Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de voorhang brief bij Ontwerp AMvB tot wijziging van het Besluit Tijdelijke wet Groningen en het Mijnbouwbesluit (Kamerstuk 35603-90)
35 603 Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen
36 836
Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering
van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire
enquêtecommissie aardgaswinning Groningen
Nr. 91
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 1 april 2026
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief
van 13 februari 2026 over het ontwerp AMvB tot wijziging van het Besluit Tijdelijke
wet Groningen en het Mijnbouwbesluit (Kamerstuk 35 603, nr. 90).
De vragen en opmerkingen zijn op 16 maart 2026 aan de Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties voorgelegd. Bij brief van 1 april 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Kisteman
Adjunct-griffier van de commissie, Van der Haas
Inleiding
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden
van de fracties van D66, VVD, CDA, JA21 en SP bij de AMvB voor de wijziging van het
Besluit Tijdelijke wet Groningen en het Mijnbouwbesluit in verband met de uitvoering
van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire
enquêtecommissie aardgaswinning Groningen en het aanbrengen van enkele technische
wijzigingen en verduidelijkingen (hierna: ontwerpbesluit). Graag beantwoord ik de
vragen die door de verschillende fracties zijn gesteld. Daarbij zijn de vragen en
opmerkingen integraal opgenomen in cursieve tekst en is de beantwoording daarvan direct
onder de vragen opgenomen in niet-cursieve tekst.
Met de voordracht van het ontwerpbesluit voor advisering door de Afdeling advisering
van de Raad van State zal ik wachten tot na afronding van de behandeling in uw Kamer
van het wetsvoorstel tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet
in verband met de uitvoering van de diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op
het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen (Kamerstuk
36 836).
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de Minister
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de voorhangbrief en het ontwerpbesluit
tot wijziging van het Besluit Tijdelijke wet Groningen en het Mijnbouwbesluit. Deze
leden vinden het van groot belang dat maatregelen rondom schadeherstel, versterking
en ondersteuning van bewoners in Groningen zorgvuldig worden vormgegeven en bijdragen
aan het herstel van vertrouwen bij inwoners van het aardbevingsgebied. Zij hebben
naar aanleiding van de stukken nog enkele vragen.
Grensbedrag voor daadwerkelijk herstel
De leden van de D66-fractie lezen dat voor daadwerkelijk herstel een grensbedrag van
60.000 euro wordt gehanteerd. Deze leden begrijpen dat hiermee sneller schadeherstel
mogelijk moet worden gemaakt zonder uitgebreid onderzoek naar de oorzaak van de schade.
Tegelijkertijd lezen zij dat de regio en het Erfgoedberaad erop wijzen dat in het
zwaarst getroffen kerngebied schadebedragen vaker boven dit grensbedrag kunnen uitkomen,
waardoor daar alsnog vaker onderzoek naar de schadeoorzaak zal plaatsvinden en bewoners
mogelijk langer moeten wachten op herstel.
Vraag 1
De leden van de D66-fractie vragen de Minister daarom hoe vaak naar verwachting de
herstelkosten bij schade boven het grensbedrag van 60.000 euro uitkomen? Kan dit,
indien mogelijk, worden uitgesplitst naar het kerngebied en de rand van het effectgebied?
In de beantwoording van de schriftelijke vragen op het wetsvoorstel heeft mijn ambtsvoorganger
aangegeven dat het percentage schademeldingen dat binnen het grensbedrag valt, hoger
is dan 95%.1 Uit de cijfers over 2024 en 2025 blijkt dat bij ca. 2.7% van de schadeaanvragen die
voor maatwerkvergoeding in aanmerking kwamen, de vergoeding hoger dan € 60.000,– was.
Wel is het zo dat bij daadwerkelijk herstel alle schade die naar zijn aard mijnbouwschade
zou kunnen zijn voor herstel in aanmerking komt en niet alleen de causale schade,
zoals bij het maatwerktraject het geval is.
Een uitsplitsing naar «kerngebied» en «rand van het effectgebied» is niet mogelijk.
De afgelopen jaren hebben immers verschillende bevingen plaatsgevonden met een verschillend
epicentrum. Om toch een beeld te kunnen schetsen, kan inzicht worden geboden in de
uitgekeerde schadevergoedingen op adressen waar hoge trillingssnelheden van minimaal
15 mm/s hebben plaatsgevonden en waar dat niet het geval is2. Uit cijfers over 2024 en 2025 blijkt dat op adressen waar dergelijke trillingssnelheden
hebben plaatsgevonden, 1,7% van de vergoedingen boven de € 60.000 uitkwam. Op adressen
waar trillingssnelheden van minder dan 15 mm/s zijn geweest, was 3,2% van de vergoedingen
hoger dan € 60.000. Andere factoren, zoals de oppervlakte van de woning, spelen een
grotere rol dan de locatie van de woning. Zo komen schades boven de € 60.000 met name
voor bij woningen van meer dan 150 m2 oppervlakte.
Vraag 2
Voorts vragen deze leden welk concreet vervolgtraject geldt voor bewoners van wie
de herstelkosten boven het grensbedrag uitkomen. Wat betekent dit in de praktijk voor
de doorlooptijd, de kans op vergoeding en de rechtspositie van deze bewoners?
Zoals bij de beantwoording van vraag 1 is aangegeven, is het bedrag van € 60.000 in
het overgrote deel van alle gevallen toereikend om alle schade die door mijnbouw zou
kunnen zijn ontstaan te herstellen zonder onderzoek naar de schadeoorzaak.
In de situaties waarin bij de schadeopname al duidelijk is dat de omvang van de totale
schade (zowel schades als gevolg van de gaswinning, als schades met een andere oorzaak)
groter is dan € 60.000 kan de bewoner kiezen om tot € 60.000 de schade te laten herstellen
zonder onderzoek naar schadeoorzaak of kiezen voor een maatwerktraject.
Indien de aanvrager kiest voor daadwerkelijk herstel maakt het Instituut Mijnbouwschade
Groningen (IMG) afspraken met de aanvrager. Onderdeel van die afspraken is dat als
de geadviseerde herstelkosten het bedrag van € 60.000 overschrijden, de aanvrager
kiest welke schade wordt hersteld. Ook kan de aanvrager ervoor kiezen om de kosten
voor het herstel boven het grensbedrag zelf te betalen. Er is daarmee geen nadelig
effect op de doorlooptijd en ook is de kans op een vergoeding voor iedereen gelijk:
tot € 60.000 herstel van schade die door mijnbouw zou kunnen zijn ontstaan, zonder
onderzoek naar de schadeoorzaak. De rechtspositie van de aanvrager is in deze gevallen
geborgd, omdat het IMG de aanvrager de vrijheid biedt te bepalen welke schade wordt
hersteld en de aanvrager gebruik kan maken van alle reguliere rechtsmiddelen, zoals
bezwaar.
De bewoner kan in plaats van daadwerkelijk herstel ook kiezen voor een maatwerktraject
waarbij alle schades als gevolg van de gaswinning worden vergoed, ongeacht de hoogte van het schadebedrag maar met
onderzoek naar de schadeoorzaak. Hier geldt het grensbedrag van € 60.000 niet. De
bewoner kan kiezen tussen een financiële vergoeding of een vergoeding in natura waarbij
de schades als gevolg van gaswinning hersteld worden door een aannemer van het IMG.
Vergoeding voor overlast
De leden van de D66-fractie lezen dat met dit besluit de maximale hoogte van vergoedingen
voor overlast bij ministeriële regeling kan worden vastgesteld. Deze leden begrijpen
dat de Minister hiermee meer flexibiliteit wil creëren om te differentiëren naar soort
overlast en om bedragen zo nodig aan te passen, bijvoorbeeld vanwege inflatie.
