Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 920 Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met een aanpassing van de bijzondere regelingen voor ondernemers die diensten verrichten voor andere dan ondernemers, of goederen op afstand verkopen, of bepaalde goederen binnenlands leveren (Wet implementatie Richtlijn btw in het digitale tijdperk – enkele btw-registratie)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 10 juli 2026
Inhoudsopgave
Inleidende opmerkingen
1
Algemeen deel
2
2.
Implementatie van Richtlijn btw in het digitale tijdperk
2
3.
Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
5
3.1.
Uitbreiding van de Unieregeling
5
3.2.
Uitbreiding van de éénloketregelingen met de overbrengingsregeling
6
3.3.
Verplichtstelling en uitbreiding van de grensoverschrijdende verleggingsregeling
7
5.
Gevolgen
8
5.1.
Effecten voor bedrijven en burgers
8
5.2.
Doeltreffendheid en doelmatigheid
11
6.
Uitvoeringskosten Belastingdienst
11
Inleidende opmerkingen
Het kabinet heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van
het door de vaste commissie van Financiën uitgebrachte verslag over het wetsvoorstel.
Het kabinet is verheugd dat de leden van de fracties van de D66, de VVD, de GroenLinks-PvdA
en de CDA inbreng hebben geleverd voor het verslag. De vragen van de leden van de
verschillende fracties zien onder andere op de gevolgen voor de administratieve lasten,
de mogelijkheden voor verdere lastenverlichtingen, de reikwijdte van de regelingen
en de uitwerking van de wijzigingen bij de Belastingdienst. Het kabinet vindt dit,
net als deze leden, belangrijke onderwerpen. Wij danken de leden voor hun gedegen
inbreng.
Het kabinet hoopt met deze nota de onduidelijkheden over dit wetsvoorstel weg te nemen.
In deze nota zijn de vragen en opmerkingen uit het verslag integraal opgenomen in
cursieve tekst en de beantwoording daarvan in gewone typografie. De vragen en antwoorden
zijn van een nummer voorzien, waarnaar in voorkomende gevallen in andere antwoorden
is verwezen.
Algemeen deel
2. Implementatie van Richtlijn btw in het digitale tijdperk
1 – GroenLinks-PvdA
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen in aanvulling op de opmerkingen van
de Raad van State waarom gekozen is enkele onderhoudswijzigingen in het voorliggende
wetsvoorstel op te nemen, zijnde een implementatiewet, in plaats van in de Fiscale
Verzamelwet 2027.
Het kabinet heeft ervoor gekozen enkele onderhoudswijzigingen op te nemen in het onderhavige
implementatievoorstel en niet te wachten op opname in een fiscale verzamelwet of een
wet overige fiscale maatregelen. Deze keuze is ingegeven door het streven naar samenhang
in de regelgeving. De onderhoudswijzigingen die betrekking hebben op het vervallen
van de meldingsverplichting in artikel 6k van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna:
Wet OB 1968) en het schrappen van het vestigingsvereiste in artikel 37c Wet OB 1968
hangen inhoudelijk samen met de wijzigingen die noodzakelijk zijn voor de implementatie
van de Richtlijn btw in het digitale tijdperk – enkele btw-registratie. Door deze
wijzigingen gelijktijdig op te nemen, wordt voorkomen dat op korte termijn opnieuw
wijzigingen in dezelfde bepalingen moeten worden aangebracht.
Ten aanzien van de redactionele correctie in artikel 32n Wet OB 1968 merkt het kabinet
op dat deze wijziging uitsluitend technisch van aard is en geen materiële gevolgen
heeft. Voor een dergelijke wijziging vormt een wet overige fiscale maatregelen doorgaans
een meer geëigend instrument. Deze correctie is evenwel eveneens in het onderhavige
wetsvoorstel opgenomen. Gelet op het ontbreken van materiële gevolgen en de zeer beperkte
omvang van de wijziging, acht het kabinet het niet noodzakelijk het wetsvoorstel op
dit punt aan te passen.
2 – GroenLinks-PvdA
Voorts vragen deze leden wanneer de regering verwacht voorstellen in te dienen voor
de implementatie van de overige onderdelen van de Richtlijn btw in het digitale tijdperk.
De overige onderdelen van de Richtlijn btw in het digitale tijdperk zien op de platformeconomie
en op elektronisch factureren en digitale rapportageverplichtingen. Het wetsvoorstel
ter implementatie van het onderdeel platformeconomie wordt naar verwachting eind 2026
bij de Tweede Kamer ingediend. Het wetsvoorstel inzake elektronische factureren en
digitale rapportageverplichtingen zal naar verwachting in de zomer van 2027 bij de
Tweede Kamer worden ingediend. Met betrekking tot dit laatste onderdeel is het voornemen
in het najaar van 2026 een internetconsultatie te starten.
3 – GroenLinks-PvdA
Deze leden vragen de regering om een overzicht te maken van wat na implementatie van
de Richtlijn btw in het digitale tijdperk wel en niet onder de reikwijdte van de Unieregeling
valt.
