Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 868 Wijziging van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie en enkele andere wetten in verband met de implementatie van richtlijn nr. (EU) 2023/1791 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/955 (herschikking) (Pb EU 2023, L 231)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 28 mei 2026
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het door de vaste commissie voor Klimaat
en Groene Groei uitgebrachte verslag over het voorstel van wet tot wijziging van de
Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie en enkele andere wetten in verband
met de implementatie van richtlijn nr. (EU) 2023/1791 van het Europees Parlement en
de Raad van 13 september 2023 betreffende energie-efficiëntie en tot wijziging van
Verordening (EU) 2023/955 (herschikking) (Pb EU 2023, L 231). Ik ben de verschillende
fracties erkentelijk voor hun inbreng.
Met het oog op de algemene leesbaarheid en toegankelijkheid van deze nota naar aanleiding
van verslag zijn diverse praktische keuzes gemaakt. Graag licht ik deze kort toe.
In lijn met het Draaiboek voor de regelgeving (aanwijzing 58) en de Aanwijzingen voor
de regelgeving (aanwijzing 7.18) volgt deze nota naar aanleiding van verslag de indeling
van het verslag en is ervoor gekozen de tekst van het verslag integraal over te nemen
en daar de puntsgewijze beantwoording van de vragen tussen te plaatsen. Om goed onderscheid
te maken tussen de tekst uit het verslag en mijn reactie, is voor de weergave van
het verslag de cursieve
opmaak gebruikt en voor de reactie de niet-cursieve opmaak. In het verslag zijn diverse afkortingen
gedefinieerd en gebruikt. Deze worden gevolgd, maar omwille van de duidelijkheid worden
deze afkortingen ook in mijn reactie nogmaals gedefinieerd. Er is gebruik gemaakt
van het advies in de Aanwijzingen voor de regelgeving (aanwijzing 7.18) om de vragen
in het verslag te nummeren; dit maakt ook het verwijzen binnen het document eenvoudiger.
De fracties hebben regelmatig vragen gesteld over min of meer dezelfde inhoudelijke
thema’s, maar niet altijd op dezelfde plek. Omdat het verslag integraal is overgenomen,
ontstaat hierdoor een zekere mate van herhaling in de vragen. Ter illustratie: vraag
2 en 3 zien beide op de gevolgen van late implementatie. In dergelijke situaties is
er regelmatig voor gekozen om bij de eerste vraag waar dit thema aan bod komt een
uitgebreid antwoord te geven. Bij latere vragen volgt een verwijzing.
I Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende
wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven de stelling in de memorie van toelichting
dat we energie die we niet gebruiken, ook niet hoeven te produceren, transporteren,
betalen of importeren. Daarnaast maakt het besparen van energie de Europese Unie (EU)
en Nederland minder afhankelijk van derde landen voor fossiele brandstoffen. Meer
energiebesparing draagt dus bij aan betaalbaarheid, veiligheid het halen van klimaatdoelen.
De leden van de D66-fractie constateren dat de regering bij de implementatie van de
herziene richtlijn energie-efficiëntie (EED) kansen laat liggen om energiebesparing
krachtiger te verankeren in Nederlandse wet- en regelgeving. Zij hebben daarom enkele
kritische vragen over het wetsvoorstel.
Vraag 1
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich af hoe het besluit om circa 40.000
bedrijven te vrijwaren van de energiebesparingsplicht zich verhoudt tot de klimaat-
en energiebesparingsdoelen, die al ver uit zicht zijn. Zij vragen wat de verwachte
CO2-impact is van deze vrijstelling en wat de impact zal zijn bij de voorgenomen verlenging
van de energiebesparingsplicht naar 7 jaar. Kan de regering ook reflecteren op de
waarschuwing van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) dat de deskundigheid
van handhavers die zijn gespecialiseerd in bedrijven die gevrijwaard gaan worden moet
worden afgestoten en moeilijk opnieuw op te bouwen is?
Antwoord vraag 1
De huidige situatie in het Midden-Oosten leidt tot verstoring op de energiemarkten
en raakt Nederlandse huishoudens en bedrijven. Deze situatie, maar ook bredere geopolitieke
onzekerheid over de leveringen van energie onderstrepen het belang van energiebesparing.
Energiebesparing is een essentieel onderdeel van de strategie om minder afhankelijk
te worden van derde landen en om weerbaarder te zijn tegen prijsschokken. Om deze
reden is besloten om af te zien van de ophoging van de elektriciteitsondergrens van
de energiebesparingsplicht zoals eerder aangekondigd in de Kamerbrief van 18 december
2025.1 De Tweede Kamer zal op korte termijn nader worden geïnformeerd over de actualisatie
van de energiebesparingsplicht. Het behouden van de ondergrens zorgt ervoor dat er
geen energiebesparingspotentieel (en bijbehorende CO2-impact) verloren gaat. Met het ophogen van de terugverdientijd naar 7 jaar neemt
het energiebesparingspotentieel naar schatting met ongeveer 11 PetaJoule (PJ) toe,
wat eveneens de CO2-impact vermindert. Deze toename in besparingspotentieel is op meerdere aannames gestoeld.
Het verder doorrekenen naar CO2-impact is niet wenselijk, omdat dan nog meer aannames worden gedaan en dit niet leidt
tot een betrouwbare kwantificering van het CO2-reductiepotentieel.
Met het niet doorvoeren van de aanpassing van de ondergrens wordt ook tegemoetgekomen
aan de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten geuite zorg.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel.
Deze leden onderschrijven het belang van energiebesparing in de klimaat- en energietransitie.
Energie die we besparen, hoeven we namelijk niet te produceren, vervoeren of betalen.
Minder energieverbruik maakt ons daarnaast ook onafhankelijker, houdt energie betaalbaar
voor burgers en bedrijven en is belangrijk voor een stabiel en toekomstbestendig energiesysteem.
Deze leden hebben een aantal vragen voor de regering over deze wetswijzing. Deze vragen
gaan voornamelijk over de praktische toepassing van het energie-efficiëntie-eerstbeginsel
en de voortgang op energiebesparingsdoelen.
De leden van de JA21-fractie hebben van het voorliggende wetsvoorstel kennisgenomen.
Zij verzoeken de regering de door hen hieronder gesteld vragen concreet en controleerbaar
te beantwoorden en tijdig concept-lagere regelgeving te sturen, zodat controle door
de Kamer en de uitvoerbaarheid geborgd zijn.
1. Doel en aanleiding
Vraag 2
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de gevolgen zijn van de late omzetting
naar nationale wet- en regelgeving. Kan de regering aangeven wat het beoogde tijdspad
is van de implementatie van de wet, en wat de consequenties zijn als daaraan niet
wordt voldaan? Kan de regering ook aangeven wat de stand van zaken is van de lagere
regelgeving?
Antwoord vraag 2
De implementatietermijn van de richtlijn is inmiddels verstreken. De Europese Commissie
heeft Nederland, net als 25 andere lidstaten, op 20 november 2025 in gebreke gesteld
in verband met de niet tijdige implementatie van de richtlijn. Het kabinet heeft hierop
schriftelijk gereageerd. De volgende stap bij een inbreukprocedure is het uitbrengen
van een met redenen omkleed advies door de Europese Commissie. De uiterste consequentie
is dat de Europese Commissie een zaak aanhangig kan maken bij het Hof van Justitie
van de Europese Unie en het Hof daarbij kan vragen om een forfaitere som aan Nederland
op te leggen.
Wanneer het wetsvoorstel door de Tweede Kamer is aangenomen, volgt de behandeling
van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer. Het kabinet hoopt op een voorspoedige behandeling
van het wetsvoorstel in beide Kamers. De internetconsultatie van de algemene maatregel
van bestuur (amvb), waarmee de richtlijn ook in lagere regelgeving wordt geïmplementeerd,
heeft plaatsgevonden van 17 december 2025 tot en 25 januari 2026.2 De reacties uit de consultatie worden momenteel verwerkt. Op korte termijn zal de
amvb ter implementatie van de richtlijn bij de beide Kamers worden voorgehangen. Daaropvolgend
zal de amvb voor advies worden aangeboden aan de Afdeling advisering van de Raad van
State.
Vraag 3
De leden van de JA21-fractie vragen welke gevolgen de overschrijding van de implementatietermijn
heeft (gehad) en welke risico’s resteren tot inwerkingtreding
Antwoord vraag 3
Zie ook het antwoord op vraag 2. Naar mate de inwerkingtreding verder in de tijd komt
te liggen kan dit leiden tot een kortere periode tussen inwerkingtreding en wanneer
overheidsinstanties en ondernemingen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving. Communicatie
op basis van de herziene richtlijn is al opgestart.
2. Implementatiewetgeving
2.1 Herschikking van de richtlijn energie-efficiëntie
Vraag 4
De leden van de D66-fractie constateren dat energiebesparing onder de huidige richtlijn
ook gerealiseerd dienen te worden middels nationaal beleid dat additioneel is aan
Europese regelgeving. Deze leden vragen of de huidige nationale maatregelen op het
vlak van energiebesparing voldoende zijn om de Europese energie-efficiënte streefcijfers
te halen. Zij vinden nationale energiebesparingsplicht voor bedrijven met een terugverdientijd
van vijf jaar of minder een goed voorbeeld van Nederlands beleid.
Antwoord vraag 4
Voor het behalen van het Europese energie-efficiëntie doel (onderdeel van artikel
4 van de richtlijn) is het niet nodig dat de doelstelling volledig wordt gerealiseerd
door additioneel nationaal beleid (artikel 8 van de richtlijn). Naast de energiebesparing
die wordt gerealiseerd als resultaat van de maatregelen die voortkomen uit de implementatie
van andere artikelen van de richtlijn draagt ook Europese regelgeving zoals de Ecodesign-richtlijn
bij aan het behalen van de Europese energie-efficiëntie doelstelling. Ook externe
factoren zoals zachte winters of economische conjunctuur, of juist structurele economische
veranderingen, zoals innovatie in of verplaatsing van industriële processen, kunnen
bijdragen aan het behalen van de doelstelling.
De bindende doelstelling van artikel 8 van de richtlijn schrijft voor dat lidstaten
daadwerkelijk beleid realiseren dat zich richt op energiebesparing. Dit beleid dient
additioneel te zijn op Europees beleid. Het nationale doel telt op tot 1300 PJ energiebesparing
vanaf 2021 tot 2030, waarbij in de Klimaat en Energie Verkenning 2024 (KEV’24)3 van het PBL wordt aangegeven dat Nederland naar verwachting uitkomt op een besparing
tussen 1.030 en 1.550 PJ. Tot en met 2024 bedroeg de energiebesparing door nationaal
beleid in Nederland 1.039,8 PJ, waarmee Nederland goed op koers ligt om in 2030 aan
de bovenkant van de bandbreedte uit de KEV’24 uit te komen. De RVO ziet toe op de
monitoring van het doelbereik. De methode en voortgang is vastgelegd in het Methodedocument
Energiebesparing.4 De besparingen die in Nederland gerealiseerd worden door de energiebesparingsplicht
vormen een belangrijk onderdeel van het behalen van de doelstelling uit artikel 8.
