Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden over de veertiende voortgangsrapportage (VGR) Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) over de tweede helft van 2025 (Kamerstuk 32404-132)
32 404 Programma hoogfrequent spoorvervoer
Nr. 133
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 22 mei 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantal vragen voorgelegd
aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de brief van 1 april
2026 inzake de veertiende voortgangsrapportage (VGR) Programma Hoogfrequent Spoorvervoer
(PHS) over de tweede helft van 2025 (Kamerstuk 32 404, nr. 132).
De Staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 22 mei 2026. Vragen
en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Huizenga
Adjunct-griffier van de commissie, Van der Graaf
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Kan er per corridor een Excel lijst worden gedeeld met alle bekende afhankelijkheden,
risico’s en mitigerende maatregelen?
Antwoord 1
De halfjaarlijkse voortgangsrapportage beschrijft per corridor kwalitatief alle afhankelijkheden,
risico’s en mitigerende maatregelen (zie in VGR 14 per corridor de passage «Raakvlakken
en risico's»1). Van deze beschrijving is geen Excel-document beschikbaar. De onderwerpen worden
in de context van de corridor gerapporteerd en geduid in de voortgangsrapportage.
Wel zijn in de voortgangsrapportages de tien grootste risico’s op programmaniveau
in tabelvorm gerapporteerd (zie in VGR 14 paragraaf 2.4 en tabel 2.72).
Vraag 2
Waarom zit er een gat van minimaal 5 jaar tussen het opleveren van de infrastructuur
en het daadwerkelijk rijden van de treinen, zoals te lezen valt in de tabel op pagina
4, waar staat dat de corridor Alkmaar–Amsterdam volgens ProRail in het tweede kwartaal
van 2032 gereed is voor indienststelling, terwijl de tabel op pagina 5 aangeeft dat
NS de volledige frequentieverhoging pas na 2037 realiseert?
Antwoord 2
Dit is het gevolg van de afhankelijkheid van het project Zuidasdok en realisatie van
het derde perron op Amsterdam Zuid. Om een volledige PHS-dienstregeling op de corridor
Alkmaar–Amsterdam te kunnen rijden, is voldoende ruimte nodig op Amsterdam Centraal.
Deze ruimte op Amsterdam Centraal ontstaat pas na verplaatsing van de internationale
treinen van Amsterdam Centraal naar Amsterdam Zuid. Er wordt onderzocht of met een
tussentijdse stap al een verhoging van het aantal intercity’s mogelijk te maken is,
als alle overige PHS-infrastructuur op de corridor gereed is.
Vraag 3
Wat is de kritieke deadline voor het Zuidasdok om de planning na 2037 niet verder
in gevaar te brengen, gelet op het feit dat de frequentieverhoging Alkmaar–Amsterdam
afhankelijk is van de voltooiing van het Zuidasdok?
Antwoord 3
De voortgang van Zuidasdok ligt al op het kritieke pad van de PHS-productstap op de
corridor Alkmaar–Amsterdam. Dit betekent dat elke vertraging in het spoorse deel van
Zuidasdok automatisch zorgt voor vertraging van de geplande extra treinen. De halfjaarlijkse
voortgangsrapportages van Zuidasdok3 rapporteren over de voortgang en de planning van dit project. De realisatie van de
Zuidelijke tunnel A10 van project Zuidasdok, met daaropvolgend het derde perron Amsterdam
Zuid zijn samen met de laatste bouwfase op Amsterdam Centraal noodzakelijk voor het
rijden van de volledige PHS-treinfrequenties op de corridor Alkmaar–Amsterdam. Zie
ook het antwoord op vraag 2.
Vraag 4
Kunt u een voorlopige schatting geven van de omvang van de extra tegenvaller, gezien
de waarschuwing dat de korting op de prijsbijstelling 2026 het tekort verder zal doen
oplopen, bovenop de huidige € 182 miljoen?
Antwoord 4
Op dit moment is het nog niet mogelijk om een schatting te geven van de tegenvaller
die voor PHS ontstaat als gevolg van de korting op de prijsbijstelling in 2026. De
verwerking van de prijsbijstelling 2026 op de diverse begrotingsartikelen wordt bekend
bij de Ontwerpbegroting 2027. Het effect op het potentieel tekort van het programma
zal worden gerapporteerd in de voortgangsrapportage bij de betreffende verslagperiode.
Vraag 5
Staat de meevaller van € 22 miljoen nog vrij op de balans van het programma?
Antwoord 5
Nee, de meevaller van € 22 miljoen als gevolg van het succesvol afronden van PHS-corridor
Den Haag–Rotterdam is onderdeel van de mutatie van het potentieel tekort van het programma
en is daarmee meegenomen in de financiële ontwikkelingen in de verslagperiode over
de tweede helft van 2025.
Vraag 6
Hoe denkt u het gat van € 49 miljoen (het verschil tussen de risicoreservering in
het Mobiliteitsfonds ad € 133 miljoen, terwijl het potentiële tekort inclusief risico's
nu op € 182 miljoen wordt geraamd), te dichten als de risico's zich daadwerkelijk
voordoen?