Het kabinet acht het voor een volledig beeld noodzakelijk om, naast de Unieregeling,
tevens de overige éénloketregelingen – de niet-Unieregeling en de invoerregeling –
in beschouwing te nemen. Een uitsluitend op de Unieregeling gericht overzicht zou
immers de indruk kunnen wekken dat gecentraliseerde aangifte en afdracht van btw slechts
voor een beperkte groep ondernemers mogelijk is. Om die reden is hier, mede op basis
van de bij de Richtlijn btw in het digitale tijdperk gevoegde effectenbeoordeling
van de Europese Commissie, een schematisch overzicht opgenomen van de verschillende
éénloketregelingen en hun toepassingsbereik.1
Tabel 1: reikwijdte van de éénloketregelingen; veralgemeniseerd
Éénloketregeling
Belastingplichtigen
Prestaties
Unieregeling
In de Unie gevestigde ondernemers
B2C-diensten waarvoor de plaats van dienst in een andere lidstaat ligt
In de Unie en buiten de Unie gevestigde ondernemers
Intracommunautaire afstandsverkopen
Binnenlandse B2C-leveringen in andere lidstaten (voor zover niet uitgezonderd)
Niet-Unieregeling
Niet in de Unie gevestigde ondernemers
B2C-diensten in de Unie
Invoerregeling
In de Unie en buiten de Unie gevestigde ondernemers
Afstandsverkopen van ingevoerde goederen met een waarde tot en met € 150
Uit tabel 1 volgt dat na implementatie van de richtlijn in beginsel alle veel voorkomende
btw-belaste goederenleveringen en dienstverrichtingen aan particulieren en daarmee
gelijkgestelde afnemers (B2C) in andere lidstaten via een éénloketregeling gecentraliseerd
kunnen worden aangegeven. De belangrijkste uitzonderingen hierop betreffen:
a) vrijgestelde goederenleveringen en dienstverrichtingen;
b) leveringen en diensten waarop bijzondere regelingen van toepassing zijn, zoals de
margeregeling2 of de reisbureauregeling;
c) afstandsverkopen van ingevoerde goederen met een waarde boven de € 150; en
d) Afstandsverkopen van ingevoerde accijnsgoederen.
Ad a) vrijgestelde goederenleveringen of dienstverrichtingen
Vrijgestelde goederenleveringen of dienstverrichtingen vallen buiten het toepassingsbereik
van de éénloketregelingen omdat ter zake in de lidstaat van verbruik geen btw verschuldigd
is. Voor dergelijke prestaties hoeft derhalve geen btw te worden aangegeven of afgedragen.
Ad b) leveringen waarop bijzondere regelingen van toepassing zijn
Goederenleveringen of dienstverrichtingen waarop bijzondere regelingen van toepassing
zijn, zoals de margeregeling en de reisbureauregeling, vallen vooralsnog buiten het
toepassingsbereik van de éénloketregelingen. Uitbreidingen van deze regelingen zijn
tot op heden voornamelijk gericht geweest op prestaties die worden belast overeenkomstig
de reguliere btw-systematiek.
Bijzondere regelingen kennen in grensoverschrijdende situaties een grotere mate van
complexiteit. Daarbij speelt onder meer dat de heffingsgrondslag in bepaalde gevallen
afwijkt van de reguliere systematiek over de vergoeding, bijvoorbeeld doordat belasting
wordt geheven over de winstmarge. Daarnaast beschikken lidstaten binnen de kaders
van de BTW-richtlijn 2006 veelal over beleids- en beoordelingsruimte bij de inrichting
van dergelijke regelingen.
Dit laat onverlet dat de Europese Commissie voornemens is om met name de margeregeling
op termijn alsnog binnen de reikwijdte van de éénloketregelingen te brengen. In het
oorspronkelijke voorstel voor de Richtlijn btw in het digitale tijdperk was daartoe
reeds een voorstel opgenomen. Uiteindelijk is daarvan echter afzien, omdat de samenloop
tussen de Unieregeling en de margereling bij de grensoverschrijdende transacties nog
onvoldoende was uitgewerkt.
Ad c) afstandsverkopen van ingevoerde goederen met een waarde boven de € 150
Ten aanzien van de drempel van € 150 voor afstandsverkopen van ingevoerde goederen
merkt het kabinet op dat het vervallen van deze grens momenteel onderwerp is van beraadslaging
binnen de Raad. Op termijn wordt beoogd deze drempel te laten vervallen, zodat ook
voor goederen met een hogere waarde de invoerregeling kan worden toegepast.
Ad d) afstandsverkopen van ingevoerde accijnsgoederen
De invoerregeling is niet van toepassing op zogenoemde accijnsgoederen, zoals wijn
en tabaksproducten, aangezien accijnzen deel uitmaken van de maatstaf van heffing
voor de btw bij invoer. Voorts geldt dat voor deze goederen geen vrijstelling van
douanerechten bestaat, waardoor toepassing van de invoerregeling in dit verband niet
voor de hand ligt.
