Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 915 VIII Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)
Nr. 3
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 21 april 2026
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm
van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 9 april 2026 voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Bij brief van 17 april 2026 zijn ze door de Minister
en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Koorevaar
Adjunct-griffier van de commissie, Van Thiel
1
Blijft het volledige bedrag dat middels amendement van het lid Bontenbal c.s.1 is vrijgemaakt voor de techniekhavo beschikbaar?
Ja, het bedrag uit het amendement Bontenbal bedoeld voor de techniekhavo blijft voor
dit doel beschikbaar.
2
Hoe ontwikkelt zich de demografische krimp rond studentenaantallen in het ho en wo
en hoe worden deze ontwikkelingen opgevangen in de begroting?
De dalende trend van het aantal hbo-studenten zal zich de komende jaren voortzetten.
Volgens de meest recente raming neemt het totaal aantal studenten tussen 2025 en 2032
af met 23.700 (5,4%) naar 415.800. In deze periode daalt het aantal Nederlandse studenten
naar verwachting met 22.000 (– 5,5%) naar 375.100.
Ook in het wo is de verwachting dat het totaal aantal studenten de komende jaren afneemt.
Tussen 2025 en 2032 wordt een afname verwacht van 27.900 (– 8,4%) naar 305.900 studenten.
Het aantal Nederlandse studenten daalt in deze periode naar verwachting met 21.600
(– 9.0%) naar 218.500.
De Referentieraming 2026 geeft voor alle onderwijssectoren de verwachte ontwikkeling van het aantal studenten
weer. Het onderwijsdeel van de begroting voor het hbo en het wo wordt jaarlijks bijgesteld
aan de hand van de referentieraming. De financiële bijstelling is het resultaat van
het verschil tussen de laatste twee referentieramingen in studentenaantallen (Nederlandse
en niet-Nederlandse EER-studenten) vermenigvuldigd met de onderwijsuitgaven per student
uit de begroting. Deze systematiek geldt zowel bij groei van studentenaantallen als
bij krimp.
3
Hoeveel Oekraïense studenten hebben zich inmiddels (op moment van beantwoording van
deze feitelijke vragen) ingeschreven bij een Nederlandse ho- of wo-instelling en is
bekend hoeveel Oekraïense studenten zich bij een niet-Nederlandse ho- of wo-instelling
hebben ingeschreven?
Volgens de meest recente cijfers voor het collegejaar 25/26 staan 714 ontheemden uit
Oekraïne ingeschreven als student bij een instelling in het hbo of wo. Daarvan hebben
698 ook de Oekraïense nationaliteit. Als naast ontheemde ook niet-ontheemde studenten
worden meegeteld – het gaat dan om alle studenten in Nederland met de Oekraïense nationaliteit
– bedraagt het totaal 1850 studenten. Op dit moment is niet bekend hoeveel Oekraïense
studenten bij een niet-Nederlandse hbo- of wo-instelling ingeschreven staan.
Niet alle Oekraïners in Nederland zijn ontheemd. Een deel woont hier bijvoorbeeld
al langer en heeft een reguliere verblijfsstatus. Zij vallen niet onder de Richtlijn
Tijdelijke Bescherming. Omgekeerd zijn er ook enkele studenten die wel onder de Richtlijn
Tijdelijke Bescherming vallen, uit Oekraïne afkomstig zijn, maar niet in het bezit
zijn van de Oekraïense nationaliteit.
4
Welk bedrag is leidend voor de intensivering op de Einstein Telescope in 2026?
De middelen voor de Einstein Telescope zijn bedoeld voor verdere versterking van het
ET projectbureau van het ET-samenwerkingsverband in de Euregio Maas-Rijn (EMR). De
complexiteit van de geologische haalbaarheidsonderzoeken en de nadere specificatie
van de vereisten voor het aan te leveren locatievoorstel hebben daarnaast geleid tot
de noodzaak voor aanvullende onderzoeken, te weten aanvullend geologisch en seismisch
onderzoek. Voor versterking van het projectbureau en deze aanvullende onderzoeken
stelt het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in 2026 maximaal € 6,0
miljoen beschikbaar.
5
Om welke intensiveringen (€ 10.348 miljoen) gaat het in tabel 1?
In onderstaande tabel treft u een uitsplitsing van de overige intensiveringen in het
jaar 2026 van in totaal € 10,3 miljoen.
bedragen x € 1.000
Art.
Intensivering
2026
3
KOMEX
2.300
95
Digitale Weerbaarheid
2.209
14
Transitiekosten, huisvesting en I-infrastructuur Nationaal Archief
1.550
15
Toezichtstaken Commissariaat voor de Media
1.000
95
Programma Samen Verantwoorden
990
95
Kostenstijging Basisregistratie Personen
910
4
Ontwikkeling van het examen Nederlands vreemde Taal (NvT) voor de BES-eilanden
750
25
Versterkte Aanpak LHBTIQ+ Veiligheid
340
95
Regeringsvliegtuig OCW-aandeel
269
8
EU-voorzitterschap 2029
30
Totaal overige intensiveringen
10.348
6
Wat is de reden van de incidentele verhoging van het budget met € 19,1 miljoen in
2027 voor de regeling schoolmaaltijden om de huidige zomer- en winterpakketten te
continueren in 2027?
De verhoging van het was gebaseerd op de prognoses uit december 2025 vanuit het Jeugdeducatiefonds
(JEF) van het aantal leerlingen en de verwachte kosten van de pakketten.
7
Op welke termijn zullen de onderwijsbezuinigingen van het kabinet-Schoof volledig
teruggedraaid zijn en hoeveel geld zijn onderwijs en wetenschap tegen die tijd misgelopen
door staande bezuinigingen die tot die tijd niet of slechts deels teruggedraaid zullen
worden?
In de beantwoording van de Kamervragen van de leden Moorman, Abdi en Tseggai is een vergelijking gemaakt tussen bezuinigingen van het kabinet Schoof en de investeringen
van het kabinet Jetten. In die vergelijking is rekening gehouden met het terugdraaien
van bezuinigingen van het kabinet Schoof met de amendementen Bontenbal c.s. en Eerdmans c.s. Daaruit blijkt dat het kabinet Jetten vanaf 2027 per saldo meer investeert dan dat
het kabinet Schoof heeft bezuinigd. Het is daarbij wel mogelijk dat niet alle bezuinigingen
een op een worden teruggedraaid, maar dat voor andere investeringen of instrumenten
wordt gekozen. In de beleidsbrief van OCW die uw Kamer binnenkort zal ontvangen wordt
dit toegelicht. De verdeling wordt voor de zomer van 2026 nader uitgewerkt, mede in
overleg met uw Kamer en sectoren, richting verwerking van de middelen in de Ontwerpbegroting
2027 van OCW.
8
Hoe wordt de tegenvaller van € 88,092 miljoen vanwege de afhandeling van de zaak rond
indirecte discriminatie bij DUO gedekt?
Het bedrag van € 88,092 miljoen is een tegenvaller op de totale studiefinancieringsraming
en wordt gedekt uit de Eindejaarsmarge. Deze tegenvaller staat los van de herstelopgave
rondom de controles op de uitwonendenbeurs (CUB). In deze tegenvaller op de studiefinanciering
van € 88,092 miljoen zitten geen kosten vanwege de herzieningen of schadeafhandeling
van de zaak rondom de controles op de uitwonendenbeurs. Specifiek met betrekking tot
de hersteloperatie rondom de controles op de uitwonendenbeurs is er een tegenvaller
van totaal € 29,1 miljoen vanwege de herzieningen. Dit bedrag wordt meegenomen in
het totaal aan saldo mee- en tegenvallers op de OCW-begroting die terug zijn te vinden
in tabel 1 van de memorie van toelichting Eerste suppletoire begroting 2026 OCW.
9
Kunt u nader toelichten wat de achtergrond is van de intensivering, alsmede de exacte
omvang, van de in de Voorjaarsnota genoemde uiteenlopende bedragen voor de intensivering
van de Einstein Telescope, variërend van € 6 miljoen tot € 9 miljoen?