Daarnaast dragen verschillende andere maatregelen bij aan het behalen de doelstelling
van artikel 8 zoals de Energie-investeringsaftrek (EIA)5 en de Versnelde klimaatinvesteringen industrie (VEKI).6
Vraag 5
De leden van de D66-fractie vragen de regering om een totaaloverzicht te verstrekken
van het totaal aan Nederlandse maatregelen op het gebied van energiebesparing. Kan
dit overzicht worden gepresenteerd in een tabel, gecategoriseerd per sector, inclusief
een inschatting van de verwachte energiebesparing.
Antwoord vraag 5
Het Nederlandse beleid waarmee energie wordt bespaard kan ook beleid zijn dat een
ander hoofddoel heeft. Het kabinet ziet energiebesparing namelijk niet als aparte
opgave, maar in samenhang met andere doelen zoals CO2-reductie, strategische onafhankelijkheid en betaalbaarheid van energie. Een voorbeeld
hiervan is de Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatie+-(DEI+) subsidie7 die zowel projecten op Carbon Capture and Utility Storage (CCUS) als doel heeft,
maar ook projecten stimuleert die energie besparen. Om deze en andere redenen, zoals
bijvoorbeeld de overlap of samenhang met andere beleidsmaatregelen, is het moeilijk
in te schatten wat het exacte energiebesparingseffect is van afzonderlijke maatregelen.
Om te kunnen sturen richting de toekomst vraagt het kabinet het PBL elk jaar in kaart
te brengen hoeveel het Nederlandse beleid bijdraagt aan de energiebesparingsdoelstellingen.
Het PBL doet dit aan de hand van verschillende aannames en complexe modellen, omdat
de effecten van individuele beleidsmaatregelen vaak niet te onderscheiden zijn.
Vraag 6
Daarnaast constaterende deze leden dat de regering voornemens is om de ondergrens
van de energiebesparingsplicht te verhogen van 50.000 kWh/jaar naar 100.000 kWh/jaar.
Het gevolg is dat voor 40.000 bedrijven en instellingen deze verplichting wegvalt.
Deze leden vragen de regering te reflecteren op dit voornemen met het oog op de doelen
uit de EU-richtlijn.
Antwoord vraag 6
Zie het antwoord op vraag 1. Het kabinet heeft besloten van dit voornemen af te zien.
Vraag 7
De leden van de CDA-fractie constateren dat de herziene Europese richtlijn energie-efficiëntie
de voorbeeldrol van overheidsinstanties bij het terugdringen van het energiegebruik
onderstreept. Zo verplicht artikel 6 van de richtlijn lidstaten om jaarlijks minimaal
3% van de totale vloeroppervlakte van verwarmde en/of gekoelde gebouwen, met een totale
bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m², die eigendom zijn van overheidsinstanties
te renoveren tot bijna-energieneutrale of emissievrije gebouwen. Ook wordt met bindende
en oplopende besparingsdoelstellingen voor overheidsinstanties van lidstaten verwacht
dat zij structureel en tijdig maatregelen treffen. Deze leden achten het van belang
om niet alleen inzicht te hebben in de voortgang tot nu toe, maar ook in de mate waarin
het huidige beleid voldoende is om de aangescherpte doelen richting 2030 te realiseren.
Zij vragen de regering daarom wat de huidige stand van zaken is wat betreft het finale
energiegebruik van overheidsinstanties in Nederland ten opzichte van het referentiejaar
2021. Zij vragen de regering tevens inzichtelijk te maken in hoeverre Nederland op
koers ligt om vanaf 2027 te voldoen aan de bindende jaarlijkse besparing van 1,9%
voor overheidsinstanties.
Antwoord vraag 7
Het CBS heeft een inschatting gemaakt van de het energiegebruik van overheidsinstanties
tussen 2021 en 2023. Deze informatie is echter onvolledig, doordat er geen inzicht
is in de hoeveelheid energie die de instanties zelf opwekken én zelf gebruiken. Ook
mist het energiegebruik in gehuurde panden, vervoer en straatverlichting. Wel laat
de inschatting van het CBS zien dat er in 2022 al veel bespaard is, wat positief stemt.
Dit komt waarschijnlijk door maatregelen zoals de thermostaat op maximaal 19 graden
te zetten in de winter en versnelde verduurzaming. Met het wetsvoorstel en de onderliggende
regelgeving wordt door het opnemen van een plan- en rapportageverplichting over het
energiegebruik van overheidsinstanties in een oplossing voorzien voor het huidige
gebrek aan inzicht in het energiegebruik van overheidsinstanties. De eerste data worden
beschikbaar nadat de overheidsinstanties voor het eerst hebben gerapporteerd, uiterlijk
1 december 2026.
Vraag 8
De leden van de CDA-fractie lezen dat als blijkt dat de gezamenlijke reductie van
energie minder dan 1,9% bedraagt er mogelijk een additionele opgave opgelegd kan worden.
Deze leden vragen in dat kader welke beleidsmaatregelen tot nu toe het meeste effect
hebben gehad op het realiseren van energiebesparing en welke aanvullende maatregelen
in beeld komen op het moment dat achterstanden in moeten worden gelopen om de doelen
voor 2030 te halen.
Antwoord vraag 8
Wanneer de bindende doelstelling niet wordt gehaald, kan de restopgave verdeeld worden
over verschillende partijen in de publieke sector. Over het algemeen zit het energiegebruik
van veel overheidsinstanties voornamelijk in gebouwen. De meest effectieve maatregelen
in die categorie zitten in isolatie en het juist instellen van installaties. Voor
het verduurzamen van maatschappelijk vastgoed is de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk
vastgoed (DUMAVA)8 beschikbaar. Hier wordt volop gebruik van gemaakt.
Bij het niet behalen van de doelstelling is het afhankelijk van de sectoren die achterblijven
wat concrete effectieve maatregelen kunnen zijn. Voor bijvoorbeeld Rijkswaterstaat
zijn andere maatregelen effectief dan voor een kleine gemeente. Met het voorgestelde
artikel 18b van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie wordt een plan-
en rapportageverplichting voor overheidsinstanties over het energiegebruik geïntroduceerd.
In de onderliggende regelgeving worden deze verplichtingen verder uitgewerkt en wordt
geregeld dat naast het rapporteren over het energiegebruik ook moet worden gerapporteerd
over energiebesparende maatregelen. Door de plan- en rapportageverplichting zal meer
inzicht over het energiegebruik van overheidsinstanties en de te behalen energiebesparing
worden verkregen. Hierdoor zal ook een beter inzicht worden verkregen over welke aanvullende
maatregelen kunnen worden genomen in het geval dat de reductie van het energiegebruik
door overheidsinstanties onvoldoende blijkt.
Vraag 9
De leden van de CDA-fractie merken op dat artikel 8 van de richtlijn lidstaten verplicht
om via nationaal beleid jaarlijks oplopende energiebesparingen te realiseren in de
periode 2021–2030. Dit vraagt om een consistente en tijdige inzet van effectieve beleidsmaatregelen
en inzicht in de voortgang tot nu toe. Deze leden vragen de regering daarom om inzichtelijk
te maken wat de huidige stand van zaken is van de gerealiseerde energiebesparingen
door nationaal beleid en in hoeverre Nederland daarmee op koers ligt om te voldoen
aan de vereiste jaarlijkse besparingen van 1,3% in 2024–2025, oplopend tot 1,9% in
de periode 2028–2030. Deze leden vragen de regering tevens aan te geven welke eventuele
aanvullende maatregelen, beleidsintensiveringen of aanpassingen nodig kunnen zijn
om ervoor te zorgen dat Nederland de verplichtingen uit artikel 8 tijdig en volledig
behaalt.
Antwoord vraag 9
Zie het antwoord op vraag 4 voor de huidige stand van zaken. Doordat Nederland op
koers ligt om de doelstelling, die volgt uit artikel 8 van de richtlijn, te bereiken
zijn er geen aanvullende maatregelen voorzien voor het behalen van deze specifieke
doelstelling. Het kabinet blijft uiteraard inzetten op energiebesparing.
Vraag 10
De leden van de CDA-fractie merken op dat de richtlijn aanbestedende diensten verplicht
om bij overheidsopdrachten en concessies het energie-efficiëntie-eerstbeginsel toe
te passen. Energie-efficiëntie moet daarmee een expliciete rol spelen in de afweging
voorafgaand aan de inkoop van producten, diensten, gebouwen of werken. Voor specifieke
productcategorieën geldt bovendien dat uitsluitend mag worden gekozen voor oplossingen
met hoge energie-efficiëntieprestaties, tenzij dit technisch niet haalbaar is.
Deze leden vragen de regering om te verduidelijken wat dit in de praktijk concreet
zal betekenen voor aanbestedende diensten bij het voorbereiden en gunnen van opdrachten.
Deze leden vragen de regering met name om te verduidelijken voor welke productcategorieën
de verplichting om uitsluitend producten of diensten met hoge energie-efficiëntieprestaties
in te kopen exact zal gelden en door middel van voorbeelden te duiden wat deze producten
met hoge energie-efficiëntieprestaties dan precies zijn.
Antwoord vraag 10
In het algemeen schrijft het energie-efficiëntie-eerstbeginsel voor dat in verschillende
stappen van besluitvorming energie-efficiëntie moet worden meegenomen in de afweging
van investeringen of aankopen. Dit betekent niet dat altijd de meest energie-efficiënte
optie gekozen moet worden. Afwijken van de meer energie-efficiënte optie kan, maar
dit dient onderbouwd te worden. Zo kan een energie-efficiëntere optie technisch onhaalbaar
zijn of veel duurder zijn. Het installeren van een warmtepomp kan bijvoorbeeld technisch
niet haalbaar zijn als niet de juiste isolatiewaardes kunnen worden gehaald. Het toepassen
van het energie-efficiëntie-eerstbeginsel geldt voor aanbestedende diensten vanaf
€ 5.186.000, zoals opgenomen in artikel 8 van richtlijn 2014/23/EU betreffende het
plaatsen van concessieovereenkomsten. Het beginsel dient al te worden toegepast in
het traject voordat de aanbestedingsprocedure wordt gestart. Zoals aangegeven in paragraaf
3.1.1.2 van de memorie van toelichting wordt een handleiding opgesteld waarin concrete
voorbeelden worden gegeven hoe aanbestedende diensten het energie-efficiëntie-eerstbeginsel
toe kunnen passen.
