Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 938 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2027)
Nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 15 juli 2026
Inhoudsopgave
1.
Inleiding
1
2.1
Wijziging van de inkomstenbelasting inzake de betaalbarekoopregeling
2
2.2
Maatregelen op pensioen- en lijfrentegebied
6
2.3
Afschaffing eerstedagsmelding
11
2.4
Aanpassing afdrachtsvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk
11
2.5
Samenloop onderworpenheidstoetsen in de vennootschapsbelasting en Pijler 2
14
2.6
Aanpassing groepsbegrip bij een kwalificerend lidmaatschapsrecht
17
2.7
Aanpassing begripsbepalingen motorrijtuigenbelasting
18
2.8
Wijzigingen in de Wet op de accijns
21
2.9
Wijzigingen delegatiegrondslag vermogenstoetsuitzonderingen voor toeslagen
21
2.10
Herstel omissie belasting- en invorderingsrente onderlinge overlegprocedures
23
2.11
Delegatiebepaling in de AWR
24
2.12
Verruiming van de vrijstelling voor oldtimers in de motorrijtuigenbelasting
26
2.13
Gedeeltelijk vervallen Fiscale vereenvoudigingswet 2017
28
2.14
Budgettaire aspecten
28
2.
Overig
29
1. Inleiding
Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de
leden van de fracties van D66, VVD, PRO, CDA en JA21.
Hierna wordt bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk de volgorde van het
verslag aangehouden, met dien verstande dat gelijkluidende of in elkaars verlengde
liggende vragen tezamen zijn beantwoord.
De leden van de fractie van JA21 vragen of het kabinet een overzicht kan geven van
de bepalingen met terugwerkende kracht en kan bevestigen dat de bepalingen in onderhavig
wetsvoorstel waarbij terugwerkende kracht wordt toegepast, uitsluitend begunstigend
werken voor belastingplichtigen en indien dit niet het geval is, voor welke groepen
de betreffende bepalingen belastend werken. Ook vragen deze leden of het kabinet onderschrijft
dat terugwerkende kracht in beginsel slechts aanvaardbaar is voor zover deze begunstigend
is of strekt tot het herstel van een omissie.
Het kabinet hecht aan een zorgvuldige afweging met betrekking tot het gebruik van
terugwerkende kracht en past de beleidslijn «terugwerkende kracht in de fiscale regelgeving»1 toe in deze afweging. Conform deze beleidslijn zal geen terugwerkende kracht worden
toegekend aan belastende fiscale maatregelen, behoudens in uitzonderlijke gevallen.
In onderhavig wetsvoorstel wordt voornamelijk terugwerkende kracht voorgesteld bij
bepalingen waarmee omissies in fiscale wetgeving worden hersteld. Het kabinet bevestigd
dat in dit wetsvoorstel geen terugwerkende kracht wordt voorgesteld bij fiscale maatregelen
die voor belastingplichten belastend werken. De specifieke bepalingen waarbij in onderhavig
wetsvoorstel terugwerkende kracht wordt voorgesteld, zijn artikel I, onderdelen B,
C, E en F, artikel II, artikel XII, onderdelen A, B en C, artikel XIX, onderdelen
A, E en F, artikel XX, onderdeel A en artikel XI van de Fiscale Verzamelwet 2027.
Een nadere toelichting op de voorgestelde toepassingen van terugwerkende kracht per
bepaling, is opgenomen in de artikelsgewijze toelichting bij die betreffende bepalingen.
2.1. Wijziging van de inkomstenbelasting inzake de betaalbarekoopregeling
De leden van de fractie van D66 vragen hoe de maatregel past binnen de bredere ambitie
om de toegang tot de koopwoningmarkt voor starters te verbeteren.
Het kabinet vindt het belangrijk dat jongeren een betaalbare woning kunnen vinden.
Om deze reden zet het kabinet vol in op het bouwen van nieuwe (betaalbare) woningen,
wegnemen van belemmeringen in de woningbouw en het beter benutten van de bestaande
voorraad. Ook heeft het Rijk een aantal instrumenten specifiek gericht op koopstarters
en middeninkomens.
Koopstarters en middeninkomens kunnen profiteren van de voordelen van een hypotheek
met NHG. Ook kunnen koopstarters profiteren van de vrijstelling van de overdrachtsbelasting.
Verder is er sinds vorig jaar het Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen dat zich
specifiek richt op koopstarters met een middeninkomen. Dit gebeurt door nieuwbouwwoningen
met een kopersondersteuning onder de marktwaarde aan te bieden, waardoor deze woningen
beter bereikbaar worden voor de doelgroep. Het fonds hanteert onder andere criteria
ten aanzien van inkomen tot maximaal twee keer modaal, leeftijd tot 35 jaar en het
type woning (nieuwbouw binnen de betaalbaarheidsgrens). Daarmee wordt het instrument
gericht ingezet voor de doelgroep waarvoor het is bedoeld en draagt het bij aan het
bereikbaar maken van koopwoningen voor huishoudens die anders moeilijk toegang hebben
tot de koopwoningmarkt. Dit laat zien dat er, naast de betaalbare koopregeling, diverse
instrumenten zijn die zowel landelijk als lokaal gebruikt (kunnen) worden om starters
een betaalbare koopwoning te bieden.
De leden van de fractie van D66 vragen hoe het kabinet aankijkt tegen de minimumtermijn
van één jaar waarin een woning als hoofdverblijf moet hebben gediend om gebruik te
kunnen maken van de uitzendregeling in de eigenwoningregeling en of het wenselijk
is deze te verkorten of af te schaffen. Als werknemers tijdelijk worden uitgezonden
fungeert hun in Nederland gelegen woning tijdelijk niet als hoofdverblijf, het gevolg
is dat voor die woning de hypotheekrente niet meer aftrekbaar zou zijn. De uitzendregeling
zorgt ervoor dat toch hypotheekrente kan worden afgetrokken gedurende die periode,
die overigens ook langer kan duren dan drie jaar. Dit is dus een gunstige uitzondering
op de hoofdregel. Deze regeling kent verschillende voorwaarden om een beroep te doen
op deze uitzondering, waaronder de voorwaarde dat de eigen woning de belastingplichtige
ten minste een jaar als eigen woning ter beschikking moet hebben gestaan. Deze voorwaarde
heeft tot doel te verhinderen dat zogenoemde tweede woningen onder deze regeling kunnen
worden gebracht.2 Deze uitzondering is namelijk bedoeld voor belastingplichtigen die door uitzending
ten aanzien van hun hoofdverblijf geen aanspraak kunnen maken op hypotheekrenteaftrek.
Het kabinet is daarom niet voornemens deze termijn te verkorten of af te schaffen.
De leden van de fractie van JA21 vragen naar de gevolgen voor kopers van een woning
onder de betaalbarekoopregeling als deze maatregel niet zou worden ingevoerd. Om in
aanmerking te komen voor de eigenwoningregeling dient de waardeverandering van die
woning de belastingplichtige of zijn partner (aanvankelijk) minimaal 50% aangaat.
Voor een groot aantal gevallen is echter bestaand hardheidsclausulebeleid van toepassing.3 Op grond van dat hardheidsclausulebeleid wordt geacht ook aan de zogenoemde 50%-eis
te zijn voldaan indien de betreffende woning is belast met een beding dat voorziet
in een gedurende een periode van ten hoogste tien achtereenvolgende jaren ten minste
lineair tot 100% toenemend belang bij iedere waardeverandering van de woning van de
belastingplichtige of zijn partner, en geen sprake is van een ander beding dat het
belang van de belastingplichtige of zijn partner bij een waardeverandering van de
woning beperkt. Voor zogenoemde eerste kopers onder de betaalbarekoopregeling is dat
hardheidsclausulebeleid, dat op grond van het onderhavige wetsvoorstel wordt gecodificeerd,
afdoende. Uit signalen van de Belastingdienst blijkt dat beleid niet altijd afdoende
is bij opvolgende kopers. Voorgesteld wordt om ook voor die situatie eenzelfde fictie
in de wet op te nemen. Zonder deze regeling in dit wetsvoorstel zouden eigenaren van
woningen die binnen de instandhoudingstermijn zijn doorverkocht niet altijd voor hypotheekrenteaftrek
in box 1 in aanmerking komen en dus belast zijn in box 34. Ook wordt in het ontwerpbesluit versterking regie de regeling voor instandhouding
van betaalbare koopwoningen geharmoniseerd met de regeling in dit wetsvoorstel om
daarmee rechtszekerheid te bieden voor de koper.
De leden van de fractie van JA21 vragen waarom in het tweede onderdeel niet voor een
techniekneutrale formulering is gekozen, zoals in het eerste onderdeel. Ook vragen
zij of het kabinet bekend is met private vormen van maatschappelijk gebonden eigendom
waarbij een tweede of opvolgende koper in dezelfde positie verkeert als onder de betaalbarekoopregeling.
Het eerste onderdeel is een codificatie van bestaand hardheidsclausulebeleid. Het
tweede onderdeel is een kleine uitbreiding specifiek voor de betaalbarekoopregeling.
Om te voorkomen dat de eigenwoningregeling en specifiek de 50%-eis uitgehold wordt,
is gekozen om deze uitzondering voor tweede en opvolgende kopers uitsluitend te laten
gelden bij een publiekrechtelijke regeling die zijn oorsprong vindt in een wet in
formele zin. Het kabinet acht het wenselijk om een dergelijke uitzondering op te nemen
in de eigenwoningregeling bij deze beleidsdoelstellingen, namelijk het beschikbaar
maken en houden van betaalbare koopwoningen. Zonder de voorgestelde maatregel zou
deze beleidsdoelstelling minder doeltreffend zijn, vanwege het niet van toepassing
zijn van de eigenwoningregeling.
Op grond van de Omgevingswet zijn gemeenten bevoegd om in het omgevingsplan regels
te stellen over de instandhouding van betaalbare koopwoningen. Gemeenten kunnen in
plaats van het stellen van regels ook een vergelijkbare privaatrechtelijke regeling
treffen over de bouw en instandhouding van betaalbare koopwoningen met een ontwikkelaar,
die doorwerkt naar opvolgende kopers. De regeling voor betaalbare koop onder de Omgevingswet
wordt gecontinueerd in het ontwerpbesluit versterking regie volkshuisvesting. Het
ontwerpbesluit voorziet daarbij in een harmonisering van de regeling voor instandhouding
met dit wetsvoorstel om kopers rechtszekerheid te bieden over de hypotheekrenteaftrek.
Met dit wetsvoorstel wordt geregeld dat woningen verkregen onder een betaalbare koopregeling
als bedoeld in artikel 7 van de Huisvestingswet 2014 ook kunnen voldoen aan de voorwaarden
om in aanmerking te komen voor hypotheekrenteaftrek.
Een overeenkomst tussen een gemeente en ontwikkelaar waarmee de instandhouding van
betaalbare koopwoningen wordt verzekerd, kan een vorm van gebonden eigendom opleveren
die ook opvolgende eigenaren raakt. Een dergelijke regeling levert alleen een eigen
woning op als de privaatrechtelijke regeling de eigendom onder dezelfde voorwaarden
reguleert als de betaalbare koopregeling zoals die wordt geharmoniseerd met het ontwerpbesluit
versterking regie volkshuisvesting. Ik ben niet bekend met andere private vormen van
maatschappelijk gebonden eigendom waarbij de tweede of opvolgende koper in dezelfde
positie verkeert. Bij de verkoop onder voorwaarden van een MGE-woning5 wordt doorgaans van tevoren om akkoord voor de eigenwoningregeling gevraagd. Daar
komt niet een dergelijke instandhoudingstermijn voor. Als partijen de woningen blijvend
betaalbaar willen houden, kiezen ze voor andere instrumenten. Bijvoorbeeld een terugkoopregeling
waarna de woning weer met korting aan een nieuwe koper wordt aangeboden. Partijen
zorgen er dan voor dat de waardeontwikkeling de nieuwe koper voor 50% of meer aangaat.
De leden van de fractie van JA21 vragen verder waarom een koper wiens neerwaartse
risico is afgeschermd recht heeft op toepassing van de volledige renteaftrek, terwijl
sprake is van een gedeeld en deels afgeroomd eigendomsrendement en hoe zich dit verhoudt
tot de bestaansreden van de 50%-eis. In het ontwerpbesluit versterking regie volkshuisvesting
zijn regels gesteld over de instandhouding van een betaalbare koopwoning gedurende
een vast te stellen termijn. Voor de eigenaar geldt gedurende deze termijn een maximumverkoopprijs.
De regeling omvat geen bescherming tegen waardedaling ofwel een afroming van de verkoopprijs.
Een waardestijging van de woning komt de koper dus geleidelijk volledig toe en er
wordt geen gedeelte van de verkoopprijs betaald aan de gemeente. Het tweede onderdeel
benoemt specifiek de situatie dat sprake is van waardedaling, omdat alleen in die situatie de waardeverandering de belastingplichtige theoretisch
niet aan zou kunnen gaan.
In geval van een waardedaling, na eerdere waardestijging, zou een belastingplichtige
alsnog de woning kunnen verkopen voor een hoger bedrag dan waarvoor hij heeft gekocht.
De waardedaling gaat hem dan dus niet voldoende aan, waardoor in principe onvoldoende
sprake is van (economische) eigendom van een woning. Aangezien het kabinet deze uitwerking
ongewenst acht, wordt deze maatregel voorgesteld. In geval van enkel waardestijging
speelt dit niet.
De leden van de fractie van JA21 hebben daarnaast vragen over de uitvoerbaarheid en
de handhaving. De Belastingdienst zal de controle op naleving van de voorwaarden op
dezelfde manier gaan uitvoeren als voor andere bepalingen in de eigenwoningregeling.
Daarbij zal als uitgangspunt gelden dat een belastingplichtige die aftrekbare eigenwoningrente
en kosten van geldleningen in verband met de betaalbare koopwoning in aanmerking wil
nemen, daarbij dan ook aannemelijk moet kunnen maken dat de woning voldoet aan de
voorwaarden om deze aan te merken als eigen woning. De Belastingdienst voorkomt oneigenlijk
gebruik van fiscale regelingen door gebruik te maken van verschillende handhavingsinstrumenten.
