Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 915 VII Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)
Nr. 4
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 21 april 2026
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek
van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst
van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 9 april 2026 voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Bij brief van 17 april 2026 zijn ze door de Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Kisteman
De griffier van de commissie, Honsbeek
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Kunt u een overzicht geven van de subsidies die vanuit het Ministerie van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) worden verstrekt, met daarbij per subsidie het
bedrag en het doel?
Dit overzicht is terug te vinden als bijlage bij de ontwerpbegroting 2026 van BZK
(Kamerstukken II, 2025/2026, 36 800 VII, nr. 2, p.146–148). Jaarlijks wordt als bijlage bij de ontwerpbegrotingen een subsidieoverzicht
opgenomen, zoals voorgeschreven in de Rijksbegrotingsvoorschriften. Deze bijlage geeft
een overzicht van alle subsidies die vanuit de begroting van BZK (VII) worden verstrekt,
inclusief de bedragen. Een nieuw overzicht zal bij de ontwerpbegroting 2027 gepresenteerd
worden.
In het subsidieoverzicht zijn verwijzingen opgenomen naar de onderliggende subsidieregelingen
of de begrotingsartikelen waaruit de subsidies worden verstrekt. Voor verdere toelichtingen
op de subsidies verwijs ik naar de begrotingsartikelen van de ontwerpbegroting 2026
van BZK (VII).
Vraag 2
Kunt u aangeven hoe de voorgenomen taakstelling op de subsidies ingericht zal worden?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat de subsidiebudgetten bij alle departementen
structureel worden verlaagd met € 189 mln. Deze taakstelling is naar rato van de subsidieuitgaven
per departement verdeeld. Hierop zijn geen uitzonderingen gemaakt. Voor de subsidietaakstelling
is de grondslag 2030 gehanteerd uit de ontwerpbegroting 2026 voor alle jaren. Het
aandeel voor de begroting van BZK bedraagt € 1,473 mln. vanaf 2027 (circa 1% van de
subsidieuitgaven op begrotingshoofdstuk VII (BZK)).
Vraag 3
Hoeveel ambtenaren in lage loonschalen (schaal 1 t/m 6) werken voor het Rijk, zowel
op de departementen als in de uitvoeringsorganisaties?
Ultimo 2025 werkte er in salarisschaal 1t/m 6 bij het Rijk 23.461 fte (26.058 medewerkers).
O.b.v. het aantal fte betreft dat 14,7%.
Vraag 4
In welke loonschalen vallen ambtenaren die werken in de ICT binnen het Ministerie
van BZK? Hoeveel ambtenaren betreft dit? Wat is de huidige en verwachte personeelskrapte
binnen deze functies?
Bij het Ministerie van BZK werken zo’n 2.500 ambtenaren in de ICT. Hun werkterrein
is zeer divers. Zo kent het ministerie meer dan 60 verschillende ICT-rollen. Deze
diversiteit vertaalt zich ook in een brede range van loonschalen, namelijk van schaal
4 tot en met schaal 16. De vraag naar ICT’ers binnen het Ministerie van BZK en het
aanbod op de arbeidsmarkt worden beïnvloed door diverse ontwikkelingen en beleidskeuzes,
die zowel de krapte versterken als de krapte verminderen. Enerzijds zullen digitalisering,
innovatie en de noodzaak van een slagvaardige digitale overheid zoals omschreven in
het coalitieakkoord de vraag naar gespecialiseerd hoogopgeleid ICT-personeel vergroten.
Ook de afbouw van externe inhuur, vergrijzing en uitstroom van ICT’ers leiden tot
een verwachte toename van de behoefte aanI CT-personeel. Het kabinet heeft daarom
in het coalitieakkoord afgesproken om de technische capaciteit van de overheid te
versterken door een concurrerend salarispad voor IT-specialisten in te voeren. Anderzijds
zullen de taakstelling, automatisering en bij- en omscholing van medewerkers de behoefte
aan meer repeterende ICT-taken verminderen, en zien we een licht toegenomen aanbod
op de arbeidsmarkt van zzp’ers en detacheerders. Kortom, de verwachte personeelskrapte
voor ICT’ers is moeilijk te voorspellen en vraagt om specifieke analyses per organisatie
en per werkgebied.
Vraag 5
Hoeveel procent van de totale begroting van het Ministerie van BZK komt uiteindelijk
terecht bij medeoverheden versus uitvoering binnen het Rijk zelf?
In onderstaande tabel staat per jaar aangegeven hoeveel procent van de totale begroting
van BZK (H7) terecht komt bij medeoverheden, agentschappen en ZBO’s/RWT’s. Medeoverheden
ontvangen naast middelen van BZK (H7) middels specifieke uitkeringen ook rechtstreeks
middelen van andere departementen middels specifieke Uitkeringen en middelen via het
gemeentefonds (H50) en provinciefonds (H51).
2026
2027
2028
2029
2030
2031
Medeoverheden1
14,6%
11,6%
12,2%
7,2%
7,3%
1,2%
Agentschappen, ZBO’s/RWT’s2
16,7%
16,2%
15,8%
16,7%
17,9%
19,8%
X Noot
1
Dit betreft de budgetten op het instrument «bijdragen aan medeoverheden» die o.a.
via SPUKS aan medeoverheden wordt uitgekeerd.
X Noot
2
Voor de kosten die worden gemaakt voor de uitvoering binnen het Rijk is in dit geval
gekeken naar de budgetten op de instrumenten «bijdragen aan agentschappen» en «bijdragen
ZBO’s/RWT’s».
Vraag 6
Hoeveel procent van de uitgaven in deze begroting betreft juridisch verplichte uitgaven
versus beleidsvrij besteedbare middelen?
Voor BZK zijn de totale uitgaven voor 89% juridische verplicht, voor 9% bestuurlijk
gebonden, 2% beleidsmatig gereserveerd en is 0% vrij te besteden/nog niet ingevuld.
Zie ook onderstaande tabel.
Hoofdstuk VII (BZK)
2026
juridisch verplicht
89%
bestuurlijk gebonden
9%
beleidsmatig gereserveerd
2%
nog niet ingevuld / vrij te besteden
0%
Vraag 7
Wat is de gemiddelde kostprijs per fte binnen het Ministerie van BZK en hoe verhoudt
deze zich tot andere ministeries?
De salarisuitgaven in 2025 bedroegen € 1,4 mld. voor BZK/VRO. Gedeeld door 14.005
fte komt dat neer op € 99.531 per fte. Zie onderstaande tabel voor de verhouding ten
opzichte van de rest van het Rijk.
Dit is een benadering. De salarisuitgaven betreffen de kosten van het gehele jaar;
het aantal fte is alleen gebaseerd op de ultimostand 2024.
2025
BZK/VRO
Rijk
Personeelskosten
€ 1.393.936.319
€ 15.400.021.706
Fte ultimo
14.005
160.016
Personeelskosten / fte
€ 99.531
€ 96.241
De gemiddelde personeelskosten per FTE is bij BZK/VRO hoger dan bij Rijk als totaal.
Hierbij moet bedacht worden dat de salariskosten van de Topmanagementgroep verantwoord
worden bij BZK/VRO. Dit trekt het gemiddelde daar omhoog.
Vraag 8
Wat is het totale bedrag aan subsidies binnen deze begroting en hoe ontwikkelt dit
zich na de subsidietaakstelling?
Het aandeel voor de begroting van BZK in de subsidietaakstelling is € 1,473 mln. vanaf
2027 (zie het antwoord op vraag 2 voor een nadere toelichting).
Het totale bedrag aan subsidies op de begroting van BZK verschilt per jaar. Hieronder
staat het totale bedrag aan subsidies op de 1e suppletoire begroting 2026van BZK. Hierin zit de subsidietaakstelling verwerkt.
x € 1.000
2026
2027
2028
2029
2030
2031
Ontwerpbegroting 2026
275.571
152.932
135.132
122.926
104.113
Subsidietaakstelling
– 1,473
– 1,473
– 1,473
– 1,473
– 1,473
1e suppletoire begroting 20261
287.930
271.156
201.209
127.538
103.487
101.955
X Noot
1
In de 1e suppletoire begroting 2026 hebben verschillende mutaties op het subsidiebudget plaatsgevonden.
Dit verklaard het verschil tussen stand ontwerpbegroting en de stand 1e suppletoire begroting. Deze mutaties staan nader toegelicht in de 1e suppletoire begroting.
Vraag 9
Kunt u aangeven welke specifieke subsidies worden verlaagd als gevolg van de subsidietaakstelling
en met welke bedragen?
De subsidietaakstelling is naar rato over alle subsidies verdeeld. Het aandeel voor
de begroting van BZK bedraagt € 1,473 mln. vanaf 2027 (circa 1% van de subsidieuitgaven
op begrotingshoofdstuk VII (BZK)).
Vraag 10
Hoeveel geld wordt er besteed aan (wetenschappelijke) onderzoeken?
Dit is Rijksbreed niet inzichtelijk te maken.
Vraag 11 (blz. 5)
Hoeveel ambtenaren vallen bij het Ministerie van BZK onder de nullijn?
Bij het Ministerie van BZK zijn 14.571 rijksmedewerkers (ultimo Q4 2025, aantal personen)
werkzaam. Op ieder van hen is de nullijn van toepassing. Met het Ministerie van BZK
wordt bedoeld: Directoraten-Generaal, agentschappen, adviescolleges, zbo’s zonder
eigen rechtspersoonlijkheid en overige organisatieonderdelen. Omdat sinds het kabinet-Jetten
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie
van BZK valt, zijn de rijksmedewerkers die werkzaam zijn voor DGRO, DGVB, RVB en DHC
in het aantal meegenomen.
Vraag 12 (blz. 5)
Hoeveel medewerkers bevinden zich in de lagere loonschalen (schaal 1 t/m 6)? Wat is
het aandeel van deze groep binnen de uitvoering (uitvoeringsorganisaties versus beleid)?
Van de 14.571 rijksmedewerkers (ultimo Q4 2025, aantal personen) die werkzaam zijn
bij het Ministerie van BZK werken er 2.334 (ultimo Q4 2025) in de schalen 1 tot en
met 6. Het aandeel rijksmedewerkers in de schalen 1 t/m 6 dat werkzaam is in de uitvoering
is 97%.
Vraag 13 (blz. 5)
Welke functies/beroepen vallen voornamelijk binnen de lagere loonschalen (schaal 1
t/m 6)? Wat is de huidige en verwachte personeelskrapte binnen deze functies?
De meeste functies van de rijksmedewerkers in de schalen 1 t/m 6 hebben betrekking
op de (Rijksbrede) bedrijfsvoering, zoals functies in het kader van het facilitair
management, beveiliging en administratieve functies. Diverse ontwikkelingen en beleidskeuzes
beïnvloeden de vraag naar deze functies binnen ons ministerie en het aanbod op de
arbeidsmarkt. Enerzijds zal automatisering, digitalisering en procesoptimalisatie
en het voldoen aan de taakstelling ervoor zorgen dat taken veranderen, efficiënter
worden uitgevoerd of niet meer worden uitgevoerd. Dit leidt niet alleen tot een mogelijke
afname van bepaalde werkzaamheden, maar ook tot taakverschuivingen. Anderzijds zien
we bijvoorbeeld een toename aan de behoefte aan beveiliging.
Vraag 14 (blz. 5)
Zijn er interne analyses of risico-inschattingen gemaakt over de effecten van de nullijn,
bijvoorbeeld op de instroom of uitstroom? Zo ja, kan deze worden gedeeld?
Deze analyses of risico-inschattingen zijn niet rijksbreed gemaakt. Er zijn bij BZK
geen specifieke onderzoeken hiernaar gedaan.
Vraag 15 (blz. 8 t/m 9)
Kunt u de drie aangekondigde «Beleidskeuzes uitgelicht (3.1 CW)» voor de uitgaven
rondom de knelpuntenpot Nationaal Coördinator Groningen (NCG), de Economische Agenda
Groningen en het Nationaal Programma Groningen zo snel mogelijk naar de Kamer sturen,
in ieder geval voordat wordt gestemd over de eerste suppletoire begroting 2026 van
het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties?
De brief «Beleidsvoorstellen uit de 1e suppletoire begroting 2026 van Begrotingshoofdstuk
VII (BZK) met CW 3.1. kaders» voor de uitgaven rondom de knelpuntenpot Nationaal Coördinator
Groningen (NCG), de Economische Agenda Groningen en het Nationaal Programma Groningen
is 13 april jl. verstuurd [Kamerstukken II, 2025/2026, 36 915 VII, nr. 3].
Vraag 16 (blz. 15 t/m 16)
Kunt u toelichten wat het verschil is tussen de efficiencytaakstelling op de Rijksoverheid
en de taakstelling in het kader van de vernieuwing van de rijksdienst en een slagvaardige
overheid? Kunt u hierbij aangeven in welke verschillende maatregelen zich dit vertaalt?
Het kabinet zet in op een slagvaardige overheid. Een overheid die levert en dat op
een efficiënte manier doet. Beide taakstellingen hangen samen met die slagvaardige
overheid en zijn besparingen die het gevolg ervan zullen zijn. De Rijksoverheid zet
in op productiviteitsverhoging, vereenvoudiging, efficiency en kijkt bijvoorbeeld
ook naar de inzet van AI. Dit levert zowel efficiëntie als vernieuwing op. Een echte
vernieuwing vraagt echter voorbereidingstijd en daarom worden de besparingen in het
kader van slagvaardige overheid in 2029 voor het eerst ingeboekt. Bij departementen
moet het al mogelijk zijn om door gebruikelijke ontwikkelingen, binnen de bestaande
processen, jaarlijks efficiënter te werken. De efficiencytaakstelling is daarom op
vanaf 2027 ingeboekt. Het kabinet werkt aan een actieagenda Slagvaardige Overheid
die meer inzicht moet geven in de verschillende maatregelen. Deze agenda wordt voor
de zomer aan de Tweede Kamer aangeboden.
Vraag 17 (blz. 15 t/m 16)
In hoeverre zal de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (AIVD) worden uitgezonderd
van de efficiencytaakstelling en/of de additionele taakstelling in het kader van de
vernieuwing van de rijksdienst en een slagvaardige overheid?
De AIVD is volledig uitgezonderd van de efficiencytaakstelling en van de additionele
taakstelling in het kader van de vernieuwing van de rijksdienst en slagvaardige overheid.
Vraag 18 (blz. 15 t/m 16)
Kunt u aangeven hoeveel extra budget vanaf 2027 jaarlijks voor de AIVD beschikbaar
komt voor het vergroten van de (operationele) capaciteit, zoals vermeld in het coalitieakkoord?
In het coalitieakkoord zijn additionele middelen beschikbaar gesteld voor de aanpak
van de problematiek en versterking van de (nationale) veiligheid oplopend naar structureel
600 miljoen euro. Een deel van deze 600 miljoen euro is beschikbaar voor de AIVD.
Deze middelen staan op de Aanvullende Post bij het Ministerie van Financiën. Het voornemen
is om deze middelen per ontwerpbegroting 2027 over te hevelen naar de desbetreffende
begrotingen. De Kamer zal met Prinsjesdag hierover verder worden geïnformeerd.
Vraag 19 (blz. 37)
Waaruit bestaan de toegenomen uitgaven aan artikel 11 Centraal apparaat met betrekking
tot eigen personeel en inhuur externen? Waarom stijgen in 2026 deze uitgaven, ondanks
de voorgenomen taakstellingen en geplande vermindering van het aantal ambtenaren?
De budgettaire wijzigingen op eigen personeel (ca. € 75 mln. in 2026) en externe inhuur
(ca. € 21 mln. in 2026) bestaan met name uit het boeken van de jaarlijkse geraamde
uitgaven en daaraan gekoppelde ontvangsten voor de uitvoeringsorganisaties Rijksorganisatie
voor Informatiehuishouding (RvIHH), Rijksinkoopsamenwerking (RIS) en Organisatie voor
Bedrijfsvoering en Financiën (OBF). Deze uitvoeringsorganisaties zijn kostendekkend
en worden dus gefinancierd middels ontvangsten voor de door hun geleverde producten
en diensten. Aangezien RvIHH, RIS en OBF onderdeel zijn van de departementale begroting
van BZK, moeten hun uitgaven en ontvangsten op de begroting van BZK worden geraamd.
Deze ramingen worden jaarlijks opgesteld en in de in de eerste suppletoire begroting
verwerkt. Het betreft daarmee in principe geen stijging van het aantal ambtenaren,
maar de budgettaire verwerking van de geraamde uitgaven in 2026 van deze organisaties
voor eigen personeel (ca. € 61 mln.) en externe inhuur (ca. € 17,8 mln.) Het restant
van de budgettaire wijziging op externe inhuur wordt met name verklaard door reguliere
uitgaven in het kader van de Generieke Digitale Infrastructuur (€ 4 mln.). Het gaat
hierbij om de inzet op verschillende GDI-dossiers zoals Stelsel Toegang en bureau
Architectuur.
Daarnaast worden de apparaatskosten van NCG bijgesteld naar aanleiding van de actualisatie
van de versterkingsraming. Dit betekent dat de materiële kosten in 2026 en 2027 dalen
en in plaats daarvan de loonkosten in latere jaren stijgen, doordat personeel langer
ingezet wordt. Het betreft een budgetneutrale ramingsbijstelling binnen artikel 11.
Ten behoeve van de uitvoering van de enveloppe Goed Bestuur zijn middelen toegevoegd
aan het apparaatsartikel van € 4,3 mln. Tot slot zijn er middelen vanuit artikel 7
toegevoegd aan artikel 11 «eigen personeel» voor de voortzetting van het programma
versterking Ambtelijk Vakmanschap en het versterken van de weerbaarheid van het Rijk
door de Beveiligingsautoriteit Rijk.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A. Kisteman, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
G.C. Honsbeek, griffier
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.