In bijlage IV van de richtlijn staan daarnaast productcategorieën waarbij aanbestedende
diensten aan extra regels zullen moeten voldoen. Dit zijn:
• producten die onder gedelegeerde handelingen van Verordening 2017/1369 inzake energie-etikettering
vallen. Voorbeelden hiervan zijn koelkasten of lampen. Een volledig overzicht is opgenomen
in het Europees productregister voor energie-etikettering (EPREL) van de Europese
Commissie9;
• producten die niet onder de eerste bullet vallen, maar wel onder een uitvoeringsmaatregel
op basis van Richtlijn 2009/125/EG inzake ecodesign10, mogen alleen aangekocht worden als deze aan deze richtlijn voldoen. Een voorbeeld
hiervan zijn industriële ventilatiesystemen. Wanneer producten die energie gebruiken
op de Europese markt zijn gekocht is dit reeds het geval;
• producten en diensten die onder criteria voor groene overheidsopdrachten van de Europese
Unie of beschikbare gelijkwaardige nationale criteria vallen;
• banden van voertuigen uit de hoogste brandstofrendementsklasse, zoals gedefinieerd
in Verordening (EU) 2020/740.11 De brandstofrendementsklasse van banden is ook terug te vinden in de eerder genoemde
EPREL database12;
• gebouwen.
Concreet betekent dit het volgende: in het geval dat producten onder de energie-etikettering
verordening (EU/2017/1369) vallen – en dus een energielabel hebben – zullen aanbestedende
diensten minimaal apparaten met de twee beste energielabels in hun klasse moeten aanschaffen
die per klasse minimaal 5% van het totale aanbod beslaan (hoogst significant). In
het EPREL-register kunnen aanbestedende diensten zien welke energielabels dit per
productcategorie zijn. Als voorbeeld wordt hieronder de verdeling van koelkasten per
prestatieklasse weergegeven. Klasse C en D zijn hier de twee hoogste significant bevolkte
energie labels van het totaal aantal geregistreerde modellen. Het maakt daarbij niet
uit dat klasse E met 49,1% hoger bevolkt is dan klasse D met 11,7%. Dit geldt voor
producten zoals onder andere koelkasten, telefoons, lampen, wasmachines en beeldschermen.
Tabel 1. Verdeling van koelkasten per prestatieklasse (https://eprel.ec.europa.eu/screen/product/refrigeratingappliances2019)
Energieklasse
Vermeldingen
%
A
400
0,8
B
655
1,2
C
2.802
5,3
D
6.184
11,7
E
25.915
49,1
F
12.741
24,2
G
4.048
7,7
Wanneer producten worden aangeschaft die niet onder de verordening energie-etikettering
vallen, maar wel onder de richtlijn ecodesign, zullen aanbestedende diensten alleen
producten aanschaffen die voldoen aan de benchmarks uit deze richtlijn. Dit betekent
dat er geen producten mogen worden aangeschaft die niet voor de Europese markt zijn
bestemd. Dit zal geen andere aankoopstrategie vereisen van de aanbestedende dienst
dan reeds wordt gedaan.
Wanneer een aanbestedende dienst banden aanschaft, zullen alleen banden mogen worden
aangeschaft uit de hoogste brandstofrendementsklasse. Met oog op de veiligheid of
volksgezondheid kan er prioriteit worden gegeven om banden aan te kopen met de beste
grip op nat wegdek of de laagste rolgeluidemissie, ook als deze van een lagere energie-efficiëntie
klasse zijn. De informatie over brandstofrendementsklasse, grip en rolgeluidenemissies
zijn terug te vinden in de eerder genoemde EPREL register.
3. Inhoud implementatievoorstel herschikkingsrichtlijn
3.1 Het energie-efficiëntie-eerstbeginsel
Vraag 11
De leden van de D66-fractie constateren dat de EED het energie-efficiëntie-eerst beginsel
introduceert als basis voor het integreren van energie-efficiëntie in beleid, planning
en investeringen. Volgens dit beginsel dient de overheid bij besluiten zoveel mogelijk
rekening te houden met alternatieve, kostenefficiënte besparingsmaatregelen. Deze
leden constateren dat de Afdeling advisering van de Raad van State stelt dat correcte
en adequate implementatie van dit beginsel maatregelen vereist die verder gaan dan
het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden vinden dit een verontrustende conclusie.
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert de regering nader aan te geven
hoe de regering dit beginsel in de betreffende sectoren toepast en handhaaft.
De leden van de D66-fractie zijn van mening dat de regering in de Nota naar aanleiding
van het verslag onvoldoende invulling geeft aan dit advies. Daarom vragen zij de regering
om per sector (mobiliteit, gebouwde omgeving, landbouw, industrie en elektriciteit)
inzichtelijk te maken hoe zij het energie-efficiëntie-eerst beginsel precies implementeert.
Antwoord vraag 11
Bij de beantwoording van deze vraag wordt ervan uitgegaan dat de leden van de D66-fractie
bij de verwijzing naar de nota naar aanleiding van het verslag hebben bedoeld te verwijzen
naar het nader rapport.
De implementatie van het energie-efficiëntie-eerstbeginsel wordt met het wetsvoorstel
en de onderliggende regelgeving sector overstijgend vormgegeven. Bij grootschalige
investeringen met een waarde van meer dan € 100 miljoen of € 175 miljoen, wanneer
er sprake is van vervoersinfrastructuurprojecten, zullen de daarop volgende ontwikkelingen
naast een impact op het energieverbruik en de energie-efficiëntie ook een impact op
de fysieke leefomgeving hebben. Dit geldt in den brede voor de sectoren mobiliteit,
gebouwde omgeving, landbouw, industrie en elektriciteit. In de voorbereidingsfase
naar de uitvoering van dit soort ontwikkelingen zal allereerst aan de hand van de
bestaande regels over de fysieke leefomgeving moeten worden getoetst of en hoe een
dergelijke ontwikkeling in de leefomgeving in te passen is. Deze bestaande regels
over de fysieke leefomgeving in het stelsel van de Omgevingswet worden, met de onderliggende
amvb ter implementatie van de richtlijn, aangevuld met regels in het Besluit kwaliteit
leefomgeving (Bkl) over het toepassen van het energie-efficiëntie-eerstbeginsel. In
het stelsel van de Omgevingswet zijn alle regels gebundeld die zien op ontwikkelingen
die een impact hebben op de fysieke leefomgeving, ongeacht vanuit welke sector deze
ontwikkeling wordt geïnitieerd.
De drempelwaarden worden in combinatie met het energie-efficiëntie-eerstbeginsel op
verschillende plekken in het stelsel van de Omgevingswet geïntroduceerd. Er wordt
aangesloten bij de regels over het mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen in een
omgevingsplan, een projectbesluit en bij de vergunningverlening voor een milieubelastende
activiteit. Hierdoor zal het beginsel in verschillende sectoren worden toegepast die
een impact hebben op het energiegebruik en de energie-efficiëntie waaronder de sectoren
mobiliteit, gebouwde omgeving, landbouw, industrie en elektriciteit.
Het toepassen van het energie-efficiëntie-eerstbeginsel in de procedures rondom het
mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen door middel van een omgevingsplan of projectbesluit
bestaat eruit dat de belangen van energie-efficiëntie in de besluitvorming worden
meegewogen. Daarnaast zal bij de beoordeling of de milieubelastende activiteit aan
het criterium van het doelmatig gebruik van energie voldoet, moeten worden beoordeeld
of ook met het belang van energie-efficiëntie rekening is gehouden.
Het toezicht op de naleving van deze met het implementatiebesluit te stellen regels
is reeds geborgd in het stelsel van de Omgevingswet. Dit omdat er met het stellen
van regels ter implementatie van het energie-efficiëntie-eerstbeginsel wordt aangesloten
bij in het stelsel van de Omgevingswet, meer specifiek in het Bkl, reeds bestaande
instrumenten zoals de regels over het omgevingsplan, het projectbesluit en de vergunningverlening
voor milieubelastende activiteiten.
Ten aanzien van de sector elektriciteit wordt met het wetsvoorstel voorgesteld te
regelen dat het energie-efficiëntie-eerstbeginsel moet worden toegepast bij het nemen
van investeringsbeslissingen en daarmee samenhangend het beheren, onderhouden en ontwikkelen
van het systeem. Dit door de in het wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen van de artikelen
3.25 en 3.34 van de Energiewet. Transmissie- en distributiesysteembeheerders van elektriciteit
leggen elke twee jaar hun investeringsplannen voor aan de Autoriteit Consument en
Markt (hierna: ACM), die als regulerende instantie is aangewezen om de investeringsplannen
te toetsen.
Een handreiking voor de praktische toepassing van het energie-efficiëntie eerstbeginsel
is momenteel in ontwikkeling. Het streven is om deze handreiking dit najaar te publiceren,
zodat deze beschikbaar is wanneer het wetsvoorstel en de lagere regelgeving ter implementatie
van de richtlijn in werking treden.
Vraag 12
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd naar de uitwerking van de sectordoelen.
Voor welke sectoren is de regering van plan om deze uit te werken en op welke termijn?
Antwoord vraag 12
In de Kamerbrief van 25 april 2025 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd
dat er geen additionele sectorale streefwaarden voor energiebesparing worden vastgesteld.13 Dit kabinet houdt vast aan dit besluit. Dit laat onverlet dat het kabinet gecommitteerd
is aan het nationale doel voor finaal energiegebruik. Om de inzet op energiebesparing
te vergroten, wordt energiebesparing meegewogen in de voorjaarsbesluitvorming over
klimaat- en energiemaatregelen en bij bestedingen uit het Klimaatfonds. In de besluitvorming
wordt de inschatting van het effect op het energieverbruik meegewogen net als andere
beleidsdoelen, zoals de CO2-reductie.
Vraag 13
De leden van de CDA-fractie merken op dat er voor de concrete invulling van de toepassing
van het energie-efficiëntie eerstbeginsel voor de diverse partijen die handen en voeten
moeten geven aan de toepassing van dit beginsel, een handleiding wordt opgesteld die
voor de inwerkingtreding van de regelgeving openbaar zal worden gemaakt.
Deze leden vragen de regering of deze handleiding inmiddels beschikbaar is en wat
daarin de belangrijkste adviezen zijn met betrekking tot de concrete invulling van
de toepassing van het energie-efficiëntie eerstbeginsel.
