaan. De overeenkomst die de draagmoeder en
wensouders sluiten, zal eveneens aan de rechter worden overgelegd (voorgesteld artikel
1:241, vierde lid, BW). In voorgesteld artikel 1:216 BW staat opgesomd waar in elk
geval afspraken over moeten zijn opgenomen. Het staat de draagmoeder en wensouders
uiteraard vrij om in de overeenkomst aanvullende afspraken op te nemen. Een belangrijk
uitgangspunt van het overeenkomstenrecht is immers het beginsel van de contractsvrijheid.
Die contractsvrijheid wil echter niet zeggen dat elke afspraak toelaatbaar is. Afspraken
die in strijd zijn met de goede zeden zijn op grond van artikel 3:40 BW nietig. Een
afspraak waarmee de draagmoeder zich verplicht om een abortus te ondergaan als blijkt
dat de ongeboren vrucht afwijkingen vertoont of als sprake zou zijn van een meerlingzwangerschap
of om welke reden dan ook, is in strijd met de goede zeden. Mocht een rechter met
een dergelijke bepaling in een draagmoederschapsovereenkomst worden geconfronteerd,
dan zal de ontoelaatbaarheid van een dergelijke afspraak – alsmede de nietigheid ervan
– op zitting aan de orde komen en de gevolgen ervan met verzoekers worden besproken.
Toegestane vergoedingen bij draagmoederschap in Nederland
Vraag 109, 110, 138 en 139
De leden van de D66- en Volt-fractie hebben vragen over de hoogte van de aanvullende
tegemoetkoming voor de draagmoeder van maximaal 190 euro en de verhouding tot bedragen
die in andere Europese landen mogen worden betaald aan draagmoeders.
In het bij het wetsvoorstel meegestuurde concept-besluit over de vergoeding van kosten
en tegemoetkoming draagmoederschap is opgenomen dat aan de draagmoeder gedurende een
begrensde periode maandelijks een bedrag van ten hoogste € 190,– mag worden betaald.
Daarbij is de overweging geweest dat de hoogte van de tegemoetkoming geen onevenredige
druk moet kunnen leggen op een vrouw om zich als draagmoeder aan te bieden. Voorkomen
moet worden dat een te grote financiële prikkel ervoor kan zorgen dat een vrouw risico’s
accepteert die ze zonder deze prikkel niet zou aanvaarden of dat zij relevante informatie
over haar gedrag of gezondheid achterhoudt. Tegelijkertijd moet goed voor de draagmoeder
worden gezorgd en zouden, wanneer een vrouw draagmoeder wil zijn, financiële drempels
geen reden mogen zijn om hiervan af te zien. De tegemoetkoming is er voor het zijn
van draagmoeder en daarmee voor het ongemak, de pijn en de inspanningen tijdens en
na de zwangerschap. Dit bedrag is ook bedoeld voor andere, onvoorziene kosten die
gepaard gaan met het draagmoederschapstraject, zonder dat daar de voorwaarde aan is
verbonden dat de onkosten die ermee worden vergoed, gespecificeerd moeten worden.
Voor de vaststelling van dit bedrag is in navolging van het advies van de expertgroep
Vergoeding draagmoederschap aansluiting gezocht bij de geldende vrijwilligersregeling,
die uitgaat van maximaal € 190,– per maand (in 2023).73 De relatief geringe hoogte van het maximale bedrag van € 190,– per maand voor een
begrensde periode maakt dat daarin geen werkelijk verdienmodel kan worden gevonden.
Tegelijkertijd is dit maximale bedrag, naar inschatting, ook toereikend voor andere,
onvoorziene kosten die gepaard gaan met het zijn van draagmoeder.
In een aantal verschillende Europese landen waar draagmoederschap is toegestaan, kan
voor zover nu bekend de draagmoeder een (onkosten)vergoeding ontvangen. In het Verenigd
Koninkrijk gaat om een redelijke vergoeding. En in Griekenland ontvangt de draagmoeder
een vergoeding voor de kosten van de bevruchting, zwangerschap en bevalling. Daarnaast
ontvangt zij ook een vergoeding voor werkverzuim en fysieke belasting. In Georgië
is een wetsvoorstel aanhangig inhoudende dat de draagmoeder een vergoeding ontvangt
voor onder andere de zwangerschap en bevalling, voor de juridische ondersteuning bij
het opstellen van de draagmoederschapsovereenkomst, en voor andere zaken gerelateerd
aan het draagmoederschap, waaronder mogelijk inkomensverlies, een en ander mits de
vergoeding geen financieel voordeel voor de draagmoeder impliceert.74
Nationaliteitsrechtelijke gevolgen
Vraag 169 en 170
De leden van de VVD-fractie hebben vragen over de nationaliteitsrechtelijke gevolgen
van draagmoederschap en hoe dit is geregeld in landen met een wettelijke regeling
voor draagmoederschap.
Indien de rechter een verzoek tot toekenning van ouderschap na draagmoederschap heeft
toegewezen, ontstaat bij geboorte geen familierechtelijke betrekking tussen de draagmoeder
en het kind. In plaats daarvan staan de wensouders vanaf geboorte in familierechtelijke
betrekking tot het kind. Dit maakt dat het kind niet de Nederlandse nationaliteit
kan ontlenen aan de draagmoeder. Het kind kan de Nederlandse nationaliteit wel ontlenen
aan de wensouders als een of beide wensouders de Nederlandse nationaliteit hebben
(op grond van artikel 3, eerste lid, RWN). Ook kan het kind dat als derde generatie
hoofdverblijf in Nederland heeft via de wensouders de Nederlandse nationaliteit verkrijgen
(artikel 3, derde lid, RWN).
Ook in andere Europese landen met een wettelijke regeling voor draagmoederschap, zoals
Cyprus, Griekenland en het VK75 en Oekraïne en Georgië76 zijn voor zover bekend geen specifieke nationaliteitsrechtelijke voorzieningen getroffen
voor draagmoederschap. Vooropgesteld is het aan de betreffende staat om te bepalen
wie zijn onderdanen zijn, maar aangenomen wordt dat de nationaliteit van een kind
dat geboren is na draagmoederschap in deze landen aan de hand van de «reguliere» bepalingen
uit de betreffende nationaliteitswetgeving kan worden vastgesteld.
5.3. Een regeling voor de erkenning van ouderschap na draagmoederschap in het buitenland
Vraag 37
De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat draagmoederschap in het buitenland veel
lastiger te monitoren is en op gespannen voet staat met de jurisdictie die de Nederlandse
rechter daar heeft en de mogelijkheid om het contract en de intenties tussen wensouders
en draagmoeder te controleren. Deze leden vragen hoe de Nederlandse jurisdictie zich
verhoudt met de mogelijkheden die er in het buitenland zijn om draagmoederschap te
regelen.
De vraag ziet op de situatie waarin de wensouders in het buitenland als ouders op
de geboorteakte van het uit de draagmoeder geboren kind zijn vermeld, waarna de wensouders
met het kind naar Nederland komen en deze geboorteakte in Nederland erkend willen
zien.
De huidige artikelen 10:100 en 101 BW bevatten regels over het in Nederland erkennen
van in het buitenland gegeven rechterlijke beslissingen en in het buitenland opgemaakte
akten betreffende familierechtelijke betrekkingen. Als wensouders met het uit de draagmoeder
geboren kind naar Nederland komen, moet worden beoordeeld of het op de aldaar opgemaakte
geboorteakte vermelde ouderschap voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. Ook
komt het voor dat de wensouders de Nederlandse rechter benaderen om het ouderschap
van één van hen of van beiden tot stand te brengen, bijvoorbeeld door gerechtelijke
vaststelling ouderschap of adoptie. De jurisdictie van de Nederlandse rechter wordt
bepaald door artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat het
doorgaans gaat om wensouders die in Nederland wonen. Aan de Nederlandse rechter moeten
bij de verzoeken omtrent het ouderschap van wensouders, de relevante buitenlandse
stukken worden overgelegd. Een buitenlands draagmoedertraject kan, zoals genoemde
leden ook opmerken, inderdaad niet altijd even goed worden beoordeeld als een binnenlands
traject. Dat wordt met het wetsvoorstel niet anders. Daar staat tegenover dat de beoordeling
van een buitenlands draagmoederschapstraject in de toekomst niet moeilijker wordt
dan thans het geval is.
Vraag 77 (deel 1)
De leden van de VVD-fractie delen de lijn van het wetsvoorstel om zoveel mogelijk
wensouders te laten kiezen voor een zorgvuldig, transparant en snel proces in Nederland
waarin wensouders, draagmoeders en kinderen zo snel mogelijk duidelijkheid verkrijgen.
De fractieleden van de VVD vragen of de regering deelt dat als wensouders desondanks
toch kiezen voor een procedure in het buitenland, deze keuze ook een verantwoordelijkheid
voor de overheid met zich meebrengt.
In het wetsvoorstel zijn de voorwaarden neergelegd waaraan in elk geval moet zijn
voldaan, wil van verantwoord draagmoederschap sprake kunnen zijn. Het is aan de wensouders
om verantwoorde keuzes te maken als zij kiezen voor draagmoederschap, ook in het buitenland.
Het zijn dan ook in de eerste plaats de wensouders die de verantwoordelijkheid dragen
voor deze keuze en de extra risico’s die een buitenlands traject met zich brengt.
Op de Nederlandse overheid rust de plicht om wensouders zo goed mogelijk te informeren
over (de risico’s) van trajecten in het buitenland en het belang van het maken van
verantwoorde keuzes. Op de website van de rijksoverheid worden wensouders geïnformeerd
over onwenselijke situaties die naar het buitenland uitwijken voor draagmoederschap
kunnen opleveren.77 Ook kunnen wensouders hiervoor terecht op de website van het Landelijk informatiepunt
draagmoederschap: www.draagmoederschap.nl. Als wensouders kiezen voor een procedure in het buitenland, heeft de Nederlandse
overheid een rol bij onder meer de erkenning en inschrijving in Nederland. In dat
kader moet getoetst worden of aan de in het wetsvoorstel neergelegde waarborgen is
voldaan.
Landenlijst
Vraag 77 (deel 2), 86, 126, 183, 184
De leden van de VVD-, GroenLinks- PvdA- en CDA-fractie hebben vragen gesteld over
een landenlijst voor draagmoederschap, vergelijkbaar met de lijst die voor interlandelijke
adoptie wordt gebruikt.
De vraag van deze leden wordt zo begrepen dat zij met de landenlijst bedoelen, de
landenselectie die in 2022 tot stand is gekomen na het rapport van de Commissie Joustra.
Bij deze landenselectie zijn criteria gehanteerd als betrouwbaarheid, controleerbaarheid
en transparantie van de adoptieprocedures en organisaties in het land van herkomst
en het subsidiariteitsbeginsel en de status van de jeugdbescherming in de landen.78 Deze selectie is niet toepasbaar op (buitenlandse) draagmoederschapstrajecten. Hoewel
in zijn algemeenheid wel een beeld zou kunnen worden geschetst van in welke landen
een draagmoederschapstraject op een bepaald moment voldoet aan bepaalde zorgvuldigheidseisen,
bijvoorbeeld dat er een rechterlijke toets plaatsvindt, geeft dit geen garanties voor
het voldoen aan zorgvuldigheidseisen in ieder individueel traject. Er zijn immers
geen wederzijdse afspraken met landen op basis waarvan geen toets of beoordeling van
zo’n individueel traject plaatsvindt. Hiervoor ontbreekt het aan een internationaal
verdrag waarmee tussen de aangesloten staten overeenstemming bestaat over de randvoorwaarden
en op basis waarvan wederzijds vertrouwen kan worden gebaseerd. Als gevolg daarvan
zou de beoordeling ten behoeve van een landenlijst een abstract karakter hebben. Dit
is anders bij interlandelijke adoptie. Daarbij heeft een kind immers al ouders, terwijl
dat bij het aangaan van een draagmoederschapstraject niet het geval. De wensouders
zijn bij adoptie ook niet genetisch verwant aan het te adopteren kind. In het Haags
Adoptieverdrag zijn waarborgen vastgelegd om te verzekeren dat interlandelijke adopties
op zodanige wijze plaatsvinden dat het hoogste belang van het kind daarmee gediend
is. Met een landenlijst of landenselectie bij draagmoederschap kan bovendien niet
worden voorkomen dat wensouders een draagmoederschapstraject in niet geselecteerde/op
de lijst staande landen aangaan. Het ouderschap van genetisch eigen kinderen van de
wensouders zal vervolgens toch tot stand moeten worden gebracht, ter bescherming van
het kind. Het EHRM verplicht de aangesloten staten weliswaar niet om in het buitenland
ontstaan ouderschap van een uit een draagmoeder geboren kind te erkennen, maar de
staat is wel verplicht om op de een of andere manier, bijvoorbeeld door adoptie, erin
te voorzien dat de familierechtelijke betrekking met de wensouder(s) kan ontstaan.
Een landenlijst of landenselectie zou bovendien bij wensouders het vertrouwen kunnen
opwekken dat trajecten uit bepaalde landen altijd voldoen aan de zorgvuldigheidseisen,
welke garantie niet kan worden gegeven. Gelet op het voorgaande kiest het kabinet
niet voor een landenlijst waarvoor de erkenning van het ouderschap gegeven of eenvoudiger
is. Het blijft daarmee expliciet de verantwoordelijkheid van de wensouders om ervoor
te zorgen dat het traject dat zij doorlopen voldoet aan alle zorgvuldigheidseisen.
Het wetsvoorstel tracht wensouders op een andere wijze zekerheid te bieden dan door
te werken met een landenlijst. Allereerst worden wensouders gestimuleerd om, indien
zij niet voor binnenlands draagmoederschap kiezen, voor een traject te kiezen in landen
die voldoen aan zekere basisvoorwaarden. Dat wordt onder meer gedaan door basisvoorwaarden
te stellen voor de erkenning van het in het buitenland ontstaan ouderschap, zoals
bijvoorbeeld een rechterlijke beslissing over het ouderschap die in het desbetreffende
land reeds is gegeven. In de verplichte voorlichting worden wensouders uitdrukkelijk
gewezen op deze basisvoorwaarden, maar ook op de risico’s die buitenlands draagmoederschap
met zich brengt.
Eén van de doelstellingen van deze wet is dat, wanneer gekozen wordt voor buitenlands
draagmoederschap, gekozen wordt voor een traject dat aan de zorgvuldigheidseisen voldoet.
Na vijf jaar vindt evaluatie van de wet plaats. Hierbij zal ook de effectiviteit van
de wet voor het bereiken van deze doelstellingen worden geëvalueerd.
Vraag 78
De leden van de VVD-fractie vragen of het op termijn wel de voorkeur heeft om toe
te werken naar mogelijkheden voor erkenning van rechtswege in plaats van deze taak
te laten uitvoeren door de rechter en zo ja, onder welke voorwaarden dit op termijn
mogelijk zou moeten zijn.
Het verdient aanbeveling om de stappen in dit proces zorgvuldig en een voor een te
zetten. Op dit moment acht het kabinet het, gelet op de grote verschillen die bestaan
in buitenlandse draagmoederschapstrajecten, nog niet verantwoord om de rechter in
het buitenland dan wel in Nederland uit het beoordelingsproces te schrappen. Of dit
in de toekomst wel mogelijk zal zijn, hangt in de eerste plaats af van de ontwikkelingen
met betrekking tot draagmoederschap op mondiaal niveau. Zoals hiervoor aangegeven,
neemt Nederland deel aan de werkgroep van de Haagse Conferentie voor het Internationaal
Privaatrecht die werkt aan een verdrag over de erkenning van rechterlijke beslissingen
inzake ouderschap waarvan draagmoederschap deel uitmaakt. Als dat verdrag er komt,
dan ligt het in de rede dat aangesloten staten erop mogen vertrouwen dat rechterlijke
beslissingen uit andere aangesloten staten waarbij ouderschap in geval van draagmoederschap
is vastgesteld, inclusief de daarbij gevolgde draagmoederschapstrajecten, met de nodige
zorgvuldigheid zijn omkleed en waarborgen bevatten voor de rechten en belangen van
het kind, de draagmoeder en de wensouders. Het (in beginsel) van rechtswege erkennen
– dus zonder tussenkomst van de rechter – van dergelijke buitenlandse beslissingen
zal onderdeel kunnen vormen van het verdrag en dat zal te zijner tijd in de besluitvorming
over de vraag of Nederland zich bij dat verdrag wil aansluiten vanzelfsprekend aan
de orde komen. Zo ver is het echter nog lang niet. Vooralsnog vergt het nog relatief
jonge fenomeen van draagmoederschap en de totstandkoming van ouderschap van wensouders
in het buitenland mijns inziens een toetsing door de Nederlandse rechter.
Vraag 79
In dit verband vragen de leden van de VVD-fractie ook naar een nadere verduidelijking
van een aantal vragen die de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB) heeft
gesteld. Klopt het dat een buitenlandse geboorteakte straks kan worden ingeschreven
zonder de vermelding van de draagmoeder? Zo ja, waarom? In welke gevallen kan worden
afgeweken van de hoofdregel dat de draagmoeder in de geboorteakte staat? Klopt het
ook dat de draagmoeder vervolgens niet in de BRP komt te staan? Zo ja, waarom niet
en wat zouden de voor- en nadelen zijn als dit wel in de BRP zou worden opgenomen?
De gegevens over de draagmoeder zijn van belang, met name voor het kind om diens afstamming
te kunnen achterhalen. Dat kan via de geboorteakte, maar kan ook op andere wijze.
Ook nu al komt het voor dat een buitenlandse geboorteakte moet worden ingeschreven
waarin de draagmoeder niet als geboortemoeder is vermeld. Als de ambtenaar van de
burgerlijke stand (abs) in Den Haag een last krijgt tot inschrijving van een buitenlandse
geboorteakte waarin de draagmoeder niet is opgenomen, wordt deze geboortemoeder desalniettemin
vermeld in de akte van inschrijving. Afhankelijk van de akte, de rechterlijke uitspraak
en de situatie, doet de abs dat in de regel door in de rubriek vermeldingen te noteren
uit welke moeder het kind geboren is en dat onder verwijzing naar de Nederlandse rechterlijke
uitspraak die aan de inschrijving ten grondslag ligt, waarin dit gegeven is opgenomen.
In lijn met de ontwikkelingen in de jurisprudentie op dit punt, is daarom in voorgesteld
artikel 10:101a BW voorzien in een erkenningsregeling op grond waarvan inschrijving
van een buitenlandse geboorteakte ook mogelijk is als de draagmoeder niet is vermeld
in de geboorteakte, mits haar gegevens wel beschikbaar zijn voor opname in het draagmoederschapsregister.
Hiermee is een afzonderlijke procedure bijvoorbeeld tot vaststelling van geboortegegevens
niet meer nodig, waardoor sneller zekerheid kan worden verkregen over de afstamming
van het kind (en daarmee bijvoorbeeld over diens nationaliteit en wie juridisch verantwoordelijk
voor hem is). En tegelijkertijd is verzekerd dat het kind zijn afstamming kan achterhalen.
Zoals hiervoor in antwoord op dezelfde hiervoor gestelde vraag van de leden van de
fractie van Volt is vermeld, worden bij de inschrijving van het kind in de BRP de
actuele gegevens van het kind en de ouders op basis van de geboorteakte opgenomen
in de BRP. De overweging om gegevens over het draagmoederschap niet op te nemen in
de BRP volgt uit het feit dat deze gegevens niet nodig zijn voor de uitoefening van
overheidstaken. Ook zou het een ongerechtvaardigd inbreuk zijn op de privacy en persoonlijke
levenssfeer van zowel het kind als de draagmoeder.
Vraag 81
De leden van de CDA-fractie vragen de regering of het klopt het dat er in Griekenland
huizen zijn waar draagmoeders voor langere tijd verblijven, terwijl ze zelf kinderen
hebben. Anoniem doneren mag daar ook. Is er aandacht voor counseling, of aandacht
voor wat een goede draagmoeder is? Hoe ethisch verantwoord is dat?
Volgens de Griekse wetgeving zijn draagmoederschapstrajecten in Griekenland alleen
toegestaan als de draagmoeder in Griekenland woonachtig is.79 De draagmoeders hoeven niet in speciale accommodaties te verblijven, maar kunnen
thuis blijven tijdens de zwangerschap. Sinds 2014 is draagmoederschap in Griekenland
ook opengesteld voor wensouders woonachtig in het buitenland. De draagmoeder moet
vooralsnog in Griekenland woonachtig zijn. In de praktijk blijkt dat deze laatste
bepaling niet erg streng wordt toegepast, aangezien een draagmoeder als woonachtig
in Griekenland kan worden aangemerkt na een verblijf van een aantal maanden in Griekenland.
Dit betekent dat als draagmoeders enkele maanden in Griekenland verblijven en daar
bevallen, het draagmoederschapstraject onder de Griekse draagmoederschapswetgeving
valt.80
In Griekenland is er geen verplichting tot counseling. Wel vindt voorafgaand aan de
conceptie een rechterlijke toets plaats, waarbij de rechter goedkeuring dient te geven
voor het aangaan van het draagmoederschapstraject. De rechter toetst daarbij of de
draagmoeder geschikt is (zowel fysiek als mentaal) om het kind te baren. De Griekse
wet schrijft voor dat de draagmoeder in goede fysieke en mentale gezondheid moet zijn
voor de zwangerschap en de bevalling.81 Zij ondergaat daarvoor verschillende testen, die tevens als (medisch) bewijs dienen
voor de rechter. Daarnaast moet de draagmoeder al minstens één kind hebben gekregen,
zodat de kans op onverwachte complicaties wordt verkleind. Wensouders die in Nederland
wonen en naar Griekenland gaan voor een draagmoederschapstraject, moeten in Nederland
verplicht counseling volgen, ook al is dat volgens de Griekse wetgeving niet verplicht.
Anonieme donatie is inderdaad mogelijk in Griekenland. Echter, als in Nederland woonachtige
wensouders, ondanks de uitdrukkelijke aandacht die in de voorlichting is besteed aan
de nadelen daarvan toch gebruik maken van een anonieme donor, kunnen zij geen gebruik
maken van de in het wetsvoorstel opgenomen regeling.
Vraag 82
De CDA-fractieleden vragen de regering te reageren op berichten dat in landen als
Oekraïne en Georgië het draagmoederschap een echte business is geworden.82 Een situatie waarbij vrouwen zeggen in een moeilijke positie zitten, hun baan opzeggen
en het doen uit noodzaak. De fractieleden van het CDA geven aan dat de regering terecht
stelt dat Oekraïne, waar draagmoederschap mogelijk is zonder rechterlijke tussenkomst,
niet aan de voorwaarden voldoet. De leden wijzen erop dat desondanks draagmoederschapstrajecten
vanuit Oekraïne naar Nederland wel mogelijk blijven, kan de regering ingaan op wat
zij hier een wenselijke route vindt?