Antwoord 6
PHS kent momenteel een potentieel tekort van € 178 miljoen. Daarnaast worden de exogene
risico’s geraamd op € 137 miljoen. Hier tegenover staat een risico-reservering van
€ 133 miljoen. Als alle risico’s zich voordoen en er in de realisatie geen meevallers
meer ontstaan, zal er sprake zijn van een daadwerkelijk tekort.
De ontwikkeling van het potentieel tekort heeft nadrukkelijke aandacht binnen het
programma. De programmatische aanpak van PHS in combinatie met de lange doorlooptijd
maakt het mogelijk om met deze budgetspanning te werken, waarbij deze niet per direct
van dekking hoeft te worden voorzien.
Omdat het overgrote deel van PHS in de realisatiefase zit, zijn er echter beperkte
bijstuurmogelijkheden. Het versoberen van de PHS-doelstellingen is vooralsnog onwenselijk,
te meer omdat uit de Integrale Mobiliteitsanalyse (IMA) blijkt dat de daarin opgenomen
knelpunten alleen maar toenemen.
Indien er op enig moment sprake is van een daadwerkelijk tekort zal er binnen het
Mobiliteitsfonds naar aanvullende dekking moeten worden gezocht ten koste van andere
projecten of programma’s om PHS volledig te kunnen afronden. Alternatief is dat er
– waar dat beperkt nog mogelijk is – gesneden moet worden in de scope van het programma
met het risico dat bepaalde PHS-doelstellingen niet kunnen worden gehaald.
Vraag 7
Hoeveel procent van het goederenvervoer is in de tweede helft van 2025 daadwerkelijk
verschoven van de gemengde netten naar de Betuweroute als direct gevolg van PHS-maatregelen,
gelet op het feit dat een doel van PHS de stimulering van de Betuweroute is?
Antwoord 7
In deze periode is dat nog niet het geval geweest, omdat een verschuiving afhangt
van de opening van de Meterenboog en de realisatie van de verdiepte ligging bij Vught.
Deze projecten zijn gepland gereed in de loop van 2031.
Vraag 8
Hoe rijmt u de bewering dat risico's dalen, zoals gesteld in paragraaf 4.7.2 waar
staat dat het planningsrisico is gedaald om treinvrije periodes zijn toegekend, met
het feit dat de reiziger feitelijk bijna twee jaar langer moet wachten op de beloofde
verbeteringen aangezien in paragraaf 4.7.3 te zien is dat de indienststelling van
de maatregelen rondom Nijmegen is verschoven van het eerste kwartaal 2027 naar het
vierde kwartaal van 2028? Wat is de exacte oorzaak dat deze vertraging in 2025 definitief
is geworden?
Antwoord 8
De planning voor oplevering van de maatregelen rondom Nijmegen is in de voortgangsrapportages
vanaf 2022 ongewijzigd gerapporteerd als Q4–2028. De in de vraag aangehaalde datum
van Q1–2027 is afkomstig uit de Basisrapportage uit 20194.
Deze eerdere ontwikkeling staat daarmee los van het in 2025 ontstane risico dat vanwege
de schaarste aan treinvrije periodes oplevering in Q4–2028 onzeker werd. Dit risico
is in de afgelopen verslagperiode gedaald, waardoor de planning voor oplevering op
Q4–2028 blijft staan.
Vraag 9
Kunt u voor de drie meest vertraagde corridors in deze veertiende voortgangsrapportage
(waaronder Alkmaar–Amsterdam en Schiphol–Utrecht–Nijmegen) aangeven hoeveel geplande
nieuwbouwwoningen direct afhankelijk zijn van de nu uitgestelde frequentieverhogingen?
Welke concrete gesprekken voert u met de Minister van Volkshuisvesting om te voorkomen
dat deze spoorvertragingen de bouwstroom in de regio stilzetten?
Antwoord 9
PHS draagt bij aan betere ontsluiting van bestaande en nieuwe woningbouwgebieden.
Er is tegelijkertijd geen oorzakelijk verband tussen het aantal geplande nieuwbouwwoningen
en de frequentieverhogingen als gevolg van PHS-productstappen. Het later dan gepland
opleveren van productstappen heeft impact op de algemene bereikbaarheid van de woningbouwgebieden,
evenals van bestaande kernen. Het Ministerie van IenW monitort de ontwikkelingen en
treedt in overleg met het Ministerie van VRO indien zich de noodzaak daarvoor aandient.
Vraag 10
Ziet u mogelijkheden voor tussenoplossingen (zoals kleine seinoptimalisaties) waarmee
de frequentie voor de reiziger op dit traject al eerder marginaal verhoogd kan worden,
zonder te wachten op de volledige afronding van de Amsterdamse verbouwing, aangezien
de voortgang op de corridor Alkmaar–Amsterdam volledig gegijzeld is door de vertragingen
bij het project Amsterdam Centraal?
