Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 915 XII Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (XII) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)
Nr. 3
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 21 april 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm
van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 9 april 2026 voorgelegd aan de Ministers en Staatssecretaris van
Infrastructuur en Waterstaat. Bij brief van 20 april 2026 zijn ze door de Minister
en Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Huizenga
De griffier van de commissie, Schukkink
1
Hoeveel kost het om btw op treintickets af te schaffen?
Antwoord:
Jaarlijks betreft de derving aan de lastenkant van de Rijksbegroting 328 miljoen euro.
Het btw-tarief voor openbaar vervoer kan per kwartaal worden aangepast.
2
Wat is de kostenontwikkeling van treinkaartjes bij de NS in de afgelopen 20 jaar?
Antwoord:
Onderstaande tabel presenteert de gewogen gemiddelde tariefstijging van de beschermde
reisrechten van NS in de afgelopen 20 jaar.
Jaar
Procentuele tariefstijging
Opmerkingen
2007
0,90%
2008
1,50%
2009
3,71%
2010
1,30%
2011
1,50%
2012
2,21%
2013
2,40%
2014
3,38%
2015
1,98%
2016
2,09%
2017
0,39%
2018
1,22%
2019
4,79%
Dit percentage is inclusief de stijging van het lage btw-tarief van 6% naar 9% per
1 januari 2019. Exclusief de stijging van het btw-tarief zou de procentuele tariefstijging
1,91% zijn geweest.
2020
1,50%
2021
1,50%
2022
1,80%
2023
5,51%
De gemiddelde tariefstijging lag in dit jaar met 4,3% lager. Dit komt doordat NS de
prijzen voor Altijd Vrij en Traject Vrij dat jaar heeft verlaagd.
2024
0%
In 2024 zijn de tarieven in het ov niet gestegen als gevolg van de motie-Bikker c.s.
(Kamerstuk 36 410, nr. 29). Voor de NS-tarieven kwamen met deze motie incidentele middelen beschikbaar. Hiermee
kon de toen voorziene stijging van de NS-tarieven van 8,7% voor één jaar worden afgewend.
2025
6,18%
In deze tariefstijging zit een deel van de tariefstijging van 8,7% uit 2024, die naar
latere jaren is doorgeschoven.
2026
6,52%
In deze tariefstijging zit een deel van de tariefstijging van 8,7% uit 2024, die naar
latere jaren is doorgeschoven.
3
Wat is de kostenontwikkeling van treinkaartjes bij Arriva, Keolis en Qbuzz in de afgelopen
jaren?
Antwoord:
De prijzen in het regionaal openbaar vervoer stijgen op basis van de Landelijke Tarievenindex
(LTI):
LTI 2020: 2,2%
LTI 2021: 0,91%
LTI 2022: 2,12%
LTI 2023: 7,24%
LTI 2024: 0% (stijging van 11,72% structureel voorkomen met de Bikkermiddelen)
LTI 2025: 3,34%
4
Welke taken kunnen bij het KNMI niet meer uitgevoerd gaan worden en/of zullen minder
aandacht krijgen door de taakstellingen van het kabinet-Jetten en de forse bezuinig
op het KNMI vanaf 2029?
Antwoord:
Het KNMI werkt momenteel aan een nieuw meerjarig activiteitenprogramma voor 2027–2030.
Hierin zal rekening moeten worden gehouden met de taakstellingen van het kabinet-Jetten.
In afstemming met IenW en andere partners, gaat het KNMI kijken of en hoe de wettelijke
taken ingevuld kunnen worden met de verlaagde budgetten en welke keuzes daarbij gemaakt
zullen moeten worden.
5
Welke van de 500 regels die het kabinet wil schrappen bevinden zich op het terrein
van het Ministerie van IenW? En zijn er ook specifiek regels rondom milieu, circulaire
economie, vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) en circulaire economie
die mogelijk geschrapt gaan worden?
Antwoord:
Het kabinet werkt aan het verminderen van onnodige regels. In totaal worden 500 regels
die voor veel regeldruk zorgen, aangepast of vereenvoudigd. Op regeldrukmonitor.nl
wordt een teller bijgehouden die laat zien hoeveel van de 500 regels inmiddels zijn
aangepast of waarvoor een wijziging in gang is gezet. Op de teller staat ook vermeld
welke regels onder het Ministerie van IenW vallen en wat er voor de betreffende regels
verandert. De teller wordt bij aanpassingen direct bijgewerkt en staat nu op in totaal
315 regels, waarvan 69 op het terrein van het Ministerie van IenW. Daaronder valt
ook een aantal regels op het terrein van milieu, vergunningverlening, toezicht en
handhaving en circulaire economie.