Antwoord vraag 13
Een handreiking voor de praktische toepassing van het energie-efficiëntie-eerstbeginsel
is momenteel in ontwikkeling. Het streven is om deze handreiking in het najaar van
2026 te publiceren, zodat deze beschikbaar is wanneer het wetsvoorstel en de lagere
regelgeving ter implementatie van de richtlijn in werking treden. Eén van de adviezen
hierbij zal zijn om waar mogelijk gebruik te maken van informatie over het energiegebruik
uit bestaande bronnen, zoals in de milieueffectrapportage. Daarin moet het energiegebruik
van verschillende opties al in kaart worden gebracht. Dit is waardevolle informatie
voor het maken van de afweging of er een energie-efficiëntere optie is. Concrete voorbeelden
zullen worden opgenomen in de handreiking.
Vraag 14
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de regering «plannings-, beleids- en investeringsbeslissingen»
en de «waarde» (incl. fasering/cumulatie) voor de drempeltoets definieert. Deze leden
vragen waarom de drempel (€ 100 mln. / € 175 mln.) niet in de wet zelf wordt vastgelegd,
maar (deels) aan lagere regelgeving gekoppeld. Welke rechtszekerheid biedt dit aan
decentrale overheden en bedrijven?
Antwoord vraag 14
Voor toepassing van het energie-efficiëntie-eerstbeginsel wordt aangesloten bij het
stelsel van de Omgevingswet. Zie voor een uitgebreidere beschrijving van de implementatie
op dit punt het antwoord op vraag 11. Om ervoor te zorgen dat energie-efficiëntieoplossingen
worden beoordeeld in plannings-, beleids- en belangrijke investeringsbeslissingen
met een waarde van meer dan € 100.000.000 of € 175.000.000 voor vervoersinfrastructuurprojecten,
is ervoor gekozen om de toepassing van het energie-efficiëntie-eerstbeginsel onderdeel
te maken van de afweging bij de vergunningprocedure voor een milieubelastende activiteit,
het omgevingsplan en het projectbesluit. In de onderliggende amvb wordt voor de waarde
uitgegaan van de geraamde waarde van de te realiseren ontwikkeling.
Met de onderliggende amvb wordt onder andere het Besluit kwaliteit leefomgeving gewijzigd
en worden de drempelwaarden aan de afweging bij de vergunningprocedure voor een milieubelastende
activiteit, het omgevingsplan en het projectbesluit gekoppeld. In artikel 3, tweede
lid, van de richtlijn is opgenomen dat de Europese Commissie de drempelwaarden uiterlijk
op 11 oktober 2027 zal evalueren met het oog op een neerwaartse herziening. Vervolgens
is in het tweede lid van artikel 3 van de richtlijn opgenomen dat de Europese Commissie
van deze beoordeling uiterlijk op 11 oktober 2028 een verslag indient bij het Europees
Parlement en de Raad. Dit verslag kan gevolgd worden door een wetgevingsvoorstel tot
aanpassing van de drempelwaarden zoals opgenomen in de richtlijn. Dit proces kost
tijd. Als het wetgevingsvoorstel van de Europese Commissie leidt tot daadwerkelijke
aanpassing van de drempelwaarden in de richtlijn, zal de wijziging van deze drempelwaarden
vervolgens nog geïmplementeerd moeten worden in de nationale regelgeving. Ook dit
proces vergt tijd, omdat de implementatie van de aanpassing van de drempelwaarden
zal moeten leiden tot een wijziging op amvb-niveau met de bijbehorende procedurele
voorschriften.14 Hierdoor wordt de rechtszekerheid van decentrale overheden en bedrijven geborgd.
Vraag 15
De leden van de JA21-fractie vragen welke sectoren worden via algemene maatregel van
bestuur aangewezen (en welke expliciet niet), en op basis van welke criteria (artikel
9). Welke handhavende instanties krijgen bevoegdheden en sanctiemiddelen? Welke handhavingsbevoegdheid
en sancties gelden buiten de energiesector, en op welk wettelijk niveau worden die
belegd?
Antwoord vraag 15
Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 11 wordt de implementatie van het energie-efficiëntie-eerstbeginsel
met het wetsvoorstel en de onderliggende regelgeving sector overstijgend vormgegeven.
Het wetsvoorstel biedt door de grondslag toe te voegen in artikel 9, derde lid, onder
b, van de Wet implementatie EU-handelingen energie-efficiëntie de mogelijkheid om
nadere regels te stellen over de sectoren waarop de verplichting tot het in acht nemen
van het belang van energie-efficiëntie van toepassing is. Vooralsnog wordt er van
deze grondslag geen gebruik gemaakt om sectoren specifiek aan te wijzen en is er dus
ook niet in het aanwijzen van handhavende instanties met bijbehorende sanctiemiddelen
voorzien. Voor de implementatie wordt binnen het stelsel van de Omgevingswet aangesloten
bij de regels over het mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen in een omgevingsplan,
een projectbesluit en bij de vergunningverlening voor een milieubelastende activiteit.
Door het beginsel vanaf de drempelwaardes te introduceren bij de hiervoor genoemde
instrumenten, zal het beginsel in verschillende sectoren, die een impact hebben op
het energiegebruik en energie-efficiëntie, moeten worden toegepast.
Het betrekken van het belang van energie-efficiëntie, in overeenstemming met het energie-efficiëntie-eerstbeginsel,
bij het mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen in een omgevingsplan kan bijvoorbeeld
door bij het aanwijzen van gebieden voor een nieuwe woonwijk te onderzoeken of de
huizen op een warmtenet kunnen worden aangesloten. Daarbij kan er dan worden gekeken
of het mogelijk is om de restwarmte afkomstig van een nabijgelegen bedrijventerrein
te gebruiken. Op deze manier wordt energiegebruik en het belang van energie-efficiëntie
meegenomen in de totstandkoming van het lokale omgevingsplan. De aanpassing van de
regelgeving in de amvb wordt vormgegeven als een instructieregel voor het bevoegd
gezag dat het besluit kan nemen om een nieuwe ontwikkeling in een omgevingsplan mogelijk
te maken en het bevoegd gezag dat bevoegd is tot het vaststellen van een projectbesluit.
Door de in de amvb opgenomen aanvulling in de regelgeving over de vergunningverlening
voor een milieubelastende activiteit dient het bevoegd gezag bij de beoordeling van
de aanvraag om een dergelijke vergunning te toetsen of er rekening gehouden is met
het belang van energie-efficiëntie en het energie-efficiëntie-eerstbeginsel. Dit heeft
als doel om ook degene die de aanvraag tot een vergunning doet, en dus degene die
de milieubelastende activiteit gaat verrichten, te verplichten om bij de aanvraag,
wanneer deze ziet op een ontwikkeling met een waarde boven de opgenomen financiële
drempelwaarden, te onderbouwen hoe energiegebruik en de belangen van energie-efficiëntie
zijn meegenomen in de besluitvorming rondom de investeringsbeslissing. Ook hierbij
is het van belang om te vermelden dat rekening houden met het belang van energie-efficiëntie
niet hoeft te betekenen dat steeds de meest energie-efficiënte oplossing wordt gekozen.
Wel moet uit de aanvraag blijken dat met de belangen van energie-efficiëntie, in overeenstemming
met het energie-efficiëntie-eerstbeginsel, rekening is gehouden.
Vraag 16
De leden van de JA21-fractie vragen de regering expliciet toe te lichten hoe het energie-efficiëntie-eerstbeginsel
zich verhoudt tot leveringszekerheid en noodzakelijke uitbreiding/renovatie van energie-infrastructuur
(netten, regelbaar vermogen).
Antwoord vraag 16
De uitbreiding en renovatie van de energie-infrastructuur behoren op grond van artikel
3.25 van de Energiewet tot de taken van een transmissie- of distributiesysteembeheerder.
In artikel 3.25, eerste lid, van de Energiewet is opgenomen dat een transmissie- of
distributiesysteembeheerder het systeem onderhoudt en ontwikkelt, onder economische
voorwaarden, op zodanige wijze dat de veiligheid, betrouwbaarheid en doelmatigheid
van dat systeem is gewaarborgd. Dit doet een transmissie- of distributiesysteembeheerder
met inachtneming van onder andere de belangen van energie-efficiëntie. Energie-efficiëntie
maakt als in acht te nemen belang dus al onderdeel uit van de bestaande verplichting
voor een transmissie- of distributiesysteembeheerder. Met het wetsvoorstel wordt aan
de verplichting van artikel 3.25, eerste lid, van de Energiewet toegevoegd dat het
belang van energie-efficiëntie, in overeenstemming met het energie-efficiëntie-eerstbeginsel,
in acht moet worden genomen. Zo zal de transmissie- of distributiesysteembeheerder
bij het verzwaren van het net kijken of er energie-efficiëntere opties mogelijk zijn.
Het energie-efficiëntie-eerstbeginsel stelt niet dat deze optie ook gekozen dient
te worden.
3.2 Hoofdstuk 2 van de richtlijn: voorbeeldfunctie van de publieke sector
Vraag 17
De leden van de D66-fractie vinden dat de publieke sector een serieuze voorbeeldfunctie
heeft op het gebied van verduurzaming en energiebesparing. Ook stellen zij dat de
overheid via inkoop zelf serieuze impact heeft en veel energie kan besparen. In dat
kader wijzen deze leden op het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
om de energie-efficiëntie-eisen voor de publieke sector bij aankoopbeslissingen te
implementeren in de Aanbestedingswet 2012. Deze leden vragen waarom de regering hier
niet voor heeft gekozen.
Antwoord vraag 17
Het kabinet onderschrijft dat de overheid een voorbeeldfunctie heeft op het gebied
van energiebesparing, dat is ook het uitgangspunt geweest bij het wetsvoorstel. Er
is een wetstechnische reden om de energie-efficiëntie-eisen niet op te nemen in de
Aanbestedingswet 2012.
Deze keuze is gemaakt omdat de afwegingen omtrent energie-efficiëntie en de toepassing
van het energie-efficiëntie-eerstbeginsel uit artikel 7 van de richtlijn moeten plaatsvinden
voorafgaand aan het starten van een aanbestedingsprocedure.15 In overeenstemming met de Europese opzet van de aanbestedingsrichtlijn 2014/24 stelt
de Aanbestedingswet 2012 met name regels over de aanbestedingsprocedure zelf, niet
over de keuzes die hieraan voorafgaand gemaakt worden. Daarnaast bevat de Aanbestedingswet
2012 procedurele regels over de inrichting van een aanbestedingsprocedure («hoe wordt
er ingekocht»), maar bevat de Aanbestedingswet 2012 geen regelgeving die inhoudelijk
invulling geeft aan de aanbesteding («wat wordt er ingekocht»). Dit maakt dat het
niet binnen de aard van de Aanbestedingswet 2012 past om artikel 7 van de richtlijn
in de Aanbestedingswet 2012 te implementeren. Bovendien past implementatie in de Aanbestedingswet
2012 niet, omdat artikel 7 van de richtlijn ook betrekking heeft op de aankoop of
huur van gebouwen en opdrachten betreffende de aankoop of verhuur van gebouwen in
de Aanbestedingswet 2012 worden uitgezonderd.16
Tot slot merkt het kabinet nog op dat artikel 7 van de richtlijn nauw verband houdt
met artikel 3 (het energie-efficiëntie-eerstbeginsel) van de richtlijn, dat eveneens
wordt geïmplementeerd in de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie.