Antwoord 10
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, onderzoekt het programma met de sector
in hoeverre het mogelijk is om al eerder een gedeeltelijke frequentieverhoging te
realiseren op de corridor Alkmaar–Amsterdam, vóór afronding van de noodzakelijke werkzaamheden
op Amsterdam Zuid en Amsterdam Centraal. Over de uitkomsten van dit onderzoek wordt
de Kamer geïnformeerd via de halfjaarlijkse voortgangsrapportages PHS.
Vraag 11
Welke oplossingsrichtingen zijn in beeld voor de situatie in Boxtel en wanneer is
er duidelijkheid of die haalbaar zijn?
Antwoord 11
De oplossingsrichtingen richten zich op het verbeteren van de overwegveiligheid, vanwege
een hoger aantal treinen na de PHS-productstap. Het gaat daarbij om tijdelijke maatregelen,
waarbij de effecten voor het lokale verkeer, technische en juridische mogelijkheden
en kosten een rol spelen in de haalbaarheid. De haalbaarheid hangt bovendien samen
met de uitspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan Verbindingsweg Ladonk
Kapelweg. Deze uitspraak wordt medio 2026 verwacht. Zo mogelijk worden de uitkomst
daarvan meegenomen in de volgende voortgangsrapportage.
Daarnaast wordt er ten behoeve van de definitieve oplossing blijvend gezocht naar
mogelijkheden om binnen de huidige regelgeving en jurisprudentie een vergunning onder
de wet Natuurbescherming te verkrijgen.
Vraag 12
Welke mitigerende maatregelen zijn er genomen of worden overwogen te nemen om de risico’s
samenhangend met de personele schaarste bij aannemers het hoofd te bieden? Kan nader
faseren om deze redenen worden voorkomen? Is de schaarste een schaarste in absolute
zin (personeel niet voorhanden) of wordt personeel ingezet op andersoortig werk (bijvoorbeeld
vanwege tekort aan werk en terug te halen als opdrachten ophoog gaan)?
Antwoord 12
Om de effecten van de personele schaarste te beheersen werkt ProRail nauw samen met
aannemers en ingenieursbureaus om de opdrachtenportefeuille zo efficiënt mogelijk
te realiseren. Via het Strategisch Platform Overleg en de consultatie van het Masterplan5 informeert ProRail marktpartijen over de verwachte productievolumes. Om het behoud
en de instroom van vakmanschap in de spoorsector te versterken, werkt ProRail nauw
samen met Railcenter, railAlert en aannemers. Deze samenwerking richt zich op het
moderniseren en toegankelijker maken van opleidingen voor certificeringen, zodat meer
monteurs instromen en kunnen doorgroeien. Daarnaast onderzoekt ProRail hoe zogenaamde
BFI-monteurs6 tijdens projecten ondersteund kunnen worden door montagemonteurs. Dit zijn vaklieden
die via een kortere opleiding een specifieke taak uitvoeren. Dit verlaagt de werkdruk
van BFI-monteurs en vermindert de behoefte aan volledig gecertificeerde monteurs tijdens
werkzaamheden.
Vraag 13
Hoe kunnen meer treinvrijeperioden worden gecreëerd?
Antwoord 13
Voor het toekennen van treinvrije periodes kent ProRail op basis van wetgeving een
regulier proces waar diverse belangen onderdeel van zijn. Dit proces biedt beperkte
ruimte voor extra treinvrije periodes. Meer treinvrije periodes betekent direct minder
treinen voor de vervoerders en meer overlast voor de reizigers en verladers. Om hinder
te beperken, bundelt ProRail werkzaamheden waar mogelijk. Tegelijkertijd zal ProRail
als gevolg van personele schaarste deze werkzaamheden vaker doordeweeks, buiten vakanties
en in ruimere nachtgaten moeten plannen.
Vraag 14
Hoe wordt voorkomen dat het European Rail Traffic Management System (ERTMS) de flessenhals
van PHS op de corridors Schiphol–Amsterdam Zuid–Almere–Lelystad (SAAL) en Amsterdam–Alkmaar
wordt? Kan binnen het ERTMS-programma de prioriteit naar voor PHS relevante trajectdelen
worden verlegd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
Antwoord 14
De landelijke uitrolstrategie van ERTMS is nog in voorbereiding. Zoals eerder aangegeven
maakt de SAAL-corridor geen deel uit van tranche 1. De planning voor realisatie van
ERTMS op deze corridor is nu daarom nog onzeker. In de prioritering wordt de randvoorwaardelijkheid
van ERTMS voor meer treinen op de SAAL-corridor meegewogen. Er zijn echter ook andere
afwegingen van belangen. Momenteel onderzoeken we welke stappen tussentijds gezet
kunnen worden op de SAAL-corridor zonder ERTMS, in de vorm van extra treinen. Daarbij
wordt ook gekeken naar de reizigersontwikkeling en verstedelijkingsdoelen. De regio
wordt betrokken bij de afwegingen over het vervolg. Naast op de SAAL-corridor is ERTMS
alleen voor de frequentieverhoging van de sprinters tussen Houten Castellum – Geldermalsen
randvoorwaardelijk. Voor Amsterdam–Alkmaar is ERTMS niet noodzakelijk om hoogfrequent
te rijden.
