Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
35 450 XIII Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (XIII) voor het jaar 2020 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)
Nr. 3
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 23 juni 2020
De vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm
van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 2 juni 2020 voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en
Klimaat. Bij brief van 15 juni 2020 zijn ze door de Minister van Economische Zaken
en Klimaat beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Renkema
De griffier van de commissie, Nava
1. Hoe verhouden de onttrekkingen Urgenda-middelen uit de Voorjaarsnota zich tot de
Urgenda-middelen uit het Jaarverslag? Waar zit overlap en waar betreft het dezelfde
middelen dan wel posten? Kunnen deze middelen, zowel betreffende de Voorjaarsnota
als het Jaarverslag en Slotwet, duidelijk onder elkaar worden gezet met toelichting?
Antwoord:
Aansluitende tabel geeft een chronologisch overzicht van de mutaties inzake de Urgenda-middelen.
Bedragen (x 1.000 euro)
BZK
EZK
LNV
IenW
FIN
Mutatie
Voeding
Stand Reserve
1
Najaarsnota 2018
500.000
500.000
2
ISB’s gelijktijdig met Voorjaarsnota 20191
– 35.000
– 114.400
– 14.000
– 7.550
– 170.950
329.050
3
Terugstorting bij Najaarsnota 20191
27.560
15.100
12.500
55.160
384.210
4
Additionele storting in reserve bij Najaarsnota 2019
11.000
395.210
5
Slotwet 2019 (daadwerkelijke onttrekking reserve, saldo ISB en Najaarsnota) (=2+3)
– 7.440
– 99.300
– 1.500
– 7.550
– 115.790
395.210
6
Stand reserve 1/1/2020
395.210
7
Overheveling onderuitputting die bij Najaarsnota 2019 bekend was2
– 27.560
– 15.100
– 12.500
– 55.160
8
Overheveling beschikbare middelen reserve volgens raming ISB Urgenda2
– 148.000
– 34.500
– 74.500
– 63.750
– 14.700
– 335.450
9
Totale overheveling bij Voorjaarsnota 2020 (= 7 + 8)
– 175.560
– 49.600
– 87.000
– 63.750
– 14.700
– 390.610
4.600
10
Stand reserve per 31/12/2020 (raming bij 1e suppletoire begroting 2020)
4.600
X Noot
1
Voor deze regels zijn alleen budgetten uit 2019 opgenomen.
X Noot
2
De onttrekking FIN is een kadercorrectie, omdat niet alle maatregelen aan de uitgavenkant
van de begroting plaatsvinden. Voor de uitbreiding van de fiscale regelingen MIA/VAMIL
in 2020 ten behoeve van circulaire technieken of bedrijfsmiddelen worden extra middelen
beschikbaar gesteld (14,7 miljoen euro). De MIA/VAMIL zijn gebudgetteerde fiscale
regelingen en vallen als zodanig onder het inkomstenkader. Omdat verwacht wordt dat
middels deze regeling kostenefficiënt CO2-reductie kan worden gerealiseerd in 2020 is besloten om een deel van het budget uit
de begrotingsreserve voor CO2 reductie te gebruiken om deze regeling op te hogen middels een kadercorrectie van
de Rijksbegroting. De toevoeging aan de EZK-begroting is inclusief 11 miljoen euro
voor het project Twence, dat is doorgeschoven van 2019 naar 2020 en waarvoor de middelen
bij Najaarsnota 2019 aan de reserve zijn toegevoegd.
1. Bij Najaarsnota 2018 is de begrotingsreserve maatregelen CO2-reductie ingesteld waar 500 miljoen euro in is gestort.
2. Gelijktijdig met de Voorjaarsnota 2019 zijn er Incidentele Suppletoire Begrotingen
(ISB) voor EZK, LNV, BZK en I&W opgesteld met de verwachte besteding van de reserve
voor de jaren 2019 en 2020 (in totaal 171 miljoen euro).
3. Bij Najaarsnota 2019 is de verwachte onderuitputting (ten opzichte van de verwachting
bij Voorjaarsnota 2019) teruggeboekt naar de begrotingsreserve op de EZK-begroting,
in totaal 55,2 miljoen euro.
4. Bij Najaarsnota 2019 is daarnaast een additionele storting van 11 miljoen euro gedaan
in de begrotingsreserve om de middelen voor het project Twence te behouden in 2020.
5. Bij Slotwet 2019 vonden de daadwerkelijke onttrekkingen uit de begrotingsreserve plaats,
op basis van de verwachting van de Najaarsnota 2019 (in totaal 115,8 miljoen euro)
6. De stand van de begrotingsreserve bedroeg na deze onttrekkingen 395,2 miljoen euro.
7. Bij de Voorjaarsnota 2020 zijn de bij Najaarsnota 2019 naar de begrotingsreserve overgehevelde
middelen grotendeels opnieuw toegevoegd aan de begrotingen van de verschillende departementen.
Dit gaat om 55,2 miljoen euro.
8. Daarnaast is volgens de raming uit de ISB Urgenda uit de reserve in totaal 335,5 miljoen
euro toegevoegd aan de begrotingen van de verschillende departementen. Per abuis is
in de eerste suppletoire begroting 2020 een foutief bedrag opgenomen voor de onttrekking
en overboeking naar LNV. In bovenstaande tabel staat het juiste bedrag.
9. Het totaal van de onttrekkingen bij Voorjaarsnota komt hiermee op 390,6 miljoen euro
(som van posten 7 en 8).
10. De geraamde stand van de begrotingsreserve maateregelen CO2-reductie ultimo 2020 bedraagt 4,6 miljoen euro.
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de overhevelingen uit de reserve maatregelen
CO2- reductie per departement.
Samenvattend overzicht mutaties reserve CO2-reductie (x 1.000 euro)
Beginstand reserve CO2-reductie (Najaarsnota 2018)
500.000
Additioneel toegevoegd bij Najaarsnota 2019
11.000
Totaal middelen toegevoegd aan reserve CO2-reductie
511.000
Overgeheveld naar BZK
183.000
Overgeheveld naar EZK
148.900
Overgeheveld naar LNV
88.500
Overgeheveld naar IenW
71.300
Overgeheveld naar FIN
14.700
Totaal overgeheveld uit reserve CO2-reductie
506.400
Resterend in reserve CO2-reductie
4.600
2. Hoeveel miljoen euro wordt ingezet als nadeelcompensatie van de Hemwegcentrale,
hoeveel hiervan gaat naar de werknemers (ingezet als bijvoorbeeld sociaal plan of
scholing of iets dergelijks? Kan worden verduidelijkt waar ten aanzien van deze middelen
het verschil zit tussen het Jaarverslag en Slotwet en deze Voorjaarsnota?