4 – GroenLinks-PvdA
Voorts vragen zij waarom voor de specifieke genoemde uitbreiding gekozen is en waarom
de Unieregeling in eerste instantie niet gebruikt kon worden voor specifieke leveringen.
De keuze voor uitbreiding met leveringen in verband met installaties of montage, leveringen
aan boord van schepen, luchtvaartuigen of treinen, leveringen van gas, elektriciteit,
verwarming en koeling, en bepaalde binnenlandse leveringen aan consumenten is gebaseerd
op evaluaties en effectbeoordelingen van de Europese Commissie waaruit blijkt dat
verdere uitbreiding van de éénloketregelingen kan bijdragen aan vermindering van registratieverplichtingen
in andere lidstaten en verbetering van de naleving van btw-verplichtingen. De éénloketregelingen
en de voorlopers werden ingevoerd om concrete problemen aan te pakken die zich destijds
voordeden, waaronder concurrentieverstoringen als gevolg van gebrekkige naleving van
btw-verplichtingen door dienstverrichters uit derde landen en de noodzaak de btw-heffing
beter te laten aansluiten op de opkomst van elektronische handel (e-commerce). De
éénloketregeling binnen de Unie wordt daarmee stapsgewijs ontwikkeld. De oorspronkelijke
regelingen waren beperkt tot specifieke categorieën van diensten, zoals elektronische
diensten, telecommunicatiediensten en omroepdiensten.3
De Richtlijn btw in het digitale tijdperk vormt een volgende stap in de ontwikkeling
van het centrale systeem. Waar eerdere uitbreidingen van de éénloketregelingen in
belangrijke mate samenhingen met specifieke ontwikkelingen, zoals de groei van elektronische
handel, zijn de huidige uitbreidingen met name gericht op verdere vermindering van
administratieve lasten voor ondernemers en verdere vereenvoudiging van grensoverschrijdende
btw-verplichtingen binnen de Unie. Daarbij wordt voortgebouwd op het bestaande systeem
van gecentraliseerde aangifte en afdracht binnen de éénloketregelingen door het toepassingsbereik
daarvan uit te breiden naar aanvullende prestaties.
3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
3.1. Uitbreiding van de Unieregeling
5 – VVD
De leden van de VVD-fractie lezen dat ter vermindering van administratieve lasten
wordt voorgesteld de reikwijdte van de unieregeling uit te breiden, zodat de meeste
grensoverschrijdende goederenleveringen en dienstverrichtingen aan consumenten onder
de regeling vallen. Deze leden vragen welke grensoverschrijdende leveringen en diensten
expliciet níet onder deze uitgebreide Unieregeling zullen vallen. Kan de regering
hiervan een overzicht geven, inclusief de motivering waarom deze uitzonderingen blijven
bestaan?
Daarnaast vragen deze leden of de regering nog verdere mogelijkheden ziet om de reikwijdte
van de Unieregeling in de toekomst verder te verruimen, teneinde administratieve lasten
voor ondernemers verder te beperken. Welke belemmeringen – bijvoorbeeld van juridische,
uitvoerings- of Europeesrechtelijke aard – staan eventuele verdere uitbreiding momenteel
nog in de weg?
De eenloketregeling worden stapsgewijs ingevoerd afhankelijk van evaluaties en effectbeoordelingen
van de Europese Commissie waaruit blijkt dat verdere uitbreiding van de éénloketregelingen
kan bijdragen aan vermindering van registratieverplichtingen in andere lidstaten en
verbetering van de naleving van btw-verplichtingen. Op dit moment zijn er op dit onderwerp
geen evaluaties of effectbeoordelingen voorzien. Toepassing en uitbreiding van de
eenloketregeling blijven onderdeel van gesprek in de gremia die daarvoor in de EU
bestaan, waardoor het bedrijfsleven en lidstaten steeds de mogelijkheid hebben voorstellen
te doen voor verdere verbeteringen.
3.2. Uitbreiding van de éénloketregelingen met de overbrengingsregeling
6 – VVD
De leden van de VVD-fractie lezen dat de nieuwe overbrengingsregeling wordt ingevoerd
om administratieve lasten te verminderen, terwijl lidstaten «tegelijkertijd in staat
worden gesteld de goederenstromen effectief te blijven volgen». Daarbij vervalt de
belastingheffing bij intracommunautaire verwerving en wordt deze vrijgesteld. Hoe
wordt in de praktijk geborgd dat belastingautoriteiten voldoende zicht houden op goederenstromen
bij toepassing van de overbrengingsregeling en acht de regering het risico op btw-fraude
hiermee afdoende ondervangen?
De introductie van de overbrengingsregeling wijzigt niet het uitgangspunt dat zowel
de lidstaat van vertrek als de lidstaat van aankomst zicht moet kunnen houden op goederenstromen
binnen de Unie. In de bestaande systematiek worden overbrengingen gevolgd doordat
deze in de lidstaat van vertrek als intracommunautaire leveringen worden aangegeven
en worden opgenomen in de opgaaf ICP, terwijl in de lidstaat van aankomst sprake is
van een belaste intracommunautaire verwerving (met recht op aftrek) die in de btw-aangifte
wordt verantwoord. Op die wijze beschikken beide lidstaten reeds over informatie over
de betrokken goederenstromen.