Vraag 15
Wat wordt met «komende tijd» in de zin «Komende tijd wordt bezien hoe budget en prognose
dichter bij elkaar kunnen worden gebracht.» bedoeld? Voor het zomerreces? Of bij de
vijftiende voortgangsrapportage?
Antwoord 15
In de komende voortgangsrapportages zal er nadrukkelijk aandacht zijn voor de financiële
stand van zaken binnen het programma. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Vraag 16
Kan voor de zeven projecten in een overzichtelijke tabel worden weergegeven hoe groot
de potentiële financiële tekorten per project op dit moment zijn?
Antwoord 16
Tabel 2.1 van de voortgangsrapportage7 biedt inzicht in de kosten per PHS-corridor. Als gevolg van de programmatische aanpak
is er geen specifiek budget per corridor aangemerkt. Om die reden wordt het potentieel
tekort alleen over het gehele programma inzichtelijk worden gemaakt.
Vraag 17
Hoe hebben het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en ProRail het geconstateerde
verloop begin 2025 opgevangen?
Antwoord 17
Het door de ADR geconstateerde verloop binnen het programmateam PHS in de tweede helft
van 2024 is opgevangen met het aanstellen van nieuwe medewerkers. Sinds oktober 2024
heeft het programmateam PHS bij het ministerie weer een vaste programmamanager.
Vraag 18
Hoe beheerst u de capaciteit van de bouwmanager in aanvulling op de ondersteuning?
Antwoord 18
Afhankelijk van de omvang van het werk zet ProRail extra capaciteit en deskundigheid
in om de bouwmanager te ondersteunen. Hierin is speciale aandacht voor het proces
rond verzoeken tot wijziging (VTW-proces).
Vraag 19
Hoe gaat u naar de toekomst om met de rol van de kwaliteitsmanager en de manager projectbeheersing
die nu bij één en dezelfde persoon zijn belegd?
Antwoord 19
Kwaliteitsmanagement vindt in de realisatiefase primair plaats op het niveau van de
individuele projecten. Op programmaniveau is kwaliteitsmanagement één van de taken
van de manager programmabeheersing. Gelet op de fase waarin het programma PHS zich
bevindt, voorziet ProRail geen knelpunten in de uitvoering van beide rollen door één
persoon. IenW monitort het kwaliteitsmanagement als terugkerend onderwerp in de programmabeheersingsoverleggen
van PHS.
Vraag 20
Op welke termijn zullen handmatige processen bij ProRail tot het verleden behoren?
Antwoord 20
PHS valt onder de Regeling Grote Projecten van de Kamer, daarmee kent PHS enkele specifieke
kaders en eisen. Die gaan verder dan de generieke processen bij ProRail, die door
de beschikbare software worden ondersteund. De inspanning die handmatige verwerking
vraagt, is relatief beperkt ten opzichte van de inspanning die nodig is voor automatische
koppelingen. Vooralsnog is er geen aanleiding om af te zien van deze beperkte hoeveelheid
handmatige processen.
Vraag 21
Hoe borgt u naar de toekomst toe dat de opvolging van bevindingen uit de bevindingenlijst
te allen tijde voortvarend is?
Antwoord 21
De voortgang in opvolging is onderwerp in de reguliere interne PHS-overleggen en in
de overleggen met ProRail. Daarnaast wordt de opvolging meegenomen in de halfjaarlijkse
voortgangsrapportage. Tot slot controleert en rapporteert de ADR over de voortgang
als onderdeel van de jaarlijkse controle.
Vraag 22
Hoe borgt u naar de toekomst toe dat risicomanagement cycli te allen tijde volledig
worden doorlopen?
Antwoord 22
De werkwijze zoals deze is gehanteerd in 2025 wordt ook de komende jaren doorgevoerd.
Daarmee wordt de hele risicomanagementcyclus doorlopen.
Vraag 23
Wanneer zijn effect en ontwikkeling wel te kwantificeren, gelet op het feit dat randvoorwaarden
en afhankelijkheden hoog zijn (Alkmaar–Amsterdam van Zuidasdok, 3e perron Amsterdam-Zuid
en verplaatsen internationale treinen; SAAL weer van ERTMS)? Wanneer is wel duidelijk
wanneer ERTMS wordt gerealiseerd op deze corridors? Kan (feitelijk) deze prioriteit
omhoog?
Antwoord 23
De afhankelijkheden die PHS heeft met andere grote programma’s maakt dat het inschatten
van een gekwantificeerd effect moeilijk is. Vanwege de vele onzekerheden biedt een
kwalitatieve beschrijving een beter beeld van het effect en de ontwikkeling. Zie voor
de vraag over ERTMS in relatie tot het realiseren van PHS-corridors en de prioriteit
daarin het antwoord op vraag 14.
Vraag 24
Op welke termijn zal duidelijk zijn hoe in de toekomst getoetst gaat worden of aan
alle CRS-eisen is voldaan en hoe die wordt vastgelegd?