OCW stelt in 2026 maximaal € 6,0 miljoen beschikbaar voor versterking van het ET-EMR
projectbureau en aanvullend geologisch en seismisch onderzoek. Daarnaast loopt de
eerder – vanuit Nederland, België en Noordrijn-Westfalen – toegekende financiering
voor het ET-EMR projectbureau eind 2026 af, terwijl de besluitvorming voor de locatie
pas in het derde kwartaal van 2027 voorzien is. OCW stelt daarom in 2027 en 2028 een
bedrag van € 1,5 miljoen per jaar beschikbaar voor de instandhouding en doorontwikkeling
van het projectbureau, in afwachting van het locatiebesluit en de vervolgstappen.
10
Kunt u een overzicht geven van alle subsidies waarop, op basis van de subsidietaakstelling,
per 2027 wordt bezuinigd, inclusief het desbetreffende bedrag waarop deze subsidie
wordt gekort?
Hieronder treft u een overzicht van alle subsidies waarop, op basis van de subsidietaakstelling,
wordt bezuinigd, inclusief het betreffende bedrag.
bedragen x € 1.000
Art.
Subsidie
2027
2028
2029
2030
2031
1
Nederlands onderwijs buitenland (NOB) i.v.m. verschil tussen budget en aangevraagde
instellingssubsidie
– 1.700
– 1.700
– 1.700
– 1.700
– 1.700
1
Meerurenmaatwerk omdat er minder aanvragen zijn ingediend dan waar budget voor beschikbaar
was
– 2.400
– 1.900
0
0
0
4
Loopbaanoriëntatie
– 717
0
0
0
0
1,4,6
Doorstroom Beroepskolom
– 5.133
– 4.328
– 4.328
– 4.828
– 3.828
9
Lerarenbeurs i.v.m. een verschil tussen verwachte aantal aanvragen en subsidiebudget
0
– 2.000
– 2.000
– 2.000
– 2.000
15
Onderzoeksjournalistiek
– 223
– 223
– 223
– 223
– 223
16
Naturalis Biodiversity Center
– 227
– 227
– 227
– 227
– 218
16
Biomedical Primate Research Centre (BPRC)
– 273
– 273
– 273
– 273
– 263
16
NEMO Science Museum
– 89
– 89
– 89
– 89
– 85
16
Stichting Toekomstbeeld der Techniek (STT)
– 6
– 6
– 278
– 278
– 278
16
Stichting AAP
– 27
– 27
– 27
– 27
– 26
16
Nationaal Expertisecentrum voor Wetenschap en Samenleving (NEWS)
– 24
– 24
– 24
– 24
– 24
16
Vereniging van Science Centers (VSC)
– 7
– 7
– 323
– 323
– 323
16
Netherlands Academy of Engineering (NAE)
– 11
– 11
– 11
– 11
– 546
Naast bovenstaande budgetten wordt de subsidietaakstelling ingevuld door een korting
op het budget voor overige subsidies van verschillende artikelen (€ 8,8 miljoen structureel)
en het budget voor opdrachten (€ 0,5 miljoen structureel) en het onderzoeksdeel van
de bekostiging wo (totaal 3,2 miljoen in de periode 2026–2030).
11
Hoe verhoudt deze subsidietaakstelling zich ten opzichte van de eerdere (structurele)
subsidietaakstelling uit 2025?
De subsidietaakstelling uit 2025 waaraan wordt gerefereerd was een bezuinigingsmaatregel
van het kabinet Schoof. Het betrof een rijksbrede subsidietaakstelling van € 1 miljard
die is verdeeld over de departementen. Het aandeel van OCW hierin was structureel
€ 361 miljoen. De Tweede Kamer is op 24 oktober 2024 geïnformeerd over de invulling
hiervan.
De subsidietaakstelling in de Eerste suppletoire begroting van OCW is een bezuinigingsmaatregel
van het kabinet Jetten. Het betreft een rijksbrede subsidietaakstelling van structureel
€ 189 miljoen die is verdeeld over de departementen. Het aandeel van OCW hierin is
structureel € 18 miljoen.
12
Komt de subsidietaakstelling van 2027 bovenop die van 2025?
Ja, zie ook het antwoord op vraag 11.
13
Klopt het beeld dat ook de verhoging van de arbeidsongeschiktheidspremie (AOf-premie)
en de afschaffing van de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) tot
hogere kosten voor onderwijsinstellingen leiden?
De verhoging van de AOf-premie werkt door in het onderwijs. Werkgevers in het onderwijs
zijn verplicht deze premie te betalen voor elke werknemer die in loondienst werkt
en de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt.
Het (eventuele) effect van afschaffen van de IVA op de kosten voor onderwijsinstellingen
is nog niet bekend. Bij de verdere uitwerking zal moeten blijken welke gevolgen er
precies zijn voor (onderwijs)werkgevers.
14
Worden onderwijsinstellingen gecompenseerd voor de hogere kosten door verhoging van
de AOf-premie en de afschaffing van de IVA?
De ontwikkeling van de AOf-premie maakt onderdeel uit van de jaarlijkse loonbijstelling
(indexering) van de overheid voor overheids- en onderwijssectoren, de zogeheten «kabinetsbijdrage
in de arbeidskostenontwikkeling». De hoogte van de stijging van de kabinetsbijdrage
volgt de marktontwikkelingen via de referentiesystematiek. Zie voor de effecten op
de afschaffing van de IVA het antwoord op vraag 13. Omdat het effect niet bekend is,
is ook niet duidelijk of er al dan niet wordt gecompenseerd.
15
In hoeverre dienen hogescholen en universiteiten nog te bezuinigingen als het aantal
niet-Nederlandse EER-studenten dalend is en bovendien er vanaf 2027 extra budget (envelop
onderwijs) uit het coalitieakkoord beschikbaar komt?
Wat betreft de resterende bezuiniging gekoppeld aan internationale studenten is in
de Eerste suppletoire begroting 2026 een tabel opgenomen voor het hbo en wo tezamen.
In de tabel hieronder is deze gespecificeerd voor het hbo en het wo:
(x € 1.000)
2026
2027
2028
2029
2030
2031
hbo
1.879
9.132
14.846
14.229
369
–
wo
4.108
15.814
29.069
28.316
–
–
totaal
5.987
24.945
43.915
42.545
369
–
De plannen voor besteding van de middelen voor onderwijs uit het coalitieakkoord «Aan
de slag» worden op dit moment uitgewerkt. Wanneer de uitwerking afgerond is, zal ook
bekend zijn wat dit betekent voor de resterende taakstelling op internationale studenten.
16
Hoe wordt het voornemen in het coalitieakkoord om de studierente te maximeren op 2,5
procent in de begroting verwerkt?
De intensiveringen uit het coalitieakkoord op het gebied van onderwijs worden nader
uitgewerkt richting verwerking in de Ontwerpbegroting 2027. Dat geldt ook voor de
rentemaatregel. Het benodigde bedrag voor de studierente uit de envelop onderwijs
is nog afhankelijk van de precieze vormgeving van de maatregel.
17
Kunt u aangeven welk effect de aangenomen motie van het lid Straatman c.s.2, die hbo-bachelors die een wo-master willen volgen hetzelfde recht op studiefinanciering
toekent, zal hebben op de OCW-begroting?
De motie Straatman vraagt om een verkenning. In deze verkenning zullen de budgettaire
effecten voor de OCW-begroting worden meegenomen.
18
Kunt u de effecten van de in het coalitieakkoord voorgenomen verhoging van de uitwonendenbeurs
voor de OCW-begroting nader uiteenzetten?
In de beleidsbrief van OCW die uw Kamer binnenkort zal ontvangen gaan we verder in
op het verhogen van de uitwonendenbeurs. Deze maatregel en de andere intensiveringen
op terrein van onderwijs worden de komende periode nader uitgewerkt richting verwerking
in de Ontwerpbegroting 2027.
19
Hoe is het voornemen om de normbedragen voor alle studiefinancieringsvormen gelijk
te trekken, doorgevoerd in de OCW-begroting?
In het coalitieakkoord is geen concreet voornemen opgenomen om de normbedragen gelijk
te trekken. Om deze reden is dit niet doorgevoerd in de OCW-begroting.
20
Klopt het beeld dat er meer wordt geëxtensiveerd dan geïntensiveerd en dat het kabinet
bij deze suppletoire begroting voorlopig dus verder bezuinigt op het onderwijs?
Bij de besluitvorming van de Voorjaarsnota 2026 is er binnen de OCW-begroting geëxtensiveerd
en geïntensiveerd. Er is bij de Eerste suppletoire begroting 2026 binnen de begroting
van OCW per saldo meer geëxtensiveerd dan geïntensiveerd. De per saldo extensiveringen
worden ingezet om tegenvallers op de OCW-begroting te dekken. Deze middelen blijven
dus binnen de OCW-begroting.