Onder de nieuwe overbrengingsregeling wordt de wijze van rapporteren gewijzigd, maar
blijft de informatiepositie van de betrokken lidstaten behouden. De ondernemer die
gebruikmaakt van de overbrengingsregeling geeft de overbrenging van eigen goederen
centraal aan via het éénloketsysteem in de lidstaat van identificatie. Deze centrale
melding bevat per lidstaat van vertrek en bestemming de relevante gegevens over de
verplaatsing van de goederen. De betrokken lidstaten worden via het systeem geïnformeerd
over deze overbrengingen, waardoor de lidstaten de goederen kunnen blijven volgen.
Daarbij wordt in de nieuwe systematiek de overbrenging in de lidstaat van aankomst
niet langer als belastbare intracommunautaire verwerving behandeld, om te voorkomen
dat afzonderlijke aangifteverplichtingen in meerdere lidstaten ontstaan.
Ten aanzien van het risico op btw-fraude merkt het kabinet op dat de overbrengingsregeling
gepaard gaat met aanvullende administratieve verplichtingen. Naast het feit dat de
lidstaten de goederen kunnen volgen via het éénloketsysteem in de lidstaat van identificatie
is de ondernemer gehouden een administratie te voeren waaruit de overbrengingen blijken
en dient deze administratie desgevraagd elektronisch beschikbaar te worden gesteld
aan de betrokken lidstaten. Op deze manier wordt geborgd dat belastingautoriteiten
voldoende zicht houden op de goederenstromen, waardoor het risico op fraude effectief
wordt ondervangen. Daarvoor kan gebruik worden gemaakt van het bestaande handhavingsinstrumentarium.
7 – GroenLinks-PvdA
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten hoe de nieuwe
overbrengingsregeling lidstaten in staat stelt goederenstromen effectief te blijven
volgen als intracommunautaire verwerving voortaan vrijgesteld is.
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 7.
3.3. Verplichtstelling en uitbreiding van de grensoverschrijdende verleggingsregeling
8 – VVD
De leden van de VVD-fractie lezen dat de bestaande, thans optionele, grensoverschrijdende
verleggingsregeling verplicht wordt gesteld, waardoor ondernemers zich in meer gevallen
niet hoeven te registreren in andere lidstaten. Tegelijkertijd wordt gesteld dat ondernemers
hierdoor wel verplicht worden een opgaaf intracommunautaire prestaties (ICP) in te
dienen. Hoe verhoudt de verplichtstelling van extra ICP-verplichtingen zich tot het
doel van lastenverlichting, en verwacht de regering dat dit voor met name mkb-ondernemers
per saldo daadwerkelijk eenvoudiger wordt?
Indien geen verleggingsregeling van toepassing is, geldt dat een in Nederland gevestigde
ondernemer die een prestatie verricht waarop in een andere lidstaat btw is verschuldigd,
zich in die lidstaat voor btw-doeleinden dient te registreren en aldaar btw-aangifte
moet doen. Indien dergelijke prestaties in meerdere lidstaten worden verricht, leidt
dit tot meerdere buitenlandse registraties en bijbehorende, mogelijk verschillende,
administratieve verplichtingen.
Door het verplicht stellen van de grensoverschrijdende verleggingsregeling wordt de
btw-heffing in beginsel verlegd naar de afnemer die in de betreffende lidstaat reeds
als btw-ondernemer is geïdentificeerd. Hierdoor hoeft de leverancier zich in die lidstaat
niet langer te registreren en geen aangifte te doen. Daar staat tegenover dat de ondernemer
in Nederland in de opgaaf ICP moet vermelden welke prestaties naar andere lidstaten
zijn verricht, zodat de belastingautoriteiten zicht houden op de toepassing van de
verleggingsregeling.
Het kabinet is van oordeel dat de verplichtstelling van de verleggingsregeling per
saldo naar verwachting leidt tot een lastenverlichting voor ondernemers. De ICP-opgaaf
brengt weliswaar een aanvullende administratieve verplichting met zich, maar deze
staat niet in verhouding tot de lasten die samenhangen met btw-registraties en aangiften
in andere lidstaten. De maatregel vereenvoudigt daarmee de grensoverschrijdende handel
en verlaagt ook voor het mkb de administratieve lasten en nalevingskosten, terwijl
belastingdiensten zicht blijven houden op de activiteiten.