6
Wordt er ook budget beschikbaar gesteld om internationale ov-verbindingen een aantrekkelijker
alternatief te maken dan luchtvaart?
Antwoord:
Internationaal personenvervoer per spoor wordt uitgevoerd onder condities van open
toegang tot de markt en infrastructuur. Dat wil zeggen dat spoorvervoerders geen openbaar
dienstcontract met concessieverlenende overheden hebben en daarmee ook niet financieel
gecompenseerd worden voor het uitvoeren van die diensten. Uitzonderingen hierop zijn
enkele regionale grensoverschrijdende verbindingen die een contract hebben met de
concessieverlenende overheid (veelal de provincie). Daarnaast is de IC Amsterdam–Brussel
opgenomen in de concessie voor het hoofdrailnet, omdat deze verbinding ook van belang
is voor reizigers binnen Nederland. Voor de gehele dienstverlening op het hoofdrailnet
ontvangt de NS een concessiesubsidie.
Bij open toegang treinen is er daarmee geen sprake van financiële compensatie door
de overheid. Vervoerders betalen allemaal de gebruiksvergoeding voor het gebruik van
de infrastructuur. Deze gebruiksvergoeding betreft een beperkt deel van de totale
instandhoudingskosten voor de spoorweginfrastructuur. De resterende kosten voor de
instandhouding van de infrastructuur worden gedragen door de infrastructuurbeheerder
ProRail, die daarvoor vanuit het Ministerie van IenW jaarlijks subsidie ontvangt.
In het regeerakkoord is aangegeven dat het kabinet ruimte wil geven aan innovatieve
nieuwe aanbieders op het spoor, specifiek voor nachttreinen en internationale spoorverbindingen.
Hier zullen we komende jaren invulling aan geven. Met de recente wijziging van het
Besluit Capaciteitsverdeling is bijvoorbeeld al meer ruimte geboden aan internationaal
reizigersvervoer per spoor. De Kamer wordt over de ambities uit het coalitieakkoord
via de reguliere brieven aangaande internationaal reizigersvervoer per spoor geïnformeerd.
Daar wordt ook ingegaan op de inzet van het kabinet voor het ontwikkelen van de markt
voor internationaal personenvervoer en hoe internationaal spoorvervoer op deelmarkten
een aantrekkelijk alternatief kan zijn voor de luchtvaart.
7
Uit welke middelen zou het het meest logisch zijn om de eventuele reparatiebonus die
nu onderzocht wordt door het ministerie te betalen?
Antwoord:
Het onderzoek naar een reparatiebonus wordt binnenkort met de Kamer gedeeld in een
verzamelbrief circulaire economie. Uit het onderzoek komt naar voren dat een reparatiebonussysteem
wel tot extra reparaties leidt, maar tegen hele hoge kosten. Hier is geen budget voor
binnen de begroting van Artikel 21 Circulaire Economie. Naast een reparatie bonussysteem
kijkt het kabinet ook naar alternatieve manieren om reparatie te stimuleren.
8
Op welke wijze is de kasschuif van € 267,1 miljoen voor Hoofdstuk XII (nummer 10)
voor 2026 opgebouwd?
Antwoord:
De kasschuif op begrotingshoofdstuk XII van in totaal € 267,1 miljoen is als volgt
opgebouwd:
− € 95,1 miljoen op de Vrachtwagenheffing
− € 42,2 miljoen op het NGF-project Luchtvaart in Transitie
− € 21,6 miljoen op het NGF-project Dutch Metropolitan Innovations
− € 12,8 miljoen op het NGF-project Maritiem Masterplan
− € 60,6 miljoen op het klimaatfondsbudget, met name voor duurzame mobiliteit
− € 34,8 miljoen op diverse overige posten.
9
Kunt u toelichten hoe deze kasschuif van € 267,1 miljoen aansluit op de individuele
begrotingsartikelen?
Antwoord:
In onderstaande tabel is de opbouw van de kasschuif per beleidsartikel weergeven (bedragen
x € 1.000).
Overzicht kasschuif HXII per artikel (bedragen x € 1.000)
Artikel
2026
2027
2028
2029
2030
2031
11 Integraal Waterbeleid
642
– 552
– 90
0
0
0
14 Wegen en Verkeersveiligheid
– 108.466
– 15.736
41.888
35.564
23.800
22.950
15 Vrachtwagenheffing
– 95.074
– 63.577
– 13.109
– 1.877
– 22.223
195.860
17 Luchtvaart
– 47.457
9.534
5.817
30.389
– 14.701
16.418
18 Scheepvaart en Havens
– 11.494
18.343
– 19.810
4.144
– 93.626
102.443
21 Circulaire Economie
2.936
– 3.242
– 465
1.317
– 546
0
24 Inspectie leefomgeving en Transport
– 250
– 200
590
590
150
– 880
98 Apparaatsuitgaven Kerndepartement
– 3.879
– 6.346
– 2.616
4.135
3.698
5.008
99 Nog Onverdeeld
– 4.086
6.664
9.195
– 3.318
– 8.455
0
Eindtotaal
– 267.128
– 55.112
21.400
70.944
– 111.903
341.799
10
Waarom wordt in de jaren 2026–2028 een additionele korting op de prijsbijstelling
toegepast, terwijl de toelichting vermeldt dat de onderuitputting lager is dan geanticipeerd?
Antwoord:
Er is geen sprake van een additionele korting op de prijsbijstelling. De betreffende
toelichting in de 1e suppletoire begroting is per abuis opgenomen.
11
Wat kost ov in de daluren voor € 9? En voor € 29? En voor € 49?
Antwoord:
De Kamer is in 2024 geïnformeerd over de kosten en effecten van verschillende dalproposities
n.a.v. vragen over een Nederlandticket (Kamerstukken 23 645, nr. 828). Die bedragen (prijspeil 2023 en met gegevens uit 2021) waren ongeschikt voor een
indicatie van de werkelijke kosten van een ticket maar wel onderling te vergelijking.
Er bestaat geen landelijk model met daarin de reisbewegingen van alle reizigers bij
alle vervoerders om een goede berekening te maken.
Werkelijke kosten vallen uiteen in derving van inkomsten maar bijvoorbeeld ook van
(extra) benodigde capaciteit. Deze kosten moet worden berekend met actuele cijfers
in de modellen van de vervoerders afzonderlijk en worden gecontroleerd op feitelijk
gebruik van het ticket. Ook moet rekening gehouden worden met mogelijke extra exploitatie-
of uitvoeringskosten. Een dergelijke modulaire berekening is op dit moment niet mogelijk
gebleken.
12
Waarom wordt de voorziene onderuitputting in de jaren 2026–2028 niet per artikel gericht
in mindering gebracht op de begroting, maar met een «kaasschaaf»-methode via het inhouden
van een prijsbijstelling? Wordt deze generieke korting later nog toebedeeld aan specifieke
artikelen?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 10.
13
Hoeveel ambtenaren vallen bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat onder
de nullijn?
Antwoord:
Alle medewerkers van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (ongeveer 17.000)
vallen onder dezelfde CAO van de Rijksoverheid en dus ook onder de nullijn.
14
Hoeveel medewerkers bevinden zich in de lagere loonschalen (schaal 1 t/m 6)? Wat is
het aandeel van deze groep binnen de uitvoering (uitvoeringsorganisaties versus beleid)?
Antwoord:
Ruim 1.300 medewerkers bevinden zich in schaal 1 t/m 6. Het aandeel van deze groep
op het totaal is 8%. Binnen beleid is het aandeel van deze groep 2% en bij de uitvoering
bevindt 10% van de medewerkers zich in schaal 1 t/m 6.
15
Welke functies/beroepen vallen voornamelijk binnen de lagere loonschalen (schaal 1
t/m 6)? Wat is de huidige en verwachte personeelskrapte binnen deze functies?
Antwoord:
De functies in schaal 1 t/m 6 zijn voornamelijk medewerkers operationeel verkeersmanagement,
managementondersteuners en nautisch medewerkers. Er is bij de schalen 1 t/m 6 geen
(verwachte) personeelskrapte.
16
Zijn er interne analyses of risico-inschattingen gemaakt over de effecten van de nullijn,
bijvoorbeeld op de instroom of uitstroom? Zo ja, kunnen deze worden gedeeld?
Antwoord:
Er zijn geen analyses gemaakt van de effecten van de nullijn op de instroom of uitstroom.
17
Welk aandeel van het personeel betrokken bij de instandhoudingsopgave bevindt zich
in lagere loonschalen (schaal 1 t/m 6)? In hoeverre beïnvloedt de nullijn de uitvoerbaarheid
van de instandhoudingsopgave?