Dat zal ook gaan gelden voor de aanpassingen in de eigenwoningregeling voor de betaalbare
koopwoningen. Aanbieders van betaalbare koopwoningen kunnen overigens vooraf zekerheid
vragen aan de Belastingdienst over de vraag of de koper (en eventuele volgende kopers)
voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de eigenwoningregeling gezien de vormgeving
van de koopovereenkomst.
De leden van de fractie van JA21 vragen ten aanzien van de budgettaire effecten hoe
dat zich verhoudt tot het waarborgen van de hypotheekrenteaftrek voor een categorie
woningen die met de invoering van de betaalbarekoopregeling in omvang zal toenemen.
De eventuele toename van de categorie woningen die onder de betaalbarekoopregeling
valt zal niet zorgen voor een budgettair effect omdat bij het alternatief, namelijk
reguliere koopwoningen, ook recht bestaat op hypotheekrenteaftrek. Verder vragen de
leden van de fractie van JA21 of de nul raming op de aanname berust dat deze woningen
zonder regulering eveneens als eigen woning zouden kwalificeren. Het klopt dat de
nul raming berust op deze aanname omdat het onderhavige wetsvoorstel voor een groot
deel het bestaande hardheidsclausulebeleid waarbij deze woningen als eigen woning
kwalificeren codificeert. Tot slot vragen de leden van de fractie van JA21 of de regering
de verwachte omvang van de doelgroep en het daarmee gemoeide meerjarige beslag aan
hypotheekrenteaftrek kan kwantificeren. Uit de antwoorden op de voorgaande vragen
volgt dat er geen sprake is van een meerjarige derving.
De leden van de fractie van JA21 vragen naar de inwerkingtreding van de Wet versterking
regie volkshuisvesting. Beoogd is dat het Wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting
in werking treedt op 1 juli a.s. Het ontwerpbesluit versterking regie volkshuisvesting
voorziet in harmonisering van de regeling voor instandhouding van betaalbare koopwoningen
met de regeling in dit wetsvoorstel. Beoogd is dat dit ontwerpbesluit in werking treedt
op 1 januari 2027. Voor zover bestaande situaties daarvoor aanleiding geven beziet
het kabinet, mede in overleg met de VNG, of daarvoor een passende oplossing nodig
en mogelijk is.
2.2 Maatregelen op pensioen- en lijfrentegebied
De leden van de fractie van de VVD stellen verschillende vragen over het in het verleden
opgebouwde pensioen in eigen beheer van directeur-grootaandeelhouders en dan met name
gericht op de situatie waarbij zogenoemde pensioen-bv’s onvoldoende vermogen hebben
om toekomstige pensioenverplichtingen volledig na te komen. Deze leden vragen of deze
situatie van onvoldoende vermogen ertoe kan leiden dat het opgebouwde pensioenkapitaal
wordt aangewend voor administratieve lasten van pensioen-bv’s in plaats van voor de
oudedagsvoorziening en of dit wenselijk is. Ook vragen deze leden of het kabinet onderzoek
wil doen naar een fiscaal geruisloze overdracht van het resterende pensioenkapitaal
naar een professionele uitvoerder en daarbij kan ingaan op de budgettaire, uitvoerings-
en rechtstatelijke aspecten van een dergelijke oplossing.
Met de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen6 is per 1 april 2017 een einde gekomen aan de mogelijkheid om een pensioen in eigen
beheer op te bouwen. Dit onder andere vanwege de administratieve lasten van het in
stand houden van een besloten vennootschap (bv) waarin pensioen in eigen beheer is
ondergebracht. Op grond van deze wet was het mogelijk om in de jaren 2017, 2018 en
2019 het opgebouwde pensioen in eigen beheer (1) af te kopen met een korting, (2) om
te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting (die kan worden afgestort
naar een lijfrente bij een professionele aanbieder) of (3) in stand te laten als pensioen
in eigen beheer (waarbij het niet mogelijk is nog verder pensioen in eigen beheer
op te bouwen). Directeur-grootaandeelhouders en hun adviseurs hebben in de jaren 2017,
2018 en 2019 de gelegenheid gehad hierin een keuze te maken. Als destijds niet is
gekozen voor een afkoop van het pensioen of het omzetten in een oudedagsverplichting
van het pensioen, is er nog steeds sprake van een pensioen in eigen beheer waarvoor
overgangsrecht is getroffen. In de situatie dat er onvoldoende vermogen is in de pensioen-bv
kan op grond van het overgangsrecht van de Wet LB 1964 op de ingangsdatum van het
pensioen een deel van het pensioen worden prijsgegeven. Het Centraal Aanspreekpunt
Pensioenen van de Belastingdienst heeft hierover een vraag en antwoord gepubliceerd
waarin dit nader is uitgewerkt.7 Als een pensioen in eigen beheer in het geheel niet langer voor verwezenlijking vatbaar
is kan hiervan worden afgezien zonder fiscale gevolgen. Dit is eveneens in een vraag
en antwoord gepubliceerd op de website van het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van
de Belastingdienst.8 Het overdragen van een pensioen in eigen beheer (tweede pijler pensioenproduct) naar
een lijfrente (derde pijler pensioenproduct) is niet mogelijk. Voor een «gewone» werknemer
is het ook niet mogelijk om vermogen opgebouwd in een pensioenproduct over te dragen
naar een lijfrenteproduct. Een pensioen en een lijfrente zijn verschillende typen
oudedagsvoorzieningen waarvoor verschillende wettelijke kaders gelden. Het is wel
mogelijk om een pensioen in eigen beheer over te dragen naar een professionele pensioenuitvoerder.
Het kabinet heeft geen inzicht in de beschikbare pensioenproducten hiervoor bij professionele
pensioenuitvoerders. Overigens kan de situatie dat een pensioen-bv op een bepaald
moment onvoldoende vermogen heeft om de toekomstige pensioenverplichtingen na te komen
ook tijdelijk zijn. Bijvoorbeeld door beleggingsverliezen die mogelijk later goed
gemaakt kunnen worden. De administratieve lasten die samenhangen met het hebben van
een pensioen-bv kunnen inderdaad drukken op het beschikbare vermogen van de pensioen-bv.
Hierbij geldt wel dat er voor de uitvoering van een pensioenregeling, ook bij een
professionele uitvoerder, uitvoeringskosten zijn. Gelet op het vorenstaande waarbij
er in de jaren 2017, 2018 en 2019 een keuze gemaakt kon worden met betrekking tot
het pensioen in eigen beheer en de huidige mogelijkheden van het gedeeltelijk of geheel
prijsgeven van het pensioen in eigen beheer, ziet het kabinet geen aanleiding onderzoek
te doen naar het opnieuw mogelijk maken van een fiscaal geruisloze overdracht van
pensioen in eigen beheer naar een professionele lijfrenteaanbieder. Met betrekking
tot de budgettaire- en uitvoeringsaspecten is op dit moment geen raming of informatie
beschikbaar om hierover een inschatting te geven.
De leden van de fractie van de VVD stellen verschillende vragen over het in het verleden
opgebouwde pensioen in eigen beheer van directeur-grootaandeelhouders en dan met name
gericht op de situatie waarbij zogenoemde pensioen-bv’s onvoldoende vermogen hebben
om toekomstige pensioenverplichtingen volledig na te komen. Deze leden vragen of deze
situatie van onvoldoende vermogen ertoe kan leiden dat het opgebouwde pensioenkapitaal
wordt aangewend voor administratieve lasten van pensioen-bv’s in plaats van voor de
oudedagsvoorziening en of dit wenselijk is. Ook vragen deze leden of het kabinet onderzoek
wil doen naar een fiscaal geruisloze overdracht van het resterende pensioenkapitaal
naar een professionele uitvoerder en daarbij kan ingaan op de budgettaire, uitvoerings-
en rechtstatelijke aspecten van een dergelijke oplossing.
Met de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen9 is per 1 april 2017 een einde gekomen aan de mogelijkheid om een pensioen in eigen
beheer op te bouwen. Dit onder andere vanwege de administratieve lasten van het in
stand houden van een besloten vennootschap (bv) waarin pensioen in eigen beheer is
ondergebracht. Op grond van deze wet was het mogelijk om in de jaren 2017, 2018 en
2019 het opgebouwde pensioen in eigen beheer (1) af te kopen met een korting, (2) om
te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting (die kan worden afgestort
naar een lijfrente bij een professionele aanbieder) of (3) in stand te laten als pensioen
in eigen beheer (waarbij het niet mogelijk is nog verder pensioen in eigen beheer
op te bouwen). Directeur-grootaandeelhouders en hun adviseurs hebben in de jaren 2017,
2018 en 2019 de gelegenheid gehad hierin een keuze te maken. Als destijds niet is
gekozen voor een afkoop van het pensioen of het omzetten in een oudedagsverplichting
van het pensioen, is er nog steeds sprake van een pensioen in eigen beheer waarvoor
overgangsrecht is getroffen. In de situatie dat er onvoldoende vermogen is in de pensioen-bv
kan op grond van het overgangsrecht van de Wet LB 1964 op de ingangsdatum van het
pensioen een deel van het pensioen worden prijsgegeven. Het Centraal Aanspreekpunt
Pensioenen van de Belastingdienst heeft hierover een vraag en antwoord gepubliceerd
waarin dit nader is uitgewerkt.10 Als een pensioen in eigen beheer in het geheel niet langer voor verwezenlijking vatbaar
is kan hiervan worden afgezien zonder fiscale gevolgen. Dit is eveneens in een vraag
en antwoord gepubliceerd op de website van het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van
de Belastingdienst.11 Het overdragen van een pensioen in eigen beheer (tweede pijler pensioenproduct) naar
een lijfrente (derde pijler pensioenproduct) is niet mogelijk. Voor een «gewone» werknemer
is het ook niet mogelijk om vermogen opgebouwd in een pensioenproduct over te dragen
naar een lijfrenteproduct. Een pensioen en een lijfrente zijn verschillende typen
oudedagsvoorzieningen waarvoor verschillende wettelijke kaders gelden. Het is wel
mogelijk om een pensioen in eigen beheer over te dragen naar een professionele pensioenuitvoerder.
Het kabinet heeft geen inzicht in de beschikbare pensioenproducten hiervoor bij professionele
pensioenuitvoerders. Overigens kan de situatie dat een pensioen-bv op een bepaald
moment onvoldoende vermogen heeft om de toekomstige pensioenverplichtingen na te komen
ook tijdelijk zijn. Bijvoorbeeld door beleggingsverliezen die mogelijk later goed
gemaakt kunnen worden. De administratieve lasten die samenhangen met het hebben van
een pensioen-bv kunnen inderdaad drukken op het beschikbare vermogen van de pensioen-bv.
Hierbij geldt wel dat er voor de uitvoering van een pensioenregeling, ook bij een
professionele uitvoerder, uitvoeringskosten zijn. Gelet op het vorenstaande waarbij
er in de jaren 2017, 2018 en 2019 een keuze gemaakt kon worden met betrekking tot
het pensioen in eigen beheer en de huidige mogelijkheden van het gedeeltelijk of geheel
prijsgeven van het pensioen in eigen beheer, ziet het kabinet geen aanleiding onderzoek
te doen naar het opnieuw mogelijk maken van een fiscaal geruisloze overdracht van
pensioen in eigen beheer naar een professionele lijfrenteaanbieder. Met betrekking
tot de budgettaire- en uitvoeringsaspecten is op dit moment geen raming of informatie
beschikbaar om hierover een inschatting te geven.
De leden van de fractie van PRO vragen naar de achtergrond van de bepaling die regelt
dat een aanspraak ingevolge een pensioenregeling «onzuiver» kan worden. In verband
hiermee vragen deze leden of het klopt dat een pensioenregeling onzuiver wordt bij
het niet op tijd voldoen aan het gewijzigde wettelijk kader van de Wet toekomst pensioenen.
Ook vragen deze leden om enkele voorbeelden van situaties waarin een pensioenregeling
onzuiver wordt en dan in het bijzonder in relatie tot de transitie naar het nieuwe
pensioenstelsel.
Artikel 19b Wet LB 1964 omvat de bepalingen met betrekking tot de onregelmatige/oneigenlijke
(«onzuivere») afwikkeling van pensioenaanspraken van de werknemer of, indien deze
is overleden, van de gerechtigde tot de aanspraak op pensioen (partner/kinderen).
Deze bepaling is ingevoerd met ingang van 1 januari 1995 (eerst als artikel 11c Wet
LB 1964; later is deze bepaling vernummerd tot artikel 19b Wet LB 1964). Het doel
van deze bepaling is om de fiscale claim op het pensioen zoveel mogelijk veilig te
stellen. Voor de opbouw van pensioen geldt namelijk de omkeerregel. Dat betekent dat
de aanspraak op een pensioen onbelast is en de uitkering belast. Gelet op deze fiscale
facilitering van het pensioen (de uitgestelde belastingclaim) is het wel de bedoeling
dat het pensioen blijft voldoen aan de wettelijke fiscale kaders. Daarom bepaalt artikel
19b Wet LB 1964 dat als gevolg van een oneigenlijke («onzuivere») handeling de aanspraak
op pensioen op het onmiddellijk aan die oneigenlijke handeling voorafgaande tijdstip
wordt aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking en als zodanig in de belastingheffing
wordt betrokken. Die aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt dan aangemerkt
als «onzuiver».
Het klopt dat artikel 19b Wet LB 1964 van toepassing is als een pensioenregeling niet
tijdig wordt aangepast aan het fiscale kader van de Wet toekomst pensioenen. Ook bij
eerdere aanpassingen van het fiscale kader zoals de verhoging van de pensioenleeftijd
en het beperken van de maximale pensioenopbouw gold artikel 19b Wet LB 1964. Bij een
wijziging van de fiscale pensioenregels geldt er in het algemeen allereerst een overgangstermijn.
Dat is ook zo voor de wijzigingen vanwege de Wet toekomst pensioenen. Tot 1 januari
2028 kan een pensioenregeling worden aangepast. Wanneer een pensioenregeling daarna,
door het uitblijven van de tijdige aanpassing, in fiscale zin niet langer als een
pensioenregeling is aan te merken, worden de aanspraken ingevolge die regeling op
dat moment fiscaal onzuiver. Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst
heeft dit uitgelegd in een memo.12 In dat memo worden ook handvatten gegeven hoe fiscale onzuiverheid voorkomen kan
worden.