9 – VVD
De voorgestelde wetswijziging introduceert een aanvullende verleggingsregeling naast
artikel 12, tweede, derde en vijfde lid, Wet OB 1968. Deze nieuwe regeling geldt indien
de leverancier of dienstverlener niet in Nederland is gevestigd, hier geen vaste inrichting
en geen btw-identificatienummer heeft, terwijl de afnemer juist wel een Nederlands
btw-identificatienummer heeft en het geen intracommunautaire levering of reeds onder
artikel 12, tweede lid, vallende dienst betreft. De leden van de VVD-fractie delen
het standpunt van de NOB dat deze systematiek complex en verwarrend is nu er sprake
is van overlappende regelingen en ondernemers mede de Btw-richtlijn moeten raadplegen
om hun verplichtingen vast te stellen. Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid en eenvoud
meent de NOB dat het de voorkeur heeft de nieuwe regeling op te nemen in en samen
te voegen met artikel 12, derde lid, Wet OB 1968 en in artikel 37a rechtstreeks naar
deze bepaling te wijzen. In een nieuw vierde lid kan dan aangegeven worden dat de
verleggingsregeling ook geldt indien de afnemer een btw-ondernemer is die niet voor
de btw is geregistreerd in Nederland, maar daar wel is gevestigd, of als het gaat
om een lichaam in de zin van de AWR zonder btw-registratie. Deelt de regering de mening
dat deze splitsing de wetgeving overzichtelijker en eenvoudiger toepasbaar zou maken?
De leden van de VVD-fractie verwijzen naar het standpunt van de NOB dat de systematiek
van de verleggingsregeling complex en verwarrend is, nu sprake is van overlappende
regelingen. Het voorstel van de NOB strekt ertoe de desbetreffende bepalingen in artikel
12 Wet OB 1968 te herstructureren, teneinde deze complexiteit te verminderen.
Het kabinet merkt op dat de door de NOB gesignaleerde complexiteit met name ziet op
situaties waarin artikel 12, derde lid, Wet OB 1968 en het voorgestelde artikel 12,
vierde lid, Wet OB 1968 naast elkaar van toepassing kunnen zijn. Het herstructureren
of samenvoegen van deze bepalingen neemt die overlap in de praktijk niet weg, omdat
ook na een dergelijke aanpassing – afhankelijk van de feiten en omstandigheden – meerdere
verleggingsbepalingen van toepassing kunnen blijven.
Voorts acht het kabinet het niet aangewezen om in artikel 37a Wet OB 1968 een verwijzing
op te nemen naar artikel 12 Wet OB 1968. De verplichting tot het doen van een opgaaf
ICP in Nederland hangt niet samen met in Nederland verlegde btw op grond van artikel
12 Wet OB 1968, maar met de in andere lidstaten toegepaste verleggingssystematiek
op grond van artikel 194 BTW-richtlijn 2006. Om die reden volstaat de voorgestelde
systematiek.
Het kabinet erkent evenwel dat voor de kenbaarheid van de regeling wenselijk is de
verhouding tussen artikel 12, derde lid, Wet OB 1968 en het voorgestelde artikel 12,
vierde lid, Wet OB 1968 te verduidelijken. Om die reden wordt bij nota van wijziging
in het voorgestelde artikel 12, vierde lid, Wet OB 1968 verduidelijkt dat indien dat
lid van toepassing is, artikel 12, derde lid, Wet OB 1968 buiten toepassing blijft.
5. Gevolgen
5.1. Effecten voor bedrijven en burgers
10 – VVD
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet stelt dat het doel «het verminderen
van de administratieve lasten die voortvloeien uit btw-registraties in meerdere lidstaten»
is en dat de lastenverlichting voor ondernemers wordt geraamd op € 81 miljoen. Tegelijkertijd
worden nieuwe verplichtingen geïntroduceerd zoals aanvullende btw-meldingen en administratieve
eisen binnen de éénloket- en overbrengingsregeling. Kan de regering nader onderbouwen
hoe deze lastenverlichting van € 81 miljoen is berekend en in hoeverre daarin rekening
is gehouden met de extra administratieve verplichtingen die ondernemers krijgen bij
de uitbreiding van de éénloketregelingen?
De inschatting van de lastenverlichting van € 81 miljoen voor Nederlandse ondernemers
is gebaseerd op de effectbeoordeling van de Europese Commissie die ten grondslag ligt
aan het richtlijnvoorstel.4 In deze effectbeoordeling zijn zowel de lastenverlichting meegenomen als gevolg van
het vervallen van btw-registratie- en aangifteplichten in andere lidstaten als de
bijkomende administratieve verplichtingen, waaronder aanvullende btw-meldingen.
De totale jaarlijkse lastenverlichting voor bedrijven in de Unie wordt door de Europese
Commissie geraamd op circa € 830 miljoen. Op basis van Eurostat-gegevens is vervolgens
bepaald welk deel van dit totaal toerekenbaar is aan in Nederland gevestigde ondernemers
die grensoverschrijdende activiteiten verrichten. Op basis hiervan wordt het Nederlandse
aandeel geraamd op circa 10 procent. Dit leidt tot een geraamde administratieve verlichting
voor Nederland van ongeveer € 81 miljoen.