Ook zijn de generieke taakstellingen uit het coalitieakkoord «Aan de slag» bij de
Eerste suppletoire begroting 2026 verwerkt op de begroting van OCW. Het betreft de
taakstellingen op efficiency (61), vernieuwing rijksdienst (62) en de subsidietaakstelling
(63). Ook is het besluit van het kabinet Schoof uit de Miljoennota 2026 om vanaf 2028
te korten op de prijsbijtelling tranche 2026 verwerkt in deze suppletoire begroting.
Daarnaast zijn er ook middelen voor intensiveringen op onderwijs en media uit het
coalitieakkoord. De verdeling wordt voor de zomer van 2026 nader uitgewerkt, mede
in overleg met uw Kamer en sectoren, richting verwerking van de middelen in de Ontwerpbegroting
2027 van OCW. Zie ook het antwoord op vraag 7.
21
Kunt u aangeven hoe het bedrag van € 79,6 miljoen, verspreid over de jaren 2026 tot
en met 2030, voor de afhandeling van schade als gevolg van discriminatie bij de controles
op de uitwonendenbeurs is opgebouwd?
In onderstaand overzicht zijn de totale kosten van € 79,6 miljoen uitgesplitst naar
uitvoeringskosten en de kosten voor de schadeafhandeling. Het streven is om het merendeel
van de schadevergoedingen de komende jaren af te handelen, met een uitloop naar 2029
en 2030. Het streven is dat DUO de schadeafhandeling in 2030 afrondt.
Schadeafhandeling controles uitwonendenbeurs
€ x 1.000
Kosten schadeverzoeken
38.900
Uitvoeringskosten OCW (incl. DUO)
40.667
Totaal
79.567
22
Hoe is de verdeling van deze bijna € 80 miljoen aan middelen, specifiek qua uitvoering
van deze maatregel en de uitbetaling?
De uitvoeringskosten van deze maatregel bedragen € 40,7 miljoen, de kosten aan schadeverzoeken
bedragen € 38,9 miljoen. Zie hiervoor ook de tabel bij de vorige vraag.
23
Wat wordt er bedoeld met schade als gevolg van discriminatie?
Door de indirecte discriminatie bij de controle van de uitwonendenbeurs kunnen (oud-)studenten
schade hebben geleden. Dat kan zowel immateriële als materiële schade betreffen. We
zijn tot de conclusie gekomen dat de Staat aansprakelijk is voor deze schade, omdat
deze voortkomt uit een onrechtmatig besluit van de overheid waarvan de onrechtmatigheid
in beginsel toe te rekenen is aan die overheid.
Dit wordt toegelicht in de Kamerbrief over de schadeafhandeling na indirecte discriminatie bij de uitwonendenbeurs. Bij het nemen van de besluiten is gehandeld in strijd met het discriminatieverbod
en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Daarnaast is bij de huisbezoeken
het recht op privacy geschonden. Als een (oud-)student schade heeft opgelopen door
een onrechtmatige besluit van de overheid, dan komt die schade – materieel en immaterieel
– in aanmerking voor vergoeding.
24
Klopt het dat de daadwerkelijk geleden schade betaald is?
Op dit moment is er nog geen schade betaald aan (oud-)studenten. Het streven is dat
DUO na de zomer start met de schadeafhandeling en deze in 2030 afrondt. Wel is DUO
na een periode van voorbereiding sinds september 2025 begonnen met het uitvoeren van
de eerste herzieningen en de daarbij behorende terugbetalingen. Met de herzieningen
wordt bedoeld het terugdraaien van alle financiële maatregelen die zijn genomen op
grond van de risicogerichte controlewijze. Het is de bedoeling dat er synergie ontstaat
tussen de herzieningsopgave en de schadeafhandeling.
25
Welke gevolgen heeft het stopzetten van de regeling Versterking aansluiting beroepsonderwijskolom
(VABOK)?
De reeds gehonoreerde aanvragen en de aanvragen die in de rondes van 2026 nog worden
toegekend zullen worden uitbetaald aan de onderwijsinstellingen. De uitbetalingen
lopen door tot en met 2028. Dat betekent dat tot en met 2028 onderwijsinstellingen
in het vo, mbo en hbo nog met subsidiëring van OCW samen kunnen werken om de doorstroom
binnen de beroepskolom te bevorderen binnen tekortsectoren en opleidingen met een
hoger uitvalpercentage. De financiële ondersteuning vanuit OCW hierbij loopt na 2028
af. De overwegingen voor het stopzetten van de regeling worden toegelicht in het antwoord
op vraag 26. Het stopzetten van de regeling neemt niet weg dat de overgang van het
vo en mbo naar hbo onze aandacht blijft hebben. Momenteel loopt er een evaluatie van
de VABOK-regeling waarin ook de middelen voor het regionaal ambitieplan, gericht op
regionale samenwerking ter verbetering van de doorstroom, worden geëvalueerd. Mede
op basis van deze resultaten zal met het veld in gesprek worden gegaan over hoe de
doorstroom binnen de beroepskolom gewaarborgd kan worden.
26
Welke gedachte ligt ten grondslag aan het stopzetten van de regeling VABOK die ten
goede kwam aan aansluitende opleidingsroutes tussen vo-mbo en mbo-hbo maar het wel
intensiveren op de aansluiting tot de arbeidsmarkt vanuit het hbo? Kunt u de gegeven
uitleg dat deze inzet in dezelfde geest is als de oorspronkelijke inzet verder duiden,
gezien met deze keuzes verschillende doelgroepen bereikt worden?
Zowel inzet op behoud van studenten in de beroepsonderwijskolom (vermindering van
uitval) als intensivering op de aansluiting tot de arbeidsmarkt hebben tot doel om
meer afgestudeerde studenten richting de arbeidsmarkt te krijgen in het licht van
tekorten. Het gaat erom studenten op de juiste plaats in het onderwijs en uiteindelijk
op de arbeidsmarkt terecht komen.
De reden voor het stoppen van de VABOK-regeling is gebaseerd op de verschillende taakstellingen
en de noodzaak om andere opgaven te financieren. Daarnaast heeft de VABOK-regeling
de afgelopen jaren niet het bereik behaald waarop met de regeling is ingezet. Ongeveer
40% van de potentiële mbo-instellingen die aan de aanvraagvoorwaarden voldeed, maakte
geen gebruik van de regeling, terwijl het uitgangspunt van OCW was dat alle mbo-instellingen
minimaal één aanvraag zouden doen. Dat maakt dat er op dit moment onvoldoende significante
maatschappelijke impact kan worden gemaakt met de regeling, terwijl de middelen elders
hard nodig zijn.
27
Waarvoor dient de regeling VABOK?
De VABOK-regeling wordt ingezet om de overgangsmomenten tussen sectoren in de beroepsonderwijskolom
(v(s)o-mbo en mbo-hbo) te versterken om uitval en switch van studenten te verminderen
en doorstroom te verbeteren voor deelnemende opleidingsroutes gericht op tekortsectoren.
28
Wat gaat er gebeuren met het incidentele bedrag van € 22,9 miljoen voor de Versterkte
Aanpak lhbtiq+?
Een groot deel van het budget wordt besteed aan het ontwikkelen van een lokale veiligheidsaanpak
via regenbooggemeenten. Andere maatregelen zijn onder meer gericht op de versterking
van het maatschappelijk middenveld, het stimuleren van netwerkvorming en kennisdeling,
het doen van onderzoeken naar grondoorzaken van onveiligheid en het organiseren van
campagnes die zich richten op het tegengaan van discriminatie. In de emancipatienota
2026–2030, naar verwachting verstuurd in september 2026, wordt nader ingegaan op de
plannen.
29
Vanuit welke noodzaak wordt de gebruikersvergoeding voor de Europese School verhoogd?
Het bedrag aan gebruikersvergoeding komt voort uit de nieuwe systematiek waarbij het
beheer en onderhoud bij het Rijksvastgoedbedrijf ligt. OCW gaat vanaf nu jaarlijks
een gebruikersvergoeding aan het Rijksvastgoedbedrijf betalen die ook de component
rente en afschrijving op de investering bevat.
Omdat het huidige gebouw al afgeschreven is zijn hier voor de rente en afschrijving
nu geen kosten voor.
30
Welke gevolgen zijn te verwachten door het extensiveren op de loon- en prijsbijstelling
in het funderend onderwijs, met name met betrekking tot leraren en tekorten op scholen?
De loonbijstelling is volledig uitgekeerd aan de bekostiging van scholen in het funderend
onderwijs. Tevens is de prijsbijstelling volledig uitgekeerd aan de bekostiging van
het primair onderwijs. Er zijn daarom naar verwachting geen gevolgen voor leraren
en tekorten op scholen door de kabinetskorting op de prijsbijstelling tranche 2026.
In het voortgezet onderwijs wordt vanaf 2028 € 19,3 miljoen gekort op de prijsbijstelling,
oplopend tot structureel € 24,7 miljoen. De prijsbijstelling is bedoeld voor compensatie
van prijsstijgingen van materiële uitgaven. De gevolgen van deze korting voor leraren
en tekorten op scholen in het voortgezet onderwijs zullen daarom naar verwachting
zeer beperkt zijn.
31
Hoeveel brugfunctionarissen zijn er op dit moment actief in Nederland?
Op dit moment ontvangen 1132 scholen subsidie voor het inzetten van een brugfunctionaris.
Op deze scholen is in ieder geval één brugfunctionaris actief, maar er zijn ook scholen
die meerdere brugfunctionarissen inzetten.
32
Hoeveel brugfunctionarissen kunnen er worden gefinancierd van € 19 miljoen?
Op basis van de budgetverdeling tussen het primair en voortgezet onderwijs en de vaste
bedragen van de huidige regeling zou met € 19 miljoen in totaal 373 vestigingen in
het primair onderwijs, speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
extra en 34 scholen in het voortgezet onderwijs extra een bedrag voor één schooljaar
kunnen ontvangen. Met dat bedrag zou een school één of meerdere extra brugfunctionarissen
kunnen inzetten.
Een po-vestiging zou met het vaste bedrag circa 0,4 fte kunnen inzetten, een vo-school
circa 1,2 fte. Met de bovenstaande aantallen zou dit neerkomen op in totaal 149,2
fte in het primair onderwijs en 40,8 fte in het voortgezet onderwijs.
33
Kunt u nader toelichten waarom de post brugfunctionaris wordt geëxtensiveerd om de
post schoolmaaltijden te intensiveren?
Voor de huidige regeling Brugfunctionaris (schooljaren 24/25, 25/26 en 26/27) hebben
scholen de middelen al ontvangen tot en met juli 2027. Door de overgang van financiering
per schooljaar naar financiering per kalenderjaar is er incidenteel € 19 miljoen beschikbaar
in 2027.
Binnen het programma Schoolmaaltijden was onvoldoende budget beschikbaar.
De middelen worden via deze extensivering in 2027 ingezet voor het programma Schoolmaaltijden.
Voor de regeling Brugfunctionaris geldt dat de scholen per saldo hetzelfde bedrag
ontvangen. Er is dus niet op bezuinigd.
34
Wanneer ontvangt de Tweede Kamer de CW 3.1 tabel ter onderbouwing van de beleidsmaatregel
CUB Schadevergoedingen en kan de Tweede Kamer deze ontvangen voorafgaand aan de behandeling
van deze eerste suppletoire begrotingswet?
Op 2 april jl. heeft uw Kamer een brief ontvangen over de schadeafhandeling na indirecte discriminatie bij de uitwonendenbeurs. De CW 3.1 tabel is als bijlage bij deze Kamerbrief opgenomen.
35
Op welke overige posten wordt in 2026 voor welk bedrag geëxtensiveerd?
In onderstaande tabel treft u een uitsplitsing van de overige extensiveringen in het
jaar 2026 van in totaal € 33,2 miljoen, zoals gepresenteerd in tabel 1 van de memorie
van toelichting van Eerste suppletoire begroting 2026 van OCW. De post overige extensiveringen
van de tabel is hieronder uitgesplitst. Onderstaande extensiveringen zijn ingezet
voor het dekken van intensiveringen en tegenvallers op de OCW-begroting. Het budget
blijft geheel binnen de OCW-begroting.
Dit staat los van de taakstellingen op efficiency (61), vernieuwing rijksdienst (62)
en de subsidietaakstelling (63) uit coalitieakkoord «Aan de slag» die bij deze suppletoire
begroting zijn verwerkt op de begroting van OCW.
bedragen x € 1.000
Art.
Extensivering
2026
11
Prijsbijstelling studiefinanciering (vrij inzetbaar)
– 19.001
4,6,7,16
Prijsbijstelling mbo, hbo, wo en NWO
– 4.198
14
Prijsbijstelling cultuur
– 1.913
14
Woonhuisregeling (incl. deel prijsbijstelling)
– 1.912
16
Bekostiging NWO
– 1.774
15
Post dotatie/onttrekking AMr
– 1.000
4
Wet SLOA
– 750
25
Subsidiebudget emancipatie
– 500
1
Overige subsidies po
– 450
3
Overige subsidies vo
– 450
7
Bekostiging onderwijsdeel wo
– 398
6
Bekostiging onderwijsdeel hbo
– 397
7
Bekostiging onderzoeksdeel wo
– 374
4
Opdrachten mbo
– 45
6
Bijdrage aan agentschappen DUO
– 45
8
Internationalisering onderwijs
– 30
Totaal overige extensiveringen
– 33.237
36
Welke gevolgen zal de bezuiniging op brugfunctionarissen hebben en met welke redenen
is besloten om daarop te bezuinigen?
In de praktijk heeft dit geen gevolgen, zie het antwoord op vraag 33.
37
Waarom is ervoor gekozen om de praktijkgerichte havo niet verplicht te stellen voor
alle havoleerlingen in de bovenbouw, maar facultatief aan te bieden?
Alle havo-scholen kunnen vanaf het schooljaar 26/27 Maatschappij en Technologie als
examenvak aanbieden. Zoals toegelicht in het besluit wordt het aanbieden van een praktijkgericht vak geen verplichting, omdat een school
zelf het beste de afweging kan maken of het aanbieden van één of beide praktijkgerichte
examenvakken op het havo past bij de onderwijsvisie van de school en de behoeften
van de leerlingen. Hoewel het niet verplicht is voor scholen om een praktijkgericht
vak op het havo aan te bieden, is het wel de wens en verwachting dat veel scholen
hiervoor zullen kiezen. Een jaarlijks groeiende groep scholen, inmiddels de helft
van alle havo’s, werkt met een of beide praktijkgerichte vakken.
38
Wat is het huidige budget voor de regeling brugfunctionaris?
Het budget in 2026 is € 41,9 miljoen voor het primair onderwijs en € 11,5 miljoen
voor het voortgezet onderwijs.
39
Wat is het percentage waarmee de loonbijstelling in 2026 wordt verhoogd?
De percentages voor de loonbijstelling zijn gebaseerd op de ramingen uit het Centraal
Economisch Plan (CEP) van het Centraal Planbureau (CPB). Deze ramingen worden door
het Ministerie van Financiën doorvertaald en vastgesteld als percentages waarmee de
loongevoelige budgetten worden geïndexeerd. Deze percentages worden niet openbaar
gemaakt in verband met de verantwoordelijkheidsverdeling tijdens cao-onderhandelingen.
Werkgevers in de kabinetssectoren (o.a. rijksoverheid, politie, rechtspraak etc.)
en in het onderwijs worden op korte termijn vertrouwelijk geïnformeerd over de kabinetsbijdrage.
OCW verwerkt de kabinetsbijdrage onverkort in de bekostiging van de onderwijsinstellingen.
40
Op welke manier gaat de achterstand van de loonontwikkeling in het onderwijs van circa
3,3 procent op de cao-lonen marktsectoren, waarvan sprake is in de antwoorden van
het verslag van een schriftelijk overleg over de toezegging gedaan tijdens het commissiedebat
sturing in het funderend onderwijs over vertrouwelijke informatiedeling voor de cao-onderhandelingen3, goed worden gemaakt?
Onderwijssectoren krijgen via de jaarlijkse kabinetsbijdrage een bijdrage in de stijging
van de arbeidskostenontwikkeling. Het referentiemodel vormt hiervoor de basis en is
erop gericht dat de loonontwikkeling bij onderwijs- en kabinetssectoren de loonontwikkeling
in de marktsector kan volgen. Periodiek wordt onderzocht hoe de beloning in o.a. de
onderwijssectoren zich verhoudt tot de beloning voor vergelijkbare functies in andere
sectoren. Afwijkingen naar boven en naar beneden middelen op de lange termijn uit,
zo blijkt uit de evaluatie van het referentiemodel.
41
Wordt voor het jaar 2026 de incidentele loonontwikkeling (ILO) uitbetaald?
Als onderdeel van de kabinetsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling wordt de ILO
bij Voorjaarsnota definitief vastgesteld. De onderwijswerkgevers worden op korte termijn
vertrouwelijk geïnformeerd over de kabinetsbijdrage 2026.
42
Is de eerdere bezuiniging op de ILO in 2029 uit de Voorjaarsnota 2025 en begroting
2026 geschrapt? Zo nee, wat is het bedrag dat deze bezuiniging behelst (in euro’s
en in percentage)?
De vergoeding voor de incidentele loonontwikkeling (ILO) wordt in 2029 niet uitgekeerd
aan de onderwijssectoren en de kabinetssectoren Rijk, Politie en Rechterlijke Macht
(Defensie kent een andere indexatie). Dit is besloten bij Voorjaarsnota 2025 en Miljoenennota
2026 en dit besluit is door dit kabinet niet gewijzigd. Het percentage van de ILO
betreft 0,3%. Het precieze bedrag in euro’s is afhankelijk van de grondslag op het
moment van uitkeren.
43
Wat is het percentage waarmee de prijsbijstelling in 2026 wordt verhoogd?
De percentages voor de prijsbijstelling zijn gebaseerd op de ramingen uit het Centraal
Economisch Plan (CEP) van het Centraal Planbureau (CPB). Deze ramingen worden door
het Ministerie van Financiën doorvertaald en vastgesteld als percentages waarmee de
prijsgevoelige budgetten worden geïndexeerd. Voor deze budgetten op de OCW-begroting
gelden verschillende prijscodes met bijbehorende percentages. Deze Voorjaarsnota was
sprake van een rijksbrede korting op de prijsbijstelling vanaf 2028 op de tranche
2026, waartoe is besloten door het kabinet Schoof in de Miljoenennota 2026. Door de
korting kan de prijsbijstelling niet op alle budgetten volledig uitgekeerd worden.
44
Kunt u een overzicht geven van de hoeveelheid bbl-studenten van de afgelopen vijf
jaar?
Hieronder is een overzicht opgenomen van het aantal bbl-studenten in de afgelopen
vijf jaar en het relatieve aandeel bbl (aantal bbl-studenten ten opzichte van het
totale aantal mbo studenten). De geraamde aantallen voor 2026 zijn opgenomen in de
Referentieraming OCW 2026.
45
Kunt u toelichten welke keuzes ten grondslag liggen aan de verschillende toedeling
van de prijsbijstelling over de sectoren? Waarom krijgen het voortgezet onderwijs
en onderzoeksinstellingen er geld bij en worden andere gekort?
De toedeling van de loon- en prijsbijstelling over sectoren wordt als eerste gebaseerd
op de mate van loon- of prijsgevoeligheid van budgetten op de OCW-begroting. Daarnaast
geldt er voor de bekostiging van het primair onderwijs, de studiefinanciering en de
rijksbijdrage media een wettelijke verplichting om de prijsbijstelling volledig uit
te keren. Vervolgens hangt de toedeling vooral af van of en hoeveel prijsbijstelling
bij Voorjaarsnota door het kabinet wordt uitgekeerd. Indien het kabinet bij Voorjaarsnota
besluit de prijsbijstelling volledig uit te keren aan de departementen, dan keert
OCW altijd de volledige prijsbijstelling uit aan de bekostiging van onderwijsinstellingen
(po, vo, mbo, hbo, wo), onderzoek, culturele instellingen en musea, de rijksbijdrage
media en de studiefinanciering.
Deze Voorjaarsnota was sprake van een rijksbrede korting op de prijsbijstelling vanaf
2028 op de tranche 2026, waartoe is besloten door het kabinet Schoof in de Miljoenennota
2026. De korting bedraagt voor OCW structureel € 109 miljoen. Door de korting kan
de prijsbijstelling niet op alle budgetten volledig uitgekeerd worden, omdat eerst
voldaan moet worden aan de wettelijke verplichtingen in het primair onderwijs, de
studiefinanciering en op de rijksbijdrage media. Op die budgetten is de prijsbijstelling
volledig uitgekeerd. Vervolgens resteert er minder prijsbijstelling voor de overige
sectoren. De prijsbijstelling per begrotingsartikel staat toegelicht in de tabellen
8, 9 en 10 van de Eerste suppletoire begroting. Daaruit blijkt dat alle begrotingsartikelen
prijsbijstelling krijgen, zij het minder dan wanneer er geen rijksbrede korting was
geweest.
Het positieve bedrag in tabel 10 voor begrotingsartikelen 1 (Voortgezet onderwijs)
en 16 (Onderzoeks- en wetenschapsbeleid) in de jaren 2026 en 2027 wordt verklaard
doordat er in die jaren nog geen kabinetskorting is en omdat er eenmalig meer prijsbijstelling
op deze artikelen is uitgekeerd. Op begrotingsartikel 16 was dit per abuis en wordt
dit op een later moment op de juiste begrotingsartikelen gezet. Op begrotingsartikel
3 wordt het op een later moment herverdeeld binnen de meerjarenperiode.
46
Welke motivatie ligt ten grondslag aan de keuze om de prijsbijstellingen voor het
voortgezet onderwijs en voor onderzoeks- en wetenschapsbeleid positief bij te stellen,
terwijl op de meeste andere artikelen gekort wordt op de prijsbijstelling?
Zie het antwoord op vraag 45.
47
Op basis van welk indexatiecijfer wordt rekening gehouden met de korting op de prijsbijstelling
per 2028?
De korting vanaf 2028 op de prijsbijstelling tranche 2026 is een besluit van het kabinet
Schoof uit de Miljoenennota 2026. Daar ligt geen indexatiecijfer aan ten grondslag.
48
Geldt de korting op de prijsbijstelling voor de onderwijssectoren vanaf 2028 tevens
voor de bekostiging (excl. primair onderwijs)?
De korting op de prijsbijstelling vanaf 2028 geldt, met uitzondering van de bekostiging
van het primair onderwijs, ook voor de bekostiging van de overige onderwijssectoren.
49
Hoe staat het met de uitwerking van de motie van het lid Vijlbrief c.s. over onderzoeken
hoe een wettelijk kader voor de prijsontwikkeling ingesteld kan worden voor vervolgonderwijs4?
De Tweede Kamer is op 19 december 2025 met een Kamerbrief geïnformeerd over de uitwerking van de motie van het lid Vijlbrief c.s.
50
In hoeverre wordt bij de prijsbijstelling rekening gehouden met de te verwachten stijgende
energieprijzen voor scholen?
De hoogte van de prijsbijstelling is gebaseerd op de onafhankelijke indices voor prijsontwikkeling
van het CPB, zoals jaarlijks gepubliceerd in het Centraal Economisch Plan. In de prijsindices
van het CPB wordt ook rekening gehouden met energieprijzen. Naar aanleiding van de
sterk gestegen energieprijzen in 2022 heeft het CPB bovendien de meetmethode van inflatie
aangepast om hier beter rekening mee te houden met stijgende energieprijzen. In het Centraal Economisch Plan 2026 is op blz. 9 door het CPB toegelicht hoe de stijgende energieprijzen doorwerken in
de prijsindices.
51
Leidt de bezuiniging op de prijsbijstelling niet tot financiële problemen bij scholen?
De kabinetsbrede korting op de prijsbijstelling is niet verwerkt in een korting op
de prijsbijstelling op de bekostiging van het primair onderwijs, omdat deze geheel
wettelijk verplicht is.
Door een korting op de prijsbijstelling worden de budgetten van door OCW gefinancierde
instellingen reëel verlaagd. Onderwijsinstellingen, onderzoeksinstellingen en culturele
organisaties hebben namelijk kosten voor materieel. Door inflatie nemen deze kosten
jaarlijks toe. Om tegelijkertijd hetzelfde onderwijs, onderzoek en cultureel aanbod
te kunnen blijven leveren, worden instellingen via de prijsbijstelling gecompenseerd
voor deze kostenstijgingen. Hoe een korting op de prijsbijstelling precies neerslaat
bij een instelling is moeilijk te bepalen. De financiële situatie van een instelling
is immers ook afhankelijk van vele andere factoren.
52
Waar wordt de daling in het percentage van studenten dat gebruikt maakt van studieleningen
door veroorzaakt?
De precieze oorzaak van de daling in het percentage studenten dat gebruikmaakt van
studieleningen is niet bekend. Er is een aantal verklaringen denkbaar. Ten eerste
lijkt de herinvoering van de basisbeurs ertoe te hebben geleid dat de noodzaak om
te lenen is afgenomen. Ten tweede is de rente de afgelopen jaren gestegen, waardoor
het duurder wordt om te lenen. Dit kan een reden zijn voor studenten om geen of minder
gebruik te maken van studieleningen. Daarnaast is er mogelijk ook meer bewustwording
onder studenten wat de financiële gevolgen kunnen zijn van het hebben van een studieschuld.
53
Wat is de verwachte koopkrachtontwikkeling voor studenten die geen gebruik maken van
studieleningen en voor studenten die dit wel doen?
Deze vraag is niet te beantwoorden. Het Nibud publiceert jaarlijks op Prinsjesdag
koopkrachtberekeningen van uitwonende studenten. Het Nibud neemt daar de studielening
niet in mee, omdat die niet past in de systematiek van koopkrachtberekeningen. Een
koopkrachtberekening laat zien wat het saldo van inkomsten en uitgaven wordt, als
gevolg van economische ontwikkelingen en beleidsbesluiten. De inflatie en indexatie
van de basisbeurs worden hier bijvoorbeeld in meegenomen. De studielening kan weliswaar
als inkomen van de student worden gezien, maar de student bepaalt zelf de hoogte daarvan.
54
Welke beleidsinitiatieven worden niet meer of minder ontwikkeld als gevolg van de
verlaging van het beschikbare budget op de overige subsidies van artikel 1?
Er kan niet precies gezegd worden welke beleidsinitiatieven gevolgen ondervinden van
de budgetverlaging uit deze Voorjaarsnota. Er zullen op basis van het reeds verlaagde
budget besluiten worden genomen. Deze besluiten worden gedurende het jaar genomen.
Naar verwachting zijn er geen bestaande beleidsinitiatieven die teruggedraaid moeten
worden door dit verlaagde budget.
55
Wat zijn de gevolgen van het niet doorverdelen van de loon- en prijsbijstelling op
de andere instrumenten van artikel 3?
De loon- en prijsbijstelling tranche 2026 wordt op de instrumenten subsidies en opdrachten
niet volledig doorverdeeld. Het gevolg is dat subsidieregelingen niet geïndexeerd
worden met de loon- en prijsbijstelling tranche 2026. Daarnaast is er door stijgende
prijzen minder budgettaire ruimte voor bijvoorbeeld project- en instellingssubsidies
en het laten uitvoeren van onderzoeken via het instrument opdrachten.
56
In hoeverre raakt het niet doorverdelen van de loonbijstelling op de subsidies ook
het personeel dat werkzaam is op basis van subsidies?
De looptijd van subsidies is vaak beperkt en de hoogte wordt gedurende de looptijd
in de regel niet bijgesteld. In zijn algemeenheid kan wel gesteld worden, dat het
inhouden van een tranche loon- en prijsbijstelling op termijn leidt tot het in reële
waarde dalen van het budget. De lonen stijgen in de regel wel, waardoor de kosten
van de subsidieontvanger stijgen. Dat maakt dat er minder ruimte is voor de uitvoering
van het beleidsinitiatief.
57
Welke beleidsinitiatieven worden niet meer of minder ontwikkeld als gevolg van de
verlaging van het beschikbare budget op de overige subsidies van artikel 3?
Er kan niet precies gezegd worden welke beleidsinitiatieven gevolgen ondervinden van
de budgetverlaging uit deze Voorjaarsnota. Er zullen op basis van het reeds verlaagde
budget besluiten worden genomen. Deze besluiten worden gedurende het jaar genomen.
Naar verwachting zijn er geen bestaande beleidsinitiatieven die teruggedraaid moeten
worden door dit verlaagde budget.
58
In hoeverre verhoudt de bezuiniging op bekostiging van mbo-instellingen in 2027 tot
en met 2030 zich met het extra budget (envelop onderwijs) uit het coalitieakkoord?
De bezuiniging op de lumpsum bekostiging van mbo-instellingen van in totaal circa
€ 33,8 miljoen in de jaren 2027 t/m 2030 wordt gebruikt als dekking voor de intensivering
van de richtlijn geweld tegen vrouwen (GTV), LHBTIQ+ veiligheid en de hersteloperatie
controle uitwonende beurs (CUB). Over de extra middelen uit het coalitieakkoord wordt
uw Kamer binnenkort geïnformeerd middels de beleidsbrief van OCW.
59
Welke beleidsinitiatieven worden niet meer of minder ontwikkeld als gevolg van de
verlaging van het beschikbare budget op de overige subsidies van artikel 4?
Voor de invulling van de subsidietaakstelling wordt overige subsidies van artikel
4 incidenteel met € 1,6 miljoen in de periode 2027 tot en met 2029 verlaagd. Door
de inzet van deze middelen voor de invulling van de subsidietaakstelling is er minder
budgettaire ruimte voor de ontwikkeling van beleidsinitiatieven. Voor deze middelen
bij overige subsidies was nog geen concrete beleidsinhoudelijke invulling, waardoor
er niet gekort hoeft te worden op al verleende subsidies. Verschillende projectsubsidies
voor tijdelijke expertisepunten lopen af na 2026. De inzet is om expertise en de implementatie
van nieuwe wet- en regelgeving in het mbo efficiënter en structureel te organiseren
en te bundelen in KLIM (Kennispunt Landelijke Informatie MBO), waardoor er naar verwachting
minder subsidiebudget nodig is.
60
Welke gevolgen zal het incidenteel neerwaarts bijstellen van de bekostiging voor mbo-instellingen
naar verwachting hebben voor het mbo?
De mbo-bezuinigingen in de Eerste suppletoire begroting 2026 zijn zo verantwoord mogelijk
en met zo min mogelijk impact voor het primaire onderwijsproces ingevuld.
Ter dekking van OCW-brede problematiek is de mbo-bekostiging incidenteel verlaagd
met in totaal € 33,8 miljoen in de jaren 2027 tot en met 2030. Deze bezuiniging betreft
voor deze periode een incidentele verlaging van de bekostiging van gemiddeld bijna
0,2 procent per jaar. De verwachting is dat onderwijsinstellingen deze verlaging van
de bekostiging kunnen dragen. Het is aan de instellingen zelf om een keuze te maken
waar de bezuiniging neerslaat.
61
Kunt u nader toelichten hoe de subsidietaakstelling op artikel 7 wordt ingevuld?
De subsidietaakstelling op artikel 7 is ingevuld door het subsidiebudget te verlagen
met € 1 miljoen vanaf 2027, het opdrachtenbudget te verlagen met € 0,5 miljoen vanaf
2027 en door het onderzoeksdeel van de bekostiging in het wo te verlagen met in totaal
€ 3,2 miljoen voor de periode 2027–2030.
62
Welke beleidsinitiatieven worden niet meer of minder ontwikkeld als gevolg van de
verlaging van het beschikbare budget op de subsidies en opdrachten en welke onderzoeksinstellingen
krijgen minder budget?
De beschikbare budgetten voor subsidies en opdrachten worden voor diverse initiatieven
ingezet en waren nog niet volledig juridisch verplicht. De verlaging leidt ertoe dat
er minder ruimte is om nieuwe projectsubsidies te verstrekken en onderzoeksopdrachten
uit te zetten. De verlaging van het onderzoeksdeel van de bekostiging wordt naar rato
verdeeld over de onderwijsinstellingen en leidt ertoe dat de onderwijsinstellingen
minder lumpsum ontvangen.
63
Wat rekent u tot de culturele basisinfrastructuur die elke gemeente haar inwoners
minimaal moet bieden?
Gemeenten maken autonome keuzes en bepalen zij zelf hoe zij cultuur op lokaal niveau
ondersteunen. Een belangrijk hulpmiddel hierbij is het Ringenmodel van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Rijk, provincies en gemeenten zijn in samenspel verantwoordelijk voor cultuurbeleid
en culturele voorzieningen in Nederland, zoals vastgelegd in het Algemeen kader interbestuurlijke verhoudingen cultuur. De landelijke culturele basisinfrastructuur omvat de 117 instellingen en zes Rijkscultuurfondsen
die meerjarig worden gesubsidieerd door het Rijk in de periode 2025–2028.
64
Wat zijn de digitale stelseltaken van de Koninklijke Bibliotheek waarvoor structureel
geëxtensiveerd wordt?
Zie het antwoord op vraag 65.
65
Kunt u expliciteren om welke (digitale) stelseltaken van de Koninklijke bibliotheek
het gaat bij de structurele extensivering € 3,2 miljoen op het budget en welke gevolgen
dit heeft voor het bibliothekenstelsel, mede in het licht van de aankomende wetswijziging
die juist de bibliotheken beoogt te versterken?
Met (digitale) stelseltaken wordt gedoeld op de wettelijke taken die de Koninklijke
Bibliotheek (KB) vervult voor het netwerk van openbare bibliotheken. De digitale stelseltaken
betreffen het in stand houden van de landelijke digitale bibliotheek plus de digitale
infrastructuur waar de bibliotheekpartijen gebruik van maken. Om de regie bij de KB
te laten, wordt haar gevraagd met een eigen plan te komen om de extensivering op te
vangen. Daarbij krijgt de KB de ruimte om ook te kijken naar andere taken die zij
vervult voor het netwerk van openbare bibliotheken.
Deze extensivering heeft geen effect op de beoogde versterking van het bibliotheekstelsel,
ook niet in het licht van de aankomende wetswijziging. De bedragen die gemoeid zijn
met de invoering van een wettelijke zorgplicht en het toezicht hierop voor gemeenten,
provincies en openbare lichamen in zowel Europees als Caribisch Nederland staan gereserveerd
op de begroting van OCW.
66
Kunt u puntsgewijs uiteenzetten in hoeverre deze en voorafgaande regeringen gehoor
hebben gegeven aan de adviezen Beter geven I, II en III van de commissie-Rinnooy Kan
en wat dit kwantitatief heeft betekend voor de budgetten die er in Nederland voor
cultuur en voor culturele instellingen beschikbaar zijn?
De adviezen uit Beter Geven I zijn grotendeels overgenomen in de geldende regelgeving.
De adviezen uit Beter Geven II zijn door het Ministerie van Financiën met de sector
besproken. Een inhoudelijke reactie op het advies Beter Geven III zal naar verwachting
voor de zomer door de Staatssecretaris van Financiën, die verantwoordelijk is voor
de giftenaftrek en het ANBI-stelsel, met uw Kamer worden gedeeld. Het effect van aanpassingen
in de relevante wetgeving laat zich niet eenduidig isoleren. Het geefgedrag van particulieren
en bedrijven wordt mede beïnvloed door andere factoren, zoals de algemene economische
situatie, geopolitieke ontwikkelingen en de overheidsuitgaven. Uit onderzoek van Bekkers, Koolen-Maas & Schuyt (2024) blijkt wel dat de bijdragen van bedrijven, huishoudens en nalatenschappen aan cultuur
sinds de invoering van de Geefwet (2011) zijn toegenomen.
67
In hoeverre kan het u lukken om in de culturele en creatieve sector werkverschaffers
en opdrachtgevers te bewegen om voor zzp'ers en andere makers de fairpayrichtlijnen
te volgen, zoals de Tweede Kamer met het aannemen van de motie van de leden Mohandis
en Koops5 heeft gevraagd, zonder dat dit in de wet of in een bindend convenant is vastgelegd?
In de Kamerbrief Stand van zaken moties en toezeggingen cultuur is aangegeven dat
een ambtelijke verkenning is gestart, waarbij in gesprekken met het culturele en creatieve
veld de verschillende mogelijkheden worden besproken waarmee werkverschaffers en opdrachtgevers
kunnen worden bewogen tot het volgen van de richtlijnen fair pay. Zoals in dezelfde
brief is gemeld wordt uw Kamer in het najaar van 2026 geïnformeerd over de uitkomsten
van deze verkenning.
68
Welke mogelijkheden ziet u om naar analogie met de subsidieregeling Stimulering bouw
en onderhoud van sportaccommodaties (BOSA) te werken aan de verduurzaming van cultuuraccommodaties?
Voor de verduurzaming van cultuuraccommodaties is de Subsidieregeling Verduurzaming
Maatschappelijk Vastgoed (DUMAVA) beschikbaar. Hier maken culturele organisaties gebruik
van, maar ook gemeenten indien ze eigenaar zijn van de desbetreffende cultuuraccommodatie.
69
Welke rol spelen bevolkingsaantal, culturele infrastructuur en regionale behoeften
op dit moment bij de verdeelsleutel voor kunst- en cultuursubsidies tussen het Rijk,
provincies en gemeenten?
Er is geen sprake van een verdeelsleutel voor cultuursubsidies tussen het Rijk en
gemeenten en provincies. Gemeenten ontvangen financiering voor hun taken via het gemeentefonds
en provincies via het provinciefonds. In de systematiek wordt rekening gehouden met
diverse objectieve kenmerken, waaronder het inwoneraantal. De middelen uit het gemeente-
en provinciefonds zijn vrij besteedbaar. Gemeenten en provincies maken zelfstandig
keuzes hoe ze de middelen inzetten en leggen hiervoor verantwoording af aan de gemeenteraad
dan wel de provinciale staten.
70
Hoeveel gemeenten beschikken wel en hoeveel gemeenten beschikken niet in tenminste
één openbare bibliotheek over een Informatiepunt Digitale Overheid (IDO) en welke
instelling bekostigt deze voorziening?
Er zijn op dit moment 844 IDO’s, waarvan 758 in een bibliotheek (Bibliotheekmonitor,
Q1 2026). Nagenoeg alle 342 Nederlandse gemeenten beschikken over tenminste één Informatiepunt
Digitale Overheid; minder dan vijf gemeenten hebben er momenteel geen. Het Ministerie
van BZK is financieel en beleidsmatig verantwoordelijk voor de IDO’s. Tot 2026 liep
de financiering via een specifieke uitkering aan gemeenten en vanaf januari dit jaar
loopt de financiering via een decentralisatie-uitkering aan gemeenten.
71
Welke subsidiebudgetten worden door de ombuiging verlaagd en welke beleidsinitiatieven
worden daardoor niet meer of minder ontwikkeld als gevolg van de verlaging?
De structurele subsidietaakstelling vanaf 2027 van € 0,5 miljoen is verwerkt op het
budget voor Specifiek cultuurbeleid. Door de taakstelling blijft op dit budget minder
over voor diverse (incidentele) subsidies onder andere op het gebied van arbeidsmarkt
en ondernemerschap, museale strategie, archeologie, letteren en bibliotheken. Voor
een volledig overzicht van de beleidsonderwerpen, wordt u verwezen naar het subsidieoverzicht in de ontwerpbegroting 2026. De taakstelling is dusdanig dat het geen direct effect
heeft op de reeds verleende subsidies, maar pas op de lange termijn effect zal hebben
op de ruimte om nieuwe initiatieven te ondersteunen op deze onderwerpen.
72
Welke beleidsinitiatieven worden niet meer of minder ontwikkeld als gevolg van de
verlaging van het beschikbare budget op de tijdelijke projectsubsidies op het budget
voor Specifiek cultuurbeleid van artikel 14?
Zie het antwoord op vraag 71.
73
In hoeverre faciliteert u dat musea beschikken over noodvoorzieningen bij stroomuitval,
bijvoorbeeld om topstukken van hun collectie in veiligheid te houden of tijdig te
brengen?
Nederland kent bijna 500 geregistreerde musea. Deze musea zijn als zelfstandige instellingen
zelf verantwoordelijk voor hun veiligheidsbeleid, waaronder planvorming voor het risico
op langdurige stroomuitval. Eind vorig jaar is door de toenmalige Minister van OCW
een brief aan alle collectiebeherende instellingen gestuurd, waarin werd opgeroepen
extra aandacht te besteden aan hun veiligheidsbeleid. OCW ondersteunt de musea hierbij
door kennisdeling over dit onderwerp via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Stroomuitval is tevens een belangrijk onderwerp binnen de Taskforce Veilig Erfgoed,
die is opgericht om de erfgoedsector weerbaarder te maken.
74
Op welke datum gaat u exact de evaluatie van beide aspirant-publieke omroepen Zwart
en Ongehoord Nederland afronden en wanneer exact zal de Tweede Kamer deze evaluaties
ontvangen?
Het Ministerie van OCW voert geen evaluatie uit van beide aspirant-omroepen. We gaan
ervan uit dat u met uw vraag doelt op het rapport van de evaluatiecommissie. De evaluatiecommissie
voert een evaluatie uit naar het functioneren van de publieke omroep als geheel en
kijkt ook specifiek naar de twee aspirant-omroepen. Dit betreft een onafhankelijke
commissie die wordt ingesteld door de Raad van Toezicht van de NPO. Eerder is met
de Raad van Toezicht als einddatum voor het rapport 28 februari 2026 overeengekomen.
De werkzaamheden van de commissie duren langer dan verwacht waardoor deze datum niet
gehaald is. Naar verwachting ontvangt OCW dit rapport binnenkort. Wanneer het rapport
van de evaluatiecommissie is ontvangen, wordt het rapport naar uw Kamer gestuurd.
De NPO maakt daarnaast het rapport ook zelfstandig openbaar door publicatie op zijn
website.
75
Welke beleidsinitiatieven worden niet meer of minder ontwikkeld als gevolg van de
verlaging van het beschikbare budget op de overige subsidies van artikel 15?
Door de taakstelling blijft op het budget overige subsidies minder budget over voor
diverse (incidentele) subsidies. De taakstelling is dusdanig dat het geen direct effect
heeft op de reeds verleende subsidies, maar pas op de lange termijn effect zal hebben
op de ruimte om nieuwe initiatieven te ondersteunen.
76
Als de reden is dat de subsidie aan VSC wordt stopgezet omdat musea en centra primair
zelf verantwoordelijk zijn voor hun organisatie en belangenbehartiging, wat is dan
de reden dat deze organisatie nu wel subsidie krijgt?
De Vereniging van wetenschapsmusea en Science Centers (VSC) is een samenwerkingsverband
van circa 45 wetenschapsmusea, science centers, sterrenwachten, natuurmusea en maakplaatsen
in Nederland. Sinds 2023 krijgt VSC een directe subsidie vanuit OCW, daarvoor liep
de subsidie via NEMO. Het doel van de subsidie die OCW tot eind 2028 aan VSC verstrekt,
is – naast het verder professionaliseren van de organisatie – drieledig. Op het niveau
van de VSC het bijdragen aan kennisdeling, samenwerking en kwaliteit vanuit de VSC;
op het collectieve niveau van de VSC-leden het ondersteunen en versterken van de sectorbanden;
en op maatschappelijk niveau het bieden van een podium aan wetenschapsmusea. De inschatting
van OCW is dat de VSC bij haar activiteiten de samenwerking tussen leden en met organisaties
zoals NWO, NEWS en KNAW uitbouwt en dat de OCW-subsidie voor de VSC per 2029 niet
langer noodzakelijk is.
77
Welke subsidies inzake onderzoeks- en wetenschapsbeleid worden precies getroffen door
de ingeboekte structurele efficiencykorting van 2,1 procent per subsidie en welke
effecten zal deze korting concreet hebben?
De structurele efficiencykorting van 2,1 procent wordt toegepast op de volgende subsidies
binnen het onderzoeks- en wetenschapsbeleid: ST AAP, NEWS, NCWT/NEMO, BPRC, Naturalis,
NAE, STT en VSC. Deze korting wordt verwerkt in de subsidiebudgetten en leidt voor
de genoemde subsidies tot een verlaging van het beschikbare budget. Voor de betrokken
subsidies betekent dit een bijstelling van de middelen, die de instellingen zelf zullen
moeten opvangen. Tegelijkertijd krijgen deze instellingen in deze suppletoire begroting
loon- en prijsbijstelling die per instelling hoger is dan de efficiencykorting. Dit
leidt per saldo toe dat de budgetten van deze instellingen nominaal niet dalen, maar
nog steeds toenemen. Voor STT, VSC en NAE zal de subsidie op termijn stopgezet worden
als gevolg van de subsidietaakstelling.
78
Is met genoemde betrokkenen voor wetenschapsmusea en sciencecenters en de Netherlands
Academy of Engineering (NAE) overlegd over het stoppen van de instellingssubsidies?
Is ook voldoende verzekerd dat musea en centra in staat zullen zijn om te anticiperen
op het stoppen van de instellingssubsidies?
Voorafgaand aan het voorstel in de Eerste suppletoire begroting is geen overleg geweest
met de VSC en de Netherlands Academy of Engineering (NAE). Aan VSC en NAE is toegelicht
waarom en per wanneer OCW de subsidie beëindigt, waarbij de VSC tot eind 2028 en de
NAE tot eind 2030 heeft om te anticiperen op het aflopen van de OCW-subsidie.
79
Acht u het wenselijk dat de subsidie voor de NAE stopgezet wordt met het idee dat
de inleg van bedrijven die op kan vangen met oog op de onafhankelijkheid van de NAE?
Op welke wijze blijft de onafhankelijkheid van de NAE geborgd?
Onze inschatting is dat de impact van het eerder stopzetten van het OCW-deel van de
subsidie beperkt is en de NAE niet zal hinderen in het uitvoeren van haar activiteiten
of het borgen van haar onafhankelijkheid. De subsidie was oorspronkelijk bedoeld als
tijdelijk, waarbij het de bedoeling is dat de NAE in deze periode haar financiering
voor de lange termijn borgt. Daarnaast is de onafhankelijkheid van de NAE expliciet
geborgd in de statuten van de organisatie.
80
Wat gaat er gebeuren met de € 13,4 miljoen die structureel wordt vrijgemaakt in het
kader van de Implementatie EU-Richtlijn Geweld tegen Vrouwen en waarvan het beleid
richt zich op onder meer het «doorbreken van schadelijke genderstereotyperingen»?
Deze € 13,4 miljoen zal worden besteed aan verschillende primaire preventiemaatregelen
(zoals het investeren in doorbreken van schadelijke stereotypen en tradities, het
bevorderen van gelijkwaardigheid en respect en het stimuleren van positieve rolmodellen).
De komende tijd wordt er gewerkt aan de nadere invulling. In lijn met de ambities
uit het coalitieakkoord worden structureel middelen vrijgemaakt voor de nog aan te
stellen Nationaal Coördinator geweld tegen vrouwen en Huiselijk Geweld en voor de
bekostiging van een onafhankelijk adviesorgaan. In de emancipatienota 2026–2030, naar
verwachting verstuurd in september 2026, volgt de concrete invulling.
81
Hoeveel ambtenaren vallen bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
en daaronder vallende uitvoeringsorganisaties onder de nullijn?
Alle medewerkers van het Ministerie van OCW en de daaronder vallende uitvoeringsorganisaties
vallen onder de nullijn. Het betreft 7055 medewerkers (6618 fte).
82
Hoeveel ambtenaren bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en daaronder
vallende uitvoeringsorganisaties bevinden zich in de lagere loonschalen (schaal 1
t/m 6) en wat is het aandeel van deze groep?
Er bevinden zich 361 medewerkers (308 fte) in de lagere loonschalen 1 t/m 6. Dit is
5% van het totale aantal medewerkers.
83
Welke functies of beroepen bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
en daaronder vallende uitvoeringsorganisaties vallen voornamelijk binnen de lagere
loonschalen (schaal 1 t/m 6)? Wat is de huidige en verwachte personeelskrapte binnen
deze functies?
Dit betreft een hoeveelheid aan functies zoals managementondersteuners, medewerkers
klantenservice, medewerkers administratie en medewerkers facilitair management. Bij
deze functies zien we (rijksbreed) wat krapte ontstaan bij de managementondersteuners.
Over het algemeen liggen de schaarse functies binnen de ICT, financiële en juridische
functies, deze functies vallen in de hogere loonschalen.
84
Zijn er interne analyses of risico-inschattingen gemaakt over de effecten van de nullijn
bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en daaronder vallende uitvoeringsorganisaties,
bijvoorbeeld op de instroom of uitstroom? Zo ja, kunnen deze worden gedeeld?
Deze analyses of risico-inschattingen zijn niet gemaakt.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.C. Koorevaar, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
L.E.T.M. van Thiel, adjunct-griffier