Voorbeelden van situaties waarin een pensioenregeling onzuiver wordt, in het bijzonder
in relatie tot de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel, zijn onder andere (niet
uitputtend):
1. Een pensioenregeling is niet langer ondergebracht bij een toegelaten verzekeraar.
Dit doet zich bijvoorbeeld voor als de pensioenovereenkomst tussen werkgever en werknemer
ongewijzigd doorloopt en de verzekeraar zegt de uitvoeringsovereenkomst op omdat de
werkgever verzuimt om de pensioenregeling aan te passen aan het gewijzigde kader van
de Wet toekomst pensioenen. De pensioenovereenkomst tussen werkgever en werknemer
loopt dan door zonder dat deze is ondergebracht bij een toegelaten pensioenuitvoerder.
De aanspraak ingevolge die regeling wordt dan fiscaal onzuiver.
2. Een pensioenregeling wordt niet aangepast waardoor er wordt afgeweken van de voorwaarden
die in de fiscale wet- en regeling aan pensioenregelingen zijn gesteld. Deze situatie
is vergelijkbaar met het onder punt 1 genoemde. Als een pensioenregeling niet wordt
aangepast en daardoor niet blijft binnen het fiscale kader van de Wet toekomst pensioenen
dan wordt de aanspraak ingevolge een dergelijke regeling onzuiver.
Een pensioenregeling wordt verkeerd aangepast zodat wordt afgeweken van de voorwaarden
die in de fiscale wet- en regeling aan pensioenregelingen zijn gesteld. Overigens
kan dit worden voorkomen door de inhoudingsplichtige tijdig (voor 1 januari 2028,
maar voor de invoering van de gewijzigde pensioenregeling) een artikel 19c-beschikking
aan te laten vragen bij Belastingdienst. De regeling wordt dan beoordeeld door de
Belastingdienst. Mochten er onjuistheden in de regeling zijn opgenomen dan wordt de
tijd gegeven dit te corrigeren zonder dat de aanspraak ingevolge de regeling onzuiver
wordt.
De leden van de fractie van PRO vragen waarom gekozen wordt voor het opnemen van voorwaarden
in een ministeriële regeling in plaats van de wet. De delegatiegrondslag die wordt
voorgesteld in het voorliggende wetsvoorstel waarbij bij ministeriële regeling voorwaarden
gesteld kunnen worden, ziet alleen op het overschrijden van de uiterste ingangsdatum
van de pensioenuitkering. Het gaat dus niet om het stellen van voorwaarden in het
algemeen voor de toepassing van artikel 19b Wet LB 1964. Vanuit de uitvoeringspraktijk
van met name pensioenfondsen is het signaal ontvangen dat deelnemers aan pensioenregelingen
met vooral kleine pensioenen vergeten om het pensioen aan te vragen. Pensioenuitvoerders
stellen van alles in het werk om deze deelnemers op te sporen. Dat lukt echter lang
niet altijd. Het gevolg van het te laat ingaan van de pensioenuitkering is dat de
pensioenaanspraak van die deelnemers onzuiver wordt. Om die onzuiverheid te voorkomen
worden in samenspraak met de uitvoeringspraktijk vooral administratieve voorwaarden
gesteld waaronder het pensioen toch zonder fiscaal onzuiver te worden na de wettelijke
uiterste ingangsdatum kan ingaan. Een ministeriële regeling is bedoeld voor het stellen
van dergelijke vooral administratieve voorwaarden. Vandaar dat is gekozen voor het
opnemen van deze voorwaarden in een ministeriële regeling. Daarnaast kan een ministeriële
regeling snel worden aangepast mocht het nodig zijn deze voorwaarden bij te stellen.
De leden van de fracties van het CDA en JA21 stellen verschillende vragen over de
inhoud van de ministeriële regeling waarin de voorwaarden worden uitgewerkt. Deze
leden vragen wanneer de ministeriële regeling wordt uitgewerkt, hoe het kabinet de
voorwaarde voor zich ziet wanneer iemand «voldoende bereikbaar» is, welke inspanningen
pensioenuitvoerders moeten verrichten, of een concept van de voorgenomen regeling
kan worden verstrekt, of de regeling alle gevallen omvat waarin een deelnemer buiten
zijn schuld onbereikbaar is geweest en de redelijkheid van de voorwaarde van in leven
zijn op het moment van het aanvragen van het pensioen.
Het is de bedoeling dat de ministeriële regeling in werking treedt per 1 januari 2027
mits het voorliggende wetsvoorstel door het parlement wordt aangenomen. Als bijlage
bij deze beantwoording is de concept-regeling opgenomen inclusief de toelichting hierop.
In deze toelichting wordt antwoord gegeven op de vragen over bereikbaarheid van de
deelnemer en de inspanningsverplichtingen van pensioenuitvoerders. Ook wordt ingegaan
op het laten vervallen van de voorwaarde bij in leven zijn bij het opvragen van het
pensioen. Kortheidshalve wordt daarom voor deze vragen verwezen naar deze toelichting.
De leden van de fractie van JA21 vragen of het kabinet heeft overwogen de achterstallige
termijnen toe te rekenen aan de verstreken jaren in plaats van deze in één keer in
het lopende jaar in de belastingheffing te betrekken. Ook vragen deze leden of het
progressienadeel en mogelijk verlies van toeslagen dat kan fungeren als prikkel om
het pensioen tijdig aan te vragen, wel moet gelden voor deelnemers die de overschrijding
van de uiterste ingangsdatum niet kon voorkomen.
Bij de uitwerking van de voorgestelde regeling is nagedacht of verschil kan worden
gemaakt tussen deelnemers die te goeder trouw zijn en deelnemers die dat niet zijn.
In de uitvoeringspraktijk is dat onderscheid echter niet te maken. Dat zou een vrij
subjectieve en arbeidsintensieve beoordeling vergen die doorgaans ook niet in verhouding
zal staan tot het beperkte belang dat ermee is gemoeid. Het gaat in de regel namelijk
om kleine pensioenen. Vandaar dat een generieke regeling wordt voorgesteld. Om toch
een prikkel te behouden het pensioen tijdig aan te vragen geldt dat als het pensioen
te laat wordt aangevraagd de «achterstallige» pensioenuitkeringen in één keer in het
lopende jaar in de belastingheffing worden betrokken. Daarmee wordt ook voorkomen
dat de voorgestelde versoepeling wordt gebruikt om hogere pensioenenuitkeringen bewust
later te laten ingaan dan de wettelijke uiterste ingangsdatum. Het is niet de bedoeling
dat de voorgestelde versoepeling dergelijk calculerend gedrag in de hand zou werken.
Daarnaast is het toerekenen van de pensioenuitkeringen aan de verstreken jaren complexiteitsverhogend
in de uitvoering. Met de voorgestelde regeling wordt in overleg met de uitvoeringspraktijk
tegemoet gekomen aan onevenredige zware heffingen maar blijft er wel een prikkel om
het pensioen – conform het wettelijk uitgangspunt – tijdig aan te vragen.
De leden van de fractie van JA21 vragen het kabinet te bevestigen dat het hanteren
van terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026 van de afkoopdatum van lijfrenten,
zoals voorgesteld in artikel II van het voorliggende wetsvoorstel, voor geen enkele
belastingplichtige belastend uitwerkt. De bepaling die het betreft ziet op de uiterste
ingangsdatum van een lijfrente die onder het overgangsrecht valt van de Invoeringswet
Wet inkomstenbelasting 2001. Als een dergelijke lijfrente niet op die uiterste ingangsdatum
is ingegaan dan wordt deze geacht te zijn afgekocht op 31 december van een jaar. Vanwege
uitvoeringstechnische redenen wordt dit verplaatst naar 1 januari van het daaropvolgende
jaar. Hierbij wordt aangesloten bij gewone lijfrenten die onder de Wet IB 2001 vallen
en waarvoor dit per 1 januari 2026 is aangepast. Het is voor uitvoerders van lijfrenten
niet goed mogelijk om te werken met verschillende renseigneringsmomenten. Het jaar
waarin de lijfrente wordt belast verschuift door deze maatregel naar een jaar later.
Deze maatregel heeft geen gevolgen voor de belastbaarheid van de lijfrenten.
2.3 Afschaffing eerstedagsmelding
De leden van de JA21-fractie moedigen de regering aan naar aanleiding van de afschaffing
van de eerstedagsmelding om opschoning door te zetten en deze leden vragen of de regering
een breder beeld heeft van vergelijkbare in onbruik geraakt fiscale bepalingen die
zij in komende verzamelwetten kan schrappen. In de Strategische Agenda die op 15 juni jl.
naar uw Kamer is verzonden heb ik toegelicht dat vereenvoudiging van het stelsel één
van mijn prioriteiten is. In dit kader wordt breed gekeken naar maatregelen die hieraan
kunnen bijdragen. Fiscale bepalingen die niet meer worden gebruikt of geen nut hebben,
kunnen hierin een plek krijgen. Recent is het Ministerie van Financiën een internetconsultatie
gestart over de vereenvoudiging van winstbelastingen (winst uit onderneming in box
1 (inkomstenbelasting), vennootschapsbelasting, dividendbelasting en bronbelasting).
Hierbij zijn ondernemers, bedrijven, adviseurs, brancheorganisaties en andere belanghebbenden
uitgenodigd ervaringen te delen over winstbelastingen en procedures die in de praktijk
leiden tot complexiteit of administratieve lasten. Ook heeft het kabinet de taskforce
«Slagvaardige Overheid» gelanceerd bestaande uit onder andere het vereenvoudigen van
beleid en regelgeving.
2.4 Aanpassing afdrachtsvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk
De leden van de fractie van D66 vragen het kabinet om toe te lichten waarom is gekozen
voor een eenmalige aanpassing van het forfaitaire uurloon voor de afdrachtvermindering
S&O en niet voor een periodieke herijking of indexatie.
Uit de recente evaluatie en andere onderzoeken van de afgelopen jaren is gebleken
dat het forfaitaire uurloon, dat al sinds 2008 € 29 bedraagt, lager is dan het werkelijke
gemiddelde uurloon van WBSO-gebruikers. In de evaluatie is dan ook de aanbeveling
gedaan om het forfaitaire uurloon te verhogen om het meer in de pas te laten lopen
met de werkelijke loonkosten. Het voorgestelde verhoogde uurloon ligt dicht bij de
mediaan van het berekende S&O-uurloon en net onder het gemiddelde berekende S&O-uurloon.
Gelet op het feit dat het forfaitaire uurloon voor de afdrachtvermindering S&O al
18 jaar niet meer is aangepast, wil het kabinet op korte termijn een inhaalslag maken
op dit punt. Een periodieke indexatie van het forfaitaire uurloon kan op termijn overwogen
worden. Een periodieke indexatie kost echter wel geld en kan daardoor gevolgen hebben
voor de budgetten van de WBSO.
De leden van de fractie van D66 vragen waarom het kabinet niet heeft gekozen voor
een vaststelling van het forfaitaire uurloon bij ministeriële regeling.
Zoals hierboven aangegeven was er het kabinet veel aangelegen om op zo kort mogelijke
termijn gehoor te geven aan de aanbeveling uit de evaluatie van de WBSO om het forfaitaire
uurloon meer te laten aansluiten bij de werkelijke loonkosten. Om die reden is gekozen
voor een eenmalige inhaalslag met een verhoging van € 4 van het forfaitaire uurloon.
Een aanpassing van het forfaitaire uurloon bij ministeriële regeling is op dit moment
niet mogelijk aangezien een wettelijke delegatiegrondslag daarvoor ontbreekt. Indien
uw Kamer dat wenst, kan op termijn de vaststelling van het forfaitaire uurloon worden
toegevoegd aan de zaken die door de Minister van Economische Zaken en Klimaat bij
ministeriële regeling kunnen worden vastgesteld, zoals dat nu al het geval is voor
de percentages van de afdrachtvermindering en de schijflengte.
De leden van de fractie van D66 lezen in de evaluatie van de WBSO dat wordt aanbevolen
te verkennen of een incrementeel element kan worden toegevoegd aan de regeling en
te onderzoeken hoe het S&O-begrip beter kan aansluiten bij de R&D-praktijk van bedrijven.
De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet deze analyse deelt en welke
van deze aanbevelingen zij bereid zijn te onderzoeken.
Zoals aangekondigd in de kabinetsreactie op de evaluatie, worden alle aanbevelingen
die zijn gedaan in het evaluatierapport verder verkend. Eventuele aanpassingen naar
aanleiding hiervan worden aangekondigd in de jaarlijkse Kamerbrief over de WBSO die
op Prinsjesdag wordt verstuurd. Nader onderzoek naar het verschil in omvang tussen
R&D (zoals gemeten door het CBS) en S&O binnen de WBSO, zoals aanbevolen in de evaluatie,
wordt momenteel uitgevoerd.
De leden van de fractie van D66 vragen ook hoe het staat met de motie van het lid
Van Eijk c.s. over een oplossing uitwerken voor de verzilveringsproblemen in de WBSO
(Kamerstuk 36 812, nr. 77). In samenwerking met de Minister van Economische Zaken en Klimaat worden op dit
moment alle aanbevelingen uit de recente evaluatie van de WBSO nader verkend. In dit
traject worden ook de moties die zijn ingediend bij de behandeling van het Belastingplan
2026 meegenomen. Het kabinet informeert uw Kamer over de uitkomsten en beleidsrichtingen
in de jaarlijkse WBSO-Prinsjesdagbrief.
De leden van de fractie van de VVD vragen het kabinet nader toe te lichten welke monitoring
zal plaatsvinden om te waarborgen dat de verhoging van het forfaitaire uurloon niet
leidt tot nieuwe perverse prikkels of ongewenste constructies en of het kabinet bereid
is de effecten van deze wijziging na invoering te evalueren en de Kamer te informeren
als blijkt dat aanvullende maatregelen nodig zijn om misbruik of oneigenlijk gebruik
te voorkomen. De leden van de fractie van PRO lezen dat het voorgestelde forfaitaire
uurloon van € 33 «dicht op de mediaan ligt van het berekende S&O-uurloon». De leden
van de fractie van PRO vragen of het klopt dat daarmee in ongeveer de helft van de
gevallen in werkelijkheid een lager uurloon wordt betaald en het voor veel bedrijven
dus aantrekkelijk is om nieuwe entiteiten voor S&O op te richten en forfaitair van
de afdrachtvermindering gebruik te maken, zoals de RVO aangeeft.
Het forfaitair uurloon wordt gebruikt om de WBSO-afdrachtvermindering voor nieuwe
gebruikers en nieuwe juridische entiteiten (bv’s) te berekenen in de eerste twee jaar
dat zij gebruik maken van de WBSO. Van deze bedrijven zijn nog geen werkelijke loongegevens
beschikbaar om een gemiddeld S&O-uurloon mee te berekenen, dat vervolgens gebruikt
wordt om de hoogte van de afdrachtsvermindering van een toegekende aanvraag vast te
stellen. Het forfaitair uurloon is dan ook geen forfait dat door bedrijven gekozen
kan worden en heeft geen effect op de administratieve lasten. Gezien het feit dat
het forfaitair uurloon sinds 2008 niet is verhoogd en loonstijgingen daarentegen aanzienlijk
geweest zijn de afgelopen jaren, wordt de kans erg laag geacht dat deze aanpassing
tot misbruik zal leiden in de vorm van bestaande WBSO-gebruikers die iedere twee jaar
een nieuwe bv oprichten en hun S&O-activiteiten daarin onderbrengen. Het Ministerie
van EZK monitort met RVO doorlopend of er zich ontwikkelingen voordoen die wijzen
op een toename in oneigenlijk gebruik of fraude. Tevens wordt met de periodieke evaluatie
de WBSO als geheel geëvalueerd en dus ook (het effect van wijzigingen van) het forfaitair
uurloon.
De leden van de fractie van PRO vragen of het niet verstandiger zou zijn om voor een
lager percentiel te kiezen en om welk uurloon het bijvoorbeeld zou gaan als gekozen
wordt voor het 25e percentiel. De leden van de fractie van het CDA vragen om een nadere onderbouwing
van de € 33 en hoe dit goed genoeg aansluit op de actuele praktijk. De leden van de
fractie van JA21 vragen het kabinet om toe te lichten hoe het verhoogde forfait zich
na achttien jaar loonontwikkeling verhoudt tot het feitelijke gemiddelde uurloon en
of met deze verhoging een realistische benadering wordt bereikt. Inherent aan een
forfait is dat altijd een deel van de gebruikers hier voordeel van zal hebben en dat
een ander deel hier nadeel van zal ondervinden. Het forfaitaire uurloon van € 33 is
gekozen omdat dit net onder de mediaan en onder het gemiddelde van het werkelijk berekende
uurloon van WBSO-gebruikers ligt. Dit zijn dus de mediaan en het gemiddelde uurloon
van WBSO-gebruikers uit de actuele praktijk, nadat zij na twee jaar zijn overgegaan
van het forfaitair uurloon naar een berekend S&O-uurloon op basis van hun eigen loongegevens.
In 2024 lag het berekende uurloon in het eerste jaar na het forfait gemiddeld € 6,30
hoger dan het forfaitaire uurloon van € 29. In de nieuwe situatie is het forfaitair
uurloon waarmee de eerste jaren de WBSO-afdrachtvermindering wordt berekend voor meer dan de helft van de gebruikers lager dan hun
berekende S&O-uurloon waar na twee jaar hun afdrachtvermindering mee wordt berekend.
Bij gebruik van het 25e percentiel zou het forfaitair uurloon voor driekwart van de gebruikers lager zijn
dan hun berekende uurloon. Dan zou het forfaitair uurloon van € 29 gehandhaafd moeten
worden. Doel van de WBSO is het stimuleren van meer S&O-activiteiten. Door het forfaitair
uurloon niet te laag in te steken wordt er aan een meerderheid van de nieuwe WBSO-gebruikers
een prikkel gegeven die gemiddeld beter aansluit bij de prikkel die wordt gegeven
aan bedrijven die al meer dan twee jaar van de WBSO gebruik maken.
De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de uitvoering van de aangenomen motie
Inge van Dijk/Van Eijk (Kamerstuk 32 140, nr. 297), die de regering verzoekt concrete vereenvoudigingsvoorstellen uit te werken voor
fiscale regelingen met hoge administratieve lasten zoals de WBSO verloopt en of het
kabinet kan aangeven hoe de administratieve lasten van de WBSO zich de afgelopen vijf
jaar hebben ontwikkeld. Voorts vragen de leden van de fractie van de VVD of het kabinet
al kan aangeven welke mogelijkheden zij ziet om, in het kader van de aangenomen motie,
de verantwoordingslasten voor bedrijven met een aantoonbaar goede nalevingshistorie
te verminderen, bijvoorbeeld door meer risicogericht toezicht, een grotere rol voor
bestaande projectadministratiesystemen of vereenvoudigde urenregistratie. De leden
van de fractie van de VVD vragen ook welke effecten dergelijke maatregelen zouden
hebben op de uitvoerbaarheid, controleerbaarheid en het budgettaire beslag van de
regeling.
In samenwerking met de Minister van Economische Zaken en Klimaat worden op dit moment
alle aanbevelingen uit de recente evaluatie van de WBSO nader verkend. In dit traject
worden ook de moties die zijn ingediend bij de behandeling van het Belastingplan 2026
meegenomen. Het kabinet informeert uw Kamer over de uitkomsten en beleidsrichtingen
in de jaarlijkse WBSO-Prinsjesdagbrief. Hierbij wordt ook inzicht verstrekt in de
gemaakte afwegingen, waarin uitvoerbaarheid door RVO en Belastingdienst en budgetbeslag
belangrijke overwegingen zijn. Maatregelen gericht op het verminderen van administratieve
lasten zullen altijd een uitruil met minder gedetailleerde verantwoording betekenen.
Er zijn geen wijzigingen geweest in de regeling die effect hadden op de administratieve
lasten van de WBSO in de afgelopen vijf jaar.
Ten slotte vragen de leden van de fractie van de VVD-of de regering kan toelichten
welke maatregelen worden genomen om de uniformiteit van beoordelingen binnen de uitvoeringspraktijk
te vergroten. Zij vragen ook of wordt onderzocht of een vorm van vooroverleg, quick-scan
of andere laagdrempelige voorafgaande toetsing kan bijdragen aan meer duidelijkheid
voor bedrijven voordat zij omvangrijke ontwikkeltrajecten starten.
Het is staand beleid dat iedere nieuwe aanvrager van de WBSO gebeld wordt door een
WBSO-adviseur van RVO voor een introductiegesprek en nadere toelichting. Online biedt
RVO een interactieve procesplaat aan waarin iedere stap van aanvraag tot mededeling
en benodigde administratie wordt toegelicht. Onderdeel hiervan is ook de WBSO-wijzer,
een rekenhulp voor een indicatie van de te verwachten afdrachtvermindering. Op de
website zijn ook voorbeelden van projecten te vinden, net als in de jaarlijks uitgebrachte
WBSO-handleiding, waarmee gedetailleerd wordt toegelicht wat onder S&O valt en wat
niet. Verder is er altijd sprake van een 4-ogen principe. De adviseurs van RVO werken
in thematische teams samen om uniforme beoordeling in vergelijkbare gevallen te borgen.
Bijzondere gevallen worden ook breder besproken om uniformiteit over meerdere sectoren
te borgen. Daarnaast kunnen bedrijven altijd tussentijds of vooraf contact opnemen
met RVO bij vragen.
2.5 Samenloop onderworpenheidstoetsen in de vennootschapsbelasting en Pijler 2
De leden van de fractie van de VVD vragen of de uitspraak van het Hof van Justitie
van de Europese Unie van 26 februari 2026 in zaak C-524/23, Commissie tegen België,
waarbij ook Nederland partij was, voor de regering aanleiding vormt om de Nederlandse
wetgeving aan te passen. Zij vragen daarbij of, als dat niet het geval is, de Europese
Commissie (EC) deze Nederlandse benadering heeft goedgekeurd, dan wel of er een risico
dat de EC ook tegen Nederland een infractieprocedure zal starten. De leden van de
fractie van de VVD vragen voorts of Nederland gehouden is verrekening van buitenlandse
winstbelasting toe te staan in situaties waarin in Nederland een opwaartse verrekenprijsaanpassing
plaatsvindt. Zij vragen daarbij of belastingplichtigen zich in jaren voorafgaand aan
een eventuele wetswijziging rechtstreeks kunnen beroepen op artikel 8, zevende lid,
van de anti-belastingontwijkingsrichtlijn (ATAD). Zij vragen ook of belastingplichtigen
recht hebben op schadevergoeding op basis van de Francovich-doctrine als de ATAD-richtlijn
geen rechtstreekse werking zou hebben. Op dit moment is voor Nederland geen aanleiding
om naar aanleiding van het arrest wetgeving aan te passen of anderszins concrete gevolgen
te voorzien.1 Er is op dit moment geen reden om aan te nemen dat de EC een infractieprocedure
zou starten tegen Nederland op dit punt Het kabinet kan vanwege de vertrouwelijkheid
niet ingaan op eventuele gesprekken met de EC. Zoals in de genoemde eerdere beantwoording
van vragen is aangegeven, zijn de Nederlandse en Belgische situatie op het gebied
van CFC-implementatie niet direct vergelijkbaar. Voor Nederland geldt dat bij de implementatie
van Model A in artikel 13ab, zesde lid, Wet Vpb 1969, expliciet is voorzien in een
mogelijkheid tot verrekening conform ATAD. Voor Model B geldt dat op basis van de
thans geldende toepassing van het arm’s-lengthbeginsel het andere land in een corresponderende
neerwaartse correctie moet voorzien op basis van belastingverdragen, in het geval
Nederland tot het juiste bedrag heeft gecorrigeerd conform het arm’s-lengthbeginsel.
Dat betekent dat als in Nederland een opwaartse verrekenprijsaanpassing plaatsvindt,
het aan het andere land is om een corresponderende neerwaartse correctie in aanmerking
te nemen en daarmee (economische) dubbele belasting te voorkomen. Er is dan geen belasting
om te verrekenen. In het geval het andere land geen corresponderende neerwaartse correctie
toestaat, kan in voorkomende gevallen dubbele belasting in een onderlinge overlegprocedure
mogelijk worden opgelost. Hoewel in zijn algemeenheid geldt dat het een belastingplichtige
onder voorwaarden kan zijn toegestaan zich op de rechtstreekse werking van een richtlijn
te beroepen of in bepaalde omstandigheden de Francovich-doctrine aan de orde kan zijn,
worden hier, gelet op het voorgaande, voor Nederland geen concrete of budgettaire
gevolgen voorzien.
De leden van de fractie van PRO vragen of maatregelen zijn overwogen om het risico
van dubbele niet-heffing bij de toepassing van enkele onderworpenheidstoetsen ten
aanzien van uiteenlopende antimisbruikbepalingen te voorkomen.
In de vennootschapsbelasting zijn ten aanzien van uiteenlopende (antimisbruik)bepalingen
onderworpenheidstoetsen opgenomen, waarbij in het algemeen geldt dat voorgenoemde
(antimisbruik)bepalingen geen toepassing vinden als er sprake is van voldoende onderworpenheid.
De onderworpenheidstoetsen zijn uiteenlopend vormgegeven en kennen daarmee een zelfstandige
toepassing. In de Overige fiscale maatregelen 2025 is bij de toepassing van enkele
onderworpenheidstoetsen in algemene zin verduidelijkt dat onder een naar de winst
geheven belasting mede een kwalificerende bijheffing van de wereldwijde minimumbelasting
wordt verstaan.13 De beoordeling of sprake is van voldoende onderworpenheid in een specifiek geval
geschiedt aan de hand van een feitelijke toets. Om de bestaande effectiviteit van
deze (antimisbruik)bepalingen te waarborgen en dubbele niet-heffing te voorkomen,
is daarbij verder aangegeven dat deze verduidelijking geen betrekking heeft op de
onderworpenheidstoetsen die zien op (antimisbruik)bepalingen om mismatches tegen te
gaan die ontstaan door toepassing van verschillen tussen vennootschapsbelastingstelsels.14 Voor de vraag of voldaan wordt aan deze onderworpenheidstoetsen moet worden gekeken
of een transactie, het vermogensbestandsdeel of de entiteit in een naar de winst geheven
belasting wordt betrokken. Hiervoor zijn alleen reguliere winstbelastingen (die vergelijkbaar
zijn met de vennootschapsbelasting) in de andere staat van belang. Betrekking in het
kwalificerend inkomen voor het bepalen van een kwalificerende bijheffing van de wereldwijde
minimumbelasting als zodanig leidt er op voorhand dan ook niet toe dat per definitie
sprake is van een betrekking in een naar de winst geheven belasting.
De leden van de fractie van JA21 vragen waarom de voorgestelde wijzigingen in artikel
23c en artikel 23d Wet Vpb 1969 zijn beperkt tot de kwalificerende binnenlandse bijheffing.
Daarnaast vragen deze leden of het klopt dat een kwalificerende inkomen-inclusiemaatregel
en een kwalificerende onderbelastewinstmaatregel niet in aanmerking worden genomen
voor deze bepalingen. In het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2027 wordt voorgesteld
dat voor de deelnemingsverrekening en de verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten
onder het werkelijke bedrag aan winstbelasting mede wordt verstaan het werkelijke
bedrag aan kwalificerende binnenlandse bijheffing. Naar gelang in de bestaande toetsen
rekening wordt gehouden met eventuele maatregelen voor zogenoemde buitenlandse gecontroleerde
lichamen (CFC-maatregelen), is een onderscheid gemaakt tussen welke bijheffingen van
de wereldwijde minimumbelasting relevant zijn voor de onderworpenheidstoetsen. In
dit kader wordt met de voorgestelde wijzigingen in de deelnemingsverrekening en verrekening
bij buitenlandse ondernemingswinsten verduidelijkt dat onder een werkelijk bedrag
aan winstbelasting mede wordt verstaan het werkelijke bedrag aan kwalificerende binnenlandse
bijheffing. Met deze verduidelijking is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten aanzien
van de werking van de bestaande bepalingen en de uitleg daarvan.
De leden van de fractie van JA21 vragen hoe de verrekening in artikel 23c en artikel
23d Wet Vpb 1969 moet worden toegepast en of een kwalificerende binnenlandse bijheffing
uit het buitenland meetelt. Daarnaast vragen deze leden hoe een dergelijke bijheffing
aannemelijk moet worden gemaakt door de belastingplichtige en hoe moet worden omgegaan
met temporele verschillen.
Met de voorgestelde verduidelijkingen in de deelnemingsverrekening en de verrekening
bij buitenlandse ondernemingswinsten is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten aanzien
van de werking van de bestaande bepalingen en de uitleg daarvan. Hierbij dient de
kwalificerende binnenlandse bijheffing van de wereldwijde minimumbelasting die betrekking
heeft op de betreffende uitkering of onderneming in een jaar in een andere staat in
ogenschouw te worden genomen. Voor wat onder een kwalificerende bijheffing van de wereldwijde minimumbelasting wordt verstaan wordt verwezen naar
de Wet minimumbelasting 2024, om te waarborgen dat de maatregelen in overeenstemming
zijn met de maatregelen uit de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing15 of de OESO-modelregels. Het is hierbij in beginsel niet van belang dat de betreffende
kwalificerende binnenlandse bijheffing op een jurisdictionele basis wordt berekend
en wordt opgelegd aan een andere groepsentiteit dan de groepsentiteit die een bepaald
inkomen heeft verdiend. Het is verder in lijn met de bestaande toepassing van de betreffende
bepalingen van de deelnemingsverrekening en de verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten
dat de belastingplichtige aantoont welk bedrag aan winstbelasting in het buitenland
daadwerkelijk is betaald ter zake van de winstuitkering of de winst van de laagbelaste
buitenlandse beleggingsonderneming.
De leden van de fractie van JA21 vragen waarom voor de voorgestelde wijzigingen in
artikel 23c en artikel 23d Wet Vpb 1969 niet is gekozen voor terugwerkende kracht
en hoe dit zich verhoudt tot de stelling dat geen inhoudelijke wijziging is beoogd.
Ook vragen deze leden te bevestigen dat de voorgestelde wijzigingen in artikel 23c
en artikel 23d Wet Vpb 1969 uitsluitend begunstigend uitwerkt. In het verlengde van
de aanpassingen van de onderworpenheidtoetsen in de Overige fiscale maatregelen 2025,
wordt verduidelijkt dat onder een werkelijk bedrag aan winstbelasting mede het werkelijke
bedrag aan kwalificerende binnenlandse bijheffing wordt verstaan. Met deze verduidelijkingen
is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de werking van de deelnemingsverrekening
en verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten en de uitleg daarvan. In het algemeen
geldt dat nieuwe maatregelen onmiddellijke werking hebben. Terugwerkende kracht wordt
slechts verleend indien daarvoor een bijzondere reden bestaat. Omdat de voorgestelde
wijzigingen in de deelnemingsverrekening en verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten
slechts een verduidelijking betreffen, acht het kabinet het niet noodzakelijk om terugwerkende
kracht op te nemen. Dat de voorgestelde wijzigingen geen terugwerkende kracht hebben
voor boekjaren die aanvangen vanaf 31 december 2023, sluit niet uit dat de voorgestelde
verduidelijkingen ook voor deze jaren relevant kunnen zijn.
2.6 Aanpassing groepsbegrip bij een kwalificerend lidmaatschapsrecht
De leden van de fractie van JA21 vragen naar het karakter van de wijziging in de definitie
van een kwalificerend lidmaatschapsrecht in een houdstercoöperatie. Verder vragen
deze leden te bevestigen dat voor opbrengsten die voor 1 januari 2027 ter beschikking
worden gesteld de huidige wettekst leidend is, onverminderd de mogelijkheid om in
evidente gevallen fraus legis te stellen. Het kabinet bevestigt dat de huidige wettekst
leidend is voor opbrengsten die vóór 1 januari 2027 ter beschikking worden gesteld.
De uitleg van de wettekst is zowel vóór die datum als daarna hetzelfde; inhoudelijk
is dus geen sprake van een wijziging. Op opbrengsten (zoals dividenden) uit kwalificerende
lidmaatschapsrechten in een Nederlandse houdstercoöperatie wordt dividendbelasting ingehouden. Een kwalificerend lidmaatschapsrecht
is een lidmaatschapsrecht dat recht geeft op ten minste 5% van de jaarwinst of hetgeen
bij liquidatie wordt uitgekeerd. Bij de beoordeling of sprake is van kwalificerende
lidmaatschapsrechten worden lidmaatschapsrechten van met een lid verbonden andere
leden meegeteld op basis van de regels omtrent verbondenheid uit de vennootschapsbelasting.
De «samenwerkende groep» is een van de vormen van verbondenheid. Deze verbondenheidsregels
voorkomen dat om de drempel van 5% heen kan worden gestructureerd. Ten aanzien van
een houdstercoöperatie gaat het om een door een samenwerkende groep gecoördineerde
investering die gezamenlijk tot een belang van meer dan 5% leidt, maar waarbij een
of meer van de leden van die groep individueel onder de grens van 5% blijven als gevolg
waarvan in beginsel ten aanzien van deze individuele leden geen sprake zou zijn van
inhoudingsplicht.16 Met de regeling voor samenwerkende groep is derhalve beoogd om aan te sluiten bij
de gecoördineerde investering. Op basis van de huidige wettekst kan echter onduidelijkheid
bestaan over de vraag of sprake is van een kwalificerend lidmaatschapsrecht indien
verschillende leden van een houdstercoöperatie een samenwerkende groep vormen ten
aanzien van hun investering in de coöperatie, maar deze verschillende leden niet anderszins
met elkaar verbonden zijn. De huidige wettekst kan namelijk zo worden uitgelegd dat
wordt getoetst of sprake is van een samenwerkende groep ten aanzien van een lid en
niet of sprake is van een samenwerkende groep ten aanzien van de investering van de
leden in de houdstercoöperatie. Hoewel er geen signalen bekend zijn dat deze (zeer
specifieke) situatie in de praktijk ook wordt opgezocht, kiest het kabinet ervoor
om de wettekst zo aan te passen dat deze onduidelijkheid wordt weggenomen. Het kabinet
vindt het namelijk onwenselijk dat er ruimte is voor een lezing van de bestaande bepaling
die afwijkt van doel en strekking van de wetgeving. Om die reden en om ook richting
de toekomst te verzekeren dat er geen herstructureringen plaatsvinden die hierop gericht
zijn, stelt het kabinet voor om de wetgeving aan te passen.
De leden van de fractie van JA21 vragen om een duiding van de nulraming. Ook vragen
deze leden of bekend is of opknipstructuren daadwerkelijk gebruikt worden. De aanpassing
in de definitie van een kwalificerend lidmaatschapsrecht in een houdstercoöperatie
heeft naar verwachting geen budgettaire effecten. De reden hiervoor is dat tot op
heden geen signalen bekend dat deze (zeer specifieke) situatie waar de voorgestelde
maatregel op ziet in de praktijk wordt opgezocht. Hoewel er geen signalen bekend zijn,
kiest het kabinet ervoor om de wettekst zo aan te passen dat deze onduidelijkheid
wordt weggenomen.
De leden van de fractie van JA21 vragen hoe een coöperatie moet vaststellen of haar
leden een samenwerkende groep vormen en wat de gevolgen zijn indien achteraf sprake
blijkt te zijn van een samenwerkende groep. Daarbij vragen deze leden voorts of er
zekerheid vooraf kan worden verkregen en hoe de rechtszekerheid van bonafide samenwerkingsverbanden
zoals joint ventures en fondsstructuren wordt gewaarborgd. De beoordeling of sprake
is van een samenwerkende groep is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van
het individuele geval. Daarbij is het onder meer relevant of de bundeling van portfoliobelangen
gecoördineerd plaatsvindt. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit het geheel van overeenkomsten
dan wel uit feitelijke gedragingen. Indien gewenst kan zekerheid vooraf worden gevraagd
aan de Belastingdienst over de vraag of sprake is van kwalificerende lidmaatschapsrechten
in een houdstercoöperatie. Hiervoor gelden in voorkomende gevallen de voorwaarden
zoals bedoeld in het Besluit Fiscaal Bestuursrecht en het Besluit vooroverleg rulings
met een internationaal karakter.
2.7 Aanpassing begripsbepalingen motorrijtuigenbelasting
De leden van de fractie van D66 vragen naar het nalevingsrisico dat ontstaat doordat
het toezicht op eventueel verschuldigde bpm voor N2-voertuigen tijdelijk wordt bemoeilijkt.
Het gaat daarbij om motorrijtuigen waarop eerder de bpm-ondernemersvrijstelling is
toegepast. Ook vragen deze leden welke concrete handhavingsmaatregelen kunnen worden
ingezet om dit risico te beperken.
Het kabinet acht het verwachte nalevingsrisico beperkt en beheersbaar. Het gaat om
een duidelijk afgebakende en relatief kleine groep van minder dan 5.000 motorrijtuigen.
Dit betreft administratief teruggekeurde N2-motorrijtuigen die fiscaal als bestelauto
zijn behandeld en waarvoor in het verleden mogelijk gebruik is gemaakt van de ondernemersvrijstelling
in de bpm. Deze groep wordt steeds kleiner, omdat de ondernemersvrijstelling in de
bpm per 1 januari 2025 is vervallen en het belang van deze vrijstelling na vijf jaar
vervalt omdat de bpm daarna volledig is afgeschreven.
Het gaat daarom uitsluitend om motorrijtuigen met een datum van eerste toelating in
2022, 2023 of 2024. Voor motorrijtuigen met een datum van eerste toelating in 2021
of eerder is deze termijn inmiddels verstreken. Voor die motorrijtuigen kan geen bpm
meer worden nageheven en is toezicht dus niet meer aan de orde. Vanaf 1 januari 2030
is voor de resterende groep evenmin nog bpm-toezicht nodig.
Verder wordt verwacht dat slechts een beperkt deel van deze motorrijtuigen in de resterende
periode niet langer aan de voorwaarden van de ondernemersvrijstelling zal voldoen
én vervolgens geen spontane bpm-aangifte zal doen. Gelet op de beperkte omvang van
de doelgroep, het tijdelijke karakter van de situatie en het geringe verwachte nalevingsrisico,
acht het kabinet de tijdelijke bemoeilijking van het toezicht aanvaardbaar. Ook, omdat
een handmatige controle op de naleving van de voorwaarden voor de bpm-ondernemersvrijstelling
wel mogelijk blijft.
De leden van de fractie van de VVD vragen of met de voorgestelde definitiewijziging
wordt voorkomen dat motorrijtuigen onbedoeld zowel onder de vrachtwagenheffing als
onder de motorrijtuigenbelasting vallen. Ook vragen zij of kan worden bevestigd dat
zich na inwerkingtreding per 1 januari 2027 geen andere voertuigcategorieën, uitzonderingssituaties
of administratieve classificaties meer voordoen waarbij alsnog sprake kan zijn van
dubbele belastingheffing. In reactie daarop kan worden bevestigd dat de voorgestelde
definitiewijziging voorkomt dat motorrijtuigen onbedoeld zowel onder de vrachtwagenheffing
als onder de motorrijtuigenbelasting vallen. Met deze wijziging wordt de definitie
van vrachtauto in de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 structureel aangesloten
bij de Europese voertuigcategorieën. Daarmee wordt de tijdelijke oplossing uit het
Belastingplan 2026 vervangen door een structurele regeling. Na inwerkingtreding van
het wetsvoorstel per 1 januari 2027 worden geen andere voertuigcategorieën, uitzonderingssituaties
of administratieve classificaties voorzien waarbij onbedoeld zowel motorrijtuigenbelasting
als vrachtwagenheffing verschuldigd is. Alleen vrachtauto’s met een technisch toelaatbare
maximummassa van meer dan 12.000 kg, oftewel motorrijtuigen uit categorie N3, betalen
na die datum nog zowel motorrijtuigenbelasting als vrachtwagenheffing. Dat is geen
onbedoelde dubbele heffing. Voor deze motorrijtuigen blijft het minimale tarief aan
motorrijtuigenbelasting gelden, zoals voorgeschreven door de Europese tolrichtlijn.17
De leden van de fractie van JA21 vragen naar de gevolgen van de voorgestelde wijziging
voor houders van administratief teruggekeurde N2-motorrijtuigen. Zij vragen hoeveel
houders worden geraakt, wat het totale lasteneffect voor hen is en waarom geen eerbiedigende
werking is overwogen.
Het voorstel heeft betrekking op ca. 15.000 bestelauto’s die fiscaal niet meer worden
gelijkgesteld aan een N1-motorrijtuig, maar net als alle andere N2-motorrijtuigen
als vrachtauto worden aangemerkt. Concreet betekent dit dat deze motorrijtuigen als
gevolg hiervan in aanmerking komen voor het nihiltarief zoals dat bij de inwerkingtreding
van de vrachtwagenheffing van kracht wordt voor deze categorie vrachtauto’s. De aanpassing
resulteert dus binnen de motorrijtuigenbelasting in een voordeel voor de houders van
deze motorrijtuigen. De totale derving hiervan is geraamd op € 16 miljoen. Dit wordt
gedekt uit de compensatie voor de fiscale derving van de mrb als gevolg van de invoering
van de vrachtwagenheffing. Per saldo zijn deze aanpassingen hierdoor budgetneutraal.
Het begunstigende karakter van de maatregel voor de houders van administratief teruggekeurde
N2-motorrijtuigen binnen de motorrijtuigenbelasting vormt ook de reden om deze aanpassing
niet gepaard te laten gaan met eerbiedigende werking.
Zoals toegelicht in de Kamerbrief van 26 januari 2026 leidt de invoering van de vrachtwagenheffing
ook tot een verandering voor alle N2- en N3-motorrijtuigen.18 Deze motorrijtuigen, ongeacht of deze zijn teruggekeurd, gaan vanaf 1 juli 2026 betalen
per gereden kilometer. In hoeverre een eigenaar van een vrachtwagen straks wordt geconfronteerd
met een lastenstijging door de invoering van de vrachtwagenheffing hangt af van de
milieukenmerken van het motorrijtuig en het aantal kilometers dat gereden wordt over
het heffingsnetwerk van de vrachtwagenheffing. De vrachtwagenheffing is immers een
vorm van betalen naar gebruik: voor motorrijtuigen die veel snelwegkilometers maken,
zal meer vrachtwagenheffing betaald worden dan voor motorrijtuigen waarmee weinig
wordt gereden. Die laatste groep kan, door het nihiltarief voor de motorrijtuigenbelasting,
goedkoper uit zijn dan nu het geval is.
Voor wat betreft de vraag of terugkeuring voor de rijbewijseis mogelijk en effectief
blijft kan ik verwijzen naar een brief van 15 mei 2026 hierover van de Minister van
Infrastructuur en Waterstaat.19 In de brief is opgemerkt dat mede naar aanleiding van signalen vanuit de sector en
vragen vanuit de Tweede Kamer is besloten de terugkeurprocedure af te schaffen voor
nieuwe gevallen met een overgangsregeling voor motorrijtuigen in bestelling. Het kabinet
is momenteel bezig om invulling te geven aan dit besluit en heeft hiervoor regelgeving
in voorbereiding. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat zal uw Kamer hierover
na de zomer nader informeren.
De leden van de fractie van JA21 vragen verder om opheldering over de ogenschijnlijke
tegenstrijdigheid tussen de memorie van toelichting en de uitvoeringstoets over de
overgangsperiode van 1 juli 2026 tot 1 januari 2027. Zij vragen of kan worden bevestigd
dat door het tijdelijke nihiltarief voor de motorrijtuigenbelasting in deze periode
geen enkele houder van een administratief teruggekeurd N2-motorrijtuig feitelijk zowel
motorrijtuigenbelasting als vrachtwagenheffing betaalt.
Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op een vergelijkbare
vraag die door de leden van de fractie van de VVD is gesteld.
De leden van de fractie van JA21 vragen naar de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
van het toezicht op het RestBPM-proces, nu dit niet geautomatiseerd kan worden ondersteund.
Zij vragen waarop de inschatting berust dat de nalevingsrisico’s gering zijn en hoe
de Belastingdienst zicht houdt op gevallen waarin niet langer aan de voorwaarden van
de bpm-ondernemersvrijstelling wordt voldaan en geen spontane aangifte wordt gedaan.
Voor de redenen waarom de nalevingsrisico’s gering zijn, wordt verwezen naar het antwoord
op een vergelijkbare vraag die door de leden van de fractie van D66 is gesteld. De
Belastingdienst kan nog steeds handmatig beoordelen of voor een bestelauto nog aanspraak
kan worden gemaakt op de bpm-ondernemersvrijstelling.
De leden van de fractie van JA21 vragen welke maatregelen worden genomen voor het
verwachte knelpunt op het doenvermogen van burgers en voor de toename van het aantal
klantcontacten met de Belastingtelefoon. De inzet van de Belastingdienst is om burgers
en ondernemers te informeren via meerdere kanalen. Ten eerste zal op de website van
de Belastingdienst (www.belastingdienst.nl/auto) extra informatie worden opgenomen over de invoering van de vrachtwagenheffing. Ten
tweede worden de medewerkers van de Belastingtelefoon goed en tijdig voorbereid door
middel van bijscholing in de vorm van zelfstudie over deze aanstaande wijzigingen.
Met deze maatregelen wordt de druk op de Belastingtelefoon beperkt.
2.8 Wijzigingen in de Wet op de accijns
De leden van de fractie van PRO vragen waarom de mogelijkheid bestaat om een verzoek
om teruggaaf van accijns te doen als goederen worden ingeslagen. Zij vragen of de
gewenste verlichting van de administratieve lasten, waarop de wijziging ziet, ook
kan worden bereikt door deze mogelijkheid te schrappen.
Met de mogelijkheid van een verzoek om teruggaaf wordt dubbele belastingheffing voorkomen.
Als de mogelijkheid om te verzoeken om een teruggaaf zou worden geschrapt, zoals de
leden suggereren, zou in bepaalde situaties over hetzelfde accijnsgoed (alcoholische
dranken, tabaksproducten en minerale oliën) meermaals accijns moeten worden afgedragen.
Om deze reden is het niet wenselijk om deze mogelijkheid te schrappen. Technische toelichting: Het doel van accijnsheffing is het belasten van de consumptie van de goederen in
het land van verbruik. De Wet op de accijns (WA) regelt dat over accijnsgoederen accijns
wordt afgedragen en bevat eveneens regels om te voorkomen dat over hetzelfde accijnsgoed
meermaals accijns wordt betaald, wat zou resulteren in een dubbele belastingheffing.
De voorgestelde wijziging in de WA ziet op de situatie waarin accijnsgoederen die
in een andere lidstaat tot verbruik zijn uitgeslagen, naar Nederland worden overgebracht
om in Nederland voor commerciële doeleinden te worden geleverd of gebruikt. Over deze
accijnsgoederen wordt de accijns verschuldigd op het tijdstip dat de goederen in ontvangst
zijn genomen.20 Op dat moment ontstaat een verplichting tot voldoening van de accijns. Echter kan
het voorkomen dat die goederen na ontvangst worden ingeslagen in een zogenoemde accijnsgoederenplaats.
Op dat moment kan een verzoek om teruggaaf van accijns worden ingediend.21 De reden hiervoor is de volgende: als de goederen de accijnsgoederenplaats later
weer verlaten, ontstaat opnieuw een verplichting tot voldoening van de accijns. Zonder de mogelijkheid op teruggaaf
zou er dan dubbele belastingheffing plaatsvinden.
2.9 Wijzigingen delegatiegrondslag vermogenstoetsuitzonderingen voor toeslagen
De leden van de fractie van D66 vragen waarom is gekozen voor het laten vervallen
van voorhangprocedure in plaats van een lichtere variant, zodat de Kamer kan toezien
op de financiële positie van toeslaggerechtigden. Op dit moment geldt een zware voorhangprocedure
die inhoudt dat de leden van de Tweede of Eerste Kamer kunnen besluiten dat een voorgestelde
vermogenstoetsuitzondering niet in een ministeriële regeling, maar in formele wetgeving
moet worden vastgelegd. De procedure biedt momenteel dus met name de mogelijkheid
om een bestaand voorstel tot een uitzondering tegen te houden en niet op de introductie
van nieuwe uitzonderingen.
Het kabinet hecht aan parlementaire betrokkenheid. Niet alleen op het moment dat er
een voorstel tot een nieuwe uitzondering ligt, maar juist voorafgaand daaraan. Het
instrument van de voorhang is naar de mening van het kabinet hier niet geschikt voor.
De voorhangprocedure leent zich zoals hiervoor benoemd met name voor het tegenhouden
van voorstellen van het kabinet, terwijl vermogensuitzonderingen juist begunstigend
werken. Sinds de introductie van de voorhangbepaling in de wet is de voorhangprocedure
ook niet gebruikt om een vermogenstoetsuitzondering tegen te houden of om te kennen
te geven deze in de wet op te willen nemen. Wel is de voorhangprocedure eenmaal gebruikt
als gelegenheid tot het stellen van vragen en de wens te kennen geven om een nieuwe
uitzondering te introduceren. Dit geeft aan dat de Kamerleden meer behoefte hebben
aan betrokkenheid bij de introductie van nieuwe uitzonderingen of de uitbreiding van
bestaande, dan aan het kunnen tegenhouden van voorgestelde uitzonderingen.
Indien de Kamer een nieuwe vermogenstoetsuitzondering of een uitbreiding van een bestaande
uitzondering wenst, zijn de reguliere instrumenten voor parlementaire betrokkenheid
zoals moties, Kamervragen en commissievergaderingen daarvoor geschikter. Deze instrumenten
bieden niet alleen meer ruimte voor parlementaire inbreng, maar bieden die ruimte
bovendien in een vroeger stadium dan in het geval van een voorhangprocedure, waar
de reactietermijn beperkt is tot enkele weken. Tegelijkertijd proef ik uit de verschillende
vragen die mij zijn gesteld ook dat de Kamer behoefte heeft aan een helder proces.
Ik begrijp die wens, en ben daarom voornemens om uw Kamer per brief te informeren
over de uitzonderingen die met ingang van 1 januari van het daaropvolgende jaar in
werking dienen te treden. Deze brief zal ik uiterlijk in het voorjaar sturen, zodat
voldoende tijd resteert voor parlementaire inbreng voordat de nieuwe uitzonderingen
van kracht worden. Ik hoop hiermee uw Kamer voldoende te faciliteren en goed in staat
te stellen om de hiervoor genoemde inbreng ook daadwerkelijk te kunnen leveren. Deze
toegezegde brief komt dus in aanvulling op de verschillende andere momenten waarop
de Kamer wordt meegenomen in voorstellen voor nieuwe uitzonderingen. Doorgaans worden
voorstellen voor nieuwe vermogenstoetsuitzonderingen van tevoren bekend gemaakt, bijvoorbeeld
wanneer een regeling voor een tegemoetkoming waarvoor een vermogenstoetsuitzondering
van toepassing zal zijn, wordt geïntroduceerd. Daarnaast worden voorstellen voor uitzonderingen
via internet geconsulteerd als onderdeel van de Eindejaarsregeling, naar aanleiding
waarvan Kamerleden kunnen reageren in positieve dan wel negatieve zin.
Gezien de beperkte geschiktheid van de voorhangprocedure voor parlementaire betrokkenheid
stelt het kabinet daarom voor de voorhangprocedure in zijn geheel te laten vervallen.
Het vervangen van de zware voorhangprocedure door een lichte voorhangprocedure, ook
wel gecontroleerde delegatie genoemd, voegt naar het oordeel van het kabinet weinig
toe. Deze variant houdt in dat de ministeriële regeling ter kennisgeving aan de Tweede
en Eerste Kamer wordt voorgelegd. Kamerleden kunnen zich over de ministeriële regeling
uitspreken, maar het biedt geen (directe) mogelijkheid uitzonderingen toe te voegen
of te wijzigen. Zoals gezegd bieden de hiervoor genoemde alternatieven in een vroeger
stadium meer ruimte voor parlementaire controle en inbreng dan een lichte voorhangprocedure.
De leden van de fractie van PRO vragen om een toelichting waarom het opnemen van een
vermogenstoetsuitzondering in de wet onwenselijk zou zijn. De vermogenstoetsuitzonderingen
die de afgelopen jaren zijn geïntroduceerd hadden allen een beoogde inwerkingtreding
van 1 januari het daaropvolgende jaar. Indien als gevolg van de huidige zware voorhangprocedure
een vermogenstoetsuitzondering in de wet zou moeten worden opgenomen, zou 1 januari
niet meer haalbaar zijn. Dat betekent dat indien een bepaalde uitkering of tegemoetkoming
reeds uitbetaald is, die voor het aankomende jaar mee zal tellen voor de vermogenstoets.
Diegene kan als gevolg daarvan de volledige aanspraak op toeslagen voor dat jaar verliezen,
in afwachting van een wettelijke nieuwe vermogenstoetsuitzondering. Vanwege de gewenste
of benodigde snelheid van de introductie van een nieuwe vermogenstoetsuitzondering,
is opname in de wet dus onwenselijk. Daar komt bij dat alle vermogenstoetsuitzonderingen
nu zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling Awir (UR Awir). Wanneer als gevolg van
de voorhangprocedure er één in de wet staat, komt dat de vindbaarheid en overzichtelijkheid
van alle bestaande uitzonderingen niet ten goede.
De leden van de fractie van de VVD vragen op welke wijze het goede gesprek met het
parlement over vermogenstoetsuitzonderingen wordt vormgegeven en wat zij onder een
goed gesprek verstaat. Een goed gesprek tussen het kabinet en het parlement over de
introductie van een nieuwe vermogenstoetsuitzondering houdt naar de mening van het
kabinet in dat zodra een van de partijen daar aanleiding toe ziet, er altijd ruimte
moet zijn om van gedachten te wisselen daarover. Daarvoor bestaan zoals in het antwoord
hiervoor toegelicht verschillende instrumenten, in aanvulling op de hiervoor toegezegde
brief in het voorjaar.
De leden van de fractie van JA21 vragen om een bevestiging dat met de herformulering
en de verplaatsing geen materiële wijziging is beoogd en dat alle bestaande uitzonderingen
in de UR Awir ongewijzigd blijven gelden. Het kabinet kan bevestigen dat met de herformulering
en de verplaatsing van de delegatiegrondslag geen materiële wijzigingen zijn beoogd
en dat deze wijzingen geen effect hebben op de bestaande uitzonderingen in de UR Awir.
De leden van de fractie van JA21 vragen om een toezegging dat iedere nieuwe vermogenstoetsuitzondering
uiterlijk bij de publicatie van de wijziging van de UR Awir actief aan de Kamer wordt
gemeld en daarbij de toetsing aan het afwegingskader openbaar wordt gemaakt. Het afwegingskader
is eerder openbaar gemaakt.22 Bij de introductie van een nieuwe vermogenstoetsuitzondering zal in de nota van toelichting
bij de Eindejaarsregeling aan de hand van dit kader worden toegelicht waarom is gekozen
voor een nieuwe uitzondering. Voor de vermogenstoetsuitzonderingen voor toeslagen
geldt dat die worden opgenomen in de UR Awir. Wijzigingen daarin worden als onderdeel
van de Eindejaarsregeling jaarlijks aan het einde van de zomer via internet geconsulteerd,
zodat iedereen daar ruim voor publicatie kennis van kan nemen en erop kan reageren.
Zoals toegezegd in de vorige antwoorden zal ik daarnaast uw Kamer per brief informeren
over de voorgestelde nieuwe uitzonderingen die met ingang van 1 januari van het daaropvolgende
jaar in werking dienen te treden.
2.10 Herstel omissie belasting- en invorderingsrente onderlinge overlegprocedures
De leden van de fractie van de VVD vragen de toepasselijkheid van artikel 67h van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) te bevestigen ingeval een onderlinge
overlegprocedure leidt tot het al dan niet gedeeltelijk terugnemen van een Nederlandse
correctie. De regering kan die bevestiging geven voor zover dat terugnemen leidt tot
een vermindering van het bedrag van de belasting waarover de boete is berekend.23 In dat geval wordt de boete naar evenredigheid verminderd. De leden van de fractie
van de VVD vragen of ik kan bevestigen dat een onderlinge overlegprocedure niet door
de inspecteur kan worden uitgesloten in een vaststellingsovereenkomst. Ook als er
een vaststellingsovereenkomst is gesloten kan een belastingplichtige een verzoek tot
een onderlinge overlegprocedure doen. Het bieden van toegang tot een onderlinge overlegprocedure
in de situatie waarin een vaststellingsovereenkomst is gesloten, is ook een vereiste
onder de BEPS minimum standaard. Dit is in Nederland ook vastgelegd in paragraaf 4.5
van het Besluit Onderlinge overlegprocedures. Voor de volledigheid merk ik op dat
in een vaststellingsovereenkomst kan zijn opgenomen dat deze vervalt op het moment
dat een aanvraag wordt gedaan voor een onderlinge overlegprocedure. De leden van de
fractie van de VVD vragen naar de ontwikkelingen op het gebied van bilaterale en multilaterale
zekerheid vooraf over verdragstoepassing, anders dan op het terrein van verrekenprijzen.
In OESO-verband vinden gesprekken plaats over het uitbreiden van bilaterale en multilaterale
zekerheid vooraf over verdragstoepassing naar gevallen die niet liggen op het terrein
van verrekenprijzen. Deze gesprekken bevinden zich in een beginstadium. Nederland
staat positief tegenover het bieden van bilaterale en multilaterale zekerheid vooraf
over verdragstoepassing, anders dan op het terrein van verrekenprijzen. Dit is ook
de positie die Nederland internationaal uitdraagt.24 De leden van de fractie van de VVD vragen of de regering aanleiding ziet om de procedureregels
voor arbitrageprocedures zo spoedig mogelijk na het sluiten van een verdrag vast te
stellen, in plaats van dat deze pas worden onderhandeld wanneer arbitrage zich concreet
aandient. Waar mogelijk en efficiënt probeert het kabinet vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid
te creëren over de procedureregels voor de arbitrageprocedure. Hierbij geldt wel dat
Nederland afhankelijk is van de verdragspartner. Op dit moment richt ik mij vooral
op het sluiten van bevoegdeautoriteitenovereenkomsten over de arbitrageprocedure die
is gebaseerd op deel VI van het Multilateraal Instrument (MLI). Als onderdeel van
deel VI van de MLI zijn landen ook gebonden dit te doen. In dit kader zijn deze maand
de overeenkomsten met Australië en Finland gepubliceerd.25 Daarnaast probeert Nederland op andere wijzen bij te dragen aan transparantie en
duidelijkheid over procedures die gelden bij arbitrage. Zo zet Nederland zich in voor
de inrichting van de vaste arbitragecommissie voor geschillen onder de arbitragerichtlijn.
Dit draagt ook bij aan de zekerheid over de procedures bij arbitrage. Het is echter
niet in alle gevallen efficiënt om vooraf arbitrageovereenkomsten af te sluiten. Het
sluiten van een overeenkomst vergt namelijk veel werk. Bovendien werkt de mogelijkheid
tot arbitrage preventief en helpt het om in onderlinge overlegprocedures tot een passende
uitkomst te komen. Het komt, mede hierdoor, maar in een zeer beperkt aantal gevallen
tot arbitrage.
2.11 Delegatiebepaling in de AWR
De leden van de fractie van de VVD vragen naar de noodzaak van een zo ruime delegatiegrondslag,
welke waarborgen er tegen overimplementatie bestaan en hoe een en ander zich verhoudt
tot de in het coalitieakkoord gemaakte afspraak om Europese regelgeving zoveel mogelijk
één op één te implementeren. Voor een ruime formulering is gekozen omdat op voorhand
niet is te zien welke voorwaarden allemaal gepast zijn voor toekenning van fiscale
staatssteun. Een ruime formulering biedt de meeste ruimte om die voorwaarden in dezelfde
gedelegeerde regelgeving op te nemen.26 Dat voorkomt fragmentatie van regelgeving en de noodzaak bij elke voorwaarde de hele
wet te moeten wijzigen. De zogenoemde Deggendorf-clausule betreft geen implementatie
van enige EU-richtlijn maar codificatie van bestaande jurisprudentie uit 1994 van
het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU).27 Er is dus geen sprake van overimplementatie of nationale koppen. Voorts vragen deze
leden of de regering van mening is dat Nederland terughoudend moet zijn met het toevoegen
van nationale voorwaarden bovenop het Europese staatssteunrecht en zo ja, hoe dat
zich verhoudt met een open delegatiegrondslag. De regering is die mening toegedaan.
Een open delegatiegrondslag zegt als zodanig evenwel niets over het al dan niet bestaan
van een voornemen om aanvullende nationale voorwaarden op te nemen. Die grondslag
biedt enkel een plek om toekomstige voorwaarden die bijvoorbeeld uit jurisprudentie
ontstaan in regelgeving tot uitdrukking te brengen. Het gaat aldus alleen om een wetstechnische
exercitie.
De leden van de fractie van JA21 vragen of de voorgenomen algemene maatregel van bestuur
(amvb) beperkt blijft tot de Deggendorf-clausule, of de regering nog andere voorwaarden
dan die clausule voor ogen heeft en waarom voor de zinsneden «bij of krachtens» en
«worden regels gesteld» is gekozen. Vooralsnog blijft de betreffende amvb beperkt
tot de Deggendorf-clausule maar hij kan worden uitgebreid als de Europese Commissie
(EC) in de toekomst een vergelijkbare aanbeveling tot het opnemen van bepaalde voorwaarden
in wet- en regelgeving doet of na een arrest van het HvJ EU. De regering heeft zelf
geen andere voorwaarden voor ogen. De keuze voor de mogelijkheid van een ministeriële
regeling is ingegeven door de wens om ook snel te kunnen bepalen welke technische
of administratieve voorschriften in acht moeten worden genomen bij het voldoen aan
de in de amvb gestelde voorwaarden. Voorts vragen deze leden of in een voor- of nahangprocedure
is voorzien en of uw Kamer de uitvoeringstoets bij de betreffende amvb ontvangt. Er
is niet in een voor- of nahangprocedure voorzien. Het kabinet zendt in beginsel geen
uitvoeringstoetsen die bij een amvb horen naar Uw Kamer. Uitvoeringstoetsen van de
Belastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen worden rechtstreeks gepubliceerd op de
wetgevingskalender.28
Zij vragen verder in welke vorm de weigering ingevolge de Deggendorf-clausule wordt
gegoten, of daar rechtsmiddelen tegen open staan en hoe wordt omgegaan met een belastingplichtige
die het terugvorderingsbesluit van de EC aanvecht. De precieze vorm van de weigering
hangt af van de aard van de betreffende regeling en de belastingwet waar die regeling
onderdeel van uitmaakt. Doorgaans maakt het verzoek waarbij om toepassing van een
faciliteit wordt verzocht onderdeel uit van een aangifte. De weigering van het verzoek
krijgt in dat geval dus vorm door een aanslag die afwijkt van de aangifte. Tegen die
aanslag staat de gebruikelijke fiscale rechtsbescherming open. Wordt het verzoek gehonoreerd
en aldus fiscale staatssteun verleend die later als onrechtmatig heeft te gelden,
dan bepaalt artikel 20a AWR dat de inspecteur de fiscale staatssteun als belasting
terugvordert met toepassing van de regels die gelden voor uitvoering van de betreffende
belastingwet. Dat betekent dat voor de begunstigde ook dan de gebruikelijke fiscale
rechtsbescherming openstaat. Tegen een opgelegde navorderings- of naheffingsaanslag
kan dus bezwaar, (hoger) beroep en cassatie worden ingesteld.29 Het aanvechten van een terugvorderingsbesluit van de EC heeft voor een procedure
inzake een op grond van de AWR opgelegde aanslag geen opschortende werking. Dat heeft
in zoverre dus geen effect op een eventuele procedure tegen een opgelegde navorderings-
of naheffingsaanslag. Deze leden vragen ook of de aanspraak op de geweigerde faciliteit
– zo nodig met terugwerkende kracht – herleeft als de terugvordering is voldaan of
het betreffende besluit is vernietigd en wat de betekenis is van een gedeeltelijke
terugbetaling of het bestaan van een betalingsregeling. De aanspraak herleeft dan
niet. Wel kan een nieuw verzoek om fiscale staatssteun worden gedaan. Pas als de onrechtmatige
staatssteun volledig is terugbetaald, kan een belastingplichtige weer in aanmerking
komen voor fiscale staatssteun. Een gedeeltelijke terugbetaling of het bestaan van
een betalingsregeling betekent dat van de vereiste volledige terugbetaling nog geen
sprake is.
Ten slotte vragen de leden van de fractie van JA21 of de regering met het oog op voldoende
kenbaarheid bereid is terugvorderingsbesluiten die Nederlandse fiscale regelingen
raken voor belastingplichtigen toegankelijker te maken, bijvoorbeeld via de Belastingdienst.
De regering is bereid om te zien of en zo ja, op welke wijze de kenbaarheid daarvan
kan worden verbeterd. Overigens komt het heel zelden voor dat een Nederlandse fiscale
regeling als verboden staatssteun wordt aangemerkt.30 Het kabinet legt een voorgenomen staatssteunregeling in beginsel namelijk altijd
ter goedkeuring voor aan de EC, juist om te voorkomen dat belastingplichtigen later
kunnen worden geconfronteerd met een terugvordering wegens onterecht ontvangen staatssteun.
2.12 Verruiming van de vrijstelling voor oldtimers in de motorrijtuigenbelasting
De leden van de fractie van D66 vragen hoeveel motorrijtuigen profiteren van de voorgestelde
vervroeging van de oldtimervrijstelling met één jaar. Tevens vragen deze leden of
uitvoeringstechnische redenen voldoende rechtvaardiging bieden voor deze verruiming
van de vrijstelling.
De voorgestelde maatregel heeft betrekking op motorrijtuigen met een datum eerste
toelating in 1987. Het gaat om bijna 29.000 motorrijtuigen. Deze motorrijtuigen zouden
onder de huidige wetgeving vanaf 1 januari 2028 onder de oldtimervrijstelling vallen,
maar komen door het onderhavige voorstel reeds per 1 januari 2027 voor de vrijstelling
in aanmerking.
Het kabinet acht deze vervroeging gerechtvaardigd. In het Belastingplan 2024 is reeds
besloten om vanaf 2028 een vaste peildatum van vóór 1 januari 1988 te hanteren voor
de oldtimervrijstelling. Het onderhavige voorstel wijzigt deze beleidskeuze niet,
maar regelt uitsluitend dat deze reeds vastgestelde situatie één jaar eerder ingaat.
Zonder deze aanpassing zou de Belastingdienst in het nieuwe mrb-systeem voor uitsluitend
het jaar 2027 nog een afzonderlijke voorziening moeten inbouwen voor de overgangsregeling
voor oldtimers. Gelet op de beperkte doelgroep, het tijdelijke karakter van de regeling
en de schaarse IV-capaciteit binnen de Belastingdienst acht het kabinet dit niet doelmatig.
De leden van de fractie van PRO vragen waarom bij de voorgestelde vervroeging van
de oldtimervrijstelling niet is gekozen voor een verdere versobering van de oldtimerregeling
met één jaar, mede gelet op de uitkomsten van de evaluatie van de bijzondere regelingen
in de motorrijtuigenbelasting. Deze leden vragen tevens of is overwogen de oldtimerregeling
te versoberen door een kwarttarief te introduceren in plaats van een volledige vrijstelling.
Het kabinet betrekt de uitkomsten van evaluaties bij de vormgeving van fiscaal beleid.
Daarbij worden niet alleen de doelmatigheid en doeltreffendheid van een regeling bezien,
maar ook aspecten als rechtszekerheid, uitvoerbaarheid en maatschappelijke effecten.
Het onderhavige wetsvoorstel strekt uitsluitend tot het één jaar eerder in werking
laten treden van de reeds in het Belastingplan 2024 vastgestelde vaste peildatum voor
de oldtimervrijstelling. De maatregel is ingegeven door uitvoeringstechnische overwegingen
en beoogt te voorkomen dat voor een beperkte groep motorrijtuigen gedurende één jaar
een afzonderlijke voorziening in het nieuwe mrb-systeem moet worden ingebouwd. Een
inhoudelijke heroverweging van de oldtimerregeling maakt geen onderdeel uit van dit
wetsvoorstel.
Om die reden is in het kader van dit wetsvoorstel niet overwogen om de oldtimerregeling
verder te versoberen, bijvoorbeeld door deze te beperken tot motorrijtuigen van vóór
1987 in plaats van 1988, dan wel een kwarttarief in plaats van een volledige vrijstelling
te introduceren. Daarbij acht het kabinet het van belang dat houders van motorrijtuigen
met een datum eerste toelating in 1987 er op grond van de bestaande wetgeving ervanuit
gingen dat hun motorrijtuig na het bereiken van de leeftijd van 40 jaar onder de vrijstelling
zou vallen. Een versobering op het moment dat deze motorrijtuigen die leeftijd nagenoeg
hebben bereikt, zou afbreuk kunnen doen aan de voorspelbaarheid van overheidsbeleid.
Een dergelijke wijziging zou daardoor verder reiken dan de bedoelingen van dit voorstel.
De leden van de fractie van PRO vragen of de regering een mogelijkheid ziet om over
te gaan op een systeem van betalen naar gebruik. Het kabinet heeft geen voornemens
om over te gaan op een systeem van betalen naar gebruik.
De leden van de fractie van JA21 vragen hoe het kabinet het cultuurhistorisch belang
van mobiel erfgoed borgt nu de oldtimervrijstelling is gekoppeld aan een vaste peildatum.
Tevens vragen deze leden of het kabinet bereid is bij een volgende evaluatie van de
autobelastingen een terugkeer naar een rollende leeftijdsgrens voor de oldtimervrijstelling
te bezien.
In het Belastingplan 2024 is besloten de leeftijdsgrens voor de oldtimervrijstelling
te vervangen door een vaste peildatum van vóór 1 januari 1988. Met die keuze is een
afweging gemaakt tussen het belang van mobiel erfgoed, budgettaire overwegingen en
de wens om te komen tot een stabiel en voorspelbaar stelsel van autobelastingen. Het
onderhavige wetsvoorstel brengt daarin geen wijziging, maar regelt uitsluitend dat
de reeds vastgestelde vaste peildatum één jaar eerder in werking treedt om uitvoeringstechnische
redenen. Het kabinet onderkent het cultuurhistorisch belang van mobiel erfgoed. De
keuze voor een vaste peildatum betekent echter niet dat motorrijtuigen die onder de
vrijstelling vallen deze verliezen. Voor motorrijtuigen met een datum eerste toelating
van vóór 1 januari 1988 blijft de vrijstelling bestaan.
Het kabinet heeft op dit moment geen voornemen om terug te keren naar een schuivende
leeftijdsgrens. Bij toekomstige evaluaties van de autobelastingen kunnen vanzelfsprekend
alle relevante onderdelen van het stelsel worden betrokken, waaronder de oldtimerregeling.
Daarbij zullen de doelmatigheid, doeltreffendheid, uitvoerbaarheid en budgettaire
gevolgen opnieuw kunnen worden bezien.
De leden van de fractie van JA21 vragen hoe de derving van het vervroegen van de invoering
van de vaste peildatum is gedekt. Het vorige kabinet heeft deze incidentele derving
gewogen in de augustusbesluitvorming van 2025. Er is besloten om geen specifieke maatregel
te nemen om de derving te dekken maar om het te verwerken in het totale inkomstenkader.
Dit is verwerkt in de Miljoenennota 2026 (zie tabel 3, pagina 41, maatregel nr. 8).
2.13 Gedeeltelijk vervallen Fiscale vereenvoudigingswet 2017
De leden van de fractie van JA21 constateren dat met dit voorstel de bij de Fiscale
vereenvoudigingswet 2017 voorziene stroomlijning naar één invorderingsregime voor
belastingen en toeslagen gedeeltelijk komt te vervallen, waarmee een geraamde structurele
besparing van € 5,6 miljoen en 66 fte niet wordt gerealiseerd. Deze leden begrijpen
dat dit samenhangt met de ontvlechting van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen,
maar vragen welk perspectief de regering nog ziet op vereenvoudiging en stroomlijning
van de invordering nu dit traject wordt teruggedraaid.
Vereenvoudiging en stroomlijnen van de invordering staan bij het kabinet hoog op de
agenda. Het kabinet werkt aan het wetsvoorstel Wet modernisering Invorderingswet 1990
welke is gericht op het herijken, moderniseren en vereenvoudigen van de Invorderingswet
1990. Hieronder wordt verstaan het actualiseren en verduidelijken van de wettelijke
regeling, het verbeteren van de systematiek en samenhang van bepalingen en het beter
laten aansluiten van de wet op de huidige uitvoeringspraktijk en maatschappelijke
context.Met het gedeeltelijk vervallen van de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 zal
de hierin opgenomen vereenvoudiging en stroomlijning niet worden gerealiseerd. Echter,
zoals toegelicht in de memorie van toelichting bij de Fiscale vereenvoudigingswet
2027, worden deze vereenvoudiging en stroomlijning inmiddels via andere wetgeving
en beleidsmaatregelen opgepakt, uiteraard nu met inachtneming van de in 2020 door
de Minister van Financiën ingezette ontvlechting van de Belastingdienst, Dienst Toeslagen
en Douane. In de memorie van toelichting bij de Fiscale verzamelwet 2027 is per onderdeel
van de Fiscale vereenvoudigingswet 2017 uiteengezet welke wetgeving en maatregelen
dit betreft.31
2.14 Budgettaire aspecten
De leden van de fractie van JA21 vragen om bevestiging dat de dekking van het aanpassen
van de begripsbepalingen in de motorrijtuigenbelasting binnen de vrachtwagenheffing
is verwerkt. In de wijziging begroting van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) samenhangend
met de Voorjaarsnota 2026 is het ontvangstenkader en uitgavenkader verhoogd, waarbij
het budget voor fiscale derving op de begroting is gereserveerd en de terugsluis is
toegenomen (zie tabel 11, p. 28).32 Dit is ook opgenomen in de eerste suppletoire begroting (zie pagina 29, 30 en 31).33 De definitieve overboeking van de fiscale derving van de I&W begroting naar het Ministerie
van Financiën zal worden verwerkt in de Miljoenennota 2027.
De leden van de fractie van JA21 vragen of het buiten de steekproefsgewijze selectie
vallen van de ramingen van de oldtimervrijstelling en de motorrijtuigenbelasting begripsbepalingen
een oordeel impliceert over de kwaliteit van de ramingen. Dat is niet het geval. Bij
de laatste evaluatie van het certificeringsproces is aanbevolen om de toetsing van
ramingen van maatregelen te beperken tot een steekproef als deze een kleine budgettaire
omvang en geen grote onderliggende budgettaire verschuivingen en gedragseffecten hebben.34 Conform deze aanbeveling zijn de ramingen van deze maatregelen onderworpen aan een
steekproef. Beide maatregelen zijn hier buiten gevallen. Het CPB geeft hiermee geen
oordeel over de kwaliteit van de raming.
2. Overig
De leden van de fractie van de VVD constateren dat een beroep op schaarse IV-capaciteit
binnen de Belastingdienst steeds vaker een rol speelt bij fiscale beleidskeuzes en
vragen welke maatregelen de regering neemt om de uitvoerbaarheid van het belastingstelsel
structureel te verbeteren en welke verdere vereenvoudigingen mogelijk zijn om de druk
op de uitvoering te verminderen.
Het Kabinet zet in op een eenvoudiger belasting- en toeslagenstelsel. Dit zorgt voor
vereenvoudigingen binnen het huidige belastingstelsel in de komende jaren. Ook werkt
het kabinet aan een hervormingsagenda waarin delen van het belasting- en toeslagenstelsel
grondiger verbouwd worden. Ook om de druk op de uitvoering te verminderen. Zoals toegezegd
ontvangt u deze hervormingsagenda eind 2026.
Samenwerking tussen beleid en uitvoering aan de voorkant, vooruitkijken en voorspelbaarheid
zijn daarbij noodzakelijk om tot goed uitvoerbaar beleid te komen. Bij de vormgeving
van de wetgeving en het moment van inwerkingtreding kunnen keuzes gemaakt worden om
maatregelen binnen de beschikbare IV-capaciteit goed uitvoerbaar te maken, waarbij
soms ook een afruil plaatsvindt, bijvoorbeeld met dienstverlening of toezicht. Dit
komt ook terug in de uitvoeringstoetsen per maatregel.
Zoals in de Strategische agenda van dit jaar is opgenomen is werkt de Belastingdienst
daarbij aan het wegwerken van het achterstallig onderhoud en het zorgen voor een robuust
ICT-landschap dat toekomstbestendig is en blijft. Hierdoor staat het ICT-landschap
er momenteel een stuk beter voor dan een aantal jaar geleden. Desondanks blijft gelden
dat de vernieuwing en het Life Cycle Management (LCM) van het ICT-landschap ook de
komende jaren aandacht vergt. Daarnaast blijft de Belastingdienst innoveren en investeren
in de belastingheffing van de toekomst, waarin burgers en bedrijven hun belastingzaken
steeds vaker realtime en automatisch goed kunnen regelen, zonder dat zij daar extra
handelingen voor hoeven te verrichten.
Tegelijkertijd blijft gelden dat niet alles tegelijk kan en dat keuzes moeten worden
gemaakt waar de capaciteit van de Belastingdienst op wordt ingezet. Nieuwe beleidswensen
moeten daarom zorgvuldig worden afgewogen tegen de uitvoering van de kerntaken (heffen
en innen van belasting), andere ambities op het gebied van dienstverlening en toezicht,
en opgaven zoals de modernisering van ICT en het op kwantitatief en kwalitatief op
peil houden van het personeelsbestand.
Met een meerjarige wetgevingskalender wordt de samenwerking tussen beleid en uitvoering
verder versterkt, zodat eerder en scherper inzicht ontstaat in meerjarige prioriteringsvraagstukken.
De leden van de fractie van JA21 vragen of met de introductie van een uitzondering
op het aanwijsverbod voor de werkkostenregeling voor eerste huisvesting die als extraterritoriale
kosten kwalificeert met een terugwerkende kracht van ruim vijftien jaar, een met de
wettekst strijdige praktijk wordt gecodificeerd. Ook vragen zij hoe dit zich verhoudt
tot het uitgangspunt dat belastingplichtigen moeten kunnen vertrouwen op de wettekst.
Voor de invoering van de werkkostenregeling in 2011 gold het systeem van vrije vergoedingen
en verstrekkingen. Onder dat systeem kon voor de extra kosten van tijdelijk verblijf
buiten het land van herkomst in het kader van de dienstbetrekking (extraterritoriale
kosten) een vrije vergoeding of verstrekking worden verstrekt.35 In een beleidsbesluit onder het systeem van vrije vergoedingen en verstrekkingen
uit 200436 worden de extra kosten van eerste huisvesting bij tijdelijk verblijf buiten het land
van herkomst aangemerkt als extraterritoriale kosten. Uit het oogpunt van doelmatigheid
staat het beleidsbesluit toe dat zonder nader bewijs ervan uitgegaan kan worden dat
het deel van de kosten van eerste huisvesting dat uitgaat boven 18% van het loon extraterritoriale
kosten zijn. Dit standpunt is nog herhaald in een beleidsbesluit dat dateert uit de
periode dat de werkkostenregeling al van kracht was.37 Bij de invoering van de werkkostenregeling is in de toelichting expliciet aangegeven
dat, behoudens een enkele tekstuele aanpassing, geen wijziging is beoogd in de regeling
voor extraterritoriale kosten ten opzichte van de regeling van vrije vergoedingen
en verstrekkingen.38 Hoewel de huidige wettekst aanwijzing van eerste huisvestingskosten als eindheffingsloon
voor de werkkostenregeling verbiedt, sluit het kabinet op dit punt aan bij de bedoeling
van de wetgever om bij de invoering van de werkkostenregeling in 2011 geen inhoudelijke
wijzigingen door te voeren in de regeling voor extraterritoriale kosten. Bovendien
kunnen inhoudingsplichtigen vertrouwen ontlenen aan de nog steeds geldende beleidsbesluiten
uit 2004 en 2013. Voorgesteld wordt dit in alle gevallen begunstigende beleid nu te
codificeren.
De leden van de fractie van JA21 vragen of het kabinet de stelling dat de maatregel
geen budgettaire effecten heeft kwantitatief kan onderbouwen, met een schatting van
het aantal betrokken inhoudingsplichtigen en werknemers en het budgettaire belang
dat is gemoeid met de onbelaste vergoeding van eerste huisvestingskosten boven 18%
van het loon.De voorgestelde wijziging maakt het wetstechnisch mogelijk om een vergoeding
of verstrekking van eerste huisvesting die kwalificeert als extraterritoriale kosten
aan te wijzen als eindheffingsloon voor de werkkostenregeling en daarop vervolgens
de gerichte vrijstelling voor extraterritoriale kosten toe te passen in lijn met de
bedoeling van de wetgever ten tijde van de invoering van de werkkostenregeling en
de inhoud van beleidsbesluiten. Deze beleidslijn wordt in de praktijk veelal al toegepast.
Dit betekent dat de voorgestelde wetswijziging in de praktijk dus niet zal leiden
tot minder of meer belastingopbrengsten. Omdat er geen budgettaire gevolgen verbonden
zijn aan de voorgestelde wijziging is er geen verdere kwantitatieve onderbouwing gemaakt
en zijn er geen kwantitatieve gegevens voorhanden.
De leden van de fractie van JA21 vragen te bevestigen dat de voorgestelde uitzondering
op het aanwijsverbod uitsluitend ziet op de regeling van de werkelijke kosten en geen
effect heeft op de forfaitaire expatregeling.
Het begrip extraterritoriale kosten voor de expatregeling is gelijk aan het begrip
voor de regeling voor vergoeding van daadwerkelijke extraterritoriale kosten. Dit
betekent dat door de uitbreiding van de uitzondering op het aanwijsverbod de kosten
van eerste huisvesting die uitgaan boven 18% van het loon ook op basis van de wettekst
onderdeel kunnen uitmaken van de kosten die geacht worden te worden gedekt door de
forfaitaire expatvergoeding. Deze kosten kunnen niet naast de forfaitaire expatvergoeding
onbelast vergoed of verstrekt worden. Op het bedrag dat aan onbelaste expatvergoeding
toegekend kan worden, heeft de voorgestelde wijziging geen invloed.
De leden van de fractie van PRO vragen het kabinet of is overwogen om gemeenten de
mogelijkheid te geven om een planbatenheffing in te voeren. Daarnaast vragen deze
leden waarom het kabinet deze mogelijkheid niet aan het voorliggende wetsvoorstel
heeft toegevoegd en of het kabinet bereid is dit alsnog te doen met een nota van wijziging.
Het kabinet herkent niet dat de deadlines voor het uitvoeren van de moties niet zijn
gehaald. Op 20 juni is namelijk de brief «Voorstel en dilemma’s planbatenheffing of
een vergelijkbaar systeem»39 aan Uw Kamer gestuurd. Deze brief is verzonden naar aanleiding van de moties van
het lid Beckerman40, van het lid De Hoop c.s.41 en van de leden De Hoop en Beckerman42 – waarin de regering verzocht werd om een (voorstel voor) planbatenheffing uit te werken
– en in navolging op het IBO «Op grond kun je bouwen»43, dat als bijlage een rapport over de planbatenheffing bevat. Voor de brief van juni
2025 is onderzocht hoe een planbatenheffing aanvullend op het bestaande instrument
kostenverhaal kan worden vormgegeven, welke effecten hiervan zijn te verwachten en
wat een vergelijkbaar systeem zou kunnen zijn. Uit dit onderzoek is gebleken dat «intensivering
en uitbreiding van het bestaande instrument kostenverhaal» een te prefereren vergelijkbaar
systeem is aan een planbatenheffing. Met die reden is aan Uw Kamer voorgesteld om
dit vergelijkbare systeem nader uit te werken tot een concreet uitvoerbare set aan
maatregelen. Daarnaast is in de brief voorgesteld om de waarderingsgrondslag van de
inbrengwaarde bij kostenverhaal aan te passen. Dit laatste is een zelfstandige maatregel
uit het programma «Modernisering van het grondbeleid»44, maar tevens ook een randvoorwaarde voor de intensivering en uitbreiding van het
kostenverhaal. In het coalitieakkoord is aangegeven dat het kabinet uitbreiding van
het kostenverhaal als snelst en meest geschikte optie ziet om private winsten van
grondbezitters meer publiek aan te wenden voor bijvoorbeeld woningbouw en infrastructuur.
Op 11 november 2026 staat het commissiedebat «Grondbeleid» gepland met de vaste commissie
voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; voor dit debat ontvangt u van de Minister
van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening een brief met de laatste stand van zaken.
Gelet op het bovenstaande, zal het kabinet dan ook geen gemeentelijke planbatenheffing
toevoegen aan het voorliggende wetsvoorstel.
De Staatssecretaris van Financiën,
E. Eerenberg
Indieners
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën