Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
35 650 XVI Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2020 (wijziging samenhangende met de Najaarsnota)
Nr. 4
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 16 december 2020
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm
van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 4 december 2020 voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport. Bij brief van 15 december 2020 zijn ze door de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Lodders
Adjunct-griffier van de commissie, Krijger
Vraag 1 t/m 10
Deze vragen zijn niet door Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te beantwoorden
maar horen bij de portefeuille van de Minister van Financiën.
Vraag 11
Kunt u in het vervolg bij de coronamaatregelen aangeven welk deel van de uitgaven
via de begroting loopt, met daarbij het desbetreffende artikel vermeld, en welk deel
via de premies loopt?
Antwoord:
De coronamaatregelen worden uitgebreid toegelicht in de betreffende begrotingsstukken.
Daarnaast neemt VWS telkens een samenvattende tabel op met de totale uitgaven, zowel
begrotingsgefinancierd als premiegefinancierd. In de tweede suppletoire begroting
van VWS is dit overzicht op pagina 4 opgenomen. Onder post 12 Meerkosten COVID-19
Wlz (plafond Zorg) en 13 Overige maatregelen (plafond Zorg) zijn de enige twee premiegefinancierde
uitgaven opgenomen. In een volgend begrotingsoverzicht zal ik de splitsing tussen
begroting en premie beter inzichtelijk maken.
Vraag 12
Kunt u een overzicht geven van het percentage inhuur externen per ministerie en de
mate waarin de Roemernorm is overschreden en wat de belangrijkste reden daarvan is?
Antwoord:
Jaarlijks rapporteert de Minister van BZK over de mate van compliance aan de zogenaamde
Roemernorm. De meest recent beschikbare en gecontroleerde cijfers betreffen het jaar
2019. Deze zijn opgenomen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2019 in paragraaf
1.5.2, op pagina 21–22. In tabel 58 op pagina 101 is meer gedetailleerd terug te vinden
wat de omvang van de uitgaven aan externe inhuur van elk ministerie is geweest. Voor
de inhoudelijke verklaring van de overschrijdingen verwijs ik kortheidshalve naar
de departementale jaarverslagen. Als VWS zijnde zal ik hierover in het VWS-jaarverslag
rapporteren. Cijfers over 2020 komen beschikbaar bij het opstellen van het jaarverslag
2020. De Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2020 wordt de derde woensdag van mei
aan de Kamer aangeboden.
Vraag 13
Kunt u aangeven in hoeverre het maximumtarief van € 225 per uur voor externe inhuur
wordt overschreden (motie de Pater) en wat daar de reden voor is?
Antwoord:
De mate waarin het maximumtarief van € 225 per uur voor externe inhuur wordt overschreden
wordt jaarlijks opgenomen in het jaarverslag van VWS. De meest recent beschikbare
en gecontroleerde cijfers zijn opgenomen in het VWS jaarverslag 2019 (bijlage 3: Inhuur
externen op pagina 229). De cijfers over 2020 komen beschikbaar bij het opstellen
van het jaarverslag 2020.
Vraag 14
Wordt de Tegemoetkoming extra beddencapaciteit zwaar getroffen regio's later verrekend
met de verzekeraars? Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
Nee, dat is niet voorzien. Het gaat om incidentele noodvoorzieningen die in alle haast
en met de beste bedoelingen zijn opgezet en die uiteindelijk niet gebruikt zijn voor
het verlenen van zorg. Dit maakt het voor zorgverzekeraars lastig om aan deze voorzieningen
bij te dragen. Met de ervaringen van de eerste golf zijn er heldere opschalingsplannen
en besluitprocedures afgesproken, waardoor de inzet van dit type noodvoorzieningen
tot het minimum beperkt wordt en dan onderdeel is van het zorgpalet, bekostigd door
zorgverzekeraars.
Vraag 15
Kan inzichtelijk gemaakt worden bij welke onderdelen van de begroting van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport sprake is van onderuitputting van de beschikbare middelen als gevolg
van de coronacrisis?
Antwoord:
De totale onderuitputting op de VWS-begroting (plafondrelevante uitgaven) bedraagt
€ 67 mln. Daarnaast zijn kasschuiven ingepast, voor een uitsplitsing verwijs ik u
naar de antwoorden van de Minister van Financiën zoals aangegeven bij het antwoord
op vraag 10.
Voor de uitsplitsing van de onderuitputting op de VWS-begroting verwijs ik u naar
de artikelen in de tweede suppletoire begroting.
Vraag 16
Hoeveel wordt in totaal over 2021 geïnvesteerd in de Maatschappelijke Diensttijd?
Antwoord:
In 2021 is € 100 miljoen beschikbaar voor de Maatschappelijke Diensttijd. Dit budget
wordt gebruikt om afspraken te maken over 60.000 MDT-trajecten.
Zie ook de voortgangsbrieven van MDT (Kamerstuk, 20 7471-MDT, blz. 11 en 20 en de
meest recente kamerbrief met kenmerk 1768935–213029-MDT, blz. 3).
Vraag 17
Kan nader worden toegelicht waarom op de stimuleringsregeling e-Health
een bedrag van € 38 miljoen vrijvalt en waarom dit niet wordt overgeheveld naar latere
jaren?
Antwoord:
De Stimuleringsregeling E-health Thuis (SET) is een meerjarige subsidieregeling waarmee
de opschaling en duurzame inzet van digitale zorg en ondersteuning voor thuiswonende
kwetsbare ouderen en mensen met een (risico op) chronische ziekte of beperking wordt
gestimuleerd. Voor 2020 was € 28 miljoen beschikbaar.
Als gevolg van de coronacrisis is in maart, aanvullend op de reguliere SET-regeling,
de tijdelijke noodregeling SET COVID-19 1.0 geopend. Dit was een regeling waarin kleinere
bedragen eenvoudiger konden worden aangevraagd.
Met de SET COVID-19 1.0 is € 23 miljoen beschikbaar gesteld om met de inzet van digitale
zorg en ondersteuning een bijdrage te kunnen leveren aan de continuïteit van zorg.
Een deel van de € 28 miljoen (namelijk € 5 miljoen) dat in 2020 nog beschikbaar was
van de reguliere SET regeling is in deze regeling gevloeid. Vanwege het grote aantal
aanvragen was het subsidieplafond van de SET COVID-19 1.0 binnen enkele dagen bereikt.
In navolging hierop is in juli de SET COVID-19 2.0 geopend. Ook deze subsidieregeling
is ingezet om bij te dragen aan de noodzakelijke omslag naar digitalisering en zorg
op afstand in tijden van corona. Hiervoor was opnieuw extra geld beschikbaar gesteld,
waardoor de SET COVID-19 2.0 een subsidieplafond van € 77 miljoen kende. Op basis
van het aantal aanvragen zijn de uitgaven voor de SET COVID-19 2.0 naar beneden bijgesteld.
De SET COVID-19 2.0 betreft een tijdelijke regeling die liep t/m 30 november 2020.
De niet gebruikte middelen vallen daarom vrij en zijn ingezet ten behoeve van het
algemene financiële beeld.
Deze bijstelling van SET COVID-19 2.0 heeft geen invloed op de beschikbare middelen
voor de reguliere SET-regeling. Deze SET-regeling is ook in 2021 beschikbaar met een
subsidieplafond van € 15 miljoen.