Vraag 18
Daarnaast vragen zij in brede zin hoe de regering gaat borgen dat overheidsinstanties
bij aanbestedingen daadwerkelijk de meest energie-efficiënte optie kiezen.
Antwoord vraag 18
Het kabinet heeft er vertrouwen in dat overheidsinstanties energie-efficiënte als
uitgangspunt zullen nemen bij het in de markt zetten van overheidsopdrachten in overeenstemming
met de eisen uit het wetsvoorstel. Naast de verplichting vanuit de richtlijn wordt
er gewerkt aan een handreiking om aanbestedende diensten te helpen met het juist toepassen
van het energie-efficiëntie-eerstbeginsel.
Daarnaast vindt er controle plaats vanuit marktpartijen die er belang bij hebben dat
aanbestedende diensten handelen in overeenstemming met de wettelijke vereisten. Als
marktpartijen zich benadeeld voelen dan kunnen inschrijvers een klacht indienen bij
een klachtenloket van de aanbestedende dienst of de Commissie van Aanbestedingsexperts
om advies vragen. Ook kunnen inschrijvers aanbestedingsbesluiten laten toetsen door
een onafhankelijke rechter. Op 22 december 2025 is een wetsvoorstel bij de Tweede
Kamer ingediend om de rechtsbescherming van ondernemers bij aanbestedingen te versterken.17 Ook vinden steekproefsgewijs controles plaats door interne auditdiensten en rekenkamers
die toezien op de rechtmatigheid van aanbestedingen.
Naast deze controles moeten lidstaten ook aan de Europese Commissie rapporteren in
hoeverre de richtlijn wordt toegepast bij aanbestedingen. Hiervoor maakt de Europese
Commissie gebruik van eForms. Dit zijn gestandaardiseerde digitale formulieren voor
Europese aanbestedingen waarmee de Europese Commissie inzicht krijgt of energie-efficiëntie
wordt meegenomen bij aanbestedingen.
Vraag 19
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten aan de voorbeeldfunctie. Kan de regering
aangeven hoe het staat met de uitvoering van motie Kröger en Thijssen (Kamerstuk 36 410-XIII, nr. 78) m.b.t. ledverlichting, en met de label C-verplichting voor rijksgebouwen?
Antwoord vraag 19
In de Kamerbrief van 18 december 2025 heeft het kabinet de Tweede Kamer18 geïnformeerd over waar volgens het Berenschot rapport19 versnellingspotentieel ligt ten aanzien van de uitvoering van de motie met betrekking
tot ledverlichting. Dit ligt voor overheden voornamelijk bij gemeenten. De Vereniging
van Nederlandse Gemeenten (VNG) is dit aan het onderzoeken. Het kabinet wacht de nadere
inventarisaties door gemeenten af en zal met hen in gesprek gaan over hoe een eventuele
versnelling van de omschakeling naar ledverlichting kan worden gerealiseerd. Berenschot
concludeert dat er voor 2030 geen versnellingspotentieel ligt bij publieke gebouwen
en openbare verlichting op rijksniveau. Dit komt doordat de omschakeling naar ledverlichting
al standaard onderdeel uitmaakt van de werkprocessen bij het Rijksvastgoedbedrijf,
Defensie en Rijkswaterstaat.
In de tweede helft van 2026 zal de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
de Tweede Kamer een actueel inzicht bieden in de voortgang op de label-C verplichting
voor rijksgebouwen.
Vraag 20
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn tevens benieuwd naar de motivatie van
de regering om artikel 7 niet van toepassing te laten zijn op de aanbestedingsprocedure,
en enkel op de voorbereidingsfase. In hoeverre kan dit tot een andere uitkomst van
een aanbestedingsprocedure leiden?
Antwoord vraag 20
Artikel 7 van de richtlijn bepaalt welke energie-efficiëntie eisen van toepassing
zijn op overheidsopdrachten. Deze eisen zijn door de Europese wetgever bepaald, evenals
de keuze dat de toepassing van het energie-efficiëntie-eerstbeginsel moet plaatsvinden
voorafgaand aan de aanbestedingsprocedure. Dit is geen nationale implementatiekeuze
geweest.
Vraag 21
De leden van de JA21-fractie vragen waarom de regering implementatie in de Aanbestedingswet
2012 «niet passend» acht, ondanks het advies van de Afdeling advisering van de Raad
van State.
Antwoord vraag 21
Zie het antwoord op vraag 17.
Vraag 22
Hoe wordt «technisch niet haalbaar» gedocumenteerd en gecontroleerd, en wie houdt
toezicht op misbruik van deze uitzondering (blz.12–13 van de memorie van toelichting),
vragen deze leden.
Antwoord vraag 22
Het is belangrijk om bij aanbestedingen transparant te zijn bij het aantonen van technische
onhaalbaarheid. Hierbij is een goed gedocumenteerde beoordeling nodig. Deze beoordeling
dient rekening te houden met technologische beperkingen, locatie specifieke omstandigheden
of technische onverenigbaarheid met bestaande infrastructuur of systemen. Deze analyse
moet door de aanbestedende dienst worden uitgevoerd in de voorbereidingsfase van de
aankoop en opgenomen worden in de relevante documenten (van de aanbestedende dienst
of het speciale-sectorbedrijf). Het toezicht hierop wordt beschreven bij het antwoord
op vraag 18.
3.3 Energiebeheersysteem en energie-audit
Vraag 23
De leden van de JA21-fractie vragen hoe gemiddeld jaarlijks energiegebruik (10 TJ/85
TJ) wordt vastgesteld en gecontroleerd (energiedragers, conversies, concern/locatie).
Antwoord vraag 23
Het jaarlijkse energiegebruik wordt berekend door binnen de onderneming te kijken
naar de verschillende energiedragers. Dit betekent dat de som moet worden genomen
van het totaal verbruiken aan elektriciteit, aardgas, warmte, brandstof voor vervoer
en alle andere energiedragers van de gehele onderneming. Dit is inclusief de verbonden
ondernemingen (meerderheidsbelang). Dit is inclusief zelf opgewekte energie, maar
exclusief door geleverde energie.
De onderneming20 is zelf verantwoordelijk voor het vaststellen van het energiegebruik. Dit wordt via
het e-loket van RVO opgegeven en gecontroleerd door RVO wanneer de onderneming het
verslag van de energie-audit, dan wel het certificaat van het energiebeheersysteem,
aanlevert. Voor de berekening van het gemiddelde jaarlijkse energiegebruik heeft RVO
een rekentool gemaakt, zodat de verschillende energiedragers gemakkelijk worden geconverteerd
naar joules.
Door de gegevens uit eerdere rondes van de energie-audit is een groot deel van de
doelgroep al geïdentificeerd. Daarnaast kan door de in het wetsvoorstel opgenomen
voorgestelde wijzigingen van de artikelen 7 en 23 van de Wet uitvoering EU-handelingen
energie-efficiëntie bij het toezicht op de naleving gebruik worden gemaakt van gegevens
die zijn verkregen in verband met de uitvoering van de taak ten aanzien van het beleid
op energiebesparing en de verduurzaming van het energiegebruik. Dit betekent bijvoorbeeld
dat informatie over het energiegebruik van een onderneming vanuit de onderzoeksplicht
energiebesparing21 zal kunnen worden gebruikt om in het kader van de handhaving op de energie-auditplicht
een beter inzicht in het energiegebruik van de doelgroep te krijgen.
3.4 Verduurzaming van systemen voor stadsverwarming en -koeling
Vraag 24
De leden van de JA21-fractie vragen op welke juridische grondslagen de ACM het verduurzamingsplan
(resultaat versus maatregelen) toetst en hoe dit zich verhoudt tot lagere warmte-regelgeving.
Antwoord vraag 24
De ACM toetst of het verduurzamingsplan voldoende verduurzamingsmaatregelen bevat
om de doelstelling te halen. In de voorgestelde aanpassing van artikel 12a van de
Warmtewet is onder andere geregeld dat het verduurzamingsplan een efficiënter verbruik
van primaire energie moet waarborgen, distributieverliezen moet beperken, het aandeel
hernieuwbare energie in de verwarmings- en koelingsvoorziening verhogen en aan moet
tonen dat de in het verduurzamingsplan opgenomen maatregelen ervoor zorgen dat het
warmtebedrijf gaat voldoen aan de gestelde normen voor stadsverwarming en -koeling.
Welke specifieke maatregelen opgenomen worden in het plan, bijvoorbeeld het vereiste
van een bepaalde techniek, is geen onderdeel van de toets. De reden is dat het warmtebedrijf
of de vergunninghouder zelf het beste gepositioneerd is om in de lokale context het
beste alternatief te kiezen. Een vergelijkbare uitwerking wordt opgenomen in het Besluit
collectieve warmte.
Vraag 25
Deze leden vragen waarom geen uitvoeringsplicht van het verduurzamingsplan is opgenomen,
en hoe wordt effectiviteit geborgd (buiten de prikkel via subsidies/staatssteun).
Antwoord vraag 25
Het kabinet kiest voor een zuivere implementatie van de richtlijn. Aangezien de richtlijn
geen uitvoeringsplicht voorschrijft, is ervoor gekozen dit niet op te nemen in de
nationale wet- en regelgeving en hier dus geen nationale kop op de regels van de richtlijn
toe te voegen.
Vraag 26
De leden van de JA21-fractie vragen of SDE++-subsidie voor een nieuwe duurzame warmtebron
mogelijk blijft als het net tijdelijk nog niet efficiënt is, maar het verduurzamingsplan
aantoonbaar leidt tot een efficiënt systeem. Zij vragen hoe de staatssteuntoets verloopt.
Antwoord vraag 26
Ja dat blijft mogelijk, zolang het resulterende systeem uiteindelijk efficiënt wordt.
De SDE++-subsidie stimuleert investeringen in duurzame warmtebronnen en de Warmtenetten
Investeringssubsidie (WIS) stimuleert investeringen in de warmte infrastructuur. De
beoordeling van een efficiënt warmtenet wordt gedaan op systeemniveau. De WIS gebruikt
de Algemene Groepsvrijstellingverordening (AGVV) als kader voor het verstrekken van
staatssteun. De Europese Commissie werkt op dit moment aan een herziening van de AGVV
die gepland is om in werking te treden op 1 januari 2027. In de concepten is te lezen
dat een warmtenet efficiënt moet zijn of efficiënt moet worden. Dit dient te worden
aangetoond door het verduurzamingsplan. Oftewel, de verwachting is dat als een net
tijdelijk niet efficiënt is, maar het verduurzamingsplan aantoonbaar leidt tot een
efficiënt systeem, dat de Europese staatssteunkaders geen belemmering zullen vormen
om staatssteun te verstrekken aan het warmtenet. De nieuwe duurzame warmtebron kan
juist zorgen dat het warmtenet efficiënt wordt.