Antwoord 24
Op basis van de programmakaders krijgen de projecten instructies om de toetsing aan
de CRS-eisen op te nemen in het opleveringsbesluit (MIRT-4 rapportage). Het programmabureau
toetst deze rapportage. In de actualisatie 2026 van het kader configuratiemanagement
zal een nadere invulling van deze toetsing worden voorgesteld, op basis van de ervaringen
met verschillende projecten de afgelopen periode.
Vraag 25
Hoe gaat u borgen dat de afstemming genoemd onder het kopje «uitvoering subsidieregeling»
van het accountantsrapport wel volledig zichtbaar heeft plaatsgevonden?
Antwoord 25
IenW en ProRail voeren twee keer per jaar bevoorschottingsoverleggen. In 2025 heeft
dit overleg onverhoopt slechts eenmaal plaatsgevonden. Voor 2026 zijn de overleggen
reeds gepland. De uitkomsten worden doorgaans vastgelegd, waarmee zichtbaarheid is
geborgd.
Vraag 26
Wanneer stemt u met de Kamer af wat de omvang en diepgang van de informatieverstrekking
met betrekking tot de post onvoorzien en aanbestedingsresultaten dient te zijn?
Antwoord 26
De keuze voor de huidige omvang en diepgang van de informatieverstrekking met betrekking
tot de post onvoorzien en de aanbestedingsresultaten is een bewuste. Dit heeft onder
andere te maken met vertrouwelijkheid en marktgevoeligheid in algemene zin, waarmee
wordt voorkomen dat de positie van ProRail of het Rijk wordt geschaad. Daarnaast kent
PHS veel projecten en contracten, waarbij vanuit het reguliere contractbeheersingsproces
een veelheid aan wijzigingen en onttrekkingen aan het onvoorzien plaatsvinden. Het
afzonderlijk melden leidt tot een grote hoeveelheid administratief werk zonder toegevoegde
waarde voor de sturing en verantwoording van het programma. De ondergrens van € 5
miljoen voor het vermelden van onttrekkingen uit of toevoegingen aan de post onvoorzien
is vanuit programmaperspectief dan ook een passende informatievoorziening.
Indien de Kamer behoefte heeft aan meer toelichting, kan zij dit desgewenst betrekken
bij het CD Spoor van 3 juni.
Vraag 27
Welke maatregel is ingevoerd om herhaling van ontijdige aanlevering van relevante
informatie te voorkomen?
Antwoord 27
Vanuit het programmabureau is er extra aandacht gekomen voor een eenduidige manier
van verwerken van verzoeken tot wijziging (VTWs) en de tijdige afhandeling hiervan
middels collegiale toetsen. Daarnaast wordt extra capaciteit ingezet afhankelijk van
de omvang van het project.
Vraag 28
Waarom loopt project Guisweg niet mee – althans qua planning en voorbereiding – met
de AA-corridor, als de Guisweg-overgang zo belangrijk is om hoogfrequent te kunnen
rijden?
Antwoord 28
De aanpak van de overweg Guisweg is nodig om een hoogfrequente dienstregeling te kunnen
rijden tussen Amsterdam en Alkmaar. Het project is noodzakelijk in de planning van
de AA-corridor. Daarom wordt erop gestuurd dat in ieder geval het spoorgedeelte van
project Guisweg op tijd gerealiseerd is voor de productstap van twee extra Intercity’s
per uur per richting op deze corridor. In de huidige planning past dit.
Vraag 29
Waarom is er nog geen beeld bij baanstabiliteit en netcongestie, als dat randvoorwaardelijke
factoren zijn om hoogfrequent te kunnen rijden op de AA-corridor?
Antwoord 29
Voor sommige corridors is onderzoek nodig om vast te stellen of de infrastructuur
de beoogde frequentieverhogingen op lange termijn robuust kan ondersteunen.
Zo is voor onder andere de AA-corridor de baanstabiliteit nog een risico. Er loopt
specifiek voor de PHS-corridors (buiten PHS) een monitoringsonderzoek naar de gesteldheid
van de baan om de onzekerheid en risico’s te verkleinen zodat de geplande extra treinen
kunnen rijden, danwel om vast te stellen dat aanvullende baanverbetering nodig is.
Netcongestie is een risico-onderdeel van een landelijke bredere aanpak van Prorail.
Vanuit PHS wordt het risico voor de AA-corridor gemonitord en indien nodig zullen
alternatieve maatregelen worden onderzocht.
Vraag 30
Wat als de PHS-maatregelen niet voor 2029 gereed zijn, gelet op het feit dat in de
voortgangsrapportage te lezen valt: «Uitvoering van de PHS-maatregelen op de corridor zijn voorzien tot 2029. Daarna dient
de uitrol van ERTMS plaats te vinden om meer treinen op de SAAL-corridor te kunnen
laten rijden.»? Is dan enkel het effect dat ERTMS later wordt aangelegd? In welke mate zijn alle
PHS-maatregelen randvoorwaardelijk, ook voor ERTMS?
Antwoord 30
De uitrol van ERTMS is randvoorwaardelijk voor de extra treinen op de SAAL-corridor.
