Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 993 Wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met aanpassing subsidietermijn naar acht jaar
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Inhoudsopgave
I.
ALGEMEEN
2
1.
Inleiding
2
2.
Algemeen
2
2.1
Context vierjarige subsidiestelstel
2
2.2
Aanleiding wetswijziging
3
2.3
Probleemomschrijving
4
2.4
Motivering instrumentkeuze
5
2.5
Risico-mitigatie
6
3.
Wetsvoorstel
7
3.1
Doel van het wetsvoorstel
7
3.2
Inhoud van het wetsvoorstel
7
3.3
Verhouding tot nationale wetgeving
8
4.
Doeltreffendheid en doelmatigheid
8
5.
Monitoring en evaluatie
8
6.
Financiële gevolgen
9
7.
Gevolgen voor bedrijfsleven
9
8.
Gevolgen voor decentrale overheden
11
9.
Toetsen en consultatie
12
9.1
Uitvoerings- en handhavingsgevolgen
12
9.1
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
13
9.2
Raad voor cultuur
13
9.3
Rijkscultuurfondsen
13
10.
Advies en internetconsultatie
13
10.1
Advies Adviescollege toetsing regeldruk
13
10.2
Advies Raad voor cultuur
14
10.3
Internetconsultatie
15
11.
Uitvoerings- en handhavingsgevolgen
17
11.1
Inwerkingtreding
17
11.2
Overgangsbepaling
17
17
II.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
17
I. ALGEMEEN
1. Inleiding
De Wet op het specifiek cultuurbeleid (hierna: Wsc) legt de wettelijke taak van de
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) vast ten aanzien
van het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins
verbreiden van cultuuruitingen en het vormen van cultuurbeleid. De Wsc biedt een wettelijke
grondslag om in dat kader specifieke uitkeringen te verstrekken en nadere regels te
stellen over de subsidiëring van cultuuruitingen. Daarnaast richt de Wsc de Raad voor
cultuur op en machtigt de Wsc de Minister om rijkscultuurfondsen (hierna: fondsen)
op te richten. Met de subsidiëring en de fondsen draagt het Rijk bij aan een landelijk
gespreid aanbod van culturele voorzieningen van hoge kwaliteit. Zo regelt de Wsc in
artikel 4a, eerste lid, dat de Minister eenmaal per vier jaar bij ministeriële regeling
regels vaststelt voor de verstrekking van subsidies in de op die periode volgende
periode van vier kalenderjaren. In dit geval gaat het om de Regeling op het specifiek
cultuurbeleid (hierna: Rsc).
De wens van de regering is om de beleidscyclus aan te passen naar acht jaar, zodat
een langere maximale financieringstermijn wordt gecreëerd die beter aansluit op de
praktijk van een deel van de culturele sector. De aangepaste beleidscyclus biedt de
ruimte om te werken aan de vermindering van de administratieve en financiële lasten,
meer rust te brengen in de subsidieperiodes en meer ruimte voor langetermijninvesteringen
en artistieke ontwikkeling. Hiervoor is een wijziging van de Wsc nodig.
Een maximale termijn van acht jaar sluit beter aan bij de diversiteit van organisaties
in de culturele sector. Hierdoor kunnen subsidies met verschillende looptijden worden
aangeboden, zodat beter kan worden aangesloten bij de behoeften van verschillende
categorieën instellingen. Welke termijn per categorie het meest passend is, zal worden
uitgewerkt in de Rsc en de beleidskaders van de fondsen. De fondsen hebben door onderhavige
wetswijziging de mogelijkheid een langjarige visie hierover op te stellen.
2. Algemeen
2.1 Context vierjarige subsidiestelstel
Het subsidiestelsel zoals wij het nu kennen vindt zijn oorsprong in 2005.1 Een sterk toegenomen aantal aanvragen, de verhoogde eisen van de procedure en de
rechtsbescherming maakte dat het subsidiestelstel zich had ontwikkeld tot een «hoge
graad van (beheersmatige) rationaliteit». Er is volgens de toenmalige Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap «nauwelijks een speld tussen te krijgen. De prijs
die voor de soliditeit betaald moet worden is dat niemand er meer goed bij kan.» Men
concludeerde dat het ook voor stakeholders en medebestuurders lastig was om er invloed
op uit te oefenen. De systematiek wordt als «dichtgetimmerd» en «gesloten» ervaren.
De oplossing werd gevonden in een benadering waarbij niet de duur en status van een
subsidie van doorslaggevend belang was, maar de vraag welk arrangement de culturele
organisatie het beste toerustte. Er werd een onderscheid gemaakt tussen drie afzonderlijke
categorieën van organisaties die voor een aaneengesloten periode van vier jaar konden
worden gesubsidieerd.2 Ten eerste een categorie organisaties waarbij náást (artistieke) kwaliteit ook beleidsmatige
overwegingen over de positie in het culturele bestel een rol speelden. Zij werden
op basis van een vierjarige subsidieregeling direct door het Rijk gefinancierd. Ten
tweede een categorie organisaties die een zodanige positie in het culturele bestel
vervulden dat ze alleen goed te beoordelen waren in samenhang met instellingen die
eenzelfde positie hebben. Zij kregen een langjarig perspectief waarbij alleen de hoogte
van de subsidie eens per vier jaar werd aangepast.3 Een laatste categorie organisaties, waarbij de artistieke overwegingen de doorslag
gaven, werd overgeheveld naar de fondsen. De eerste twee categorieën vormden de landelijke
culturele infrastructuur.4 Vanaf 2008 werden ook de fondsen, op advies van de Raad voor cultuur, tot de landelijke
culturele infrastructuur gerekend.5
De drie categorieën werden wettelijk verankerd in de Wet op het specifiek cultuurbeleid.
Artikel 4a verplichtte de Minister om eenmaal per vier jaar via een ministeriële regeling
regels vast te stellen voor de verstrekking van subsidies in de op die periode volgende
periode van vier kalenderjaren. Artikel 4b gaf de Minister de bevoegdheid om instellingen
of groepen van instellingen aan te wijzen waaraan hij telkens voor een periode van
vier kalenderjaren een subsidie kon verstrekken. Dit artikel, en daarmee de mogelijkheid
om organisaties een langer perspectief te bieden dan vier jaar, is in het kader van
een breed bezuinigingspakket door het kabinet-Rutte I (2010–2012) geschrapt.6 Artikel 4c zorgde ervoor dat de Minister aan de fondsen telkens voor een periode
van vier kalenderjaren een subsidie kan verstrekken. Het fonds kon deze middelen vervolgens
verstrekken aan culturele organisaties. Artikel 10, lid 4, verplichtte het bestuur
van een fonds om één of meer reglementen vast te stellen waarin in ieder geval de
werkwijze, de procedures en de criteria worden vastgelegd die het bestuur bij het
verstrekken van subsidies hanteert, en ook de verplichtingen die aan de subsidieontvanger
worden opgelegd. De fondsen en de organisaties met een langjarig perspectief werden
beoordeeld via een visitatiesysteem.7
De voorwaarden voor het ontvangen van de subsidies in het kader van artikel 4a en
artikel 4c, zijn vastgelegd in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid (Rsc). In
deze ministeriële regeling worden onder meer de aanvraagprocedure en de inhoudelijke
criteria voor het toekennen en verdelen van de subsidie vastgelegd. De Wsc regelt
de lengte van de beleidscyclus en de daarmee samenhangende subsidieperiode. De Rsc
wordt elke nieuwe subsidieperiode herzien.