Antwoord:
Ongeveer 20% van de medewerkers van Rijkswaterstaat die zich direct bezighouden met
instandhouding bevindt zich in loonschaal 6 of lager. Het effect van de nullijn op
de uitvoerbaarheid van de instandhoudingsopgave is niet te voorspellen.
18
Kunt u een overzicht geven van de jaarlijkse ingehouden prijsbijstelling in de periode
2026–2031?
Antwoord:
Als bijlage bij deze lijst is een overzicht opgenomen waarin is weergegeven hoeveel
prijsbijstelling er voor de begrotingen van IenW is ingehouden. Voor begrotingshoofdstuk
XII gaat het in totaal om circa € 200 miljoen, voor het Mobiliteitsfonds om ca. € 3,2
miljard en voor het Deltafonds om ca. € 580 miljoen.
19
Wat zal wegvallen/minder aandacht krijgen als gevolg van de bezuiniging op de circulaire
economie door de taakstelling van het kabinet-Jetten, en welke impact heeft dit op
de doelstelling om te komen tot een circulaire economie in 2050?
Antwoord:
De begroting van artikel 21 Circulaire Economie bevat middelen die incidenteel zijn
toegekend. Een deel van deze tijdelijk toegekende middelen is recent afgelopen, hierdoor
is een aantal dossiers al afgeschaald (bijvoorbeeld het niet openstellen van de regelingen
EKOO CE, Circulaire Ketenprojecten, Ketendoorbraak-projecten, Circulair Implementeren
en Opschalen en een keer in de twee jaar een grote conferentie organiseren).
De effecten van de taakstelling kabinet-Jetten zullen vooral afhankelijk zijn van
de verdere juridische mogelijkheden tot afschaling en welke keuzes daarin gemaakt
worden. Tot slot is de impact zelf lastig te kwantificeren, omdat anders dan bijvoorbeeld
in het klimaatbeleid de effecten van maatregelen op de doelen (nog) niet goed zijn
door te rekenen. Maar minder inzet van capaciteit en middelen beperkt de mogelijkheden
te sturen op het realiseren van de doelen.
20
Welke taken kunnen door de forse bezuiniging op de Inspectie Leefomgeving en Transport
(ILT) vanaf 2029 door de taakstellingen van het kabinet-Jetten bij de ILT niet meer
uitgevoerd gaan worden en/of zullen minder aandacht krijgen? En hoe hangt deze bezuiniging
samen met de wens om het VTH-stelsel te versterken?
Antwoord:
De ILT werkt informatiegericht en risico gestuurd en moet vanwege haar per definitie
beperkte capaciteit altijd prioriteiten stellen. Om aan de bestaande taakstelling
te voldoen (vanuit het kabinet-Schoof) voert de ILT in 2026 minder intensief bepaalde
taken uit dan eerst. Door de taakstellingen van het kabinet-Jetten is aanvullende
prioritering door de ILT onvermijdelijk. De komende periode wordt duidelijk welke
maatregelen de ILT moet treffen ter invulling van deze taakstelling. Het doorvoeren
van taakstellingen komt er in de inspectiepraktijk op neer dat de taakuitvoering moet
worden teruggebracht en er daarmee meer risico’s voor mens en milieu kunnen ontstaan.
De precieze invulling en dus ook het zichtbaar maken van de gevolgen doet de ILT in
de jaarplannen en meerjarenplannen, daarin komt ook aan de orde welke ruimte er nog
is voor nieuwe taken.
21
Welke klimaatakkoordprojecten/-opdrachten kunnen geen doorgang meer vinden, doordat
het opdrachtenbudget klimaatakkoord in 2026 t/m 2031 met totaal € 51,3 miljoen wordt
verlaagd?
Antwoord:
Vanuit de post Klimaatakkoord worden de financiële middelen per besluitvormingsmoment
overgeboekt naar het juiste beleidsinstrument in de begroting. In de toelichting is
abusievelijk vermeld dat de begrotingspost Klimaatakkoord met € 51,3 miljoen wordt
verlaagd. Dit is niet correct. In de periode 2026 tot en met 2031 gaat het per saldo
om cumulatief € 63,6 miljoen. Dit bedrag bestaat uit:
1. Overboekingen naar de juiste beleidsinstrumenten (€ – 56,5 miljoen), conform de afgesproken
systematiek, waaronder:
• € 39 miljoen voor opdrachten duurzame mobiliteit
• € 11 miljoen voor opdrachten Elektrisch Vervoer
• € 2,1 miljoen voor overige opdrachten
• € 4,4 miljoen als bijdrage aan agentschap Rijkswaterstaat.
2. De verwerking van de negatieve eindejaarsmarge (€ – 13,9 miljoen).
3. Ophoging door terugbetaling (€ + 6,8 miljoen) van een lening uit 2025 voor de problematiek
rond zonnepanelen bij Schiphol, die weer ten gunste komt van de post Klimaatakkoord.
22
Wat kost gratis ov? Hoe wordt deze berekening gemaakt?
Antwoord:
De totale vervoerskosten voor 2024 worden geschat op circa 6,3 miljard euro per jaar.
Dit bedrag bestaat uit de reizigersinkomsten (circa 4,0 miljard euro), de middelen
voor de OV-studentenkaart (OCW-begroting, circa 1,0 miljard euro) en door exploitatiesubsidies
(o.a. via Provinciefonds en IenW-begroting (BDU Verkeer en Vervoer), circa 1,3 miljard
euro). Dit betreffen geaggregeerde cijfers over de reizigersinkomsten op basis van
publicatie in de Staat van het OV (te raadplegen via www.crow.nl/kennisproducten). De totale kosten voor het gratis maken van het openbaar vervoer vallen naar verwachting
hoger uit, omdat er in deze kostenraming geen rekening mee is gehouden dat bij gratis
openbaar vervoer de vraag naar openbaar vervoer stijgt en de kosten voor (bijvoorbeeld)
OV-personeel en materieel zal toenemen.
23
Hoeveel kost gratis ov, als dit gratis wordt gemaakt voor lage inkomens, bijvoorbeeld
voor mensen die onder 120% van het sociaalminimum vallen? Of onder 140% van het sociaal
minimum?
Antwoord:
De reisbewegingen van mensen in een bepaalde inkomensgroep zijn niet bekend voor het
openbaar vervoer. Een kostenindicatie kan daarom niet worden gegeven.
24
Hoeveel kost het om het ov goedkoper te maken aan de hand van een voordelig abonnement
waarmee mensen onbeperkt door Nederland kunnen reizen? Bijvoorbeeld voor € 40, € 50,
€ 60, € 70 of € 80?
Antwoord:
Zie hiervoor het antwoord op vraag 11. Van belang hierbij is ook of het abonnement
alleen geldig is tijdens de daluren of ook tijdens de spitsuren.
25
Aan welke ov-subsidies precies wordt in de jaren 2027 tot 2029 minder uitgegeven?
Antwoord:
De lagere uitgaven aan ov-subsidies in de jaren 2027–2029 hangen samen met de subsidietaakstelling
uit het coalitieakkoord (Jetten), zoals verwerkt bij de Voorjaarsnota 2026. Deze taakstelling
is generiek doorvertaald naar een aantal subsidieposten binnen artikel 16 (Openbaar
Vervoer en Spoor).
De taakstelling raakt de volgende (categorieën van) subsidies:
• De subsidie aan NS voor de uitvoering van de hoofdrailnetconcessie 2025–2033 en het
landelijk reisinformatiesysteem;
• De subsidie aan NS voor sociale veiligheid;
• Subsidies aan consumentenorganisaties in het OV, waaronder de bijdrage aan Reizigersvereniging
Rover en de Geschillencommissie (Klachtenloket OV);
• Subsidies voor regionale ov-systemen, waaronder de OV-klantenbarometer (CROW).
De verlaging is structureel van aard en bedraagt indicatief (x € 1.000 per jaar):
• NS-concessie: – 198
• NS sociale veiligheid: – 21
• Consumentenorganisaties OV: – 7
• Regionale Ov-systemen: – 2
26
Waarvoor wordt het extra geld voor de luchtruimherziening gebruikt?
Antwoord:
Een deel van de middelen die voorheen onder Luchtruim en Regio Luchthavens verantwoord
werd wordt nu onder Luchtruimherziening verantwoord. Dit heeft te maken met de organisatieverandering
van de luchtvaartdirecties per 1 januari 2026. Het betreft in 2026 dus geen ophoging
van het budget voor het programma Luchtruimherziening. Voor het programma Luchtruimherziening
zelf is in 2027 een toevoeging van € 1,0 mln. vanwege de bijdrage van het Ministerie
van Defensie.
BIJLAGE
Tabel behorend bij antwoord 18.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.A. Huizenga, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
M. Schukkink, griffier