De PHS-maatregelen voor 2029 zijn daarmee niet randvoorwaardelijk voor de uitrol van
ERTMS. Een latere realisatie van PHS-maatregelen dan 2029 heeft dus geen directe impact
op de uitrol van ERTMS.
Vraag 31
Is voor de SAAL-corridor de realisatie van extra treinen conform dienstregelingsmodel
II maakbaar zodra ERTMS wel is gerealiseerd, of zijn er op dit moment nog andere onzekerheden?
Indien er nog andere onzekerheden zijn: welke zijn dat en hoe groot is de kans dat
deze optreden?
Antwoord 31
Er zijn nog andere relevante raakvlakken en risico’s met betrekking tot de realisatie
van extra treinen. Uit het functionele ontwerp van ERTMS SAAL (ESAAL) zijn aanvullende
inframaatregelen naar voren gekomen die – naast de uitrol van ERTMS – mogelijk noodzakelijk
zijn voor de maakbaarheid van dienstregelings-model II. Deze maatregelen vallen buiten
scope van PHS en worden in de verdere uitwerking van ESAAL nader bekeken, maar wel
door PHS gemonitord. Daarnaast onderzoekt ProRail de baanstabiliteit op de SAAL-corridor
en de eventueel benodigde maatregelen ten behoeve van baanstabiliteit om extra treinen
te kunnen laten rijden over het tracé.
Vraag 32
Welke alternatieve verbeteringen voor de bereikbaarheid worden onderzocht voor de
SAAL-corridor, nu de komst van ERTMS vooralsnog onzeker is?
Antwoord 32
Er wordt ERTMS uitgerold op het Nederlandse spoornet. De komst van ERTMS op de SAAL-corridor
is dus niet onzeker, de planning ervan wel. Voor de SAAL-corridor worden momenteel
alternatieve mogelijkheden om meer treinen te kunnen rijden uitgewerkt, als tussentijdse
oplossing zolang er nog geen ERTMS gerealiseerd is. De haalbaarheid en impact van
deze varianten worden momenteel onderzocht. Daarbij wordt ook de relatie tot woningbouw
en de ontwikkeling van de reizigersgroei in beeld gebracht. Hierover is het Ministerie
van IenW in gesprek met de regio. Het streven is om dit najaar te komen tot verdere
keuzes.
Vraag 33
Klopt het dat dienstregelingsmodel II al een versobering is van de oorspronkelijke
plannen omdat de gewenste dienstregeling met de oorspronkelijk voorziene infrastructuuruitbreidingen
niet haalbaar was?
Antwoord 33
Het dienstregelingsmodel II is in 2020 door betrokken partners gezamenlijk vastgesteld,
omdat was gebleken dat het eerder voorziene dienstregelingsmodel niet maakbaar was.
Met dienstregelingsmodel II kunnen er meer treinen rijden op de SAAL-corridor en dit
levert voor het overgrote deel van de reizigers een kortere reistijd op. In dit model
is voor bepaalde reizigers sprake van een langere reistijd als gevolg van een overstap.
Anderzijds gaan de sprinters naar Amsterdam Centraal sneller en hoeven deze niet langer
tot tien minuten te halteren op Weesp.
Vraag 34
Klopt het dat het uiteindelijk voorgestelde dienstregelingsmodel II uitgaat van een
lager budget voor infrastructuurinvesteringen en dat in dit model II de rechtstreekse
intercity's vanuit Amersfoort en Almere naar Amsterdam Centraal verdwijnen?
Antwoord 34
Door de keuze van Rijk en regiopartijen voor model II is een spooruitbreiding bij
Weesp niet meer nodig. In plaats daarvan gaat het dienstregelingsmodel II uit van
het concept dat intercity’s en sprinters deels gescheiden worden. Dit maakt dat de
investering aan de infra voor het rijden van meer treinen op de SAAL-corridor lager
wordt dan bij een spooruitbreiding. In dienstregelingsmodel II rijden intercity’s
naar Amsterdam Zuid en sprinters naar Amsterdam Centraal, om kortere opvolgtijden
benodigd voor hoogfrequent rijden mogelijk te maken. De rechtstreekse intercity’s
vanuit Amersfoort en Almere naar Amsterdam Centraal vervallen en in plaats daarvan
rijden er vaker intercity’s vanuit Amersfoort en Almere richting Amsterdam Zuid en
Schiphol. Op dit traject bevindt zich de grootste reizigersstroom.
Vraag 35
Kunt u aangeven wat indicatief de reistijdverlenging is voor reizigers die nu nog
met een intercity vanaf Amsterdam Centraal naar Almere en Amersfoort reizen, en hoeveel
reizigers hierdoor per dag getroffen worden?
Antwoord 35
Bij de keuze voor dienstregelingsmodel II is inzichtelijk gemaakt wat de effecten
zijn voor de belangrijkste reisrelaties. Dit betreft een vergelijking uit 2019 met
een reeds verouderde dienstregeling:
• Als wordt gekeken naar de «kale» reistijd voor reizigers van Amersfoort naar Amsterdam
Centraal, neemt die reistijd toe met 10 minuten. Daar staat tegenover dat de reistijd
vanuit Amersfoort naar Groot-Amsterdam enorm verbetert, zowel in reistijd als in frequentie.
Voor reizigers vanuit Amersfoort is er in het nieuwe dienstregelingsmodel sprake van
reistijdwinst van 14 minuten naar hun eindbestemming binnen Amsterdam.
• De reistijd vanuit Almere en Lelystad verbetert zowel naar Amsterdam Centraal als
naar Amsterdam Zuid ten opzichte van de huidige dienstregeling.
• In 2019 waren er 11.000 reizigers tussen Amersfoort Centraal en Amsterdam Centraal
en 9.000 reizigers tussen Almere Centrum en Amsterdam Centraal op een gemiddelde werkdag.
• De totale vervoersgroei vanuit de regio Amersfoort naar Groot-Amsterdam is eerder
becijferd op 30%. Te zien is dat er met name een forse groei is van het aantal reizigers
op de corridor Amersfoort–Amsterdam Zuid en Schiphol.
Vraag 36
Gaat u in het kader van de zoektocht naar alternatieve maatregelen nu opnieuw naar
infrastructuurmaatregelen kijken nu voor de tweede keer in tien jaar tijd de beoogde
dienstregeling op de SAAL-corridor voorlopig niet maakbaar blijkt en deze dienstregeling
ook reistijd verlenging betekent voor veel reizigers?
Antwoord 36
Voor de SAAL-corridor worden momenteel verschillende mogelijkheden om meer treinen
te rijden uitgewerkt, ook als er nog geen ERTMS gerealiseerd is. Hierbij wordt uitgegaan
van de huidige infrastructuur. Dit geldt als overbrugging tot het moment dat dienstregelingsmodel
II geïmplementeerd kan worden.
Vraag 37
Hoe groot is de opgave voor het nemen van extra infrastructuurmaatregelen om de invoering
van ERTMS op de SAAL-corridor mogelijk te maken, en met welke middelen wordt deze
opgave gefinancierd?
Antwoord 37
De mogelijk aanvullende inframaatregelen die naar voren zijn gekomen uit het functionele
ontwerp van ERTMS SAAL (ESAAL), die naast de uitrol van ERTMS noodzakelijk zijn voor
de maakbaarheid van dienstregelingsmodel II, vallen onder de scope van het programma
ERTMS.
Vraag 38
Welke tussentijdse oplossingen zijn inmiddels gevonden voor de vertraging van het
maatregelenpakket in Boxtel?
Antwoord 38
Zie het antwoord op vraag 11.
Vraag 39
In hoeverre zijn de huidige planningen robuust, gegeven de afhankelijkheden van externe
ontwikkelingen zoals vergunningverlening en samenhang met andere projecten?
Antwoord 39
Met inachtneming van de afhankelijkheden en de samenhang van interne en externe projecten
is de huidige PHS-planning robuust. Het huidige werk op Amsterdam Centraal is weliswaar
zeer complex, maar de realisatie van de benodigde PHS-functionaliteit ligt hier op
koers. In de VGR wordt halfjaarlijks het risicobeeld geactualiseerd. Indien de hierin
opgenomen risico’s optreden, treft het programma maatregelen. Belangrijke onzekerheid
geldt voor de planning van de uitbreiding goederenemplacement Aziëhaven en het maatregelenpakket
overwegen Boxtel, die worden geraakt door de stikstofproblematiek.
Vraag 40
Kunnen bij de maatregelen en corridors die afhankelijk zijn van exogene ontwikkelingen,
zoals vergunningverlening en procedures bij de Raad van State, de mogelijke gevolgen
hiervan voor de planning worden gekwantificeerd, eventueel met een bandbreedte?
Antwoord 40
Vanwege de onvoorspelbare aard van de exogene ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld de
stikstofproblematiek, is een kwantificering van de risico’s niet mogelijk. Om die
reden worden de risico’s kwalitatief beschreven en beoordeeld in de halfjaarlijkse
voortgangsrapportages.
Vraag 41
In hoeverre zullen de vertragingen bij de PHS-projecten naar verwachting resulteren
in vertragingen van de geplande frequentieverhogingen?
Antwoord 41
De eerstvolgende frequentieverhogingen zijn in eerste instantie afhankelijk van de
oplevering van de extra geplande PHS-infrastructuur. Voor de SAAL- en AA-corridor
bepalen respectievelijk de uitrol van ERTMS en de planning van Zuidasdok en het derde
perron op Amsterdam Zuid de mogelijkheden voor frequentieverhoging.
Vraag 42
Hoe wordt bepaald of voldoende reizigersvraag bestaat voor frequentieverhoging?
Antwoord 42
Over de frequentieverhogingen zijn afspraken gemaakt in de HRN-concessie. NS dient
in het productiemodel twee jaar van tevoren aan te geven of ze voornemens is een nog
niet verplichte productstap te zetten. IenW gaat tijdig met NS het gesprek aan over
de invoeringsdatum van extra treinen als duidelijk is wanneer de infrastructuurmaatregelen
gereed zijn. Onderdeel van dit gesprek is ook de vervoersontwikkeling. In de VGR worden
indien relevant wijzigingen in de planning van de PHS-infrastructuur aangegeven. Binnen
PHS wordt gestuurd op tijdige oplevering van infrastructuur om de beoogde productstappen
uiterlijk 2033 te kunnen nemen.