4. Overige aspecten herschikkingsrichtlijn
4.1 Artikel 4: Energie-efficiëntiestreefcijfers
Vraag 27
De leden van de D66-fractie constateren dat de Afdeling advisering van de Raad van
State naast de gebrekkige implementatie van het energie-efficiëntie-eerst principe
ook stelt dat de regering de nationale besparingsbijdragen de onvoldoende duidelijk
implementeert. Deze leden constateren dat eerste lid van artikel 4 van de richtlijn
stelt dat lidstaten gezamenlijk voor een vermindering van het energiegebruik met ten
minste 11,7% moeten zorgen in 2030 ten opzichte van het referentiescenario en dat
lidstaten indicatieve nationale besparingsbijdragen op dient te stellen.
Deze leden vragen waar de regering de indicatieve nationale besparingsbijdragen voor
Nederland formeel vastlegt. Zij vragen waarom de regering er niet voor heeft gekozen
om sectorale besparingsdoelen op te stellen. Ook vragen zij of de regering overwogen
deze streefcijfers wettelijk of bij algemene maatregel van bestuur te borgen.
Antwoord vraag 27
In artikel 4 van de richtlijn is opgenomen dat de nationale bijdragen aan het hoofddoel
van artikel 4 kunnen worden ingevuld door feitelijk handelen. Het kabinet volgt deze
lijn. Aan de Europese Commissie is schriftelijk in het Integraal Nationaal Energie-
en Klimaatplan (INEK) medegedeeld wat de hoogte is van de nationale bijdrage van Nederland.22 Dit is het nationale energiebesparingsdoel.
Wat betreft het vaststellen van sectorale subdoelen: het behalen van het nationale
doel voor energiebesparing is een gezamenlijke opgave. Het verdelen van de doelstelling
over sectorale besparingsdoelen brengt het nationale doel niet dichterbij en daarom
is hier door het kabinet niet voor gekozen. Ditzelfde geldt voor het vastleggen van
het nationale energiebesparingsdoel in een wet of amvb. Wel werkt het kabinet aan
beleid met als doel het bereiken van meer energiebesparing zoals bijvoorbeeld door
het stimuleren van elektrisch vervoer en de isolatie van gebouwen. Daarnaast worden
de effecten van energiebesparing in de voorjaarsbesluitvorming over klimaat- en energiemaatregelen
en bij bestedingen uit het Klimaatfonds meegenomen. 23
Vraag 28
De leden van de CDA-fractie merken op dat in de memorie van toelichting veelal nog
onvoldoende duidelijkheid wordt gegeven over de betekenis in kwantitatieve zin van
inspanningen op het gebied van energiebesparing en energie-efficiëntie die door de
regering worden geschetst. Zo geeft de regering bijvoorbeeld aan dat het wetsvoorstel
deels voorziet in de invulling van de extra beleidsinzet die nodig is om zekerheid
te creëren dat het finale doel voor energiebesparing behaald wordt. Het is echter
onduidelijk wat dit kwantitatief betekent. Ook geeft de regering bijvoorbeeld aan
dat doordat de bewustwording wordt vergroot, dit op zichzelf al tot besparing zal
leiden. Ook dit wordt echter niet gekwantificeerd of verder onderbouwd. Ook van andere
artikelen van de richtlijn wordt wel aangegeven dat er besparingen uit volgen waarmee
wordt bijgedragen aan het bereiken van de hoofddoelstelling, maar dit wordt niet verder
gekwantificeerd.
Deze leden vragen de regering om zoveel mogelijk alsnog te kwantificeren tot welke
concrete besparingen inspanningen die volgen uit de implementatie van de richtlijn
leiden.
Antwoord vraag 28
Het modelinstrumentarium dat wordt gebruikt voor het opstellen van de KEV is geschikt
voor het voorspellen van beleidseffecten en om die reden is besloten aan te sluiten
op de rapportagecyclus van de KEV voor het verkrijgen van inzichten ten aanzien van
het daadwerkelijk (te verwachten) energiebesparingspotentieel. Deze inzichten worden
vervolgens meegenomen in de besluitvorming die plaats vindt tijdens de voorjaars-
en augustusbesluitvorming. Doordat deze cycli elkaar in de tijd opvolgen zit er echter
wel enige vertraging in het verkrijgen van gekwantificeerde inzichten, en daar waar
nodig, bijsturen van beleid. De KEV wordt namelijk jaarlijks gepubliceerd in september
en neemt enkel aanvullend beleid mee dat op 1 mei van dat jaar bekend was. Potentiële
bijsturing tijdens de voorjaarsbesluitvorming gebeurt daarmee op basis van beleid
dat een jaar ervoor is aangekondigd.
Vanuit andere lidstaten is geleerd dat bewustwording een belangrijke eerste stap is.
Zo heeft Ierland sinds 2009 een uitgebreid programma voor publieke instellingen. In
de eerste jaren is het energiegebruik met 12% afgenomen, omdat verwarmingen in gebouwen
die niet meer gebruikt worden, zijn uitgezet.24 Tot welke maatregelen de bewustwording in Nederland zal leiden en wat dergelijke
maatregelen zouden opleveren is nu niet te kwantificeren.
Vraag 29
De leden van de JA21-fractie vragen aan de regering kwantitatief te onderbouwen in
hoeverre dit wetsvoorstel bijdraagt aan het behalen van de nationale bijdragen (1935
PJ finaal /1609 PJ primair), zoals genoemd in de memorie van toelichting.
Kan de regering per hoofdonderdeel (publieke sector, EBS/audit, warmtenetten, netverliezen)
een bandbreedte en planning geven, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
Antwoord vraag 29
Zie ook het antwoord op vraag 28 betreffende de uitsplitsing naar maatregel. Er wordt
gekeken of de maatregelen uit het wetsvoorstel nog tijdig genoeg zijn om te kunnen
worden opgenomen in de komende KEV.
4.2 Artikel 12: Datacentra
Vraag 30
De leden van de CDA-fractie constateren dat het energie-efficiëntie-eerstbeginsel
zich richt op het bevorderen van de meest energie-efficiënte oplossingen door de gehele
waardeketen, van energieproductie tot eindgebruik. Het beginsel geldt zowel voor energiesysteemsectoren
als voor sectoren die een significante impact hebben op energieconsumptie, zoals ICT
en datacenters. Artikel 12 van de richtlijn verplicht eigenaren en exploitanten van
datacenters met een IT-vermogen van ten minste 500 kW om informatie over hun energieprestaties,
waterverbruik en warmtegebruik te verzamelen en openbaar te maken. Deze leden merken
op dat deze verplichting ook gevolgen zal (moeten) hebben voor de planning, bouw en
exploitatie van (hyperscale) datacenters en andere energie-intensieve toepassingen,
zoals AI-systemen.
Zij vragen de regering om dieper in te gaan op wat het energie-efficiëntie-eerstbeginsel
concreet betekent voor de ontwikkeling van nieuwe (hyperscale) datacenters in Nederland.
Antwoord vraag 30
Zie ook het antwoord op vraag 11. Als de investering van het bouwen van een datacentrum
leidt tot investering met een geraamde waarde van meer dan € 100 miljoen zal het energie-efficiëntie-eerstbeginsel
toegepast moeten worden. Het bevoegd gezag zal bij het mogelijk maken van de ontwikkeling
van een datacentrum in het omgevingsplan, op grond van de in de amvb opgenomen wijziging
van het Bkl, het belang van energie-efficiëntie, in overeenstemming met het energie-efficiëntie-eerstbeginsel,
moeten betrekken. In het omgevingsplan zou dan rekening worden gehouden met het beginsel
door bijvoorbeeld bij de afweging te betrekken of het datacentrum restwarmte kan leveren
aan een warmtenet en hoe dit het beste in de lokale situatie kan worden geregeld.
Bij de aanvraag van de vergunning voor de milieubelastende activiteit zal de exploitant
van het datacentrum moeten onderbouwen hoe energiegebruik en de belangen van energie-efficiëntie
zijn meegenomen in de besluitvorming rondom de investeringsbeslissing. Dit kan bijvoorbeeld
door efficiënte servers of koeling aan te leggen. Als van de meest energie-efficiënte
opties wordt afgeweken, zal dit onderbouwd moeten worden. Het bevoegd gezag zal bij
de beoordeling van de aanvraag om een vergunning toetsen of er, in het kader van het
doelmatig gebruik van energie, ook rekening gehouden is met het belang van energie-efficiëntie.
En daarmee ook met het toepassen van het energie-efficiëntie-eerstbeginsel.
Vraag 31
Deze leden vragen hoe de jaarlijkse openbaarmaking van energie-, water- en warmtegegevens
invloed zal hebben op de besluitvorming rond investeringen in datacenters.
Antwoord vraag 31
Doel van de jaarlijkse openbaarmaking van de energie-, water- en warmtegegevens van
datacentra, met uitzondering van bedrijfsvertrouwelijke gegevens,25 is om het bewustzijn over de duurzaamheid van datacentra te vergoten.26 Dit vergroten van het bewustzijn ziet zowel op het bewustzijn bij de eigenaars en
exploitanten van datacentra als op het bewustzijn van de gebruikers van datacentrumdiensten
op alle niveaus. Het is aan de exploitanten van de datacentra om te besluiten of en
hoe er geïnvesteerd wordt. Door bij dergelijke investeringen te kiezen voor energie-efficiëntiemaatregelen
kunnen de jaarlijks openbaar te maken gegevensweer een duurzamer beeld geven van de
bedrijfsvoering van het datacentrum.27
Daarnaast wordt alle aangeleverde informatie, waaronder ook bedrijfsvertrouwelijke
informatie, gebruikt om inzicht te krijgen in goede duurzaamheidsindicatoren voor
datacentra en om een vergelijkingssysteem te ontwikkelen. Dit leidt dan tot de mogelijkheid
van servicegebruikers om datacentra te vergelijken en een gelijk speelveld in Europa
te creëren en kan gebruikt worden voor de besluitvorming rond investeringen in datacentra.
Vraag 32
Zij vragen de regering tevens in te gaan op de vraag hoe exploitanten van datacenters
en overheden energie-efficiëntie af dienen te wegen tegen bijvoorbeeld de grote energiebehoefte
van AI-toepassingen. Ook vragen deze leden hoe beleidsmakers het beginsel toe kunnen
passen om de bredere impact van ICT-sectoren op het nationale energieverbruik beter
te sturen.