Deze berichten zijn zorgelijk in die zin dat financieel gewin geen drijfveer zou moeten
zijn voor de draagmoeder om deel te nemen aan een draagmoederschapstraject. Dit is
belangrijk voor de waardigheid van het kind. Daarbij kunnen financiële prikkels leiden
tot oneigenlijke druk op de draagmoeder en haar positie kwetsbaar maken. Ouderschap
dat in Oekraïne of Georgië is ontstaan na draagmoederschap zonder rechterlijke toetsing,
komt niet in aanmerking voor erkenning via de voorgestelde regeling. In die zin verandert
met het wetsvoorstel de bestaande juridische route bij draagmoederschapstrajecten
uit Oekraïne en Georgië niet. Overigens is in Georgië naar de laatst bij bekende informatie
een wetsvoorstel aanhangig dat de vergoedingen voor de draagmoeder aan banden zou
leggen.83
Met de voorgestelde regeling op grond waarvan wensouders verplicht zijn voorlichting
en counseling te volgen, wordt beoogd dat wensouders kiezen voor een zorgvuldig traject
in Nederland. Of, als zij kiezen voor een buitenlands traject, dat zij kiezen voor
een traject dat voldoet aan vergelijkbare zorgvuldigheidseisen als die aan een binnenlands
traject worden gesteld. De regeling bevat hiertoe prikkels. In de verplichte voorlichting
zullen betrokkenen bewust worden gemaakt van de risico’s van buitenlands draagmoederschap
en zal informatie worden verschaft over hoe trajecten in het buitenland verantwoord
kunnen verlopen. De Nederlandse overheid kan echter niet voorkomen dat wensouders
naar landen gaan waar trajecten niet voldoen aan de Nederlandse eisen. Het is uiteindelijk
de verantwoordelijkheid van wensouders om ook daadwerkelijk te kiezen voor een zorgvuldig
traject.
Vraag 84
De leden van de CDA-fractie vragen zich af in hoeverre de regering specifieke aandacht
heeft voor landen waarbij wetgeving omtrent commercieel draagmoederschap bijzonder
soepel is en commercieel draagmoederschap veel goedkoper is dan elders in de wereld?
In het WODC-onderzoek 2024 wordt door ervaringsdeskundigen genoemd dat er ethische
zorgen zijn over motieven en begeleiding van draagmoeders in de landen waar de kosten
voor draagmoederschap beduidend lager zijn. Daarnaast kan het uitwijken naar landen
waar draagmoederschap minder goed geregeld is, leiden tot juridische problemen wanneer
wensouders willen terugreizen naar Nederland.84 In de voorlichting zal dan ook specifiek aandacht worden besteed aan de extra risico’s
die gepaard gaan met het kiezen voor een land waar de kosten lager zijn.
Vraag 85
De leden van de CDA-fractie vragen welke status bemiddelingsorganisaties in dit wetsvoorstel
hebben.
In Nederland is bemiddeling bij draagmoederschap verboden (artikel 151b Sr). Ook het
in Nederland aanbieden van deze dienst is niet toegestaan (artikel 151b, tweede lid,
Sr). Dit wetsvoorstel heft dit verbod op voor rechtspersonen die door de verantwoordelijke
bewindspersoon zijn aangewezen voor bemiddeling bij draagmoederschap (voorgesteld
artikel 151b, vierde lid, Sr).85 Of bemiddeling bij draagmoederschap in het buitenland is toegestaan, is aan het betreffende
land om te bepalen. Wensouders die kiezen om een traject in het buitenland aan te
gaan, kunnen daarbij in beginsel ook gebruik maken van een (daar toegestane) bemiddelingsorganisatie
die haar werkzaamheden in het betreffende land verricht. Het feit dat daarmee hoge
bedragen zijn gemoeid, betekent niet per definitie dat sprake is van een onzorgvuldig
traject of ongeoorloofde betalingen voor de overdracht van het ouderschap (zie voorgesteld
artikel 151ca Sr). Zo kan begeleiding in het buitenland een zorgvuldig traject juist
ook bevorderen. Daarnaast kunnen procedures en medische zorg in het buitenland duur(der)
zijn, en de levensstandaard en sociale voorzieningen anders. In de verplichte voorlichting
zal ook aan dit aspect van buitenlandse trajecten aandacht worden besteed en het belang
van een ook in dat kader zorgvuldig en zuiver traject worden benadrukt.
Vraag 88
De leden van de SP-fractie delen de door sommige organisaties geuite zorg dat buitenlandse
draagmoederschapstrajecten onder de voorgestelde regeling eenvoudiger worden. Dit
voornamelijk vanwege het feit dat wensouders zelf gaan over de toets of een draagmoeder
dit vrijwillig doet. Deze leden vinden het onwenselijk om op deze manier een groot
verschil te maken tussen binnenlands en buitenlands draagmoederschap. Zij vragen of
de regering counseling voldoende acht voor het stimuleren van een met waarborgen omkleed
wensouderschap (aangenomen dat deze leden bedoelen een zorgvuldig draagmoederschapstraject).
Verder vragen zij of de regering kan bevestigen dat er verschillen zijn in vereisten,
bijvoorbeeld met een rechterlijke toets die alleen bij binnenlands draagmoederschap
telt?
Voorgesteld wordt dat in gevallen waarin in het buitenland een zorgvuldig traject
is doorlopen, de erkenning van ouderschap na draagmoederschap zonder rechterlijke
toets in Nederland kan plaatsvinden. Dan moet wel zijn voldaan aan vergelijkbare voorwaarden
die aan draagmoederschapstrajecten in Nederland worden gesteld. Zo moet er een rechterlijke
beslissing aan de afstammingsrelatie ten grondslag liggen. Het is daarbij niet zo
dat de wensouders over de erkenning gaan. De erkenning kan in die gevallen plaatsvinden
bijvoorbeeld door de ambtenaar van de burgerlijke stand bij de inschrijving van de
geboorteakte of de ambtenaar burgerzaken bij de inschrijving in de BRP. Bij de counseling
maar vooral ook bij de verplichte voorlichting zal worden ingegaan op de zorgvuldigheidseisen
en het belang om daaraan te voldoen, zodat wensouders zich hiervan bewust zijn.
Vraag 92
De leden van de ChristenUnie-fractie constateren met de regering dat regels rondom
buitenlands draagmoederschap moeilijk te handhaven zijn. Zij vragen hoe de regering
de zwaartekracht van de regels aangaande buitenlands draagmoederschap dan weegt. Zij
vragen naar de risico’s, hoe deze zijn gewogen en waarop het vertrouwen berust dat
er toch naleving zal zijn. Zij vragen welke gevolgen er zijn als er geen naleving
is.
Ervan uitgaande dat de leden van de ChristenUnie vragen naar een nadere toelichting
op de overwegingen om regels te stellen voor buitenlandse draagmoederschapstrajecten,
antwoord ik als volgt. Het gaat bij draagmoederschap vrijwel altijd om genetisch eigen
kinderen van ten minste één van de wensouders. De in het buitenland vastgestelde afstammingsband
tussen een genetisch eigen kind en een in Nederland woonachtige wensouder moet in
een snelle procedure worden erkend in het belang van het betrokken kind. Zo blijkt
ook uit de in het voorgaande reeds genoemde rechtspraak van het EHRM. Of een traject
zorgvuldig is geweest doet daaraan niet af. Ook een algemeen verbod op draagmoederschap
maakt deze verdragsrechtelijke verplichting niet anders.
Bij het opstellen van het wetsvoorstel is onder ogen gezien dat dit voorstel de risico’s
die kleven aan (internationaal) draagmoederschap niet helemaal kan wegnemen, net zo
min als enig andere regeling dat zou kunnen. Daarbij is tevens de realiteit dat wensouders
naar het buitenland kunnen en zullen blijven gaan om daar een draagmoederschapstraject
te volgen, ongeacht of er een wettelijke regeling wordt getroffen. Het wetsvoorstel
beoogt daarom vooral om ouders te stimuleren te kiezen voor een verantwoord draagmoederschapstraject:
door voorlichting en counseling verplicht te stellen bij zowel binnenlandse als buitenlandse
trajecten, wensouders te stimuleren te kiezen voor een traject in Nederland, als zij
toch kiezen voor een buitenlands traject hen te stimuleren om dan te kiezen voor een
zorgvuldig traject (door een snellere erkenning te bieden aan internationaal draagmoederschap
dat aan bepaalde voorwaarden voldoet, die vergelijkbaar zijn met die voor binnenlandse
trajecten. Juist door wensouders met voorlichting en counseling bewust te maken van
de risico’s bij internationaal draagmoederschap, van het belang om te kiezen voor
een zorgvuldig traject – juist ook in het belang van (de ontwikkeling van) het kind
en de draagmoeder – en wat nodig is voor een zorgvuldig traject, zullen zij ook daadwerkelijk
voor zo’n traject kunnen kiezen.
Vraag 93
De leden van de ChristenUnie vragen zich af welke voordelen de regering ziet voor
draagmoeders die deelnemen aan een internationaal draagmoederschap. Zij vragen tevens
welke nadelen de regering ziet.
Ik trek de vraag van de leden van de ChristenUnie naar de voordelen voor de draagmoeder
graag breder naar de beweegredenen voor de draagmoeder om deel te nemen. Uit onderzoek
blijkt dat draagmoeders verschillende redenen hebben om aan een (internationaal) draagmoederschapstraject
deel te nemen. Zo zijn er de meer altruïstische redenen, zoals de wens mensen te helpen
die zelf geen kind kunnen krijgen of om nog eens een zwangerschap door te willen maken.
Uit onderzoek blijkt dat wereldwijd gezien het merendeel van de draagmoeders deelnemen
aan een traject vanwege meer financiële redenen, vaak om met de betalingen de eigen
familie te onderhouden.86 Uit recent onderzoek onder 231 draagmoeders in de VS – het land waarin blijkens het
WODC-onderzoek 2024 wensouders uit Nederland het vaakst een traject aangaan als zij
kiezen voor buitenlands draagmoederschap87 – blijkt daarentegen dat de meeste draagmoeders het traject primair zijn aangegaan
om altruïstische of pro-sociale redenen (88,1%). Van deze groep heeft 9,7% primair
vanwege economische redenen deelgenomen aan het traject.88 In het onderzoek wordt daarbij niet uitgesplitst naar internationaal of binnenlands
draagmoederschap. Of er een verschil bestaat in beweegredenen tussen deze situaties,
kan ik daarmee niet zeggen.
Nadelen of negatieve consequenties voor draagmoeders die uit onderzoek naar voren
komen zijn bijvoorbeeld complicaties tijdens de zwangerschap, dat zij in hun eigen
omgeving te maken krijgen met stigmatisering en onbegrip, dat zij niet zorgvuldig
worden bijgestaan door een (tussen)persoon of dat zij tijdens de zwangerschap beperkt
worden in hun bewegingsvrijheid en medische keuzes.89 Daarnaast bestaat er het risico op uitbuiting van de draagmoeder. Wanneer sprake
is van een financiële vergoeding van de draagmoeder, kan de vraag rijzen of er wel
altijd echt sprake is van vrijwilligheid om aan het traject deel te nemen. Betrokkenheid
van bemiddelingsbureaus met een winstoogmerk kunnen dat beeld versterken. Uit het
WODC-onderzoek 2024 blijkt echter ook dat er tevens wetenschappers zijn die bepleiten
dat het niet betalen van een draagmoeder juist een vorm van uitbuiting is.90 In internationale gevallen geldt bovendien dat het daarbij, afhankelijk van de financiële
middelen van draagmoeder en wensouders, ingewikkelder zou kunnen zijn om contact te
onderhouden. Digitale middelen kunnen daarbij uiteraard van pas komen, maar kunnen
een daadwerkelijke ontmoeting maar ten dele vervangen. Of dit laatste als voor- of
nadeel moet worden beschouwd, is mede afhankelijk van de wensen van de draagmoeder
op dit punt.
5.4. Europeesrechtelijke aspecten draagmoederschapsregeling
Vraag 102 en 103
De leden van de VVD-fractie vragen of het klopt dat de voorgestelde regeling niet
onder de notificatieplicht van de Dienstenrichtlijn valt? Tevens vragen zij of er
lidstaten zijn met een wettelijke regeling voor draagmoederschap die hier anders tegenaan
kijken en hun wettelijke regeling wel hebben genotificeerd bij de Europese Commissie,
omdat dat volgens deze lidstaten voortvloeit uit een notificatieplicht van deze richtlijn
of een notificatieplicht van andere richtlijnen.
Het kabinet meent dat draagmoederschap in de voorgestelde regeling niet kan worden
gekwalificeerd als een economische activiteit die tegen vergoeding wordt verricht
in de zin van artikel 57 VWEU en de Dienstenrichtlijn. Dit, omdat op grond van het
wetsvoorstel de financiële compensatie beperkt blijft tot het vergoeden van de kosten
en van inkomstenderving die met het draagmoederschap verband houden. Daarmee wordt
vermeden dat er financiële prikkels of voordelen voor potentiële draagmoeders zijn.
Voor zover bekend zijn geen landen die een wettelijke regeling voor draagmoederschap
hebben ertoe overgegaan deze te notificeren bij de Europese Commissie.
Europese richtlijn Mensenhandel
Vraag 104, 105 en 106
De leden van de SGP-fractie stellen vragen over de richtlijn «Preventing and combating
trafficking in human beings and protecting its victims», die recent in Europees verband
is aangenomen.
Artikel 2 van de genoemde EU-richtlijn91 heeft betrekking op mensenhandel en bevat geen verplichting om draagmoederschap op
zichzelf strafbaar te stellen. Anders dan de aan het woord zijnde leden menen is dit
wetsvoorstel dus niet in strijd met deze richtlijn. In situaties van draagmoederschap
kan alleen sprake zijn van mensenhandel in de zin van die richtlijn, wanneer iemand
opzettelijk een wettelijk omschreven beïnvloedingsmiddel gebruikt (bijvoorbeeld misbruik
van een kwetsbare positie) en diegene het oogmerk heeft om een ander in het kader
van haar draagmoederschap uit te buiten. Daarbij valt te denken aan het geval dat
iemand uit winstbejag, bijvoorbeeld iemand die het doel heeft om het kind na de geboorte
aan wensouders te verkopen, misbruik maakt van de situatie dat een vrouw in armoede
leeft door haar over te halen om tegen betaling draagmoeder te worden. Situaties van
uitbuiting van draagmoederschap kunnen overigens nu al onder het bereik van mensenhandel
vallen. De opsomming van specifieke vormen van uitbuiting in de strafbepaling van
mensenhandel (artikel 273 Sr) is immers niet uitputtend. Ter implementatie van de
herziene Europese richtlijn mensenhandel wordt – zonder dat verandering wordt gebracht
in de bestaande reikwijdte van de strafbaarstelling van mensenhandel – uitbuiting
van draagmoederschap expliciet toegevoegd aan artikel 273 Sr. Wanneer het draagmoederschapstraject
volgens de regels van dit wetsvoorstel wordt doorlopen, is geen sprake van opzettelijk
gebruik van een beïnvloedingsmiddel of het oogmerk van uitbuiting van draagmoederschap
en dus evenmin van mensenhandel.
Het wetsvoorstel waarborgt binnen Nederland en bevordert internationaal het recht
van de draagmoeder op bescherming tegen uitbuiting en andere vormen van dwang rond
draagmoederschap. Voorlichting en counseling van de wensouders zijn verplicht bij
binnenlandse en buitenlandse draagmoederschapstrajecten. Verder is juridische begeleiding
van de draagmoeder verplicht voor binnenlandse draagmoederschapstrajecten. Dit moet
de draagmoeder in staat stellen om vrij en geïnformeerd in te stemmen met het draagmoederschapstraject.
6. Strafrechtelijk kader draagmoederschap
6.1. Inleiding
Vraag 90, 91, 111, 112en 131
De leden van de GroenLinks-PvdA-, SP- en SGP-fractie hebben vragen over de reikwijdte
van de strafbaarstellingen.
Het voorgestelde strafrechtelijk kader voor betalingen bij de overdracht van ouderschap
en draagmoederschap bestaat uit twee onderdelen. De eerste strafbepaling ziet op betalingen
voor de overdracht van ouderschap (voorgesteld artikel 151ca Sr). In de context van
draagmoederschap gaat het hierbij om vergoedingen die enkel worden uitgekeerd nadat
een kind (gezond) ter wereld is gebracht en daadwerkelijk wordt overgedragen aan de
wensouders of betalingen die met dat doel zijn verricht en moeten worden terugbetaald
als dit uiteindelijk niet gebeurt. De uiteindelijke overdracht van het ouderschap
van het (gezonde) kind is met andere woorden een voorwaarde voor het doen van de betalingen.
Het kind wordt hiermee gereduceerd tot handelswaar. Dit is strijd met de fundamentele
rechten van een kind. Deze betalingen zijn daarom in geen geval toegestaan, niet bij
draagmoederschapstrajecten in Nederland en ook niet bij trajecten die Nederlanders
in het buitenland aangaan.
Betalingen die maandelijks of periodiek aan de draagmoeder worden gedaan en waarbij
de uitkomst van het traject er niet toe doet, bijvoorbeeld een onkostenvergoeding
voor het dragen van het kind, worden niet gedaan om het ouderschap van een kind te
verkrijgen in de zin van deze strafbepaling. Daarbij gaat het namelijk om een vergoeding
van kosten. Het doel van een draagmoederschapstraject is weliswaar steeds dat het
ouderschap van het kind wordt overgedragen aan de wensouders, maar dat dat uiteindelijk
ook gebeurt is bij onkostenvergoedingen geen voorwaarde. Dat is een wezenlijk verschil
tussen toelaatbare onkostenvergoedingen en niet-toelaatbare betalingen voor de overdracht
van het ouderschap van een kind. Dit kan worden geïllustreerd met het volgende voorbeeld.
Gedurende de zwangerschap krijgt de draagmoeder een maandelijkse uitkering voor het
dragen van het kind. Dit in verband met het ongemak dat zij vanwege de zwangerschap
ervaart. Uiteraard is de wens van alle betrokkenen dat de zwangerschap tot de geboorte
van een gezond kind leidt, maar dat is niet zeker op het moment dat de vergoedingen
worden uitgekeerd en dat doet er ook niet toe. Wat de uitkomst van de zwangerschap
ook is, de draagmoeder ervaart ongemak en daarvoor dient de onkostenvergoeding. Een
betaling die enkel wordt gedaan als de zwangerschap op de gewenste wijze eindigt en
waarvoor dus de overdracht van het ouderschap van een gezond kind een voorwaarde is,
is geen onkostenvergoeding voor de draagmoeder in verband met het dragen van het kind.
Een dergelijke betaling is dus in feite een betaling voor het kind. Om voornoemde
reden zijn deze betalingen onacceptabel.
De tweede strafbepaling betreft het meer geven of ontvangen voor het zijn van draagmoeder
dan de op grond van het voorgestelde artikel 1:215, eerste lid, onder f, BW bij amvb
vastgestelde maximale vergoeding (voorgesteld artikel 442b Sr). Deze amvb geldt in
geval van binnenlandse draagmoederschapstrajecten. De reden om bij amvb maximale vergoedingen
voor draagmoederschap in Nederland vast te stellen is dat, in lijn met het uitgangspunt
van de Staatscommissie Herijking ouderschap, geldelijk gewin niet de drijfveer mag
zijn van een draagmoeder, maar tegelijkertijd goed voor haar moet worden gezorgd.
Op basis van dit besluit kunnen in de praktijk heldere afspraken worden gemaakt over
te vergoeden kosten. Dit draagt niet alleen bij aan een zorgvuldig draagmoederschapstraject
zonder financiële risico’s voor de draagmoeder maar ook aan het tegengaan van het
risico dat geldelijk gewin een factor is bij de beslissing draagmoeder te worden.
Vergoedingen van in Nederland woonachtige wensouders aan draagmoeders in het buitenland
kunnen niet op eenzelfde wijze worden gemaximeerd. Dat hangt niet alleen samen met
het gegeven dat de kosten voor een draagmoederschapstraject sterk verschillen per
land, maar ook met de enorme verschillen die bestaan in (financiële) vangnetten die
nationale overheden aan hun burgers bieden. Deze strafbepaling ziet dan ook alleen
op betalingen bij binnenlandse trajecten die de vastgestelde maxima te boven gaan.
Deze bepaling kan van pas komen in gevallen waarin bekend wordt dat aan een draagmoeder
in Nederland te hoge vergoedingen worden gegeven.
Dit strafrechtelijk kader biedt wensouders duidelijkheid over betalingen die in het
kader van draagmoederschap en het overdragen van ouderschap wel en niet toelaatbaar
zijn.
In de consultatieversie van dit wetsvoorstel was een anders geformuleerde strafbaarstelling
opgenomen. Op grond van die bepaling was onder meer strafbaar het doen van giften
of beloften aan een vrouw met het oogmerk haar te bewegen draagmoeder te worden en
het doen van giften of beloften aan een ander met het oogmerk die ander te bewegen
om de verzorging en opvoeding van een kind duurzaam over te dragen. In verschillende
consultatieadviezen en -reacties is aangegeven dat onvoldoende duidelijk was wat strafbaar
was en wat een normale, redelijke en acceptabele vergoeding zou zijn. Naar aanleiding
van de ontvangen adviezen is de voorgestelde strafbaarstelling grondig herzien.
Een ander belangrijk signaal dat uit de consultatiereacties over de strafbaarstelling
naar voren is gekomen, is dat er op dit moment onvoldoende mogelijkheden zijn om op
te treden tegen tussenpersonen. Ook het openbaar ministerie (hierna: OM) heeft in
het consultatieadvies over de strafbaarstelling benadrukt dat de strafrechtelijke
aandacht (ook) uit zou moeten gaan naar de tussenpersoon.
De praktijk leert dat wensouders geregeld een draagmoederschap geheel of gedeeltelijk
in het buitenland vormgeven. Zij zijn in dat geval vaak afhankelijk van een tussenpersoon
of een organisatie die voor hen bemiddelt met een potentiële draagmoeder en assisteert
bij de juridische vormgeving van het ouderschap van de wensouders. Deze bemiddeling
kan bijdragen aan een zorgvuldig verloop van de procedure en de tussenpersoon kan
de betrokkenen goede voorlichting en begeleiding bieden. Anderzijds kan het feit dat
de wensouders afhankelijk kunnen zijn van de tussenpersoon of organisatie die de bemiddeling
uitvoert ook misbruik in de hand werken door de kwetsbare positie van de wensouders
en/of draagmoeder. Dat is nu zo en dat zal onder de voorgestelde regeling niet anders
zijn.
Ten aanzien van de strafbare betalingen voor de overdracht van het ouderschap van
een kind kunnen tussenpersonen een sterk bevorderende en vergemakkelijkende rol vervullen.
Vanwege hun positie als bemiddelaar waarbij veel invloed kan worden uitgeoefend op
de afspraken die met ouders en draagmoeders worden gemaakt, kunnen zij er bovendien
voor zorgen dat een «markt» ontstaat waarin betalen voor de overdracht van het ouderschap
over een kind praktijk is. Dat maakt dat – al dan niet commerciële – tussenpersonen
die wensouders opzettelijk behulpzaam zijn bij het betalen voor de overdracht van
het ouderschap van een kind op dezelfde wijze moeten kunnen worden bestraft als de
wensouders. Mede naar aanleiding van de consultatieadviezen is daarom een tweede lid
aan artikel 151ca Sr toegevoegd, op grond waarvan degene die een ander opzettelijk
als medeplichtige terzijde staat bij het geven van een betaling voor de overdracht
van het ouderschap van een kind hiervoor met dezelfde straf kan worden bestraft. Het
wetsvoorstel heeft daarmee ook betrekking op tussenpersonen.
Als in het buitenland buiten medeweten van de in Nederland woonachtige wensouders
betalingen worden gedaan door in het buitenland woonachtige of gevestigde tussenpersonen,
geldt ten aanzien van de wensouders dat geen sprake is van strafbaarheid op grond
van het voorgestelde artikel 151ca Sr. De wensouders doen in dat geval immers geen
betaling aan een draagmoeder of tussenpersoon om het ouderschap van een kind te verkrijgen.
De buitenlandse tussenpersoon kan in Nederland ook niet worden vervolgd voor betalingen
die in het buitenland worden gedaan. Dit laat onverlet dat wensouders ervoor verantwoordelijk
zijn te kiezen voor een zorgvuldig traject en dus ook worden geacht alert te zijn
op eventuele gedragingen van de tussenpersoon die erop zijn gericht de draagmoeder
te bewegen draagmoeder te worden of een kind over te dragen, bijvoorbeeld door substantiële
geldbedragen aan de draagmoeder te betalen.
Voor wat betreft de in de consultatie gedane suggestie om het onrechtmatig verkrijgen
van kinderen strafbaar te stellen wordt nog het volgende opgemerkt. Deze suggesties
is aldus begrepen dat het verkrijgen van het ouderschap in strijd met de daarvoor
geldende voorschriften, strafbaar zou moeten worden gesteld. Hierbij kan worden gedacht
aan illegale adoptie vanuit het buitenland – in strijd met de voorschriften in de
Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) – wat op grond van de huidige
Wobka al strafbaar is. Anders dan bij interlandelijke adoptie bestaat er voor draagmoederschap
geen dwingend wettelijk kader. Met dit wetsvoorstel wordt een maatstaf voor verantwoord
draagmoederschap neergelegd, waarvan wensouders zich rekenschap behoren te geven bij
de keuze voor een draagmoederschapstraject in het binnenland zowel als in het buitenland.
Als de in dit wetsvoorstel voorgestelde regeling niet wordt gevolgd, betekent dat
nog niet automatisch dat sprake is van onrechtmatige verkrijging van een kind. Een
strafbaarstelling gekoppeld aan het begrip «onrechtmatig verkrijgen van kinderen»
zou daarmee onvoldoende duidelijkheid bieden over wat strafbaar is en daardoor niet
voor alle situaties een oplossing bieden. Naar het oordeel van het kabinet moet het
betalen voor de overdracht van het ouderschap van een kind in ieder geval strafbaar
zijn omdat dit in strijd is met de fundamentele rechten van het kind. Daarbij maakt
het niet uit of sprake is van draagmoederschap of adoptie en of dit in Nederland gebeurt
of daarbuiten. Daarom heeft het voorgestelde artikel 151ca Sr betrekking op het betalen
voor de overdracht van het ouderschap van een kind, en wordt aan die bepaling extraterritoriale
werking gegeven. De voorgestelde strafbaarstelling is daarmee in lijn met de wens
van het OM uit de sfeer van draagmoederschap gehaald.
Vraag 137
De leden van de Volt-fractie vragen in hoeverre de sociaaleconomische status van draagmoeders
(zowel uit binnen- en buitenland) als grond meegewogen wordt in strafbepalingen.
In de twee strafbepalingen die zijn opgenomen in dit wetsvoorstel – artikel 151ca
Sr dat ziet op het betalen voor de overdracht van een kind en artikel 442b Sr dat
betrekking heeft op het meer betalen of ontvangen voor draagmoederschap dan de bij
amvb vastgestelde vergoedingen – is een bepaalde sociaaleconomische positie van de
draagmoeder geen voorwaarde voor strafbaarheid. Voor artikel 442b Sr is de sociaaleconomische
status van de draagmoeder evenmin relevant: de maximale vergoedingen zijn bij amvb
bepaald en die zijn niet afhankelijk van de financiële situatie van de draagmoeder.
Bij artikel 151ca Sr zal het oogmerk van de wensouders bij het geven of beloven van
betalingen of voordelen aan een draagmoeder in sommige gevallen moeten worden afgeleid
uit de omstandigheden van het geval. In dergelijke gevallen kan onder meer de hoogte
van de (beloofde) betalingen of waarde van de (beloofde) voordelen van belang zijn.
Dit kan immers relevant zijn voor de beoordeling in hoeverre de betaling of het voordeel
geschikt is om daarmee het gewenste ouderschap van een kind te verwerven. De kosten
voor levensonderhoud in het desbetreffende land kunnen daarbij een rol spelen. In
landen waar de kosten voor levensonderhoud relatief laag zijn zal een betaling of
voordeel bijvoorbeeld eerder als hoog of waardevol kunnen worden aangemerkt. Als het
– ook naar lokale standaarden – om een relatief laag bedrag gaat, zoals het trakteren
op een etentje in een restaurant, zal dat niet voldoende zijn om iemand te bewegen
het ouderschap over te dragen. Het oogmerk van de wensouders zal daar in die gevallen
dan ook niet op zijn gericht.
Vraag 96, 97, 117, 125, 128, 129, 130 en 133
De leden van de GroenLinks-PvdA-, D66-, BBB- en CDA-fractie hebben vragen over de
handhaafbaarheid en de reacties in de consultatieadviezen op de strafbaarstellingen.
Verschillende organisaties, waaronder het OM, de politie en de NOvA, hebben naar aanleiding
van de consultatie van de strafbaarstelling erop gewezen dat het opsporen van de strafbaar
gestelde gedragingen niet eenvoudig zal zijn. Hoewel naar aanleiding van de ontvangen
adviezen het strafrechtelijk kader grondig is herzien, geldt ook voor de nu voorgestelde
strafbaarstellingen dat opsporing en vervolging lastig zal zijn. Geen van de betrokken
partijen heeft immers baat bij het melden of prijsgeven van informatie over gegeven
of beloofde betalingen. Dit zal des te meer gelden in het geval van draagmoederschapstrajecten
in landen waarin deze gedragingen niet strafbaar zijn. Hierbij geldt tevens dat opsporing
en vervolging bij buitenlandse trajecten zowel vanwege logistieke aspecten als vanwege
de afhankelijkheid van medewerking van de buitenlandse autoriteiten aan het onderzoek
nog lastiger zullen zijn. Dit vormt echter geen reden om van strafbaarstelling af
te zien. Integendeel, normstelling op dit gevoelige terrein wordt juist om principiële
redenen van belang geacht. Voor wensouders die hun kinderwens willen realiseren moet
duidelijk zijn dat de fundamentele rechten van het kind dienen te worden gerespecteerd.
Met deze strafbaarstelling wordt daarover een duidelijk signaal afgegeven. Daarbij
is wenselijk dat strafrechtelijk optreden mogelijk is in die gevallen waarin informatie
over misstanden beschikbaar is.
Om te bevorderen dat in de gevallen waarin signalen van misstanden bij politie of
OM terechtkomen daar ook gevolg aan kan worden gegeven, wordt voorgesteld het betalen
voor de overdracht van het ouderschap van een kind aan te merken als een feit waarvoor
voorlopige hechtenis is toegelaten. Hierdoor kunnen in het belang van het onderzoek
bijzondere opsporingsbevoegdheden, zoals het vorderen van gegevens bij derden (artikel
126nd Sv), worden toegepast. Zo kunnen in Nederland gegevens worden opgevraagd, bijvoorbeeld
over gedane of ontvangen betalingen. Als bewijsmateriaal kunnen bijvoorbeeld dienen
overeenkomsten, bankafschriften en verklaringen van de tussenpersoon en de wensouders.
Het is ook denkbaar dat de draagmoeder zich tot de politie wendt als een betaling
niet wordt gedaan omdat het kind niet gezond ter wereld is gekomen. Als het gaat om
buitenlandse draagmoederschapstrajecten is Nederland, zoals hiervoor al aan de orde
gekomen, afhankelijk van de medewerking van buitenlandse autoriteiten aan rechtshulpverzoeken.
Als deze gedraging in het desbetreffende land niet strafbaar is, is het waarschijnlijk
dat de buitenlandse autoriteiten aan dergelijke verzoeken niet meewerken. In dat geval
zal het lastig kunnen zijn om handhavend op te treden.
6.2. Strafbaarstelling betalen overdracht ouderschap
Vraag 118, 119, 120 en 136
De leden van de VVD- en Volt-fractie hebben vragen over het voorgestelde strafmaximum.
In de consultatieversie van de voorgestelde strafbaarstelling was op het doen van
een gift of belofte of het verlenen van een dienst met het oogmerk een vrouw te bewegen
draagmoeder te zijn van een kind of iemand te bewegen een kind af te staan om de verzorging
en opvoeding van dat kind duurzaam aan een ander over te laten, een maximale gevangenisstraf
gesteld van een jaar. Deze maximumstraf was gelijk aan de maximumstraf die in artikel
151b Sr is gesteld op het in beroep en bedrijf teweegbrengen of bevorderen dat draagmoederschap
tot stand komt. In de consultatiereacties met betrekking tot deze strafbaarstelling
kwam naar voren dat deze strafmaat als te laag werd beoordeeld. Ook werd de strafbaar
te stellen gedraging niet van gelijke ernst geacht als die van het beroepsmatig bemiddelen
voor draagmoederschap. Naar aanleiding van deze adviezen is de strafbaarstelling aangepast
en is het strafmaximum verhoogd naar vier jaar gevangenisstraf of geldboete van de
vierde categorie in de versie van het wetsvoorstel waarover de Raad van State advies
heeft uitgebracht. Hiermee werd, conform de wens van het OM en de politie, toepassing
van bijzondere opsporingsbevoegdheden mogelijk voor de opsporing van dit delict. Daarnaast
is een aparte strafbaarstelling toegevoegd voor het meer geven of ontvangen voor het
zijn van draagmoeder dan de op grond van het voorgestelde artikel 1:215, eerste lid,
onder f, BW bij amvb vastgestelde maximale vergoeding (voorgesteld artikel 442b Sr).
Voor deze overtreding zou een geldboete van de derde categorie kunnen worden opgelegd.
De Afdeling adviseerde de verhouding tussen de twee nieuw in het wetsvoorstel voorgestelde
strafbaarstellingen en in het bijzonder de daarbij gekozen strafmaxima nader te motiveren
en het voorstel zo nodig aan te passen. Naar aanleiding van dit advies is «het strafgat»
tussen het voorgestelde artikel 442b Sr en het voorgestelde artikel 151ca Sr verkleind.
Vanuit een moreel en juridisch oogpunt zijn er weliswaar duidelijke verschillen in
laakbaarheid en strafwaardigheid aan te wijzen die een afwijkende strafmaat en classificatie
rechtvaardigen. Maar deze verschillen lopen naar het oordeel van het toenmalige en
huidige kabinet inderdaad niet dermate uiteen dat zij het verschil in de in het oorspronkelijke
voorstel opgenomen strafmaxima in onderlinge samenhang bezien kunnen rechtvaardigen.
Dit komt ook omdat de gedragingen, los van het oogmerk van degene die de betaling
doet, strikt genomen hetzelfde kunnen behelzen en beiden het risico van beïnvloeding
van de draagmoeder in zich dragen. Daarom is naar aanleiding van het advies van de
Afdeling ervoor gekozen de strafpositie voor het voorgestelde artikel 151ca Sr te
bepalen op ten hoogste twee jaren gevangenisstraf of geldboete van de vierde categorie
en die voor de in het voorgestelde artikel 442b Sr strafbaar gestelde gedraging te
stellen op ten hoogste zes maanden hechtenis of geldboete van de derde categorie.
Het strafmaximum van twee jaar gevangenisstraf wordt passend geacht voor het voorgestelde
artikel 151ca Sr gelet op de ernst van dit delict. De verwachting is dat hiervan een
afschrikwekkende werking uitgaat en dat dit eraan bijdraagt dat bij de vervulling
van een kinderwens wordt gekozen voor een procedure waarbij het belang van het kind
centraal staat. Dit is een nuttige aanvulling op bestaande strafbepalingen uit het
Wetboek van Strafrecht, zoals de strafbaarstelling van mensenhandel in artikel 273f
Sr. Het strafmaximum in het voorgestelde artikel 151ca Sr is hoger dan de maximumstraf
die in artikel 151b Sr is gesteld op het in beroep en bedrijf teweegbrengen of bevorderen
dat draagmoederschap tot stand komt, maar aanzienlijk lager dan dat voor mensenhandel
(artikel 273f Sr). Aansluiting bij dat delict ligt gelet op de aard van de gedraging
niet voor de hand. Voor strafbaarheid wegens mensenhandel is het oogmerk van uitbuiting
vereist. Van het oogmerk om het betrokken kind uit te buiten, is bij de overname van
de zorg voor een kind voor gezinsvorming doorgaans echter juist geen sprake. De wensouders
hebben in vrijwel alle gevallen de intentie om goed voor het kind te zorgen. Wensouders
gaan mogelijk te ver bij het realiseren van hun kinderwens door een bedrag te bieden
voor het overdragen van het ouderschap van een kind. Bestraffing daarvan moet mogelijk
zijn omdat de menselijke waardigheid van het kind hierdoor in het gedrang kan komen,
maar het betalen voor de overdracht van het ouderschap van een kind kan geenszins
met mensenhandel op een lijn worden gesteld. Zouden de wensouders wel het oogmerk
hebben het kind uit te buiten, dan valt die aanmerkelijk ernstiger situatie onder
het bereik van mensenhandel (artikel 273f, eerste lid, onderdeel 2°, Sr). Ook in het
geval sprake is van het oogmerk van uitbuiting van de draagmoeder, bijvoorbeeld in
de situatie dat zij tot die dienstverlening wordt gedwongen, kan een dergelijke situatie
al vallen onder het bereik van mensenhandel in de zin van artikel 273f, eerste lid,
onderdeel 1°, Sr. Ter implementatie van de herziene Europese Richtlijn inzake de bestrijding
en voorkoming van mensenhandel wordt uitbuiting van draagmoederschap expliciet toegevoegd
aan artikel 273f Sr.
Extraterritoriale werking
Alvorens de vragen te beantwoorden die samenhang met de extraterritoriale werking
van de strafbepaling, licht ik graag eerst nader toe waarom ervoor is gekozen de strafbaarstelling
van het betalen voor de overdracht van het ouderschap van een kind extraterritoriale
werking te geven. Als dit wetsvoorstel in werking is getreden blijft het mogelijk
te kiezen voor een draagmoederschapstraject in het buitenland. Dat van een buitenlandse
route gebruik wordt gemaakt valt ook niet te voorkomen. Wel is het van belang dat
dan rekening wordt gehouden met de belangrijkste uitgangspunten van de Nederlandse
regeling en uiteraard ook dat de fundamentele rechten van het kind worden gerespecteerd.
Het is in strijd met de menselijke waardigheid van het kind als het tot handelswaar
wordt gereduceerd. Het betalen voor de overdracht van het ouderschap van een kind
wordt daarom in geen geval acceptabel geacht, ongeacht of dit in Nederland dan wel
in het buitenland gebeurt. Om die reden is ervoor gekozen de strafbaarstelling van
het betalen voor de overdracht van het ouderschap van een kind extraterritoriale werking
te geven.
Vraag 121, 122 en 134
De leden van de GroenLinks-PvdA- en VVD-fractie hebben vragen over de inspanningen
van de Nederlandse overheid in het kader van rechtshulpverzoeken en de justitiële
samenwerking in dat verband.
In gesprekken over rechtshulpverzoeken, rechtshulpverdragen en justitiële samenwerking
in strafzaken wordt in beginsel uitgegaan van de rechtsorde in de betrokken landen.
Deze gesprekken lenen zich er niet voor om onderwerpen zoals draagmoederschap te bespreken.
Zolang er geen overeenstemming is over hetgeen in dit kader wel en niet toelaatbaar
is, en de gedragingen die met dit wetsvoorstel in Nederland strafbaar worden gesteld
in het desbetreffende land niet strafbaar zijn, zal dat land veelal niet bereid zijn
mee te werken aan rechtshulpverzoeken.
Internationaal is er tussen de staten die partij zijn bij het IVRK weliswaar overeenstemming
over het feit dat verkoop van of de handel in kinderen voor welk doel ook, moet worden
bestreden (artikel 35 IVRK en het Facultatief Protocol inzake de verkoop van kinderen,
kinderprostitutie en kinderpornografie), maar er is geen consensus over hetgeen wel
en niet toelaatbaar is in het kader van draagmoederschapstrajecten. Zoals in antwoord
op voorgaande vragen gemeld wordt in het kader van de HccH wel gesproken over knelpunten
en oplossingen rondom de erkenning van ouderschap, waaronder internationaal draagmoederschap.92 In Europees verband wordt verder over een zogenoemde Ouderschapsverordening gesproken.
Ouderschap ontstaan na draagmoederschap wordt door Nederland betrokken in de besprekingen
hierover. Besprekingen over dit onderwerp blijken lastig, omdat landen hier zeer verschillend
naar kijken. Desondanks zet Nederland zich ervoor in om in internationaal verband
hierover tot afspraken te komen.
Vraag 123 en 132
De leden van de CDA-fractie lezen dat het mogelijk wordt om Nederlandse wensouders
die in het buitenland de in artikel 151ca Sr strafbaar gestelde gedragingen begaan,
in Nederland te vervolgen. De voornoemde leden vragen de regering in te gaan op de
feitelijke situatie dat de vergoedingen veel meer bedragen dan een onkostenvergoeding.
Zij vragen of de regering kan aangeven op welke wijze zij commercieel draagmoederschap
in het buitenland uitsluit. De leden van de GroenLinks- PvdA-fractie lezen dat het
bij draagmoederschapstrajecten toegestaan blijft een vergoeding aan de draagmoeder
te betalen voor onkosten, en dat de hoogte van deze vergoeding per land kan verschillen.
Deze leden vragen hoe de regering erop toeziet dat deze vergoede onkosten redelijk
zijn, afhankelijk van de context van het desbetreffende land, en hoe de regering zorg
draagt dat draagmoeders hier niet toch in de verleiding komen om commerciële redenen
draagmoeder te worden voor wensouders uit een kapitaalkrachtig land als Nederland.
Met het voorgestelde artikel 151ca Sr wordt strafbaar gesteld – kort gezegd – het
doen van betalingen voor de overdracht van het ouderschap van een kind. Het feit dat
een onkostenvergoeding die aan een draagmoeder in het buitenland wordt gegeven (te)
hoog is, betekent niet automatisch dat sprake is van een betaling voor de overdracht
van het ouderschap van het kind. Als in het buitenland sprake zou zijn van een hoge
onkostenvergoeding, leidt dit daarmee dus niet zonder meer tot strafbaarheid op grond
van de voorgestelde strafbepalingen.
Wat in een voorkomend geval in het buitenland een redelijke onkostenvergoeding is,
is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Relevant is hoe hoog de vergoeding
aan de draagmoeder mag zijn voor onkosten op grond van de betreffende nationale wet-
en regelgeving. De hoogte van deze vergoeding kan per land verschillen. Ook zijn de
hoogte van medische of juridische kosten in het desbetreffende land van belang. En
tevens welke kosten aldaar van overheidswege worden vergoed. Daarbij speelt, naast
de individuele omstandigheden van de draagmoeder, ook de levensstandaard in het betreffende
land een rol.
De Nederlandse overheid kan niet voorkomen dat buitenlandse draagmoeders (uitsluitend)
vanwege financiële redenen kiezen voor het draagmoederschap. Daar ligt vooral een
verantwoordelijkheid voor de wensouders, die veelal contact zullen hebben met de draagmoeder.
In de te volgen voorlichting en counseling die in het wetsvoorstel als voorwaarden
worden gesteld voor erkenning van rechtswege van ouderschap na buitenlands draagmoederschap,
zullen wensouders ook worden gewezen op hun verantwoordelijkheid en op het belang
van de vrijwillige deelname van de draagmoeder aan het traject. Onderdeel daarvan
is dat zij niet uitsluitend vanwege financiële redenen dit traject aangaat. In het
wetsvoorstel voor erkenning van rechtswege van het ouderschap dat is ontstaan na buitenlands
draagmoederschap is ook de voorwaarde opgenomen van een rechterlijke toets in het
buitenland. Als in de procedure in het buitenland een rechter is betrokken, wordt
aangenomen dat deze de vrije instemming van alle betrokkenen heeft bezien.
Vraag 135
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of zij het juist zien dat
het zeer lastig is om te voorkomen dat rechtstreeks dan wel via het bemiddelingsbureau
alsnog wordt betaald voor de overdracht van ouderschap, mogelijk zelfs ook zonder
medeweten van de wensouders.
Zoals hiervoor in paragraaf 6.1. Inleiding aan de orde is gekomen zal de opsporing
en vervolging bij betaling voor de overdracht van ouderschap, met name in gevallen
waarin deze gedraging in het desbetreffende land niet strafbaar is, inderdaad niet
eenvoudig zijn. Wensouders zouden in de draagmoederschapsovereenkomst een bepaling
kunnen laten opnemen dat er geen betaling voor de overdracht van ouderschap mag plaatsvinden.
Echter, ook daarvoor geldt dat controle op de naleving daarvan niet altijd eenvoudig
zal zijn.
6.3. Strafbaarstelling hogere vergoeding aan draagmoeder
Vraag 141
De leden van de fractie van D66 vragen of de regering een verdere toelichting kan
bieden op het strafmaximum in het voorgestelde artikel 442b Sr.
De leden van de fractie van de VVD hebben een vergelijkbare vraag gesteld over het
strafmaximum in het voorgestelde artikel 151ca Sr. In antwoord daarop is aangegeven
dat de Afdeling in het advies over het wetsvoorstel opmerkingen heeft gemaakt over
het onderscheid tussen de twee strafbepalingen en het strafmaximum in beide bepalingen.
Daarbij is ook toegelicht waarom dit advies aanleiding heeft gegeven de strafmaat
in beide bepalingen aan te passen. De strafpositie voor de in het voorgestelde artikel
442b Sr strafbaar gestelde gedraging is gesteld op ten hoogste zes maanden hechtenis
of geldboete van de derde categorie. Dit strafmaximum is passend gezien de aard van
de in het voorgestelde artikel 442b Sr strafbaar gestelde gedraging. Het gaat daarbij
om het niet naleven van de in Nederland gestelde norm met betrekking tot vergoedingen
voor draagmoederschap. Op grond van deze bepaling is het niet toegestaan de draagmoeder
een hogere vergoeding toe te kennen dan de bij amvb vastgestelde vergoeding. Voor
wensouders en draagmoeders kan de voorgestelde strafbaarstelling zowel een normerend
als een afschrikwekkend effect hebben doordat zowel hechtenis als een geldboete kan
worden opgelegd.
6.4. Versoepeling bemiddelingsverbod
Vraag 89, 150 en 192
De leden van de BBB-, SP- en de Volt-fractie hebben vragen over het opheffen van het
verbod tot openbaarmaking van de wens om zelf draagmoeder te worden of een draagmoeder
te vinden.
De strafbaarstelling van de openbaarmaking van de wens zelf draagmoeder te worden
of zelf een draagmoeder te vinden, verhoudt zich niet met een regeling voor niet commercieel
draagmoederschap, waarbij draagmoeders en wensouders elkaar moeten kunnen vinden.
Indien iemand om altruïstische redenen draagmoeder wil worden, valt niet in te zien
waarom zij dat niet kenbaar zou mogen maken. Dat geldt evenzeer voor het uiten van
de kinderwens door wensouders. Daarom wordt voorgesteld om de strafbaarstelling van
de openbaarmaking van de wens zelf draagmoeder te worden of zelf een draagmoeder te
vinden te schrappen (zie de voorgestelde wijziging van artikel 151b, tweede lid, Sr).
Dat betekent dat personen die draagmoeder willen zijn dan wel een draagmoeder voor
zichzelf zoeken, die wens openlijk kunnen uiten. Dat kan op allerlei manieren, bijvoorbeeld
door een oproep te plaatsen op social media, plaatsing van een interview met een oproep
in de (plaatselijke) krant, een oproep via de lokale media e.d. De wet stelt geen
specifieke eisen of beperkingen aan het openbaar maken van genoemde wens. Bemiddeling
door anderen, niet zijnde aangewezen rechtspersonen, voor wensouders of draagmoeders
blijft wel strafbaar. Op die manier wordt beoogd te voorkomen dat er een markt ontstaat.
Daarbij worden de betalingen bij draagmoederschap in Nederland gemaximeerd, waarmee
eveneens wordt beoogd marktwerking tegen te gaan. Hier zal expliciet naar worden gekeken
bij de in het wetsvoorstel opgenomen wetsevaluatie.
Een van de redenen om voor een buitenlands draagmoederschapstraject te kiezen, kan
zijn het kunnen vinden van een draagmoeder. Met het schrappen van de strafbaarstelling
van de openbaarmaking van de wens zelf draagmoeder te worden of zelf een draagmoeder
te vinden zullen wensouders mogelijk vaker voor een traject in Nederland kiezen. In
het WODC-onderzoek 2024 wordt met name het ontbreken van wet- en regelgeving in Nederland
omtrent juridisch ouderschap door betrokkenen genoemd als argument om te kiezen voor
een buitenlands traject.93 Hieruit kan worden opgemaakt dat wet- en regelgeving op het gebied van draagmoederschap
in Nederland juist een drempel zou wegnemen om te kiezen voor een binnenlands traject.
Vraag 142
De leden van de VVD-fractie vragen of het klopt dat er ingevolge het nieuwe artikel
215 van Boek 1 BW straks bij amvb of ministeriële regeling in dit kader wel voorwaarden
worden gesteld aan de bemiddeling bij draagmoederschap.
Deze leden verwijzen naar de mogelijkheid op grond waarvan voor beroepsmatig niet-commerciële
bemiddeling in Nederland door de verantwoordelijke bewindspersoon ontheffing kan worden
verleend aan één of meer rechtspersonen. In voorgesteld artikel 151b, vierde lid,
Sr wordt een mogelijkheid van een vrijstelling gecreëerd voor bevordering en bemiddeling
bij draagmoederschap door rechtspersonen die hiertoe door de Minister zijn aangewezen.
Voorgesteld artikel 1:215, tweede lid, BW biedt inderdaad een mogelijkheid om bij
amvb of bij de aanwijzing van een rechtspersoon voorwaarden te stellen aan de bemiddeling.
Vraag 143
De leden van de VVD-fractie vragen wie toezicht houdt op de naleving van de regels
omtrent de bemiddeling bij draagmoederschap.
Het is de bedoeling dat het toezicht zal worden uitgevoerd door één van de rijksinspecties.
Tot nu toe zijn daartoe oriënterende gesprekken gevoerd met de Inspectie Justitie
en Veiligheid en de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed. Deze gesprekken waren
breed en zagen niet alleen op toezicht op de bemiddeling bij draagmoederschap. Er
zal ook nog in gesprek worden gegaan met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Welke
inspectie het toezicht op de bemiddeling zal gaan uitoefenen, is op dit moment nog
niet duidelijk. Op het moment dat hierover meer duidelijkheid bestaat zal ik uw Kamer
hierover informeren.
Vraag 144, 145 en 146
De leden van de VVD-fractie vragen waar wensouders terecht kunnen als zij klachten
hebben over de rechtspersoon die met een ontheffing van de Minister bemiddelt. Deze
leden vragen verder aan welke kwaliteitseisen rechtspersonen moeten voldoen die een
ontheffing willen krijgen. Ook vragen deze leden welke procedures gevolgd moeten worden
als er conflicten ontstaan tussen bemiddelingsbureaus en wensouders.
Ik zeg u graag toe dat deze onderwerpen in het besluit een plek zullen krijgen. Bij
amvb zullen nadere eisen worden gesteld voor de bemiddelingsorganisatie. Die amvb
is nog in voorbereiding. De kwaliteitseisen en klachtenprocedure worden terecht genoemd
als belangrijke punten bij de ontwikkeling van de amvb.
Vraag 147
De leden van de fractie van de VVD vragen of het klopt dat de rechtspersoon en diens
bestuurders kunnen worden vervolgd bij signalen van commerciële bemiddeling binnen
Nederland?
In het wetsvoorstel is bepaald dat bemiddeling voor draagmoederschap in Nederland
enkel is toegestaan door een daartoe aangewezen rechtspersoon (artikel 151b, vierde
lid, Sr). Aangewezen rechtspersonen zijn niet strafbaar als zij teweegbrengen of bevorderen
dat een draagmoeder of een vrouw die draagmoeder wenst te worden, met een ander onderhandelt
of een afspraak maakt om draagmoeder te worden (artikel 151b, eerste lid, Sr). Zij
zijn ook niet strafbaar indien zij deze diensten in het openbaar aanbieden (artikel
151b, tweede lid, onderdeel a, Sr) of openbaar maken dat een vrouw draagmoeder wil
worden of dat een draagmoeder wordt gezocht (artikel 151b, tweede lid, onderdeel b,
Sr). Als anderen, waaronder niet aangewezen rechtspersonen, (commercieel) bemiddelen
voor draagmoederschap is dat strafbaar op grond van artikel 151b Sr. Rechtspersonen
kunnen voor deze gedraging worden vervolgd als deze aan de rechtspersoon kan worden
toegerekend (artikel 51 Sr). Dat geldt dan ook voor de opdrachtgever en degene die
feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging. Dat kan bijvoorbeeld een
bestuurder zijn die het personeel heeft opgedragen te onderhandelen voor draagmoeders
en wensouders of die anderszins heeft bepaald dat de activiteiten van de rechtspersoon
daarop zijn gericht.
Vraag 148 en 149
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering nader kan ingaan op de suggestie
van een aantal geconsulteerde partijen om het bemiddelingsverbod van artikel 151b
Sr extraterritoriale werking te geven, zodat buitenlandse tussenpersonen die de wet
overtreden ook in Nederland kunnen worden vervolgd. Deze leden delen in zoverre de
stelling van de regering dat bij niet-Nederlandse tussenpersonen in het buitenland
niet veel van het Nederlandse strafrecht kan worden verwacht. Toch zou dat wat deze
leden betreft ook een afweging kunnen zijn voor het OM. Gelet op het opportuniteitsbeginsel
kan het OM altijd zelf een afweging maken. Indien er één buitenlandse tussenpersoon
herhaaldelijk het Nederlandse bemiddelingsverbod overtreedt en er geen andere strafbepalingen
zijn op grond waarvan de tussenpersoon kan worden vervolgd, kan het volgens deze leden
als vangnetbepaling logisch zijn om extraterritoriale werking te geven aan artikel
151b Sr. Deze leden menen dat hier ook een zekere afschrikwekkende werking vanuit
zou kunnen gaan. Hoe ziet de regering dit?
De Nederlandse strafwet is van toepassing op een ieder die zich in Nederland aan enig
strafbaar feit schuldig maakt (artikel 2 Sr), daarbij maakt het niet uit of de betrokkene
Nederlander is of niet. Als niet-Nederlandse tussenpersonen in Nederland bemiddelen
voor draagmoederschap terwijl zij daartoe niet zijn aangewezen (zie ook het antwoord
op voorgaande vraag van de leden van de fractie van de VVD), kunnen zij daarvoor dus
worden vervolgd.
De Nederlandse strafwet is in bepaalde gevallen ook van toepassing op de Nederlander
die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse wet
als misdrijf wordt beschouwd (artikel 7 Sr). 94 Dat geldt in ieder geval voor de feiten waarop door de wet van het land waar het
is begaan straf is gesteld (artikel 7, eerste lid, Sr). Als Nederlanders bemiddelen
in landen waar daarop ook straf is gesteld, kan daarvoor in Nederland dus vervolging
worden ingesteld. In artikel 7, tweede lid, Sr is daarnaast een aantal misdrijven
genoemd waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt. Om die principiële
eis van dubbele strafbaarheid los te kunnen laten moet aan drie voorwaarden zijn voldaan:
in de praktijk moet komen vast te staan dat het ontbreken van dubbele strafbaarheid
aan vervolging in Nederland in de weg zou staan, terwijl die vervolging niettemin
wenselijk is; de aard van het desbetreffende feit geeft daartoe aanleiding omdat het
onbestraft laten van Nederlanders die deze feiten plegen, in strijd zou zijn met de
Nederlandse rechtsorde; en het gaat om feiten die niet alleen in Nederland, maar ook
in veel landen als ernstige strafbare feiten worden aangemerkt.
De opvattingen over bemiddeling bij draagmoederschap verschillen sterk per land: in
veel landen is dit (onder voorwaarden) toegestaan terwijl het in andere landen is
verboden. In sommige landen is het starten van een draagmoederschapstraject zonder
bemiddeling zelfs niet mogelijk. Dit wetsvoorstel maakt mogelijk dat in Nederland
kan worden bemiddeld door een door de verantwoordelijke bewindspersoon daartoe aangewezen
rechtspersoon. Hoewel tussenpersonen een zeer kwalijke rol kunnen vervullen in draagmoederschapstrajecten,
hoeven de fundamentele rechten van het kind niet in het geding te komen enkel doordat
er bemiddeling plaatsvindt. In Nederland wordt strafbaarstelling van bemiddeling door
anderen dan aangewezen rechtspersonen weliswaar onwenselijk geacht maar er kan niet
worden gesteld dat het onbestraft laten van Nederlanders die dit in het buitenland
doen in strijd zou zijn met de Nederlandse rechtsorde. Aan de voorwaarden voor het
loslaten van de eis van dubbele strafbaarheid is in dit geval dus niet voldaan.
Het toevoegen van artikel 151b Sr aan artikel 7, tweede lid, Sr zou overigens ook
geen oplossing bieden voor de door de leden van de fractie van de VVD geschetste situatie
als de gestelde vraag zo moet worden begrepen dat deze ziet op buitenlandse tussenpersonen
die in het buitenland het Nederlandse bemiddelingsverbod overtreden. Het geven van
extraterritoriale werking van artikel 151b Sr zou er namelijk toe leiden dat Nederlanders
die dit misdrijf in het buitenland begaan daarvoor in Nederland kunnen worden vervolgd.
Buitenlandse tussenpersonen die deze gedraging in het buitenland begaan zouden hierdoor
in Nederland evengoed niet kunnen worden vervolgd.
7. Overige onderdelen
7.1. Draagmoederschapsregister
Vraag 151 en 152
De leden van de D66-fractie hebben vragen over de leeftijdsgrens in het voorgestelde
artikel 1:224 BW. De leeftijdsgrens van zestien jaar sluit volgens deze leden niet
aan bij het doel van het register dat het kind toegang moet hebben tot de informatie,
aangezien kinderen onder de zestien afhankelijk zijn van hun wettelijk vertegenwoordiger.
Deze leden vragen de regering hierop te reflecteren. Is de regering bereid om de leeftijdsgrens
te laten vervallen? Zo nee, wat zijn de bezwaren van de regering hiertegen? Kan de
regering bij haar antwoorden de resultaten uit het onderzoek «Zorgvuldigheid in de
omgang met leeftijdsgrenzen in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting» betrekken,
waarin voor donorinformatie werd geadviseerd de leeftijdsgrenzen te laten vervallen?
Op 4 november 2024 heeft de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport zijn reactie
naar de Tweede Kamer verzonden op de vragen die gesteld zijn in het Verslag van het
Schriftelijk overleg over de Kamerbrief van 20 juni 2023 inzake «Reactie op het onderzoeksrapport
Zorgvuldigheid in de omgang met leeftijdsgrenzen in de Wet donorgegevens kunstmatige
bevruchting».95 Op 11 december 2024 heeft over dit onderwerp een tweeminutendebat plaatsgevonden.
De motie-Bevers c.s., die tijdens dit debat is ingediend, over «de leeftijdsgrenzen
in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting niet aanpassen totdat meer inzicht
is verkregen in de ervaring en behoeften van betrokkenen» is op 17 december 2024 door
de Kamer aangenomen.96
De Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport heeft in een brief van 31 maart
2025 beschreven hoe uitvoering wordt gegeven aan deze motie. De staatsecretaris wil
tot een goed kader komen voor het vervolgonderzoek, waarin zowel de inhoudelijke als
praktische aspecten van voor het vervallen van de leeftijdsgrens van 16 jaar, zorgvuldig
in kaart worden gebracht.97 De concrete plannen voor vervolgonderzoek zullen naar verwachting aan het einde van
dit jaar met de Kamer worden gedeeld.
Vraag 153
De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat Fiom zorgen uitspreekt over het feit
dat een DNA-ouderschapstest niet is opgenomen na een draagmoederschapstraject in Nederland.
Deze leden verzoeken de regering te motiveren waarom het in het belang van een kind
is om niet tot een dergelijke bepaling over te gaan.
Het is belangrijk dat een kind geboren uit draagmoederschap weet van wie het afstamt.
Het belang hiervan zal ook in de verplichte voorlichting aan de wensouders worden
benadrukt. Dit belang komt ook naar voren in de nieuwe algemene wettelijke verplichting
dat de ouders respectievelijk de voogd het kind dienen voor te lichten over diens
afstamming. Het wetsvoorstel voorziet daarom ook in een draagmoederschapsregister,
waarin de relevante informatie over de gevolgde procedure voor het kind is terug te
vinden.
Er is niet voor gekozen om een bepaling op te nemen die voorziet in een verplichte
DNA-ouderschapstest na draagmoederschap. De reden daarvoor is dat het geen rol van
de overheid is om de juistheid van biologische afstammingsrelaties te controleren.
De onzekerheid die kan bestaan over de genetische afstamming in het geval van draagmoederschap
is niet anders dan de onzekerheid die feitelijk voor iedereen bestaat. Het staat het
kind, zoals ieder ander die niet uit een draagmoeder is geboren, natuurlijk altijd
vrij om op latere leeftijd zelf DNA-onderzoek te laten verrichten.
Vraag 155
De leden van de Volt-fractie vragen of het mogelijk is om de bewaartermijn van honderd
jaar voor de gegevens aan te passen als iemand vroegtijdig komt te overlijden of als
de persoon juist deze honderd jaar voorbij gaat.
Gekozen is voor een bewaartermijn van honderd jaar vanaf de dag dat het kind is geboren,
omdat zo gewaarborgd wordt dat het kind in alle leeftijdsfasen toegang kan krijgen
tot zijn of haar afstammingsinformatie. Het wetsvoorstel biedt geen grondslag om de
bewaartermijn voor individuele gevallen aan te passen.
Vraag 156
De leden van de Volt-fractie vragen hoe de regering kan controleren of de houder van
het register diens verplichting tot begeleiding bij toegang van het register daadwerkelijk
nakomt.
De houder van het register komt onder toezicht te staan van een van de rijksinspecties.
Op dit moment is nog niet duidelijk welke inspectie het toezicht zal uitoefenen. Er
zijn daarover oriënterende gesprekken gevoerd met de Inspectie Justitie en Veiligheid
en de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed. Er zal ook nog in gesprek worden gegaan
met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Zodra duidelijk is welke van deze inspecties
het toezicht gaat houden, wordt het toezicht nader geregeld. Daarbij wordt de controle
op de verplichting tot begeleiding bij toegang tot het register ook meegenomen.
Vraag 159
De leden van de VVD-fractie vragen onder welke omstandigheden de Staat verantwoordelijk
is voor de juistheid van afstammingsgegevens.
Afstammingsgegevens zoals opgenomen in de geboorteakte hebben een bijzondere bewijskracht
en gelden als authentieke bron. Deze afstammingsgegevens zien op de juridische afstamming
van een kind. Voor wat betreft de afstammingsgegevens die in het draagmoederschapsregister
worden opgenomen geldt dat, gelet op het bijzondere karakter van draagmoederschap
het van belang wordt geacht om ook informatie over de totstandkoming van de juridische
afstamming op te slaan. Hetzelfde geldt voor informatie over donorgameten die eventueel
gebruikt zijn bij de totstandkoming van een zwangerschap via een in een kliniek in
Nederland uitgevoerde behandeling. Die informatie heeft niet dezelfde status als de
informatie zoals opgenomen in de geboorteakte. De overheid heeft bij het draagmoederschapsregister,
evenals bij het opslaan van gegevens omtrent de identiteit van donoren in de zin van
de Wet Donorgegevens kunstmatige bevruchting, voor wat betreft de opslag van gegevens
uitsluitend een faciliterende rol. De juistheid van deze afstammingsgegevens wordt
voorafgaand aan de opslag in het register niet gecontroleerd. Zoals in paragraaf 7.2
van de memorie van toelichting ook is genoemd wordt door de overheid in algemene zin
geen controle uitgevoerd op de DNA-relaties bij het ontstaan van afstammingsrelaties.
Het is de verantwoordelijkheid van de ouders om het kind te informeren over diens
afstamming en ontstaansgeschiedenis. Deze verantwoordelijkheid is ook vastgelegd in
de nieuwe wettelijke verplichting dat de ouders met gezag respectievelijk de voogd
het kind dienen voor te lichten over diens afstamming (voorgestelde wijziging van
artikel 1:247 en 248 BW). Dit zal aandacht krijgen in de verplichte voorlichting bij
draagmoederschap. Verder zal het kind bij de begeleiding bij de inzage worden geïnformeerd
over de mate van betrouwbaarheid van de gegevens. Tot slot is het voor ouders en kind
altijd mogelijk om nadien een DNA-test uit te voeren.
Vraag 160
De leden van de VVD-fractie vragen of het kind de wensouders juridisch kan aanspreken
als zou blijken dat er in Nederland onjuiste afstammingsgegevens zijn geregistreerd.
In het draagmoederschapsregister kunnen persoonsgegevens worden opgenomen van het
kind, de wensouders, de draagmoeder, eventueel van haar levenspartner en de gegevens
van gebruikte gametendonoren. Dit gebeurt bijvoorbeeld door het opnemen van de beschikking
tot toekenning van het ouderschap na draagmoederschap, de buitenlandse beschikking
en/of de draagmoederschapsovereenkomst. Gegevens over gebruikte gametendonoren zijn
te raadplegen in het register gehouden door het College donorgegevens kunstmatige
bevruchting overeenkomstig de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting. De vraag
of de wensouders juridisch kunnen worden aangesproken, bijvoorbeeld op grond van onrechtmatige
daad, als later mocht blijken dat in Nederland onjuiste afstammingsgegevens zijn geregistreerd,
kan niet in zijn algemeenheid worden beantwoord. Dat hangt af van de omstandigheden
van het geval en met name ook of hen ter zake een verwijt kan worden gemaakt.
7.2. Wensouderverlof
Vraag 157
De leden van de fractie van Volt vragen om een onderbouwing van het voornemen om wensouders
die werknemer of gelijkgestelde zijn het recht te verlenen op verlof dat zesmaal de
wekelijkse arbeidsduur bedraagt.
Het wordt van belang geacht dat beide wensouders na de geboorte van hun kind een bepaalde
periode vrijgesteld zijn van werk. Deze periode is met name bedoeld ter stimulering
van de band tussen ouder en kind en het deelnemen aan de dagelijkse zorg voor het
kind, en het helpen realiseren van een weloverwogen verdeling van arbeid en zorgtaken
tussen de partners. Een aanpassing van de Wet arbeid en zorg is noodzakelijk om dit
verlofrecht voor beide wensouders te regelen. Met de keuze voor een periode van zesmaal
de wekelijkse arbeidsduur wordt aangesloten bij de reeds bestaande regelingen voor
(aanvullend) geboorteverlof voor vaders/partners van de moeder en adoptie- en pleegzorgverlof
voor beide adoptie- of pleegzorgouders. Ook deze verlofregelingen voorzien in een
verlofperiode van zesmaal de wekelijkse arbeidsduur.
7.3. Blijvende risico’s en mogelijke neveneffecten regeling
Vraag 158
De leden van de VVD-fractie vragen welke waarborgen het wetsvoorstel bevat om wensouders
zoveel mogelijk te faciliteren om gebruik te maken van de Nederlandse procedure voor
draagmoederschap en daarmee ook te ontmoedigen om gebruik te maken van de route via
het buitenland, waar risico’s op misstanden vaker op de loer liggen.
Allereerst wordt voorlichting en counseling verplicht gesteld voor wensouders. Bij
de voorlichting zal worden ingegaan op het belang van een zorgvuldig traject, mede
ook gelet op het belang van het kind. Daarbij zal ook worden gewezen op de risico’s
van internationaal draagmoederschap. Zo zijn wensouders goed geïnformeerd en kunnen
zij weloverwogen een beslissing nemen. Bij een traject in Nederland kunnen wensouders
al voor de conceptie via de rechter bewerkstelligen dat zij bij de geboorte meteen
de juridische ouders worden van het kind, met alle voordelen en zekerheden van dien.
Door opheffing van het verbod tot openbaarmaking van de wens om zelf draagmoeder te
worden of een draagmoeder te zoeken, wordt het vinden van een draagmoeder ook beter
mogelijk.
7.4. Overgangsrecht
Vraag 161
Is de regering het met de leden van de ChristenUnie-fractie eens dat de wet op zijn
minst pas in werking kan treden als het afstammingsregister draagmoederschap operationeel
is, en de verplichte voorlichting en counseling aan wensouders klaarstaat? Omdat anders
de voorwaarden uit de wet niet gehaald kunnen worden?
Het antwoord op de vraag van deze leden luidt bevestigend. De inwerkingtreding van
de regelingen in Boek 1 en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek zijn afhankelijk van
de beschikbaarheid van het afstammingsregister en van voorlichting en counseling.
Dit zal worden bewaakt via de inwerkingtreding bij koninklijk besluit, die voor de
verschillende onderdelen kan verschillen.
8. Consultatie
8.1. Algemene consultatieronde
Vraag 69
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering nader kan expliciteren op welke
punten het advies van de Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht (hierna:
Staatscommissie IPR) is gevolgd en op welke punten geen gevolg is gegeven aan het
advies.
De Staatscommissie IPR heeft in 2019 advies uitgebracht over de voorstellen op het
gebied van het internationaal privaatrecht van de Staatscommissie Herijking Ouderschap.
In het advies dat de Staatscommissie IPR uitbracht specifiek op het conceptwetsvoorstel
kind, draagmoederschap en afstamming, is zij nader ingegaan op enkele onderdelen van
het advies uit 2019 waar in het conceptwetsvoorstel van het advies werd afgeweken
en heeft vervolgens nader geadviseerd op enkele andere onderdelen. De adviezen die
de Staatscommissie IPR aldus deed worden hierna opgesomd en daarbij wordt tevens ingegaan
op het al dan niet opvolgen van dit advies in het wetsvoorstel.
• De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van draagmoederschapszaken,
inclusief de mogelijkheid tot herroeping afzonderlijk regelen. Dit advies is overgenomen door in het wetsvoorstel een specifieke rechtsmachtregeling
op te nemen in een voorgesteld artikel 3a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
• Na het opnemen van een afzonderlijke bevoegdheidsregeling, heeft de Staatscommissie
IPR aangegeven dat de reikwijdtebepaling in de nationale regeling kan worden geschrapt. Die regeling van de reikwijdte (of scope-rule) bepaalt dat om gebruik te kunnen maken
van de regeling voor nationaal draagmoederschap, de draagmoeder en ten minste één
van de wensouders de gewone verblijfplaats hebben in Nederland en deze naar verwachting
gedurende de zwangerschap zullen houden (voorgesteld artikel 1:215, eerste lid, onder
j, BW). Er is voor gekozen om deze eis te handhaven, omdat het wenselijk is dat de
rechter niet alleen toetst of de gewone verblijfplaats ten tijde van de beoordeling
in Nederland is, maar ook of de verwachting is dat de gewone verblijfplaats gedurende
de zwangerschap in Nederland zal blijven. De regeling betreft daarmee meer dan een
eis die de bevoegdheid van de rechter bepaalt op het moment van het instellen van
de procedure. Nu draagmoederschap een in veel landen ongeregeld fenomeen is, is het
belangrijk dat de wensouders en draagmoeder niet alleen ten tijde van de rechterlijke
beoordeling, maar ook daarna in Nederland de gewone verblijfplaats zullen houden.
Dit om zoveel mogelijk te verzekeren dat het betrokken kind vanaf de geboorte juridische
ouders, een nationaliteit, vaststaande identiteit en geslachtnaam zal hebben;
• In de memorie van toelichting verduidelijken dat de draagmoederschapsovereenkomst
niet wordt bestreken door artikel 10:154 BW en dat de verwijzingsregel van de Verordening
Rome I derhalve niet van toepassing is. Dit advies is overgenomen en verwerkt in de memorie van toelichting in de artikelsgewijze
toelichting op voorgesteld artikel 10:98a BW;
• In de memorie van toelichting ingaan op het declaratoire karakter van de beslissing
van de rechter op grond van artikel 10:101a. Dit advies is overgenomen, in de artikelsgewijze toelichting is uitgebreid ingegaan
op het declaratoire karkater van de beslissing van de rechter en daarmee staat bijvoorbeeld
buiten kijf dat ook in deze gevallen via de reguliere toepassing van artikel 3 en
4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap dient te worden vastgesteld of het kind
Nederlander is geworden;
• De Staatscommissie heeft aangegeven dat een specifieke regeling voor het bestaan van
gezag na erkenning van ouderschap na draagmoederschap onnodig is, nu hiervoor reeds
een sluitende regeling bestaat op grond van internationale verdragen alsmede het commune
internationaal privaatrecht. Dit heeft geleid tot het schrappen van de in het vierde lid van het concept wetsvoorstel
opgenomen regeling uit voorgesteld artikel 10:101a BW;
• In een afzonderlijke bepaling vastleggen dat de regeling betreffende de erkenning
van rechtswege van familierechtelijke betrekkingen na draagmoederschap op grond van
artikel 10:101a, derde lid, onder a, BW onmiddellijke werking heeft, zodat buiten
twijfel wordt gesteld dat de regeling na de inwerkingtreding ook van toepassing is
op de erkenning van voor de inwerkingtreding in het buitenland tot stand gekomen ouderschap
na draagmoederschap. Van het vastleggen in een afzonderlijke bepaling van overgangsrecht van de onmiddellijke
werking is afgezien, nu de onmiddellijke werking van de regeling aansluit bij het
algemene uitgangspunt van regelgeving. Door de onmiddellijke werking enkel voor dit
aspect expliciet te maken, zou twijfel kunnen ontstaan over de inwerkingtreding van
andere bepalingen in de wet. Wel is in paragraaf 7.5 van de memorie van toelichting
uitgebreid ingegaan op de onmiddellijke werking, waardoor mogelijke onduidelijkheid
op dit punt alsnog is weggenomen.
Vraag 165
De leden van de VVD-fractie vragen welke partijen opnieuw zijn geconsulteerd en of
de nieuwe adviezen vervolgens nog aanleiding gaven tot aanpassingen van het wetsvoorstel.
Het wetsvoorstel is in twee tranches in internetconsultatie gegaan. Het grootste deel
van de regeling is geconsulteerd van 24 april t/m 22 mei 2020 (4 weken). Het onderdeel
over de strafbaarstelling van betaling voor de overdracht van ouderschap en de verlofregeling
zijn geconsulteerd van 19 juni t/m 19 juli 2020. In de eerste consultatieronde zijn
buiten de internetconsultatie reacties ontvangen van het Adviescollege toetsing regeldruk,
de Nederlandse orde van advocaten, de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken, de
Autoriteit persoonsgegevens (AP), de raad voor rechtsbijstand, de Raad voor Strafrechtstoepassing
en Jeugdbescherming, de Staatscommissie IPR en de Raad voor de rechtspraak. De Nederlandse
Vereniging voor Familie- en erfrecht advocaten en scheidingsmediators heeft geen advies
uitgebracht en laten weten dat zij zich in de redactie van het voorstel kunnen vinden.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft geen advies uitgebracht, maar
op een later moment de wens geuit voor de financiële consequenties een impact-analyse
uit te voeren. Het voorstel is daarnaast besproken in de Adviescommissie voor burgerlijk
procesrecht, zonder dat dit heeft geleid tot een officieel advies. In de tweede ronde
zijn buiten de internetconsultatie consultatieadviezen ontvangen van de Nationaal
Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen, de Raad voor de rechtspraak,
de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, het College van procureurs-generaal, de
raad voor rechtsbijstand, de Nederlandse orde van advocaten, de Nationale Politie,
de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming en het Uitvoeringsinstituut
Werknemersverzekeringen. Daarmee zijn in beide consultatierondes van de Raad voor
de rechtspraak, de raad voor rechtsbijstand, de Nederlandse orde van advocaten en
de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming tweemaal adviezen ontvangen,
zij het op verschillende aspecten van het voorstel.
Vervolgens is het wetsvoorstel voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van
State. Het advies van de Afdeling om de wezenlijke onderdelen van een regeling voor
een afstammingsregister in de wet op te nemen heeft aanleiding gevormd om het wetsvoorstel
aan te vullen. Dit heeft geleid tot een nieuwe paragraaf 4 van Afdeling 7 «Register
ontstaansgeschiedenis en afstamming na draagmoederschap», bestaande uit een drietal
artikelen. Nu deze nieuwe regeling een substantiële uitbreiding vormde van de wettelijke
regeling zoals eerder voorgelegd aan de AP, is deze in overeenstemming met artikel
36, vierde lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming, samen met een Privacy
Impact Assessment, opnieuw voorgelegd aan de AP. De AP heeft op 12 juli 2022 haar
advies uitgebracht. Aan de opmerkingen van de AP over de regeling is gevolg gegeven.
Dit advies is per abuis niet meegezonden bij de aanbieding van het wetsvoorstel aan
uw Kamer, en wordt daarom alsnog als bijlage bij deze nota naar aanleiding van het
verslag toegevoegd.
Vraag 166
Daarbij vragen deze leden of het tweede advies van de Staatscommissie IPR naar de
Kamer kan worden gestuurd.98
In reactie op de vraag van de leden van de VVD-fractie licht ik graag toe dat de Staatscommissie
IPR eenmaal is geconsulteerd over de internationaal privaatrechtelijke aspecten van
de aanbevelingen en voorstellen van de Staatscommissie Herijking ouderschap. In dat
advies is uitgebreid ingegaan op de voorstellen van de Staatscommissie die de basis
hebben gevormd voor het huidige wetsvoorstel.99 Voor de IPR-aspecten van het wetsvoorstel is vervolgens op hoofdlijnen aangesloten
bij dat advies van de Staatscommissie IPR. Vervolgens is dit wetsvoorstel ten tijde
van de algemene consultatieronde voorgelegd ter advisering. Dat advies van 1 juli
2020, aan uw Kamer gezonden als bijlage bij de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel,
heeft vervolgens opnieuw geleid tot enige aanpassingen van de regeling. Het is niet
zo dat het wetsvoorstel zelf tweemaal ter advisering aan de Staatscommissie IPR is
voorgelegd. Anders dan mogelijk kan worden opgemaakt uit de memorie van toelichting,
is er dan ook geen sprake van een tweede advies dat nog kan worden gestuurd aan de
Kamer.
Vraag 167
Ook vragen deze leden of de regering bereid is te kijken in hoeverre de NVVB het huidige
wetsvoorstel en de gemaakte keuzes in lagere regelgeving steunt?
In het advies van de NVVB over het algemene voorontwerp door deze organisatie is gesteld
dat zij positief staat tegenover het voorstel. De verduidelijkende vragen van de NVVB
hebben geleid tot een nadere toelichting. Zo is bevestigd dat de ambtenaar van de
burgerlijke stand gebruik kan maken van de algemene weigeringsgrond dat er geen behoorlijk
onderzoek of rechtspleging heeft plaatsgevonden of dat de beslissing kennelijk onverenigbaar
is met de openbare orde. Ook is op meerdere punten aangegeven dat het niet aan de
ambtenaar van de burgerlijke stand is, maar aan de wensouder om gegevens aan te leveren
en aan te tonen dat aan de erkenningsvoorwaarden wordt voldaan. Daarbij is een van
de beoordelingspunten mede naar aanleiding van de opmerking van de NVVB aangepast,
waardoor niet langer zal hoeven te worden beoordeeld of afstammingsgegevens in het
buitenland voldoende beschikbaar zijn, maar zullen deze gegevens direct moeten worden
aangeleverd ter opname in het register.
Een deel van de opmerkingen van de NVVB ziet op onderwerpen die nog bij lagere regelgeving
zullen moeten worden uitgewerkt. Bij de vormgeving van die uitwerking zal de NVVB
uiteraard opnieuw worden geconsulteerd.
Vraag 168
De leden van de VVD-fractie vragen of de consequenties van wat de regering «ouderloosheid»
noemt (ofwel: het verlies van juridische afstamming) die door herroeping of beëindiging
van het ouderschap kan ontstaan, voor de nationaliteit van het kind voldoende zijn
doordacht. Is de regering bereid om advies te vragen aan de Staatscommissie IPR over
de nationaliteitsrechtelijke vraagstukken die zullen ontstaan als gevolg van het wetsvoorstel?
Zo nee, waarom niet?
Bij de beantwoording van deze vraag ga ik ervan uit dat genoemde leden doelen op de
situatie waarin een kind op grond van het voorgestelde artikel 1:222, eerste lid,
BW de rechter verzoekt het ouderschap na draagmoederschap van de niet biologische
ouder te beëindigen. In die situatie geldt voor wat betreft de nationaliteitsrechtelijke
gevolgen het volgende.
Als het ouderschap wordt beëindigd en het kind de Nederlandse nationaliteit heeft,
houdt het die nationaliteit ongeacht of het die ontleent aan de persoon van wie het
ouderschap is beëindigd. Het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan
het Nederlanderschap wordt ontleend, kan namelijk alleen tot verlies van het Nederlanderschap
leiden als het kind op het tijdstip van het van het vervallen van de familierechtelijke
betrekking minderjarig was (artikel 14, zesde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap
(hierna: RWN)). Beëindiging van het ouderschap na draagmoederschap kan door het kind
echter niet gedurende diens minderjarigheid worden verzocht. Dit kan alleen tot drie
jaar na het bereiken van de meerderjarigheid. Wat de gevolgen zijn van de beëindiging
van het ouderschap voor een eventuele vreemde nationaliteit, wordt bepaald door de
(nationale wetgeving van) de staat van de betreffende nationaliteit. Dat is niet anders
dan in andere gevallen waarin een familierechtelijke betrekking komt te vervallen,
zoals herroeping van een adoptie. Er is dan ook geen reden om de Staatscommissie IPR
om advies te vragen over de nationaliteitsrechtelijke vraagstukken die ontstaan als
gevolg van het wetsvoorstel.
Vraag 173
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan toezeggen dat alle organisaties,
belanghebbenden en overige geïnteresseerden alle concept-amvb’s en ministeriële regelingen
die worden opgesteld of aangepast naar aanleiding van het wetsvoorstel in de gelegenheid
worden gesteld via internetconsultatie te reageren op de voorgestelde bepalingen?
Zo nee, waarom niet?
Uitgangspunt is inderdaad dat alle concept-amvb’s en ministeriele regelingen in internetconsultatie
gaan. Dit kan anders zijn als de regeling bijvoorbeeld louter technische aangelegenheden
bevat. Overigens zal de concept-amvb over de vergoedingen en aanvullende tegemoetkoming
draagmoederschap (waarvan een concept ter informatie bij het wetsvoorstel is meegestuurd)
ook nog worden voorgehangen bij beide Kamers (voorgesteld artikel 1:215, derde lid,
BW).
Vraag 180
De CDA-fractieleden constateren dat Fiom het belangrijk vindt dat als voorwaarde in
de wet wordt opgenomen, dat het kind dat geboren wordt na draagmoederschap, minstens
genetisch verwant is aan één van de wensouders en acht het oprekken van deze voorwaarde
niet wenselijk, juist om de complexiteit van de ontstaansgeschiedenis voor het kind
te beperken. Deze leden vragen de regering in te gaan op deze kritiek.
Het klopt dat de afstamming van een kind dat is geboren na draagmoederschap complexer
is wanneer geen van de wensouders genetisch verwant is aan het kind. Om die reden
is in het wetsvoorstel opgenomen dat afwijking van de eis van genetische verwantschap
met ten minste één van de wensouders slechts in uitzonderlijke gevallen en alleen
bij binnenlandse draagmoederschapstrajecten kan. Hiervoor dienen de wensouders aannemelijk
te maken dat genetische verwantschap medisch onmogelijk is. Met deze uitzonderingsmogelijkheid
is aangesloten bij het advies van de Staatscommissie Herijking ouderschap om tegemoet
te komen aan schrijnende gevallen.100 Uiteraard moeten ook wanneer geen van de wensouders genetisch verwant is aan het
kind, de afstammingsgegevens van alle donoren zijn te achterhalen voor het kind.
8.2. Consultatie strafbaarstelling en wensouderverlof
9. Uitvoerings- en handhavingsaspecten
Vraag 186, 187 en 188
De leden van de VVD-fractie vragen bij welke organisaties de wens tot centrale toegang
tot registers en bronnen waarin afstammingsgegevens van kinderen worden bewaard bestaat,
en op welke termijn de centrale toegang kan worden geregeld. Deze leden vragen verder
of een dergelijk register en het beheer daarvan vergelijkbaar is met het register
zoals voorgesteld in de recent gewijzigde Wet donorgegevens en kunstmatige bevruchting.
Ook vragen deze leden wie de centrale toegang gaat beheren en of de regering van mening
is dat keuzes over deze centrale toegang tot een register op het niveau van de wet
zou moeten worden geregeld.
De centrale toegang is een wens voor de toekomst en maakt geen onderdeel uit van dit
wetsvoorstel. Toegang tot geregistreerde afstammingsgegevens speelt niet alleen een
rol voor kinderen geboren uit draagmoederschap, maar ook bij kinderen die zijn geadopteerd,
verwekt zijn met behulp van donorconceptie en kinderen die opgroeien met meer dan
twee ouders. Informatie over de afstamming en ontstaansgeschiedenis van deze kinderen
is verspreid over verschillende registers en organisaties. Dat betekent dat een kind
in sommige gevallen naar verschillende (digitale) loketten moet gaan om toegang tot
deze informatie te krijgen. Het is belangrijk dat kinderen op een eenvoudige en laagdrempelige
wijze hun afstammingsgegevens kunnen achterhalen. Om die reden bestaat de wens om
in de toekomst het zo eenvoudig mogelijk te maken voor kinderen om hun afstammingsgegevens
te kunnen achterhalen. Het is nog niet duidelijk hoe de toegang op afstammingsinformatie
ingericht zal worden maar de wens is er om één centrale toegang mogelijk te maken.
Wel wordt bij de bouw van het draagmoederschapsregister rekening gehouden met een
aansluiting op het eenvoudig verkrijgen van afstammingsgegevens en toegang tot (eventuele)
andere loketten. Over hoe die centrale toegang vorm zal worden gegeven en hoe het
beheer daarvan eruit zal komen te zien, is nu nog niets te zeggen.
Vraag 189
De aan het woord zijnde leden vragen ook waarom het wetsvoorstel niet voorziet in
een grondslag voor gegevensuitwisseling tussen het register donorbevruchting kunstmatige
gegevens en het draagmoederregister. Zonder mogelijkheden voor gegevensuitwisseling
dreigen kinderen om het recht op afstammingsinformatie te effectueren meerdere keren
langs meerdere loketten te moeten. Deze leden willen weten hoe de regering hiernaar
kijkt.
Er is voor gekozen om eerst het draagmoederschapsregister te realiseren, vanwege de
aantallen en de kosten. Bij de realisatie wordt alvast rekening gehouden met de mogelijkheid
van aansluiting op een centrale toegang Dit voorkomt dat kinderen verschillende loketten
moeten benaderen om toegang te krijgen tot hun afstammingsgegevens. Een dergelijke
centrale toegang moet wel technisch en financieel mogelijk zijn.
Vraag 190 en 191
De leden van de VVD-fractie vragen verder in hoeverre het Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport (VWS) en bijvoorbeeld de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting
zijn betrokken bij de uitvoering van het wetsvoorstel? Deze leden lezen dat het onderhavige
wetsvoorstel in artikel 15 (bedoeld zal zijn artikel XV) wel enige samenloop kent
met de gewijzigde Wet donorgegevens en kunstmatige bevruchting. Kan de regering toelichten
hoe onderhavig wetsvoorstel samenhangt met de wet donorgegevens en kunstmatige bevruchting
(Wdkb)?
Onderhavig wetsvoorstel heeft inderdaad samenhang met de Wdkb. Bij een draagmoederschapstraject
in Nederland zal bij medische assistentie op grond van de Wdkb alleen gebruik gemaakt
kunnen worden van een donor van wie de gegevens bij het College donorgegevens kunstmatige
bevruchting101 zijn geregistreerd. Op termijn kan het kind overeenkomstig de in de Wdkb neergelegde
regels de persoonsidentificerende gegevens van de donor bij het College opvragen.
Daarbij zal het uitgangspunt zijn dat het kind moet kunnen achterhalen van wie het
genetisch afstamt. Verstrekking blijft, indien de donor niet met verstrekking van
zijn gegevens instemt, uitsluitend achterwege indien, in aanmerking genomen de gevolgen
die niet-verstrekking voor de verzoeker zou kunnen hebben, zwaarwegende belangen van
de donor meebrengen dat verstrekking niet behoort plaats te vinden (artikel 3, tweede
lid, Wdkb). Het feit dat het kind is geboren na draagmoederschap zal meewegen in deze
belangenafweging. Dit maakt dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen van niet-verstrekking
van de identificerende donorgegevens aan het kind sprake zal kunnen zijn. Hierover
heeft afstemming plaatsgevonden met Ministerie van VWS, dat een en ander ook heeft
kortgesloten met het College.
Landelijk expertisecentrum
Vraag 108, 171 en 172
De leden van de VVD- en van de Volt-fractie vragen naar de stand van zaken van het
door de commissie Joustra aanbevolen onafhankelijke expertisecentrum.
Door de commissie Joustra is in het onderzoeksrapport de aanbeveling gedaan om een
onafhankelijk landelijke expertisecentrum op te zetten. Deze aanbeveling is inderdaad
overgenomen. Sinds juni 2021 is gewerkt aan de inrichting van een expertisecentrum
interlandelijke adoptie. In maart 2023 is INEA gestart. INEA, wat staat voor Identiteit,
Nazorg, Erkenning en Adoptievraagstukken, is de centrale plek waar alle interlandelijk
geadopteerden terecht kunnen voor ondersteuning bij vragen over interlandelijke adoptie
en afkomst. INEA biedt interlandelijk geadopteerden hulp bij zoektochten en ondersteuning
bij het zoeken en inzien van dossiers. Daarnaast biedt INEA psychosociale en juridische
ondersteuning
INEA is niet betrokken geweest bij onderhavig wetstraject, omdat INEA ziet op interlandelijke
adoptie en niet op draagmoederschap. Er zijn geen taken en bevoegdheden voor INEA
voorzien bij de uitvoering van het wetsvoorstel.
10. Verwerken persoonsgegevens
Vraag 193
De leden van de Volt-fractie vragen of de regering verdere toelichting kan geven over
het belang van het verstrekken van de verslaggeving rond de counseling aan de desbetreffende
rechter.
Het wetsvoorstel bevat de verplichting tot het overleggen van een verslag van de afgeronde
voorlichting en counseling aan de rechter met het oog op de bescherming van het belang
van het kind en ter waarborging van de vrije instemming van alle betrokkenen. Het
verslag biedt, mede met het oog op het welzijn van het toekomstige kind, voor de counselor
de mogelijkheid om eventuele contra-indicaties en beschermende factoren, die uit de
counseling naar voren komen, op te nemen, zodat de rechter hiermee rekening kan houden.
De rechter kan dit vervolgens meenemen in zijn oordeel. Momenteel wordt een amvb voorbereid
waarin, onder meer, regels worden gesteld over de wijze waarop van de uitkomsten van
de counseling verslag zal worden gedaan en wie dat verslag kunnen opmaken.
11. Regeldruk en financiële aspecten
11.1. Aantallen
11.2. Regeldruk
Vraag 195
De leden van de Volt-fractie vragen hoeveel tijd er ongeveer zit tussen indiening
van het verzoek bij de rechter om een draagmoederschapstraject te starten en de daadwerkelijke
goedkeuring (of afkeuring) door de rechter.
De termijn waarop op een verzoek tot gerechtelijke toekenning van ouderschap kan worden
beslist, zal mede afhangen van de omstandigheden van het geval. In het WODC-onderzoek
2024 wordt genoemd dat draagmoederschapstrajecten vaak twee jaar of langer duren.102 De tijdsduur tussen de geboorte van het kind en het vaststellen van het ouderschap
verschilt sterk bij binnenlandse trajecten. Van 50 onderzochte binnenlandse trajecten
waren er 20 zaken waarin het ouderschap binnen een half jaar na de geboorte van het
kind was overgedragen aan de wensouders. Er waren vier zaken waarin het traject langer
dan anderhalf jaar heeft geduurd. Het langste traject duurde 23 maanden. Gemiddeld
duurden de binnenlandse trajecten bij de rechtbanken negen maanden.103 Buitenlandse trajecten blijken volgens het WODC-onderzoek 2024 aanmerkelijk langer
te duren. Er zijn 58 beschikkingen van rechtbanken onderzocht die betrekking hadden
op een buitenlands traject. In twee trajecten werd het ouderschap binnen acht maanden
na de geboorte overgedragen aan de wensouders. Daarnaast waren er 23 trajecten die
langer dan anderhalf jaar duurden, waarvan 15 trajecten die twee jaar of langer duurden.
Acht trajecten duurden zelfs drie jaar of langer. Gemiddeld duurden de buitenlandse
trajecten zo’n twintig maanden.104
Vraag 196
Voorts vragen de leden van de Volt-fractie hoe groot de regering de kans acht dat
er in de praktijk verzoeken tot draagmoederschapstrajecten goedgekeurd zullen worden
nadat de conceptie reeds heeft plaatsgevonden.
Eén van de vereisten voor gerechtelijke toekenning van ouderschap is dat de draagmoeder
ter zitting verklaart dat zij nog niet zwanger is. In de counseling zal dit vereiste
en het belang daarvan ook met betrokkenen worden besproken. In geval van hoogtechnologisch
draagmoederschap zal bovendien niet met de behandeling worden begonnen als de rechterlijke
beslissing hieromtrent nog niet is gegeven. Bij laagtechnologisch draagmoederschap
valt niet uit te sluiten dat de draagmoeder ten tijde van de zitting al zwanger is,
maar er mag van worden uitgegaan dat als betrokkenen een dergelijke procedure starten
zij zich ook aan de daarvoor gestelde voorwaarden zullen houden. Daarbij mag er ook
van worden uitgegaan dat een draagmoeder op zitting niet in strijd met de waarheid
zal verklaren dat zij nog niet zwanger is. Daarmee kan de door genoemde leden bedoelde
kans klein worden geacht.
Vraag 197
Genoemde leden vragen ook of de regering van mening is dat het verstrekken van een
(geschat) kostenoverzicht met betrekking tot proceskosten en dergelijke, kan bijdragen
aan een duidelijke informatievoorziening voor potentiële wensouders.
Een aantal organisaties die zich bezighouden met vruchtbaarheidsproblemen, draagmoederschap,
gebruik van donorgameten etc. heeft zich verenigd in het Landelijk informatiepunt
draagmoederschap.105 Bij dit informatiepunt is veel informatie beschikbaar voor mensen die zich willen
oriënteren op de mogelijkheden om met behulp van een draagmoeder een kind te krijgen.
Voorts zullen potentiële wensouders als het wetsvoorstel de status van wet verkrijgt
en in werking is getreden een traject van voorlichting en counseling dienen te volgen.
In het voorlichtingstraject zal ook aandacht zijn voor de kosten van een draagmoederschapstraject.
De hoogte van die kosten is sterk afhankelijk van de individuele keuzes die wensouders
maken. Daarnaast zijn de juridische kosten die verbonden zijn aan de behandeling van
een verzoek tot gerechtelijke toekenning van ouderschap bij de Nederlandse rechter
te vinden via de website van de rechtspraak of kunnen worden nagevraagd bij de advocaat
die de wensouders benaderen. De kosten van juridische procedures in het buitenland,
lopen te zeer uiteen om daar algemene informatie over te kunnen geven.
12. Regeling in Caribisch Nederland
Vraag 198 en 199
De leden van de VVD-fractie wijzen op de verplichtingen die voortvloeien uit het Statuut
van het Koninkrijk der Nederlanden. Zij vragen waarom de regering hier geen aandacht
aan heeft besteed en of de regering alsnog hierop in kan gaan. Ook vragen zij of gelet
op de verplichtingen die voortvloeien uit het Statuut, het niet wenselijk is dat contact
wordt gezocht met Curaçao, Aruba en Sint-Maarten, omdat het wetsvoorstel ook consequenties
voor hen met zich meebrengt?
Ervan uitgaande dat deze leden doelen op de artikelen 39 en 40 van het Statuut van
het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: Statuut) antwoord ik hierop het volgende.
Op grond van artikel 40 van het Statuut is de rechtskracht van rechterlijke uitspraken
gedaan door een rechter in het Koninkrijk en van in het Koninkrijk verleden authentieke
akten, in alle delen van het Koninkrijk gelijk. Ook nu al worden in Europees Nederland
rechterlijke uitspraken inzake draagmoederschap gedaan en geboorteakten ter zake opgemaakt.
Deze hebben rechtskracht in het hele Koninkrijk en de rechtsgevolgen daarvan moeten
in heel het Koninkrijk worden geaccepteerd. Dat is onder de regeling van het wetsvoorstel
niet anders; als na inwerkingtreding van het wetsvoorstel een rechter in Nederland
een verzoek tot gerechtelijke toekenning van ouderschap na draagmoederschap toewijst
en na de geboorte van het kind dienovereenkomstig een geboorteakte is opgemaakt, heeft
die geboorteakte in het hele Koninkrijk dezelfde rechtskracht. Aan de hand van die
geboorteakte kan bijvoorbeeld worden vastgesteld (en bewezen) wie de juridische ouders
zijn van het kind. Dat geldt ook voor een rechterlijke uitspraak gewezen in Nederland
waarbij het in het buitenland tot stand gekomen ouderschap na draagmoederschap wordt
erkend. Alle delen van het Koninkrijk moeten aldus binnen hun eigen rechtsorde de
rechtskracht en de rechtsgevolgen van elkaars rechterlijke uitspraken en authentieke
akten accepteren.
Het concordantiebeginsel zoals neergelegd in artikel 39 van het Statuut brengt mee
dat het burgerlijk recht zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze wordt geregeld.
Maar het Statuut laat toe dat de verschillende delen van het Koninkrijk onderdelen
van het recht op verschillende wijze in hun wetgeving regelen.
Vraag 200, 201 en 202
De leden van de SP-fractie geven aan begrip te hebben voor het feit dat de situatie
in Europees Nederland en die op de BES verschillend zijn. Zij zijn echter ook bezorgd
dat met het enkel laten gelden van deze wetgeving voor Nederland de verschillen alleen
maar groter zullen worden. Kan de regering hierop reflecteren? Op welke manier wordt
er wel naartoe gewerkt deze wetgeving op termijn ook te laten gelden voor de BES-eilanden?
De leden van de Volt-fractie geven daarbij aan het van belang te achten dat draagmoederschap
ook in Caribisch Nederland duidelijk wordt ondersteund en wettelijk mogelijk wordt
gemaakt. Deze leden vragen dan ook op welke manieren de regering zich inspant om de
context van Caribisch Nederland in kaart te brengen en onderzoekt of dergelijke wetgeving
daar ook van pas kan komen.
Zoals deze leden terecht opmerken is de wetgeving op verschillende terreinen, waaronder
Boek 1 BW, in Europees Nederland en Caribisch Nederland verschillend geregeld. De
huidige benadering is dan ook dat bij nieuwe wetgeving en aanpassing van bestaande
wetgeving steeds wordt bezien of en hoe deze wetgeving van toepassing kan worden verklaard
in Caribisch Nederland én of differentiatie nodig en wenselijk is (het principe van
«comply or explain»). Het doel is daarbij niet om alle regelgeving zonder meer van
toepassing te verklaren op Caribisch Nederland. Soms zijn er goede redenen om dit
juist niet te doen of om andere oplossingsrichtingen te zoeken.
Bij het onderhavige wetsvoorstel is overwogen dat het niet wenselijk en haalbaar is
om de BES bij de voorgestelde regeling nu al mee te nemen. Met als belangrijke reden
dat de op de BES mogelijk voorkomende risico- en aandachtspunten nog onvoldoende in
kaart zijn gebracht. Daardoor is niet duidelijk of de voorgestelde regeling op gelijke
wijze in de context van de BES nodig en uitvoerbaar is.
Dat neemt niet weg dat het belangrijk is en blijft om ook in breder verband Boek 1
BW van Europees Nederland en Boek 1 BW BES waar mogelijk op elkaar af te stemmen.
Bezien wordt in overleg met de betrokken organisaties op de BES wat – waar het de
afstemming van Boek 1 BW BES betreft – wenselijk en haalbaar is, ook gelet op het
beperkte absorptievermogen en de beperkte uitvoeringscapaciteit op de eilanden.
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel I Boek 1 BW
Artikel 213
Vraag 203
De leden van de VVD-fractie vragen of kan worden toegelicht welke exacte bepalingen
worden bedoeld met «de daarop rustende bepalingen».
Met «de daarop berustende bepalingen» wordt gedoeld op de bepalingen die worden opgenomen
in de op afdeling 7. draagmoederschap gebaseerde amvb en eventuele ministeriële regelingen.
Hiermee wordt bewerkstelligd dat de terminologie van de uitvoeringsregeling aansluit
bij die van de delegerende regeling (zie ook Aanwijzingen voor de regelgeving, aanwijzing
5.3).
Artikel 214
Vraag 204 en 205
De leden van de VVD-fractie vragen of de ontvankelijkheidsvereisten in de artikelen
214 en 215 duidelijker kunnen worden onderscheiden van de vereisten voor toewijzing
van het verzoek. Uit de redactie van de artikelen en de artikelsgewijze toelichting
is dat voor de voornoemde leden niet duidelijk. Ook vragen zij of het derde lid van
artikel 214 qua opzet niet beter past bij artikel 215.
In het voorgestelde artikel 1:214 BW zijn in de leden 1, 2, 4 en 5 ontvankelijkheidseisen
opgenomen. In het derde lid zijn de centrale en meer fundamentele voorwaarden voor
gerechtelijke toekenning van ouderschap na draagmoederschap opgenomen: het belang
van het kind en de vrije instemming van betrokkenen. In voorgesteld artikel 1:215
(en verder) BW zijn deze voorwaarden verder aangevuld met meer specifieke en concrete
eisen. Een van de voorwaarden is dat een draagmoederschapsovereenkomst moet worden
overgelegd die voldoet aan de eisen zoals genoemd in voorgesteld artikel 1:216 BW.
Dit betreft, zoals uitdrukkelijk bepaald in voorgesteld artikel 1:214, vierde lid,
BW een ontvankelijkheidseis. De overige vereisten zijn inhoudelijke vereisten die,
als daaraan niet wordt voldaan, leiden tot afwijzing van het verzoek. De fundamentele
aard van de eisen opgenomen in voorgesteld artikel 1:214, derde lid, BW ligt ten grondslag
aan de keuze om deze eisen bij de ontvankelijkheidseisen in voorgesteld artikel 1:214
BW op te nemen. Wordt aan deze eisen niet voldaan, dan volgt er geen verdere inhoudelijke
afweging.
Vraag 66
De leden van de Volt-fractie vragen in welke mate rechters momenteel over voldoende
toetsingscriteria beschikken om een goed oordeel te kunnen vellen of zowel de draagmoeder
als de wensouders op basis van vrijwilligheid hebben besloten een traject te starten.
Met deze leden ben ik van mening dat het van groot belang is dat betrokkenen, ook
eventuele donoren van genetisch materiaal, uit vrije wil aan een draagmoederschapstraject
beginnen. Momenteel vindt de toetsing van een draagmoederschapstraject achteraf plaats.
In het wetsvoorstel verschuift voor binnenlandse trajecten het toetsingsmoment naar
voren. Bij een verzoek om gerechtelijke toekenning van het ouderschap moeten de draagmoeder
en de wensouders een verslag overleggen van de afgeronde voorlichting en counseling
over zowel de juridische als de psychologische aspecten van draagmoederschap (voorgesteld
artikel 1:215, eerste lid, onder a, BW).
In de voorlichting en met name de counseling zal ruime aandacht worden besteed aan
de beweegredenen van betrokkenen om aan het traject te willen beginnen. Als draagmoeder
en wensouders dit traject met succes hebben afgerond, met elkaar afspraken hebben
kunnen maken over het traject en deze in een overeenkomst hebben vastgelegd, kunnen
zij een verzoek om gerechtelijke toekenning van het ouderschap indienen. Aan de hand
van genoemde verslagen kan de rechter een beeld krijgen van de beweegredenen van betrokkenen.
In voorgesteld artikel 1:215, eerste lid, onder b, BW is verder bepaald dat de draagmoeder
op zitting aanwezig moet zijn, omdat zij een verklaring moet afleggen dat zij nog
niet zwanger is. De wensouders zullen in de regel ook op zitting aanwezig zijn. Het
ligt in de rede dat de rechter met draagmoeder en wensouders in gesprek gaat, onder
meer om te bezien of het beeld dat in de verslagen wordt geschetst, strookt met zijn
waarneming.
Bij buitenlandse draagmoederschapstrajecten zal de rechter voor wat betreft de vrijwillige
medewerking van de draagmoeder moeten afgaan op haar schriftelijke verklaring in het
dossier en eventuele andere stukken in het dossier. Rechters zijn opgeleid om kritisch
te reflecteren op hetgeen uit stukken blijkt en wat er op zitting naar voren komt
en daarop in de besluitvorming te acteren.
Vraag 206
Verder vragen de leden van de VVD hoe moet blijken dat er sprake is van vrije instemming.
Is dat uitdrukkelijke vrije instemming ter zitting uitgesproken? Kan deze instemming
ook blijken uit gerechtelijke stukken? Welke feiten en omstandigheden moet de rechter
betrekken bij het toetsen of er vrije instemming is? Kan worden toegelicht waarom
niet is gekozen voor de term «uitdrukkelijke vrije instemming»?
Het is aan de rechter om vast te stellen of in de voorliggende zaak is voldaan aan
het vereiste van vrije instemming van draagmoeder, wensouders en indien van toepassing
de echtgenoot, echtgenote of geregistreerde partner van de draagmoeder. De toevoeging
«vrije» aan de instemming impliceert dat de rechter daarbij niet enkel af kan gaan
op een formeel gezamenlijk verzoek. Het is belangrijk dat hij daarbij alle beschikbare
informatie meeweegt en kan meewegen. Allereerst zal de rechter die instemming uit
de tussen draagmoeder en wensouders gesloten draagmoederschapsovereenkomst kunnen
afleiden. Deze overeenkomst kan niet anders dan met expliciete instemming tot stand
komen (zie in dat verband het vereiste dat de overeenkomst is ondertekend in voorgesteld
artikel 214, vierde lid). In dat licht voegt de geopperde toevoeging van «uitdrukkelijk»
aan de gestelde eis van vrije instemming weinig toe. Het onderzoek van de rechter
zal met name gericht zijn op de vraag of die instemming vrij gegeven is. Daartoe kan
hij ter zitting de betrokken personen expliciet vragen of zij instemmen met het draagmoederschapstraject.
De rechter kan bij zijn beoordeling ook nog andere zaken betrekken zoals de bevindingen
uit de counseling. Maar ook informatie over de relatie tussen partijen (familie of
bekenden van elkaar of juist onbekenden van elkaar), de wijze waarop zij met elkaar
in contact zijn gekomen en bijvoorbeeld de motivering om met elkaar een dergelijke
traject aan te gaan kunnen behulpzaam zijn bij de beoordeling of sprake is van vrije
instemming. Ook een eventuele toelichting van de juridische deskundige door wie de
draagmoeder en wensouders zich onafhankelijk van elkaar hebben moeten doen bijstaan
bij het opstellen van de draagmoederschapsovereenkomst, kan van betekenis zijn. Overigens
geldt het voorgaande ook als de draagmoeder en één wensouder het verzoek doen en de
rechter moet beoordelen of de levensgezel van die wensouder instemt (voorgesteld artikel
1:215, vierde lid, BW).
Vraag 71
De leden van de fractie van D66 geven aan het ermee eens te zijn dat rechters de vrijheid
krijgen om per geval goed te beoordelen of toekenning van het ouderschap na draagmoederschap
in het belang van het kind is. Zij wijzen er in dit verband op dat hoe groter de rechterlijke
vrijheid is, hoe kleiner de rechtszekerheid en mogelijk de rechtseenheid. Zij vragen
om handvatten om in het kader van een draagmoederschapszaak het «belang van het kind»
te duiden, zo mogelijk aan de hand van voorbeelden.
De Staatscommissie Herijking ouderschap heeft in haar rapport ruime aandacht besteed
aan de eisen die volgens haar gesteld zouden moeten worden aan ouderschap. De Staatscommissie
onderscheidt in dit verband zeven kernen van goed ouderschap. Dit zijn: een onvoorwaardelijk
persoonlijk commitment, continuïteit in de relatie met het kind, verzorging en zorg
voor lichamelijk welzijn, een pedagogische taak in engere zin, het organiseren en
monitoren van het opvoedingsarrangement in het gezin, op school en in het publieke
domein, zorgdragen voor de vorming van de afstammingsidentiteit van het kind en zorg
dragen voor contact- en omgangsmogelijkheden met voor het kind belangrijke personen.
Deze zeven kernen van ouderschap kan de rechter (mede) als handvat gebruiken bij de
beoordeling of toekenning van het ouderschap na draagmoederschap in het belang van
het kind is. Daarbij zal de vormgeving van de afstammingsidentiteit van het kind in
dit licht specifiek aandacht vragen. Overigens is met het oog op het belang van het
kind in de wettelijke regeling bewust de nodige ruimte voor beoordeling door de rechter
gelaten. Dit in plaats van vooraf concrete voorwaarden te stellen. Zo kan de rechter
alle specifieke omstandigheden van het geval meewegen bij de beoordeling of toekenning
van het ouderschap na draagmoederschap in het belang van het betrokken kind is. Als
er bij de rechter twijfel bestaat of de wensouders in staat zullen zijn hun taak in
deze behoorlijk vorm te geven, ligt het in de reden dat hij het verzoek (nog) niet
toewijst. Aanknopingspunten voor die twijfel kunnen blijken uit het verslag van de
counseling dat de wensouders bij hun verzoek dienen over te leggen. Overigens is zeer
wel denkbaar dat wensouders die feitelijk nog niet toe zijn aan het starten met een
draagmoederschapstraject daarvan zelf al doordrongen raken bij de voorlichting en counseling en vooralsnog
afzien van het trachten hun kinderwens in vervulling te brengen. Dit is bijvoorbeeld
ook gebleken bij de voorafgaand aan het starten van een interlandelijk adoptietraject
verplichte voorlichtingsbijeenkomsten.
Vraag 207, 208, 209 en 210
De leden van de VVD-fractie vragen de regering de rol van de raad voor de kinderbescherming
in lid 5 van artikel 214 nader toe te lichten. Deze fractieleden benoemen dat het
onderzoek dat de raad voor de kinderbescherming in die gevallen moet uitvoeren volgens
de toelichting een antecedentenonderzoek betreft, gericht op contra-indicaties voor
toekenning van het ouderschap na draagmoederschap. Hoe moet de raad voor de kinderbescherming
dat uitvoeren? Ook vragen de leden van de VVD-fractie vragen of er sprake is van een
voldoende wettelijke grondslag om gegevens te verwerken bij deze onderzoeken? Voorts
vragen de VVD fractieleden of het in de praktijk vooral gaat om de vaststelling dat
er in het land waar betrokkenen wonen geen sprake is van een strafblad en of de raad
voor de kinderbescherming hiertoe voldoende is geëquipeerd.
Het antecedentenonderzoek dat de raad voor de kinderbescherming uitvoert bij de wensouder(s),
of de levensgezel van de wensouder die het verzoek alleen doet, met gewone verblijfsplaats
in Nederland, en waarbij geen recente VOG is overgelegd, zal de raad als volgt uitvoeren.
De raad bekijkt of er justitiële documentatie is en raadpleegt het eigen registratiesysteem.
Voor wat betreft de onderzoeken bij in Nederland woonachtige betrokkene(n) heeft de
raad voor de kinderbescherming voldoende wettelijke grondslag om gegevens te verwerken.
De raad voert met deze onderzoeken een wettelijke taak uit. Voor het verwerken van
strafrechtelijke gegevens is er een grondslag in de Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens (artikel 42, vierde lid, onder c) en het Besluit justitiële en strafvorderlijke
gegevens (artikel 17) jo. 33, eerste lid, onder a, UAVG. Naar aanleiding van het advies
van 16 juli 2020 van de AP over het wetsvoorstel is de toelichting op dit punt aangepast
en is geconcretiseerd welke verwerkingen in het kader van dit onderzoek zullen plaatsvinden.
Indien de betrokkene zijn gewone verblijfsplaats buiten Nederland heeft zijn de mogelijkheden
voor de raad voor de kinderbescherming voor antecedentenonderzoek beperkt. De raad
kan het verzoek doen aan de betrokkene om zelf justitiële gegevens uit het buitenland
op te vragen. De raad voor de kinderbescherming is niet bevoegd dit te doen. De praktijk
laat zien dat het door betrokkenen zelf opvragen van justitiële gegevens in het buitenland
in sommige landen makkelijk gaat en in andere landen vrijwel onmogelijk is. In die
gevallen zal de raad moeten adviseren zonder over deze gegevens te beschikken. De
raad voor de kinderbescherming kan ook in gesprek gaan met betrokkene over de reden
dat er geen recente VOG wordt overgelegd. De bevindingen van dit gesprek kan de raad
meegeven aan de rechter.
Artikel 215
Vraag 211
De leden van de VVD-fractie constateren dat aan het verslag van de voorlichting en
counseling een geldigheidsduur is verbonden van vier jaar. Deze leden vragen of de
regering kan aangeven waar deze termijn op is gebaseerd? Tevens vragen zij of de regering
de stelling deelt dat er in vier jaar tijd veel kan veranderen in gezinssituaties?
Voor een geldigheidsduur van vier jaar is gekozen om een verslag ook bruikbaar te
kunnen laten zijn bij een eventueel opvolgend traject, zo is beschreven in de memorie
van toelichting (p. 73). Hierbij kan worden gedacht aan opvolgende trajecten met dezelfde
draagmoeder. Het klopt dat situaties in vier jaar tijd kunnen veranderen. Daarom is
ook niet gekozen voor een onbeperkte geldigheidsduur. Een kortere geldigheidsduur
zou problemen kunnen geven om het traject zorgvuldig te kunnen doorlopen.
Vraag 212
De leden van de VVD-fractie vragen hoe het zit met de geldigheidsduur van het verslag
van de voorlichting en counseling in andere landen met een regeling voor draagmoederschap?
Om in aanmerking te komen voor de van rechtswege erkenning van het in het buitenland
tot stand gekomen ouderschap na draagmoederschap, dienen de wensouders voorafgaand
aan de rechterlijke beslissing in het buitenland, in Nederland voorlichting en counseling
te hebben gevolgd. Het hiervan opgemaakte verslag heeft eveneens een geldigheidsduur
van vier jaar. Zijnde vanaf het moment van opmaken van het verslag tot aan de rechterlijke
beslissing in het buitenland.
Vraag 213
De leden van de VVD fractie vragen de regering toe te lichten waarom er niet voor
is gekozen om een gezinsonderzoek door de raad voor de kinderbescherming op te nemen
in artikel 215.
Er is niet gekozen voor een standaard gezinsonderzoek door de raad voor de kinderbescherming,
omdat dit een te zware eis zou zijn. De enkele omstandigheid dat betrokkenen niet
in staat zijn om zonder hulp van een derde, ouders van een kind te worden, is onvoldoende
om standaard een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming te laten uitvoeren
naar de geschiktheid van de wensouders. Hoewel draagmoederschap complex is, wordt
in het wetsvoorstel zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij de situatie waarin ouders
zonder hulp van een derde een kind krijgen. Deze ouders worden ook niet van tevoren
onderzocht op geschiktheid. Ook bij gerechtelijke vaststelling van het ouderschap
wordt bijvoorbeeld geen onderzoek door de raad uitgevoerd. Daarnaast zijn in het wetsvoorstel
voorwaarden opgenomen om eventuele risico’s voor het kind vooraf te signaleren. Zo
dienen wensouders en draagmoeder vooraf voorlichting en counseling te volgen én dienen
de wensouders een VOG te overleggen. Bij twijfel heeft de rechter altijd de mogelijkheid
om de raad te vragen een onderzoek uit te voeren.
Vraag 214
Verder vragen deze leden wat de gevolgen zijn als de verklaring van de draagmoeder
dat zij nog niet zwanger is onjuist blijkt te zijn.
Als de rechter de toekenning van het ouderschap na draagmoederschap heeft toegewezen,
en nadien blijkt dat de draagmoeder ter zitting al zwanger was, blijft die toekenning
in stand. Het feit dat de draagmoeder al zwanger was, kan wellicht wel een grond voor
herroeping opleveren, als blijkt dat zij niet zwanger is geworden overeenkomstig de
afspraken met de wensouder(s). Met het vereiste dat de draagmoeder ter zitting nog
niet zwanger mag zijn, is beoogd te bereiken dat partijen in alle vrijheid en voorafgaand
aan het traject goede afspraken met elkaar (kunnen) maken.
Vraag 215 en 216
De voornoemde leden vragen of de regering kan expliciteren welke documenten moeten
worden overlegd om te bewijzen dat ten minste één van de wensouders de genetische
ouder van het kind zal zijn. Ook vragen deze leden hoe wensouders de onmogelijkheid
hiervan aannemelijk kunnen maken.
Dat ten minste een van de wensouders de genetische ouder van het kind zal zijn, zal
allereerst moeten blijken uit de draagmoederschapsovereenkomst, waarin afspraken moeten
worden opgenomen over onder meer de herkomst van zaadcellen of eicellen die zullen
worden gebruikt bij het draagmoederschap (voorgesteld artikel 1:216, eerste lid, onder
e, BW). Een bewijs van wat nog in de toekomst zal gebeuren is daarbij strikt genomen
uiteraard niet te geven. Indien genetische verwantschap met ten minste een van de
wensouders niet mogelijk is, kunnen wensouders dit aannemelijk maken met bijvoorbeeld
een verklaring van een ter zake deskundige arts. Ook hier geldt dat de rechter de
vrijheid heeft om alle beschikbare relevante stukken mee te wegen om te beoordelen
of de onmogelijkheid aannemelijk is gemaakt.
Vraag 217 en 218
Deze leden vragen verder wat de reden is voor de regering om wettelijk te eisen dat
«vast staat» dat de familierechtelijke betrekking tussen het kind en ten minste één
wensouder in het land waar ze gewone verblijfplaats zullen hebben, vanaf de geboorte
van het kind zal worden erkend? Bovenstaande vragen stellen deze leden ook naar aanleiding
van lid 1 sub i van artikel 215.
Met de voorgestelde regeling wordt onder meer beoogd dat vanaf geboorte duidelijk
is wie als juridisch ouder verantwoordelijk is voor het kind. Dit is in de eerste
plaats in het belang van het kind. Aan de gestelde voorwaarde over het ontstaan van
familierechtelijke betrekkingen (voorgesteld artikel 1:215, eerste lid, onder h, BW)
wordt in elk geval voldaan als het kind na de geboorte samen met ten minste een van
de wensouders zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Dat kan anders zijn in
gevallen waarin het draagmoederschapstraject in Nederland is doorlopen en het kind
na de geboorte met ten minste een van de wensouders in een ander land gaat wonen.
In die gevallen kan het zijn dat het op grond van de voorgestelde regeling in Nederland
ontstane ouderschap in dat andere land niet wordt erkend. Risico kan dan zijn dat
in Nederland de wensouders als juridische ouders worden beschouwd, terwijl in het
andere land de draagmoeder als juridische ouder wordt aangemerkt of het kind zelfs
als juridisch ouderloos wordt aangemerkt. Een dergelijke zogenoemde hinkende rechtsverhouding
is niet in het belang van het kind en reden om te bepalen dat in die gevallen geen
gebruik kan worden gemaakt van de voorgestelde regeling. In dat licht is ook de voorwaarde
gesteld dat moet vaststaan dat het kind vanaf de geboorte de nationaliteit van ten
minste één van de wensouders zal bezitten (voorgesteld artikel 1:215, eerste lid,
onder i, BW), zodat in het belang van het kind verzekerd is dat het vanaf de geboorte
een nationaliteit heeft en niet staatloos wordt.
Vraag 219
Deze leden vragen voorts of het klopt dat de in artikel 215 genoemde eisen in de praktijk
kunnen betekenen dat één van deze eisen een groep mensen beweegt tot de keuze van
een buitenlands draagmoederschapstraject, of om, aan het eind van het Nederlandse
traject, de geboorte van het kind in het land van herkomst van de draagmoeder te laten
plaatsvinden? Zo ja, wat vindt de regering hiervan?
Zoals hiervoor aangegeven zijn de gestelde voorwaarden opgenomen in het belang van
het kind. Een regeling waarmee het kind het risico loopt om als juridisch ouderloos
te worden aangemerkt in het land waarin het woont of staatloos geboren te worden als
gevolg van hinkende afstammingsverhoudingen, is zeer tegen de belangen van het kind.
Dit weegt zwaar. Het valt niet uit te sluiten dat mensen, al dan niet mede vanwege
de in Nederland gestelde voorwaarden kiezen voor een draagmoederschapstraject in het
buitenland of dat de geboorte plaatsvindt in het buitenland. Van belang is dat ouders
ook dan kiezen voor een zorgvuldig traject. Hieraan zal in de verplichte voorlichting
de nodige aandacht worden besteed. Als zij voor een zorgvuldig traject kiezen dat
voldoet aan de voorwaarden van voorgesteld artikel 10:101a, derde lid, BW, komt het
in het buitenland ontstane ouderschap in aanmerking voor van rechtswege erkenning
in Nederland. In gevallen waarin één of meerdere zorgvuldigheidseisen zijn genegeerd,
zal de rechter het proces toetsen. De uitkomst van een dergelijke procedure is onzeker
en dat zal naar verwachting een extra prikkel voor mensen vormen om in het belang
van het kind en hun eigen belang te kiezen voor een zorgvuldig traject.
Vraag 220
De leden van de VVD-fractie vragen ook naar een toelichting op het feit dat in het
wetsvoorstel niet is bepaald dat de gewone verblijfplaats van partijen ten tijde van
de geboorte nog steeds in Nederland moet liggen.
In voorgesteld artikel 1:215, eerste lid, onder j, BW is als voorwaarde opgenomen
dat de draagmoeder en ten minste een van de wensouders de gewone verblijfplaats in
Nederland hebben en dat zij deze naar redelijke verwachting gedurende de zwangerschap
zullen houden. Het verzoek om toekenning van ouderschap na draagmoederschap wordt
beoordeeld voorafgaand aan de zwangerschap. Het moment van beoordeling kan dan ook
ruim voor de geboorte liggen. De rechtskracht van een voor de conceptie afgegeven
rechterlijke beschikking kan niet zonder rechterlijke beoordeling na de geboorte afhankelijk
worden gemaakt van de vraag waar de gewone verblijfplaats van partijen is ten tijde
van de geboorte. Dat zou de met het wetsvoorstel beoogde rechtszekerheid teniet doen.
Daarom is gekozen voor de formulering dat naar redelijke verwachting de gewone verblijfplaats
in Nederland zal worden behouden.
Vraag 221
Tevens vragen de voornoemde leden naar aanleiding van lid 1 sub k of de regeling in
artikel 215 zich uitstrekt tot gevallen waarin een partij die niet de Nederlandse
nationaliteit heeft en ook geen rechtmatig verblijf in Nederland.
Op grond van voorgesteld artikel 1:215, eerste lid, onder k, BW geldt als voorwaarde
dat de draagmoeder én ten minste één van de wensouders de Nederlandse nationaliteit
hebben dan wel rechtmatig verblijf in Nederland hebben op grond van artikel 8 onder
b, d of e van de Vreemdelingenwet 2000. Indien enkel een van de wensouders niet de
Nederlandse nationaliteit heeft, noch rechtmatig verblijf in Nederland en de draagmoeder
en de andere wensouder wel de Nederlandse nationaliteit of rechtmatig verblijf in
Nederland hebben, kan een beroep worden gedaan op de voorgestelde regeling. Dat is
niet het geval als de draagmoeder en/of beide wensouders niet de Nederlandse nationaliteit
noch rechtmatig verblijf in Nederland hebben.
Artikel 216
Vraag 222
De leden van de VVD-fractie vragen waarom in de draagmoederschapsovereenkomst niets
hoeft te worden opgenomen over de feitelijke opneming van het kind in het gezin van
de wensouders. Is het niet wenselijk dat het moment van de feitelijke opneming bijvoorbeeld
hierin wordt opgenomen?
In voorgesteld artikel 1:216 BW is opgenomen wat minimaal moet worden geregeld in
de draagmoederschapsovereenkomst. Zo moeten op grond van voorgesteld artikel 1:216,
eerste lid, onder d, BW in elk geval afspraken worden opgenomen over het contact tussen
de draagmoeder en het kind na de geboorte. Daarbij kunnen ook afspraken worden opgenomen
over het moment van de feitelijke opneming, maar dat is niet verplicht. Inherent aan
de draagmoederschapsovereenkomst is immers dat het kind op enig moment wordt overgedragen
aan de wensouders, zodat zij het kind feitelijk in hun gezin kunnen opnemen. Voorstelbaar
is dat partijen op voorhand niet al te concrete afspraken daarover willen maken bijvoorbeeld
omdat zij dat mede afhankelijk willen laten zijn van het verloop van de bevalling.
Vraag 223
Ook vragen de aan het woord zijnde leden wat er gebeurt in de situatie dat wensouders
gedurende de periode dat de draagmoeder zwanger is ruzie krijgen en hun onderlinge
relatie verbreken. Is het verstandig om in het belang van het kind vooraf vast te
leggen in de draagmoederschapsovereenkomst wat er in deze situatie gebeurt?
Als het verzoek tot toekenning ouderschap na draagmoederschap is toegewezen, betekent
dat dat de wensouders vanaf de geboorte de juridische ouders zullen zijn van het kind
en ook het ouderlijk gezag over het kind zullen hebben. Dit is ook het geval als de
relatie tussen de wensouders wordt verbroken. Deze situatie verschilt daarmee niet
van de situatie waarin sprake is van een zwangerschap, terwijl de ouders gehuwd zijn
of een geregistreerd partnerschap hebben of in geval van prenatale erkenning van een
kind in een niet-huwelijkse relatie, waarbij de aanstaande ouders voor de geboorte
van het kind uit elkaar gaan. De wensouders moeten in dat geval op gelijke wijze afspraken
maken over onder meer het hoofdverblijf, de omgang en de alimentatie. Komen partijen
daar niet uit dan staat de weg naar de rechter open.
Uiteraard kan het verstandig zijn als draagmoeder en wensouders afspraken maken over
de gang van zaken na de geboorte. Afspraken zullen echter geen rekening kunnen houden
met alle mogelijke specifieke omstandigheden op dat moment, te meer nu er sprake kan
zijn van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de toekenning van het ouderschap en de
totstandkoming van de zwangerschap. De toekenning van het ouderschap vanaf de geboorte
betekent dat ouders vanaf de geboorte de regie voeren en daarbij in het belang van
het kind beslissingen zullen nemen.
Artikel 219
Vraag 224
De leden van de VVD-fractie veronderstellen dat artikel 219 ervan uitgaat dat het
kind in Nederland wordt geboren. Dat is echter geen wettelijk vereiste. Moet niet
ook een regeling worden getroffen voor de gevallen waarin het kind vanaf zijn geboorte
in het buitenland zijn gewone verblijfplaats heeft?
Voorgesteld artikel 1:219 BW regelt wat naar Nederlands recht geldt na toekenning
van het ouderschap na draagmoederschap met betrekking tot het gezag als de wensouders
niet gehuwd zijn of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan; beide ouders oefenen
het gezag uit over het kind. Als de wensouders en het kind vanaf de geboorte in het
buitenland wonen, kan daar de vraag rijzen wie het gezag heeft over het kind. Het
is aan de bevoegde autoriteiten aldaar om deze vraag te beantwoorden op basis van
het daar geldende recht. De Nederlandse wet kan daarin niet voorzien.
Artikel 220
Vraag 225
De leden van de VVD-fractie vragen of de procedure tot beëindiging van het ouderschap
zoals geregeld in de artikelen 220 t/m 222 ook openstaat voor de gevallen waarin wensouders
hebben gekozen voor adoptie na de geboorte van het kind. Kan de regering dit antwoord
toelichten?
De voorgestelde artikelen 1:220 tot en met 1:222 BW geven regels over de herroeping
van de toekenning van het ouderschap na draagmoederschap. Voor gevallen waarin geen
sprake is geweest van toekenning van ouderschap na draagmoederschap, maar de wensouders
na een draagmoederschapstraject door adoptie de juridische ouders zijn geworden, gelden
de huidige artikelen 1:231 en 1:232 BW.
Artikel 221
Vraag 226
De leden van de VVD-fractie vragen of, als de gerechtelijke toekenning van het ouderschap
na draagmoederschap wordt herroepen, wat de familierechtelijke betrekkingen betreft,
de uitspraak moet worden geacht terug te werken tot het tijdstip van de geboorte,
en niet tot het tijdstip van de voor de geboorte tot stand gekomen beslissing. Begrijpen
deze leden dat op deze manier goed?
In voorgesteld artikel 1:221 BW zijn de gevolgen van de door de rechter herroepen
gerechtelijke toekenning van het ouderschap na draagmoederschap geregeld. Als de rechter
het verzoek om herroeping toewijst, wordt de toekenning van het ouderschap na draagmoederschap
geacht geen gevolg te hebben. Die toekenning wordt aldus geacht er nooit te zijn geweest.
Dat geldt ook ten aanzien van de afstammingsrechtelijke gevolgen; na herroeping geldt
het algemene afstammingsrecht.
Artikel 222
Vraag 227
Een meerderjarig kind kan via een verzoekschriftprocedure om beëindiging van het via
draagmoederschap verkregen ouderschap vragen, zo begrijpen de leden van de VVD-fractie
artikel 222. Volgens dit artikel wordt bij toekenning van een verzoek tot beëindiging
van het ouderschap het kind dan ook juridisch ouderloos, zoals elders is vermeld in
de memorie van toelichting aldus genoemde leden. Zij geven aan dat in andere Nederlandse
wet- en regelgeving de term «ouderloos» is gedefinieerd als het kind wiens beide ouders
zijn overleden, maar van wie het nog steeds afstamt. Zij vragen of het niet beter
is in de context van het wetsvoorstel een andere definitie te kiezen ofwel een andere
terminologie te gebruiken die beter aansluit bij het bestaande familierecht.
Als het ouderschap wordt beëindigd op grond van voorgesteld artikel 1:222 BW, herleven
ingevolge het derde lid geen familierechtelijke betrekkingen. Deze omschrijving sluit
aan bij de terminologie van het bestaande familierecht. De term «ouderloos» is in
de voorgestelde regeling niet gebruikt. Wel is in de memorie van toelichting deze
aanduiding gebruikt. Dit teneinde te verduidelijken dat er na en door de beëindiging
van het ouderschap – anders dan bij adoptie – geen band met de oorspronkelijke ouder
herleeft en geen nieuwe of andere ouder in de plaats treedt.
Vraag 228 en 229
Voornoemde leden vragen ook of de juridische gevolgen van ouderloosheid voor de nationaliteit
van het kind voldoende in kaart zijn gebracht bij «ouderloosheid» ofwel «afstammingsloosheid».
Wat is bijvoorbeeld het gevolg voor de Nederlandse nationaliteit als de niet-biologische
ouder de enige partij bij de draagmoederconstructie is aan wie het kind de Nederlandse
nationaliteit heeft ontleend? En vervalt bij de ouderloosheid ook de eventuele dubbele
nationaliteit van het kind?
Als het ouderschap wordt beëindigd van de niet-biologische ouder aan wie het kind
als enige het Nederlanderschap ontleent, heeft dit geen gevolgen voor de Nederlandse
nationaliteit van het kind. Het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan
het Nederlanderschap wordt ontleend, kan namelijk alleen tot verlies van het Nederlanderschap
leiden als het kind op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking
minderjarig was (artikel 14, zesde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna:
RWN)). Nu beëindiging van het ouderschap na draagmoederschap alleen door het (jong)meerderjarige
kind kan worden verzocht, kan de situatie waarin het ouderschap op verzoek van het
kind wordt beëindigd gedurende diens minderjarigheid zich niet voordoen. Wat de gevolgen
van de beëindiging van het ouderschap zijn voor een eventuele vreemde nationaliteit
die het kind tevens bezit, wordt bepaald door de (nationale wetgeving van) de staat
van de betreffende nationaliteit.
Vraag 230
De leden van de VVD-fractie vragen of er landen zijn waarin kinderen juridisch van
niemand meer afstammen en hoe deze landen hiermee omgaan.
Er is geen compleet beeld van wetgeving omtrent draagmoederschap in andere landen.
Bekend is wel een zaak tegen Italië waarin iets vergelijkbaars speelde en waarover
bij het EHRM een procedure is gevoerd.106 Het ging in deze zaak over een kind dat in Oekraïne uit een draagmoeder was geboren.
De Italiaanse wensvader was de biologische vader van het kind; de Italiaanse wensmoeder
had geen biologische band met het kind. Op de in Oekraïne afgegeven geboorteakte stonden
de wensouders als ouders van het kind vermeld. De Italiaanse autoriteiten weigerden
om deze geboorteakte in Italië te erkennen en te registreren, omdat – zoals de autoriteiten
het formuleerden – de belangen van het kind nooit kunnen opwegen tegen het openbare-ordebelang
van het tegengaan van commercieel draagmoedershap. Door de weigering om de Italiaanse
ouders als juridische ouders te erkennen, had het kind volgens Italiaans recht dus
helemaal geen ouders en was het daarmee ook staatloos. Het EHRM oordeelde dat het
niet-erkennen van het juridisch vaderschap van de biologische vader in strijd was
met artikel 8 EVRM, omdat de Italiaanse autoriteiten bij de beslissing om de erkenning
van zijn ouderschap te weigeren, de belangen van het kind onvoldoende hadden meegewogen.
Omdat het Italiaanse recht intussen de mogelijkheid van adoptie kent om het ouderschap
van de wensmoeder vorm te geven langs de weg van adoptie in Italië, oordeelde het
EHRM dat daarmee het recht van het kind op eerbiediging van haar private life met
de wensmoeder wel voldoende was gerespecteerd.
Vraag 231
De leden van de VVD-fractie vragen verder of het wat de juridische afstamming betreft,
klopt dat de beslissing van de rechtbank in de procedure van artikel 222 terugwerkt
tot het tijdstip van de geboorte, en niet tot het tijdstip van de beëindiging.
De beëindiging op grond van het voorgestelde artikel 1:222 BW heeft géén terugwerkende
kracht.
Dit, anders dan de in de voorgestelde artikelen 1:220 en 1:221 BW geregelde herroeping
van de gerechtelijke toekenning van ouderschap na draagmoederschap, welke wél terugwerkende
kracht heeft. Teneinde dit verschil tussen beide bepalingen duidelijk te laten uitkomen
is in voorgesteld artikel 1:222 BW gekozen voor de term beëindiging.
Artikel 1:198
Artikel 1:213
Artikel 1:215
Vraag 235
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben zorgen over de bepaling die genetische
verwantschap loslaat. Zij onderschrijven de geuite zorgen van Fiom over de gevolgen
voor kinderen en identiteitsvragen die hierbij meekomen. Zij vragen naar onderzoek
dat staaft dat een dergelijke bepaling daadwerkelijk in het belang van het kind is.
Een verzoek om toekenning ouderschap na draagmoederschap wordt afgewezen als niet
ten minste één van de wensouders de genetische ouder van het kind zal zijn. Dat is
slechts anders als een dergelijke genetische verwantschap onmogelijk is. Uit onderzoek
blijkt dat het voor kinderen in verband met hun identiteitsontwikkeling belangrijk
is om te kunnen weten van wie zij afstammen en dat wordt als zodanig ook door het
EHRM erkend.107 Ook blijkt uit onderzoek dat het op jonge leeftijd geven van openheid van ouders
naar een kind geboren na draagmoederschap over diens ontstaansgeschiedenis een positieve
invloed kan hebben op de identiteitsontwikkeling.108 Daarom wordt ook de eis gesteld dat de afstammingsgegevens (op termijn) beschikbaar
zijn voor het kind (voorgesteld artikel 1:215, eerste lid, onder e, en voor buitenlandse
trajecten voorgesteld artikel 10:101a, derde lid, sub a, onder 1, BW). Deze voorwaarde
geldt ook in gevallen waarin een genetische verwantschap tussen het kind en ten minste
één van de wensouders onmogelijk blijkt. Bovendien zijn er, zoals eerder in beantwoording
van vragen van de ChristenUnie-fractie is genoemd, verschillende onderzoeken die laten
zien dat voor goed opvoederschap geen biologische of genetische relatie nodig is tussen
de ouder en het kind. De kwaliteit van de relaties binnen het gezin en met de sociale
omgeving zijn belangrijker voor het welzijn van het kind dan, onder meer, de biologische
band met het kind of het geslacht of seksuele voorkeur van diens ouders.109
Artikel 1:222
Vraag 236
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de onderbouwing voor de termijn van
3 jaren die in artikel 222 lid 3 wordt gesteld en waarom een termijn hierin in het
belang van het kind is?
Voor de termijn van drie jaar is aansluiting gezocht bij de bestaande regelingen op
grond waarvan juridisch ouderschap op verzoek van het kind ongedaan kan worden gemaakt
als de betreffende ouder niet de biologische ouder van het kind is (ontkenning ouderschap
en vernietiging erkenning). 110 Het stellen van termijnen als deze dienen de rechtszekerheid. Uit de jurisprudentie
blijkt dat op grond van artikel 8 EVRM van de gestelde termijn kan worden afgeweken
wanneer dit in bijzondere gevallen in het belang van het kind noodzakelijk is.111 In de praktijk blijkt dat kinderen soms pas op latere leeftijd de behoefte krijgen
om de juridische afstammingsrelatie met een niet-biologische ouder die veelal ook
uit beeld is verdwenen te beëindigen. Doorgaans wordt door de rechter gerespecteerd
dat zij daar niet eerder aan toe waren.112 Het neerleggen van een termijn in voorgesteld artikel 1:222 BW beoogt niet om een
verandering aan te brengen in de bestaande jurisprudentielijn. Die lijn is van overeenkomstige
toepassing op de in het voorgestelde artikel 1:222 BW gestelde termijn.
Artikel III Boek 10 BW
Artikel 98a
Vraag 237
De leden van de VVD-fractie vragen waarom is gekozen artikel 98a onder te brengen
in de afdeling in Boek 10 die gaat over familierechtelijke betrekkingen door afstamming.
Met de opname van artikel 98a is het advies van de Staatscommissie IPR gevolgd om
een afzonderlijke conflictregel voor draagmoederschap te formuleren in titel 5 van
Boek 10. Het artikel is aldus ondergebracht in een nieuwe Afdeling 3A in titel 5 van
Boek 10 BW. De huidige titel 5 bevat verschillende afdelingen met verwijzingsregels
voor in het buitenland ontstane afstamming door geboorte, door erkenning of gerechtelijke
vaststelling ouderschap en door wettiging. Straks zal daar dus een nieuwe afdeling
aan zijn toegevoegd met de verwijzingsregel voor de situatie waarin een draagmoederschapsovereenkomst
is gesloten. De nieuwe regel past daarmee bij de andere verwijzingsregels in titel
5 van Boek 10 BW.
Vraag 238, 239 en 240
De leden van de VVD-fractie vragen ook waarom niet is gekozen om in afdeling 5 alleen
gevallen bedoeld via draagmoederschapsovereenkomsten onder te brengen en in afdeling
6 de gevallen waarin ouderschap wordt verkregen via adoptie na de geboorte van het
kind, omdat dit onderscheid ook gebruikelijk in internationale en Europese regelgeving.
In verband met deze vraag, menen de leden van de VVD-fractie dat het voorgestelde
artikel 101a bij buitenlandse adopties doubleert met het bestaande artikel 10:109
en vragen zij waarom is niet gekozen artikel 109 aan te passen aan de situatie van
adoptie na draagmoederschap?
Ervan uitgaande dat genoemde leden waar zij spreken over afdeling 5 en 6 bedoelen
titel 5 en 6 van Boek 10 BW het volgende. De reden dat opname van ouderschap van wensouders
dat is ontstaan na een in het buitenland uitgesproken adoptie straks niet langer valt
onder het bepaalde in titel 6 van Boek 10 is dat deze bepalingen zien op interlandelijke
adopties. Daarvan is in geval van ouderschap van wensouders dat door adoptie is ontstaan
feitelijk geen sprake. Van interlandelijke adoptie is sprake als een kind wordt geadopteerd
dat in het land van herkomst niet door de eigen ouders of familie of sociaal netwerk
of een jeugdopvangvoorziening kan worden verzorgd en opgevoed. In deze situatie worden
ouders gezocht voor een reeds geboren kind. In geval van het gebruik van de rechtsfiguur
adoptie voor het tot stand brengen van een familierechtelijke betrekking tussen de
wensouders en het kind, gaat het niet om een kind dat in het land waarin het is geboren
niet kan worden opgevangen en waarvoor ouders worden gezocht. Het gaat om een kind
dat uit een draagmoeder is geboren en vrijwel altijd genetisch verwant is aan ten
minste één wensouder en met de wensouders mee naar huis gaat in het land waarin zij
wonen. Dat de bepalingen van titel 6 van Boek 10 BW zich niet lenen voor door adoptie
ontstaan ouderschap van wensouders is in de rechtspraak ook vastgesteld, zie bijvoorbeeld:
Rb. Den Haag 13 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:363 en Rb. Den Haag 8 oktober 2024,
ECLI:NL:RBDHA:2024:16361. Omdat het bij het ouderschap van wensouders van een uit
een draagmoeder geboren kind om iets anders gaat dan interlandelijke adoptie, is ervoor
gekozen om de erkenning van dat ouderschap te regelen in separate, speciaal op draagmoederschap
toegesneden bepalingen.
Artikel 101a
Vraag 241
Naast de hiervoor reeds beantwoorde vraag over artikel 101a vragen de leden van de
VVD-fractie over dit artikel waarom bij de erkenning van afstammingsverhoudingen na
het volgen van buitenlandse draagmoedertrajecten geen eisen worden gesteld aan de
hoogte van vergoedingen en welke alternatieven hiervoor zijn overwogen.
Indien wensouders kiezen voor een draagmoederschapstraject in het buitenland, hangt
het van de ter plaatse geldende regelgeving af of het überhaupt is toegestaan om vergoedingen
aan de draagmoeder te betalen. Als vergoedingen zijn toegestaan, verschilt de hoogte
ervan per land en zijn de toegestane bedragen onder meer afhankelijk van de hoogte
van medische of juridische kosten in het desbetreffende land. Het is niet uitvoerbaar
om vanuit Nederland de maximale hoogte van de in het buitenland te betalen vergoedingen
te bepalen en om die reden is er dan ook van afgezien om dit te doen. Met de voorgestelde
erkenningsregeling van in het buitenland ontstaan ouderschap van wensouders wordt
beoogd de wensouders te prikkelen om uiterst zorgvuldig en transparant de verschillende
stappen in het in het buitenland te doorlopen traject te zetten. Hiermee wordt zoveel
mogelijk voorkomen dat de Nederlandse rechter, achteraf, moet beoordelen of en zo
ja hoe het ouderschap van de wensouders juridisch vorm kan krijgen in Nederland. Zonder
de voorgestelde regelgeving is het immers altijd aan de Nederlandse rechter om zich
achteraf te buigen over de vraag hoe zorgvuldig en transparant het traject dat de
wensouders hebben doorlopen is geweest. Waar in de praktijk vrijwel altijd sprake
is van genetische verwantschap tussen het kind en ten minste één wensouder, heeft
de rechter, als hij dat al in het belang van het kind zou vinden, bijzonder weinig
ruimte om de wensouders het juridisch ouderschap te onthouden. Het achteraf geconfronteerd
worden met wensouders die hun eigen gang zijn gegaan en zich niet voldoende hebben
bekommerd om de eisen die vanuit Nederland aan een buitenlands draagmoederschapstraject
gesteld worden, wordt met de voorstellen zoveel mogelijk voorkomen. Daarbij moet onder
ogen worden gezien dat het bijvoorbeeld vanuit Nederland bepalen van de maximale hoogte
van de in het buitenland toelaatbare vergoedingen contraproductief zal kunnen werken.
Want als wensouders in een bepaalde situatie om wat voor reden dan ook geconfronteerd
worden met extra kosten, zou dat direct betekenen dat hun ouderschap daarmee ter discussie
komt te staan. Dit klemt temeer omdat, zoals hiervoor aangegeven, hun genetische band
met het kind daar eigenlijk geen ruimte voor laat, terwijl het wel een (enorme) vertraging
kan opleveren in de zekerheid omtrent de afstamming van het kind. Dat is niet in het
belang van het kind. Om die reden moet worden volstaan met het zoveel mogelijk stimuleren
van wensouders om het traject met uiterste zorgvuldigheid in te gaan.
Vraag 242
De leden van de VVD-fractie lezen in het voorgestelde derde lid van artikel 101a een
uitzondering op de uitzondering waarbij wordt teruggevallen op de hoofdregel voor
de erkenning van afstammingsverhoudingen en vragen of dit niet beter in de wetstechniek
anders kan worden opgelost.
De artikelen 100 en 101 van Boek 10 BW kennen als hoofdregel de van rechtswege erkenning
van in het buitenland uitgesproken rechterlijke beslissingen of door een bevoegde
instantie opgemaakte akten met betrekking tot de vaststelling of wijziging van familierechtelijke
betrekkingen. Omdat draagmoederschap en het daaruit voortvloeiende ouderschap van
wensouders van het uit de draagmoeder geboren kind zo’n bijzonder fenomeen is, waarover
op de wereld verschillend wordt gedacht en ook zeer verschillend mee wordt omgegaan,
is een aparte regeling voor de erkenning noodzakelijk. In die aparte in artikel 101a
neergelegde regeling wordt echter wel zoveel mogelijk aangesloten bij het uitermate
belangrijke beginsel van het internationaal privaatrecht dat wij beslissingen van
buitenlandse rechters respecteren. Als het ouderschap van wensouders is vastgesteld
door een rechter in het land waarin het kind is geboren, dan vormt dat een belangrijke
waarborg voor de zorgvuldigheid waarmee het traject is doorlopen. Het in dat geval
opnieuw laten beoordelen van het traject door een Nederlandse rechter biedt dan geen
meerwaarde. Het mede aan de hand van overgelegde bescheiden controleren of voldaan
is aan enkele voor Nederland zeer belangrijke eisen die aan het erkennen van ouderschap
van wensouders worden gesteld, vergt geen belangenafweging en kan daarom goed door
andere instanties bij wie de erkenningsvraag voorligt worden gedaan. Dat rechtvaardigt
om in voorgesteld artikel 101a als hoofdregel te bepalen dat de rechter een beslissing
neemt over het ouderschap van de wensouders, om in geval deze reeds in het buitenland
is gegeven, ruimte te bieden om het nagaan of aan de overige erkenningsvereisten is
voldaan over te laten aan een andere instantie.
Artikel IV Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Artikel 3a
Vraag 243
De leden van de VVD-fractie vragen of het vanuit de wetstechniek niet de voorkeur
zou verdienen om in dit artikel een verwijzing op te nemen naar het vereiste dat het
traject zal worden doorlopen terwijl partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland
houden.
In het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn de formele vereisten opgenomen
(regels van procesrecht), zoals de regels wanneer de Nederlandse rechter bevoegd is.
De materiele vereisten – de inhoudelijke vereisten waaraan een verzoek moet voldoen
om toegewezen te kunnen worden – plegen te worden opgenomen in de betreffende specifieke
regeling. Dat is in dit geval Boek 1 BW.
De rechter moet bij aanvang van de procedure aan de hand van de feiten zoals die op
dat moment voorliggen, beoordelen of hij bevoegd is. Een vereiste dat het traject
zal worden doorlopen terwijl partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland houden,
vergt een inschatting van het verloop van het (verdere) draagmoederschapstraject.
Een dergelijk vereiste vraagt daarmee een inhoudelijke beoordeling en kwalificeert
eerder als een materieel dan als een formeel vereiste. Overigens zijn de in Boek 1
BW neergelegde inhoudelijke vereisten er al op gericht dat het draagmoederschapstraject
in Nederland wordt doorlopen, terwijl partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland
houden. Een expliciete voorwaarde dat het traject zal worden doorlopen terwijl partijen
hun gewone verblijfplaats in Nederland houden, acht ik minder passend nu verzoeken
om toekenning van ouderschap na draagmoederschap voorafgaand aan de conceptie en het
(verdere) traject aan de rechter worden voorgelegd. Een dergelijk traject kan immers
geruime tijd in beslag nemen en daardoor kan vooraf geen absolute zekerheid worden
verkregen over de verblijfplaats van partijen in het verdere traject.
Vraag 244, 245 en 246
Ook vragen deze leden of een opsomming kan worden gegeven van «alle daarmee verband
houdende opvolgende zaken». Valt daar ook onder de verkrijging van ouderschap na adoptie
via draagmoederschap? Deelt de regering de mening dat deze bepaling in de huidige
vorm zonder een volledige opsomming tot onduidelijkheden zal leiden? Waarom is gekozen
om hierover in de wet zelf geen duidelijkheid te geven?
De bevoegdheidsregeling van voorgesteld artikel 3a Rv is beperkt tot de Nederlandse
draagmoederschapsregeling, namelijk verzoeken om toekenning van het ouderschap na
draagmoederschap op grond van voorgesteld artikel 1:213 e.v. BW. Heeft de rechter
zich bevoegd geacht kennis te nemen van een dergelijk verzoek, dan is hij ook bevoegd
ter zake van daarmee verband houdende opvolgende zaken zoals verzoeken die zien op
aanpassing van de draagmoederschapsovereenkomst of herroeping van de toekenning van
het ouderschap na draagmoederschap.
Bij verkrijging van het ouderschap na draagmoederschap door adoptie, zal in de regel
geen sprake zijn (geweest) van een verzoek om toekenning van het ouderschap na draagmoederschap
zoals bedoeld in voorgesteld artikel 1:213 e.v. BW. Bij een dergelijk verzoek is voorgesteld
artikel 3a, tweede lid, Rv dan ook niet van toepassing. Met de formulering van voorgesteld
artikel 3a, tweede lid, Rv is een ruim toepassingsbereik beoogd, waarbij de rechter
in alle geschillen die uit de regeling kunnen voortvloeien alsmede samenhangende kwesties
ook rechtsmacht heeft. Een limitatieve opsomming zou de beoordelingsruimte van de
rechter daarbij nodeloos beperken.
Vraag 247
De leden van de VVD-fractie vragen verder of het voorgestelde artikel 3a en de uitleg
van het perpetuatio fori beginsel zoals verwoord in de memorie van toelichting overeenkomt
met de uitleg die de Staatscommissie IPR aan dit beginsel geeft, en zo niet, of de
Staatscommissie IPR hierover advies kan geven.
Het beginsel van perpetuatio fori houdt in dat als ten tijde van het aanhangig maken
van de zaak in eerste instantie (internationale) rechtsmacht voor de (Nederlandse)
rechter bestaat, daarin tijdens de procedure door een latere wijziging van de feiten
en omstandigheden geen verandering kan komen. De Staatscommissie IPR heeft in haar
advies aangegeven dat het de wetgever in het kader van deze regeling vrij staat om
van dit beginsel af te wijken, maar hiervoor is niet gekozen. In voorgesteld artikel
3a, tweede lid, Rv is bepaald dat in alle met de Nederlandse draagmoederschapsregeling
samenhangende kwesties dit beginsel (ook) geldt; is eenmaal rechtsmacht aangenomen
dan blijft deze rechtsmacht behouden, ook na eventuele wijziging van omstandigheden.
Vraag 248
De voornoemde leden twijfelen of het in het licht van het voorgaande wenselijk is
dat de Nederlandse rechter situaties moet beoordelen die beter door rechters in andere
landen kunnen worden beoordeeld. Bijvoorbeeld in situaties waarin betrokkenen zich
al decennia niet meer in Nederland bevinden. In dergelijke gevallen kan de Nederlandse
rechter slechts beperkt zicht krijgen op de wenselijkheid om het ouderschap van de
niet-biologische ouder met terugwerkende kracht te beëindigen. Wat vindt de regering
hiervan?
Vooropgesteld wordt dat artikel 3a Rv een bevoegdheidsregeling neerlegt voor de Nederlandse
rechter. Buitenlandse rechters zijn daar niet aan gebonden. Zij zullen aan de hand
van hun eigen interne recht moeten beantwoorden of zij bevoegd zijn om te oordelen
over een bepaalde vraag. Voorgesteld artikel 3a Rv beperkt die mogelijkheid niet.
Voor wat betreft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt opgemerkt dat procedures
die samenhangen met de toekenning van het ouderschap na draagmoederschap in de regel
gedurende het traject of kort daarna zullen spelen. Daarbij geldt dat herroeping door
de draagmoeder of door een of beide wensouders tot drie maanden na de geboorte van
het kind mogelijk is. In die gevallen is rechtsmacht voor de Nederlandse rechter in
elk geval wenselijk. Ervan uitgaande dat deze leden met name doelen op de mogelijkheid
van het kind om tussen zijn 18e en 21e verjaardag de toekenning van het ouderschap van de niet biologische ouder te laten
beëindigen geldt dat ook in die situatie de rechtsmacht voor de Nederlandse rechter
passend en wenselijk is; de grond voor beëindiging – de ouder is niet de biologische
ouder – laat immers geen ruimte voor beoordeling van de wenselijkheid. Bovendien is
voorstelbaar dat een buitenlandse rechter zich niet bevoegd zal achten als het gaat
om het beëindigen van ouderschap na draagmoederschap. Overigens werkt de beëindiging
vanaf het moment dat de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden en deze
heeft geen terugwerkende kracht.
Artikel 9
Vraag 249
De leden van de VVD-fractie merken op dat deze wijziging niet is toegelicht in het
artikelsgewijze deel van de memorie van toelichting. Zij vragen of deze wijziging
kan worden toegelicht. Wat zijn zaken betreffende de gerechtelijke toekenning?
Deze wijziging hangt samen met het voorgestelde artikel 3a Rv en regelt de verhouding
tussen artikel 9 en artikel 3a. Artikel 3a Rv is een lex specialis. Voorgesteld artikel
9, tweede lid, Rv bepaalt uitdrukkelijk dat de bevoegdheidsregeling van artikel 9,
eerste lid, Rv niet van toepassing is in zaken betreffende de gerechtelijke toekenning
van ouderschap na draagmoederschap. Dat waarborgt dat er voldoende band is met de
Nederlandse rechtssfeer.
B Artikel 151b Sr
Vraag 250
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering stelt dat de doelstelling tot bescherming
tegen commercieel draagmoederschap nog steeds actueel is, omdat draagmoederschap een
gecompliceerd juridisch en ethisch vraagstuk betreft, waarmee ernstige psychologische
effecten voor moeder en kind gepaard kunnen gaan. Deze leden vragen of de regering
nader kan ingaan op deze psychologische effecten voor moeder en kind. De fractieleden
benoemen dat doorgaans sprake is van een hechte band tussen moeder en kind vanaf het
moment van de conceptie. Bij draagmoederschap wordt die bewust verbroken na de geboorte.
Zoals eerder in de beantwoording is aangegeven, kan uit verschillende wetenschappelijke
onderzoeken de voorzichtige conclusie worden getrokken dat het over het algemeen goed
gaat met kinderen die zijn geboren na draagmoederschap en dat deze resultaten niet
wijzen op hechtingsproblematiek bij deze kinderen. Hierbij wordt nogmaals gewezen
op de eerder genoemde beperkingen van deze onderzoeken.
Een studie uit 2003 onder Engelse draagmoeders naar psychologische effecten van een
draagmoederschapstraject op draagmoeders, laat zien dat deze vrouwen geen langdurige
psychologische schade opliepen. In dit onderzoek is gekeken naar meerdere aspecten.
Ten eerste bleek dat draagmoeders in de helft van de gevallen geen speciale band voelden
met het kind. De andere helft gaf aan wel een band te voelen met het kind, maar zij
voelden niet alsof het kind van hen was. Daarnaast waren alle draagmoeders tevreden
met de mate van contact die zij met het kind en de wensouders onderhielden. Volgens
het onderzoek is dit te danken aan de duidelijke afspraken die van te voren zijn gemaakt.
Deze constatering onderschrijft de noodzaak voor goede counseling vooraf, zowel voor
de draagmoeder als de wensouders. Ten slotte blijkt uit het onderzoek dat een aantal
draagmoeders het moeilijk vond om het kind na de geboorte over te dragen aan de wensouders.
Dit gevoel verdween echter na verloop van een week tot enkele maanden. Na een jaar
ondervond geen enkele draagmoeder psychologische problemen. Uit vervolgonderzoek uit
2017, in een beperkte onderzoeksgroep, bleek dat de draagmoeders tien jaar na de geboorte
van het kind nog steeds positief waren over het traject en hun psychologisch welzijn
was niet veranderd.113
Een ander Engels onderzoek uit 2010 laat eveneens zien dat draagmoeders over het algemeen
geen speciale band voelen met het kind, omdat zij vanaf het begin bewust afstand nemen
van het kind. Dit zorgt ervoor dat er tussen de draagmoeder en het kind geen hechte
band ontstaat, die doorgaans wel tussen moeder en kind zou ontstaan. De draagmoeders
ondervinden daardoor weinig tot geen psychologische problemen bij de overdracht van
het kind.114 Ook uit recent Nederlands onderzoek dat is verricht in opdracht van het WODC blijkt
dat draagmoeders geen of weinig moeite hadden met de overdracht van het kind aan de
wensouders. In deze studie wordt ook verwezen naar buitenlands onderzoek naar de vraag
of en zo ja in welke mate er een band ontstaat tussen de draagmoeder en het kind.
Ook in deze studies komt naar voren dat als er al sprake was van een band deze anders
was dan bij een «eigen» zwangerschap.115
Deze resultaten kunnen echter niet zonder meer worden gegeneraliseerd naar draagmoeders
uit niet-Westerse landen. In onderzoek uit 2018 naar het welzijn van draagmoeders
in India – een land met een laag inkomen – komt naar voren dat deze vrouwen hogere
mate van depressies tijdens de zwangerschap en na de geboorte ervoeren dan vrouwen
die een kind voor zichzelf droegen. Uit dit onderzoek bleek echter ook dat het afstaan
van het kind de depressie niet verergerde. De draagmoeders bleken juist depressiever
tijdens de zwangerschap en voorafgaand aan het aangaan van een traject. Factoren die
hierbij volgens de onderzoekers meespeelden is dat draagmoederschap in India wordt
gestigmatiseerd, waardoor vrouwen de zwangerschap geheim hielden voor hun familie
en de gemeenschap, hetgeen een depressie in de hand werkte. Volgens de onderzoekers
geven deze resultaten een aanwijzing dat begeleiding en counseling van draagmoeders,
met name tijdens de zwangerschap, psychologische problemen van draagmoeders kan verlichten.116
III. Overig
Vraag 251
De leden van de Volt-fractie achten het van groot belang dat er, naast de uitvoering
van de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking ouderschap over draagmoederschap,
ook op korte termijn uitvoering gegeven wordt aan de aanbevelingen over meerouderschap
en meeroudergezag.
Op 10 maart 2025 heeft het kabinet uw Kamer bericht over de onderzoeksresultaten en
besluitvorming in het kader van meerouderschap en meerpersoonsgezag.117 Het kabinet heeft geconstateerd dat uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in het
geval van meerouderschapssituaties een wettelijke regeling voor meerouderschap en
meerpersoonsgezag in het belang is van kinderen die vanaf de geboorte in een meeroudersituatie
opgroeien. Voor samengestelde gezinnen kan in bepaalde situaties meerpersoonsgezag
in het belang van het kind zijn. Voor deze laatste groep blijkt de wens tot een wettelijke
regeling minder sterk te zijn dan voor de eerstgenoemde groep. Hoewel de inschatting
is dat er voor invoering van meerouderschap en meerpersoonsgezag geen stelselwijzigingen
nodig zijn wanneer zo veel mogelijk wordt aangesloten bij bestaande regelingen, zoals
regelingen voor co-ouderschapssituaties, bleken er wel forse incidentele (minimaal
ca. 11 tot 50 miljoen) en structurele kosten (minimaal ca. 5 tot 6 miljoen) te verwachten
te zijn. Het kabinet heeft in die brief laten weten dat binnen de rijksbegroting vooralsnog
geen middelen zijn gereserveerd voor de implementatie en uitvoering van een wettelijke
regeling voor meerouderschap en meerpersoonsgezag. Daarbij heeft het kabinet tevens
gewezen op het gegeven dat de invoering van een wettelijke regeling een flinke opgave
zou betekenen voor diverse uitvoeringsorganisaties die al fors onder druk staan door
geplande (systeem)wijzigingen en beleid- en wetgevingstrajecten. De conclusie van
het kabinet was dan ook dat het niet over zal gaan tot de voorbereiding van een wettelijke
regeling.
Vraag 252
Tot slot vragen de leden van de Volt-fractie ook of in kaart gebracht kan worden wat
de rol is (of kan zijn) van een mogelijke partner van de draagmoeder – zowel vóór,
tijdens als na het draagmoederschapstraject. De leden horen graag van de regering
welke rol de partner van de draagmoeder momenteel inneemt en hoe deze al dan niet
verandert wanneer het huidige wetsvoorstel in werking zou treden.
Ervan uitgaande dat deze leden willen weten welke wettelijke bepalingen er op dit
moment in Nederland gelden ten aanzien van de partner van een draagmoeder antwoord
ik het volgende. Er is nu geen specifieke wettelijke regeling voor draagmoederschap.
Als de draagmoeder gehuwd is of een geregistreerd partnerschap heeft, zal de echtgenoot
of geregistreerde partner veelal juridisch ouder zijn van het kind. Op dit moment
worden de algemene rechtsfiguren van ontkenning ouderschap, adoptie e.d. gebruikt
om het juridisch ouderschap over te laten gaan naar de wensouders. Daarbij wordt in
gevallen waarin de draagmoeder is gehuwd of door een geregistreerd partnerschap is
verbonden, haar echtgenoot of geregistreerde partner, als partij of belanghebbende
betrokken in de procedure. De voorgestelde regeling beoogt te voorzien in een specifiek
kader voor draagmoederschap. Ook de echtgeno(o)t(e) of geregistreerde partner van
de draagmoeder wordt daarbij betrokken. Zo moet die instemmen met het traject (voorgesteld
artikel 1:214, derde lid, BW) en deze moet ook de draagmoederschapsovereenkomst mee
ondertekenen (voorgesteld artikel 1:214, vierde lid, BW). De partner van de draagmoeder
is verder niet verplicht voorlichting en counseling te volgen, maar het staat wel
open voor de partner om hieraan deel te nemen.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
A.C.L. Rutte
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid