Nota van wijziging : Nota van wijziging
36 753 Wijziging van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en het Wetboek van Strafvordering in verband met de introductie van conservatoire afname van celmateriaal en enkele andere wijzigingen met betrekking tot DNA-onderzoek
Nr. 7
NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 29 mei 2026
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel I, onderdeel A, wordt het voorgestelde artikel 2 als volgt gewijzigd:
1. Onder vernummering van het derde tot en met zesde lid tot het vierde tot en met
zevende lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:
3. Artikel 4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. In het zesde lid (nieuw) wordt na «Het op grond van het eerste» ingevoegd «of tweede».
B
In artikel I wordt na onderdeel B een onderdeel ingevoegd, luidende:
Ba
Na artikel 2a (nieuw) wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 2b
1. De gegevens die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de identiteit van de verdachte
of veroordeelde wiens celmateriaal is afgenomen op grond van deze wet of het Wetboek
van Strafvordering en de grondslagen voor het bewaren van dat celmateriaal worden
verwerkt in een centrale administratie.
2. De artikelen 1, onderdelen i, j, l tot en met z, 3, 7 tot en met 7b, 7d tot en met
7f, 15, 17a, 17b, 20, 22 tot en met 26h en 27, van de Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens zijn van overeenkomstige toepassing op de verwerking van de gegevens, bedoeld
in het eerste lid. Onze Minister van Justitie en Veiligheid is verwerkingsverantwoordelijke
in de zin van die wet voor de administratie, bedoeld in het eerste lid.
3. De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek binnen vier weken
van Onze Minister van Justitie en Veiligheid uitsluitsel te krijgen over de al dan
niet verwerking van hem betreffende gegevens, bedoeld in het eerste lid, en, wanneer
dat het geval is, om die gegevens in te zien en hierover de informatie, bedoeld in
artikel 18, onderdelen a tot en met g, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens
te verkrijgen. Onze Minister van Justitie en Veiligheid doet daarbij geen mededelingen
in schriftelijke vorm over de verwerking van de betrokkene betreffende gegevens, tenzij
hij weigert een mededeling te doen. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing vindt schriftelijk
plaats.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de administratie,
bedoeld in het eerste lid.
C
In artikel I wordt na onderdeel E een onderdeel ingevoegd, luidende:
Ee
In artikel 6, eerste lid, wordt «artikel 1, onder g, van de Beginselenwet verpleging
ter beschikking gestelden» vervangen door «artikel 1, onder h, van de Beginselenwet
verpleging ter beschikking gestelden».
D
In artikel II, onderdeel B, wordt in het tweede subonderdeel «op grond van artikel
2 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden is genomen of dat» vervangen door «op
grond van artikel 2 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden is afgenomen of dat».
E
In artikel II, onderdeel D, wordt in het tweede subonderdeel «247, 248a, 248b, 249,»
vervangen door «241, eerste lid, en 245, eerste lid,».
F
In artikel II, onderdeel H, wordt in het eerste subonderdeel «247, 248a, 248b, 249,»
vervangen door «241, eerste lid, en 245, eerste lid,».
Toelichting
Onderdeel A
Deze nota van wijziging strekt ertoe het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet DNA-onderzoek
bij veroordeelden en het Wetboek van Strafvordering in verband met de introductie
van conservatoire afname van celmateriaal en enkele andere wijzigingen met betrekking
tot DNA-onderzoek op enkele onderdelen aan te passen. Het gaat in de kern om het herstellen
van enkele omissies.
Met dit eerste onderdeel worden twee omissies hersteld. Allereerst wordt in artikel
I, onderdeel A, van het wetsvoorstel – het voorgestelde artikel 2 (nieuw) van de Wet
DNA-onderzoek bij veroordeelden – geëxpliciteerd dat voorafgaand aan de conservatoire
afname van celmateriaal, de identiteit van de verdachte wordt vastgesteld (geverifieerd).
Daartoe wordt in het voorgestelde artikel 2, derde lid (nieuw), artikel 4, derde lid,
van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van overeenkomstige toepassing verklaard.
Dat is in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel al aangekondigd (Kamerstukken
II 2024/25, 36 753, nr. 3, p. 29) en is in lijn met de bestaande procedure voor het afnemen van celmateriaal
voor DNA-onderzoek op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en het Wetboek
van Strafvordering.
