Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 917 Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
ALGEMEEN DEEL
1. Inleiding
De regering wil de inrichting van de lokale publieke omroepen herzien om daarmee de
uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau fundamenteel te verstevigen.1 Dit voorstel tot wijziging van de Mediawet 2008 bevat daartoe een samenhangend pakket
aan maatregelen.
Samenvatting van de maatregelen
De bekostiging van lokale publieke omroepen gebeurt nu door gemeenten vanuit de algemene
uitkering in het gemeentefonds. De bekostiging wordt overgebracht naar de mediabegroting.
Het Rijk voegt aan het overgehevelde bedrag een structurele investering toe. De gebieden
waarvoor lokale publieke omroepen media-aanbod verzorgen, worden groter en in samenhang
daarmee wordt het aantal lokale publieke omroepen teruggebracht van ruim tweehonderdtwintig
nu naar maximaal tachtig. Er komt een samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de
lokale publieke omroepen (NLPO) dat een concessie van tien jaar krijgt voor de uitvoering
van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. Dit orgaan brengt elke vijf jaar een
concessiebeleidsplan uit. De aanwijzingen voor vijf jaar als lokale publieke omroep
worden gesynchroniseerd en zullen steeds samenvallen met een concessiebeleidsplanperiode
van de NLPO. De procedure voor aanwijzing als lokale publieke omroep door het Commissariaat
voor de Media (hierna: Commissariaat) wordt duidelijker beschreven in de Mediawet
2008. Er komen meer criteria voor aanwijzing. Naast de gemeenteraden gaat ook de NLPO
adviseren over de aanwijzing. Bekostiging van en verantwoording door de NLPO en de
lokale publieke omroepen gebeuren voortaan via het Commissariaat.
Leeswijzer voor het algemeen deel van de memorie van toelichting
– hoofdstuk 2: hoofdlijnen van het voorstel;
– hoofdstuk 3: verhouding tot hoger recht;
– hoofdstuk 4: verhouding tot nationaal recht;
– hoofdstuk 5: gevolgen;
– hoofdstuk 6: uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid;
– hoofdstuk 7: financiële gevolgen;
– hoofdstuk 8: evaluatie;
– hoofdstuk 9: advies en consultatie;
– hoofdstuk 10: overgangsrecht en inwerkingtreding.
2. Hoofdlijnen van het voorstel
2.1 Aanleiding
Overheidsbetrokkenheid bij mediabeleid en de publieke omroep
De overheid voert al vele decennia mediabeleid. Van oudsher komt deze betrokkenheid
voort uit de schaarste aan frequentieruimte die beschikbaar is voor het verspreiden
van radio en televisieprogramma’s. Deze schaarste was in 1930 de reden voor de toenmalige
Minister van Waterstaat om met het «Radioreglement» te komen.2 Hierin was vastgelegd aan welke eisen een omroeporganisatie moest voldoen om voor
een zendtijdmachtiging in aanmerking te komen.
Later kwam een andere reden voor overheidsbetrokkenheid naar voren: het belang van
goed functionerende media voor de rechtsstaat, en daarbij in het bijzonder het belang
van een stevige publieke omroep voor het vervullen van specifieke publieke functies.
Toenmalig Minister-President Lubbers beschreef dit belang in de medianota van 29 augustus
1983 als volgt:
«Nog altijd en terecht vinden velen dat de veelkleurigheid aan opvattingen en van
ons cultuurpatroon een belangrijke waarde in onze samenleving is. Even waardevol is
het dat er media beschikbaar zijn om daaraan uiting te geven. Ook zijn die middelen
tegenwoordig onmisbaar om groepsbindingen te bevorderen zodat mensen zich geworteld
kunnen weten. Een pluriforme samenleving is immers geen waardeloos verband, maar een
optelsom van verschillende opvattingen en waarden die mensen beleven en koesteren
en jegens elkaar respecteren. Daaraan bescherming en uitingsmogelijkheden bieden is
naar de opvatting van het kabinet een blijvende taak van de overheid.»3
Dit belang van media en in het bijzonder publieke omroepen voor de democratie is een
blijvende reden geweest voor overheidsbetrokkenheid op dit terrein. In de toelichting
op de oorspronkelijke Mediawet uit 1987 wees de regering op het belang van de media
voor het functioneren van de democratie, waarin de vrije meningsuiting centraal staat.
Omroep en pers moesten onafhankelijk zijn van politieke en commerciële belangen. De
regering rekende het tot haar taak om media in staat te stellen hun publieke functie
naar behoren te vervullen.4 In de toelichting op de huidige Mediawet 2008 noemde de regering het, in navolging
van het adviesrapport Focus op functies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (hierna: WRR), «een overheidstaak
om cruciale waarden in de media zeker te stellen, zoals onafhankelijkheid, verscheidenheid
en kwaliteit».5
6
Volgens de Adviescommissie Versterken Weerbaarheid Democratische Rechtsorde, eind
2023, zijn sterke en onafhankelijke media «een belangrijke voorwaarde voor een goed
functionerende democratische rechtsorde».7 De Tweede Kamer sprak op 21 mei 2024 met een meerderheid van 142 van de 150 stemmen
uit dat «vrije media een belangrijk fundament zijn voor een goed functionerende democratie
en dat de overheid hen moet faciliteren om hun werk goed te kunnen doen».8 Ook deze regering acht gezonde media en een vrije en veilige journalistieke sector
van wezenlijke betekenis voor een rechtstaat.9
Het versterken van de lokale publieke omroepen dient een maatschappelijk belang. Naast
het journalistieke aanbod van deze lokale publieke omroepen is er lokaal nieuws verzorgd
door private lokale media dat relevant is voor burgers. Ook deze private media vervullen
een belangrijke maatschappelijke functie. De regering heeft daarom in oktober 2024
maatregelen aangekondigd die specifiek gericht zijn op het versterken van de private
journalistieke media op lokaal niveau.10
De lokale publieke omroep in het publieke mediabestel
Het publieke mediabestel in de Mediawet 2008 bestaat uit drie lagen: landelijk, regionaal
en lokaal. Per laag verschilt het gebied waarvoor het media-aanbod is bestemd. Dit
gebied wordt het «verzorgingsgebied» van de betreffende publieke omroep genoemd. Het
gaat om respectievelijk (het Europese deel van) Nederland, een provincie en een gemeente.