Antwoord vraag 32
Zie ook het antwoord op vraag 30. Zowel de afweging tussen energie-efficiëntie en
de energiebehoefte van AI-toepassingen als ook het kunnen sturen op de bredere impact
van ICT-sectoren op het nationale energieverbruik vragen om betrouwbare data. Hier
wordt een begin mee gemaakt vanuit de in oprichting zijnde Monitor Duurzame Digitalisering.
Dit is onderdeel van het Actieprogramma Duurzame Digitalisering 2026–2028 dat op 19 november 2025 aan de Tweede Kamer is verstuurd.28 Echter zijn de gereserveerde middelen momenteel niet toereikend om de ICT-sector
(datacenters, netwerken, eindgebruikersapparaten) volledig te kunnen monitoren op
energie-efficiëntie en circulariteit. Wel wordt op basis van data over het energiegebruik
van datacentra op grond van de richtlijn en cijfers vanuit het CBS een start gemaakt
met het monitoren van het energieverbruik van datacenters. Het daarbinnen uitsplitsen
van energie-data over AI-gebruik is nog niet voorzien in de monitor. Wel heeft onderzoeksbureau
Dialogic in 2025 onderzoek uitgevoerd naar de impact van AI op duurzaamheid en het monitoren daarvan.29
4.3 Artikel 24: Energiearmoede
Vraag 33
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten veel belang aan de bestrijding van
energiearmoede. Kan de regering aangeven hoe het staat met het doel om 2,5 miljoen
huizen te isoleren voor 2031? In hoeverre zijn de beschikbare budgetten voldoende
om dit doel te bereiken? Wat zijn de grootste uitdagingen voor het bereiken van dit
doel?
Antwoord vraag 33
Het kabinet zet zich onverminderd in om woningen te isoleren en energiearmoede tegen
te gaan. De uitvoering om tot het doel van 2,5 miljoen geïsoleerde woningen voor 2031
te komen loopt op onderdelen goed, en er zijn ook aandachtspunten om het tempo op
peil te kunnen houden of te versnellen. Dit verschilt per actielijn die voor verschillende
doelgroepen is ingezet.
Veruit het grootste deel van mensen die te maken hebben met energiearmoede, woont
in een huurwoning (87%). In de corporatiesector worden duidelijke stappen gezet. Jaarlijks
worden circa 150.000 woningen verduurzaamd met een of meerdere maatregelen. De EFG-labels
zijn tussen 2022 en 2025 bijna gehalveerd. Naar verwachting hebben corporaties in
2030 bij ruim 800.000 huishoudens geïsoleerd, waarmee de doelstelling voor de corporatiesector
ruim wordt behaald. Een belangrijk aandachtspunt is dat corporaties voor hun brede
opgaven met een oplopend tekort te maken hebben, met ook mogelijk gevolgen voor het
behalen van de afspraken rondom verduurzaming. Uit recente berekeningen blijkt dat
corporaties voor de afgesproken opgaven, waaronder ook nieuwbouw, met een oplopend
tekort van € 19,4 miljard te maken hebben.30
In de private huursector is de voortgang beperkter. Een eerste schatting laat zien
dat het aantal particuliere huurwoningen met energielabel E, F of G is gedaald van
291.000 in 2023 naar circa 244.000 woningen per 1 januari 2025. Er is regelgeving
in voorbereiding waardoor per 1 januari 2029 alle huurwoningen verduurzaamd moeten
worden naar tenminste label D. Hiermee wordt een flinke versnelling verwacht de komende
jaren in de verduurzaming van de private huurwoningen. Ook in de particuliere huursector
moet de verduurzaming gefinancierd worden. Daarbij bestaat een split incentive: verhuurders
moeten de verduurzamingsinvestering doen, terwijl de baten in de vorm van energiebesparing
grotendeels terecht komen bij de huurder. Voor particuliere verhuurders is via de
Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH) tot 2030 nog circa
€ 117 miljoen beschikbaar. Dit is naar verwachting niet voldoende om alle resterende
EFG-woningen van een verduurzamingssubsidie te voorzien.
Een ander belangrijk doel is het isoleren van 750.000 woningen van eigenaar-bewoners
en bewoners van gemengde VvE’s die extra ondersteuning het hardste nodig hebben, de
gemeentelijke aanpak. Over de voortgang en de aandachtpunten bij de uitvoering hiervan
informeert de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening u in de beantwoording
van de vragen van het lid Jumelet31 die recentelijk zijn gesteld.
Naast de gemeentelijke aanpak worden veel woningen van eigenaar-bewoners en VvE’s
ook individueel met alleen inzet van de landelijke subsidies geïsoleerd (met de ISDE
en de SVVE). Hiermee zijn in totaal al circa 500.000 woningen geïsoleerd in de periode
2022 t/m 2025. Het doel om tot het isoleren van 750.000 woningen te komen via het
individuele spoor wordt met dit tempo ruim gehaald. Deze subsidies zijn ook bedoeld
om te stapelen met de extra ondersteuning via gemeenten voor de huishoudens in kwetsbare
posities, maar zullen daarvoor naar verwachting -bij ongewijzigd beleid- onvoldoende
beschikbaar zijn.
Het Nationaal Warmtefonds is ook een belangrijk instrument om verduurzaming mogelijk
te maken voor veel woningeigenaren en VvE’s. In 2024 verstrekte Nationaal Warmtefonds
een recordbedrag van 426 miljoen euro aan leningen. Dit bedrag laat een sterke groei
zien, vooral bij huishoudens met een lager en middeninkomen en bij VvE’s. Voor het
Nationaal Warmtefonds wordt een aanvraag voorbereid bij het Social Climate Fund om
een deel van het aanbod te kunnen continueren. Daarnaast heeft het kabinet naar aanleiding
van de oorlog in het Midden Oosten recentelijk 180 miljoen extra toegezegd aan het
fonds.32
Vraag 34
De leden van de JA21-fractie vragen welke definitie van «kwetsbare afnemers» en welke
instrumenten worden voorzien, en hoe wordt geborgd dat financiering niet via hogere
energiebelasting plaatsvindt.
Antwoord vraag 34
In artikel 1.1 van de Energiewet is een definitie van kwetsbare afnemers opgenomen
zoals bedoeld in artikel 28 van richtlijn 2019/944. Dit is een brede definitie die
ruimte biedt om bij de vormgeving van beleid per maatregel andere factoren te betrekken
bij een nadere afbakening van kwetsbare afnemers. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om
inkomen, energiegebruik, woningkenmerken en gezondheid.
Elke maatregel vraagt om een eigen wijze van afbakening van de doelgroep aan de hand
van daarbij relevante criteria, afhankelijk van de aard en het doel van de maatregel.
Ook kan het wenselijk zijn om maatregelen te treffen die gericht zijn op een bredere
groep burgers dan uitsluitend kwetsbare afnemers.
Inkomsten en uitgaven zijn conform de begrotingsregels normaliter gescheiden. Directe
koppeling van een belasting, zoals de energiebelasting, aan een uitgave is onwenselijk
omdat belastinginkomsten vaak conjunctuur gevoelig zijn. Tegenvallers in opbrengsten
zouden dan automatisch tot (ongewenste) bezuinigingen leiden.
4.4 Artikel 30: Financiering
Vraag 35
Het is de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ter oren gekomen dat het Warmtefonds
extra middelen nodig heeft om aan de hoge vraag te kunnen voldoen. Is de regering
hiermee bekend, en welke gevolgen is zij van plan hieraan te geven?
Antwoord vraag 35
Zie het antwoord op vraag 33.
5. Regeldruk
Vraag 36
De leden van de JA21-fractie vragen welke maatregelen de regering neemt om dubbele
rapportage/stapeling met de energiebesparingsplicht/onderzoeksplicht te voorkomen.
Antwoord vraag 36
Voor de huidige energie-auditplicht is een sjabloon opgesteld voor een vestiging van
een onderneming die zowel aan de energie-auditplicht als de nationale onderzoeksplicht
moet voldoen. Het doel hiervan is dat dubbele rapportage wordt tegengegaan en het
minder tijd kost om aan de beide verplichtingen te voldoen. Daarvan wordt reeds volop
gebruik gemaakt.
In 2027 komt er in het loket van RVO een rapportageregister beschikbaar op basis waarvan
ondernemingen en instellingen via één formulier kunnen voldoen aan de energiebesparingsplicht
(informatie- en onderzoeksplicht) en de energie-audit. Daarnaast zullen voor ondernemingen,
waarop zowel de energiebesparingsplicht als de energie-auditplicht van toepassing
is, de bij RVO bekende gegevens zoveel mogelijk vooraf worden ingevuld. Dit betreft
ook de gegevens uit de voorgaande ronde energiebesparingsplicht, waardoor ondernemingen
en instellingen alleen nog de dynamische gegevens hoeven in te voeren.
5.1 Wijzigingen Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie
Vraag 37
De leden van de JA21-fractie vragen welke ondersteuning (RVO/standaarden/sjablonen)
wordt geboden om te voorkomen dat het vooral een administratieve exercitie wordt,
en welke budgettaire consequenties de regering voorziet?
Antwoord vraag 37
Zie ook het antwoord op vraag 36. De budgettaire besparing is lastig te becijferen
omdat de besparing in tijd afhangt van de grootte van een onderneming en van de verplichting
die op de onderneming van toepassing is. De besparing zit in het invullen van het
formulier in het loket. Doordat de informatie nu niet nogmaals geüpload hoeft te worden,
zal dit naar schatting de invultijd met 15% verkorten. Dit betreft dus niet de tijd
die het kost om de informatie bij elkaar te krijgen. De informatie die voor meerdere
plichten nodig is, kon natuurlijk al hergebruikt worden. Naar verwachting zal de ervaring
van de onderneming verbeteren doordat het gevoel van meerdere verplichtingen wordt
weggenomen en eerder aangeleverde informatie makkelijk terug te vinden is.
Vraag 38
Deze leden merken op dat de regering de eenmalige regeldruk voor EBS op € 55,46 mln
en jaarlijks € 10,692 mln schat. Kan de regering de aannames (o.a. uren/uurloon, gemiddelde
kosten per bedrijf) en de interne consistentie van de berekening toelichten? Kan de
regering de genoemde regeldruk voor EBS (eenmalig en jaarlijks) uitsplitsen naar sectoren
en aangeven welke compensatie/ondersteuning wordt geboden?
Antwoord vraag 38
In de memorie van toelichting is opgenomen dat 140 ondernemingen die tot de doelgroep
van de verplichting tot het invoeren van een energiebeheersysteem behoren, al een
energiebeheersysteem ingevoerd hebben. Uit recentere cijfers is gebleken dat dit getal
naar beneden moet worden bijgesteld en dat het gaat om 100 ondernemingen. Dit betekent
dat de berekening in de regeldrukparagraaf niet meer correct is en de regeldruk hoger
is. De huidige inschatting is dat er 1040 ondernemingen energiebeheersysteemplichtig
zullen zijn. Momenteel hebben 100 ondernemingen al een energiebeheersysteem ingevoerd.