Ten tweede wordt in het voorgestelde artikel 2, zesde lid (nieuw), een verwijzing
opgenomen naar het voorgestelde artikel 2, tweede lid. In het wetsvoorstel wordt alleen
verwezen naar het «op grond van het eerste lid» afgenomen celmateriaal dat wordt bewaard
in een beveiligde centrale opslag en kan worden gebruikt voor het opstellen van een
DNA-profiel in bepaalde, nader genoemde situaties. Hetzelfde geldt echter voor celmateriaal
dat is afgenomen op grond van het tweede lid bij een verdachte die zich in voorlopige
hechtenis bevindt. Deze omissie wordt hersteld.
Onderdeel B
Met dit onderdeel wordt een nieuw artikel – artikel 2b – toegevoegd aan de Wet DNA-onderzoek
bij veroordeelden. Dit artikel regelt dat de gegevens die noodzakelijk zijn voor het
vaststellen van de identiteit van de verdachte of veroordeelde wiens celmateriaal
is afgenomen en de grondslagen voor het bewaren van dat celmateriaal, worden verwerkt
in een centrale administratie en dat de Minister van Justitie en Veiligheid verwerkingsverantwoordelijke
is voor deze administratie. Verder worden de regels genoemd die gelden bij de verwerking
van deze gegevens.
In de memorie van toelichting is uiteengezet dat met het oog op de uitvoering van
het wetsvoorstel een nieuwe centrale administratie wordt gecreëerd waarin wordt bijgehouden
van wie celmateriaal is opgeslagen en welke grondslagen er bestaan voor het bewaren
van het celmateriaal. Twee belangrijke componenten van deze administratie worden gevormd
door de celmateriaaladministratie en de claimadministratie. De celmateriaaladministratie
legt vast welk celmateriaal er is en waar zich dat bevindt. Dit wordt ook wel de «track
and trace»-administratie genoemd. De claimadministratie registreert welke wettelijke
grondslagen er zijn om het celmateriaal te bewaren (Kamerstukken II 2024/25, 35 753, nr. 3, p. 28). Het kan daarbij gaan om conservatoir afgenomen celmateriaal (ook wel «DNA-C»
genoemd), maar ook om celmateriaal dat is afgenomen op grond van het Wetboek van Strafvordering
bij een verdachte («DNA-O»), of om celmateriaal dat bij een veroordeelde is afgenomen
op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden («DNA-V»). Omdat deze gegevens
niet worden gezien als politiegegevens in de zin van de Wet politiegegevens of als
justitiële of strafvorderlijke gegevens in de zin van de Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens, moet apart worden geregeld welke regels van toepassing zijn op de verwerking
van de gegevens in deze centrale administratie. Dat wordt nu geregeld.
Bepaald wordt dat de Minister van Justitie en Veiligheid verwerkingsverantwoordelijke
is voor de gegevens in de centrale administratie. Daarnaast wordt een aantal artikelen
uit de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van overeenkomstige toepassing
verklaard op de verwerking van de gegevens in deze administratie (tweede lid). Het
zijn grotendeels dezelfde bepalingen die op grond van artikel 27b, vijfde lid, van
het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing zijn op de gegevens
die zijn opgeslagen in de strafrechtsketendatabank, die eveneens door Justid wordt
beheerd. In lijn met artikel 27b, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt
geregeld dat de betrokkene kan verzoeken om inzage in de hem betreffende gegevens
in de centrale administratie (derde lid). Ten slotte wordt in het vierde lid een grondslag
gecreëerd voor het bij algemene maatregel van bestuur stellen van nadere regels over
de centrale administratie. In het voorgestelde artikel 2, zesde lid (nieuw), is ook
al een delegatiegrondslag opgenomen, maar nu er een specifieke bepaling wordt gewijd
aan de centrale administratie, is het wetstechnisch juister daar ook een eigen delegatiegrondslag
aan te koppelen.
Onderdelen C, D, E en F
In deze onderdelen worden omissies hersteld. In artikel 6, eerste lid, van de Wet
DNA-onderzoek bij veroordeelden zit een verkeerde verwijzing, die bij deze gelegenheid
wordt verbeterd (onderdeel C). In artikel II, onderdeel B, van het wetsvoorstel wordt
in de voorgestelde wijziging van artikel 151b, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering
per abuis gesproken over «genomen» in plaats van «afgenomen». Dat wordt nu hersteld
(onderdeel D). In de voorgestelde wijzigingen van de artikelen 151da en 195g van het
Wetboek van Strafvordering ten slotte, wordt in het derde lid verwezen naar enkele
zedendelicten, terwijl inmiddels de Wet seksuele misdrijven in werking is getreden.
Daarom wordt de juiste verwijzing nu in deze leden opgenomen, zoals eerder ook al
is gebeurd (Stb. 2024, 59). Zie daartoe de onderdelen E en F van deze nota van wijziging.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.