2.2 Aanleiding wetswijziging
Op 20 oktober 2022 constateerde de Staatssecretaris Cultuur en Media in haar Kamerbrief
Toekomst culturele basisinfrastructuur dat er «allereerst (...) behoefte is aan rust en ruimte» in de cultuursector. Aan
deze rust is tegemoetgekomen via de uitgangspunten voor de periode 2025–2028.8 Er waren daarnaast vraagstukken die «een langere adem en doordenking» nodig hadden.
Zo constateerde de Staatssecretaris dat de afbakening tussen de basisinfrastructuur
en de fondsen verwaterd was en sprak zij over «een mogelijke herijking van de inrichting
van het bestel, zoals vastgelegd in de Wet op het specifiek cultuurbeleid.» Op 2 maart
2023 volgde een adviesaanvraag aan de Raad voor cultuur (hierna: de Raad) over de
subsidieperiode(n) vanaf 2029.9 De Raad bracht daarop het advies Toegang tot cultuur uit en adviseerde verschillende elementen in het bestel aan te passen, waaronder
de maximumduur van financiering.10 Dit laatste punt werd in 2025 door de Raad nogmaals herhaald en is eerder ook bepleit
door belangenvereniging Kunsten ’92.11,
12 De Tweede Kamer nam op 19 november 2024 een motie aan om de subsidieperiode aan te
passen, en te onderzoeken hoe de aanvraagprocedure vereenvoudigd kan worden met als
doel het substantieel verlagen van de voorbereidings- en aanvraagkosten.13 Een deel van de vereenvoudiging moet worden gevonden in een wijziging van de Rsc.
De Rsc zal, zoals gebruikelijk, voor de eerstvolgende nieuwe subsidieperiode (vanaf
2029) worden herzien. De subsidieperiode is echter vastgelegd in de wet en voor een
wijziging van de periode moet dus ook de Wsc worden gewijzigd.
2.3 Probleemomschrijving
De sector en de culturele organisaties waarvoor de subsidies zijn bedoeld, zijn de
afgelopen twintig jaar complexer en dynamischer geworden. Het cultuurbeleid heeft
gezorgd voor een bestel dat een breed spectrum aan makers, organisaties en projecten
bedient, maar de manier waarop het bestel is ingericht past niet meer goed bij de
verschillende typen organisaties die in de sector actief zijn, waarbij voornamelijk
de vierjarige beleidscyclus als knelpunt wordt gezien.
De huidige beleidscyclus van vier jaar is te kort voor organisaties die lange lijnen
uitzetten, zeker gezien de aanvraag- en verantwoordingscyclus en de zakelijke onzekerheid
die een vierjarige beleidscyclus met zich brengt. Het beperkt organisaties in hun
vermogen om structureel te investeren in grote producties, faciliteiten en organisatievraagstukken
en om hiervoor ook andere financieringsbronnen aan te spreken. Vooral grotere culturele
organisaties, die werken met een lange planningshorizon, ondervinden hier hinder van.
Producties worden vaak jaren vooruit gepland en contractueel vastgelegd. De vierjarige
subsidiëring biedt ook een beperkte zekerheid voor andere financiers om langjarig
te ondersteunen. Ook investeringen die niet direct aan een productie gekoppeld zijn,
maar wel een artistiek doel dienen, zijn minder goed extern te financieren in de vierjaarlijkse
cyclus.
De huidige periode van vier jaar waarvoor subsidie kan worden verleend aan culturele
organisaties werkt belemmerend voor de praktijk van de (artistieke) ontwikkeling en
innovatie. Veranderende werkpraktijken, waarin artistieke ontwikkeling en innovatie
vaker gepaard gaan met samenwerkingen met maatschappelijke partners of het direct
betrekken van groepen uit de samenleving, maken dat processen complexer en langduriger
zijn. Omdat de financiering maar voor vier jaar is vastgelegd ontstaat een beperking
bij het plannen en vastleggen. In de vier jaar moet de artistieke visie zijn vertaald
in producties, omdat daarna weer een nieuwe periode start. Een langere beleidscyclus
geeft deze processen meer ruimte.
De verdeling van cultuursubsidies betreft een verdeling van schaarse middelen. Dat
vraagt om een transparante, controleerbare en rechtvaardige procedure. De maatschappij
en de politiek vragen daarnaast steeds meer van culturele organisaties, bijvoorbeeld
op de onderwerpen artistieke kwaliteit, toegankelijkheid van cultuur voor een breed
publiek, regionale spreiding, educatie en eerlijke betaling; onderwerpen die zich
niet laten vangen in simpele kwantitatieve criteria. Dat heeft ertoe geleid dat de
aanvraagdruk is gestegen en een toenemende juridisering van de aanvraagprocedure.
Het gaat met name bij instellingen die direct door het Rijk worden gefinancierd om
een bewerkelijke procedure ten opzichte van het aantal veranderingen dat elke vierjarige
periode plaatsvindt.14 Verschillende partijen, waaronder Kunsten »92 en de Raad voor cultuur, hebben dit
in aanloop naar de huidige meerjarige subsidieperiode ook opgemerkt.
Als laatste beperkt de beleidscyclus van vier jaar de mogelijkheden van de rijkscultuurfondsen
om te variëren in de subsidieperiodes en flexibiliteit van hun eigen subsidieregelingen.
Een fonds kent immers ook een beleidscyclus van vier jaar. Hierdoor gaan de fondsen
geen verplichtingen aan over de grens van vier jaar, omdat daar geen financiële dekking
voor is. Dat beperkt de mogelijkheid voor de fondsen om variatie te kunnen aanbrengen
in hun instrumentarium, waarmee verschillende groepen beter bediend worden.
2.4 Motivering instrumentkeuze
De aanpassing van de beleidscyclus biedt de Minister de mogelijkheid om het cultuurbeleid
meer in samenhang te ontwikkelen, zonder dat elke vier jaar een herverdelingsmoment
de sector opschudt. Tegelijk houdt de Minister de mogelijkheid om elke acht jaar een
nieuwe afweging te maken, mede op grond van ontwikkelingen in het culturele veld.
Een achtjarige beleidscyclus biedt culturele organisaties die het betreft meer ruimte
om te innoveren, de impact van hun werk te vergroten en duurzame samenwerkingen op
te zetten. Dit bevordert niet alleen de culturele ontwikkeling, maar heeft ook een
positieve invloed op de bredere maatschappelijke en economische waarde van de sector.
Door ook een achtjarige termijn voor specifieke uitkeringen (spuks) aan te houden,
sluit de termijn van de spuks bovendien aan op die van de maximale subsidietermijn.
Daardoor kunnen de doelen waarvoor spuks worden verleend beter worden behaald. De
achtjarige termijn vergroot daarmee de effectiviteit van het beleid van de Minister
van OCW in de afstemming met decentrale overheden.
Als oplossing voor de problematiek zijn meerdere varianten overwogen. De hoge administratieve
en financiële lasten voor organisaties kunnen voor een deel worden verminderd door
de indieningsvereisten voor het aanvragen van subsidies te wijzigen. Daarvoor is een
wetswijziging niet noodzakelijk, dit kan binnen de ministeriële regeling. Gelet op
de procedure en grote belangen die aan de subsidie gebonden zijn, zijn de denkbare
aanpassingen echter beperkt. Er is daarom gekozen voor het aanpassen van de termijn,
waardoor organisaties minder vaak deze lasten hoeven te dragen. Ook een structurele
bekostiging is overwogen. Een structurele bekostiging vergt echter een ingrijpende
herziening van het financieringsstelsel. Nadelen van structurele bekostiging zijn
een te complexe administratie voor instellingen, een belemmering voor innovatie en
een mismatch tussen bekostiging en de praktijk van culturele instellingen, die sterk
artistiek gedreven is en bepaald wordt door autonomie. Structurele bekostiging vraagt
daarnaast om een inspectie die toezicht houdt op de kwaliteit van het aanbod, wat
de uitvoeringslasten voor het ministerie fors zou verhogen. Er is ook overwogen om
voor bepaalde organisaties de subsidieperiode na het vierde jaar automatisch met een
extra periode te verlengen, zonder dat deze organisaties opnieuw een aanvraag hoeven
in te dienen. Tijdens de coronapandemie is deze optie onderzocht. Toen is geconcludeerd
dat dit vanwege financiële, bestuurlijke en juridische consequenties niet de voorkeur
had.15 Het huidige wettelijk kader biedt niet de ruimte om de subsidieperiode zonder meer
te verlengen, aangezien daarin slechts wordt voorzien in de bevoegdheid om subsidie
te verstrekken voor de duur van vier kalenderjaren. Daarnaast zou dit mogelijk leiden
tot ongelijke behandeling van organisaties en biedt het niet de langdurige financiële
stabiliteit die de hierboven besproken problematiek oplost.
Binnen de aanpassing van de subsidieperiode zijn verschillende mogelijkheden. Er kan
gekozen worden voor een aanpassing naar zes jaar, acht jaar of tien jaar. In verband
met de Comptabiliteitswet is tien jaar het maximale.16 Bij een periode van zes jaar of tien jaar zou de besluitvorming bij decentrale overheden
op andere momenten plaatsvinden. Dit maakt de samenloop met decentrale procedures
complexer, wat de beoogde rust en stabiliteit juist ondergraaft.
2.5 Risicomitigatie
Naast de hiervoor genoemde voordelen, kent een achtjarige cyclus ook enkele risico’s.
Een langere subsidieperiode beperkt bijvoorbeeld de budgetflexibiliteit van de Rijksbegroting,
omdat voor een langere periode verplichtingen worden aangegaan. Bij toekenning van
de subsidie zal daarom altijd het voorbehoud worden opgenomen dat de begrotingswetgever
voldoende middelen beschikbaar stelt. Dit is nu ook het geval. Dit betekent dat het
mogelijk blijft voor de Eerste en Tweede Kamer om het budget tijdens de lopende subsidieperiode
aan te passen. Dit op voorwaarde dat een neerwaartse aanpassing van het budget tijdens
de periode van acht jaar zorgvuldig gebeurt en met inachtneming van een redelijke
termijn, waarbij rekening wordt gehouden met reeds aangegane verplichtingen door de
subsidieontvangers.
Daarnaast geldt dat er, voor zover het de directe financiering door het Rijk betreft,
minder momenten zijn waarop culturele organisaties op basis van een subsidieaanvraag
worden beoordeeld. Hierdoor kan de indruk ontstaan dat het subsidiesysteem minder
toegankelijk wordt voor nieuwe toetreders. Voor de fondsen geldt echter dat zij met
dit wetsvoorstel de mogelijkheid krijgen meer differentiatie aan te brengen in hun
instrumentarium, en dit beter af te stemmen op de behoeften van het culturele veld.
Waar de fondsen hun beleid nu binnen een periode van vier jaar vormgeven, biedt de
voorgestelde wijziging de mogelijkheid om dit voor een periode van acht jaar te doen.
Hierdoor kunnen zij een meer samenhangend en gevarieerd instrumentarium ontwikkelen,
met verschillende voorwaarden en looptijden. Dit stelt de fondsen beter in staat om
in te spelen op uiteenlopende behoeften van de sector en beter aan te sluiten op maatschappelijke
en culturele ontwikkelingen. Bovendien kan een meer gedifferentieerd instrumentarium
bijdragen aan een vermindering van de administratieve en financiële lasten voor aanvragers.
De groep functies die direct door het Rijk worden gefinancierd, onder artikel 4a,
zal in de Rsc worden bepaald. De Raad voor cultuur zal hier nog advies over uitbrengen.
Aan de fondsen zal worden gevraagd een balans te zoeken tussen enerzijds voldoende
ruimte voor vernieuwing, en anderzijds het bieden van rust en ruimte voor de door
hen gesubsidieerde culturele instellingen. Zo nodig zal hiervoor gebruik gemaakt worden
van de mogelijkheden die de Wet op het specifiek cultuurbeleid als ook de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen bieden om hierover aanwijzingen aan de fondsen te geven.
De uitwerking wordt concreter gemaakt in de beleidsuitgangspuntenbrief, de publicatie
van de Rsc en in de onderliggende beleidskaders voor de rijkscultuurfondsen.
Er is een risicoafweging gemaakt over de kans op staatssteun. De conclusie is dat
de wetswijziging geen bijzondere risico’s ten aanzien van het staatssteunrecht met
zich meebrengt. In het staatssteunrecht bestaat geen specifieke regelgeving over de
maximumlooptijd voor steunverstrekkingen. De looptijd kan wel indirect gekoppeld worden
aan de Europese staatssteunkaders. Voor het beoordelen van staatssteun wordt gekeken
naar de totale omvang van de steun over de gehele looptijd van het project. De steunverlenende
overheid beoordeelt steeds per steunmaatregel of sprake is van staatssteun en zo ja,
of de steun rechtmatig kan worden verleend. Europese wetgeving biedt de mogelijkheid
om gebruik te maken van vrijstellingen waar het gaat om de steun aan culturele activiteiten.
Het gaat om bijvoorbeeld de toepassing van de de minimisverordening en art. 25, art.
53 en art. 54 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV). Hoewel in sommige
artikelen van de AGVV naast de steunintensiteit ook de periode waarin de steun kan
worden verstrekt wordt beperkt, geldt dat de voorgenoemde artikelen geen maximale
periode als voorwaarde stellen aan de steun.
3. Wetsvoorstel
3.1 Doel van het wetsvoorstel
Met het wetsvoorstel wordt een beleidscyclus gecreëerd die beter aansluit op de praktijk
van de culturele sector. Deze langere en meer gevarieerde beleidscyclus biedt de ruimte
om te werken aan de vermindering van de administratieve en financiële lasten van culturele
organisaties, meer rust en stabiliteit in de subsidieperiodes en meer ruimte voor
langetermijninvesteringen en artistieke ontwikkeling. Door tevens de mogelijkheid
van kortere subsidietermijnen te behouden wordt een betere balans tussen stabiliteit
en vernieuwing in de culturele sector gewaarborgd.
3.2 Inhoud van het wetsvoorstel
Dit wetsvoorstel bevat wijzigingen van de Wsc. Om de uitvoerbaarheid en de consistentie
van het wettelijk stelsel te bewaken zal de genoemde aanpassing over de gehele breedte
van de Wsc worden doorgevoerd.
Ten eerste regelt dit wetsvoorstel dat de Minister voortaan ten minste eens per acht
jaar beide Kamers der Staten-Generaal zal informeren over de hoofdlijnen van het cultuurbeleid.
Deze noodzaak vloeit voort uit eerdergenoemde wijzigingen, aangezien het cultuurbeleid
onlosmakelijk samenhangt met de subsidiëring van cultuuruitingen.
Ten tweede voorziet dit wetsvoorstel erin dat de Minister voortaan voor de periode
van acht jaren regels vaststelt over de verstrekking van subsidies ten behoeve van
cultuuruitingen.
Ten derde regelt dit wetsvoorstel dat aan fondsen voortaan voor de periode van acht
jaren subsidie wordt verstrekt.
Tot slot maakt dit wetsvoorstel het mogelijk dat de Minister een specifieke uitkering
ten behoeve van cultuuruitingen voortaan gedurende ten hoogste acht jaar verstrekt.
3.3 Verhouding tot nationale wetgeving
Artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016 vereist dat een subsidieregeling
niet later vervalt dan vijf jaar na inwerkingtreding van de regeling. Aangezien met
deze wetswijziging een verlenging van de subsidieperiode naar acht jaar wordt beoogd
zullen subsidieregelingen die voortaan op grond van de Wsc worden vastgesteld hier
niet aan voldoen. Artikel 4.10, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 biedt echter
een uitzondering op deze bepaling indien de vijfjaartermijn afbreuk doet aan de effectiviteit
van de gesubsidieerde activiteiten en er dus een langere termijn noodzakelijk is.
Dat is hierbij het geval, omdat de langere financieringstermijn organisaties in het
benodigde vermogen voorziet om structureel te investeren in grote producties, faciliteiten
en organisatievraagstukken en om hiervoor ook andere financieringsbronnen aan te spreken.
De Minister zal bij de vaststelling van nadere regels op grond van de Wsc dan ook
van deze uitzondering gebruikmaken en dit op het niveau van de relevante ministeriële
regeling nader uitwerken. Dit heeft in ieder geval gevolgen voor de Rsc, die zoals
gezegd in aanloop naar 2029 zal worden gewijzigd.
4. Doeltreffendheid en doelmatigheid
Een langere periode vermindert de administratieve lasten voor instellingen en overheid,
waardoor meer middelen en tijd besteed kunnen worden aan de inhoudelijke en artistieke
activiteiten. Ook biedt het instellingen financiële stabiliteit, waardoor zij strategischer
kunnen plannen en investeren in personeel, gebouwen en programma’s. Dit bevordert
de continuïteit van artistieke ontwikkeling, die vaak meer tijd vergt dan de huidige
subsidieperiode toelaat. Daarnaast krijgen instellingen de kans om publiek duurzaam
op te bouwen, samenwerkingen in de regio te versterken en hun maatschappelijke en
educatieve rol beter te verankeren. Ook internationaal biedt het culturele organisaties
meer ruimte om mee te doen aan meerjarige producties en partnerschappen.
5. Monitoring en evaluatie
De voorgenomen monitoring en evaluatie bestaat uit drie onderdelen. Ten eerste zullen
na de eerste beleidsperiode de uitkomsten van het beleid geëvalueerd worden, waarbij
wordt onderzocht of de aanpassing van de beleidsperiode het gewenste effect heeft
gehad. Bij deze evaluatie wordt een onafhankelijk deskundige betrokken. Daarnaast
zal tussentijdse verslaglegging plaatsvinden over de doelmatigheid en doeltreffendheid
van de subsidieregeling vanaf 2029. Dit betreft een verplichting die voortkomt uit
de Comptabiliteitswet; de kaders voor deze verslaglegging worden tegelijk met de aanstaande
wijzigingen van de Rsc vormgegeven. De tussentijdse verslaglegging wordt gedeeld met
de Tweede en Eerste Kamer en kan worden gebruikt om bij te sturen op de doelen. Organisaties
die subsidie ontvangen zullen net als nu worden gemonitord door de subsidieverstrekker
op basis van de subsidievoorwaarden. De aanpassing van de beleidscyclus verandert
niets aan de gangbare monitoring van de subsidievoorwaarden, waarbij de tussentijdse
verantwoording en monitoring van toepassing blijven. Uitgangspunt daarbij is dat dit
niet mag leiden tot meer administratieve lasten, maar mogelijkheden voor tussentijdse
bijsturing behouden moeten blijven.
6. Financiële gevolgen
Er zijn geen additionele middelen nodig die verband houden met deze wetswijziging.
Het is belangrijk onderscheid te maken tussen budgetstromen. Enerzijds middelen die
voortkomen uit het opstellen van de hoofdlijnen van het cultuurbeleid. Daar de termijn
van maximaal vier naar maximaal acht gaat, is te verwachten dat de uitvoeringslasten
hiervoor hoogstens gelijk blijven of dalen. Anderzijds de middelen die verband houden
met de op grond van artikel 4a van de Wsc vast te stellen regelingen. Deze worden
gebudgetteerd bij het vaststellen van de betreffende regelingen. Het jaarlijkse budget
dat beschikbaar is voor de regelingen blijft, onder voorbehoud van politieke besluitvorming,
in principe gelijk.
7. Gevolgen voor bedrijfsleven
Met dit voorstel tot wijziging van de Wsc wordt beoogd meer ruimte te creëren voor
de artistieke ontwikkeling en maatschappelijke impact van culturele organisaties,
terwijl de administratieve lasten voor hen worden verlaagd. Dit zorgt voor een betere
financiële duurzaamheid van culturele organisaties en daarmee een sterkere culturele
sector. De aanpassing van de wetgeving zal via de onderliggende ministeriële regeling
effect hebben op verschillende stakeholders in het culturele veld. Dit hoofdstuk gaat
in op de effecten die het bedrijfsleven kan ondervinden door de aanpassing van de
wetgeving. Er is voor gekozen om geen doenvermogentoets uit te voeren, daar de wijziging
voornamelijk het mkb raakt. Er zijn in het kader van de MKB-toets geen extra gesprekken
gevoerd met de doelgroep van de wetgeving. Het voorstel voor de aanpassing van de
termijn, en eventuele effecten, van de wetgeving is immers ook terug te vinden in
het advies Toegang tot cultuur van de Raad voor cultuur.17 Dit advies is in samenspraak met 400 mensen uit de culturele sector opgesteld. Het
gaat hierbij zowel om zelfstandigen, mensen van de fondsen, als om mensen die werkzaam
zijn bij culturele organisaties.
De Wsc raakt alle culturele en creatieve organisaties die werkzaam zijn in Europees
Nederland en op Bonaire, Sint-Eustatius of Saba. Het type bedrijf van de culturele
organisaties loopt uiteen van micro-onderneming, klein- tot middenbedrijf. Er werken
mensen in loondienst, vrijwilligers en zelfstandigen zonder personeel bij en voor
culturele organisaties.
De aanpassing van de subsidieperiode naar acht jaar zorgt ervoor dat de administratieve
lasten voor organisaties kunnen worden verlaagd. Culturele organisaties die rechtstreeks
door het Rijk worden gefinancierd starten op dit moment veelal in het tweede jaar
van een subsidieperiode met nadenken over de volgende periode. Het werkelijke schrijven
van een aanvraag vindt in het derde jaar plaats, in het vierde vindt besluitvorming
plaats en kunnen organisaties zich voorbereiden op de nieuwe periode. Er is dus een
bijna doorlopende last die samenhangt met het aanvraagproces. Dat vraagt aanzienlijke
inzet van menskracht, middelen en tijd. Met de aanpassing van de Wsc, en de doorwerking
naar de Rsc, hoeven organisaties maar één keer in de acht jaar een aanvraag in te
dienen, in plaats van elke vier jaar. De tijd, financiële middelen en capaciteit die
een organisatie kwijt is aan een subsidieaanvraag blijft in principe gelijk, maar
wordt dus minder vaak toegepast. Daar staat tegenover dat het belang van een goede
aanvraag, en daarmee eventueel de tijd die wordt geïnvesteerd in de aanvraag, kan
stijgen. Een toekenning voor acht jaar biedt organisaties immers meer rust en zekerheid.
De kosten voor het aanvragen van de subsidie voor organisaties bestaan onder andere
uit het kennisnemen van de subsidiecriteria, het ontwikkelen van een artistiek en
zakelijk plan, het schrijven van de inhoudelijke subsidieaanvraag, het opmaken van
de begroting en het vormgeven van de aanvraag. Op basis van gesprekken met de doelgroep
en een analyse van Kunsten ’92 komt naar voren dat organisaties die subsidie aanvragen
op basis van artikel 4a van de Wsc op dit moment tussen de € 50.000 en € 150.000 per
aanvraag begroten. Bij de berekening van het bovengenoemde bedrag is rekening gehouden
met het door het Ministerie van Economische Zaken voorgeschreven Handboek meting regeldrukkosten.18 In onderstaande tabel is een vereenvoudigde weergave van de berekening opgenomen.
Kleine organisaties
Uren
Tarief
Kosten
Kennisgeving regeling
16
€ 54
€ 864
Opstellen artistiek beleid
Artistiek leider
160
€ 77
€ 12.320
Artistiek team en productie
288
€ 54
€ 15.552
Opstellen zakelijk beleid
Zakelijk leider
120
€ 77
€ 9.240
Overige zakelijk beleid
142
€ 54
€ 7.668
Schrijven en redactie
21
€ 39
€ 819
Vormgeving
40
€ 54
€ 2.160
Bureaukosten
€ 1.000
Formulieren invullen
5
€ 39
€ 195
Totaal
€ 49.818
Grote organisaties
Uren
Tarief
Kosten
Kennisgeving regeling
32
€ 54
€ 1.728
Opstellen artistiek beleid
Artistiek leider
288
€ 77
€ 22.176
Artistiek team en productie
1000
€ 54
€ 54.000
Opstellen zakelijk beleid
Zakelijk leider
270
€ 77
€ 20.790
Overige zakelijk beleid
720
€ 54
€ 38.880
Schrijven en redactie
88
€ 54
€ 4.752
Vormgeving
80
€ 54
€ 4.320
Bureaukosten
€ 3.000
Formulieren invullen
8
€ 54
€ 432
Totaal
€ 150.078
Deze bedragen zijn mede afhankelijk van de grootte van de organisatie en de inzet
van externe inhuur en digitale hulpmiddelen. Deze kosten hoeft een organisatie straks
niet meer één keer per vier jaar te maken, maar één keer per acht jaar. Van organisaties
die subsidie ontvangen wordt verwacht dat zij jaarlijks een jaarverslag en jaarrekening
indienen. Dit blijft ook bij een achtjarige cyclus het geval. De kosten voor verantwoording
veranderen daarom niet. Bij de hierboven genoemde bedragen moeten twee kanttekeningen
worden geplaatst. Ten eerste zijn deze kosten niet alleen aan een subsidieaanvraag
toe te rekenen. Een deel van deze kosten kan ook onder de reguliere bedrijfsvoering
worden geschaard. Elke culturele organisatie zal immers een meerjarenplan en -begroting
opstellen, ongeacht of men subsidie gaat aanvragen of niet. Voor de volledigheid zijn
deze kosten wel meegerekend in bovenstaand bedrag. Ten tweede dat dit bedrag is berekend
op basis van de huidige criteria in de ministeriële regeling. Aanpassingen aan de
regeling kunnen de tijdsinvestering voor een subsidieaanvraag veranderen. Hetzelfde
geldt voor de verantwoordingslasten.
Het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR) heeft in zijn advies opgemerkt
dat een inschatting van het aantal organisaties dat te maken krijgt met deze regeldrukvermindering
ontbreekt. Hier is bewust voor gekozen. Het aantal verwachte subsidieaanvragen op
basis van artikel 4a van de Wsc volgt uit de reikwijdte van de Rsc. De nieuwe subsidieregeling
wordt in 2027 gepubliceerd. Zoals de Minister van OCW in zijn brief van 3 oktober
2025 constateerde is een langere maximale financieringsduur niet voor alle instellingen
de beste oplossing.19 Het vraagstuk voor welk type organisatie dit wel en voor welke dit niet het geval
is, wordt meegenomen in de doorontwikkeling van de Rsc. Het opnemen van het aantal
organisaties dat te maken krijgt met deze regeldrukvermindering is daarom niet mogelijk
en kan een onjuist beeld geven.
De voorgestelde oplossing zoals beschreven is werkbaar en uitvoerbaar, sluit goed
aan op de noden van de bedrijfstak en draagt ten positieve bij aan de verlaging van
de druk op de bedrijfsvoering van culturele organisaties die worden opgenomen binnen
de landelijke culturele infrastructuur per 2029.
8. Gevolgen voor decentrale overheden
Provincies en gemeenten maken zelfstandig de afweging over hun beleid en (de termijn
van) toekenningen, ongeacht de termijn van de beleidscyclus van het Rijk. De verwachting
is daarom dat het directe effect van de wijziging van de Wsc voor alle provincies
en gemeenten beperkt is. Een langere beleidscyclus kan wel een indirect effect teweegbrengen.
In deze paragraaf beschrijven we de effecten en de manier waarop decentrale overheden
zijn meegenomen in de besluitvorming rondom de aanpassing van de Wsc.
Decentrale overheden zijn vanaf de start van dit wetswijzigingstraject betrokken bij
het proces. In de verschillende fasen van de beleidsontwikkeling zijn op ambtelijk
en op bestuurlijk niveau gesprekken gevoerd tussen het Ministerie van OCW en het Interprovinciaal
Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de G920 en de deelnemende overheden aan de cultuurconvenanten.21 In de bestuurlijke overleggen met andere overheden is door hen aandacht gevraagd
voor vernieuwing, innovatie en het faciliteren van nieuwe toetreders tot de landelijke
culturele infrastructuur.
Het merendeel van culturele organisaties die direct van het Rijk subsidie ontvangen
wordt ook gefinancierd door decentrale overheden. Daarbij gaat het met name om grote
gemeenten. De financiering vanuit decentrale overheden staat los van de financiering
die het Rijk verstrekt aan culturele organisaties. Er bestaat een mogelijkheid dat
decentrale overheden ervoor kiezen om organisaties die door het Rijk voor een periode
van acht jaar worden gesubsidieerd ook voor acht jaar te subsidiëren, om de cyclus
te harmoniseren met het Rijk. Dat blijft een keuze die de decentrale overheid zelf
maakt. De keuze voor een aanpassing van vier naar acht jaar laat de decentrale overheden
die een beleidscyclus van vier jaar hanteren de vrijheid om die te handhaven. De keuze
voor acht jaar wordt onderschreven door de VNG en IPO.22
Wanneer het Rijk zijn beleid en subsidies voor een langere periode vaststelt, creëert
dat een langere zekerheid over de financiële situatie van culturele organisaties.
Ook voor gemeenten ontstaat daardoor meer zekerheid over hun gemeentelijke culturele
infrastructuur. Zij kunnen daarop anticiperen in hun culturele beleid, wat een langetermijnvisie
op gemeentelijk niveau kan versterken.
Kleine gemeenten zijn als onderdeel van een cultuurregio vertegenwoordigd in de cultuurconvenanten
die door de Minister van OCW zijn ondertekend op 17 januari 2025. Kleine gemeenten
hebben over het algemeen geen culturele organisaties die direct door het Rijk worden
gesubsidieerd op basis van deze wet. In de besprekingen met IPO en VNG en dankzij
de brede scope van de samenwerkende cultuurregio’s binnen de culturele convenantgebieden,
maken kleine gemeenten onderdeel uit van de besprekingen over de wijziging van de
subsidiecyclus van de landelijke culturele infrastructuur. In het bestuurlijk overleg
met de convenantpartners van 21 mei 2025 is de steun uitgesproken voor een cyclus
van acht jaar. Relevanter voor de kleine gemeenten is de regionale functie van culturele
organisaties die gevestigd zijn in grotere gemeenten, ook voor omliggende gebieden.
Niet alleen de vestigingsplaats, maar ook het omliggende gebied is daarbij van belang.
Tijdens het bestuurlijk overleg van 21 mei 2025 is ingebracht dat een langere subsidieperiode
van de Wsc ook een grotere verantwoordelijkheid zou moeten betekenen voor deze organisaties
in het omliggende gebied. De keuze hiervoor wordt verder uitgewerkt in de Rsc.
De ambtelijke capaciteit bij gemeenten blijft een aandachtspunt, vooral bij kleinere
gemeenten. Dit staat echter los van de wijziging van de Wsc. Gemeenten hebben aangegeven
dat de druk op de beschikbare ambtenaren groter is ten tijde van het beoordelen van
subsidieaanvragen. Mocht een gemeente besluiten om de gewijzigde subsidieperiode van
de Wsc te willen volgen, dan zou er een werkdrukverlichting kunnen ontstaan. Het politiek
mandaat en de autonomie om al dan niet mee te gaan met de cyclus van het Rijk ligt
bij de gemeenteraden en de provinciale staten.
9. Uitvoerings- en handhavingsgevolgen
9.1 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Het aanpassen van de beleidstermijn en de maximale financieringstermijn in de Wsc
laat de bestaande systematiek van het vaststellen van een ministeriële regeling in
stand. Om die reden zijn er weinig consequenties voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.
De wijziging draagt bij aan de vermindering van administratieve handelingen en taken
die verricht moeten worden binnen het ministerie. Waar nu maximaal iedere vier jaar
een beleidscyclus wordt doorlopen, wordt dat met dit wetsvoorstel maximaal acht jaar.
De op grond van artikel 4a van de Wsc vast te stellen regelingen zullen afzonderlijk
op deze aspecten worden bezien.
9.2 Raad voor cultuur
De Raad voor cultuur heeft op basis van de Wsc als wettelijk adviesorgaan de taak
de regering en de beide Kamers der Staten-Generaal te adviseren over algemeen verbindende
voorschriften of te voeren beleid van het Rijk op het terrein van de cultuur. Daarnaast
is er ook nog het reguliere gevraagde en ongevraagde advieswerk van de Raad. Bij aanpassing
van de beleidscyclus naar acht jaar, zal de Raad slechts één keer in de acht jaar
over de hoofdlijnen van het cultuurbeleid een advies geven, in plaats van iedere vier
jaar.
9.3 Rijkscultuurfondsen
De rijkscultuurfondsen zorgen voor doorstroming, vernieuwing, talentontwikkeling en
zoeken actief naar verbinding met publiek, makers, kunstenaars en regio. De fondsen
zijn zelfstandige bestuursorganen (zbo) en voeren een overheidstaak uit. Als zbo maken
de fondsen in beginsel zelf de afweging welke termijn zij hanteren voor de meerjarige
subsidieregelingen, binnen de kaders van de Wsc.
Voor de fondsen zal de aanpassing van de subsidieperiode naar acht jaar gevolgen hebben.
De fondsen zelf worden in de nieuwe situatie voor een periode van acht jaar gefinancierd
door het Rijk. Omdat de fondsen zelf verantwoordelijk zijn voor het opstellen en vaststellen
van (het aantal) subsidieregelingen, is het echter niet mogelijk vooraf met zekerheid
te zeggen welk effect de aanpassing van de subsidieperiode naar acht jaar heeft. Wel
kunnen gevolgen worden ingeschat. De fondsen zullen hun meerjarenplannen niet voor
vier, maar voor acht jaar vormgeven, waarmee de inspanningen in frequentie voor de
medewerkers van het fonds die zich bezighouden met het ontwikkelen van het meerjarenplan
worden verlaagd. Daarnaast kunnen fondsen meer differentiatie aanbrengen in de termijnen
van hun regelingen. Als fondsen besluiten de huidige vierjarige regelingen om te zetten
naar achtjarige regelingen, kan de regeldruk voor die regelingen worden beperkt. Immers,
minder vaak beoordelen betekent lagere advieskosten, een afname van juridische en
administratieve handelingen en minder procedurele handelingen voor het fonds.
10. Advies en internetconsultatie
10.1 Advies Adviescollege toetsing regeldruk
Het Adviescollege toetsing regeldruk heeft op een conceptversie van dit wetsvoorstel
een advies uitgebracht. Het college oordeelde positief over het nut en de noodzaak
van de wetswijziging en had geen opmerkingen bij de minder belastende alternatieven.
Het college adviseerde wel om de regeldrukberekening, overeenkomstig de Rijksbrede
methodiek, inzichtelijk te maken en aan te vullen met een inschatting van het aantal
organisaties. Op basis van het advies is hoofdstuk 7 aangevuld met de berekening,
is er beter onderbouwd waarom is gekozen om de inschatting van het aantal organisaties
niet op te nemen en is er uitleg gegeven over de verantwoordingslast.
10.2 Advies Raad voor cultuur
Dit wetsvoorstel is voor advies voorgelegd aan de Raad voor cultuur. De Raad heeft
op 8 januari 2026 op het advies gereageerd.23 De Raad ondersteunt de aanpassing van de beleidscyclus en ziet het als een noodzakelijke
stap voor de vernieuwing van het Nederlandse cultuurbestel. Een verlengde cyclus biedt
instellingen meer ruimte voor artistieke en inhoudelijke innovatie en maakt hen aantrekkelijker
voor private co-financiers om te investeren. Bovendien zorgt een achtjarige cyclus
voor een aanzienlijke vermindering van de administratieve lasten en biedt het de rijkscultuurfondsen
de kans een langjarige visie te ontwikkelen. Ook wijst de Raad op de meerwaarde voor
andere overheden die de mogelijkheid krijgen een langjarige visie te ontwikkelen op
het cultuurbeleid en op de culturele instellingen die een sleutelrol kunnen spelen
in de regionale ecosystemen.
De Raad gaat in zijn advies in op enkele specifieke punten uit de memorie van toelichting.
De Raad adviseert om duidelijker aan te geven dat een subsidieperiode van maximaal
acht jaar geldt voor de budgetten die OCW beschikbaar stelt aan de rijkscultuurfondsen
zelf, maar niet voor de subsidies die deze fondsen zelf verstrekken. Als zelfstandig
bestuursorgaan maken de fondsen zelf de afweging welke termijn zij hanteren voor de
meerjarige subsidieregelingen, binnen de kaders van de Wsc. De fondsen zijn goed in
staat om in te schatten wat nodig is om hun regelingen te laten aansluiten op de karakteristieken
van de organisaties waarvoor deze bedoeld zijn. De wens van de regering is om dit
vooraf niet in te perken. Wel zal aan de fondsen worden gevraagd een balans te zoeken
tussen enerzijds voldoende ruimte voor vernieuwing, en anderzijds het bieden van rust
en ruimte voor de door hen gesubsidieerde culturele instellingen. Zo nodig zal hiervoor
gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden die de Wet op het specifiek cultuurbeleid
als ook de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen bieden om hierover aanwijzingen aan
de fondsen te geven.
Daarnaast adviseert de Raad om een overzicht op te nemen van mogelijke instrumenten
die tot een vereenvoudiging van het systeem kunnen leiden en adviseert een andere
uitwerking van de monitoring en evaluatie. Dit zijn onderwerpen die worden meegewogen
bij het opstellen van de onderliggende ministeriële regeling. Als laatste merkt de
Raad op dat de beschreven taken van de Raad niet volledig zijn. In de uitwerking van
de memorie van toelichting is de regering bij de tekst in de wet gebleven en heeft
hij ervoor gekozen taken die voortkomen uit de Rsc niet op te nemen.
De Raad gaat in zijn advies in op de verdeling van de categorieën instellingen die
direct door het Rijk worden gefinancierd en die door de fondsen worden ondersteund.
De Raad stelt daarbij dat goed gekeken dient te worden naar de categorieën instellingen
die direct door het Rijk worden gefinancierd en hoe deze zich verhouden tot het deel
van de cultuursector dat door de rijkscultuurfondsen wordt ondersteund. De Raad wil
ervoor waarschuwen dat om praktische redenen, zoals bijvoorbeeld bezuinigingen, wordt
besloten om het aantal instellingen dat direct door het Rijk wordt gefinancierd zodanig
te verkleinen dat zij voornamelijk nog zal bestaan uit gecanoniseerde en Randstedelijke
instellingen. Daarnaast vindt hij het vanzelfsprekend dat, wanneer het aantal categorieën
instellingen dat direct door het Rijk wordt gefinancierd kleiner wordt, voor deze
categorieën wel ruimte en bijbehorende financiële middelen komen bij de rijkscultuurfondsen.
Ook dit zijn onderwerpen die bij het opstellen van de onderliggende ministeriële regeling
en het formuleren van de beleidskaders voor de fondsen zullen worden meegewogen.
Tot slot vraagt de Raad aandacht voor aanvullende onderwerpen waarvan de Raad van
mening is dat deze ook wettelijk verankerd dienen te worden om de stabiliteit van
het stelsel te vergroten. De regering constateert dat de voorstellen die de Raad in
dat verband doet buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel vallen.
10.3 Internetconsultatie
Op basis van de internetconsultatie zijn geen inhoudelijke aanpassingen op het wetsvoorstel
gedaan. Het voorstel is wel op onderdelen redactioneel aangepast, uitsluitend ter
bevordering van de leesbaarheid. De aanpassingen hebben geen invloed op de inhoudelijke
strekking van het document.
De binnengekomen reacties op de internetconsultatie zijn overwegend positief. Insprekers
zien de waarde van de aanpassing van de termijn van vier naar acht jaar. Een langere
looptijd biedt organisaties en makers meer financiële stabiliteit, het vergroot de
mogelijkheden voor meerjarige programmering en publieksopbouw en maakt het mogelijk
om structureel te investeren in organisatieontwikkeling en samenwerking.
Insprekers hebben suggesties gegeven voor aanpassing van het wetsvoorstel, en/of kritische
kanttekeningen geplaatst bij het wetsvoorstel. De suggesties en kanttekeningen zijn
hieronder uiteengezet en onderverdeeld op volgorde van belang voor dit wetsvoorstel.
Het betreft samengevoegde hoofdonderwerpen, namelijk administratieve lasten en samenwerking,
en doorstroom en vernieuwing en de thema’s evaluatie en toetsing en regionale spreiding.
Een aantal meer uiteenlopende onderwerpen zijn samengevat en hieronder beantwoord
als overige onderwerpen.
Administratieve lasten en interbestuurlijke samenwerking
De verlenging van de subsidieperiode wordt gezien als het startpunt om de aanvraag-
en beoordelingslasten te verminderen. Tegelijk wordt erop gewezen dat de verschillen
in procedures en de versnippering tussen verschillende subsidiegevers blijft bestaan.
Er wordt daarom gepleit voor verdere vereenvoudiging, harmonisatie van eisen en betere
interbestuurlijke samenwerking, door bijvoorbeeld een gezamenlijke set van indicatoren
en criteria. Respondenten benadrukken dat decentrale overheden een eigen verantwoordelijkheid
en afwegingsruimte moeten behouden bij het bepalen van subsidieperiodes. De bestuurlijke
partners stellen voor om het algemeen kader dat betrekking heeft op de interbestuurlijke
samenwerking te wijzigingen en te komen tot nieuwe afspraken. Ook vanuit de sector
wordt gepleit voor betere afspraken tussen overheden.
De regering herkent de op dit thema gemaakte opmerkingen. De voorwaarden en criteria
voor het aanvragen van subsidies, en de daarmee verbonden procedures zijn vastgelegd
in de ministeriële regeling. Deze regeling wordt in 2027 opnieuw vastgesteld. Deze
onderwerpen worden meegewogen bij het opstellen van de ministeriële regeling. Provincies
en gemeenten maken zelfstandig de afweging over hun beleid en (de termijn van) toekenningen.
De opmerkingen over de samenwerking tussen Rijk, provincies en gemeentes neemt de
Minister mee in gesprekken met de decentrale overheden.
Doorstroom en vernieuwing
Doorstroom en vernieuwing worden door insprekers gezien als belangrijke uitgangspunten
bij het uitvoering geven aan de Wet op het specifiek cultuurbeleid. In meerdere reacties
wordt gewezen op een zorg over de flexibiliteit en vernieuwing van het stelsel. In
een aantal reacties wordt gepleit voor aanvullende instrumenten, zoals specifieke
regelingen voor instroom en experiment om daarmee jonge makers en snel ontwikkelende
disciplines tegemoet te treden.
Zoals aangegeven in paragraaf 2.4 krijgen de fondsen de mogelijkheid hun beleid voor
acht jaar vorm te geven en kunnen zij daarmee differentiatie aanbrengen in hun instrumentarium
waardoor er voldoende ruimte voor vernieuwing blijft bestaan. De beleidskaders voor
de fondsen worden samen met de Rsc in 2027 vastgesteld. Ook dit zijn onderwerpen die
bij het opstellen van de onderliggende ministeriële regeling en het formuleren van
de beleidskaders voor de fondsen zullen worden meegewogen.
Evaluatie en toetsing
Meerdere insprekers merken op dat het van belang is dat een langere periode gepaard
gaat met tussentijdse evaluatiemomenten. Enkele keren wordt daarbij gewezen op controlemomenten
buiten de reguliere monitoring. De evaluatie zou volgens insprekers gericht moeten
zijn op kwaliteit, doelbereik, de codes en ruimte moeten bieden voor bijsturing.
In hoofdstuk 5 wordt beschreven hoe de evaluatie en monitoring plaats zal gaan vinden.
Het uitgangspunt daarbij is dat dit niet mag leiden tot meer administratieve lasten,
maar tegelijkertijd wel mogelijkheden biedt voor het behoud van tussentijdse bijsturing.
De voorwaarden voor de monitoring en evaluatie worden nader uitgewerkt in de ministeriële
regeling.
Regionale spreiding
Er wordt in enkele reacties gewezen op het belang van geografische spreiding, waaronder
ook Caribisch Nederland, zodat organisaties en makers in alle regio’s gelijke kansen
hebben. Bij beoordeling dient rekening gehouden te worden met de regionale context.
Een sterke infrastructuur vraagt om goed gefinancierde organisaties per regio.
In artikel 2 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid is opgenomen dat de Minister
is belast met het scheppen van voorwaarden voor onder andere de geografische spreiding
of anderszins verbreiden van cultuuruitingen. Aan het betreffende artikel wordt niets
gewijzigd. Het onderwerp heeft in de uitwerking van de Rsc de aandacht.
Overige onderwerpen
Andere onderwerpen die door verschillende insprekers zijn ingebracht gaan onder meer
over het vastleggen van de wettelijke doelstellingen voor cultuur en de wettelijke
verankering van de indexatie van de loon- en prijsbijstelling, en sectorspecifieke
vraagstukken, waaronder de verdeling van het budget over de verschillende kunstdisciplines
en gezelschappen, groepen makers en instellingen die zich niet expliciet in één discipline
bewegen. Deze en andere consultatiereacties bevatten voorstellen die gaan over onderwerpen
die niet tot het bereik van dit wetsvoorstel behoren. Deze blijven daarom buiten beschouwing.
Het zijn onderwerpen die behoren tot het bereik van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid,
raakvlakken hebben met flankerend beleid of gaan over samenwerkingsafspraken tussen
overheden. De onderwerpen die daarvoor in aanmerking komen worden meegewogen in het
wijzigingstraject voor de ministeriële regeling.
11. Uitvoerings- en handhavingsgevolgen
11.1 Inwerkingtreding
De inwerkingtreding van deze wijziging van de Wsc wordt bepaald bij koninklijk besluit.
Voor het moment van inwerkingtreding zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij het
beleid inzake vaste verandermomenten. Het voornemen is om het wetsvoorstel op 1 juli
2027 in werking te laten treden.
11.2 Overgangsbepaling
Er is gekozen voor eerbiedigende werking. Indien op grond van deze wet een subsidie
of specifieke uitkering is verstrekt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
wetswijziging, is het nieuwe recht daarop niet van toepassing. In plaats daarvan blijft
het oude recht van toepassing.
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel I, onderdelen A tot en met E
Dit artikel vormt de feitelijke uitwerking van hetgeen besproken is in het algemeen
deel van deze toelichting. De Minister stelt voor een periode van acht jaar regels
vast voor de verstrekking van subsidies ten behoeve van cultuuruitingen. Aan de fondsen
wordt voor een periode van acht jaar subsidie verstrekt en ook zal de Minister voortaan
ten minste eens per acht jaar beide Kamers der Staten-Generaal informeren over de
hoofdlijnen van het cultuurbeleid. Op deze manier wordt voor de gehele beleidscyclus
de termijn van acht jaar gehanteerd.
Artikel I, onderdeel F
Dit artikel bevat de overgangsbepaling die regelt dat de geldende ministeriële regeling,
die nog uitgaat van vier jaar, blijft gelden tot en met het einde van de geldende
subsidieperiode. Dit geldt ook voor de afgegeven subsidiebeschikkingen die gebaseerd
zijn op vier jaar.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.