Vraag 43
Kan voor de corridor Alkmaar–Amsterdam een (relatieve) planning worden opgenomen voor
de laatste bouwstap van Amsterdam Centraal vanaf 2037 en de realisatie van de volledige
frequentieverhoging?
Antwoord 43
De laatste bouwstap op Amsterdam Centraal is afhankelijk van de voltooiing van project
Zuidasdok en het derde perron op Amsterdam Zuid. Als er meer duidelijkheid is over
deze planning, wordt de planstudiefase opgestart voor de laatste bouwstap op Amsterdam
Centraal.
Vraag 44
Wat zijn de actuele verwachtingen voor de inbouw van ERTMS op de SAAL-corridor?
Antwoord 44
Zie het antwoord op vraag 14.
Vraag 45
Zullen de frequentieverhogingen op de SAAL-corridor worden gerealiseerd voor 2033?
Antwoord 45
Zie het antwoord op vraag 14. In VGR 24 van ERTMS8 is aangegeven dat het rijden van extra treinen in 2033 (conform Dienstregelingsmodel
II) nog steeds een gezamenlijke ambitie is, maar ook een grote uitdaging vormt.
Vraag 46
Hoeveel treinen kunnen zonder inbouw van ERTMS op de SAAL-corridor gaan rijden, na
afronding van de overige maatregelen?
Antwoord 46
Dit is nog niet te zeggen. Voor de SAAL-corridor wordt uitgewerkt welke mogelijkheden
er zijn om meer treinen te rijden, ook als er nog geen ERTMS gerealiseerd is. Daarbij
wordt ook de relatie tot woningbouw en de ontwikkeling van de reizigersgroei in beeld
gebracht. Hierover is het Ministerie van IenW in gesprek met de regio. Zie ook het
antwoord op vraag 32.
Vraag 47
Wat is het verwachte effect voor het programma PHS van de korting op de prijsbijstelling
tranche 2026 bij de eerste suppletoire begrotingen 2026?
Antwoord 47
Zie het antwoord op vraag 4.
Vraag 48
Hoe wordt de stijging van het potentiële budgettekort vanwege de kortingen op de prijsbijstellingen
in 2025 en 2026 op de Mobiliteitsfondsbegroting opgelost? Wordt hiervoor budget van
andere projecten en programma’s overgeheveld?
Antwoord 48
De programmatische aanpak van PHS, in combinatie met de lange doorlooptijd, maakt
het mogelijk om met een budgetspanning (het zogeheten potentieel tekort) op het programma
te werken, dat niet per direct van dekking hoeft te worden voorzien. Er kunnen zich
bij de realisatie immers nog meevallers voordoen, er zijn echter nog (beperkte) mogelijkheden
om bij te sturen en er is een risicoreservering getroffen die kan worden ingezet.
Indien te zijner tijd nodig blijkt, zullen aanvullende middelen moeten worden vrijgemaakt.
Zoals bekend zijn er meerdere (budgettaire) opgaven binnen het Mobiliteitsfonds en
is de noodzaak om te prioriteren actueel. Tegelijkertijd is het nu te vroeg om vast
te stellen dat budget van andere projecten en programma’s nodig is.
Vraag 49
Wordt met de stijging van de exogene risico’s door toename van een indexeringstekort
gedoeld op het verschil tussen de hogere kostenstijgingen in de GWW-sector (Grond-,
Weg- en Waterbouw) en de prijsbijstelling op basis van de index bruto overheidsinvesteringen
(IBOI)? Welke maatregelen worden genomen om de gevolgen hiervan te beperken?
Antwoord 49
Ja, en inclusief eventuele verschillen tussen de IBOI en de vanuit het Ministerie
van Financiën toegekende prijsbijstelling. Die is naar prijspeil 2025 en 2026 namelijk
lager dan de IBOI. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Vraag 50
Welke actuele maatregelen worden genomen om het belangrijkste risico voor PHS, de
toenemende personele schaarste bij aannemers in de spoorsector, te beheersen?
Antwoord 50
Zie het antwoord op vraag 12.
Vraag 51
Kunnen in volgende voortgangsrapportages de risico’s voor de planning en de financiën
concreter worden gekwantificeerd, waarbij de inschattingen van de kans van optreden
en de impact daarvan in tijd en geld in tabelvorm worden weergegeven?
Antwoord 51
Zie het antwoord op vraag 40.
Vraag 52
Neemt u alle aanbevelingen van de Auditdienst Rijk onverkort over? Zo nee, op welke
punten niet en waarom niet?
Antwoord 52
Ja, de aanbevelingen van de Auditdienst Rijk neem ik over. Er wordt nu invulling gegeven
aan de aanbevelingen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.A. Huizenga, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
L. van der Graaf, adjunct-griffier