Vraag 18
Hoe controleert het Rijk hoe de € 4 miljoen voor gemeentelijke ondersteuning mensen
in quarantaine is/wordt besteed?
Antwoord:
Het bedrag van € 4 mln voor gemeentelijke ondersteuning bij mensen in quarantaine
is toegevoegd aan de algemene uitkering van het gemeentefonds. Er vindt dan ook geen
formele verantwoording van gemeenten over dit bedrag plaats. Gemeenten hebben het
verzoek gekregen deze ondersteuning op te pakken en hebben hier vanuit de VNG een
handreiking voor ontvangen. Ik heb er vertrouwen in dat gemeenten hier gehoor aan
geven. Verder vindt structureel overleg plaats met de VNG waarin ook de sociale ondersteuning
voor mensen in quarantaine wordt besproken.
Vraag 19
Hoe groot is de Overheidsbijdrage in de Arbeidsmarktontwikkeling (OVA) naar waarschijnlijkheid
over 2021? Wat is de omvang van deze pot naar waarschijnlijkheid over 2022?
Antwoord:
Onderstaande tabel bevat de Overheidsbijdrage in de arbeidsmarktontwikkeling (Ova)
cijfers voor 2021 en 2022. De cijfers hebben betrekking op het totaal in de Zvw, Wlz
en beschermd wonen (Wmo).
De Ova 2021 is 1,72%. Daarnaast is er echter +0,32% aan nacalculatie over 2020. De
totale ruimte komt hiermee uit op 2,04%, wat neerkomt op een bedrag van 991 miljoen
euro. Voor 2022 geeft de tabel uitsluitend een geraamd percentage en een op basis
daarvan geraamd bedrag exclusief nacalculatie. De raming is zeer voorlopig en gebaseerd
op de Macro Economische Verkenning 2021 van het Centraal Planbureau. Er is nog geen
inzicht in een eventuele nacalculatie over 2021.
Ova 2021–2022 (% en mln.)
Ova
2021
2022
Perc.
Bedrag
Perc,
Bedrag
exclusief nacalculatie
1,72%
835
1,50%
790
inclusief nacalculatie
2,04%
991
Vraag 20
Is de verwachting dat de uitgaven in de Zorgverzekeringswet (Zvw) in 2021 een opwaartse
trend zullen laten zien als gevolg van de zorg die zal worden ingehaald?
Antwoord:
Het meest recente Zvw-cijfer voor 2021 staat in de ontwerpbegroting 2021. De bruto
Zvw-uitgaven zijn in 2020 ongeveer € 50,6 miljard en stijgen in 2021 naar ongeveer
€ 50,9 miljard1. Er was ten tijde van de ontwerpbegroting 2021 veel onzekerheid over mogelijke toekomstige
(regionale) uitbraken van het virus en de daarmee samenhangende financiële gevolgen
voor de zorguitgaven. Daarom is in de ontwerpbegroting 2021 op basis van de eerste
inzichten van 2020 alleen een effect van coronavirus voor 2020 geraamd. Met betrekking
tot inhaalzorg ging de ontwerpbegroting er vanuit dat een deel van de niet geleverde
zorg in de eerste maanden van 2020 nog in 2020 kon worden ingehaald. De mogelijkheid
tot inhaalzorg hangt echter nauw samen met de capaciteit van zorgaanbieders en de
zorg die zij kunnen leveren in nieuwe situaties in 2021 (bijvoorbeeld de ontwikkeling
van COVID-19, de 1,5 meter maatregelen, uitrol van vaccinaties etc.). Er wordt op
basis van de aangeleverde cijfers van 2020 op dit moment geen budgettair effect van
inhaalzorg in 2021 verondersteld. Er is veel onzekerheid over de mogelijkheid om (op
grote schaal) inhaalzorg te verlenen in 2021. Recent (brief van 2 december jl.) heb
ik in reactie op de Commissiebrief over de brandbrief van de NVZ dan ook aangegeven
dat de mate waarin in 2021 sprake zal zijn van COVID-19 of inhaalzorg nu niet exact
te kwantificeren is en we dat zullen moeten bezien.
Vraag 21
Komt de aangeleverde raming van «reguliere prestaties» (inclusief directe meerkosten),
continuïteitsbijdragen en indirecte meerkosten qua onderlinge verhouding overeen met
de berekeningen die Gupta Strategists eerder in opdracht van de zorgverzekeraars had
gemaakt voor vaststelling van de continuïteitsbijdragen?
Antwoord:
Het onderzoeksrapport van Gupta Strategists is in opdracht van Zorgverzekeraars Nederland
(ZN) en de zorgverzekeraars opgesteld en is niet gedeeld met VWS. Om die reden kan
VWS de onderlinge verhouding niet controleren met de berekeningen van de Gupta Strategists.
Vraag 22
Hoe verhouden de uitgaven aan de reguliere prestaties zich tot voorgaande jaren en
eerdere ramingen voor het jaar 2020?
Antwoord:
Allereerst dient te worden aangegeven dat vanwege COVID-19 de ramingen voor 2020 met
meer onzekerheden zijn omvat dan normaliter. Desalniettemin geven de cijfers uit de
tweede suppletoire begroting 2020 het meest actuele beeld van de Zvw-uitgaven. Deze
cijfers zijn gebaseerd op declaraties van de eerste drie kwartalen, aangevuld met
een raming van de nog te ontvangen declaraties in 2020. Hier zitten nog niet de effecten
van de tweede golf in. Uit deze cijfers kunnen daarom nu nog geen harde conclusies
getrokken worden met betrekking tot de reguliere zorg in 2020.
In de meest actuele ramingen van de reguliere prestaties (in de ontwerpbegroting 2021
en de tweede suppletoire begroting 2020) zitten ook directe meerkosten gerelateerd
aan COVID-19, omdat het nog lastig is voor verzekeraars om deze kosten te identificeren
binnen de declaraties. In de cijfers van de ontwerpbegroting 2020 (vóór COVID-19)
en de eerste suppletoire begroting 2020 zijn geen effecten van COVID-19 meegenomen
in de ramingen. Die waren op dat moment niet beschikbaar.
De eerste inzichten van de effecten van COVID-19 op de Zvw-uitgaven 2020 zijn opgenomen
in de ontwerpbegroting 2021. Ten opzichte van de stand eerste suppletoire begroting
2020 was sprake van een grote daling van de verwachte uitgaven voor reguliere prestaties.
Daartegenover staan hogere uitgaven voor continuïteitsbijdragen en (indirecte) meerkosten,
waardoor er in de ontwerpbegroting 2021 per saldo nauwelijks effect op het totaal
van de Zvw-uitgaven werd verwacht. Uit de nieuwe cijfers in de tweede suppletoire
begroting 2020 komt een hogere raming voor reguliere zorg naar voren ten opzichte
van de ontwerpbegroting 2021. Daar staat een nog iets grotere daling van de raming
van de continuïteitsbijdragen tegenover, waardoor de Zvw-uitgaven per saldo ca. € 100
miljoen lager uitvallen.
Tabel vergelijking Zvw-ramingen voor 2020:
Bedragen x € 1 miljoen
Ontwerpbegroting 2020
Eerste suppletoire begroting 2020
Ontwerpbegroting 2021
Tweede suppletoire begroting 2020
Totale bruto Zvw-uitgaven
51.044,35
50.645,86
50.530,17
50.429,69
Waarvan reguliere prestaties en tarieven vanaf ontwerpbegroting 2021 incl. directe
meerkosten
51.044,35
50.645,86
45.813,65
46.298,68
Waarvan continuïteitsbijdragen
4.071,29
3.476,73
Waarvan indirecte meerkosten
645,24
654,28
*Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.
Een vergelijking van de jaren 2017–2020, toont bij de reguliere prestaties een daling
ten opzichte van 2019, maar het totaal inclusief indirecte meerkosten en netto continuïteitsbijdragen
laat een stijging ten opzichte van 2019 zien. Zie onderstaande tabel.
Tabel vergelijking Zvw-uitgaven tussen 2017 t/m 2020:
Bedragen x € 1 miljoen
2017 (ontwerpbegroting 2021)
2018 (ontwerpbegroting 2021)
2019
(ontwerpbegroting 2021)
2020 (tweede suppletoire begroting 2020)
Totale bruto Zvw-uitgaven
45.133,45
46.765,32
48.688,68
50.429,69
Waarvan reguliere prestaties en tarieven (in 2020 incl. directe meerkosten)
45.133,45
46.765,32
48.653,05
46.298,68
Waarvan continuïteitsbijdragen
35,6
3.476,73
Waarvan indirecte meerkosten
654,28
*Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.
Vraag 23
Kunt u een totaaloverzicht geven van alle omvangrijke verschuivingen naar volgend
jaar, en op welke wijze dit gebeurt? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen reguliere
uitgaven en noodmaatregelen?
Antwoord:
De onderstaande reguliere begrotingsuitgaven schuiven door naar volgend jaar.
De middelen schuiven door middel van een kasschuif van 2020 naar 2021.
Overzicht reguliere kasschuiven VWS (bedragen x duizend euro)
2020
2021
Kasschuif middelen continuïteit cruciale jeugdzorg
– 20.000
20.000
Kasschuif Stimuleringsregeling Wonen en Zorg
– 14.300
14.300
Kasschuif OPEN – HLA
– 4.000
4.000
Totaal
– 38.300
38.300
De onderstaande coronagerelateerde uitgaven schuiven ook door naar volgend jaar. Deze
middelen blijven door middel van een plafondcorrectie in 2020 en in 2021 beschikbaar.
Overzicht coronagerelateerde kasschuiven VWS (bedragen x duizend euro)
2020
2021
Bonus zorgpersoneel pgb (COVID-19)
– 126.000
126.000
Vaccinontwikkeling
– 335.000
335.000
Opleiden extra zorgpersoneel corona
– 8.500
8.500
Vergoeding veiligheidsregio's
– 7.770
7.770
Subsidie Nederlands kenniscentrum voor Geneesmiddelen
– 6.700
6.700
Totaal
– 483.970
483.970
Vraag 24
Kan precies worden toegelicht welke taak binnen het onderwerp dak- en thuislozen nu
minder budget heeft gekregen en welk onderdeel extra budget heeft gekregen, aangezien
op pagina 5 staat aangegeven dat € 73 miljoen minder besteed wordt aan de aanpak dak-
en thuislozen, met als opgegeven reden dat centrum- en regiogemeenten voor 2020 en
2021 extra middelen hebben ontvangen voor dak- en thuislozen, terwijl op pagina 9
staat dat dit bedrag overgeboekt is naar artikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning?
Kan deze schuif duidelijker en/of uitgebreider worden toegelicht?
Antwoord:
Het kabinet stelt voor de aanpak van dak- en thuisloosheid een financiële impuls beschikbaar
van in totaal € 200 miljoen voor de jaren 2020 en 2021. Hiervan is een bedrag van
€ 73 miljoen in 2020 aan gemeenten verstrekt. Gemeenten hebben deze middelen ontvangen
via de decentralisatie-uitkering Brede aanpak dak- en thuisloosheid (meicirculaire
2020).
De oorspronkelijke gedachte was de middelen via ZonMW aan gemeenten te verstrekken
in plaats van via een decentralisatie-uitkering. Omdat het verstrekken van de middelen
via een decentralisatie-uitkering passender bleek te zijn, zijn de middelen weer afgeboekt
van art. 2 ten behoeve van de decentralisatie-uitkering aan gemeenten. De € 73 miljoen
is via de decentralisatie-uitkering uitgekeerd aan gemeenten. Deze extra middelen
zijn verwerkt in de meicirculaire 2020 van het gemeentefonds. De schuif is dus boekhoudkundig
van aard: er is geen sprake van meer of minder budget voor de brede aanpak van dak-
en thuisloosheid.
Vraag 25
Wat is het concrete effect van de extra middelen aanpak dak- en thuislozen (€ 73.0
miljoen) naar artikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning?
Antwoord:
Zie hiervoor het antwoord op vraag 24. De schuif is boekhoudkundig van aard: er is
geen sprake van meer of minder budget voor de brede aanpak van dak- en thuisloosheid.
De inhoudelijke doelen zijn gelijk gebleven en in mijn brief van 3 juni jl. met uw
Kamer gecommuniceerd.2
Vraag 26
Hoeveel kost een permanente winterkouderegeling in de opvang?
Antwoord:
Het is niet mogelijk daar eenduidig antwoord op te geven. De kosten zijn afhankelijk
van een groot aantal factoren, zoals:
– Het aantal rechthebbende dak- en thuisloze mensen op dat moment;
– Het aantal niet-rechthebbende dak- en thuisloze mensen op dat moment;
– Het aantal plekken dat in een regio beschikbaar is om dak- en thuisloze mensen te
kunnen opvangen – dit kan van jaar tot jaar verschillen;
– De richtlijnen waaraan de opvang op dat moment moet voldoen (bijv. 1,5 meter afstand
of niet);
– De duur van de winterkouderegeling.
Een goede opvang van dak- en thuisloze mensen is maatwerk. Ook tijdens de winter.
Om die reden zijn gemeenten verantwoordelijk voor deze taak. Zij kunnen de winterkoudeopvang
financieren uit de jaarlijkse middelen die zij van het Rijk ontvangen.
Vraag 27
Kan een overzicht gegeven worden van opdrachten en subsidies omtrent ziektepreventie
die niet gefinancierd konden worden doordat € 1.5 miljoen van het budget hiervoor
is overgeheveld naar het RIVM: Opdrachtverlening aan kenniscentra?
Antwoord:
Er is geen sprake van dat er opdrachten en subsidies ziektepreventie niet zijn uitgevoerd
doordat € 1,5 miljoen is overgeheveld naar het RIVM: Opdrachtverlening aan kenniscentra.
De middelen die voor Verder met vaccineren waren geraamd onder subsidies Ziektepreventie
zijn voor hetzelfde doel ingezet. Echter omdat de opdracht hiervoor aan het RIVM is
verleend, zijn deze middelen overgeheveld van het instrument subsidies naar het instrument
Bijdrage aan Agentschappen.
Vraag 28
Hoeveel mensen hebben zich extra laten vaccineren door het extra budget dat aan het
RIVM ter beschikking is gesteld voor griep- en pneumokkenvaccinaties?
Antwoord:
Het is nog te vroeg om deze vraag precies te beantwoorden.
Op dit moment zijn er 3.815.550 griepvaccinaties besteld door huisartsen. In 2019
zijn er door de huisartsen en instellingen 3.203.000 vaccins gezet.
De schatting is dat er ongeveer 612.500 meer toegediend zijn dan vorig jaar (3.815.550
– 3.203.000 = 612.550).
Disclaimer daarbij is dat we niet weten hoeveel daarvan daadwerkelijk is toegediend
en hoeveel over is bij de huisartsen/instellingen, omdat de declaraties nog binnen
moeten komen. Verwachting is dat er niet veel vaccins over zullen zijn bij de huisartsen
dit jaar.
Verder geldt dat de campagne nog niet voorbij is. De mensen van 60 tot 69 jaar kunnen
alsnog een vaccin gaan halen en huisartsen kunnen dus nog een bestelling plaatsen.
In februari is bekend hoeveel er daadwerkelijk gevaccineerd is in 2020. Dan kunnen
we het afzetten tegen de afgelopen jaren.
Op dit moment zijn er 853.380 pneumokokkenvaccins besteld en er staan er nog 3.180
op de lijst voor een volgende bestelling. In het totaal verwachten we dus in ieder
geval 856.560 pneumokokkenvaccins uit te leveren. En de verwachting is dat het er
nog meer worden, omdat de vaccinatie doorloopt. Ook hier geldt de disclaimer dat we
nu nog niet weten hoeveel vaccins er overblijven bij de huisartsen en hoeveel vaccins
er alsnog nabesteld gaan worden.
Vraag 29
Kan inzichtelijk gemaakt worden wat de effecten van de coronacrisis zijn geweest op
de totale uitgaven aan geestelijke gezondheidszorg (ggz)?
Antwoord:
De behandelingen in de ggz zijn gedurende de coronacrisis zoveel mogelijk doorgegaan,
zij het soms in een andere vorm. De NZa houdt bij hoe de verwijzingen naar de ggz
zich ontwikkelen. Gedurende de eerste fase van de coronacrisis was te zien dat het
aantal verwijzingen naar de ggz fors terugliep (tot zo’n 78.000 minder dan verwacht).
Momenteel is het aantal verwijzingen naar de ggz weer op het niveau van 2019.
Het is vanuit VWS niet mogelijk om te overzien wat de effecten van de coronacrisis
op de totale uitgaven aan de geestelijke gezondheidszorg tot nu toe zijn geweest.
De huidige ramingen zijn nog met veel onzekerheid omgeven. Het is nog niet mogelijk
om hier nu al harde conclusies met betrekking tot corona aan te verbinden.
Vraag 30
Deze vraag is niet door Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te beantwoorden
maar hoort bij de portefeuille van de Minister van Financiën.
Vraag 31
Kunt u aangeven wat er gebeurt met de incidentele meevaller van € 1,8 miljoen binnen
de subsidies Medisch-specialistische zorg?
Antwoord:
Per 1 juli 2020 zijn de netwerkzorgactiviteiten op het gebied van palliatieve zorg
van IKNL (Integraal Kankercentrum Nederland) en Fibula (Stichting Fibula Platform
Netwerken Palliatieve Zorg Nederland) samengevoegd bij Fibula. De overheveling van
activiteiten heeft geleid tot een incidentele meevaller van € 1,8 miljoen binnen artikel
2 op subsidies Medisch specialistische zorg. De subsidie wordt vanaf nu verleend vanaf
een ander artikel (artikel 3) en de activiteiten worden gecontinueerd door Fibula.
Op artikel 3 was nog ruimte voor het uitvoeren van de subsidie en bleek overheveling
van de middelen daarom niet nodig.
Vraag 32
Kan inzichtelijk gemaakt worden waarom binnen de subsidies Medisch- specialistische
zorg zich een incidentele meevaller van € 1.8 miljoen heeft voorgedaan?
Antwoord:
Per 1 juli 2020 zijn de netwerkzorgactiviteiten op het gebied van palliatieve zorg
van IKNL (Integraal Kankercentrum Nederland) en Fibula (Stichting Fibula Platform
Netwerken Palliatieve Zorg Nederland) samengevoegd bij Fibula. De overheveling van
activiteiten heeft geleid tot een incidentele meevaller van 1,8 miljoen binnen artikel
2 subsidie Medisch specialistische zorg. De subsidie wordt verleend vanaf een ander
artikel (artikel 3). Doordat de overheveling van activiteiten door Fibula eerder dan
gepland heeft plaatsgevonden, is er een incidentele meevaller, omdat op artikel 3
nog budgettaire ruimte was deze regeling uit te voeren.
Vraag 33
Kan nader worden toegelicht waarom voor het ontsluiten van patiëntgegevens in de medisch-specialistische
zorg het budget in totaal met € 14,6 miljoen wordt verlaagd? Is dit incidenteel?
Antwoord:
De besteding van de middelen die zijn gereserveerd voor 2020 voor het ontsluiten van
patiëntgegevens in de medisch-specialistische zorg en de uitwisseling tussen instellingen
onderling valt incidenteel lager uit, omdat de ziekenhuizen als gevolg van de coronacrisis
in 2020 geen prioriteit hebben gegeven aan de subsidieaanvragen. Om deze middelen
beschikbaar te houden voor het VIPP-programma voor de MSZ (2020–2023), zijn deze middelen
door middel van een kasschuif doorgeschoven naar latere jaren.
Vraag 34
Kan inzichtelijk gemaakt worden waarom er een grote discrepantie is tussen de beschikbaar
gestelde middelen voor COVID-19 gerelateerde zorgkosten en bijstand voor Caribisch
Nederland in 2020 (€ 78 miljoen) en 2021 (€ 13 miljoen)?
Antwoord:
De € 13 miljoen in 2021 heeft enkel betrekking op de periode tot en met februari 2021.
Vraag 35
Hoe hoog zijn de aanvullende middelen die beschikbaar zijn gesteld ten behoeve van
de uitvoering van het zorgverzekeringsstelsel?
Antwoord:
In de begroting is 1 miljoen euro gereserveerd voor de uitvoering door de Sociale
Verzekeringsbank van de werkgeverslasten Zvw-pgb. Het gaat hier om uitvoeringskosten
van de Sociale Verzekeringsbank over 2019 die in 2020 betaalbaar worden gesteld. Deze
kosten zien op de looncompensatie van budgethouders voor ziekte van hun zorgverleners
gedurende 2 jaar en op transitiekostenvergoeding die de budgethouder aan zijn zorgverlener
moet betalen bij verbreking van de arbeidsovereenkomst. Deze betalingen komen niet
ten laste van het individuele Zvw-budget aangezien het hier geen zorg betreft.
Daarnaast bestaat dit bedrag uit geld om de implementatie van de GLI verder te brengen.
Zo stellen we geld beschikbaar via ZonMW om het opzetten van de benodigde samenwerking
en/of de doorontwikkeling daarvan in de regio te ondersteunen. Ook de interventie-eigenaren
ondersteunen we. En omdat de GLI een nieuwe zorgvorm in het verzekerd pakket is, zet
het RIVM een uitgebreide monitor op, en voert deze ook uit.
Vraag 36
Kan een overzicht van factoren gegeven worden die eraan bij hebben gedragen dat er
€ 2.85 miljard meer aan rijksbijdrage Wet langdurige zorg (Wlz) nodig is dan oorspronkelijk
geraamd was?
Antwoord:
De rijksbijdrage Wlz dient met € 2,85 miljard te worden verhoogd, omdat het saldo
van inkomsten en uitgaven met dat bedrag is verslechterd sinds de raming in de ontwerpbegroting
2020.
Deze verslechtering resulteert voor € 1,3 miljard uit de lagere raming van Wlz-premie-inkomsten
in 2020 als gevolg van de lagere economische groei in dit jaar op basis van de ramingen
van het CPB. Daarnaast is de raming van de Wlz-premie-inkomsten voor 2019 en 2018
met € 0,3 miljard respectievelijk € 0,2 miljard neerwaarts aangepast. Voor 2019 gold
dat de gerealiseerde ontvangsten op kasbasis lager waren (€ 0,3 miljard lager) dan
de raming in de begroting. Deze afdrachten vinden plaats op basis van vooraf bepaalde
aandelen van de inkomsten uit loon- en inkomstenheffing. De bijstelling over 2018
(€ 0,2 miljard) betreft de afrekening van de belastingdienst over oude jaren. Achteraf
bepaalt de belastingdienst op basis van de belastingaangiften of de vooraf bepaalde
sleutel juist was. Afwijkingen tussen de raming en realisatie worden hiervoor achteraf
gecorrigeerd. Samen leidt dit tot een vermindering van de premie-inkomsten van € 1,8
miljard.
Daarnaast zijn de Wlz-uitgaven in de jaren 2018, 2019 en 2020 hoger uitgekomen dan
in de begroting 2020 geraamd met respectievelijk € 0,2, € 0,2 en € 0,5 miljard. Van
de € 0,5 miljard in 2020 hangt € 0,2 miljard samen met corona. Voor alle jaren zijn
de uitgaven dus € 0,9 miljard hoger uitgevallen. Samen met kleine tegenvallers bij
de eigen bijdragen en de BIKK is er in totaliteit een tegenvaller van € 2,85 miljard
die wordt opgevangen door de rijksbijdrage evenveel te verhogen.
Tabel Rijksbijdrage
Lagere Wlz-premie inkomsten 2020
1,3
Lagere Wlz-premie inkomsten 2019
0,3
Lagere Wlz-premie inkomsten 2018
0,2
Hogere Wlz-uitgaven 2020
0,5
Hogere Wlz-uitgaven 2019
0,2
Hogere Wlz-uitgaven 2018
0,2
BIKK en lagere eigen bijdragen
0,1
Totaal (in mld euro’s)
2,85
Vraag 37
Kan inzichtelijk gemaakt worden wat de effecten van de coronacrisis zijn geweest op
de totale uitgaven aan geestelijke gezondheidszorg?
Antwoord:
De behandelingen in de ggz zijn gedurende de coronacrisis zoveel mogelijk doorgegaan,
zij het soms in een andere vorm. De NZa houdt bij hoe de verwijzingen naar de ggz
zich ontwikkelen. Gedurende de eerste fase van de coronacrisis was te zien dat het
aantal verwijzingen naar de ggz fors terugliep (tot zo’n 78.000 minder dan verwacht).
Momenteel is het aantal verwijzingen naar de ggz weer op het niveau van 2019.
Het is vanuit VWS niet mogelijk om te overzien wat de effecten van de coronacrisis
op de totale uitgaven aan de geestelijke gezondheidszorg tot nu toe zijn geweest.
De huidige ramingen zijn nog met veel onzekerheid omgeven, en pas in de komende jaren
wordt meer duidelijkheid over de ontwikkelingen verwacht. Dan nog is het echter niet
mogelijk hier harde conclusies met betrekking tot corona aan te verbinden.
Vraag 38
Kunt u de technische correctie van € 5,1 miljoen onder «Transparantie van zorg» nader
uitleggen?
Antwoord:
Bij het opstellen van de ontwerpbegroting 2020 van VWS zijn de budgettaire tabellen
vereenvoudigd en zijn budgetten samengevoegd of verschoven. Onder het budget «Transparantie
en zorg» is er abusievelijk verkeerd geboekt. Dit is bij het opstellen van de tweede
suppletoire begroting 2020 gecorrigeerd met een technische correctie.
Vraag 39
Hoeveel zorgprofessionals hebben in totaal recht op een zorgbonus?
Antwoord:
In mijn brief van 8 december jongstleden inzake de stand van zaken Covid-19 heb ik
u een analyse verschaft van de subsidieverzoeken die zijn ingediend in het kader van
de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19 (hierna: bonusregeling).
Uit deze analyse, die gebaseerd is op cijfers met de peildatum van 30 november 2020,
volgt dat in de periode dat het aanvraagloket openstond (van 1 oktober tot en met
10 november 2020) door 12.221 zorgaanbieders een aanvraag voor subsidie is ingediend.
Gegeven de beoordeelde aanvragen op peildatum van 30 november jongstleden en de totaal
aangevraagde subsidies gaan we er vanuit dat er een bonus is aangevraagd voor circa
1,1 miljoen werknemers en ca. 0,1 miljoen derden (waaronder zzp’ers, ingehuurde uitzendkrachten
en ingehuurde schoonmakers).
Vraag 40
Kan nader worden toegelicht hoe men tot de ophoging van het budget voor de zorgbonus
met € 800 miljoen is gekomen? Kan worden uitgesplitst bij welke beroepsgroepen en
typen zorgaanbieders de voornaamste overschrijding zit ten opzichte van de geraamde
aanvragen?
Antwoord op vragen 40, 41, 44 en 45
Het uitgangspunt van de subsidieregeling is dat de zorgaanbieder het beste zicht heeft
op welke zorgprofessionals in zijn organisatie in aanmerking komen voor de bonus en
daarvoor de subsidieaanvraag doet. Deze opzet past het meest bij de positie en kennis
van de zorgaanbieders en de onderling verschillende inzet van de zorgprofessionals.
De zorgaanbieder is uiteindelijk degene die het beste zelf kan inschatten wie binnen
zijn organisatie tijdens de uitbraak van COVID-19 een uitzonderlijke prestatie heeft
geleverd. VWS kan niet in de beoordeling treden van de vraag wie een uitzonderlijke
inspanning heeft geleverd. Wij hebben dat inzicht niet. De zorgaanbieder heeft dat
inzicht wel. Om de zorgaanbieder hierin te ondersteunen heeft het Ministerie van VWS
een handreiking opgesteld. Deze handreiking is ook besproken met de werkgeversorganisaties
uit de sector zorg en welzijn. De handreiking kan worden gelezen als een advies. Indien
de zorgaanbieder van oordeel was dat de zorgprofessional een uitzonderlijke prestatie
in de strijd tegen COVID-19 heeft verricht, kon deze een verzoek voor subsidie voor
het toekennen van een bonus indienen. Indien het subsidieverzoek voldoet aan de hiervoor
geldende voorwaarden, wordt het subsidiebedrag bij voorschot verleend. De zorgaanbieder
dient het bij voorschot verleende subsidiebedrag voor het uitkeren van een bonus achteraf
te verantwoorden. Aan de hand van de verantwoording kan worden gecontroleerd of de
zorgaanbieder heeft voldaan aan de voorwaarden van de ontvangen subsidie.
De voorwaarden voor de subsidie zijn opgenomen in de subsidieregeling. Deze voorwaarden
bepalen onder meer dat de zorgaanbieder de bonus binnen vijf maanden aan de zorgprofessional
uitkeert en de bonus niet wordt uitgekeerd aan de zorgprofessional wiens verdiensten
per uur, bij een voltijd dienstverband, meer bedragen dan 2x modaal. Indien wordt
voldaan aan de voorwaarden uit de subsidieregeling, wordt de verleende subsidie vastgesteld.
Indien blijkt dat niet wordt voldaan aan (alle) voorwaarden uit de regeling, dan wordt
het bij voorschot verleende subsidiebedrag neerwaarts bijgesteld en teruggevorderd.
We zien dat door zorgaanbieders breed subsidie is aangevraagd voor een bonus. Zó breed,
dat het beschikbare budget is bijgesteld in de tweede suppletoire begroting met € 800
miljoen. Zorgaanbieders hebben – uitgaande van de reeds geanalyseerde aanvragen –
gemiddeld genomen voor gemiddeld 85–90% van hun personeelsbestand een bonus aangevraagd.
Deze percentages liggen ruim boven het ingeschatte aanvraagpercentage van naar schatting
67% van het aantal zorgprofessionals in de sector zorg en welzijn dat naar verwachting
een uitzonderlijke prestatie zou hebben geleverd in de strijd tegen COVID-19. Die
inschatting was gebaseerd op het feit dat de druk op personeel tijdens de eerste golf
niet zorgbreed en niet in instellingen gold, aangezien er ook zorg werd afgeschaald.
Daarnaast is het uitgangspunt van de regeling dat werkgevers alleen degenen zou opgeven
waarop de regeling was gericht: zorgprofessionals die zich hebben ingezet voor patiënten
en cliënten met COVID-19 (bijvoorbeeld door te verzorgen, verplegen, behandelen, begeleiden
of triage te verlenen), dan wel zorgprofessionals die hebben bijgedragen aan de strijd
tegen COVID-19 (bijvoorbeeld door extra uren te werken, collega’s te vervangen of
preventieve taken uit te voeren om het risico op verspreiding te verkleinen). Op verzoek
van de sector zijn daartoe ook lijsten met beroepen opgesteld om hierbij te helpen.
Het hogere aanvraagpercentage wordt veroorzaakt door een aantal deelsectoren dat voor
relatief veel zorgprofessionals een bonus aanvraagt. Dit betreft de algemene ziekenhuizen
met 92% en de verpleging, verzorging en thuiszorg, de gehandicaptenzorg en de ggz
met circa 90%.
We zien dat als gevolg van de brede aanvraag door zorgaanbieders er voor bijna iedere
zorgprofessional werkzaam in de sector zorg en welzijn, voor zover onder de regeling
vallend, een bonus is aangevraagd. Dat was niet de bedoeling.
De bonus is echter bedoeld als blijk van waardering voor mensen die bijzondere inzet
hebben gepleegd voor COVID-19 patiënten dan wel in de strijd tegen COVID- 19, en niet
als generiek inkomensinstrument voor iedereen werkzaam in de zorg. Vanwege de ruimhartige
aanvraag is het gereserveerde bedrag van € 1,44 miljard voor de bonusregeling 2020
niet afdoende en is een aanvulling van ca. € 800 miljoen nodig. Dit aanvullende bedrag
is geraamd op grond van extrapolatie van de reeds behandelde aanvragen.
In de actuele (financieel-)economische situatie is het belangrijk dat een bonus ten
goede komt aan degenen voor wie die ook bedoeld is. Ik zal samen met de sector overleggen
over hoe we dit budgettair gaan oplossen, ook met het oog op de bonus voor 2021. Mede
met het oog op de forse overschrijding in 2020 hecht ik eraan om de blijk van waardering
voor 2021 zo vorm te geven dat deze past binnen de gereserveerde € 720 miljoen. De
regeling voor 2021 zal dus afwijken van die voor 2020. Het ligt in de lijn der verwachting
dat ik u hierover in februari 2021 kan informeren.
Om een idee van de omvang van het budget voor de bonus te geven. De totale kosten
van bijna € 3 miljard, gegeven de € 2,2 miljard voor 2020 en het budget van € 720
miljoen voor 2021, komen neer op een bedrag van ruim € 200 per volwassen Nederlander
(via de belastingen).
Vraag 41
In hoeverre is bij de ophoging van het budget voor de zorgbonus losgelaten dat het
Ministerie van VWS zou controleren of medewerkers van zorginstellingen op grond van
de opgestelde criteria daadwerkelijk in aanmerking komen voor de bonus (daar zij door
corona extra belast zijn)?
Antwoord:
Zie vraag 40.
Vraag 42
Kan worden uitgesplitst welke ziekenhuizen of hoeveel ziekenhuizen de zorgbonus voor
hun gehele personeel hebben aangevraagd? Bent u, met het opgehoogde budget, voornemens
deze aanvragen te honoreren?
Antwoord op vragen 42 en 43
In overleg met de uitvoerder DUS-I wordt bekeken op welke wijze inzage kan worden
verschaft in de ingediende aanvragen en de hierop genomen besluiten. Ik verwacht u
hierover in januari 2021 te informeren. Vooruitlopend hierop kan ik in zijn algemeenheid
al melden dat de deelsector algemene ziekenhuizen een aanvraagpercentage van 92% kent.
Dit betekent dat de algemene ziekenhuizen voor 92% van het totale personeelsbestand
een subsidie voor het toekennen van een bonus hebben aangevraagd.
Door de zorgaanbieder worden bij de subsidieaanvraag geen gegevens over de beroepen
c.q. personen verstrekt. Het verstrekken van deze gegevens is vanuit het oogpunt van
de AVG geen voorwaarde in de subsidieregeling en de beoordeling van de vraag of er
sprake is van een uitzonderlijke prestatie behoort immers tot de verantwoordelijkheid
van de zorgaanbieder.
Aanvragen die voldoen aan de voorwaarden uit de subsidieregeling komen in aanmerking
om bij voorschot verleend te worden. Achteraf dient de bij voorschot verleende subsidie
door de zorgaanbieder aan de hand van de voorwaarden uit de subsidieregeling te worden
verantwoord.
Vraag 43:
Kan worden uitgesplitst welke ziekenhuizen of hoeveel ziekenhuizen de zorgbonus ook
voor medisch specialisten hebben aangevraagd? Bent u, met het opgehoogde budget, voornemens
deze aanvragen te honoreren?
Antwoord:
Zie vraag 42.
Vraag 44
Waar was de verwachting van het aantal aanvragen voor de bonus voor zorgprofessionals
op gebaseerd?
Antwoord:
Zie vraag 40.
Vraag 45
Hoe gaat u bij honorering van de zorgbonus toetsen of aan de criteria is voldaan?
Antwoord:
Zie vraag 40.
Vraag 46
Waarom zijn de extra middelen voor extra opleidingsplekken GZ-psychologen bekostigd
vanuit de premie gefinancierde beschikbaarheidsbijdrage? Hoe groot is de premie gefinancierde
beschikbaarheidsbijdrage in totaal? Hoeveel van die beschikbaarheidsbijdrage is onbenut
gebleven?
Antwoord:
Om de extra plekken nog daadwerkelijk te kunnen realiseren in 2020 is aangesloten
bij de bestaande bekostigingssystematiek van opleidingsplekken voor GZ-psychologen.
Deze verloopt sinds 2013 grotendeels vanuit de premiegefinancierde beschikbaarheisdbijdrage
en sinds 2015 voor een beperkt aantal opleidingsplekken via de begrotingsgefinancierde
VWS subsidieregeling opleidingen in een Jeugd ggz-instelling. De totale uitgaven aan
premiegefinancierde beschikbaarheidsbijdragen voor medische vervolgopleidingen bedragen
in 2020 naar verwachting € 1,34 miljard. Het bedrag wordt naar verwachting volledig
besteed.
Vraag 47
Kunt u aangeven of er nadere informatie beschikbaar is over de tweede digitale oplossing
die ontwikkeld wordt om de GGD te ondersteunen bij het uitvoeren van het bron- en
contactonderzoek?
Antwoord:
In de Kamerbrief dd. 17 november3 heb ik u geïnformeerd over de tweede digitale oplossing, GGD Contact. GGD Contact
ondersteunt de GGD bij het uitvoeren van bron- en contactonderzoek door het verzamelen
van gegevens te versnellen en te vereenvoudigen. De oplossing wordt gefaseerd gerealiseerd,
waarbij stap voor stap onderdelen worden opgeleverd en uitgebreid. De eerste fase
omvat het mogelijk maken dat een besmet persoon contactgegevens van recente nauwe
contacten zelf kan verzamelen en met de GGD via een app kan delen. Om BCO-medewerkers toe te rusten op het werken met deze nieuwe digitale oplossing zal in de loop
van december een praktijktest in een aantal GGD-regio’s starten.
Vraag 48
Kan inzichtelijk gemaakt worden welke onderuitputtingen in zorgkosten geleid hebben
tot een terugvordering van € 10.9 miljoen aan zorgbijdragen aan Caribisch Nederland?
Antwoord:
De € 10,9 miljoen is teruggevorderd bij ZonMw op basis van hun jaarrekening van 2019
en heeft geen verdere betrekking op de zorgkosten in Caribisch Nederland.
Vraag 49
Kunt u verklaren waarom er een onderbesteding van € 20 miljoen wordt genoemd op de
subsidieregeling voor sportverenigingen, stichtingen en andere niet winst beogende
investeerders in sportaccommodaties (BOSA)? Hoe wordt deze € 20 miljoen verklaard
terwijl
Antwoord:
De onderbesteding van € 20 miljoen op de BOSA is een gevolg van het teruglopen van
zowel het aantal als de omvang van subsidieaanvragen in 2020 ten opzichte van vorig
jaar. Dit zal ook voortkomen uit de coronacrisis die de sport een groot deel van dit
jaar heeft geraakt, waardoor er minder financiële ruimte ontstaat om extra investeringen
te doen in de sport of de accommodaties.
Per 3 december 2020 is er voor € 48 miljoen subsidie aangevraagd en was er nog € 46
miljoen ruimte voor nieuwe aanvragen vanuit het budget 2020. Die cijfers geven echter
niet voldoende inzicht in de onderbesteding, vanwege de «dakpanconstructie» die in
de BOSA is ingebouwd. Die constructie houdt in dat de onderbesteding van de BOSA niet
alleen wordt bepaald door de binnengekomen aanvragen in dit jaar, maar ook door de
subsidies die vanaf het begin van de BOSA (in 2019) zijn verleend en worden uitbetaald
in 2020. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren doordat bouwprojecten waarvoor in 2019 subsidie
werd aangevraagd, pas in 2020 aanvangen en daarom de voorschotten ook pas in 2020
worden uitbetaald. Voor wat betreft de nieuwe aanvraag is rekening gehouden met een
voorschot van € 22 miljoen in 2020 en wordt de rest pas bevoorschot in 2021. Tevens
kunnen er richting het einde van het jaar ook nog nieuwe aanvragen worden ingediend
en behandeld die ook kunnen leiden tot een bevoorschotting in 2020, waarvoor nog een
marge is aangehouden en uiteindelijk in de raming in de begroting wordt uitgegaan
van een onderbesteding van € 20 miljoen.
Ik ben me ervan bewust dat dit een complexe financiële constructie is, waardoor het
ook niet eenvoudig is om goed zicht te krijgen op de stand van de BOSA-regeling. In
overleg met DUS-I wordt op korte termijn de communicatie op de website aangepast,
zodat deze een passender inzicht geeft in de stand van de uitputting van de BOSA.
Vraag 50
Binnen het artikelonderdeel hebben een aantal budgettair neutrale mutaties (minus
€ 17,5 miljoen) naar andere financiële instrumenten plaatsgevonden; kunt u per mutatie
aangeven waarom deze verplaatst zijn en waarom?
Antwoord:
De budgettair neutrale mutaties naar andere financiële instrumenten binnen het artikelonderdeel
zijn nodig geweest om de betreffende uitgave vanaf het juiste type financieel instrument
te verantwoorden.
Het betreft een mutatie van € 7,2 miljoen van het instrument subsidies Duurzame en
toegankelijke accommodaties naar het instrument bijdrage medeoverheden Duurzame en
toegankelijke accommodaties voor uitgaven aan gemeenten inzake de regeling «Specifieke
uitkering stimulering sport» waarmee wordt beoogt de ontwikkeling en instandhouding
van sportaccommodaties en de aanschaf van sportmaterialen door gemeenten te stimuleren.
Daarnaast betreft het een mutatie van € 10,3 miljoen voor de bijdrage aan de Stichting
Waarborgfonds Sport om leningen aan sportverenigingen mogelijk te maken die als gevolg
van corona in zwaar weer terecht zijn gekomen.
Vraag 51
Komen de € 17,5 miljoen aan mutaties uit de onderbesteding van de BOSA? Zo nee, waar
komt dit bedrag vandaan?
Antwoord:
De mutaties in de tweede suppletoire wet betreffen geen onderbesteding op de BOSA,
maar hebben betrekking op het vanaf het juiste type financiële instrument verantwoorden
van de uitgaven. In de eerste suppletoire wet 2020 is reeds een deel van het BOSA
budget gelabeld als bijdrage aan de Stichting Waarborgfonds Sport om leningen aan
sportverenigingen mogelijk te maken die als gevolg van corona in zwaar weer terecht
zijn gekomen. Zie voor toelichting op de mutaties ook het antwoord bij vraag 50.
Vraag 52
Wat gebeurt er met de genoemde € 20 miljoen onderbesteding in de BOSA? Wordt dit bedrag
meegenomen naar 2021?
Antwoord:
De onderbesteding in de BOSA is onderdeel van het reguliere VWS-uitvoeringsbeeld en
verwerkt in de tweede suppletoire begroting en Najaarsnota 2020. Dit bedrag wordt
niet meegenomen naar 2021 en deels ingezet voor het pakket maatregelen voor de jeugd.
Vraag 53
Zijn er voornemens om het budget van de BOSA voor 2021 aan te passen?
Antwoord:
Nee. Het budget voor de BOSA voor 2021 is medio 2020 bekendgemaakt en bedraagt € 79
miljoen. Om de sportverenigingen gedurende het hele jaar te kunnen ondersteunen, is
het juist van belang om dit budget als zodanig in stand te houden.
Vraag 54
Wordt in 2021 het minimum subsidiebedrag van € 5.000 verlaagd, zodat meer amateursportorganisaties
gebruik kunnen maken van de BOSA, zeker gezien het feit dat veel van de kleine amateursportorganisaties
door coronaperikelen in financieel zwaar weer terecht zijn gekomen? Zo neen, waarom
niet?
Antwoord:
In de BOSA-regeling voor 2021 staat het minimum subsidiebedrag nog steeds op € 5.000.
Bij de totstandkoming van de BOSA-regeling is deze ondergrens gekozen omdat bij een
lagere subsidie de uitvoeringskosten niet meer in verhouding zouden staan tot de omvang
van de subsidie, en te hoog zouden worden in relatie tot het plafond van de regeling.
Vraag 55
Kunt u een overzicht geven van het percentage inhuur externen per ministerie en de
mate waarin de Roemernorm is overschreden en wat de belangrijkste reden daarvan is?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 12.
Vraag 56
Kunt u aangeven in hoeverre het maximumtarief van € 225 per uur voor externe inhuur
wordt overschreden en wat daar de reden voor is?
Antwoord:
De mate waarin het maximumtarief van € 225 per uur voor externe inhuur wordt overschreden
wordt jaarlijks opgenomen in het jaarverslag van VWS. De meest recent beschikbare
en gecontroleerde cijfers zijn opgenomen in het VWS jaarverslag 2019 (bijlage 3: Inhuur
externen op pagina 229). De cijfers over 2020 komen beschikbaar bij het opstellen
van het jaarverslag 2020.
Vraag 57
Zie vraag 41 bij de vragen bij de Najaarsnota van de Minister van Financiën
Vraag 58
Zie vraag 89 bij de vragen bij de Najaarsnota van de Minister van Financiën
Vraag 59
Kan nader worden toegelicht hoe het komt dat de actualisering in 2020 per saldo leidt
tot een beperkte, incidentele neerwaartse ramingsbijstelling
van de totale Zvw-uitgaven (inclusief continuïteitsbijdragen en meerkosten) van circa
€ 100 miljoen? Kan hieruit worden geconcludeerd dat het aandeel van de weggevallen
dan wel uitgestelde zorg groter is dan de continuïteitsbijdragen en meerkosten in
het kader van corona?
Antwoord:
Allereerst dient te worden aangegeven dat vanwege COVID-19 de ramingen voor 2020 met
meer onzekerheden zijn omvat dan normaliter. Desalniettemin geven de cijfers uit de
tweede suppletoire begroting 2020 het meest actuele beeld van de Zvw-uitgaven. Deze
cijfers zijn gebaseerd op declaraties van de eerste drie kwartalen, aangevuld met
een raming van de nog te ontvangen declaraties in 2020. In deze cijfers zitten nog
niet de effecten van de tweede golf. De actualisering van 2020 in de tweede suppletoire
begroting 2020 leidt per saldo tot een neerwaartse incidentele ramingsbijstelling
van € 100 miljoen ten opzichte van de ontwerpbegroting 2021.
Uit de nieuwe actualisatiecijfers komt een hogere raming voor reguliere zorg inclusief
directe meerkosten (circa € 485 miljoen) en indirecte meerkosten (circa € 10 miljoen)
naar voren ten opzichte van de ontwerpbegroting 2021. Daar staat een iets grotere
daling van de raming van de continuïteitsbijdragen tegenover (circa € 595 miljoen),
waardoor de Zvw-uitgaven per saldo circa € 100 miljoen lager uitvallen. Gelet op de
onzekerheden kunnen uit deze cijfers nog geen eenduidige conclusies getrokken worden
met betrekking tot het eventueel wegvallen van zorg in 2020. Verzekeraars zijn in
samenwerking met het Zorginstituut, NZa en VWS bezig om beter onderscheid te kunnen
maken tussen de reguliere zorgkosten en directe meerkosten gerelateerd aan COVID-19.
Vraag 60
Kan inzichtelijk gemaakt worden hoe groot het verschil is tussen de door zorgverzekeraars
ontvangen continuïteitsbijdrage en de door zorgverzekeraars gedolven omzetdaling vanuit
de basisverzekering?
Antwoord:
Zorgverzekeraars ontvangen geen continuïteitsbijdragen; zij vergoeden continuïteitsbijdragen
aan zorgverleners. Deze bijdragen financieren zorgverzekeraars uit hun premieopbrengsten,
bijdrage uit het vereveningsfonds en eigen reserves. Met betrekking tot de schadelast
van zorgverzekeraars het volgende: in de actualisatie bij de tweede suppletoire begroting
2020 heeft een beperkte neerwaartse bijstelling van circa € 100 miljoen plaatsgevonden
op de Zvw-uitgaven. Kijkend naar de totale Zvw-uitgaven (reguliere zorgkosten, continuïteitsbijdragen
en meerkosten als gevolg van COVID-19) is er dus sprake van een beperkte daling. Zorgverzekeraars
kunnen meerkosten als gevolg van COVID-19 inbrengen in de catastroferegeling op grond
van artikel 33 van de Zorgverzekeringswet. Als de catastroferegeling wordt toegepast,
ontvangen zorgverzekeraars een extra bijdrage uit het Zorgverzekeringsfonds naast
de vereveningsbijdrage.
Vraag 61
Kunt u een overzicht geven welke uitgaven aan meerkosten vanwege de coronacrisis zijn
uitbetaald aan de gemeenten voor het sociaal domein en kunt u dit overzicht per maatregel
toelichten?
Antwoord:
De VNG en het Rijk hebben in maart, kort na het uitbreken van de coronacrisis, afspraken
gemaakt over het bieden van financiële zekerheid en ruimte aan zorgorganisaties en
professionals binnen de Jeugdwet en Wmo 2015. De afspraken zijn gericht op het zo
goed mogelijk organiseren van continuïteit van zorg voor cliënten en het borgen van
het zorgstelsel voor de langere termijn.
Onderdeel van de afspraken met gemeenten is onder meer dat meerkosten als gevolg van
de coronacrisis door het Rijk worden vergoed aan gemeenten. De totale omvang van de
meerkosten in 2020 voor de Jeugdwet en Wmo 2015 is bepaald op basis van onafhankelijk
onderzoek. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek is de totale compensatie met
betrekking tot de Jeugdwet en Wmo 2015 in het bestuurlijk overleg van 23 september
jl. met de VNG vastgesteld op € 170 miljoen. Dit is niet per maatregel uitgesplitst.
Deze compensatie betreft een afrondende afspraak voor meerkosten (inclusief mogelijke
inhaalzorg) over 2020.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
W.J.H. Lodders, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
H.W. Krijger, adjunct-griffier