Vraag 3
Zij vragen welke uitgangspunten zullen gelden bij toekomstige aanpassingen van deze
bedragen?
Bij het bepalen van de maximale hoogtes van de diverse overlastvergoedingen die vastgelegd
worden in de ministeriële regeling, zullen de maximumbedragen genoemd in maatregel
7 (verhoogde overlastvergoeding bij herhaalschade) en 9 (overschrijden van beslistermijnen)
van de kabinetsreactie Nij Begun worden gevolgd. Voor het bepalen van de precieze
hoogte van de overlastvergoedingen per geval zal het IMG een werkwijze opstellen waarbij
het IMG rekening zal houden met bijvoorbeeld de mate van ernst, duur en frequentie
van de overlast voor bewoners. Het IMG verwacht in het vierde kwartaal van 2026 te
kunnen starten met het uitkeren van de nieuwe overlastvergoedingen. Mocht in de toekomst
blijken dat de vergoeding onvoldoende is voor het compenseren van overlast, dan kunnen
de bedragen heroverwogen worden. De bedragen worden niet jaarlijks geïndexeerd.
Vraag 4
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast hoe de rechtszekerheid en voorspelbaarheid
voor bewoners worden geborgd, nu de maximale vergoedingen voor overlast niet langer
in het besluit zelf worden vastgelegd. Hoe worden bewoners tijdig en duidelijk geïnformeerd
over de voor hen geldende vergoedingen? Is de Minister bereid de Kamer actief te informeren
wanneer deze bedragen worden gewijzigd?
Met het ontwerpbesluit wordt een delegatiegrondslag in het Besluit Tijdelijke wet
Groningen opgenomen om bij ministeriële regeling de maximale vergoedingen voor verschillende
soorten overlast vast te leggen. Zowel deze ministeriële regeling als het Besluit
Tijdelijke wet Groningen zijn openbaar. Bewoners worden door het IMG geïnformeerd
over de overlastvergoedingen via de website en in persoonlijke contacten. Het IMG
kent overlastvergoedingen automatisch toe. Bewoners hoeven hier niet het Besluit Tijdelijke
wet Groningen of de ministeriële regeling voor te raadplegen.
Ik kan aan uw Kamer toezeggen dat ik u zal informeren over wijzigingen in de maximale
overlastvergoedingen via de reguliere voortgangsbrieven die ik u stuur.
Positie van huurders en andere rechtmatige gebruikers
De leden van de D66-fractie lezen dat met dit besluit meerdere groepen alsnog aanspraak
krijgen op vergoedingen of rechtsbijstand. Deze leden vinden het van groot belang
dat bewoners een gelijkwaardige positie tegenover de overheid hebben in procedures
over schade en versterking.
Vraag 5
In hoeverre acht de Minister de uitbreiding van de mogelijkheid tot rechtsbijstand
voor niet-eigenaren voldoende om deze gelijkwaardige positie daadwerkelijk te waarborgen,
mede gelet op het feit dat deze rechtsbijstand niet ziet op geschillen tussen huurders
en verhuurders?
De rechtsbijstand is in de wet opgenomen om eigenaren van een gebouw te ondersteunen
in hun schade- of versterkingstraject tegenover de overheid, om zo te zorgen voor
een gelijk speelveld tussen de eigenaar en de overheid. Omdat deze besluiten het eigendom
van de eigenaar betreffen, verschilt deze situatie met die van huurders die geen fysieke
schadevergoedings- of versterkingsbesluit ontvangen. Echter, het IMG en de Nationaal
Coördinator Groningen (NCG) verstrekken wel andere soorten schadevergoedingen aan
huurders, zoals de immateriële schadevergoeding van het IMG en de vergoeding voor
schade door versterking van de NCG. Het voorstel trekt in deze laatstgenoemde situaties
de juridische positie van huurders gelijk met die van eigenaren.
Geschillen tussen huurders en verhuurders betreffen privaatrechtelijke geschillen
die los staan van het algemeen belang van veilige en herstelde woningen in het aardbevingsgebied,
waar de overheid eindverantwoordelijkheid voor draagt. Daarbij zouden huurders dan
wél, en verhuurders geen bijstand krijgen. Dit is niet uitlegbaar naar de verhuurders,
en naar de rest van Nederland waar zich ook vergelijkbare privaatrechtelijke geschillen
tussen huurder en verhuurder voordoen. Huurders hebben in dit soort geschillen andere
mogelijkheden voor advies en hulp tot hun beschikking, zoals de Huurcommissie, het
Juridisch Loket en de gemeente (bijvoorbeeld als de woning niet aan de bouwregelgeving
voldoet).
Voorkomen van nieuwe omissies en afbakening van het effectgebied
De leden van de D66-fractie constateren dat met dit besluit meerdere omissies en onbedoelde
uitsluitingen worden hersteld.
Vraag 6
Deze leden vragen welke waarborgen zijn getroffen om te voorkomen dat ook na inwerkingtreding
van dit besluit nog bewoners, huurders of andere rechtmatige gebruikers buiten beeld
blijven of tussen wal en schip vallen. Is de Minister voornemens om de werking van
deze wijzigingen in de praktijk te monitoren en zo ja, op welke wijze en op welk moment
wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
In de wet wordt in artikel 13n over bijstand een delegatiebepaling opgenomen die het
mogelijk maakt om bij algemene maatregel van bestuur de reikwijdte van die bijstand
uit te breiden. Mocht in de toekomst blijken dat die reikwijdte toch nog te beperkt
is, dan kan deze dus relatief eenvoudig worden vergroot. De werking van de regeling
voor rechtsbijstand wordt periodiek gemonitord door het Kenniscentrum van de Raad
voor Rechtsbijstand. Deze rapportages zijn openbaar.3 Indien de monitor en/of overige signalen aanleiding geven tot aanpassing, informeer
ik uw Kamer hierover. Verder geldt in algemene zin dat in de Staat van Groningen en
Noord-Drenthe onder andere de schadeafhandeling en versterkingsoperatie worden gemonitord,
waarbij ook kan worden gekeken naar het onverhoopt buiten beeld of tussen wal en schip
vallen van bepaalde doelgroepen.
Vraag 7
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast hoe in de praktijk wordt voorkomen dat
bewoners aan de randen van het effectgebied tussen wal en schip vallen. Op basis van
welke signalen, criteria of nieuwe inzichten kan het Instituut Mijnbouwschade Groningen
(IMG) besluiten het effectgebied uit te breiden? Op welke wijze worden bewoners hierover
geïnformeerd?
Het IMG beoordeelt schade altijd op adresniveau en houdt bij grensgevallen, waar de
afbakening van het effectgebied door straten loopt, zoveel mogelijk rekening met het
voorkomen van onwenselijke situaties. Tegelijkertijd zijn grensgevallen onvermijdelijk
bij elke geografische afbakening, waardoor sommige woningen net buiten het effectgebied
zullen vallen.
Nieuwe wetenschappelijke inzichten over mogelijke schade door de winning uit het Groningenveld
en het gebruik van de gasopslagen bij Norg en Grijpskerk, kunnen aanleiding geven
tot aanpassing van de werkwijze of uitbreiding van het effectgebied. Mede hierom investeert
het IMG voortdurend in de ontwikkeling en verdieping van relevante kennis over schademechanismes.
In dit kader is vorig jaar bijvoorbeeld nog een aanvullend onderzoek opgeleverd naar
het risico op schade door de indirecte effecten van diepe bodemdaling (IEDB) gerelateerd
aan de voormalige gaswinning.4 Het IMG werkt momenteel aan de doorvertaling van deze inzichten in haar werkwijze.