11 – VVD
De leden van de VVD-fractie lezen dat de éénloketregelingen optioneel blijven en dat
ondernemers zelf een afweging kunnen maken of toepassing voor hen gunstig is. Tegelijkertijd
leidt het wetsvoorstel ertoe dat bepaalde regelingen, zoals de verleggingsregeling,
verplicht worden gesteld. In welke concrete situaties verwacht de regering dat ondernemers
er juist níet voor zullen kiezen om de Unieregeling toe te passen, en acht de regering
het risico aanwezig dat ondernemers door de complexiteit van de keuzes alsnog hogere
nalevingskosten krijgen?
De toepassing van de Unieregeling is voor ondernemers met name voordelig indien zij
prestaties verrichten aan niet-ondernemers in meerdere lidstaten en deze prestaties
binnen het toepassingsbereik van de regeling vallen. In een aantal situaties ligt
het echter niet voor de hand dat ondernemers voor toepassing van de Unieregeling kiezen.
Allereerst ligt toepassing niet in de rede voor in Nederland gevestigde ondernemers
die uitsluitend binnen Nederland prestaties verrichten. Zij verrichten geen grensoverschrijdende
leveringen of diensten waarop de Unieregeling van toepassing kan zijn en ondervinden
derhalve geen voordeel van de regeling.
Ten tweede zullen ondernemers die hoofdzakelijk prestaties verrichten aan andere ondernemers
(B2B) doorgaans niet voor de Unieregeling kiezen. Deze prestaties vallen in beginsel
buiten het toepassingsbereik van de Unieregeling, onder meer omdat in dergelijke gevallen
veelal de verleggingsregeling of het nultarief van toepassing is.
Ten derde ligt toepassing van de Unieregeling minder voor de hand indien een ondernemer
in meerdere lidstaten te maken heeft met voorbelasting. In die gevallen kan het, afhankelijk
van de situatie, efficiënter zijn om lokale btw-registraties te behouden, zodat het
recht op aftrek van voorbelasting rechtstreeks in de aangifte in de betreffende lidstaat
kan worden uitgeoefend.
Ten slotte ligt toepassing niet voor de hand voor ondernemers die uitsluitend prestaties
verrichten die onder bepaalde bijzondere regelingen vallen, zoals de margeregeling.
Deze prestaties vallen buiten het toepassingsbereik van de Unieregeling, waardoor
toepassing daarvan geen vereenvoudiging oplevert en slechts extra administratieve
verplichtingen zou meebrengen.
12 – VVD
De leden van de VVD-fractie lezen dat vooral ondernemers in sectoren zoals energievoorziening
en de bouw baat zullen hebben bij de uitbreiding van de Unieregeling. Tegelijkertijd
wordt de samenloop met regelingen voor kleinere ondernemers, zoals de drempel van
€ 10.000 en de kleineondernemersregeling, aangescherpt. Kan de regering nader toelichten
wat de gevolgen van dit wetsvoorstel zijn voor kleine ondernemers en zzp’ers die grensoverschrijdend
actief zijn en in hoeverre zij voldoende worden ondersteund bij het maken van de juiste
fiscale keuzes?
Het kabinet meent dat de uitbreiding van de Unieregeling niet leidt tot een verscherping
van de samenloop met de kleineondernemersregeling (KOR) of de € 10.000-drempelregeling.
De uitsluiting van de € 10.000-drempel in gevallen waarin een ondernemer gebruikmaakt
van de Unieregeling ligt voor de hand aangezien beide regelingen ertoe strekken administratieve
lasten te beperken door te voorkomen dat ondernemers zich in andere lidstaten moeten
registreren en aldaar aangiften moeten doen.
De € 10.000-drempelregeling is gebaseerd op het uitgangspunt van heffing in de lidstaat
van oorsprong, terwijl de btw-heffing binnen de Unieregeling is gebaseerd op het bestemmingslandbeginsel.
Deze systematiek verschilt fundamenteel. Voorts is gelijktijdige toepassing van beide
regelingen niet beoogd omdat dit ertoe kan leiden dat een ondernemer aan de administratieve
verplichtingen van de Unieregeling moet voldoen, terwijl hij op grond van de drempelregeling
geen belaste prestaties in een andere lidstaat heeft.
Voorts brengt het onderhavige wetsvoorstel geen wijzigingen aan in de verhouding tussen
de KOR en de Unieregeling. Ondernemers kunnen beide regelingen in beginsel blijven
toepassen, mits aan de voorwaarden van beide regelingen wordt voldaan.
Voor kleine ondernemers die grensoverschrijdend actief zijn, leidt de implementatie
van de Richtlijn btw in het digitale tijdperk niet tot nadelige gevolgen. Voor zover
zij handelingen verrichten die voorheen niet onder de éénloketregelingen vielen, kunnen
zij na implementatie juist gebruikmaken van de Unieregeling indien dit leidt tot een
vermindering van administratieve verplichtingen en registratieverplichtingen in andere
lidstaten.