Antwoord:
Er is 52,5 miljoen euro als nadeelcompensatie betaald aan de Hemwegcentrale. Dit is
een totaalbedrag dat is vastgesteld op basis van gemiste inkomsten en voor geschatte
extra kosten voor het vervroegd afvloeien of herplaatsen van personeel. Deze middelen
zijn aan de eigenaar van de centrale betaald, waardoor niet te zeggen is hoeveel hiervan
naar de werknemers is gegaan. De centrale heeft de werknemers conform het daar geldende
sociaal plan behandeld. Daarnaast hebben overheid en sociale partners het Westhavenarrangement
in het leven geroepen, om aanvullende ondersteuning te bieden aan werknemers die door
de sluiting van de Hemwegcentrale hun baan verliezen.
Het verschil in bedrag komt omdat ná de Najaarsnota 2019 de nadeelcompensatie is vastgesteld.
Het definitief vastgestelde bedrag voor de nadeelcompensatie was bij Slotwet bekend
en was 11,9 miljoen euro lager dan het budget dat hiervoor was gereserveerd. Deze
onderuitputting is bij Slotwet als verlaging verwerkt en is via de eindejaarsmarge
bij Voorjaarsnota toegevoegd aan de begroting van EZK voor 2020.
3. Hoeveel miljoen euro wordt ingezet als nadeel voor bedrijven Chemelot en waarom
ontvangen deze bedrijven deze middelen? Om welke bedrijven gaat het precies? Hoeveel
hiervan gaat naar de werknemers (ingezet als bijvoorbeeld sociaal plan of scholing
of iets dergelijks)? Kan worden verduidelijkt waar ten aanzien van deze middelen het
verschil zit tussen het Jaarverslag en Slotwet en deze Voorjaarsnota?
Antwoord:
De Urgendamaatregel voor Chemelot kent geen werkgelegenheidseffecten, in positieve
noch negatieve zin. Er is hierbij dan ook geen sprake van uitkering van enige vorm
van nadeelcompensatie aan bedrijven in het Chemelot-cluster. De Urgendamaatregel voor
Chemelot was enkel gericht op investeringen ten behoeve van reductie van de uitstoot
van lachgas (als CO2-equivalent). Hiervoor heeft het bedrijf Fibrant een lening ontvangen van het Ministerie
van EZK voor investeringen in de ombouw van installaties. De lening van 30 miljoen
euro is volledig in 2019 verstrekt en samen met de uitgaven voor de sluiting van de
Hemwegcentrale zichtbaar in Jaarverslag en Slotwet 2019. De middelen hiertoe zijn
bij Voorjaarsnota 2020 dus niet meer zichtbaar op de begroting van EZK.
4. Waarom zijn verschillende posten en artikelen om de industrie te ondersteunen in
verduurzamingsmaatregelen niet volledig benut? Wat betekent dit voor de verduurzamingsopgave
van deze sector en de verantwoordelijkheid die ook zij moeten nemen om hun uitstoot
drastisch terug te dringen, met andere woorden, kan deze onderuitputting worden geduid,
gezien de enorme opgave die deze sector te realiseren heeft?
Antwoord:
De onderbenutting waarnaar wordt gevraagd heeft zich vooral voorgedaan in 2019. Er
zijn meerdere oorzaken voor de geconstateerde onderbenutting op de middelen voor Verduurzaming
Industrie.
• Ten eerste gold tot en met 2019 voor de klimaatenveloppemiddelen nog de éénjarige
bestedingseis, omdat de klimaatmiddelen nog niet meerjarig waren toegekend aan de
departementale begroting(en). Deze éénjarige bestedingseis sloot niet aan bij de vaak
grotere projecten vanuit de industrie en hun investeringscycli.
• Ook zijn er projecten die vertraging hebben opgelopen vanwege de stikstofproblematiek.
• Daarnaast is er ook sprake (geweest) van vertraging van specifieke projecten vanwege
een langere doorlooptijd van de Europese staatssteuntoets.
• Voor de maatregelen uit het eerste Urgendapakket geldt vooralsnog ook dat deze uiterlijk
31 december 2020 gerealiseerd moeten zijn. Deze korte realisatietermijn blijkt voor
de industrie vaak niet werkbaar.
• In 2020 zorgt ook de uitbraak van het Coronavirus voor vertraging of onderbenutting
van de diverse subsidieregelingen voor de industrie. Dit omdat bij een aantal bedrijven
installaties uit het buitenland moeten komen waardoor vertraging optreedt bij de levering.
Bij een aantal bedrijven wordt daarnaast de realisatie op het bedrijf vertraagd doordat
het installatiewerk in de huidige situatie lastiger is en langer duurt.
Dit betekent dat er enige vertraging is in de realisatie maar dat projecten en maatregelen
wel worden uitgevoerd. Er is nu geen reden om aan te nemen dat deze vertraging ervoor
zal zorgen dat de reductiedoelen in 2030 niet worden gehaald.
5. Kunt u een totaaloverzicht geven waar SDE/ODE middelen worden uitgegeven die niet
primair gericht zijn op de productie van duurzame energie?
Antwoord:
De SDE+-middelen, die zijn gekoppeld aan de ODE, worden, naast de financiering van
uitgaven op basis van de SDE+-regeling zelf en de ISDE, ook ingezet voor:
– Uitvoeringskosten van RVO.nl (voor de regelingen SDE, SDE+, HER, ISDE);
– Uitvoeringskosten van andere departementen, met name I&W (bijv. MIVSP, ondersteuning
Wind op Zee);
– Bijdrage aan gevolgkosten scheepvaartveiligheid door aanleg windparken op zee;
– Financiering van de subsidie-uitgaven op basis van de HER;
– Monitorings-, advies-, toezichts- en handhavingskosten (PBL, TNO, NEa, ACM);
– Aanleg door TenneT van het Net op zee (aansluiting windparken op zee op elektriciteitsnet);
– Lening aan EBN om deelname aan Porthos-project (CCS) mogelijk te maken;
– Overig flankerend beleid van EZK en RVO.nl (bijv. mer-rapportages, ondersteuning energiecoöperaties,
verplaatsing of upgrade van Defensieradars die door windparken gehinderd worden, zonne-energie
op Rijksgronden en Rijksdaken, etc.).
Bedragen (x 1.000 euro)
2020
2021
2022
2023
2024
Uitvoeringskosten RVO.nl1
17.608
17.608
17.608
17.608
17.608
Uitvoeringskosten andere departementen (schatting)2
9.500
9.500
9.500
9.500
9.500
Bijdrage aan gevolgkosten WOZ voor scheepvaartveiligheid
5.799
14.227
16.408
23.960
32.680
Financiering HER
48.040
47.440
42.140
45.540
42.000
Monitorings-, advies-, toezichts- en handhavingskosten (schatting)
1.100
1.100
1.100
1.100
1.100
TenneT/aanleg Net op zee
97.000
137.000
153.000
181.000
181.000
Lening EBN t.b.v. Porthos-project
53.400
Overig flankerend beleid
49.940
42.700
42.700
42.700
42.700
X Noot
1
Dit betreft enkel het deel van de uitvoeringkosten dat wordt gedekt uit de SDE+-middelen.
De totale uitvoeringskosten van de energieregelingen zijn hoger, omdat deze deels
meerjarig gedekt zijn uit de MEP- en SDE-middelen (dus niet zijn gekoppeld aan de
ODE, maar uit de overige algemene middelen).
X Noot
2
Voor de werkzaamheden van RWS wordt jaarlijks een offerte ingediend.
De voor de SDE+ beschikbare middelen zijn in 2020 en 2021 verlaagd doordat EZK een
een bijdrage heeft geleverd aan het generale beeld (€ 680 mln) en het Urgenda 2.0
maatregelenpakket (€ 298,7 mln). Zie ook het antwoord op de vragen 28, 29 en 31.
6. Wat voor effect verwacht u wanneer er structureel € 100 mln specifiek zou worden
geïnvesteerd in aquathermie, zowel qua energieopbrengst als CO2-winst?
Antwoord:
Om de ambitieuze klimaatdoelen waar te maken zijn investeert het Rijk substantieel.
Insteek die de rijksoverheid daarbij heeft is dat middelen gericht worden ingezet
op basis van knelpunten die samen met overheidspartners en de sector worden geïdentificeerd.
De relatie tussen een investering van 100 miljoen euro en energieopbrengst/CO2 winst is daarnaast niet eenduidig te geven. Een extra impuls, zoals bij geothermie,
zal kunnen leiden tot een versnelde toepassing in meer en grotere projecten. Net als
bij andere warmtebronnen is de ontwikkeling van aquathermie mede afhankelijk van de
aanleg van een warmtenet, warmtepompen en seizoensopslag. In mei 2022 loopt de Green
Deal Aquathermie af. Op basis van de uitkomsten, resultaten en voortgang zal ik eventuele
vervolgstappen bezien.
7. Wat voor effect verwacht u wanneer er structureel € 100 mln specifiek zou worden
geïnvesteerd in geothermie, zowel qua energieopbrengst als CO2-winst?
Antwoord:
Om de ambitieuze klimaatdoelen waar te maken investeert het Rijk substantieel. Insteek
die de rijksoverheid daarbij heeft is dat middelen gericht worden ingezet op basis
van knelpunten die samen met overheidspartners en de sector worden geïdentificeerd.
De relatie tussen een investering van 100 miljoen euro en energieopbrengst/CO2 winst is daarnaast niet eenduidig te geven. De rijksoverheid investeert reeds veel
in geothermie. Voor een volledig overzicht van de huidige maatregelen van de rijksoverheid
verwijs ik naar de Kamerbrief1 over geothermie van februari 2018 en de Kamerbrief2 voortgang geothermie van 28 mei 2020. Recent ben ik een nieuw traject met de sector
gestart. Het accent zal in dit traject met name liggen op de versnelling van de ontwikkeling
van aardwarmte, de doorontwikkeling van geothermie in de glastuinbouw en de toepassing
van geothermie in de gebouwde omgeving. Op basis van mijn bevindingen en eventuele
nieuwe knelpunten zal dan worden bezien of de rijksoverheid hier, gericht en met als
doel te komen tot een volwassen markt, middelen op in wil zetten. Ik verwacht hierover
in het voorjaar van 2021 met een uitgewerkte brief te komen.
8. Betreft de verlaging van de PPS-toeslag de algemene PPS-toeslag of de thematische
PPS-toeslag?
9. In welke sectoren of naar welke thema's verwacht u dat er in 2020 minder publiek-private
samenwerkingsprojecten zullen zijn?
Antwoord vragen 8 en 9:
De PPS-toeslag ondersteunt projecten binnen de missiegedreven kennis-en innovatieagenda’s
(KIA’s)en kent geen onderverdeling of schotten tussen de thema’s of de aanpak sleuteltechnologieën.
Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen algemene en thematische PPS-toeslag.
De regeling is succesvol in het ondersteunen van publiek-private samenwerkingen om
maatschappelijke uitdagingen te adresseren en sleuteltechnologieën te ontwikkelen.
Het gaat vaak om meerjarige projecten. Sommige projecten kennen een trage start waardoor
de kasbetalingen op de aangegane verplichtingen later gerealiseerd worden dan geraamd.
Het aantal publiek-private samenwerkingsprojecten neemt niet af en het gehele verplichtingenbudget
wordt gebruikt.
10. Hoe worden de middelen van de Eindejaarsmarge Toekomstfonds ingezet?
Antwoord:
De niet benutte middelen van het Toekomstfonds in 2019, worden met de 1e suppletoire
begroting 2020 conform de fondsconstructie weer toegevoegd aan de begroting 2020 van
de regelingen waarop de onderuitputting in 2019 was opgetreden. Zo worden de middelen
voor de regeling Thematische Technology Transfer (TTT-regeling) ingezet voor de 1e
tender (openstelling in 2019 maar committering in 2020) en de 2e tender (openstelling
in 2020, maar committering in 2021) van deze regeling. Het niet benutte verplichtingen-
en kasbudget van onder andere de Seed, het Innovatiekrediet en de Vroegefasefinanciering
(VFF) wordt toegevoegd aan het budget van 2020. Voor de SEED kan daarmee het budget
voor de najaarstender worden verhoogd, om zo meer goede fondsplannen te honoreren.
Op deze wijze worden tijdens de coronocrisis meer middelen beschikbaar gesteld voor
technostarters. Voor VFF zullen deze middelen worden ingezet ten behoeve van het hamonisatietraject
van de regeling VFF met de regio’s, waarbij wordt ingezet op de verdere integratie
met het bestaande vroege fase ecosysteem. De niet benutte middelen van het MKB-actieplan
worden eveneens toegevoegd aan de begroting 2020 en blijven daarmee beschikbaar voor
de geoormerkte doelen in het MKB-actieplan, zoals de digitalisering van het MKB en
de MKB-deals. De niet benutte middelen van de bijdrage RVO betreffen de meerjarige
uitvoeringskosten samenhangend met Oncode Institute en de TTT-regeling.
11. Is het budget voor schadevergoedingen verhoogd met 110.000.000 euro vanwege een
toekomstige stuwmeerregeling? Zo ja, wanneer gaat dit plaatsvinden?
Antwoord:
Nee. Het budget is verhoogd omdat de TCMG haar prognose voor de schadevergoedingen
voor 2020 heeft bijgesteld in vergelijking met het moment van opstelling van de begroting
2020 in juli 2019. Aantallen schades zijn vooraf moeilijk voorspelbaar en de ramingen
worden waar nodig bijgesteld op basis van de meest recente inzichten.
12. Hoeveel heeft de NAM vergoed van vorige stuwmeerregeling? Hoeveel gaat de NAM
vergoeden van eventuele komende stuwmeerregelingen?
Antwoord:
In totaliteit is voor de Stuwmeerregeling 55,6 miljoen euro uitgegeven. De NAM heeft
aangegeven dat de Stuwmeerregeling niet onder de met de NAM afgesloten reguliere schade-overeenkomst
valt. De NAM heeft daarom in 2019 niet betaald. EZK is in gesprek met de NAM hierover.
13. Is de verwachting dat de schadeafhandeling zal versnellen in 2020? Zo ja, waarop
is die verwachting gebaseerd?
Antwoord:
De TCMG heeft de afgelopen periode verschillende versnellingsmaatregelen doorgevoerd,
zowel bij de reguliere dossiers als bij de zogenaamde «specials». Zo is het aantal
opname-experts bij de agrariërs uitgebreid. Ook verrichten opname-experts die eerder
alleen voor reguliere dossiers werden ingezet nu ook schade-opnames bij MKB’ers. Deze
aanpak heeft er mede toe geleid dat de gemiddelde ouderdom van de gehele werkvoorraad
van de TCMG sterk is afgenomen. Zoals ik uw Kamer op 16 maart jl. per brief3 heb geïnformeerd, heeft de TCMG tijdelijk moeten besluiten om uit voorzorg geen opnames
thuis uit te voeren vanwege de coronamaatregelen. De TCMG werkt met man en macht om
de door corona opgelopen vertraging in de schade-opnames te minimaliseren. Inmiddels
is, naast schade-opnames in leegstaande gebouwen en de reeds gestarte pilot met video-schade-opnames,
de TCMG sinds 11 mei jl. weer gestart met de reguliere schade-opnames conform de richtlijnen
van het RIVM. Het is op dit moment nog niet te zeggen welke vertraging er als gevolg
van de coronacrisis precies op zal treden, maar het streven naar een doorlooptijd
van een schademelding van gemiddeld zes maanden blijft staan.
14. Welk percentage van alle kosten voor de schadeafhandeling komt terecht bij gedupeerden?
Hoe staan die kosten in verhouding tot alle overige kosten van de schadeafhandeling
Antwoord:
Aan de gedupeerden in Groningen worden alle kosten vergoed die voortkomen uit de goedgekeurde
taxatierapporten die in opdracht van de TCMG worden opgesteld. Daarnaast worden door
RVO in opdracht van de TCMG uitvoeringskosten gemaakt. In 2019 heeft de TCMG 136,6
miljoen euro (56%) aan schades uitgekeerd en heeft de RVO.nl in opdracht van de TCMG
106,5 miljoen euro (44%) aan uitvoeringskosten gemaakt. Beide kostensoorten worden
per kwartaal achteraf aan de NAM gedeclareerd. Uitvoeringskosten gaan nooit ten koste
van schadebetalingen aan gedupeerden.
15. Waardoor wordt het tekort in 2020 op de uitvoeringskosten van RVO.nl veroorzaakt? Wat zijn de verwachtingen voor 2021? Hoeveel fte telt RVO.nl op dit moment en hoeveel fte houdt zich bezig met de coronacrisis?
Antwoord:
Het tekort van 19,5 miljoen euro op beleidsartikel 4 betreft het verschil tussen het
geraamde bedrag voor de opdracht van het DG Klimaat & Energie aan RVO in de ontwerpbegroting
en de definitief verstrekte opdracht. De offerte van RVO voor 2020, die in het najaar
van 2019 is verstrekt, moest eerst worden afgewacht voordat een inschatting gemaakt
kon worden van het genoemde verschil tussen het begrotingsbedrag en de definitieve
opdracht. De toename in de opdracht heeft voornamelijk betrekking op regelingen als
gevolg van het Klimaatakkoord, de Stimulering Duurzame Energieproductie en het Expertise
Centrum Warmte.
Het is daarom gebruikelijk dat in de eerste suppletoire begroting het budget voor
uitvoeringskosten van RVO wordt aangepast aan de definitief verstrekte opdracht.
Er zijn 4.502 fte werkzaam bij RVO per 31 mei 2020. Sinds het uitbreken van de coronacrisis heeft, tot en met 31 mei,
gemiddeld 141 fte zich beziggehouden met de coronamaatregelen van het kabinet die
worden uitgevoerd door RVO. Dit aantal zal in de komende maanden toenemen, vanwege de verlenging en uitbreiding
van het noodpakket banen en economie. Naast deze directe inzet zijn er ook medewerkers
indirect bezig met de gevolgen van de coronacrisis.
16. Wat gebeurt er met begrotingsmiddelen als de tijdelijke begrotingsreserve CO2-reductie na 2020 vervalt en de middelen niet (volledig) zijn besteed?
Antwoord:
Nadat de begrotingsreserve eind 2020 vervalt, vloeien de onbestede middelen terug
naar de schatkist.
17. Is de gestorte 237 miljoen door de NAM als vergoeding voor schade-uitkeringen
voldoende om alle uitkeringen te dekken?
18. Hoeveel van de 237 miljoen voor schade-uitkeringen is daadwerkelijk gestort op
de rekeningen van inwoners in Groningen?
Antwoord 17 en 18:
Voor 2020 is voor de ontvangsten van NAM voor de schadebetalingen Groningen nu een
raming opgenomen van 287 miljoen euro. Hiervan was 50 miljoen euro geraamd bij ontwerpbegroting
2020 en is bij eerste suppletoire 237 miljoen euro aan de raming toegevoegd. Deze
raming bestaat uit de declaratie voor de reguliere uitgaven over het vierde kwartaal
2019 (71,4 miljoen euro), de Stuwmeerregeling (55,6 miljoen euro) en de raming voor
schadebetalingen voor 2020 (160 miljoen euro). Indien de raming bijgesteld moet worden,
gebeurt dit bij Najaarsnota. Het totale bedrag komt ten goede aan gedupeerden in Groningen,
waarvan op het moment van schrijven zo’n 116 miljoen euro is uitgekeerd.
19. Waarvoor zijn de extra middelen voor de «Topsectoren overig» voor bedoeld?
Antwoord:
Er is 0,2 miljoen euro toegevoegd voor de Venture Challenge regeling die wordt uitgevoerd
door NWO. Daarnaast is het budget voor Holst Centre met 2,8 miljoen euro verhoogd
om dit jaar de subsidie beschikbaar te kunnen stellen. Er is 0,5 miljoen euro overgeheveld
naar het budget voor het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) voor de windtunnel
en tot slot is er 0,5 miljoen euro voor Economische Veiligheid overgeheveld naar het
budget Bevorderen Ondernemerschap, waar de uitgaven voor dit beleid worden verantwoord.
20. Waarom is de inschrijving op ESA-programma's naar voren gehaald?
Antwoord:
De optionele ESA-programma’s hebben een looptijd van enkele jaren. De hiervoor beschikbare
kasmiddelen zijn geraamd in de komende jaren. De committering voor het geheel van
deze meerjarenprogramma’s vindt echter plaats in 2020. Het hiervoor benodigde verplichtingenbudget
was aanvankelijk in de begroting verspreid over de komende jaren geraamd. Om de committering
voor de meerjarenprogramma’s in 2020 te kunnen accommoderen is het hiervoor benodigde
verplichtingenbudget vanuit latere jaren naar 2020 verschoven.
21. Waarom is de inschrijving op het AI-programma naar voren gehaald?
Antwoord:
Voor Economische technologie en ontwikkeling is 40 miljoen euro aan verplichtingen
naar voren geschoven ten behoeve van programma’s gericht op Artificiële Intelligentie
en kwantum. Het betreft meerjarige programma’s waarvoor het kas- en verplichtingenbudget
aanvankelijk in de komende jaren was geraamd. Om de committering aan deze meerjarige
programma’s in 2020 te kunnen vastleggen is het hiertoe benodigde verplichtingenbudget
vanuit latere jaren naar 2020 verschoven.
22. Welke instellingen of organisaties komen in aanmerking voor het Toekomstfondskrediet
Onderzoeksfaciliteiten?
Antwoord:
Het Toekomstfondskrediet OnderzoeksFaciliteiten was bedoeld voor investeringen in
hoogwaardige onderzoekfaciliteiten van onderzoeksinstellingen, zoals onderzoeksinstellingen
(TO2), universiteiten, hogescholen en private onderzoeksinstellingen. De regeling
is in 2015 en 2017 opengesteld. Inmiddels is de regeling gesloten.
23. Waarmee onderbouwt u uw verwachting dat er ondanks de coronacrisis behoefte is
aan extra middelen voor de Vroegefasefinanciering?
Antwoord:
Conform de fondsconstructie van het Toekomstfonds worden de niet benutte middelen
uit het voorgaande jaar toegevoegd aan de begroting van het daaropvolgende jaar. Deze
middelen worden betrokken bij het harmonisatietraject van de regeling Vroegefasefinanciering
met de regio’s, waarbij wordt ingezet op de verdere integratie met het bestaande vroege
fase ecosysteem. Samen met de regio’s wordt dit de komende maanden verder uitgewerkt.
Ook gedurende de coronacrisis zijn er namelijk beginnende bedrijven met innovatieve
ideeën waarvoor ondersteuning in de vroege fase noodzakelijk is.
24. Wat zijn de effecten voor beleid en uitgaven rondom het toekomstfonds nu er vanaf
2023 geen aardgasbaten meer voorzien worden?
Antwoord:
De voeding van het Toekomstfonds met rendementen op in staatsobligaties geïnvesteerde
meevallers bij de gasbaten zou voornamelijk ten gunste komen aan investeringen in
fundamenteel en toegepast onderzoek, omdat voor deze pijler in het Toekomstfonds geen
structurele voeding beschikbaar is. Tot op heden hebben zich geen meevallers voorgedaan
en met het wegvallen van de gasbaten en de huidige rentestanden met betrekking tot
staatsobligaties is een significante voeding van het Toekomstfonds via meevallers
op de gasbaten ook niet de verwachting. Het wegvallen van deze voeding betekent dat
op basis van de huidige raming in de begroting de middelen voor investeringen in fundamenteel
en toegepast onderzoek in het Toekomstfonds eindig zijn en er voor deze pijler in
het Toekomstfonds op termijn geen extra revolverende investeringen kunnen plaatsvinden.
Voor de instrumenten in het Toekomstfonds gericht op MKB-financiering, zoals het Innovatiekrediet,
de Seed Capitalregeling en de regeling Vroegefasefinanciering zijn echter wel structurele
begrotingsmiddelen beschikbaar. Voor deze regelingen is er derhalve ruimte om structureel
te investeren in op innovatie en groei gerichte ondernemingen.
25. Aan welke voorwaarden beoordeelt u elke geplande kasschuif aan SDE/ODE-middelen?
Antwoord:
Gezien de beschikbare middelen in de reserve duurzame energie, zijn kasschuiven op
het SDE/SDE+-budget nu niet aan de orde.
26. Kunt u een totaaloverzicht geven van SDE/ODE-middelen die niet primair gericht
worden uitgegeven ter bevordering van de productie van duurzame energie?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 5.
27. Klopt het dat u voornemens bent 241 mln. euro aan SDE-middelen over te hevelen
aan het ministerie I&W in het kader van de scheepvaartveiligheid? Welk afwegingskader
hanteert u bij beslissingen om vanuit SDE-middelen uitgaven te doen aan flankerende
maatregelen met betrekking tot duurzame energie?
Antwoord:
Ja, ik ben voornemens om in totaal 241 miljoen euro over de periode 2020–2029 over
te hevelen naar het Ministerie van IenW als bijdrage van EZK aan de kosten scheepvaartveiligheid
als gevolg van de aanleg van windparken op zee. Omdat deze kosten noodzakelijk zijn
om de windparken op zee te kunnen aanleggen en daarmee hernieuwbare energie te realiseren,
worden deze gedekt uit de SDE.
Naast de subsidie-uitkeringen van de SDE+(+), hanteer worden de volgende type uitgaven
uit de betreffende middelen gefinancierd: voorbereidingskosten, uitgaven die leiden
tot lagere SDE+ uitgaven en uitvoeringskosten.
28. Voor welke rijksbrede problematiek zullen de 680 mln. euro aan middelen die vanuit
EZK worden overgeheveld naar de algemene middelen worden ingezet?
Antwoord:
EZK draagt 680 miljoen euro vanuit de SDE-middelen bij aan het generale beeld. Er
is geen directe relatie te leggen tussen de bijdrage van EZK en de verschillende uitgaven
uit het generale beeld.
29. Kunt u uitgebreid toelichten waarom het nodig is om 680 mln. euro vanuit de SDE+
over te hevelen naar de algemene middelen en wat hiervan de details zijn? Komt dit
bedrag uiteindelijk weer ten goede voor het stimuleren van duurzame energie? Hoe verhoudt
dit zich tot de enorme opgave en kosten die met de energietransitie gemoeid gaan?
Antwoord:
In verband met de vele opgaven dit voorjaar is besloten om rijksbreed te zoeken naar
oplossingen, waaronder dekking voor ontlasting van het uitgavenkader 2021. Er bleek
ruimte te zijn in de beschikbare middelen voor de SDE(+) en vanwege deze zeer bijzondere
omstandigheden acht het kabinet het gerechtvaardigd deze ruimte ten gunste te laten
komen van het generale beeld. Er is geen directe relatie te leggen tussen de bijdrage
van EZK en de verschillende uitgaven uit het generale beeld. Omdat deze bijdrage wordt
gebruikt om voor het generale beeld komt dit budget niet meer ten goede aan de stimulering
van duurzame energie.
Wel is geborgd dat het geheel van de meerjarig beschikbare middelen voor de SDE en
SDE+, inclusief de begrotingsreserve Duurzame Energie, toereikend is voor het bereiken
van de klimaatdoelstellingen.
30. Klopt het dat u voornemens bent 241 mln. euro aan SDE-middelen over te hevelen
aan het ministerie I&W in het kader van de scheepvaartveiligheid? Welk afwegingskader
hanteert u bij beslissingen om vanuit SDE-middelen uitgaven te doen aan flankerende
maatregelen met betrekking tot duurzame energie?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 27.
31. Waarvoor was de 680 mln euro gereserveerd, die in 2021 wordt overgeheveld naar
de algemene middelen als bijdrage van EZK en waardoor is deze niet uitgegeven? Welk
deel van de te behalen doelen uit het klimaatakkoord of van de energietransitie zou
dit dekken? Komt dit bedrag op den duur weer ten goede aan de SDE en het behalen van
de klimaatdoelstellingen of energietransitie?
Antwoord:
De 680 miljoen euro uit de SDE-middelen was bedoeld voor de financiering van de productie
van duurzame energie, in lijn met de SDE-regeling. Dit bedrag valt niet specifiek
aan projecten of doelen te koppelen. Er is geconstateerd dat er ruimte was binnen
de beschikbare SDE middelen. Daarom heeft EZK deze ruimte afgedragen aan het generale
beeld, zie ook de beantwoording van vraag 29. Dit betekent ook dat deze middelen niet
op een later moment weer beschikbaar komen voor de klimaatdoelstellingen of energietransitie.
Geborgd is dat het geheel van de meerjarig beschikbare middelen voor de SDE, inclusief
de begrotingsreserve Duurzame Energie, toereikend is voor het bereiken van de klimaatdoelstellingen
(49 procent in 2030).
32. Wanneer en op welke wijze kunnen mkb-bedrijven een beroep doen op de 100 mln.
euro aan middelen waarmee de ISDE wordt opgehoogd voor het stimuleren van de opwek
van duurzame energie door het mkb?
Antwoord:
Conform de toelichting op het amendement-Mulder bezie ik de mogelijkheid om een tijdelijke
subsidiemogelijkheid voor de plaatsing van zon-PV en kleine windmolens toe te voegen
aan de ISDE. Mede gelet op de interactie met andere stimuleringsmechanismen kost de
uitwerking hiervan meer tijd dan verwacht. Ik tracht in het laatste kwartaal van 2020
de subsidiemogelijkheid open te stellen.
33. Klopt het dat in de SDE+-middelen een begrotingsreserve ontstaan van 3,87 mld.
euro aan het einde van 2020? Hoe is dit bedrag te verklaren?
Antwoord:
Uit tabel 14 in de memorie van toelichting op de 1e suppletoire begroting van EZK blijkt inderdaad dat de verwachting is dat de reserve
duurzame energie in 2020 zal toenemen tot 3,87 miljard euro. Dit betreft niet uitsluitend
SDE+-middelen: een deel (circa 775 miljoen euro) is afkomstig van de MEP en de SDE.
Vooral door vertraging in geplande energieprojecten en lagere productie in bestaande
energieprojecten zijn de in vorige jaren beschikbare budgetten voor de MEP, SDE, SDE+,
HER en ISDE veelal niet uitgeput en zijn de onbenut gebleven middelen in de reserve
gestort ter financiering van toekomstige energieproductie. Zie ook het antwoord op
vraag 43.
34. Waardoor zijn de in 2019 niet-benutte Urgenda middelen ontstaan? Welke programma’s
hebben geen doorgang kunnen vinden en waarom niet? Waar zullen de volgende overgehevelde
bedragen aan besteed worden: 26,1 mln. Euro (artikel 2), 12,5 mln. Euro (LNV) en 27,6
mln. Euro (BZK)?
Antwoord:
De niet-benutte Urgenda middelen in 2019 zijn ontstaan door vertraging ten opzichte
van de eerdere inschatting die is gemaakt. Uitvoering van deze maatregelen loopt door
in 2020. Geen van de maatregelen uit het maatregelenpakket hebben helemaal geen doorgang
kunnen vinden.
De overgehevelde middelen zijn een overboeking naar de begroting van EZK, naar het
begrotingsartikel waar de begrotingsreserve «maatregelen voor CO2-reductie» op staat. De overgehevelde middelen zijn toegevoegd aan de begrotingsreserve
en zijn in 2020 opnieuw onttrokken en terug overgeheveld naar de diverse departementen.
Hierdoor zijn de niet-bestede middelen in 2020 beschikbaar voor dezelfde CO2-reducerende maatregelen waarvoor ze in 2019 bedoeld waren.
35. Kan worden gespecificeerd hoe de verwachte storting van 950 mln. euro in de begrotingsreserve
duurzame energie is opgebouwd?
Antwoord:
De verwachte storting van 950 miljoen euro in de reserve duurzame energie heeft voor
het overgrote deel betrekking op onbenutte middelen voor de SDE en de SDE+ (943,5
miljoen euro) en slechts voor een klein deel op onbenutte middelen voor de HER (6,5
miljoen euro).
36. Herinnert u zich dat afgelopen jaren 398 mln. euro aan de begrotingsreserve duurzame
energie is onttrokken met de toezegging dit vanaf 2021 terug te zullen storten? Staat
deze toezegging nog?
Antwoord:
Ja, deze toezegging staat nog steeds. Zo als ook blijkt uit tabel 2 van mijn brief4 van 1 oktober 2019 over de beschikbare middelen voor duurzame energie zal er in de
periode 2021–2026 jaarlijks 66,3 miljoen euro worden teruggestort in de reserve duurzame
energie. Dit betreft in totaal dus 398 miljoen euro.
37. Hoe ziet het besluitvormingsproces omtrent het inzetten van de middelen uit de
Begrotingsreserve Duurzame energie eruit? Waar kunnen deze middelen wel en niet voor
worden ingezet?
Antwoord:
De middelen in de begrotingsreserve worden benut indien in enig jaar blijkt dat de
verwachte uitgaven in dat jaar hoger zijn dan de beschikbare middelen in dat jaar.
Naast de subsidie-uitkeringen van de SDE+(+), hanteer worden de volgende type uitgaven
uit de betreffende middelen gefinancierd: voorbereidingskosten, uitgaven die leiden
tot lagere SDE+ uitgaven en uitvoeringskosten.
38. Kunt u een overzicht geven van de onttrekkingen aan de begrotingsreserve duurzame
energie die in het afgelopen jaar plaats hebben gevonden en daarin aangeven waar dit
geld naar toe is gegaan?
Antwoord:
In 2019 is 78 miljoen euro aan de begrotingsreserve duurzame energie onttrokken. Deze
onttrekking maakte onderdeel uit van de tijdelijke onttrekking aan de reserve van
in totaal 398 miljoen euro die in de jaren 2015 tot en met 2020 heeft plaatsgevonden.
De tijdelijke onttrekking is gebruikt ter financiering van omvangrijke knelpunten
in deze jaren op de EZK-begroting en zal in de jaren 2021 tot en met 2026 met een
jaarlijkse storting van 66,3 miljoen euro in zijn geheel teruggestort worden in de
reserve.
39. Kunt u een gespecificeerde berekening delen met de Kamer op basis waarvan u 950
mln euro in de begrotingsreserve duurzame energie wilt storten?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 35.
40. Wat is de stand van zaken van de beloofde terugstorting van 398 miljoen (uit de
begrotingsreserve duurzame energie) vanaf 2021? Wat is het voorgenomen tijdpad van
de terugstorting?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 36.
41. Waaruit bestaan de geraamde onttrekkingen vanuit de begrotingsreserve maatregelen
voor CO2-reductie? Voor welke maatregelen zullen deze onttrekkingen worden ingezet door de
betreffende ministeries?
Antwoord:
In de Incidentele Suppletoire Begroting5 die op 28 juni 2019 naar uw Kamer is gestuurd is de financiële verwerking van dit
maatregelenpakket weergegeven. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van
de geraamde onttrekkingen vanuit de begrotingsreserve maatregelen CO2-reductie. Dit betroffen ramingen, de daadwerkelijke realisatie van de uitgaven is
anders. Zie hiervoor ook vraag 1.
Maatregel
Raming uitgaven 2019
Raming uitgaven 2020
Departement
(miljoen €)
(miljoen €)
Subsidie Energiebesparing Eigen Huis
15
75
BZK
Programma stimulering vermindering energieverbruik eigen woningen
20
73
BZK
Lachgasreductie en Vervroegd verbod op het gebruik van kolen voor elektriciteitsproductie
94,4
EZK
Stimulering specifieke investeringen in de industrie
6
EZK
Versterking en ondersteuning uitvoering energiebesparingsverplichting
2,5
2,5
EZK
Stimulering energiebesparing en CO2-reductie industrie
15
15
EZK
Gedragsmaatregelen duurzame mobiliteit
2,55
3,45
IenW
Toepassing CO2-reducerende circulaire maatregelen in de grond- weg en waterbouw
2
15,5
IenW
Recycling en biokunststoffen
1
21,5
IenW
Stimulering CO2-reducerende maatregelen circulaire economie
4
36
IenW
Stimulering Energiebesparingsmaatregelen Glastuinbouw / ophogen subsidieregeling
4
12
LNV
Versnelling en intensivering warme sanering varkenshouderij
10
60
LNV
Stimulering Energiebesparingsmaatregelen en warmtenetten
51
50% EZK, 50% LNV
Twence
11
EZK
X Noot
1
Uitgaven van de uitvoering van deze maatregel loopt via de begroting van EZK (2,5
miljoen) en LNV (2,5 miljoen).
42. Kunt u een gespecificeerde berekening delen met de Kamer op basis waarvan u 950
mln. euro in de begrotingsreserve duurzame energie wilt storten?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 35.
43. Waardoor is er 950 mln. euro aan onbenutte middelen? Welke programma’s hebben
geen doorgaan kunnen vinden? Waarvoor was dit geld gereserveerd en waar zal het aan
worden besteed? Hoeveel geld is er nodig om de klimaatdoelen en energietransitie te
bekostigen?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 35. De storting van de 950 miljoen euro betreft slechts
een verwachting van in 2020 onbenut gebleven middelen op de SDE, SDE+, HER en ISDE.
Het niet-benutten van deze middelen duidt niet op het niet doorgaan van programma’s:
eerder is er sprake van vertraging in de realisatie van energieprojecten die al een
subsidiebeschikking ontvangen hebben, een lagere energieproductie bij energieprojecten
die al energie leveren dan waar bij het toekennen van de subsidie rekening mee gehouden
is, of hogere energieprijzen dan waar bij het berekenen van de subsidie gerekend is,
waardoor er minder SDE- of SDE+-subsidie verstrekt hoeft te worden. Daarnaast stijgen
de ODE-ontvangsten conform Regeerakkoord elk jaar nog flink en daarmee ook de voor
de SDE+ beschikbare budgetten. De beschikbare budgetten stijgen met andere woorden
sneller dan de uitgaven waarvoor zij beschikbaar zijn gesteld. Daarom de reserve duurzame
energie gevormd, zodat deze budgetten ook in latere jaren nog beschikbaar blijven
voor zover deze benodigd zijn voor realisatie van de doelen uit het klimaatakkoord
De beschikbare middelen en verwachte uitgaven voor de SDE++ zijn in onderstaande grafiek
weergegeven. Dit zijn de realistisch te verwachten uitgaven voor de SDE, de SDE+ en
de SDE++, waarin de uitgaven voor het Klimaatakkoord verwerkt zijn. Daarnaast zijn
ook de overige kosten (wind op zee, flankerend beleid, innovatie en uitvoeringskosten)
in de grafiek verwerkt. De lijn «kasmiddelen» geeft de beschikbare middelen weer,
waardoor ook de beschikbare ruimte zichtbaar wordt.
44. Wat gebeurt er met begrotingsmiddelen als de tijdelijke begrotingsreserve CO2-reductie na 2020 vervalt en de middelen niet (volledig) zijn besteed?
Antwoord:
Zie hiervoor het antwoord op vraag 16.
45. Wat is de juridische houdbaarheid van de tijdelijke begrotingsreserve CO2-reductie?
Antwoord:
De begrotingsreserve is ingesteld conform de juridische eisen uit de Comptabiliteitswet
2016 die hiervoor gelden.
46. Wat gebeurt er met begrotingsmiddelen als de tijdelijke begrotingsreserve CO2-reductie na 2020 vervalt en de middelen (deels) niet zijn besteed?
Antwoord:
Zie hiervoor het antwoord op vraag 16.
47. Kan aangegeven worden waaraan 3,3 mln. euro wordt uitgegeven voor het ACVG?
Antwoord:
Het ACVG wordt ondersteund door een bureau. Het bureau ACVG faciliteert het Adviescollege
Veiligheid Groningen, zowel organisatorisch als inhoudelijk, in de uitvoering van
zijn werkzaamheden. In 2020 zal daarbij ook nog aandacht worden besteed aan het structureel
inrichten van werkwijzen voor de komende vier jaar. Naar verwachting zal het Bureau
in 2020 tenminste 7 gevraagde adviezen voorbereiden voor het ACVG (ongevraagde adviezen
worden vooralsnog niet voorzien). De voorziene kosten voor 2020 bestaan uit de kosten
van ambtelijke ondersteuning (1,4 miljoen euro), communicatiekosten (0,2 miljoen euro),
de vergoeding voor de commissieleden (0,5 miljoen euro), kosten externe adviseurs
opstellen adviezen (1,0 miljoen euro) en onvoorzien (0,2 miljoen euro).
48. In hoeveel plannen van de gemeenten zijn de middelen voor de verduurzamingsopgave
opgenomen? Hoe wordt de verdeling van dat geld geregeld?
Antwoord:
Op de begroting van EZK staan de middelen voor de verduurzamingsopgave in combinatie
met de schadeafhandeling. Gedupeerden in Groningen die een door de TCMG toegekende
schade hebben van meer dan 1.000 euro kunnen gebruik maken van de regeling waardevermeerdering
voor een subsidie van maximaal 4.000 euro om de woning duurzamer te maken. Bewoners
moeten zelf deze subsidie aanvragen bij Stichting Noord Nederland (SNN).
Op de begroting van BZK staan de middelen voor de verduurzamingsopgave in combinatie
met versterking. Gedupeerden in Groningen waarvan de woning versterkt wordt kunnen
in aanmerking komen voor een subsidie van maximaal 7.000 euro om de woning duurzamer
te maken. Bewoners moeten zelf deze subsidie aanvragen bij SNN.
49. Kan overzichtelijk gemaakt worden hoe de geldstromen lopen betreffende het BTW-nadeel
van de NAM nu zij geen opdrachtgever meer zijn?
Antwoord:
Nu de NAM geen opdrachtgever meer is van de schadeafhandeling en de versterkingsoperatie,
treedt er voor de NAM een nadelig BTW-effect op. De NAM kan hierdoor geen BTW meer
verrekenen en hiermee wordt voor de NAM de uitvoeringsoperatie maximaal 21% duurder.
Daarom is in het Akkoord op Hoofdlijnen afgesproken dat NAM wordt gecompenseerd voor
het nadelig BTW-effect.
Per jaar wordt door de overheid achteraf berekend wat de aftrekbare BTW was geweest
en dit BTW verschil wordt verrekend met de declaraties aan de NAM in het opvolgende
jaar. Voor de overheid werkt dit in principe budgetneutraal uit omdat de NAM voor
genoemde kosten geen BTW meer kan verrekenen. Voor deze afspraak uit het AoH is geld
gereserveerd op de Aanvullende Post.
50. Waarom zijn de verwachte schadebetalingen en uitvoeringskosten voor Groningen
verhoogd?
51. Waar zijn de extra middelen voor de Groningen op gebaseerd en voor bedoeld?
Antwoord 50 en 51:
De verwachte schadebetalingen en de uitvoeringskosten voor Groningen zijn verhoogd
omdat de TCMG haar prognose voor 2020 heeft bijgesteld in vergelijking met het moment
van opstelling van de begroting 2020 in juli 2019. Aantallen schades en daarmee gepaard
gaande uitvoeringskosten zijn vooraf moeilijk voorspelbaar. Zowel de hogere kosten
voor schadebetalingen en de hogere uitvoeringkosten worden in rekening gebracht bij
NAM.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
W.J.T. Renkema, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat -
Mede ondertekenaar
D.S. Nava, griffier