Dit betekent dat nog 940 (1.040–100) ondernemingen een energiebeheersysteem moeten
implementeren en hier eenmalige kosten aan zullen hebben. Zij kunnen dit uitbesteden
of zelf uitvoeren. Uitbesteden kost tussen de € 35.000 en € 70.000, dus gemiddeld
€ 52.500. Het zelf uitvoeren kost gemiddeld 2.000 uur * € 33 per uur = € 66.000. Het
gemiddelde tussen het zelf uitvoeren en uitbesteden is € 59.250. Als dit vermenigvuldigd
wordt met het aantal ondernemingen dat een energiebeheersysteem moet invoeren zijn
de totale eenmalige kosten € 59.250 * 940 ondernemingen = € 55.460.000. Naar schatting
zullen 680 ondernemingen die eerst energie-auditplichtig waren na inwerkingtreding
van het wetsvoorstel en onderliggende regelgeving een energiebeheersysteem moeten
toepassen. Zij hoeven dus geen energie-audit meer te (laten) uitvoeren. De hiermee
gemoeide kosten kunnen dus op bovenstaand bedrag in mindering worden gebracht. In
de memorie van toelichting is opgenomen dat een energie-audit gemiddeld € 4.500,–
kost. Voor deze groep ondernemingen betekent het dat 680 * € 4.500 = € 3.060.000 aan
kosten niet worden gemaakt. De totale eenmalige kosten van het invoeren van een energiebeheersysteem
komen daarmee op € 55.460.000 – € 3.060.000 = € 52.400.000. Echter, wordt met het
toepassen van een energiebeheersysteem ook veel energie en dus geld bespaard. De verwachte
besparing op energie is 6%, wat in bespaarde energiekosten significant kan oplopen
bij deze grootverbruikers.33
Het is nodig om een energiebeheersysteem jaarlijks te evalueren. De jaarlijkse kosten
zijn als volgt opgebouwd: Afhankelijk van de grootte en complexiteit is tussen de
400 à 800 uur per jaar nodig voor de evaluatie. Dit vertaalt zich naar een gemiddelde
van 600 uur à € 33 dus € 19.800 aan jaarlijkse kosten per onderneming.34 De jaarlijkse kosten voor de gehele verwachte doelgroep komen hiermee uit op € 19.800
x 1040 ondernemingen = € 20.592.000.
Een uitsplitsing naar sectoren zal verder geen verschil in kosten weergeven aangezien
de sector waartoe een onderneming behoort niet bepalend zal zijn voor de kosten die
gemoeid zijn met het uitvoeren van een energie-audit of het invoeren van een energiebeheersysteem.
De grootte (o.a. aantal dochters en vestingen) en complexiteit van het bedrijfsproces
van de onderneming is een grotere determinant van de uiteindelijke kosten en die indicatoren
zijn niet sectorgebonden.
Het invoeren van een energiebeheerssysteem leidt tot een beter inzicht van het energiebesparingspotentieel
van en binnen de onderneming. Ten aanzien van besparingsmaatregelen die uit dit inzicht
voortkomen, bestaat in sommige gevallen de mogelijkheid om een subsidie aan te vragen
op grond van de subsidiemodule Energie-investeringsaftrek (EIA) of de subsidiemodule
Versnelde klimaatinvesteringen in de industrie (VEKI). Het gaat hierbij dan niet om
maatregelen die bijvoorbeeld al verplicht zijn op grond van de energiebesparingsplicht.
Vraag 39
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering kan bevestigen dat warmtenet-energiegebruik
niet dubbel meeweegt in het totale energiegebruik van een onderneming voor audit/EBS
(voorkomen dubbele regulering).
Antwoord vraag 39
Met energiegebruik wordt het finale energiegebruik bedoeld. Dit is het energiegebruik
dat de onderneming gebruikt voor haar gebouwen, processen, vervoer inclusief de zelf
opgewekte en gebruikte hernieuwbare energie. Volgens de definitie van «finaal energiegebruik»
in artikel 2, onder 6, van de richtlijn is het energieverlies bij transmissie en distributie
uitgesloten. Energie die wordt terug-/doorgeleverd wordt niet meegeteld dus van dubbel
meewegen is hier geen spraken.
5.2 Wijzigingen wetsvoorstel Wet collectieve warmte
Vraag 40
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe het schrappen van de verbodsbepaling
voor fossiele brandstoffen in de gebouwde omgeving uit de Besluit gemeentelijke instrumenten
warmtetransitie (Bgiw) zich verhoudt tot deze verordening. Wat zijn de verwachte gevolgen
van dit besluit?
Antwoord vraag 40
Zoals tijdens de behandeling van het ontwerpbesluit Besluit gemeentelijke instrumenten
warmtetransitie aangegeven, blijft het doel om de gebouwde omgeving per 1 januari
2050 fossielvrij te maken. Dit is ook in lijn met de doelen van de EPBD IV en de richtlijn.
Zo is in de EPBD IV bepaald dat alle gebouwen in 2050 geen fossiele uitstoot op het
eigen perceel meer mogen hebben. Ook wordt voor het Nationaal Plan voor de Renovatie
van de Gebouwen uitgewerkt welke route gevolgd naar het einddoel van de EPBD: een
emissievrije en zeer energiezuinige gebouwde omgeving in 2050. De Wet gemeentelijke
instrumenten warmtetransitie en het ontwerpbesluit Besluit gemeentelijke instrumenten
warmtetransitie (Bgiw) dragen bij aan dit doel, door gemeenten instrumenten te geven
waarmee zij de regie kunnen voeren bij de gebiedsgerichte aanpak. Zo wordt een bevoegdheid
gecreëerd voor gemeenten om wijken aan te wijzen die op termijn overstappen van aardgas
op een duurzame energievoorziening, mits aan alle waarborgen kan worden voldaan. De
verwachting is daarmee dat Bgiw, samen met andere randvoorwaarden, bijdraagt aan het
fossielvrij maken van de gebouwde omgeving. Een algemeen verbod op fossiele brandstoffen
in het Besluit bouwwerken leefomgeving, dat wordt gewijzigd met het Bgiw, zorgde er
echter voor dat niet de overheid, maar de gebouweigenaar zelf verantwoordelijk is
voor de overstap naar een duurzame energievoorziening, ook als de gemeente de betreffende
wijk niet aanwijst. Een voorbeeld hiervan is de situatie waarbij een gemeente een
wijk wel zou willen aanwijzen, maar niet aan alle waarborgen kan voldoen. Dan moet
de gebouweigenaar zelf wel op zoek naar een alternatief. Daarnaast zijn situaties
denkbaar waarbij de beschikbaarheid van een duurzaam alternatief niet tijdig kan worden
gerealiseerd. In dergelijke situaties kan er vervolgens niet van de gebouweigenaren
verwacht worden dat zij die verantwoordelijkheid kunnen dragen.
6. Overgangsrecht en inwerkingtreding
Vraag 41
De leden van de JA21-fractie vragen waarom er een evaluatiebepaling ontbreekt. Is
de regering bereid een evaluatiebepaling op te nemen, inclusief evaluatie van de algemene
maatregelen van bestuur en regeldruk?
Antwoord vraag 41
Er is gekozen voor zuivere implementatie van de richtlijn. Aangezien de richtlijn
geen evaluatiebepaling voor lidstaten noemt is er ook niet voor gekozen deze op te
nemen in het wetsvoorstel.
ARTIKELEN
Artikel I, onderdeel C, artikelen 9, 9a, 18 en 18b
Vraag 42
De leden van de JA21-fractie vragen de regering per algemene maatregel van bestuur
aan te geven wat kritiek/onoverkomelijk is voor tijdige inwerkingtreding in 2026.
Antwoord vraag 42
Zie het antwoord op vraag 2. De implementatie deadline is reeds overschreden en implementatie
kan niet meer tijdig geschieden.
Artikel II, onderdeel C, artikel 3.30
Vraag 43
De leden van de JA21-fractie vragen welke meetstandaard en rapportagevorm verplicht
worden gesteld.
Antwoord vraag 43
Er wordt geen specifieke meetstandaard of rapportagevorm verplicht gesteld. Na overleg
met Netbeheer Nederland blijkt de huidige actieve sturing op monitoring goed aansluit
bij al lopende initiatieven.
Artikel III, onderdeel C, artikel 12a
Vraag 44
De leden van de JA21-fractie vragen wanneer uitstootnormen/tijdstippen in de algemene
maatregel van bestuur wordt vastgesteld en wat de uitvoeringsimpact is.
Antwoord vraag 44
De uitstootnormen zijn reeds in de richtlijn vastgesteld. De uitstootnormen sluiten
aan bij de verplichting die nu al geldt voor de vergunninghouder op grond van artikel
12a, derde lid, van de Warmtewet, om informatie over de duurzaamheid van de geleverde
warmte op te nemen in het bestuursverslag. Bij inwerkingtreding van de Wet collectieve
warmte zal in de lagere regelgeving, zoals deze op wordt genomen in het Besluit collectieve
warmte, verwezen worden naar de uitstootnormen en daarbij behorende tijdstippen zoals
opgenomen in de richtlijn. De uitstoot van de overgrote meerderheid van de warmtebedrijven
valt op dit moment binnen de uitstootnormen. Daarnaast is de impact bij het niet voldoen
beperkt tot het opstellen van een verduurzamingsplan voor de warmtenetten die niet
aan de richtlijn voldoen. Het opstellen van verduurzamingsplannen is reeds in gang
gezet door een groot deel van de warmtebedrijven als onderdeel van de verplichtingen
in de Klimaatwet en het Klimaatakkoord. Concluderend, doordat de omvang van niet-efficiënte
warmtenetten naar verwachting beperkt is en de mitigatie maatregel ook (een verduurzamingsplan)
is ook de verwachting dat de uitvoeringsimpact beperkt is.
Artikel IV
Vraag 45
De leden van de JA21-fractie vragen wat het scenario is bij vertraging van inwerkintreding
van de Wet collectieve warmte, en hoe de regering dubbelregimes voorkomt.
Antwoord vraag 45
Indien de Wet collectieve warmte nog niet in werking is getreden, geldt de Warmtewet.
Het omgekeerde geldt ook: als de Wet collectieve warmte in werking treedt, vervallen
de met dit wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen van de Warmtewet. Er is geen sprake
van twee verschillende warmtewetten en daarmee dubbelregimes die naast elkaar zullen
bestaan.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven – Van der Meer
Indieners
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei