Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 034 Wijziging van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de omzetting van Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG (PbEU 2020, L 409) (Implementatiewet richtlijn representatieve vorderingen voor consumenten)
Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 2 mei 2022
Inhoudsopgave
blz.
INLEIDENDE OPMERKINGEN
1
I.
ALGEMEEN DEEL
4
1.
Inleiding
4
2.
Doel en inhoud van het voorstel
4
3.
De Richtlijn: belangrijkste inhoudelijke punten
5
3.1.
Toepassingsgebied
5
3.2.
De collectieve actie in de Richtlijn
6
3.2.1
Wie mag een collectieve actie instellen?
6
3.2.2
Financiering van collectieve acties
8
3.2.3
Sancties
11
4.
Wijze van omzetting
11
4.1
De bestaande Nederlandse regels: WAMCA
11
4.2
Lidstaatopties
12
5.
Gevolgen voor bedrijfsleven en burger en voor de rechterlijke macht
12
6.
Advies en consultatie
16
II.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
18
1.
Schrapping lid 3, aanwijzing voor grensoverschrijdende acties
18
INLEIDENDE OPMERKINGEN
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de opmerkingen en de vragen van de leden
van de fracties van de VVD, D66 en SP.
Over twee onderwerpen zijn relatief veel vragen gesteld. De leden van de fracties
van de VVD en SP hebben ten eerste vragen gesteld over de keuze van de regering om
bepaalde criteria in het wetsvoorstel alleen van toepassing te verklaren op collectieve
acties voor consumenten die onder de Richtlijn vallen. Daarnaast zijn door de leden
van de D66-fractie en de SP-fractie vragen gesteld over de uitvoerbaarheid van de
eisen voor financiering door derden. De SP-fractie en de VVD-fractie hebben bovendien
vragen gesteld over de transparantie van zulke financiering. Alvorens ik overga tot
de beantwoording van de gestelde vragen, ga ik graag eerst kort in op deze onderwerpen.
Afbakening Richtlijngevallen
Collectieve acties zijn per definitie wat complexere procedures. Met de Wet afwikkeling
massaschade in collectieve actie (WAMCA) is geprobeerd daarin een balans te vinden
tussen noodzakelijke waarborgen voor procespartijen en een zo efficiënt en effectief
mogelijke procedure. Het behouden van deze balans heeft voorop gestaan bij de keuze
in de implementatie om sommige Richtlijnbepalingen alleen op Richtlijngevallen van
toepassing te verklaren. Het gaat om de volgende drie situaties waarin de rechter
eerst moet bepalen of sprake is van een collectieve actie die binnen de reikwijdte
van de Richtlijn valt:
1) als sprake is van financiering door derden. Alleen voor collectieve acties onder de
Richtlijn moet de rechter dan namelijk ook nog toetsen of de collectieve actie niet
is ingesteld tegen een concurrent van de financier of tegen iemand waarvan de financier
afhankelijk is;
2) als een organisatie een beroep doet op artikel 3:305a lid 6 BW. Het gaat hier om een
collectieve actie met een ideëel doel en een zeer beperkt financieel belang en die
niet stekt tot schadevergoeding in geld. Daarvoor geldt een lichtere ontvankelijkheidstoets.
Gaat het om een collectieve actie die onder de Richtlijn valt, dan moet de rechter
toch ook toetsen of aan bepaalde governance eisen is voldaan;
3) als buitenlandse consumenten ervoor kiezen mee te doen aan een Nederlandse collectieve
actie (opt in). De Richtlijn bepaalt dat consumenten die meedoen aan een bepaalde
collectieve actie, niet ook zelf een individuele actie mogen hebben ingesteld of mogen
meedoen aan een andere collectieve actie over hetzelfde onderwerp. Het wetsvoorstel
bepaalt alleen voor Richtlijngevallen dat buitenlandse consumenten bij hun opt in
moeten verklaren dat zij niet meedoen aan een andere soortgelijke actie.
In bovenstaande gevallen moet de rechter dus eerst toetsen óf sprake is van een collectieve
actie die onder de Richtlijn valt. Ik vind dit gerechtvaardigd. Een regeling waarmee
de verplichte toetsing van de Richtlijn in deze drie situaties van toepassing wordt
op álle collectieve acties voor de Nederlandse rechter, vind ik nadeliger. Juist op
deze drie punten is de verplichte toetsing van de Richtlijn ongunstig voor een efficiënte
en effectieve rechtsgang in een collectieve actie procedure. De beperking tot Richtlijngevallen
helpt extra werklast voor de rechtspraak te beperken. Dit betekent dat het voorstel
een onderscheid maakt tussen collectieve acties voor consumenten en andere collectieve
acties. Het nadeel dat de rechter in sommige situaties eerst zal moeten bepalen óf
een collectieve actie onder de Richtlijn valt of niet, weegt op tegen de extra werklast
die wordt voorkomen door de drie criteria alleen in Richtlijngevallen toe te passen.
De eis dat geen financiering plaatsvindt in een collectieve actie tegen een concurrent
van de financier of tegen iemand waarvan de financier afhankelijk is, is voor de rechter
lastig toetsbaar. De begrippen «concurrent» en «afhankelijk» zijn enigszins vaag en
kunnen daardoor leiden tot discussie tussen partijen en daarmee tot verzwaring van
de werklast. Voor collectieve acties met zakelijke partijen als achterban, is deze
toets ook niet nodig. Deze toets is daarom beperkt tot gevallen die onder de Richtlijn
vallen.
Hetzelfde geldt voor de toets dat een consument niet zelf een individuele actie heeft
ingesteld en niet mag zijn vertegenwoordigd in meerdere collectieve acties tegelijk.
Voor de rechter is dit best lastig na te gaan. Daarom is ervoor gekozen te werken
met een eigen verklaring van de consument en beperking van deze toets tot Richtlijngevallen.
De keuze om deze beide criteria alleen toe te passen op Richtlijngevallen en niet
op alle collectieve acties is mede ingegeven na een overleg hierover met de rechtspraak.
De beperking van de extra toets in artikel 3:305a lid 6 BW tot Richtlijngevallen vind
ik ook om andere redenen dan werklast gerechtvaardigd. Doel van lid 6 is om de toegang
tot collectieve actie ook mogelijk te maken voor organisaties voor wie de kosten van
het opzetten van een uitgebreide governance-structuur een te hoge drempel opwerpen. Dit kan alleen voor collectieve acties met
een ideëel doel en een zeer gering financieel belang of als de aard van de vordering
daartoe aanleiding geeft. Er kan in dat geval ook geen schadevergoeding worden gevorderd.
Ik zie geen goede reden om voor deze gevallen meer toetsing voor te schrijven dan
waartoe de Richtlijn verplicht. Daarom heb ik ook de extra toets voor deze gevallen
beperkt tot Richtlijngevallen.
Ik wijs er nog op dat de rechter dus niet altijd hoeft te toetsen of het om een Richtlijngeval
gaat. Bij een collectieve actie die niet door derden wordt gefinancierd of waaraan
alleen Nederlandse benadeelden meedoen en geen beroep wordt gedaan op artikel 3:305a
lid 6 BW, gelden dezelfde regels, ongeacht of het een Richtlijngeval betreft of niet.
Als wel sprake is van een van deze drie situaties kan de rechter in de eerste plaats
eenvoudig beoordelen of sprake is van een zaak tegen een handelaar voor consumenten
of van een zaak voor handelaren of tegen een consument. Als sprake is van een zaak
tegen een handelaar voor consumenten, zal de rechter moeten beoordelen of het gaat
om een van de regelingen in bijlage 1 bij de Richtlijn.
Procesfinanciering
Over financiering van collectieve acties door derden hebben alle in het verslag aan
het woord zijnde fracties vragen gesteld.
Allereerst zijn in de vragen zorgen geuit dat financiering van een collectieve actie
door derden afbreuk zou doen aan de collectieve belangen van consumenten. Graag stel
ik voorop dat het mogelijk maken van een collectieve schadevergoedingsactie geen zin
heeft zonder daarbij mogelijk te maken dat organisaties financiering kunnen vinden
voor het instellen van dit soort acties. Veel collectieve acties zouden nooit plaatsvinden
zonder financiering door derden. Uit het Centraal register voor collectieve vorderingen
blijkt dat de WAMCA duidelijk in een behoefte voorziet. Zonder financiering door derden
is de kans groter dat consumenten met schade blijven zitten, omdat geen collectieve
actie wordt ingesteld en het ook niet de moeite loont om een individuele actie in
te stellen. Het draagt bovendien niet bij aan het belang van consumenten als organisaties
volledig transparant moeten zijn over hun financiering in de zin dat ook de wederpartij
inzage krijgt in de financieringsafspraken. Dit kan er namelijk toe leiden dat de
aangesproken partij haar processtrategie hierop kan afstemmen. Die partij kan bijvoorbeeld
proberen de procedure te vertragen zodat de financiële middelen van een organisatie
opraken en de organisatie de collectieve actie noodgedwongen moet staken.
Meer specifiek is de vraag gesteld hoe de rechter kan toetsen of een collectieve actie
wordt ingesteld tegen een concurrent van de financier of tegen iemand waarvan de financier
afhankelijk is. Om te beginnen moet de organisatie in een WAMCA-procedure in de dagvaarding
onderbouwen dat de financiering voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 3:305a
lid 2, onderdelen c en f, BW. Daarnaast biedt artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering (hierna: Rv) de rechter nu al mogelijkheden om op ieder moment in
een procedure partijen te vragen om bepaalde stellingen toe te lichten of op de zaak
betrekking hebbende bescheiden te overhandigen. Zo kan de rechter bijvoorbeeld de
financieringsovereenkomst opvragen. Bij twijfel over de financier en diens relatie
tot de verweerder kan de rechter op dit punt een nadere toelichting vragen. Als een
partij een dergelijk verzoek door de rechter weigert, kan de rechter daar naar eigen
inzicht gevolgen aan verbinden. In het uiterste geval kan dit leiden tot niet-ontvankelijkheid
van de organisatie, omdat niet is voldaan aan de eisen voor procesfinanciering. Overigens
zal ook de verweerder niet nalaten de aandacht van de rechter te vestigen op de positie
van de financier als dit een concurrent van haar is. In die zin ligt voor de hand
dat de organisatie in haar dagvaarding wel meldt wie de financier is.
In het vervolg van deze nota naar aanleiding van het verslag zijn de vragen en opmerkingen
uit het verslag integraal opgenomen in cursieve tekst en de beantwoording daarvan
in gewone typografie. De vragen en antwoorden zijn van een nummer voorzien.
I. ALGEMEEN DEEL
1. Inleiding
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Implementatiewet
Richtlijn representatieve vorderingen voor consumenten (hierna: het wetsvoorstel).
Zij zien dat het wetsvoorstel uitvoering geeft aan een Richtlijn die als doel heeft
om het voor bevoegde instanties die de collectieve belangen van consumenten vertegenwoordigen,
mogelijk te maken verhaal te halen door het instellen van representatieve vorderingen.
Zij lezen dat de regels uit de Richtlijn alleen van toepassing zijn bij collectieve
procedures tegen schendingen van Europese regels die in de annex bij de Richtlijn
zijn genoemd. Voornoemde leden hebben nog enkele vragen over het wetsvoorstel.
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Zij hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de SP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden zijn blij dat met deze Europese Richtlijn een gevolg wordt gegeven aan
het schandaal met sjoemelsoftware bij Volkswagen. Deze leden hopen dat het met deze
Richtlijn makkelijker wordt voor inwoners van de Europese Unie om collectief hun recht
te halen zonder daarbij de rechtspraak onnodig te belasten. Toch hebben voornoemde
leden nog enkele vragen over dit voorstel ter implementatie van de Richtlijn in Nederlandse
wetgeving.
2. Doel en inhoud van het voorstel
1 – VVD
De leden van de VVD-fractie constateren dat volgens de regering de inhoudelijke eisen
van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) nauw aansluiten bij
de eisen uit de Richtlijn. Alleen waar de Richtlijn aanvullende regels voorschrijft,
is een aanpassing van de WAMCA nodig. Op grond van het wetsvoorstel moet de rechter
straks beoordelen wanneer sprake is van een collectieve actie voor consumenten of
dat sprake is een andersoortige collectieve actie, zo wordt aangegeven in de memorie
van toelichting. Kan de regering toelichten in hoeverre dit zal leiden tot complexiteit
in de rechtspraktijk?
De leden van de VVD-fractie merken terecht op dat de rechter op basis van het wetsvoorstel
moet beoordelen of sprake is van een collectieve actie voor consumenten of dat sprake
is van een andersoortige collectieve actie. Hierboven, in de inleidende opmerkingen,
heb ik beschreven waarom dit niet zal leiden tot grote complexiteit in de rechtspraktijk,
maar deze juist helpt te voorkomen. Alleen als sprake is van financiering door een
derde, bij toepassing van artikel 3:305a lid 6 BW of als buitenlandse consumenten
meedoen aan de collectieve actie, moet de rechter onderscheid maken. De rechter toetst
in dat geval of sprake is van een collectieve actie voor consumenten tegen een handelaar
als bedoeld in de Richtlijn over een onderwerp in bijlage 1 van de Richtlijn. Door
eerst dit onderscheid te maken, zal de rechter in veel situaties geen extra (werklastverzwarende)
toets hoeven uit te voeren. Uiteindelijk voorkomt dit extra complexiteit.
2 – VVD
Kan de regering daarnaast de voor- en nadelen schetsen van specifieke aanvullende
voorschriften voor collectieve acties voor consumentenvorderingen en algemene regels
voor overige collectieve acties?
In het antwoord op de vorige vraag heb ik beschreven dat het maken van onderscheid
als voordeel heeft dat de rechter niet in elke situatie aan bepaalde extra criteria
hoeft te toetsen. Zo hoeft de rechter in een collectieve actie voor zakelijke gedupeerden
niet te beoordelen of de financier een concurrent is van de verweerder of afhankelijk
is van de verweerder. Dit geldt ook voor het toetsen of buitenlandse consumenten wel
of niet meedoen aan een andere collectieve actie. Dit zijn beiden lastig te toetsen
bepalingen en het is daarom wenselijk om dat te beperken. Zoals de VVD-fractie al
aangeeft is het nadeel dat de rechter wel eerst moet bepalen of de Richtlijn van toepassing
is. Dit voorkomt echter dat de rechter in alle situaties moet toetsen aan moeilijk
uitvoerbare criteria.
3. De Richtlijn: belangrijkste inhoudelijke punten
3.1 Toepassingsgebied
3–4 – SP
De leden van de SP-fractie constateren dat deze Richtlijn alleen grensoverschrijdende
collectieve acties mogelijk maakt voor de lijst van Richtlijnen en verordeningen uit
bijlage 1. Kan de regering aangeven of er nog cruciale Richtlijnen of verordeningen
ontbreken op die lijst of bepalingen die in Nederland tot relatief veel collectieve
acties leiden? Wordt het bijvoorbeeld mogelijk gemaakt om klanten van Facebook collectief
in actie te laten komen wanneer Facebook te vrij met de gegevens van klanten is omgegaan?
Op de lijst met Europese regelingen waarvoor de Richtlijn geldt, ontbreken naar mijn
oordeel geen cruciale Richtlijnen of verordeningen. Er staan 66 Europese regelingen
op de lijst, onder meer over productaansprakelijkheid, financiële diensten, toerisme,
oneerlijke handelspraktijken en energie. Daarmee geeft de Richtlijn een brede invulling
aan het begrip consument; ook patiënten, beleggers en reizigers vallen hieronder.
De algemene verordening gegevensbescherming staat ook op de lijst in bijlage 1 van
de Richtlijn. Dit betekent dat de Richtlijn van toepassing is als klanten van Facebook
een collectieve actie instellen tegen Facebook wegens een inbreuk op de privacy van
klanten.
3.2 De collectieve actie in de Richtlijn
3.2.1 Wie mag een collectieve actie instellen?
5 – D66
De leden van de D66-fractie begrijpen dat de Richtlijn voorschrijft dat de bevoegdheid
om organisaties voor grensoverschrijdende collectieve acties aan te wijzen bij de
Minister voor Rechtsbescherming ligt. Uit het voorstel blijkt echter niet wat de juridische
status van zo’n aanwijzing betreft. Voornoemde leden vragen of de aanwijzing een besluit
in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) behelst, en of tegen dergelijke
besluiten dan ook bezwaar en beroepsprocedures kunnen worden aangespannen door de
betrokken organisaties dan wel door belanghebbenden. Kan de regering de juridische
status van de aanwijzing uiteenzetten?
De aanwijzing van een organisatie voor grensoverschrijdende acties is een besluit
in de zin van de Awb. Tegen een besluit van de Minister voor Rechtsbescherming kan
een belanghebbende, dat zal meestal de organisatie zijn die om de aanwijzing heeft
gevraagd, in bezwaar bij de Minister voor Rechtsbescherming. Na bezwaar staat beroep
open bij de rechtbank. Een belanghebbende kan tot slot in hoger beroep bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6 – SP
De leden van de SP-fractie constateren dat lidstaten consumentenorganisaties aan moeten
wijzen die collectieve acties kunnen gaan instellen. In Nederland is het echter gebruikelijk
om te werken met «ad-hoc» organisaties. Dit lijkt echter te botsen met voorwaarde
a van artikel 4, paragraaf 3 van de Richtlijn waarin wordt gesteld dat organisaties
minstens een jaar actief moeten zijn. Kan de regering uitleggen welke gevolgen deze
tegenstelling heeft?
De leden van de SP-fractie merken terecht op dat in Nederland vaak ad-hoc organisaties
worden opgericht voor een collectieve actie. Artikel 4 lid 3, onderdeel a, van de
Richtlijn vereist dat organisaties minstens twaalf maanden actief zijn geweest in
de bescherming van consumentenbelangen om op de lijst voor grensoverschrijdende collectieve
acties te worden geplaatst. Dit betekent dat ad-hoc organisaties die minder dan een
jaar geleden zijn opgericht niet in aanmerking komen voor plaatsing op de lijst en
dus niet een collectieve actie kunnen instellen in een andere lidstaat. Artikel 4
lid 6 van de Richtlijn staat expliciet toe dat ad-hoc organisaties wel binnenlandse
collectieve acties kunnen instellen (zie ook overweging 28 van de Richtlijn). De eis
in artikel 4 lid 3, onderdeel a, van de Richtlijn heeft dus geen gevolgen voor in
Nederland opgerichte ad-hoc organisaties die collectieve acties in Nederland willen
instellen.
7 – SP
Daarnaast hebben voornoemde leden bijzondere belangstelling voor voorwaarde f van
artikel 4, paragraaf 3 van de Richtlijn over transparantie over onder andere de bestuursstructuur
en financieringsbronnen. Deze leden menen dat met deze voorwaarde de kans op misbruik
wordt verkleind doordat consumenten met een verkeerde organisatie in zee gaan. Kan
de regering toelichten hoe deze voorwaarde wordt geïmplementeerd?
Artikel 4 lid 3, onderdeel f, van de Richtlijn eist van een organisatie dat zij bepaalde
informatie openbaar maakt, bijvoorbeeld op haar website. Het gaat dan om de voorwaarden
genoemd in de onderdelen a tot en met e van artikel 4 lid 3. Ook moeten de financieringsbronnen
in het algemeen, de organisatie-, bestuurs- en lidmaatschapsstructuur, het statutaire
doel en haar activiteiten openbaar zijn. Dit is geïmplementeerd in het voorgestelde
artikel 3:305e lid 2 BW, dat geldt voor organisaties die op de lijst willen worden
geplaatst voor het voeren van collectieve acties in een andere lidstaat.1 Onderdeel b van lid 2 van artikel 3:305a BW bepaalt bijvoorbeeld dat de financieringsbronnen
op de website moeten staan. Lid 2 bepaalt ook dat organisaties die op de lijst willen
worden geplaatst, moeten voldoen aan de voorwaarden in artikel 3:305a, lid 2, onderdeel d,
en lid 5, BW. In dit onderdeel staat dat organisaties bepaalde informatie, bijvoorbeeld
over de bestuursstructuur op de website moeten zetten.
8 – SP
Concreter vragen zij of deze voorwaarde alleen voor grensoverschrijdende collectieve
acties gaat gelden of dat deze ook voor binnenlandse collectieve acties gaat gelden.
Zij vragen de regering die keuze te motiveren.
Artikel 4 lid 3, onderdeel f, van de Richtlijn geldt strikt genomen alleen voor organisaties
die op de lijst willen komen voor het voeren van collectieve acties in een andere
lidstaat. De bepaling is geïnspireerd door de regeling in de Nederlandse WAMCA. De
WAMCA bevat reeds verplichtingen voor openbaarmaking op de website voor een Nederlandse
organisatie die een collectieve actie instelt bij de Nederlandse rechter. Die staan
in artikel 3:305a lid 2, onderdeel d, en lid 5 BW. De WAMCA schrijft voor dat de organisatie
moet voldoen aan eisen voor een bepaalde bestuursstructuur, voor financiering en de
zeggenschap daarover en voor transparantie hierover op de website van de organisatie.
Daarmee gelden ook voor consumenten in Nederlandse collectieve acties voldoende waarborgen
tegen misbruik.
9–10 – SP
De aan het woord zijnde leden lezen dat de organisaties die bevoegd worden geacht
om grensoverschrijdende collectieve acties te voeren aan de Europese Commissie moeten
worden gecommuniceerd. Organisaties die niet (meer) aan de eisen voldoen moeten van
de lijst worden verwijderd. Klopt het dat dit een vorm van continue monitoring vereist?
Zo ja, hoe wordt hier in Nederland in voorzien?
De Richtlijn verlangt van lidstaten dat zij minstens elke vijf jaar beoordelen of
organisaties op de lijst nog aan de voorwaarden daarvoor voldoen. De leden van de
SP-fractie merken terecht op dat organisaties die niet meer aan de eisen voldoen van
de lijst moeten worden verwijderd. De Minister voor Rechtsbescherming zal deze herbeoordeling
elke vijf jaar uitvoeren. De Minister voor Rechtsbescherming zal de organisaties die
op de lijst worden geplaatst ervan op de hoogte stellen dat zij elke 5 jaar (zelf)
moeten aantonen dat zij nog voldoen aan de eisen.
Het kan daarnaast zijn dat de Europese Commissie, een lidstaat of een verweerder in
een collectieve actie twijfels uit over de vraag of een Nederlandse organisatie terecht
op de lijst staat. Ook in die gevallen zal de Minister voor Rechtsbescherming, als
nationaal contactpunt waar deze twijfels kunnen worden gemeld, moeten onderzoeken
of die organisatie nog aan de voorwaarden voldoet. De aanvraag tot aanwijzing, de
toewijzing of afwijzing en de verlenging daarvan en de verwijdering van de lijst wegens
het niet langer voldoen aan de voorwaarden voor aanwijzing zullen nader worden uitgewerkt
in de algemene maatregel van bestuur (AMvB) op grond van het voorgestelde artikel 3:305e
lid 4 BW.
3.2.2 Financiering van collectieve acties
11 – D66
De leden van de D66-fractie constateren dat uit artikel 3:305a, lid 2, sub c van het
voorstel blijkt dat geen financiering plaatsvindt voor een rechtsvordering tegen een
concurrent van de financier (van de rechtspersoon) of een persoon waarvan de financier
afhankelijk is. De Raad voor de rechtspraak (Rvdr) heeft reeds aangegeven dat het
aantonen van dergelijke financiering op grond van het huidige WAMCA-regime al zo goed
als onmogelijk is. De voorgestelde verzwaarde ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a
maken het uitvoeren van deze toets door de rechter nog ingewikkelder. In vorderingen
waarbij het een buitenlandse organisatie betreft lijkt de toetsing nog lastiger uit
te voeren. Kan de regering uiteenzetten in hoeverre van de rechter mag worden verwacht
dat zij een dergelijke toets adequaat uit kan voeren?
De eis dat geen financiering plaatsvindt voor een rechtsvordering tegen een concurrent
van de financier of een persoon waarvan de financier afhankelijk is, staat opgenomen
in het voorgestelde artikel 3:305a lid 2, onderdeel f, BW. Vanwege de moeilijke toepasbaarheid
van dit criterium, is dat na overleg met de rechtspraak beperkt tot collectieve acties
die binnen de reikwijdte van de Richtlijn vallen. Voor zover dit onvoldoende blijkt
uit de dagvaarding, kan de rechter op verschillende manieren achterhalen of een collectieve
actie is ingesteld tegen een concurrent van de financier of een persoon waarvan de
financier afhankelijk is (artikel 22 Rv). Zo kan de rechter allereerst de financieringsovereenkomst
opvragen. Ook kan de rechter aanvullende informatie opvragen als de rechter twijfelt
over de reeds verstrekte informatie. Een organisatie is verplicht om die informatie
te verschaffen. Als een organisatie de gevraagde informatie niet verstrekt, kan de
rechter daar gevolgen aan verbinden die zij geraden acht, met als uiterste gevolg
het niet-ontvankelijk verklaren van de organisatie.
12 – SP
De leden van de SP-fractie begrijpen dat de Richtlijn beperkingen oplegt aan derdenfinanciering
aan de organisaties. De regering geeft daarbij aan dat de WAMCA reeds in beperkingen
voorzag. De regering geeft daarbij tevens aan dat veel collectieve acties afhankelijk
zijn van derdenfinanciering. Toch gaat deze Richtlijn verder in het beperken van derdenfinanciering
aan organisaties. Om welke beperkingen gaat het dan concreet?
Op een punt stelt de Richtlijn een aanvullende beperking voor financiering door derden
ten opzichte van de WAMCA. Het gaat om de voorwaarde dat een collectieve actie niet
kan worden ingesteld tegen een concurrent van de financier of een persoon waarvan
de financier afhankelijk is (artikel 10 van de Richtlijn). Deze voorwaarde is in het
voorstel geïmplementeerd in artikel 3:305a lid 2, onderdeel f, BW.
13 – SP
Waarom kiest de regering ervoor om die beperkingen alleen toe te passen op de zogenaamde
«Richtlijn-gevallen»?
Zoals ik in de inleidende opmerkingen al heb aangegeven, is er in dit wetsvoorstel
voor gekozen om bepaalde criteria alleen toe te passen op Richtlijngevallen. In de
eerste plaats omdat het om criteria gaat die lastig te toetsen zijn door de rechter.
Het is daarom wenselijk om die criteria niet verder toe te passen dan nodig op grond
van de Richtlijn. Bovendien geldt dat in situaties die niet onder de Richtlijn vallen,
het minder nodig is om deze lastig uitvoerbare regels te stellen. Niet-consumenten,
bijvoorbeeld pensioenfondsen die via een collectieve actie schade voor beleggingsfraude
claimen, worden reeds voldoende beschermd door de waarborgen in de WAMCA. Zo bepaalt
artikel 3:305a lid 2, onderdeel c, BW dat de organisatie voldoende middelen moet hebben
om de collectieve actie te financieren en voldoende zeggenschap moet hebben over de
collectieve actie.
14 – SP
Is het niet beter voor consumenten en voor de rechtszekerheid wanneer deze beperkingen,
zoals een verbod op financiering van een concurrent van de verweerder, op alle collectieve
acties in de WAMCA worden opgenomen?
De Richtlijn geldt voor alle consumentenzaken. Het verbod op financiering van een
concurrent van de verweerder of van iemand die afhankelijk is van de verweerder, geldt
dan ook altijd voor consumenten. Uitbreiding van het verbod tot niet-consumentenzaken
leidt dus niet tot een betere bescherming voor consumenten. Een organisatie kan zelf
relatief eenvoudig beoordelen of de Richtlijn van toepassing is op haar collectieve
actie. De keuze om een aantal beperkingen alleen op Richtlijngevallen toe te passen
is dan ook niet in strijd met de rechtszekerheid.
15 – SP
Daarnaast hebben de leden van de SP-fractie dezelfde zorgen als de Nederlandse Orde
van Advocaten (NOvA) ten aanzien van de transparantie van derdenfinanciering. De NOvA
merkt op dat financiers vaak zogenaamde «litigation funders» zijn en zelf dus geen
direct belang te hebben. Op haar beurt kunnen de financiers van deze «litigation funders»
wel directe concurrerende belangen hebben. Hoe gaat de regering daarmee om?
De WAMCA en de Richtlijn bevatten verschillende waarborgen om dergelijke belangenconflicten
te voorkomen. Zo eist de WAMCA dat een organisatie voldoende middelen heeft om de
kosten voor het instellen van een collectieve actie te dragen. Daarbij moet de zeggenschap
over de collectieve actie in voldoende mate bij de rechtspersoon liggen. Daarbij kan
in Richtlijngevallen geen financiering plaatsvinden door een concurrent van de verweerder
of door iemand die afhankelijk is van de verweerder in collectieve acties die onder
de Richtlijn plaatsvinden. In de inleidende opmerkingen ben ik er al op ingegaan waarom
het onwenselijk is om procesfinanciering door derden verder te beperken dan strikt
noodzakelijk en welke mogelijkheden de rechter heeft om de financiering van een organisatie
te controleren, bijvoorbeeld door het opvragen van de overeenkomst en aanvullende
informatie.
16 – SP
Hoe wordt voorkomen dat de kapitaalstromen niet inzichtelijk zijn voor de rechter
en daardoor alsnog de belangen van consumenten onder druk komen te staan?
De rechter kan partijen bevelen om op de zaak betrekking hebbende bescheiden te overleggen,
zoals een financieringsovereenkomst (artikel 22 Rv). Als de organisatie weigert dit
te doen, kan de rechter daar naar eigen inzicht gevolgen aan verbinden. Overigens
kan het openbaar maken van kapitaalstromen ook in het belang zijn van de wederpartij
en niet in het belang van consumenten. Het ligt daarom voor de hand alleen de rechter
inzicht te geven en niet ook de wederpartij, behalve voor zover het gaat om bijvoorbeeld
de naam van de financier. Een verweerder kan anders bijvoorbeeld zijn of haar processtrategie
hierop aanpassen en de collectieve actie zodanig vertragen dat de organisatie de collectieve
actie moet stoppen, omdat het geld op is.
17 – SP
De leden van de SP-fractie constateren dat de Rvdr in de reactie op de consultatieversie
heeft aangegeven dat het onderzoeken of een financier van collectieve acties een concurrent
is van de verweerder onontgonnen en lastig begaanbaar terrein is, mogelijk zelfs nog
lastiger voor buitenlandse organisaties. Hoe kijkt de regering hiernaar en hoe gaat
de regering ervoor zorgen dat deze toets toch mogelijk wordt?
De leden van de SP-fractie merken terecht op dat dit criterium lastig is te toetsen
door de rechter. Deze toets is toch mogelijk omdat de rechter informatie, zoals een
financieringsovereenkomst, kan opvragen. Bovendien verlangt de WAMCA dat organisaties
in de dagvaarding onderbouwen dat aan de eisen voor ontvankelijkheid is voldaan. In
Richtlijngevallen betekent dit dat de organisatie ook onderbouwt dat geen financiering
plaatsvindt door een concurrent van de verweerder of door een financier die afhankelijk
is van de verweerder. Dit zou niet lastiger moeten zijn voor buitenlandse organisaties,
omdat buitenlandse organisaties gebonden zijn aan het Nederlandse procesrecht als
zij in Nederland een collectieve actie instellen. Ook buitenlandse organisaties zullen
dus zo nodig relevante informatie moeten overleggen. Op die basis kan de rechter toetsen.
18–19 – SP
De aan het woord zijnde leden begrijpen dat de werklast van de rechtspraak zal toenemen
omdat rechters de financiering door procesfinanciers zal moeten toetsen op bijvoorbeeld
concurrentie. Om deze gevolgen te mitigeren kiest de regering ervoor dit alleen te
doen bij collectieve acties van consumenten en bijvoorbeeld niet door franchisenemers.
Kan de regering deze keuze toelichten? Waarom is bijvoorbeeld niet gekozen om deze
waarborg tegen misbruik van collectieve acties ook op andere groepen toe te passen
en de rechtspraak financieel te compenseren voor de toegenomen werkdruk?
In de inleidende opmerkingen ben ik al ingegaan op de redenen voor de keuze tot het
maken van een onderscheid. Dit is vooral om de rechter niet met meer werk te belasten
dan nodig. Voor collectieve acties voor niet-consumenten volstaan de eisen in de WAMCA
tegen misbruik. Zo moet de zeggenschap over de collectieve actie in voldoende mate
bij de organisatie liggen. De aanvullende toetsing van de financier op het niet zijn
van een concurrent van verweerder of daarvan afhankelijk, is lastig omdat het om enigszins
vage begrippen gaat en voegt in niet-consumentenzaken onvoldoende toe als waarborg.
Overigens is toegenomen werklast niet alleen een punt van financiering, maar leidt
deze ook tot langere doorlooptijden van collectieve actie procedures voor alle betrokkenen.
Dat vind ik niet wenselijk.
3.2.3 Sancties
20 – SP
De leden van de SP-fractie begrijpen dat collectieve acties ook geëffectueerd moeten
worden. Wie gaat erop toezien dat het stoppen of het herstellen van een inbreuk daadwerkelijk
plaats zal vinden?
Het stoppen van een inbreuk kan door de rechter met een dwangsom worden gesanctioneerd.
Dit blijkt in de praktijk een uitstekend middel om een partij ertoe te bewegen een
uitspraak van de rechter na te leven. Voor het herstellen van een inbreuk met een
collectieve schadevergoeding bevat de WAMCA verschillende waarborgen. Zo is er de
indringende toetsing van de kwaliteit van de claimorganisatie, die een capabel bestuur
en toezichthoudend orgaan moet hebben. De bestuurders van de claimorganisatie hebben
een zorgplicht tegenover de achterban van de organisatie om de schadeafwikkeling zorgvuldig
uit te voeren. Daarnaast is het hebben van een interne klachtprocedure bij de claimafwikkeling
een voorwaarde voor goedkeuring van een collectieve schikking. De benadeelde consument
weet zelf of de schadevergoeding overeenkomstig de afwikkeling aan hem is uitbetaald.
Als dat niet het geval is, kan de benadeelde consument een interne klachtprocedure
bij de afwikkelende organisatie volgen. In de praktijk van afwikkeling van collectieve
schikkingen onder de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM) voorzien partijen
in monitoring van de afwikkeling door een register accountant. Die begeleidt de afwikkeling
of legt daarover periodiek verantwoording af. Dit geldt zowel als de claimorganisatie
wordt belast met de feitelijke afwikkeling van de schikking als wanneer de aangesproken
partij dit moet doen. Ik verwacht dat deze praktijk onder de WAMCA zal worden voortgezet.
21 – SP
Welke instantie wordt belast met het beboeten van handelaren die inbreuken niet stoppen
of herstellen?
Voor financiële zaken is de Autoriteit Financiële markten (AFM) belast met het beboeten
van handelaren. Voor andere consumentenzaken is de Autoriteit Consument & Markt (ACM)
hiermee belast.
4. Wijze van omzetting
4.1 De bestaande Nederlandse regels: WAMCA
22 – D66
De leden van de D66-fractie merken op dat in de memorie van toelichting niet aan de
orde komt hoe de rechter bij een binnenlandse collectieve actie moet omgaan met een
organisatie die op de lijst voor grensoverschrijdende collectieve acties staat. Zoals
de NOvA ook stelt in haar advies, kan de rechter het feit dat een organisatie op de
lijst voor grensoverschrijdende collectieve acties staat zodanig interpreteren dat
een organisatie ook bij een binnenlandse collectieve actie per definitie door de ontvankelijkheidstoets
van de WAMCA komt. Kan de regering uitleggen of deze interpretatie correct is?
Het feit dat een organisatie op de lijst voor grensoverschrijdende acties staat betekent
niet dat die organisatie per definitie door de ontvankelijkheidstoets van de WAMCA
komt. De interpretatie van de NOvA is dan ook niet correct. Een organisatie die op
de lijst staat, moet na vijf jaar aantonen nog steeds aan de eisen te voldoen om op
de lijst te blijven staan. Als de organisatie in de tussentijd een collectieve actie
instelt, kan het zijn dat de organisatie niet langer aan de voorwaarden voldoet, maar
nog wel op de lijst staat. Ook kan het zijn dat de organisatie op zichzelf terecht
op de lijst staat, maar dat zij bijvoorbeeld deskundigheid en expertise mist voor
de specifieke collectieve actie die zij wil instellen bij de Nederlandse rechter (vgl.
artikel 3:305a lid 2, onderdeel e, BW). De rechter zal dan oordelen dat de organisatie
voor deze collectieve actie niet aan alle ontvankelijkheidseisen voldoet. De rechter
zal daarom steeds in een specifieke collectieve actie beoordelen of de organisatie
daarin ontvankelijk is.2
4.2 Lidstaatopties
23 – SP
De leden van de SP-fractie lazen over de opdracht aan het WODC om onderzoek te doen
naar een fonds voor niet-uitgekeerde schadevergoedingen. Kan de regering toelichten
wat de status is van dat onderzoek en of de regering bereid is de WAMCA later eventueel
alsnog aan te passen als het WODC-onderzoek daar om vraagt?
In maart 2022 zijn onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam en Tilburg University
gestart met een onderzoek naar een fonds voor niet-uitgekeerde schadevergoedingen.
De resultaten van dit onderzoek worden verwacht in oktober 2022 en ik zal u hier uiteraard
over informeren. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek, kom ik eventueel
met nadere regelgeving.
24 – SP
Waarom is dat onderzoek eigenlijk niet afgerond voordat deze wet aan de Kamer is voorgelegd?
Het implementeren van Europese regelgeving is aan strakke termijnen gebonden. Voor
het omzetten van deze Richtlijn hebben lidstaten twee jaar de tijd. Het opzetten en
laten offreren van het onderzoek door het WODC namen een aantal maanden de tijd in
beslag. De Richtlijn moet op 25 december 2022 zijn omgezet. Daarom kon niet worden
gewacht met indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer tot het onderzoek is
afgerond in het najaar van 2022.
5. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger en voor de rechterlijke macht
25–26 – VVD
De leden van de VVD-fractie merken op dat de WAMCA blijkens het advies van de Rvdr
een aantal onduidelijkheden en onvolkomenheden kent. Dit wordt in het consultatieadvies
van de Rvdr echter niet met zoveel woorden nader onderbouwd. Deelt de regering de
stelling van de Rvdr dat de WAMCA een aantal onduidelijkheden en onvolkomenheden kent?
Zo ja, welke zijn dat?
De WAMCA is een geheel nieuwe regeling. Het is begrijpelijk dat zich in de eerste
toepassing vragen voordoen. Partijen zijn in deze fase ook op zoek naar wat er precies
wel en niet mag onder de WAMCA. Het is niet mogelijk of gewenst om elke mogelijke
praktijkvraag op voorhand in de wet te regelen. Dat zou ook weer tot nieuwe vragen
en verstarring van regelgeving kunnen leiden. Uit de uitspraken in WAMCA-zaken tot
nu toe blijkt inderdaad dat er vragen zijn, maar ook dat rechters goed uit de voeten
kunnen met de WAMCA.3 Naar verwachting zullen veel onduidelijkheden en onvolkomenheden over een paar jaar
zijn opgelost, omdat rechters en andere betrokkenen hierop inmiddels antwoorden hebben
geformuleerd en er meer ervaring mee hebben. Een onvolledig gebleken verwijzing in
artikel 1018c lid 5, onderdeel a, Rv en een tijdens de eerste monitoringsbijeenkomst
gebleken onvolkomenheid in artikel 1018c lid 2 Rv, worden met dit wetsvoorstel al
opgelost.
27–28 – VVD
De leden van de VVD-fractie brengen in herinnering dat tijdens de behandeling van
de WAMCA in de Tweede Kamer de toenmalige Minister heeft toegezegd dat de Kamer jaarlijks
wordt geïnformeerd over wat voor soort claims er binnen komen op grond van de WAMCA
en wat dat betekent voor de rechterlijke macht. Kan de regering uiteenzetten hoe tot
nu toe gevolg is gegeven aan deze toezegging en of deze toezegging zich in de toekomst
ook zal uitstrekken tot de gevolgen van onderhavig wetsvoorstel?
In april 2021 heeft een eerste monitorbijeenkomst plaatsgevonden met stakeholders
om de eerste ervaringen met de WAMCA uit te wisselen. In de memorie van toelichting
van het wetsvoorstel zijn de belangrijkste punten van deze bijeenkomst benoemd.4 Dit jaar zal opnieuw een monitorbijeenkomst worden gehouden. In het kader van het
Nationaal Actieplan Bedrijfsleven en Mensenrechten (NAP), worden daarbij ook NGOs
betrokken.
Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel kunnen latere monitorbijeenkomsten ook gaan
over de WAMCA inclusief de wijzigingen die dit wetsvoorstel aanbrengt. De monitoring
zal niet specifiek gaan over de implementatie van de Richtlijn op andere punten dan
de WAMCA zelf, bijvoorbeeld over het plaatsen van organisaties op de lijst voor grensoverschrijdende
collectieve acties (het voorgestelde artikel 3:305e BW) of het instellen van collectieve
acties door een buitenlandse organisatie (artikel 3:305c BW).
29–30 – D66
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het advies
van de Rvdr. Daaruit blijkt dat de rechterlijke macht aangeeft dat de implementatie
van de Richtlijn voor hen betekent dat zij voor bepaalde categorieën vorderingen extra
processuele stappen en materiele toetsing zullen moeten uitvoeren. De behandeling
van de zaken zal daarom meer capaciteit vragen van de rechterlijke macht dan de collectieve
acties onder het WAMCA-regime tot nu toe al deden. Voornoemde leden nemen de zorgen
van de rechterlijke macht bijzonder serieus, te meer vanwege de reeds bestaande capaciteitsproblemen
en achterstanden binnen de rechtspraak. Kan de regering uiteenzetten in hoeverre rekening
is gehouden met de benodigde extra capaciteit bij de rechtspraak ten behoeve van de
implementatie van de Richtlijn? Is hier financiële dekking voor?
Met de omzetting van de Richtlijn is zoveel mogelijk aangesloten bij de WAMCA. Naar
aanleiding van opmerkingen van de Raad voor de rechtspraak en informeel overleg met
de rechtspraak is het wetsvoorstel aangepast om een werklastverzwaring voor de rechterlijke
macht zoveel mogelijk te voorkomen. Waar mogelijk zijn toetsen die de rechter door
de Richtlijn moet doen en die niet al in de WAMCA staan, beperkt tot Richtlijngevallen
(collectieve acties voor consumenten). Dit geldt bijvoorbeeld voor de toets dat geen
collectieve actie plaatsvindt tegen een concurrent van de financier of een persoon
waarvan de financier afhankelijk is. Ook verplicht het wetsvoorstel buitenlandse consumenten
om schriftelijk mededeling te doen dat zij niet meedoen in een andere collectieve
actie of individuele actie over hetzelfde onderwerp. De rechter hoeft daardoor niet
zelf uit te zoeken of een buitenlandse consument meedoet in een andere collectieve
actie. De rechter hoeft alleen te controleren of de mededeling is gedaan.
De werklast van de rechterlijke macht zal naar verwachting niet zwaarder worden door
een grote toename van collectieve acties door buitenlandse organisaties. Het instellen
van een collectieve actie in een eigen lidstaat is al lastig. In een andere lidstaat
is het instellen van een collectieve actie nog ingewikkelder. Dit is ook een reden
waarom onder de voorganger van deze Richtlijn vrijwel nooit collectieve acties werden
ingesteld.5 Al met al heeft het wetsvoorstel naar verwachting hoogstens beperkte gevolgen voor
de werklast van de rechterlijke macht. De rechtspraak kan de driejaarlijkse prijsonderhandelingen
gebruiken voor het verkrijgen van extra financiering voor WAMCA-zaken, voor zover
de WAMCA tot een zwaardere werklast leidt dan verwacht.
31 – SP
De leden van de SP-fractie constateren dat er in het wetsvoorstel zo veel mogelijk
rekening zou zijn gehouden met het doenvermogen van consumenten. Vervolgens gaat de
memorie van toelichting in op de informatievoorziening aan consumenten. Kan de regering
aangeven of daarmee alle consumenten worden bereikt en of die informatie de juiste
taal en toon aanslaat om voor alle consumenten begrijpelijk te zijn?
Om te zorgen dat zoveel mogelijk consumenten op de hoogte zijn van een collectieve
actie, worden zij op verschillende manieren geïnformeerd. Consumenten die bekend zijn
bij de organisatie ontvangen op de eerste plaats een brief. Daarnaast wijst de rechter
één of meer nieuwsbladen aan waarin wordt geïnformeerd over een collectieve actie.
Ook zijn alle collectieve acties in Nederland te vinden in het Centraal register voor
collectieve acties. De rechter kan bepalen dat de informatievoorziening ook op andere
manieren plaatsvindt. Verder kan de rechter eisen dat de informatie in begrijpelijke
taal wordt verschaft of in één of meer andere talen dan de Nederlandse taal. Artikel 13
van de Richtlijn verplicht organisaties ook om zelf op hun website informatie bij
te houden over collectieve acties die zij hebben ingesteld. Organisaties hebben er
zelf groot belang bij om consumenten te informeren over hun collectieve actie. De
WAMCA verlangt namelijk van een organisatie dat zij voldoende representatief is gelet
op de achterban.
32–34 – SP
Voorziet de WAMCA ook in de mogelijkheid om de leverancier alle consumenten van het
goed of de dienst die een inbreuk vormt verplicht te benaderen? Bijvoorbeeld dat Volkswagen
alle consumenten die een auto met sjoemelsoftware hebben zelf een brief moeten sturen?
Zo nee, waarom niet?
Ja, de rechter heeft veel ruimte om te bepalen hoe consumenten worden benaderd over
een collectieve actie. Zo kan de rechter ook bepalen dat en hoe een verweerder de
achterban van een organisatie moet benaderen.
35 – SP
De leden van de SP-fractie zijn in het bijzonder geïnteresseerd in de voorlichting
aan Nederlandse consumenten over collectieve acties in andere EU-lidstaten. Kan de
regering aangeven waarom zij meent dat met dit wetsvoorstel voldoende is gewaarborgd
dat de Nederlandse consumenten over de collectieve acties worden geïnformeerd en over
de rechten van en de mogelijkheid tot deelname aan de collectieve actie in een andere
EU-lidstaat?
Artikel 13 van de Richtlijn verplicht lidstaten ervoor te zorgen dat consumenten tijdig
worden geïnformeerd over een collectieve actie. Bij een collectieve actie in een andere
lidstaat die zich mede richt op Nederlandse consumenten, zullen de Nederlandse consumenten
hierover worden geïnformeerd. Die andere lidstaat moet artikel 13 immers ook hebben
omgezet en dus regels hebben die ofwel de organisatie ofwel de handelaar verplichten
om consumenten te informeren over een collectieve actie. Een organisatie heeft er
zelf ook groot belang bij dat consumenten op de hoogte zijn van een collectieve actie
en dat zij kiezen om deel te nemen aan de collectieve actie (opt in). Voor zover een
buitenlandse collectieve actie ook opkomt voor belangen van Nederlandse consumenten,
zal de organisatie die die actie heeft ingesteld, zich inspannen om te zorgen dat
Nederlandse consumenten gebruik maken van hun opt in mogelijkheid. Daartoe zal die
organisatie met alle mogelijke middelen consumenten in Nederland kunnen benaderen,
waaronder bijvoorbeeld via een gerichte website of advertenties in bladen of op sociale
media.
36–37 – SP
Daarnaast wordt de toename van de werklast gedrukt door de toets of buitenlandse consumenten
die mee willen doen aan een collectieve actie in Nederland te wijzigen. Er is voor
gekozen om buitenlandse consumenten schriftelijk te laten mededelen dat zij niet in
een actie in een ander land betrokken zijn. Dit is een begrijpelijke keuze. Maar misbruik
dient te worden voorkomen. Dus de aan het woord zijnde leden zijn erg benieuwd wie
gaat controleren of die verklaringen op waarheid zijn gebaseerd en hoe die controle
plaatsvindt. Wat is de consequentie, bijvoorbeeld in de vorm van sancties, wanneer
iemand ten onrechte een dergelijke verklaring afgeeft? Hoe moeten deze leden in dit
licht de zin «Voor de Nederlandse rechter is onmogelijk met zekerheid vast te stellen
of een buitenlandse consument in geen enkele lidstaat vertegenwoordigd wordt in een
vergelijkbare collectieve actie» uit de memorie van toelichting bezien?
Zoals de leden van de SP-fractie terecht constateren, is het lastig voor de rechter
om te controleren of iemand naar waarheid verklaart niet mee te doen aan een collectieve
of individuele actie over hetzelfde onderwerp. De Nederlandse rechter kan praktisch
gezien niet achterhalen of een buitenlandse consument via een opt-in- of opt-outsysteem
meedoet aan een collectieve actie in een andere lidstaat. Dit betekent dat de mogelijkheden
voor handhaving en sanctionering hierop beperkt zijn. Buitenlandse consumenten kiezen
er bewust voor om mee te doen aan een Nederlandse collectieve actie (opt in). Als
blijkt dat een buitenlandse consument ten onrechte heeft verklaard niet mee te doen
aan een andere actie, kan de rechter bepalen dat die consument niet langer meedoet
in de betreffende collectieve actie. Omdat voor buitenlandse consumenten een opt-insysteem
geldt, is eenvoudig te achterhalen om welke consument het gaat. Dit kan bijvoorbeeld
aan het licht komen door de verweerder, die er belang bij heeft consumenten uit de
collectieve actie te laten verwijderen als zij daar niet aan mee mogen doen omdat
zij al in een andere actie zijn vertegenwoordigd.
6. Advies en consultatie
38–39 – VVD
De leden van de VVD-fractie zien dat de Richtlijn voorschrijft dat bevoegde instanties
aan rechtbanken en administratieve autoriteiten volledige transparantie moeten bieden
over de financieringsbron van hun activiteiten in het algemeen, en over de herkomst
van de middelen ter ondersteuning van een specifieke collectieve actie. Dit is blijkens
de considerans van de Richtlijn noodzakelijk om te kunnen beoordelen of er tussen
een financierende derde en de organisatie een belangenconflict bestaat dat een risico
creëert van misbruik van procesrecht, of dat de financiering door een derde die een
economisch belang heeft bij het instellen of het resultaat van de collectieve actie,
de collectieve actie afleidt van de bescherming van de collectieve belangen van consumenten.
Kan de regering aangeven welke mogelijkheden rechters hebben om dit te toetsen? Klopt
het dat rechters in de praktijk nu ook al naar financieringsovereenkomsten vragen
wanneer zij toetsen aan de WAMCA?
In de inleidende opmerkingen is al opgemerkt dat de rechter verschillende mogelijkheden
heeft om de financiering van een collectieve actie te controleren. Allereerst is de
organisatie verplicht om in haar dagvaarding te onderbouwen dat en hoe zij aan de
ontvankelijkheidseisen voldoet, waaronder de eis van het beschikken over voldoende
middelen en de zeggenschap daarover. Daarnaast kan de rechter de financieringsovereenkomst
of andere bescheiden met betrekking tot de zaak opvragen. Als de partij aan wie dit
wordt gevraagd, weigert, kan de rechter daar naar eigen inzicht gevolgen aan verbinden.
Tot nu toe heeft nog geen rechter een financieringsovereenkomst opgevraagd. Dit is
ook te verklaren doordat de eerste WAMCA-zaken pas recent zijn gaan lopen en zich
in een vroege fase bevinden.
40 – VVD
Gelet op het grote maatschappelijke belang van transparantie van financieringsbronnen
vragen de leden van de VVD-fractie of het voorts mogelijk is de voorwaarden over procesfinanciering
van toepassing zijn te verklaren op alle collectieve acties van 3:305a BW, en wat
hier de voor- en nadelen van zouden zijn.
Met uitzondering van de specifieke voorwaarde in de Richtlijn dat een collectieve
actie niet kan worden ingesteld tegen een verweerder die een concurrent is van de
financier van de collectieve actie of tegen iemand waarvan de financier afhankelijk
is, gelden alle eisen in de Richtlijn op het punt van procesfinanciering ook nu al
ingevolge de WAMCA. Artikel 3:305a BW bevat daarmee al genoeg waarborgen om te zorgen
dat een collectieve actie de belangen van consumenten behartigt en niet die van de
procesfinancier. In de inleidende opmerkingen is uiteengezet waarom ik het niet wenselijk
vind ook de specifieke voorwaarde over concurrentie en afhankelijkheid van de financier
buiten Richtlijngevallen toe te passen. Zo nodig kan de rechter in een collectieve
actie ambtshalve een financieringsovereenkomst opvragen als hij dat nodig acht. Een
nadeel van volledige transparantie richting verweerder zou zijn dat dit misbruik door
de verweerder in de hand kan werken. Een verweerder die weet heeft van de financiële
middelen van een organisatie, kan zijn processtrategie daarop aanpassen.
41–42 – SP
De leden van de SP-fractie lezen in de reactie van de Rvdr dat haar weinig tijd is
gegund om met een reactie te komen. Kan de regering dit toelichten? Waarom wordt niet
voldoende tijd gegund voor consultatierondes?
Voor het tijdig implementeren van Europese regelgeving is een strakke planning vereist.
Wordt Europese regelgeving niet op tijd omgezet, dan start de Europese Commissie een
inbreukprocedure en kan de Europese Commissie het Hof van Justitie van de Europese
Unie vragen een boete met dwangsom op te leggen aan Nederland. De Rvdr heeft vier
weken de tijd gehad om te reageren op het wetsvoorstel. Daarna heeft ook nog informeel
overleg met de rechtspraak plaatsgevonden om een zo goed mogelijk beeld te krijgen
van eventuele praktische knelpunten die de rechtspraak verwacht. Op deze manier is
geprobeerd de beperkte termijn van twee jaar om de Richtlijn om te zetten en de wens
om zoveel mogelijk recht te doen aan de opmerkingen van stakeholders, zo goed mogelijk
met elkaar te verenigen.
43–44 – SP
Daarnaast vragen deze leden aandacht voor het punt van kritiek van de Rvdr dat deze
implementatiewet kort na de inwerkingtreding van de WAMCA wordt behandeld. In korte
tijd wordt de praktijk dus twee keer gewijzigd. Dit legt begrijpelijkerwijs extra
druk op de al geringe capaciteit van de rechtspraak. Kan de regering aangeven hoe
zij hierop reageert en wat zij er in het vervolg aan gaat doen om dit te voorkomen?
Wetgeving vanuit de Europese Unie wordt toch tijdig bekend gemaakt?
Het voorstel voor de WAMCA is al in november 2015 ingediend bij de Tweede Kamer. Het
voorstel van de Europese Commissie voor de Richtlijn is pas in april 2018 gepresenteerd.
Na unanieme steun voor de WAMCA in beide Kamers is het voorstel in 2019 in het Staatsblad
gepubliceerd en per 1 januari 2020 in werking getreden. Op dat moment waren de onderhandelingen
over de Richtlijn nog niet afgerond en was onzeker of, en zo ja, in welke vorm de
Richtlijn tot stand zou komen. Er was daarom geen rechtvaardiging om te wachten met
inwerkingtreding. Vanwege de implementatietermijn van twee jaar na totstandkoming
van de Richtlijn op 25 december 2020 kan ook niet worden gewacht met inwerkingtreding
van de implementatiewet tot na de evaluatie van de WAMCA in 2025. Het is voor Nederland
voordelig geweest dat het voorstel voor de WAMCA al vergevorderd was in het wetgevingsproces.
Daardoor heeft Nederland relatief veel invloed kunnen uitoefenen op de inhoud van
de Richtlijn. Dat is de reden dat de Richtlijn grotendeels aansluit bij de WAMCA en
slechts een beperkte aanpassing van de Nederlandse wet nodig is. Bovendien zijn in
het wetsvoorstel de wijzigingen voor de rechtspraak tot een minimum beperkt.
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
1. Schrapping lid 3, aanwijzing voor grensoverschrijdende acties
Lid 2 artikel 3:305e BW, de eisen voor aanwijzing
45–46 – VVD
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de Minister voor Rechtsbescherming na inwerkingtreding
van onderhavig wetsvoorstel een Nederlandse organisatie aanwijst voor grensoverschrijdende
collectieve acties, mits de organisatie voldoet aan een aantal voorwaarden. Deze organisatie
wordt dan opgenomen in het nieuwe register. Hoe wordt voorkomen dat een Minister in
land A besluit om een organisatie niet op de lijst voor grensoverschrijdende collectieve
acties te plaatsen en de organisatie vervolgens een nieuw verzoek indient in land
B dat dan wordt toegewezen? Wie houdt toezicht op het register?
Een organisatie kan niet in meer dan één lidstaat proberen op de lijst te komen. Een
organisatie kan namelijk alleen in de lidstaat waar zij is opgericht, een verzoek
doen om op de lijst te worden geplaatst.
47 – VVD
Bovendien constateren voornoemde leden dat er een risico bestaat dat wanneer de Minister
een organisatie afwijst en niet op de lijst plaatst, de betrokken organisatie nog
steeds op grond van de WAMCA collectieve acties kan instellen. In dat kader wijzen
zij bijvoorbeeld op de uitzonderingsregeling van lid 6 van artikel 3:305a BW. Hoe
wordt voorkomen dat de WAMCA kan worden gebruikt om de ontvankelijkheidseisen die
de Richtlijn stelt te omzeilen?
De WAMCA stelt veel eisen aan organisaties om een collectieve actie in te kunnen stellen.
De rechter toetst die eisen ook indringend. Voordeel van de WAMCA boven de voorwaarden
om op de lijst te komen, is bovendien dat de rechter niet alleen de governance van de organisatie toetst, maar ook de concrete collectieve actie. Als een organisatie
zich beroept op de uitzonderingsregeling van lid 6 van artikel 3:305a BW, geldt voor
die organisatie nog steeds de eis dat zij de belangen van de personen voor wij zij
opkomt ingevolge haar statuten behartigt en dat deze belangen voldoende zijn gewaarborgd.
Als het gaat om een situatie die onder de Richtlijn valt, kunnen de eisen uit de Richtlijn
niet worden omzeild, omdat daarvoor in lid 6 is bepaald dat die ook gelden als de
uitzondering van toepassing is.
48–49 – VVD
De leden van de VVD-fractie lezen dat de aanwijzing van de Minister voor Rechtsbescherming
een besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb, waartegen bezwaar, beroep en hoger beroep
mogelijk is. Aan wie komen deze mogelijkheden toe? Is dat enkel de organisatie tot
wie de beschikking is gericht, of hebben (derde)belanghebbenden ook mogelijkheden
tot bezwaar, beroep en hoger beroep tegen het aanwijzings- of intrekkingsbesluit van
de Minister?
Volgens de Awb kunnen alleen belanghebbenden in bezwaar en beroep tegen een besluit
(zie artikel 8:1 jo. 7:1 Awb). Een belanghebbende is volgens artikel 1:2 lid 1 Awb
«degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken». Doorgaans zal dat
alleen de organisatie zijn die om aanwijzing voor op de lijst voor grensoverschrijdende
collectieve acties heeft gevraagd. Anderen worden in principe niet geraakt doordat
een organisatie in een andere lidstaat een collectieve actie op basis van de Richtlijn
mag instellen.
50–51 – VVD
De aan het woord zijnde leden vragen tot slot met betrekking tot de aanwijzing waar
de lijst met aangewezen organisaties zal worden gepubliceerd en of de Minister zelf
zorgdraagt dat deze lijst periodiek wordt bijgewerkt. Of is het de bedoeling dat deze
lijst zal worden gepubliceerd in het centraal register voor collectieve vorderingen?
De lijst met aangewezen organisaties zal worden geplaatst op de website van de rijksoverheid.
Het is niet de bedoeling dat de lijst wordt gepubliceerd in het Centraal register
voor collectieve vorderingen. Artikel 5 van de Richtlijn verlangt van lidstaten dat
zij de Europese Commissie op de hoogte stellen als de lijst wordt gewijzigd omdat
de Europese Commissie een geaggregeerde lijst van alle lidstaten bijhoudt. De Minister
zal er dan ook voor zorgen dat nieuw aangewezen organisaties op de lijst worden geplaatst
en organisaties op de lijst die niet langer aan de voorwaarden voldoen van de lijst
worden gehaald.
De Minister voor Rechtsbescherming, F.M. Weerwind
Ondertekenaars
F.M. Weerwind, minister voor Rechtsbescherming