Ten aanzien van de vraag in hoeverre kleine ondernemers zullen worden begeleid bij
hun keuze voor de éénloketregelingen, merkt het kabinet op dat de Belastingdienst
hierover zal communiceren via de reguliere kanalen. De individuele afweging of het
voordelig is om al dan niet te opteren voor een bepaalde regeling, behoort echter
tot de verantwoordelijkheid van de ondernemer zelf. De ondernemers dienen zelfstandig
te beoordelen in hoeverre de voordelen van deelname aan de regeling opwegen tegen
eventuele nadelen, toegespitst op hun specifieke situatie.
13 – VVD
Is of wordt overwogen de drempel van € 10.000 te verhogen?
Gedurende de onderhandelingen over de Richtlijn btw in het digitale tijdperk is een
verhoging van de € 10.000-drempel geen onderdeel van de besprekingen geweest. Een
verhoging van deze drempel zou zich overigens minder goed verhouden tot de doelstellingen
van de richtlijn, namelijk enerzijds het waarborgen van belastingheffing in de lidstaat
van consumptie en anderzijds het beperken van administratieve lasten en het voorkomen
van concurrentieverstoringen door middel van een centraal aangiftesysteem.
14 – VVD
Hoe verhoudt deze drempel zich met drempels die in andere lidstaten worden gehanteerd?
Lidstaten hebben op dit punt geen nationale beleidsruimte. De drempel van € 10.000
is uniform van toepassing binnen de lidstaten en volgt rechtstreeks uit de BTW-richtlijn
2006.
5.2. Doeltreffendheid en doelmatigheid
15 – VVD
De leden van de VVD-fractie lezen dat de maatregelen bijdragen aan een gelijkwaardiger
concurrentiepositie tussen binnenlandse ondernemers en ondernemers uit andere lidstaten.
Tegelijkertijd biedt de richtlijn weinig beleidsruimte voor nationale keuzes. Hoe
beoordeelt de regering de effecten van dit wetsvoorstel op de concurrentiepositie
van Nederlandse ondernemers ten opzichte van ondernemers uit andere lidstaten?
Het kabinet verwacht dat de voorgestelde harmonisatie en uitbreiding van de éénloketregelingen,
in combinatie met de verplichtstelling van de grensoverschrijdende verleggingsregeling,
zal leiden tot een verbetering van de concurrentiepositie van in Nederland gevestigde
ondernemers ten opzichte van ondernemers uit andere lidstaten. Doordat de noodzaak
tot btw-registraties en aangifteverplichtingen in andere lidstaten in belangrijke
mate vervalt, worden bestaande fiscale belemmeringen voor grensoverschrijdende handel
verminderd. Daarnaast leidt de verdere harmonisatie van regels binnen de Unie ertoe
dat verschillen in nationale uitvoeringspraktijken en administratieve lasten verder
worden beperkt, waardoor concurrentieverstoringen worden tegengegaan. De beperkte
nationale beleidsruimte die de richtlijn laat, past binnen de benadering om gelijke
concurrentieverhoudingen binnen de interne markt zoveel mogelijk te waarborgen.
6. Uitvoeringskosten Belastingdienst
16 – D66
De leden van de D66-fractie hebben enkele vragen over de uitvoerbaarheid van het voorstel.
Zij lezen dat de implementatie deels afhankelijk is van het nieuwe OB-pakket van de
Belastingdienst en dat de uitvoeringstoets in 2027 wordt herijkt. Kan de regering
nader toelichten welke risico’s er op dit moment in beeld zijn voor tijdige implementatie?
Is de regering ervan overtuigd dat tijdige implementatie gaat lukken?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 18.
17 – VVD
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Belastingdienst de maatregelen uitvoerbaar
acht, maar dat de implementatie is opgesplitst in twee delen en deels afhankelijk
is van het nieuwe OB-pakket/GenTax. Tevens wordt gesproken over een mogelijke «terugvalmogelijkheid»
indien de planning onder druk komt te staan. Welke risico’s ziet de regering concreet
voor de tijdige implementatie van dit wetsvoorstel bij de Belastingdienst en wat houdt
de genoemde terugvalmogelijkheid precies in voor ondernemers en hun aangifteverplichtingen?
Zoals ook wordt toegelicht in de Kamerbrief Digitale autonomie bij de Belastingdienst
waarmee uw Kamer separaat is geïnformeerd op 11 juni 2026, wordt – behoudens de in
de brief toegelichte vertraging rondom de implementatie van de VAT-refund regeling
in het nieuwe OB-systeem – op dit moment geen vertraging voorzien rondom de implementatie
van de overige regelingen in het OB-pakket/GenTax. Bij de planning van de Wet implementatie
Richtlijn btw in het digitale tijdperk – enkele btw-registratie is rekening gehouden
met het risico van mogelijke onvoorziene vertraging in het traject van de modernisering
van de omzetbelasting. Door het inbouwen van een terugvalmogelijkheid wordt het risico
op een niet-tijdige implementatie van de tweede release gemitigeerd.
De haalbaarheid van de planning voor de Wet implementatie Richtlijn btw in het digitale
tijdperk – enkele btw-registratie wordt overeenkomstig de uitvoeringstoets eind 2026
herijkt. Indien op dat moment onvoldoende zekerheid bestaat over een implementatie
van de tweede release per 1 juli 2028 rechtstreeks in het nieuwe OB-pakket (zogeheten
«Gentax»), is er – op basis van huidige inzichten – nog voldoende tijd om te kiezen
voor een zogenoemde terugvalmogelijkheid. Over deze keuze zal uiterlijk op 1 januari
2027 definitief besloten worden.
De terugvalmogelijkheid houdt in dat de maatregelen worden gerealiseerd in de bestaande
oplossing voor de éénloketregelingen (het zogenoemde «Noodspoor»). De voorbereidingen
voor deze mogelijkheid worden reeds getroffen. Voor ondernemers heeft dit geen praktische
gevolgen. De implementatie van de Richtlijn btw in het digitale tijdperk – enkele
btw-registratie betreft een uitbreiding op de bestaande éénloketregelingen die al
structureel verlopen via de huidige oplossing. Indien van de terugvalmogelijkheid
gebruik moet worden gemaakt, zullen de éénloketregelingen op een later moment alsnog
volledig overgaan naar het nieuwe OB-pakket.
18 – VVD
Treedt er verdringing op in het IV-portfolio als van deze terugvalmogelijkheid gebruik
moet worden gemaakt?
De benodigde inzet (uitgedrukt in IV-dagen) en de doorlooptijd voor de implementatie
van de terugvalmogelijkheid zijn reeds in kaart gebracht. Indien van deze terugvalmogelijkheid
gebruik moet worden gemaakt, dan leidt dit naar de huidige inzichten niet tot verdringing
in het IV-portfolio. Dit komt doordat – bij het stoppen van het Hoofdspoor – hiervoor
IV-capaciteit is gereserveerd.
19 – CDA
Ten aanzien van de uitvoeringstoets hebben de leden van de CDA-fractie enkele vragen.
Deze leden merken op dat de implementatie van de regeling voor btw e-commerce enkele
jaren geleden al grote problemen in de uitvoering opleverde omdat het niet kon worden
geïmplementeerd in de ICT-systemen van de Belastingdienst. Om de implementatiedeadline
te halen, werd daarom een handmatig noodspoor ingesteld waar veel extra fte en kosten
mee gepaard gingen. Deze leden zien nu in deze uitvoeringstoets weer eenzelfde risico.
Het eerste deel wordt uitgevoerd onder het destijds ingestelde noodspoor, terwijl
het tweede deel in een systeem moet worden verwerkt dat er nog niet is en waar de
Belastingdienst dus ook nog geen ervaring mee heeft. Zij vragen of het kabinet uiteen
kan zetten wat de gevolgen voor de uitvoering zijn als blijkt dat planning per 2027
in het OB-Pakket/GenTax niet mogelijk is en hoe een fall-back scenario er dan uit
zou kunnen zien.
Voor de eerste release van de regeling bestaat geen afhankelijkheid van het nieuwe
OB-Pakket/GenTax. Deze release zal binnen de huidige btw e-commercesystemen worden
geïmplementeerd. De voorbereidingen hiervoor verlopen volgens planning. Wat betreft
de tweede release, per juli 2028, is er wel een afhankelijkheid van de implementatie
van het nieuwe OB-pakket/GenTax. Vooralsnog worden er geen knelpunten verwacht met
betrekking tot de implementatie van de binnenlandse omzetbelasting in het OB-Pakket/GenTax
per juli 2027 en van de éénloketregelingen per juli 2028. Daarbij wordt rekening gehouden
met de definitief vast te stellen nieuwe livegangdatum voor VAT-refund.
Indien onverhoopt blijkt dat implementatie in het OB-Pakket/GenTax per genoemde datum
niet haalbaar is, is voorzien in een zogenoemde terugvalmogelijkheid. Dat wil zeggen
dat de benodigde maatregelen worden gerealiseerd binnen het bestaande noodspoor. De
voorbereidingen voor dit scenario zijn reeds gestart, zodat tijdige realisatie mogelijk
blijft. Voor de dienstverlening aan ondernemers die gebruik maken van de éénloketregelingen
heeft het gebruik van het noodspoor geen gevolgen: het niveau van dienstverlening
blijft in dat geval ten minste gelijk aan de huidige situatie.
20 – CDA
Ook vragen zij wat daarvan mogelijke personele en budgettaire implicaties zouden zijn.
De extra werkzaamheden die voortvloeien uit de implementatie van de Richtlijn btw
in het digitale tijdperk – enkele btw-registratie (release 2) binnen het noodspoor
zijn reeds gereserveerd binnen het portfolio voor de modernisering van de omzetbelasting.
De personele gevolgen voor de uitvoering zijn meegenomen in de uitvoeringstoets. Indien
als gevolg van vertraging in de modernisering van de omzetbelasting de Tijdelijke
Organisatie e-commerce langer in stand moet blijven, zullen de hiermee samenhangende
gevolgen worden betrokken bij de herplanning van het programma Modernisering OB.
De Staatssecretaris van Financiën,
E. Eerenberg
Ondertekenaars
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.