Naar verwachting is hier voor de zomer meer duidelijkheid over. Wanneer dergelijke
nieuwe inzichten aanleiding geven tot aanpassing van haar werkwijze communiceert IMG
hier zelf over, waar nodig met aanvullende communicatiemiddelen voor specifieke gebieden
of groepen.
Herstel van vertrouwen
De leden van de D66-fractie constateren dat dit besluit op verschillende momenten
in werking kan treden en dat onderdelen afhankelijk zijn van onderliggende regelgeving.
Deze leden benadrukken dat bewoners al lang wachten op de maatregelen uit Nij Begun
en dat verdere vertraging onwenselijk is.
Vraag 8
Wanneer verwacht de Minister dat alle onderdelen van dit besluit in werking zijn getreden?
Is de Minister bereid hiervoor een concrete streeftermijn te noemen en de Kamer te
informeren indien deze niet wordt gehaald?
Het ontwerpbesluit bestaat uit verschillende wijzigingen. Deels hebben de wijzigingen
te maken met de al in werking getreden wet omissies5, of kunnen wijzigingen om andere redenen direct worden doorgevoerd. Een voorbeeld
hiervan is de verhoging van de maximale vergoedingen voor overlast, die volgt uit
maatregelen 7 en 9 uit Nij Begun. De inwerkingtreding van deze (begunstigende) onderdelen
behoeft uiteraard niet te worden uitgesteld. Andere onderdelen van het ontwerpbesluit
hangen samen met het PEGA-wetsvoorstel dat momenteel bij uw Kamer aanhangig is.6 Een voorbeeld is de vaststelling van het grensbedrag voor daadwerkelijk herstel.
De inwerkingtreding van deze onderdelen zal plaatsvinden gelijktijdig met die wet:
de wet kan niet in werking treden zonder deze onderdelen van de AMvB en deze onderdelen
kunnen niet in werking treden zonder de wet. De uiteindelijke datum is daarmee afhankelijk
van enerzijds de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel, en anderzijds de
doorlooptijd van de advisering door de Raad van State over dit ontwerpbesluit. Vooralsnog
wordt gestreefd naar inwerkingtreding per 1 juli 2026, in lijn met de vaste verandermomenten
voor inwerkingtreding van wetten en algemene maatregelen van bestuur.
Ten algemene wil ik ook graag benadrukken dat ik uw Kamer periodiek zal informeren
over de voortgang van de verschillende maatregelen uit Nij Begun en de hersteloperatie
in het algemeen, net als mijn ambtsvoorgangers hebben gedaan in het verleden.
Vraag 9
De leden van de D66-fractie vragen tot slot hoe de Minister deze wijzigingen beziet
in het licht van het bredere doel om het vertrouwen van inwoners van Groningen en
Noord-Drenthe in de overheid te herstellen. Op welke manier dragen deze wijzigingen
volgens de Minister concreet bij aan een eenvoudiger, rechtvaardiger en beter uitlegbaar
stelsel voor bewoners?
Met deze wijziging wordt in het gehele effectgebied één grensbedrag van € 60.000 gehanteerd
voor schadeherstel zonder onderzoek naar de schadeoorzaak. Daarmee worden nieuwe grenzen
en nieuwe verschillen voorkomen, en staat een gelijkwaardig eindresultaat – namelijk
een herstelde woning – voorop. Met dit ontwerpbesluit wordt verder de toegang tot
rechtsbijstand verbreed naar niet-eigenaren. Dat is rechtvaardig omdat ook niet-eigenaren
in een aantal gevallen vergoedingsbesluiten ontvangen van het IMG en de NCG. Zo worden
verschillende groepen gedupeerden, die een besluit ontvangen van het IMG of de NCG,
gelijkwaardig behandeld.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de stukken
ter voorbereiding op de wijziging van het Besluit Tijdelijke wet Groningen en het
Mijnbouwbesluit. Deze leden wensen in dit kader enkele specifieke aandachtspunten
te benadrukken en vragen hierover nadere toelichting van de Minister.
Vraag 10
De leden van de VVD-fractie vragen ten aanzien van onderdeel H, over de beoordeling
van kwetsbare gebouwen, of de aanvullende bouwkundige criteria helder en eenduidig
zijn geformuleerd. Hoe wordt voorkomen dat hierdoor nieuwe, moeilijk verklaarbare
verschillen in beoordeling ontstaan?
Op basis van het advies van het panel van deskundigen (22 januari 2019) geldt het
wettelijk bewijsvermoeden als ter plaatse een trillingssnelheid is opgetreden van
tenminste 2 mm/s. Dit is alleen anders bij bijzonder kwetsbare objecten, waarvoor
geldt dat het bewijsvermoeden van toepassing is vanaf een trillingssnelheid van 1,6
mm/s. Om te bepalen of sprake is van een bijzonder kwetsbaar object, sluit het IMG
aan bij het advies «Overwegingen bij de uitzonderlijke toestand van het bewijsvermoeden»
(mei 2020). Op basis van dat advies is er een uniform proces ingericht voor de beoordeling
van bijzonder kwetsbare objecten, dat gedeeld wordt met de eigenaren. Dit uniforme
beoordelingskader zorgt voor een gelijke beoordeling van gelijke gevallen.
Vraag 11
Ten aanzien van onderdeel I, deel 3, constateren deze leden dat de naam «tijdelijk»
wordt verwijderd. Is het in dat licht niet logisch om de naamgeving in de Wet Groningen
en Noord-Drenthe aan te passen?
In het ontwerpbesluit zijn twee wijzigingen van het Besluit Tijdelijke wet Groningen
opgenomen waarin het woord «tijdelijk» wordt geschrapt:
1. in de verwijzing naar de bovenliggende wet (in artikel 1 van het Besluit Tijdelijke
wet Groningen; artikel I, onderdeel A), omdat met het PEGA-wetsvoorstel de citeertitel
«Tijdelijke wet Groningen» wordt vervangen door «Wet Groningen»;
2. in de citeertitel van het Besluit Tijdelijke wet Groningen zelf, dat wordt vervangen
door «Besluit Groningen» (artikel 12 van het Besluit Tijdelijke wet Groningen; artikel
I, onderdeel J).
De vraag heeft eigenlijk betrekking op de naamgeving van de wet, en daarmee niet op
het ontwerpbesluit maar op het PEGA-wetsvoorstel. Dit ontwerpbesluit volgt slechts
de keuze die op wetsniveau wordt gemaakt, zowel uiteraard voor de verwijzing naar
de wet (onderdeel 1) als voor de naamgeving van de algemene maatregel van bestuur
(onderdeel 2).
Vanaf het begin7 heeft de wet de naam Tijdelijke wet Groningen gedragen, maar is deze ook van toepassing
op (eventuele) schade als gevolg van de gasopslag Norg en daarmee op Noord-Drenthe,
en op een deel van Friesland. Toch is gekozen voor deze korte benaming, omdat het
veruit grootste deel van het toepassingsgebied van de wet daar ligt. Het PEGA-wetsvoorstel
past dit territoriale toepassingsgebied van die wet niet aan. Daarom is er geen reden
gezien om Noord-Drenthe nu in de citeertitel van de wet (en daarmee ook van de onderhavige
algemene maatregel van bestuur) op te nemen.
Vraag 12
Ten slotte merken zij bij het onderdeel internetconsultatie op dat ruimte blijft bestaan
voor het IMG om het effectgebied uit te breiden wanneer nieuwe inzichten daar aanleiding
toe geven. Hoe wordt in dat geval voorkomen dat dit leidt tot willekeur in de toepassing?
Zie hiervoor ook mijn antwoord op vraag 7. Willekeur wordt voorkomen doordat nieuwe
wetenschappelijke inzichten pas tot uitbreiding van het effectgebied kunnen leiden
wanneer deze zijn gevalideerd door onafhankelijke partijen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de ontwerp AMvB tot wijziging
van het Besluit Tijdelijke wet Groningen en het Mijnbouwbesluit. Deze leden vinden
het goed dat de doelgroep die gebruik kan maken van de subsidieregeling rechtsbijstand
wordt verruimd en hebben ook met tevredenheid gelezen dat naar aanleiding van de motie-Vedder/Boulakjar
het schadebedrag tot aan waar er geen onderzoek meer wordt gedaan naar causaliteit
wordt verhoogd naar 60.000 euro. Zij hebben hierbij nog een enkele vraag.
2. Wijzigingen Besluit Tijdelijke wet Groningen, Onderdeel C
Vraag 13
De leden van de CDA-fractie vragen een nadere toelichting wat er bedoeld wordt met
«het genoemde periodiek bekijken grensbedrag 60.000 euro passend is».
Zoals mijn ambtsvoorganger in de nota naar aanleiding van het verslag over het PEGA-wetsvoorstel
heeft aangegeven, is het leidende criterium dat het merendeel van de schademeldingen
binnen het grensbedrag moet vallen. Het IMG is gevraagd om te signaleren wanneer dit
niet langer het geval is.8
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de voorhangbrief van Minister
inzake het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit Tijdelijke wet Groningen en
het Mijnbouwbesluit. Dit wijzigingsbesluit vloeit voort uit de kabinetsreactie op
het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen en bevat
daarnaast enkele technische correcties en verduidelijkingen. Deze leden onderschrijven
het belang van een voortvarende en rechtvaardige afhandeling van schade voor bewoners
van het aardbevingsgebied. Tegelijkertijd hebben zij nog enkele vragen over de uitvoering
van het besluit en de mogelijke gevolgen voor bewoners.
Algemeen
De leden van de JA21-fractie constateren dat het wijzigingsbesluit verschillende aanpassingen
bevat die bedoeld zijn om de schadeafhandeling en de versterkingsoperatie te verbeteren
en te versnellen. Tegelijkertijd hebben bewoners van het aardbevingsgebied de afgelopen
jaren regelmatig te maken gehad met langdurige procedures en vertragingen.
Vraag 14
Deze leden vragen hoe wordt geborgd dat de uitvoering van de voorgestelde wijzigingen
niet leidt tot verdere vertraging in de schadeafhandeling of de versterkingsoperatie.
Op welke wijze monitort de Minister of de wijzigingen daadwerkelijk bijdragen aan
een snellere en eenvoudiger afhandeling voor bewoners?
De voorgestelde wijzigingen kunnen zonder vertraging worden ingepast in de huidige
uitvoeringspraktijk. De resultaten en effecten van deze wijzigingen, en de andere
maatregelen uit de kabinetsreactie op de parlementaire enquête, worden jaarlijks beschreven
in de Staat van Groningen en Noord-Drenthe. Het kabinet zal elk jaar reageren op de
uitkomsten in een brief aan de Kamer. Deze verplichting is opgenomen in het PEGA-wetsvoorstel.
Vraag 15
Daarnaast vragen zij hoe wordt voorkomen dat nieuwe uitvoeringsregels of aanpassingen
in regelgeving leiden tot extra administratieve lasten voor bewoners, gemeenten en
uitvoeringsorganisaties.
In de memorie van toelichting op het PEGA-wetsvoorstel is reeds toegelicht hoe de
regeldruk voor bewoners vermindert als zij kiezen voor de mogelijkheid om schade te
laten herstellen zonder uitgebreid onderzoek.9 De grens van € 60.000 die met dit ontwerpbesluit wordt vastgelegd, is een nadere
invulling van deze mogelijkheid. Ook de andere wijzigingen en verduidelijkingen die
met dit ontwerpbesluit worden geregeld, leiden naar verwachting nauwelijks tot extra
administratieve lasten voor bewoners, gemeenten of uitvoeringsorganisaties. Dit wordt
toegelicht in de nota van toelichting bij de het ontwerpbesluit.
Overlastvergoedingen
De leden van de JA21-fractie lezen dat het ontwerpbesluit de mogelijkheid introduceert
om vergoedingen voor overlast flexibeler vast te stellen via een ministeriële regeling.
Hiermee kan beter worden ingespeeld op verschillende soorten overlast die bewoners
ervaren, bijvoorbeeld bij herhaalschade of langdurige werkzaamheden.
Vraag 16
Deze leden vragen op basis van welke criteria de Minister de hoogte van verschillende
overlastvergoedingen zal bepalen. Op welke wijze wordt daarbij rekening gehouden met
verschillen in ernst, duur en frequentie van de overlast die bewoners ervaren?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Vraag 17
Daarnaast vragen zij hoe wordt geborgd dat bewoners die herhaaldelijk schade of langdurige
werkzaamheden ervaren daadwerkelijk ruimhartig worden gecompenseerd. Wordt hierbij
bijvoorbeeld rekening gehouden met cumulatieve overlast wanneer bewoners meerdere
keren schade of herstelwerkzaamheden ondervinden?
Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 3 zal het IMG in zijn werkwijze rekening
houden met maatregel 7 van de kabinetsreactie Nij Begun: een verhoogde overlastvergoeding
tot maximaal € 1.200 bij herhaalde schade.
Vraag 18
Voorts vragen zij op welke wijze wordt voorkomen dat bewoners moeten wachten op aanpassing
van vergoedingen wanneer bijvoorbeeld inflatie of veranderende omstandigheden daartoe
aanleiding geven. Wordt overwogen om de hoogte van vergoedingen periodiek te indexeren
of op andere wijze automatisch aan te passen aan prijsontwikkelingen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Maximumbedrag voor schadeherstel
De leden van de JA21-fractie lezen dat het wijzigingsbesluit een maximumbedrag van
60.000 euro introduceert voor het daadwerkelijk herstellen van schade zonder uitgebreid
onderzoek naar de oorzaak. Hiermee moet schade sneller kunnen worden hersteld doordat
in deze gevallen geen uitgebreid onderzoek nodig is naar de precieze oorzaak van de
schade.
Vraag 19
Deze leden vragen de Minister toe te lichten waarom is gekozen voor een grensbedrag
van 60.000 euro en niet voor een hoger bedrag. Welke overwegingen hebben een rol gespeeld
bij het vaststellen van deze grens?
Het grensbedrag van € 60.000 volgt uit de motie Vedder/Boulakjar10, en uit de praktijk blijkt dat het zeer beperkt voorkomt dat schades als gevolg van
gaswinning het grensbedrag van € 60.000 overschrijden. Zeker nu veel eerste schademeldingen
op adressen al zijn afgehandeld. Zie voor een uitgebreider antwoord ook mijn antwoord
op vraag 1.
De regeling daadwerkelijk herstel is een ruimhartige regeling, waarbij de ruimhartige
component bestaat uit het feit dat alle schade die naar zijn aard mijnbouwschade zou
kunnen zijn, voor herstel in aanmerking komt. Ongeacht of deze schade daadwerkelijk
is veroorzaakt door de gaswinning of bijvoorbeeld door verdroging van de bodem of
ouderdom van het pand.
Vraag 20
Daarnaast vragen zij hoeveel schadegevallen naar verwachting boven de 60.000 euro
uitkomen en hoe lang de afhandeling van dergelijke schadegevallen gemiddeld duurt.
In hoeverre verwacht de Minister dat deze gevallen alsnog leiden tot langdurige onderzoeken
naar de oorzaak van schade?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 1.
Vraag 21
Voorts vragen zij hoe wordt voorkomen dat het grensbedrag een prikkel creëert om schade
zoveel mogelijk onder deze grens te laten vallen, bijvoorbeeld door schade anders
te begroten of op te splitsen. Heeft de Minister onderzocht of bewoners hun schade
mogelijk in meerdere aanvragen moeten opsplitsen om onder deze grens te blijven?
Meerdere aanvragen opsplitsen om onder het grensbedrag te blijven is niet mogelijk.
Bij een schadeopname voor daadwerkelijk herstel wordt alle aanwezige schade in een
pand opgenomen. Als een schade toch niet is opgenomen of als sprake is van een nieuwe
schade die naar zijn aard mijnbouwschade zou kunnen zijn, kan deze binnen 5 jaar alsnog
gemeld worden en is herstel mogelijk tot maximaal € 60.000.
Vraag 22
De leden van de JA21-fractie vragen daarnaast hoe wordt voorkomen dat bewoners in
het zwaarst getroffen kerngebied juist vaker met langdurige onderzoeken worden geconfronteerd
doordat hun schadebedrag vaker boven deze grens uitkomt.
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 1. Aanvullend
daarop wil ik benadrukken dat ook ik, net als mijn ambtsvoorgangers het belangrijk
vind om specifiek aandacht te hebben voor de zwaarst gedupeerden. Binnen het beleid
en de uitvoering daarvan is hier structureel aandacht voor. Er zijn meerdere schaderegelingen
die met name gericht zijn op de bewoners die vaker te maken hebben met bevingen, zoals
duurzaam herstel, vergoeding voor waardedaling, immateriële schadevergoeding en de
vaste herhaalvergoeding. De vaste herhaalvergoeding zal IMG in het tweede kwartaal
van dit jaar implementeren.
Vraag 23
Tot slot vragen deze leden of de Minister bereid is periodiek te evalueren of het
grensbedrag van 60.000 euro voldoende is om snel en volledig schadeherstel mogelijk
te maken, en indien nodig dit bedrag aan te passen.
Zoals in het antwoord op vraag 13 aangegeven heb ik het IMG gevraagd om te signaleren
wanneer het grensbedrag niet meer passend is.
Kostenverhaal op de NAM
De leden van de JA21-fractie merken op dat het uitgangspunt van het Groningendossier
steeds is geweest dat bewoners niet zelf tegenover de Nederlandse Aardolie Maatschappij
(NAM) hoeven te procederen, maar dat de overheid schade vergoedt en de kosten vervolgens
verhaalt op de NAM.
Vraag 24
Deze leden vragen in hoeverre de kosten die voortvloeien uit de voorgestelde maatregelen
– waaronder overlastvergoedingen, juridische bijstand en deskundigenadvies – volledig
kunnen worden verhaald op de NAM. Kan de Minister bevestigen dat bewoners niet alsnog
indirect worden geconfronteerd met financiële beperkingen wanneer kosten niet volledig
op de NAM kunnen worden verhaald?
Ik kan nog niet vooruitlopen op de heffing voor de aangekondigde maatregelen in het
ontwerpbesluit. Dit zal pas worden vastgelegd in het heffingsbesluit. Ik kan bevestigen
dat bewoners hoe dan ook niet worden geconfronteerd met financiële beperkingen in
verband met deze heffing.
Voor het kabinet is leidend wat er nodig is voor herstel ten behoeve van gedupeerden,
niet welke juridische grenzen er bestaan voor het verhalen van kosten op de NAM. Dat
betekent dat de verhaalbaarheid van kosten op de NAM geen criterium is geweest en
ook niet zal worden voor het treffen van (extra) maatregelen.
Vraag 25
Daarnaast vragen zij of er nog een onderzoek van bijvoorbeeld de Algemene Rekenkamer
wordt voorzien naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van de schadeafhandeling
en de versterkingsoperatie na afloop van al deze maatregelen.
Ja. De Algemene Rekenkamer zal in zijn verantwoordingsonderzoek over 2025 opnieuw
ingaan op de doelmatigheid en doeltreffendheid van de maatregelen die zijn genomen
om de schadeafhandeling en uitvoering van de versterking te verbeteren. Het verantwoordingsonderzoek
verschijnt op de derde woensdag van mei (woensdag 20 mei 2026).
Juridische bijstand en deskundige ondersteuning
De leden van de JA21-fractie lezen dat het wijzigingsbesluit de mogelijkheid verruimt
voor bewoners om juridische bijstand en deskundige ondersteuning te krijgen in hun
traject met het IMG of de Nationaal Coördinator Groningen (NCG). Niet alleen eigenaren,
maar ook huurders en andere rechtmatige gebruikers kunnen in bepaalde gevallen aanspraak
maken op juridische bijstand.
Vraag 26
Deze leden vragen hoe wordt gewaarborgd dat bewoners eenvoudig toegang krijgen tot
juridische en bouwkundige ondersteuning wanneer zij een besluit willen aanvechten
of laten toetsen.
De bewoner vraagt een advocaat of mediator aan bij de Raad voor Rechtsbijstand (RvR)
via een formulier op de website van de RvR. Hierop geeft de bewoner aan voor welke
casus de rechtsbijstand is gewenst, of de bewoner een advocaat of mediator wenst en
geeft hij of zij enkele personalia door. De advocaat of mediator kan op grond van
de subsidieregeling rechtsbijstand deskundigen inschakelen wanneer hij of zij behoefte
heeft aan advies van een deskundige. De aanvraag door de bewoner voor bijstand door
een deskundige los van rechtsbijstand, loopt via «Mijn dossier» op de website van
het IMG of via een aanvraagformulier op de website van de NCG. De bewoner kan kiezen
uit verschillende onafhankelijke deskundigen die al op kwaliteitseisen zijn getoetst
door het IMG of de NCG, of kan er zelf één aandragen mits deze deskundige voldoet
aan dezelfde kwaliteitseisen.
Vraag 27
Daarnaast vragen zij in hoeverre de Minister verwacht dat bewoners daadwerkelijk gebruik
zullen maken van deze regelingen. Zijn er inschattingen gemaakt van het aantal bewoners
dat naar verwachting aanspraak zal maken op juridische bijstand of deskundige ondersteuning?
Uit de evaluaties (zie het antwoord op vraag 6) blijkt dat eigenaren de weg weten
te vinden naar de mogelijkheid van juridische bijstand en ondersteuning door deskundigen.
Dit zal bij huurders niet anders zijn. Als aanname bij het opstellen van dit ontwerpbesluit
is uitgegaan van 250 bezwaar- en beroepszaken per jaar waarvoor huurders rechtsbijstand
wensen. Dit te verwachten gebruik van de regeling door huurders is gebaseerd op het
aantal besluiten dat het IMG en de NCG jaarlijks aan huurders verstrekken, en het
aantal bezwaar- en beroepszaken dat hiertegen wordt ingesteld. Daarnaast is er rekening
mee gehouden dat niet iedere huurder gebruik zal maken van (rechts)bijstand omdat
hij of zij mogelijk een rechtsbijstandsverzekering heeft of zelfstandig bezwaar aantekent.
Vraag 28
Voorts vragen zij hoe wordt voorkomen dat bewoners alsnog tegenover een overheid staan
met aanzienlijk meer expertise en middelen wanneer zij hun rechten willen laten gelden.
De bijstandsregelingen geven recht op kosteloze bijstand door een advocaat, een mediator
en (al dan niet via de advocaat of mediator) door een bouwkundige, een financieel
deskundige, een ecoloog, bodemkundige en/of hydroloog. Indien de zaak hierom vraagt,
kan de vergoeding worden uitgebreid. Het kabinet is van mening dat een bewoner met
deze verschillende vormen van ondersteuning zijn recht goed kan laten gelden. Voorts
kan hier worden opgemerkt dat het IMG en de NCG zeer terughoudend omgaan met het instellen
van hoger beroep.
Vraag 29
Daarnaast vragen zij hoe wordt voorkomen dat de kring van gerechtigden voor dergelijke
vergoedingen steeds verder wordt uitgebreid naar groepen die geen directe schade door
gaswinning hebben geleden.
Het recht op (rechts)bijstand in de wet is gekoppeld aan de daarin beschreven schadeafhandeling
en versterkingsaanpak. Groepen (personen of partijen) die geen deel uitmaken van die
schadeafhandeling- en versterkingstrajecten, vallen niet onder de regelingen voor
(rechts)bijstand.
Vraag 30
Tot slot vragen zij in hoeverre de Minister het logisch acht dat de overheid vergoedingen
uitkeert aan huurders, terwijl in beginsel de verhuurder verantwoordelijk is voor
onderhoud en herstel van de woning.
De vergoedingen die het IMG en de NCG aan huurders uitkeren staan los van de verhuurder
en zijn verantwoordelijkheid voor het onderhoud aan en herstel van de woning. U kunt
hierbij denken aan een immateriële schadevergoeding aan huurders of een vergoeding
voor zelf aangebrachte voorzieningen door huurders. Veel van deze vergoedingen van
het IMG en de NCG aan huurders zijn vergelijkbaar met vergoedingen die aan particuliere
eigenaren worden uitgekeerd.
Effectgebied en bewijsvermoeden
De leden van de JA21-fractie lezen dat in het besluit een gedetailleerde kaart van
het effectgebied wordt vastgelegd waar het wettelijke bewijsvermoeden geldt. Deze
kaart moet voor bewoners duidelijkheid bieden op de vraag of schade vermoed wordt
te zijn veroorzaakt door gaswinning. Tegelijkertijd wordt aangegeven dat het effectgebied
in de toekomst kan worden uitgebreid wanneer nieuwe inzichten over schade door bodemdaling
of aardbevingen daartoe aanleiding geven.
Vraag 31
Deze leden vragen of de Minister bereid is het effectgebied periodiek te herzien op
basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten, bijvoorbeeld wanneer nieuwe kennis ontstaat
over effecten van bodemdaling of andere geologische ontwikkelingen.
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7.
Toekomstige energievoorziening
Hoewel dit wijzigingsbesluit zich primair richt op schadeherstel en versterking, constateren
de leden van de JA21-fractie dat het Groningendossier ook raakt aan de bredere discussie
over de toekomstige energievoorziening van Nederland. Nederland heeft jarenlang geprofiteerd
van het Groningse gas, terwijl bewoners van het gebied de negatieve gevolgen hebben
ervaren.
Vraag 32
Tegen deze achtergrond vragen deze leden onder welke omstandigheden de Minister het
in de toekomst eventueel verantwoord zou achten om opnieuw gaswinning in Groningen
te overwegen.
Sinds 19 april 2024 is gaswinning uit het Groningenveld bij wet verboden, om de aardbevingsproblematiek
in Groningen bij de bron aan te pakken en recht te doen aan het veiligheidsbelang
van de inwoners van Groningen, die nog altijd de negatieve gevolgen ondervinden van
de voormalige gaswinning. Nu het Groningenveld gesloten is, is de NAM als laatste
vergunninghouder verplicht om de productielocaties te ontmantelen. Het kabinet staat
voor de beëindigde gaswinning en de ontmanteling van het Groningenveld.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
Algemeen
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit tot wijziging
van het Besluit Tijdelijke wet Groningen en het Mijnbouwbesluit. Deze leden hebben
hierover nog diverse vragen en opmerkingen.
Allereerst willen de leden van de SP-fractie benadrukken dat de parlementaire enquêtecommissie
aardgaswinning Groningen heeft vastgesteld dat Groningers decennialang onvoldoende
zijn beschermd door de overheid. Juist daarom moet bij elke wijziging van regelgeving
het uitgangspunt zijn dat recht wordt gedaan aan de inwoners van Groningen en dat
ruimhartigheid voorop staat.
Vraag 33
De leden van de SP-fractie vragen waarom is gekozen voor een wijziging via een algemene
maatregel van bestuur en een novelle, terwijl de Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen
en de Mijnbouwwet op dit moment nog door de Tweede Kamer wordt behandeld. Waarom is
er niet voor gekozen om deze wijzigingen via een nota van wijziging op de wet aan
de Kamer voor te leggen, zodat de Kamer deze wijzigingen direct kan meewegen in de
behandeling van het wetsvoorstel? Kan de Minister toelichten waarom voor deze route
is gekozen en welke gevolgen dit heeft voor de parlementaire controle?
Het klopt dat gelijktijdig met de parlementaire behandeling van het PEGA-wetvoorstel
tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet, het onderhavige ontwerp
van een algemene maatregel van bestuur (ontwerpbesluit) tot wijziging van het Besluit
Tijdelijke wet Groningen en het Mijnbouwbesluit bij de Tweede Kamer is belegd in het
kader van de voorhangprocedure. Het is echter niet zo dat er met dit ontwerpbesluit
wordt gepoogd om het PEGA-wetsvoorstel te wijzigen. Dat is ook niet mogelijk omdat
een algemene maatregel van bestuur lagere regelgeving is en alleen mag regelen wat
de wet zelf toestaat en binnen de grenzen van de delegatiegrondslag die de wet geeft.
Een algemene maatregel van bestuur dient dus juist als nadere uitwerking van hetgeen
in een wet of wetsvoorstel is opgenomen. Overigens is er voor het PEGA-wetsvoorstel
geen novelle ingediend. Tot slot is er voor het PEGA-wetsvoorstel een nota van wijziging
ingediend die enkele wetstechnische correcties en daarnaast enkele kleine inhoudelijke
aanpassingen van het voorstel van wet bevat.11
Maximumbedrag
De leden van de SP-fractie lezen dat in het ontwerpbesluit een maximumbedrag van 60.000
euro wordt vastgesteld voor een bepaalde tegemoetkoming.
Vraag 34
Deze leden vragen de Minister waarop dit bedrag precies is gebaseerd. Welke berekeningen,
onderzoeken of beleidsafwegingen liggen ten grondslag aan deze grens?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 1 en 19.
Vraag 35
Daarnaast vragen zij waarom ervoor is gekozen om een harde bovengrens te stellen.
Deelt de Minister de mening dat een dergelijk plafond het risico met zich meebrengt
dat inwoners met aantoonbaar hogere schade of kosten niet volledig worden gecompenseerd?
Op welke manier wordt voorkomen dat Groningers opnieuw geconfronteerd worden met een
systeem dat eerder uitgaat van budgettaire grenzen dan van daadwerkelijk herstel van
recht?
Zoals ik in het antwoord op de vragen 1en 19 heb aangegeven, is het grensbedrag van
€ 60.000 in lijn met de aangenomen Kamermotie op dit onderwerp en is dit bedrag passend,
omdat uit de praktijk blijkt dat het zeer beperkt voorkomt dat schades als gevolg
van de gaswinning het grensbedrag van € 60.000 overschrijden.
Verder hecht ik er belang aan om te benadrukken dat daadwerkelijk herstel een aanvullende
vorm van schadeafhandeling is. Gedupeerden behouden altijd de mogelijkheid om hun
schade af te laten handelen via een maatwerkprocedure met onderzoek naar de schadeoorzaak
of via een vaste vergoeding. Ik hecht veel waarde aan deze keuzevrijheid van bewoners.
Vraag 36
De leden van de SP-fractie vragen de Minister daarom nadrukkelijk of het mogelijk
is deze bovengrens los te laten. Zou het niet passender zijn, mede in het licht van
de conclusies van de parlementaire enquêtecommissie, om uit te gaan van volledige
compensatie van aantoonbare schade en kosten, zonder vooraf vastgestelde maxima? Kan
de Minister hier uitgebreid op reflecteren?
Inwoners hebben de mogelijkheid alle aantoonbare schade als gevolg van gaswinning
te laten vergoeden of herstellen, zonder dat daaraan een maximumbedrag is verbonden,
met de maatwerkregeling.
Zoals ik in het antwoord op vraag 35 heb aangegeven, biedt daadwerkelijk herstel een
aanvullende en geen vervangende mogelijkheid van schadeafhandeling. De ruimhartigheid
van de regeling ziet op het feit dat alle schade die naar zijn aard mijnbouwschade
zou kunnen zijn voor herstel in aanmerking komt, ongeacht of deze door de gaswinning
is veroorzaakt. Van aantoonbare schade is bij deze regeling daarom ook geen sprake;
er wordt immers niet langer onderzoek gedaan naar de schadeoorzaak en ook schades
die niet zijn veroorzaakt door de gaswinning komen voor vergoeding in aanmerking als
deze schade naar zijn aard mijnbouwschade zou kunnen zijn.
Zoals ik in het antwoord op de vragen 1 en 19 heb aangegeven, blijven veruit de meeste
schademeldingen onder dit grensbedrag. Daarnaast blijkt uit het verleden dat de oppervlakte
van de woning een grotere rol speelt dan de locatie van de woning. Het merendeel van
de schades boven de € 60.000 is in het verleden uitgekeerd aan woningen van meer dan
150 m2 oppervlakte waar een trillingssnelheid van minder dan 15 mm/s is geweest.
De Afdeling advisering van de Raad van State is in haar advies op bovenliggend wetsvoorstel
ook ingegaan op het grensbedrag van € 60.000, waarbij opmerkingen zijn gemaakt over
de ruimhartigheid van deze regeling omdat in 2024 de uitgekeerde causale schade gemiddeld
ca. € 15.907 bruto bedroeg.12 Dit heeft niet geleid tot wijzigingen in het ontwerpbesluit omdat ik er veel waarde
aan hecht dat daadwerkelijk herstel juist voor veel schademeldingen een oplossing
is. Tegelijkertijd vind ik het voorgestelde maximum inhoudelijk goed passend.
Vraag 37
Verder lezen deze leden dat gedupeerden binnen deze regeling twee opties hebben: uitvoering
via een aannemer van het IMG of via een zelf gekozen aannemer. Zij vragen hoe wordt
voorkomen dat bewoners die kiezen voor een eigen aannemer alsnog geld tekortkomen.
Welke garanties zijn er dat de vergoeding daadwerkelijk voldoende is om het werk uit
te voeren? Ook vragen zij naar de catalogus die hiervoor is opgesteld. Is deze catalogus
niet te knellend in de praktijk? Op welke wijze is vastgesteld dat de bedragen in
deze catalogus realistisch zijn in relatie tot de huidige bouwkosten? Worden de bedragen
in de catalogus onafhankelijk getoetst? Zo ja, door wie en hoe vaak? Worden deze bedragen
periodiek aangepast aan prijsontwikkelingen in de bouwsector?
De onafhankelijk deskundige bepaalt welke herstelmaatregelen nodig zijn om de schade
die voor vergoeding in aanmerking komt te herstellen. Dat doet hij of zij met behulp
van een herstelmatrix die per schade de best passende herstelmaatregelen kan bepalen
en een calculatiemodel dat voor elke herstelmaatregel de hoogte van de vergoeding
aangeeft. Hiermee is voor de aanvrager duidelijk hoe de schade goed hersteld kan worden
en welke kosten daaraan verbonden zijn. De vergoedingen worden ruimhartig berekend.
Het calculatiemodel is tot stand gekomen op basis van advies van onafhankelijke schadedeskundigen
en alle bedragen en de rekenmethode zijn vervolgens gevalideerd door een extern bouwkostenadviesbureau.
De bedragen worden halfjaarlijks vergeleken met de marktontwikkelingen en zeker eens
per jaar gevalideerd en geïndexeerd door onafhankelijke bouwkostendeskundigen. Zo
sluiten de vergoedingen aan bij de prijsontwikkelingen in de bouwsector. De deskundige
neemt daarnaast een post voor onvoorziene kosten op in het hersteladvies (8–12% van
het totale herstelbedrag). Deze opslag komt bovenop het bedrag dat op basis van de
herstelmatrix en het calculatiemodel voldoende is om de geadviseerde herstelmaatregelen
uit te laten voeren. Deze kan de aanvrager gebruiken om onvoorziene, maar noodzakelijke
extra kosten te betalen. Het totaalbedrag is daarmee voldoende om de schade volledig
te kunnen laten herstellen. Mocht het geval zich voordoen dat onvoorziene omstandigheden
optreden waardoor er meer kosten gemaakt moeten worden, bijvoorbeeld omdat er asbest
verwijderd moet worden, dan is er altijd nog de mogelijkheid om een offerte voor het
meerwerk in te dienen, op basis waarvan het alsnog mogelijk gemaakt kan worden dat
het beoogde herstel kan plaatsvinden.
Vraag 38
De leden van de SP-fractie vragen daarnaast of er indexatie plaatsvindt op zowel de
bedragen in de catalogus als op het maximale bedrag van 60.000 euro. Zo ja, op welke
wijze gebeurt deze indexatie en hoe vaak wordt deze herzien?
Bij het IMG worden de bouwkosten (maatwerk en daadwerkelijk herstel) en verschillende vergoedingen voor bijkomende kosten ieder jaar geïndexeerd. Daarmee
wordt de schadevergoeding gebaseerd op de daadwerkelijke kosten. Zie ook het antwoord
op vraag 37.
Het grensbedrag van daadwerkelijk herstel wordt niet geïndexeerd. Ik heb het IMG gevraagd
om te signaleren als er aanleiding is voor het aanpassen van deze bedragen.
Vraag 39
Daarnaast vragen deze leden waar bewoners terecht kunnen wanneer in de praktijk blijkt
dat het bedrag niet toereikend is. Is er een mogelijkheid tot aanvullende vergoeding
of maatwerk? Zo ja, hoe wordt dit georganiseerd?
In de incidentele gevallen dat € 60.000 toch niet toereikend is, kan de aanvrager
kiezen welke schade wordt hersteld of ervoor kiezen om de kosten boven het grensbedrag
zelf te betalen (zie ook het antwoord op vraag 2). Ook kan de aanvrager kiezen voor
een maatwerkvergoeding.
Het is niet mogelijk om na het tekenen van de vaststellingsovereenkomst voor herstel
nog een maatwerkbeoordeling te doen of om een aanvullende vergoeding te krijgen, omdat
juist bij herstel niet gekeken wordt naar de schadeoorzaak. In het antwoord op vraag
37 heb ik uitgelegd hoe de herstelkosten worden berekend. Deze werkwijze biedt een
aantal waarborgen dat tijdens de herstelwerkzaamheden de kosten niet onverwachts boven
het grensbedrag van € 60.000 uitkomen.
Zandplatenbuurt-Zuid
De leden van de SP-fractie hebben tevens vragen over de aanpak in de Zandplatenbuurt-Zuid.
Vraag 40
Deze leden vragen hoe de lessen uit batch 1588, waarbij de gemeente een belangrijke
rol had in de uitvoering, zijn meegenomen in de opzet van deze regeling. Kan de Minister
toelichten welke concrete lessen zijn geleerd en hoe deze zijn verwerkt?
Binnen batch 1.588 hebben de betreffende gemeenten de regie over de versterking. Gemeenten
spannen zich samen met de woningcorporaties en de NCG in om de uitvoering mogelijk
te maken. Dit vraagt om een goede samenwerking en om heldere afspraken tussen de betrokken
partijen over met name rollen en verantwoordelijkheden, zodat een bewoner weet waar
die aan toe is en wie het eerste aanspreekpunt is voor zaken betreffende de versterking.
Dat voorkomt ook hiaten binnen de dienstverlening. Binnen batch 1.588 worden daar
gezamenlijk stappen in gezet. Soortgelijke stappen zetten de NCG, gemeente Eemsdelta
en woningcorporatie Acantus als het gaat om de aanpak van de Zandplatenbuurt-Zuid.
Vraag 41
Verder vragen zij of er sprake is van één vast bedrag voor de gemeente voor de uitvoering
van de werkzaamheden, of dat dit bedrag wordt geïndexeerd en tussentijds wordt geëvalueerd
op basis van de daadwerkelijke kosten. Hoe wordt voorkomen dat gemeenten met tekorten
worden geconfronteerd die uiteindelijk gevolgen hebben voor de bewoners?
De bedragen voor de versterking in de Zandplatenbuurt-Zuid en de batch 1.588 zijn
onderdeel van de overeenkomsten tussen het Rijk, de NCG en de gemeenten. De gemeenten,
de NCG en het Rijk staan echter wel in nauw contact met elkaar over de verwachte kosten,
waarbij vervolgens in gezamenlijkheid wordt gekeken hoe extra kosten bovenop het afgesproken
bedrag kunnen worden opgevangen. Het budget vanuit het Rijk voor de versterking in
de batch 1.588 en de Zandplatenbuurt-Zuid is meermaals geïndexeerd en opgehoogd. De
laatste keer dat dit is gebeurd was bij de Voorjaarsnota van 2025.
Vraag 42
Ook vragen zij waar bewoners terecht kunnen wanneer zij problemen ervaren met de uitvoering
van de werkzaamheden of wanneer er conflicten ontstaan tussen bewoners, aannemers
en uitvoerende partijen. Is er een onafhankelijke instantie waar bewoners zich kunnen
melden?
Wanneer bewoners in de Zandplatenbuurt-Zuid problemen ervaren tijdens de uitvoering
van de versterking van hun woning kunnen zij via het gemeentelijke loket een vergoeding
krijgen voor deskundigenadvies. De deskundigen die ingeschakeld kunnen worden zijn
dezelfde onafhankelijke deskundigen als die via de Regeling Tijdelijke wet Groningen
ingeschakeld kunnen worden. Wanneer er tijdens de uitvoering van werkzaamheden conflicten
ontstaan tussen bewoners, de eigenaren van een gebouw, en aannemers of andere uitvoerende
partijen, kunnen deze bewoners aanspraak maken op de vergoeding voor rechtsbijstand
via de Subsidieregeling Rechtsbijstand. Via deze regeling van de Raad voor Rechtsbijstand
kunnen eigenaren een mediator of een advocaat inschakelen die kan bemiddelen bij een
conflict of die juridische bijstand kan verlenen. Deze rechtsbijstand geldt ook voor
bouwfouten die pas op een later moment naar voren komen, na de oplevering van de woning.
Vraag 43
Daarnaast vragen zij waarom alleen is gekozen voor de Zandplatenbuurt-Zuid. Waarom
zijn andere buurten niet in deze aanpak meegenomen? Kan de Minister toelichten of
deze aanpak in de toekomst ook voor andere buurten kan worden toegepast? Indien dat
het geval is, vragen deze leden of daarvoor opnieuw een wetswijziging nodig is of
dat dit via lagere regelgeving kan worden geregeld.
Voor woningen in de batch 1.588 en de Zandplatenbuurt-Zuid zijn in het verleden aparte
afspraken gemaakt tussen het Rijk en de regio waardoor zij niet dezelfde regelingen
en daarmee ook vergoedingen hebben als woningen die worden versterkt onder «regie»
van de NCG. Om de bewoners van batch 1.588 en Zandplatenbuurt-Zuid gelijk te trekken
met de bewoners onder regie van de NCG hebben Rijk en regio daarom nieuwe afspraken
gemaakt, die zijn geland in de annexen bij de convenanten voor zowel de batch 1.588
als de Zandplatenbuurt-Zuid. Het is dus niet nodig om andere buurten alsnog toe te
voegen aan deze regeling.
Batch 1588
Vraag 44
De leden van de SP-fractie vragen verder of alle regelingen die voor andere gedupeerden
gelden, ook van toepassing zullen zijn op bewoners uit batch 1588. Geldt dit zowel
voor eigenaren als voor huurders? Kan de Minister bevestigen dat deze groepen volledig
gelijk worden behandeld binnen het stelsel van schadeherstel en versterking?
Ja, huurders en eigenaren worden gelijkwaardig behandeld. Deze gelijkwaardige behandeling
geldt ook voor de vergoedingen die bewoners krijgen in het reguliere traject en de
bewoners uit batch 1.588 (en de Zandplatenbuurt-Zuid). Dit betekent niet dat eigenaren
en huurders altijd precies dezelfde vergoedingen krijgen. Huurders kunnen bijvoorbeeld
geen vergoeding krijgen voor schadeherstel aan hun huurwoning, aangezien deze woning
niet hun eigendom is.
Juridische bijstand
De leden van de SP-fractie hebben ook vragen over de regeling voor kosteloze juridische
bijstand. Deze leden lezen dat deze bijstand alleen wordt vergoed voor procedures
rondom vergoedingsbesluiten van het IMG of de NCG.
Vraag 45
Waarom is ervoor gekozen om deze regeling zo beperkt vorm te geven? Deelt de Minister
de mening dat bewoners en ondernemers ook in andere situaties juridische ondersteuning
nodig kunnen hebben, bijvoorbeeld bij conflicten met aannemers, verhuurders, uitvoeringsorganisaties
of andere betrokken partijen? Waarom is er niet gekozen voor een bredere regeling
voor juridische ondersteuning voor gedupeerden?
Vorig jaar is de rechtsbijstand voor eigenaren die schadeherstel of versterking in
eigen beheer uitvoeren uitgebreid naar privaatrechtelijke geschillen die uit een dergelijk
schadeherstel- of versterkingstraject kunnen voortvloeien, zoals bouwfouten veroorzaakt
door een aannemer bij versterking of schadeherstel. Dit is gedaan omdat in die situatie
de eigenaar zelf verantwoordelijk is voor het afhandelen van garantiezaken, waar dit
normaal door de NCG of het IMG zou worden gedaan. Daarom ligt het voor de hand dat
hier een vergoeding voor beschikbaar is. Voor de verdere beantwoording van deze vraag
wordt verwezen naar het antwoord op vraag 5.
Vraag 46
Tot slot vragen deze leden of bouwkundig en financieel advies in het kader van deze
regeling ook voor huurders wordt vergoed. Indien dit niet het geval is, vragen deze
leden waarom huurders op dit punt anders worden behandeld dan woningeigenaren.
Het voorstel gaat uit van rechtsbijstand voor huurders, en niet van deskundigenadvies
voor huurders. Bouwkundige, bodemkundige, ecologische of hydrologische bijstand is
voor huurders niet van toepassing, aangezien huurders (in tegenstelling tot eigenaren)
geen besluiten ontvangen omtrent het fysieke schadeherstel of de versterking van het
gebouw waarin zij wonen. Echter, voor bijstand door een financiële deskundige kan
dit anders liggen, als een schadevergoeding voor een huurder invloed heeft op zijn
of haar inkomen. Huurders met schade door versterking ontvangen reeds financiële bijstand.
Daarom ben ik voornemens om het ontwerpbesluit zo aan te passen dat ook huurders die
een schadevergoeding van het IMG ontvangen, recht hebben op deze bijstand door een
financiële deskundige.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A. Kisteman, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
J.P. van der Haas, adjunct-griffier