Op dit moment zijn er in Zuid-Holland twee regionale publieke omroepen met elk hun
specifieke verzorgingsgebied, en er zijn lokale publieke omroepen die meer dan één
gemeente bedienen. Dat doet echter niet af aan het algemene uitgangspunt van de gelaagdheid.
De Mediawet 2008 bepaalt de kaders en vereisten voor de publieke omroepen in elke
laag. Een centrale bepaling is de publieke mediaopdracht uit artikel 2.1 van de Mediawet
2008, die voor de publieke omroepen in alle lagen geldt. De kern van deze opdracht
is dat publieke omroepen een breed en divers publiek voorzien van informatie – waaronder
journalistieke inhoud – cultuur en educatie, via alle beschikbare aanbodkanalen.11 Bovendien moet het aanbod in overeenstemming zijn met publieke waarden. Daartoe dient
het aanbod van de publieke omroepen evenwichtig, pluriform, kwalitatief hoogstaand,
onafhankelijk, en voor iedereen toegankelijk te zijn.12
De lokale publieke omroep heeft zijn oorsprong in de jaren zeventig van de vorige
eeuw. In de beginjaren ging het om particuliere initiatieven, veelal van buurtverenigingen
of vrijwilligersorganisaties. De overheid steunde enkele van deze initiatieven op
experimentele basis. Dit gebeurde bijvoorbeeld via de «Kerstbeschikking» uit 1975.
Zes lokale omroepen kregen in dat jaar van de toenmalige Minister van Cultuur, Recreatie
en Maatschappelijk Werk ruimte om te experimenteren met lokale televisieomroep via
de kabel.13 In 1984 werden voor het eerst vergunningen uitgegeven aan lokale omroepen op niet-experimentele
basis.14 Sinds de inwerkingtreding van de eerste Mediawet in 1988 maken lokale publieke omroepen
volwaardig deel uit van het publieke mediabestel.15
Op grond van de Mediawet 2008 zijn de lokale publieke omroepen belast met de uitvoering
van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau.16 Zij worden op aanvraag aangewezen door het Commissariaat, voor een periode van vijf
jaar.17 Per gemeente kan niet meer dan één lokale publieke omroep worden aangewezen.18 Een lokale publieke omroep kan wel voor meer dan één gemeente worden aangewezen.19 Stand van zaken op 1 oktober 2024 was een totaal van 224 lokale publieke omroepen.20
De Mediawet 2008 legt de verantwoordelijkheid voor de bekostiging van de lokale publieke
omroepen bij de gemeenten die hun verzorgingsgebied vormen.21 De bekostigingsnorm in de Mediawet 2008 is kwalitatief: het gaat om «vergoeding van
de kosten die rechtstreeks verband houden met het verzorgen van de lokale publieke
mediadienst, voor zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt, en op zodanige
wijze dat op lokaal niveau in een toereikend media-aanbod kan worden voorzien en continuïteit
van bekostiging is gewaarborgd».22 De Mediawet 2008 noemt hierbij geen bedragen. Bekostiging vindt plaats vanuit de
algemene uitkering van het gemeentefonds. Er geldt een richtsnoerbedrag per huishouden.
Gemeenten hebben de vrijheid om af te wijken van het richtsnoerbedrag.
Belang lokale publieke omroepen en problemen huidige situatie
De Raad voor het Openbaar Bestuur en de Raad voor Cultuur (hierna: de ROB en RvC)
onderscheidden in 2020 in hun rapport Lokale Media: niet te missen drie democratische en twee maatschappelijke functies van lokale media, waaronder de
lokale publieke omroepen. Deze democratische functies zijn: het informeren van burgers,
het controleren van het lokale bestuur en het agenderen van maatschappelijke kwesties
in het politieke en maatschappelijke debat.23 Ook de WRR benoemt in 2024 deze drie democratische functies, zij het in iets andere
bewoordingen. In zijn adviesrapport Aandacht voor Media heeft de WRR het over de informatiefunctie, controlefunctie en forumfunctie («een
platform bieden aan de diversiteit aan perspectieven en opvattingen die de samenleving
rijk is»).24 De maatschappelijke functies die de ROB en RvC daarnaast onderscheidden zijn het
verbinden van verschillende groepen in de samenleving en het bevorderen van educatie
en cultuur.25 Deze democratische en maatschappelijke functies komen terug in de publieke mediaopdracht
uit artikel 2.1 van de Mediawet 2008.
Helaas staan de lokale publieke omroepen onder druk. Zozeer dat ze hun democratische
en maatschappelijke functies op veel plekken in Nederland niet goed kunnen uitoefenen.
De ROB en de RvC trokken in een gezamenlijk advies uit 2019 de conclusie dat «lokale
omroepen deze functies niet naar behoren waarmaken», omdat «het huidige stelsel van
publieke lokale omroepen onder hoge spanning staat».26 Een jaar later beschreven de ROB en de RvC in Lokale media: niet te missen de situatie als volgt:
«Met name in de landelijke gebieden, buiten de grote en middelgrote steden, komt maar
zelden een journalist om verhaal te halen. De informatievoorziening is daar bleekjes,
laat staan dat lokale media erin slagen het lokale bestuur of andere lokaal invloedrijke
spelers te controleren. In grote delen van het land is een belangrijke pijler onder
de lokale democratie dus niet, of niet stevig genoeg, aanwezig.»27
Recenter signaleert ook de WRR deze «verschraling van het journalistieke aanbod» op
lokaal niveau.28 De WRR acht dit «vanuit democratisch oogpunt een zorgelijke ontwikkeling, zeker ook
met het oog op de vele beleidsdossiers waar juist gemeentelijke overheden verantwoordelijk
voor zijn. Het betekent dat de lokale macht minder goed gecontroleerd kan worden,
en dat is om allerlei voor de hand liggende redenen problematisch. [...] Dit is slecht
voor de lokale democratie, waar bewoners achterblijven in hun informatiepositie en
de lokale macht vrij spel heeft.»29
De regering ziet dit als een zorgelijke ontwikkeling, te meer nu gemeenten bevoegdheden
en verantwoordelijkheden hebben die eerder bij het Rijk waren belegd, bijvoorbeeld
in het sociale domein. Bovendien blijkt uit onderzoek dat onder de inwoners van Nederland
veel interesse is in lokale nieuwsvoorziening.30
De ROB en de RvC hebben in hun adviezen een aantal oorzaken genoemd voor de zorgelijke
staat van de lokale publieke omroepen. Zo concludeerden de raden dat de huidige «financiering
en financieringssystematiek van lokale omroepen niet geschikt is om een volwaardige
lokale omroep in stand te houden».31 Die ongeschiktheid zit er volgens de ROB en RvC ten eerste in dat «de wijze van financiering
ervoor zorgt dat lokale omroepen financieel afhankelijk zijn van de gemeenten waarover
zij moeten berichten en die zij vanuit hun journalistieke opdracht moeten controleren.»32 Uit door de ROB en RvC gevoerde gesprekken bleek dat er «voorbeelden bekend zijn
van lokale omroepen die kwesties die met hun gemeente(n) te maken hebben, laten liggen,
of pas oppakken nadat de financiering rond is.»33
Die ongeschiktheid van de financieringssystematiek zit volgens de ROB en RvC daarnaast
in het beperkte bedrag dat op basis van het eerdergenoemde richtsnoerbedrag per huishouden
wordt toegevoegd aan het gemeentefonds voor de bekostiging van lokale publieke omroepen,
én in de vrijheid die gemeenten hebben «om zelf te bepalen wat zij doen met de bijdrage
die voor de lokale publieke omroep in de algemene uitkering is opgenomen».34
Dit heeft gevolgen voor de financiële armslag en gezondheid van lokale publieke omroepen,
zo blijkt uit onderzoek van het Commissariaat naar de bekostiging van lokale publieke
omroepen. Uit de meest recente uitgave van dit periodieke onderzoek van het Commissariaat
blijkt dat in de periode 2019–2021 36 procent van de lokale publieke omroepen «rode
cijfers schreef».35 Bovendien concludeerde het Commissariaat dat het percentage lokale publieke omroepen
«waarvan de financiële positie als ongezond wordt aangemerkt» in diezelfde periode
gemiddeld op 25 procent lag.36 Dit heeft gevolgen voor de journalistieke professionaliteit, aldus ook de ROB en
RvC. Zo beschreven de ROB en RvC dat journalisten van lokale publieke omroepen «doorgaans
noodgedwongen onder het door de NVJ bepleite minimumsalaris [worden] betaald», en
dat het «bescheiden budget van lokale omroepen ervoor zorgt dat hun bereik en het
aantal aangeboden programma’s klein is of kleiner wordt».37
Het gebrek aan schaal is een andere oorzaak van de huidige problemen bij lokale publieke
omroepen. De ROB en de RvC constateerden in 2020 in hun advies dat er «sprake is van
versnippering en een gebrekkige inhoudelijke en organisatorische samenwerking».38 Dit heeft gevolgen voor het doelmatig en doeltreffend kunnen uitvoeren van de publieke
mediaopdracht door lokale publieke omroepen. Uit een rapport van het Stimuleringsfonds
voor de Journalistiek (hierna: SvdJ) uit 2022 bleek dat bij de meeste omroepen «alle
inkomsten opgaan aan huur, investeringen in techniek, productie- en uitzendkosten
en reguliere bedrijfskosten».39 Daar komt nog bij dat er onvoldoende sprake is van een gezamenlijke koers en centrale
coördinatie, aldus de ROB en RvC: «Het algemene beeld is echter nog dat van een zwembad
waarin op veilige afstand van elkaar allemaal mensen aan het watertrappelen zijn.
Een badmeester wordt node gemist».40
De ROB en de RvC benoemden daarnaast dat «veel gemeenten nauwelijks of geen mediabeleid»
hebben.41 Dat wil in de ogen van de ROB en RvC zeggen dat er «veelal geen expliciete lokale
politiek-bestuurlijke aandacht» is vanuit de gemeenten voor lokale omroepen, en dat
«de actuele kennis over de lokale omroep, over de processen erachter en een visie
daarop bij de gemeente over het algemeen beperkt» zijn.42 Dit werkt door in de constatering van het Commissariaat dat in de periode 2019–2021
gemiddeld 37 procent van de gemeenten een bijdrage leverde die lager was dan het hierboven
beschreven richtsnoerbedrag per huishouden.43
Er zijn intussen wel degelijk gemeenten die actief en samenhangend mediabeleid voeren.
Tevens leveren enkele gemeenten een financiële bijdrage conform het richtsnoerbedrag
of zelfs (ver) daarboven. Hoewel in deze gemeenten de beschreven problematiek mogelijk
minder sterk of direct speelt, doet dit niet af aan voorgaande probleemanalyse die
gericht is op het gehele stelsel van de lokale publieke omroepen.
Bestaande maatregelen en inzet van sector en gemeenten hebben nog onvoldoende effect
De problemen in het stelsel van lokale publieke omroepen zijn niet nieuw. De toenmalige
Staatsecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) wees in 2004 in
een Kamerbrief al op een rapport van de (toenmalige) koepelvereniging Organisatie
voor Lokale Omroepen in Nederland (hierna: OLON). De OLON leverde in dit rapport «kritiek
op het functioneren van de huidige financieringssystematiek» en wees erop «dat gemeenten
de bijdrage uit het gemeentefonds niet of slechts gedeeltelijk uitkeren.»44 In diezelfde brief beschreef de Staatssecretaris dat er signalen naar buiten komen
van «programmatische beïnvloeding door de gemeente».
Verschillende actoren hebben door de jaren heen geprobeerd om de oorzaken van de problemen
weg te nemen. De kwalitatieve bekostigingsnorm voor gemeenten is in de Mediawet 2008
opgenomen met het amendement-Van der Ham c.s., en geldt sinds 2009.45 De hoogte van het bedrag staat echter nog altijd niet wettelijk vast. Gemeenten hebben
de vrijheid behouden om af te wijken van richtsnoerbedragen, en meer dan een derde
levert een lagere bijdrage.46
De wens om versnippering tegen te gaan en aan schaalvergroting te werken bestaat al
geruime tijd bij lokale publieke omroepen en gemeenten. In de context van schaalvergroting
wordt vaak gesproken over «streekomroepen», waarmee wordt gerefereerd aan lokale omroepen
met een verzorgingsgebied dat groter is dan één gemeente. De voordelen van schaalvergroting
staan al beschreven in twee rapporten over dat onderwerp, te weten Streekomroepen in Nederland uit 2009 en Sector onder de radar uit 2010.47
48 Ook eerdere bewindspersonen zagen de voordelen van schaalvergroting. De toenmalige
Minister van OCW schreef in een Kamerbrief uit 2011 dat schaalvergroting «de financiële
armslag, het afzetgebied en de journalistieke kwaliteit kan vergroten»; ze juichte
deze ontwikkeling daarom toe.49 In 2013 beschouwde de toenmalige Staatssecretaris van OCW in een Kamerbrief de beweging
van schaalvergroting als een «positieve ontwikkeling».50 Tegelijkertijd legden deze bewindspersonen de verantwoordelijkheid tot schaalvergroting
nadrukkelijk bij de sector zelf. Zo schreef de Staatssecretaris in de genoemde Kamerbrief
uit 2013 dat «het initiatief voor schaalvergroting bij de omroepen en gemeenten zelf
ligt».
Omroepen en gemeenten hebben zich sinds 2010 voor schaalvergroting ingezet. Door middel
van twee convenanten is de ambitie om te werken aan samenwerking en schaalvergroting
centraal komen te staan. Allereerst in het Vernieuwingsconvenant gemeenten-lokale omroepen 2012–2015 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) en de OLON.51 En vervolgens in het Vernieuwingsconvenant gemeenten-lokale omroepen 2015–2018 van de VNG, de OLON en de Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (hierna:
Stichting NLPO), als opvolger van de OLON.52 Uit een evaluatie in 2021 bleek dat samenwerken en schaalvergroting daadwerkelijk
tot verbetering leidt. Dit zorgt voor «een professionelere organisatie, meer aanbod
op verschillende kanalen en veelal een samenvoeging van budgetten.»53
Tegelijkertijd bleek uit hetzelfde rapport dat het vrijwillige proces tot vorming
van streekomroepen «moeizaam verloopt». Eén van de redenen die in het rapport genoemd
worden, is dat de «huidige wet- en regelgeving onvoldoende aansluit» bij schaalvergroting
en samenwerking. Dit zit met name in de huidige aanwijzingsprocedure, aldus het evaluatierapport:
«de aanwijzingsprocedure laat alleen ruimte voor een streekomroep die heeft gekozen
voor een fusie. Andere samenwerkingsvormen zijn omroepen die veelal beschikken over
diverse aanwijzingen voor één of meer gemeenten. Dit kan voordelen hebben voor lokale
omroepen omdat ze dan beschikken over meerdere frequenties en meerdere edities kunnen
hanteren. Er zijn dus geen voordelen voor omroepen om een streekomroep te worden in
het licht van de aanwijzing.» Andere redenen die het rapport noemt, hebben te maken
met het vrijwillige karakter van de schaalvergroting die momenteel geambieerd wordt.
Zo beschrijft het rapport dat «hoe meer gemeenten en omroepen actief zijn [in een
verzorgingsgebied], hoe meer afstemming nodig is en [hoe kleiner] de kans op samenwerking
[is]».54
Ingrijpen wetgever nodig
Het lukt de sector en gemeenten, kortom, onvoldoende om de belangrijkste oorzaken
voor de problemen in het lokale publieke omroepbestel weg te nemen. In 2017 kondigde
de toenmalige regering aan zich «te beraden op de wijze van organisatie en financiering
van de lokale omroepen».55 Daaraan werd op twee manieren invulling gegeven. Ten eerste vroeg de toenmalige Minister
voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media de ROB en de RvC om een gezamenlijk advies
over de organisatie en financiering van lokale omroepen.56 Ten tweede werden in 2019 en 2020 via het SvdJ incidentele middelen ingezet voor
samenwerking en professionalisering, en werd het SvdJ gevraagd haar bevindingen en
aanbevelingen naar aanleiding van de inzet van die middelen op schrift te stellen.57
Zoals hierboven is beschreven, concludeerden de ROB en de RvC in rapporten uit 2019
en 2020 dat de lokale publieke omroepen onvoldoende in staat zijn hun functies naar
behoren uit te voeren. Om de problemen op te lossen, adviseerden de ROB en de RvC
om steviger in te zetten op schaalvergroting, de financiering van lokale omroepen
over te hevelen van het gemeentefonds naar het Rijk en om de financiering voor lokale
omroepen te verhogen.58
59 Het SvdJ nam in zijn eerste rapport over de inzet van de incidentele middelen in
2019 en 2020 het volgende op: «het SvdJ [volgt] de aanbeveling van de ROB en de RvC
om de basisfinanciering van deze omroepen weg te halen uit het gemeentefonds en onder
te brengen op de mediabegroting van het Ministerie van OCW.»60 In een tweede rapport hierover in 2021 voegde het SvdJ daar de aanbeveling aan toe
om de minimale bijdrage voor lokale publieke omroepen te verhogen.61
In 2021 heeft de toenmalige regering aangekondigd de financiering van lokale publieke
omroepen over te hevelen van het gemeentefonds naar het Rijk, en extra te investeren.62 In overleg met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna:
BZK), het Commissariaat, de VNG en de Stichting NLPO is deze aankondiging uitgewerkt
in een samenhangend pakket aan maatregelen. Het resultaat hiervan is de Kamerbrief
Visiebrief lokale omroepen van 30 mei 2023, die de directe aanleiding is voor dit wetsvoorstel.63
Maatregelen in dit wetsvoorstel
De regering beoogt met dit wetsvoorstel het fundament van de lokale publieke omroepen
fors te verstevigen. De voorgestelde maatregelen moeten in de toekomst bij alle lokale
publieke omroepen zorgen voor meer professionaliteit, stabiliteit en onafhankelijkheid.
Zodat inwoners in Nederland, waar ze ook wonen, via de lokale publieke omroep toegang
hebben tot betrouwbare, onafhankelijke informatie over hun omgeving en lokale bestuur,
weten wat er speelt in hun directe omgeving en mee kunnen blijven doen.
De regering stelt deze maatregelen voor in de overtuiging dat gezonde media en een
vrije en veilige journalistieke sector, zeker ook op lokaal niveau, van wezenlijke
betekenis zijn voor een rechtstaat.64 De regering voelt zich gesteund door de aanbeveling van de Adviescommissie Versterken
weerbaarheid Democratische Rechtsorde dat «herstel en versterking van de infrastructuur
voor lokale en regionale media prioritair is».65 Ook zijn de maatregelen in lijn met artikel 5 van de Europese Verordening Mediavrijheid
(hierna: EMFA), dat bepaalt dat de financieringswijze voor alle publieke omroepen
moet waarborgen dat publieke omroepen beschikken over adequate, duurzame en voorspelbare
financiële middelen voor het vervullen van hun publieke opdracht.66
Dit wetsvoorstel bevat de volgende maatregelen, die hierna worden toegelicht:
– overheveling financiering van gemeentefonds naar Rijk en investering (paragraaf 2.2);
– schaalvergroting (paragraaf 2.3);
– wettelijk samenwerkings- en coördinatieorgaan (paragraaf 2.4);
– aanscherping van de aanwijzingsprocedure (paragraaf 2.5); en
– overige vereisten voor lokale publieke omroepen (paragraaf 2.6).
De maatregelen hebben gevolgen voor de reikwijdte van het toezicht door het Commissariaat.
Deze worden beschreven in paragraaf 2.7.
Inpassing in het bestel van de Mediawet 2008
Bij de nieuwe vormgeving van de lokale publieke mediadienst is waar mogelijk de analogie
gezocht met de regeling voor de regionale publieke mediadienst: de RPO en de regionale
publieke omroepen. Die regeling is op haar beurt geënt op de inrichting van de landelijke
publieke mediadienst. Dit laatste is bijvoorbeeld te zien bij de wetgeving voor de
overheveling van het budget voor de bekostiging van de regionale publieke omroepen
van het provinciefonds naar de mediabegroting in 2014, en de introductie van de RPO
in 2016.67 Door de analogie als uitgangspunt te nemen, wordt gezorgd voor consistentie in de
bestuurlijk-juridische inrichting van het publieke mediabestel.
De regionale publieke mediadienst in het wetsvoorstel
Bij de voorgestelde aanpassingen die zien op de NLPO en de lokale publieke omroepen
zijn de voorschriften voor de RPO en de regionale publieke omroepen in beginsel ongewijzigd
gebleven. Het enige artikel dat inhoudelijk is aangepast en in de aangepaste vorm
ook voor regionale publieke omroepen wordt voorgesteld, is artikel 2.70 van de Mediawet
2008 over de zogenoemde «ICE-norm» voor media-aanbod (zie paragraaf 2.6). De norm
is vereenvoudigd, waarmee beoogd wordt de regeldruk voor omroepen te verlagen. Voor
het overige zijn de RPO of de regionale publieke omroepen slechts bij een enkel wijzigingsartikel
in dit wetsvoorstel betrokken. Het gaat dan om het laten vervallen van in onbruik
geraakte bepalingen68 en herstel van omissies.69 Er is tevens één geval van herschrijving ter verduidelijking, zonder betekeniswijziging.70
De regionale publieke mediadienst en de lokale publieke mediadienst zijn aparte domeinen.
Dat is en blijft zo in de systematiek van de Mediawet 2008. Instellingen worden aangewezen
als regionale publieke omroep of als lokale publieke omroep met de opdracht de publieke
mediaopdracht op regionaal respectievelijk lokaal niveau te verzorgen. In dit wetsvoorstel
wordt het eigen domein van de regionale publieke omroepen ook onderkend. In het artikel
over lokale verzorgingsgebieden wordt bepaald dat een lokaal verzorgingsgebied qua
oppervlakte of aantal inwoners aanmerkelijk kleiner is dan de provincie(s) waarmee
grondgebied wordt gedeeld.71 Verder is het op grond van het voorstel niet mogelijk dat een instelling voor meer
dan één lokaal verzorgingsgebied wordt aangewezen als lokale publieke omroep. Hiermee
wordt het onderscheid met de regionale publieke omroep bewaakt.72 Dit betekent niet dat tussen de regionale en lokale mediadiensten geen afstemming
plaatsvindt. De zogenoemde Alliantie van de RPO en de Stichting NLPO bevat uitgangspunten
en afspraken over, onder andere, samenwerking en gezamenlijke ontwikkeling.73
2.2 Overheveling financiering van gemeentefonds naar Rijk en investering
Geschiedenis van de bekostiging van de lokale publieke omroepen
Tot 2000 betaalden radio en televisiebezitters in Nederland een omroepbijdrage. Deze
bijdrage, ook wel «kijk- en luistergeld» genoemd, was direct bestemd voor de bekostiging
van de landelijke publieke omroep. Het bedrag werd geïnd door de Dienst Omroepbijdragen
(hierna: DOB). Dit zelfstandige bestuursorgaan nam in 1996 deze taak over van de KPN.74 Er golden twee tarieven: een «omroepbijdrage A» voor bezitters van een televisietoestel
en een «omroepbijdrage B» voor bezitters van enkel een radiotoestel. De DOB was niet
alleen belast met de inning, maar controleerde ook of de heffing daadwerkelijk betaald
was. De DOB was een omvangrijke overheidsdienst, met circa 270 medewerkers.75
Provincies en gemeenten konden in het oude stelsel een opslag instellen bovenop de
omroepbijdrage, om respectievelijk de regionale en lokale publieke omroepen te bekostigen.76 Deze opslag werd door de DOB geïnd en overgemaakt aan de provincie of gemeente. De
provincie of gemeente regelde de hoogte van de opslag via verordeningen. Bij algemene
maatregel van bestuur werd aan provincies en gemeenten een maximumbedrag gesteld voor
de opslag. Voor lokale publieke omroepen was de maximale opslag in het laatste jaar
vóór afschaffing van de omroepbijdrage 2 gulden op de omroepbijdrage A en 0,60 gulden
op omroepbijdrage B. De gemeente kon de opslag enkel inzetten voor de financiering
van lokale publieke omroepen.77
Met de afschaffing van de omroepbijdrage in 2000 werd de bijdrage gefiscaliseerd.
Dit wil zeggen dat de publieke omroep voortaan uit de algemene belastingopbrengsten
werd betaald. Aan de opheffing van de omroepbijdrage werd een stijging van de inkomstenbelasting
gekoppeld. De DOB werd opgeheven.78
Huidig stelsel van bekostiging van de lokale publieke omroepen
Met de afschaffing van de omroepbijdrage verviel ook de mogelijkheid voor gemeenten
om een opslag te heffen voor de bekostiging van de lokale publieke omroepen. Het totale
bedrag aan lokale opslagen was in 1999 gestegen tot 3 miljoen gulden. Dit bedrag werd
met de opheffing van de omroepbijdrage in 2000 toegevoegd aan het gemeentefonds. Met
twee amendementen op de begroting van het gemeentefonds werd het bedrag voor de eerste
twee jaar na de afschaffing van de omroepbijdrage verhoogd.79 In 2002 werd het bedrag structureel verhoogd. Ook werd toen afgesproken dat op de
middelen het accres van het gemeentefonds van toepassing zou zijn.80
81
De algemene uitkering van het gemeentefonds is niet geoormerkt. Dit is dus evenmin
het geval voor het aandeel daarin van de bedragen ter compensatie van de weggevallen
opslag op de omroepbijdrage. Dit is tijdens de behandeling van het wetsvoorstel over
de fiscalisering van de omroepbijdrage onderkend.82 Het precies invullen van de gemeentelijke bekostiging is in strijd met het beginsel
van de gemeentelijke autonomie en is niet te verenigingen met de Financiële-verhoudingswet.
In principe zijn gemeenten vrij hun middelen uit de algemene uitkering van het gemeentefonds
te besteden; het budgetrecht op lokaal niveau is nadrukkelijk bij de democratisch
gekozen gemeenteraad belegd.
Met het amendement-Van der Ham c.s. in 2009 beoogden de indieners dat de financiële
middelen voor een lokale publieke omroep nadrukkelijker bij die organisatie terecht
zouden komen.83 De middelen bleven echter niet-geoormerkt. Toch geeft de toelichting bij het amendement
een bedrag per huishouden dat gemeenten idealiter zouden moeten aanhouden bij de bekostiging
van hun lokale omroep. Dit bedrag is bekend komen te staan als het richtsnoerbedrag.
Na dit amendement is de wettelijke financieringssystematiek van de lokale publieke
omroep niet meer gewijzigd.
De hoogte van het richtsnoerbedrag per huishouden wordt jaarlijks berekend door de
VNG, aan de hand van het bedrag in het voorgaande jaar en het accrespercentage van
het gemeentefonds. Individuele gemeenten en lokale publieke omroepen kunnen op die
manier zelf een berekening maken van de hoogte van het totale richtsnoerbedrag voor
de lokale publieke omroep in een specifieke gemeente.84 De berekening van het richtsnoerbedrag door de VNG voor 2025 komt uit op € 1,62 per
huishouden.85
Problemen huidige wijze van bekostiging
De huidige wijze van bekostigen van lokale publieke omroepen leidt tot problemen.
Ruim een derde van de lokale publieke omroepen leed in de periode 2019–2021 verlies.86 Voor een kwart van de lokale publieke omroepen oordeelt het Commissariaat dat de
financiële positie ongezond is. Dit is een gevolg van het feit dat het richtsnoerbedrag
onvoldoende is en een fors aantal gemeenten een bekostiging toekent die lager is dan
dat bedrag. In het meest recente jaar waarover cijfers beschikbaar zijn ging het hierbij
om 43 procent van de gemeenten.
De ROB en de RvC concludeerden in hun gezamenlijke advies dat de wettelijke systematiek
van bekostiging bijdraagt aan deze problematiek: «De basisfinanciering van lokale
omroepen, die in de basisinfrastructuur van publieke lokale omroepen moet voorzien,
is op het moment inconsistent en in kleine gemeenten te mager om een omroep van op
te zetten die voorziet in de publieke functies die we van publieke omroepen verwachten.»87
Ook de onafhankelijkheid staat onder druk als gevolg van de huidige bekostigingssystematiek.
In de woorden van de ROB en de RvC: «deze manier van financieren maakt de omroepen
voor hun voortbestaan afhankelijk van de gemeente die ze tegelijkertijd kritisch dienen
te volgen.»88 Hoewel het Commissariaat in de beschikkingen van gemeenten geen voorwaarden vond
die in strijd waren met de Mediawet 2008, is dit niet het hele verhaal.89 Uit een onderzoek uit 2021, uitgevoerd in opdracht van het SvdJ, bleek dat de helft
van de ondervraagde lokale publieke omroepen van mening is dat de journalistieke vrijheid
onder druk staat door de financiële afhankelijkheid. Eén op de zeven lokale publieke
omroepen geeft in het onderzoek aan onder druk te zijn gezet door gemeentebestuurders
om bepaald nieuws aan te passen. Deze vormen van beïnvloeding zijn veelal indirect.90 De regering acht dit zorgelijke bevindingen, gelet op het belang van onafhankelijkheid
van publieke omroepen.
Het advies van de ROB en de RvC is dat de «basisfinanciering van lokale publieke omroepen
verlegd moet worden van gemeenten naar de mediabegroting van het Ministerie van OCW».
De ROB en de RvC adviseren tevens om de basisfinanciering van lokale publieke omroepen
te verhogen, omdat deze op veel plekken in het land «te mager [is] om een omroep op
te zetten die voorziet in hun publieke functies». De raden noemen in dit verband een
bedrag van € 2 per inwoner, met een aftopping op 200 duizend inwoners.91
In 2019 startte een inmiddels afgeronde pilot voor de professionalisering van lokale
publieke omroepen, naar aanleiding van de motie-Sneller c.s.92 In de pilot is geld ter beschikking gesteld voor de (verdere) professionalisering
van enkele lokale publieke omroepen, conform plannen van de Stichting NLPO. Het SvdJ
was uitvoerder van de pilot en evalueerde tussentijds en na afloop de uitkomsten.
Het SvdJ concludeerde dat lokale publieke omroepen hun wettelijke taken maar beperkt
kunnen uitvoeren. In veel gevallen ontbreekt het lokale publieke omroepen aan de financiële
armslag om een journalistieke basis neer te zetten. Deze journalistieke basis is nodig
om aan de wettelijke taken van een lokale publieke omroep te kunnen voldoen. Volgens
het SvdJ zijn ten minste drie journalistieke fte’s noodzakelijk voor de uitvoering
van de journalistieke basistaken.93 Veel lokale publieke omroepen komen daar in het huidige stelsel niet aan door een
gebrek aan financiën.94 Het SvdJ raadt dan ook aan om de bekostiging van lokale publieke omroepen te verhogen,
en onderschrijft hiermee de aanbeveling van de ROB en de RvC.95
Overwogen alternatieven
Gelet op de geconstateerde problemen en de uitgebrachte adviezen zijn enkele oplossingsrichtingen
overwogen. Hieronder wordt eerst ingegaan op de overwogen alternatieven. Vervolgens
wordt ingegaan op de voorgestelde oplossingsrichting.
Een eerste overwogen oplossingsrichting is het ophogen van de bijdrage in het gemeentefonds.
Bijvoorbeeld door het richtsnoerbedrag te verhogen en de extra middelen vanuit de
OCW-begroting in het gemeentefonds te storten. Dit zou echter een belangrijke oorzaak
van de gesignaleerde problemen niet wegnemen, namelijk dat de middelen in het gemeentefonds
niet geoormerkt zijn. Als hierboven beschreven kent een fors aantal gemeenten een
bekostiging toe die lager is dan het richtsnoerbedrag. In het meest recente jaar waarover
cijfers beschikbaar zijn, ging het hierbij om 43 procent van de gemeenten. Daarnaast
zou met dit alternatief het punt van de onafhankelijkheid in relatie tot de bekostiging,
zoals door de ROB en de RvC benadrukt, niet worden weggenomen.96
Ten tweede is overwogen om de bekostiging voor lokale publieke omroepen wel via gemeenten
te laten verlopen, maar dan door middel van een specifieke uitkering. Deze variant
heeft als voordeel dat de middelen wel geoormerkt zijn. Een nadeel is dat de besteding
van deze middelen moet worden verantwoord via een separaat verantwoordingsregime.
Dit zou leiden tot een onwenselijke toename in de verantwoordingslast bij gemeenten.
Daarnaast zou ook met dit alternatief het punt van de onafhankelijkheid in relatie
tot de bekostiging niet worden weggenomen.
Als derde alternatief is een hybride vorm van bekostiging overwogen. Dit betreft een
systeem waarbij zowel het Rijk (vanuit de mediabegroting) als de gemeenten (vanuit
het gemeentefonds) verantwoordelijk zouden zijn voor de bekostiging van de lokale
publieke omroep. Als beschreven in paragraaf 6.3 van deze toelichting is de VNG voorstander
van een dergelijke bekostigingssystematiek. De regering acht deze echter onwenselijk,
nu ook hier het punt van de onafhankelijkheid in relatie tot de bekostiging blijft
spelen. Zoals hierboven beschreven wijst het advies van de ROB en de RvC dan ook niet
naar een hybride vorm, maar naar het verleggen van de basisfinanciering van lokale
publieke omroepen naar de mediabegroting van het Ministerie van OCW.
Naast publieke bekostiging, zouden ook andere vormen van financiering kunnen bijdragen
aan een hoger totaalbudget voor de lokale publieke omroepen. Reclame-inkomsten liggen
dan het meest voor de hand. Met inachtneming van de wettelijke voorschriften, kunnen
lokale publieke omroepen reclame uitzenden en daar inkomsten mee genereren.97 Het verder aanmoedigen hiervan is voor de regering echter geen aantrekkelijk perspectief,
gezien de publieke en non-commerciële taak die deze omroepen hebben. Ook zijn er op
lokaal niveau commerciële media-aanbieders aanwezig, zoals lokale weekbladen en nieuwswebsites.
Zij halen hun inkomsten geheel uit reclame-inkomsten. Het uitbreiden of aanmoedigen
van meer reclame bij de lokale publieke omroepen zou de economische positie van lokale
commerciële media-aanbieders kunnen verzwakken. Daar kiest de regering niet voor.
Voorstel regering
De hiervoor beschreven problematiek, adviezen en alternatieven hebben de regering
ertoe bewogen om te kiezen voor overheveling van de bekostigingstaak van gemeenten
naar het Rijk en ophoging van het beschikbare bedrag. Hierna wordt dit voorstel nader
toegelicht. Met deze bekostigingsvorm wordt een duidelijke, stabiele en onafhankelijke
financiering voor lokale publieke omroepen in het hele land gerealiseerd, zodat zij
hun taak zo goed mogelijk kunnen uitvoeren.
Overheveling en ophoging bekostiging
De bekostiging van lokale publieke omroepen gebeurt voortaan vanuit de mediabegroting
van het Ministerie van OCW, en niet meer vanuit de gemeenten. Het bedrag dat op dit
moment jaarlijks beschikbaar is vanuit het gemeentefonds voor de bekostiging van lokale
publieke omroepen wordt overgeheveld naar de Rijksbegroting. De bekostigingstaak van
gemeenten komt te vervallen. Naast de overheveling wordt het bedrag voor de lokale
publieke omroep op de mediabegroting structureel verhoogd.
De regering is in overleg met de VNG tot de volgende methodiek gekomen om de hoogte
van het uit te nemen bedrag te bepalen. Het vertrekpunt is het richtsnoerbedrag van
€ 1,15 per huishouden uit 2015.98 Dit bedrag per huishouden wordt vervolgens voor ieder jaar na 2015 bijgesteld met
de vastgestelde consumentenprijsindex. Dat leidt tot een bedrag per huishouden, dat
in het jaar dat voorafgaat aan de start van het nieuwe stelsel wordt vermenigvuldigd
met het actuele aantal huishoudens om tot het bedrag te komen dat dan bij de start
van het nieuwe stelsel wordt overgeheveld naar de mediabegroting. Met het gebruik
van een bedrag per huishouden en door toepassing van de consumentenprijsindex wordt
aangesloten bij de wijze van indexering van de rijksmediabijdrage.99 Op basis van deze berekeningsmethodiek zou het bedrag in 2025 op circa € 13 miljoen
zijn uitgekomen.100
De regering heeft in de laatste jaren verschillende adviezen ontvangen over een hogere
bekostiging voor lokale publieke omroepen. Deze adviezen lopen uiteen: van € 2 per
inwoner met een aftopping op 200 duizend inwoners, uit het model van de ROB en de
RvC, tot een journalistieke basis van 3 fte volgens een advies van het SvdJ.101 Er is getracht zo veel mogelijk aansluiting te zoeken bij deze adviezen, met inachtneming
van de uitkomsten van politieke besluitvorming over de beschikbaarstelling van middelen.
Dit resulteert in een structurele verhoging van de mediabegroting met een bedrag van
circa € 18 miljoen met ingang van het jaar van de start van het nieuwe stelsel, in
aanvulling op het bedrag dat aan de mediabegroting wordt toegevoegd vanuit het gemeentefonds.
Dit alles betekent dat het voorziene nieuwe totaalbedrag neerkomt op circa € 31 miljoen.
Ter vergelijking: de totale gemeentelijke bekostiging van de lokale publieke omroepen
in 2024 bedroeg, volgens opgave van het Commissariaat, € 21,9 miljoen.102 Een deel van het voorziene nieuwe totaalbedrag is overigens bestemd voor de extra
uitvoeringslasten die voor de NLPO en het Commissariaat voortvloeien uit het wetsvoorstel.
Met inachtneming van de uitvoeringstoetsen van het Commissariaat en de NLPO tellen
deze bij elkaar op tot een bedrag van circa € 3,5 miljoen per jaar.103
104
Vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel gaat er dus meer geld naar de lokale
publieke omroep dan in het huidige stelsel van gemeentelijke bekostiging. Met deze
impuls beoogt de regering de journalistieke basisfuncties in ieder lokaal verzorgingsgebied
toereikend te bekostigen. De lokale publieke omroepen kunnen met vertrouwen inzetten
op die basisfuncties, ook omdat zij de garantie krijgen van een vaste meerjarige bekostiging,
zie hierna.
Bekostiging en verantwoording lokale publieke omroepen
De lokale omroepen worden opgenomen in de mediawettelijke bepalingen over de bekostigingsaanspraak
voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht, die nu geldt voor het landelijke
en regionale niveau.105 Het in de Mediawet 2008 vastgelegde minimumbedrag voor de rijksmediabijdrage wordt
dienovereenkomstig verhoogd.106
De bekostiging van lokale publieke omroepen uit de mediabegroting wordt analoog aan
de systematiek voor de regionale publieke omroepen uitgewerkt. De NLPO maakt jaarlijks,
vóór 15 september, een begroting voor de NLPO en de lokale publieke omroepen gezamenlijk.
Elk najaar stelt de Minister van OCW het totaalbudget vast dat in het volgende jaar
voor de bekostiging van de lokale publieke omroepen beschikbaar is. Het totaalbudget
zal jaarlijks wijzigen aan de hand van de bestaande systematiek van de rijksmediabijdrage.
Zo kunnen lokale publieke omroepen aanspraak maken op dezelfde jaarlijkse indexatie
als de andere instellingen op de mediabegroting. Het totaalbudget wordt door de Minister
van OCW ter beschikking gesteld aan het Commissariaat, dat aan lokale publieke omroepen
op aanvraag een bijdrage verstrekt. Het Commissariaat wordt belast met de rechtmatigheidstoetsing
van de uitgaven van de lokale publieke omroepen, die daartoe hun jaarrekening aan
het Commissariaat zenden. Voor reservevorming geldt een maximum van tien procent van
de uitgaven van een lokale publieke omroep in een jaar. Het Commissariaat heeft de
bevoegdheid om terug te vorderen wat te veel is gereserveerd of in strijd met het
bepaalde bij of krachtens de Mediawet 2008 is gebruikt. Met het oog op de verantwoording
wordt tevens gewezen op artikel 2.173b, dat een grondslag bevat om bij ministeriële
regeling nadere regels te stellen over de inhoud en inrichting van de jaarrekening.
Op basis van deze grondslag zal voor de NLPO en de lokale publieke omroepen een gedetailleerd
handboek financiële verantwoording worden opgesteld. Daarin zullen de vereisten rond
reservevorming nader uitgewerkt worden. Het concrete voornemen daarbij is dat per
ultimo boekjaar het saldo van de reserve media-aanbod op de balans van een lokale
publieke omroep maximaal tien procent van de lasten over dat jaar mag bedragen. Het
voornemen is eveneens om in dit handboek mogelijkheden te creëren voor lokale omroepen
om voorzieningen te treffen.
Verdeelsleutel bekostiging
Het totaalbudget voor de lokale publieke omroepen wordt ieder jaar verdeeld aan de
hand van een verdeelsleutel, die wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.
Een lokale publieke omroep kan in deze systematiek voor de duur van de aanwijzing
rekenen op hetzelfde percentage uit het totaalbudget, dat jaarlijks wordt vastgesteld
aan de hand van de beschikbare middelen in de rijksmediabijdrage.
De verdeelsleutel in de algemene maatregel van bestuur zal bestaan uit een vast deel,
dat hetzelfde is voor alle lokale publieke omroepen, en een variabel deel dat afhankelijk
is van kenmerken van een lokaal verzorgingsgebied. De regering heeft het externe onderzoeksbureau
Cebeon verzocht om verschillende opties te ontwikkelen voor de precieze vormgeving
van deze verdeelsleutel.107
Na overleg met de Stichting NLPO en op basis van het rapport van Cebeon kiest de regering
voor de volgende verdeelwijze. Uitgangspunt is een verdeling onder de lokale publieke
omroepen aan de hand van percentages van het bedrag dat in totaal voor hen beschikbaar
is. Op dit punt wordt afgeweken van het «startmodel» in het rapport van Cebeon, dat
rekent met concrete bedragen. Het totaalbudget voor de lokale publieke omroepen is
onderdeel van de rijksmediabijdrage en volgt zo automatisch de indexeringen die gelden
voor die bijdrage. Het procentuele aandeel van elke lokale publieke omroep wordt dus
ieder jaar toegepast op het geïndexeerde totaalbedrag.
De overige uitgangspunten van het startmodel van Cebeon worden wel gevolgd. Van het
beschikbare totaalbudget wordt veertig procent gelijkelijk verdeeld onder het aantal
aangewezen lokale publieke omroepen. De overige zestig procent van het totaalbudget
wordt verdeeld op basis van maatstaven die kenmerken van een lokaal verzorgingsgebied
weergeven. De verdeling van die zestig procent van het jaarlijkse budget voor lokale
publieke omroepen is als volgt. Vijftien procent wordt verdeeld op basis van het aantal
inwoners, twintig procent op basis van het aantal kernen met meer dan vijfhonderd
adressen, en vijfentwintig procent op basis van het aantal inwoners in stedelijk,
respectievelijk landelijk gebied.108 De keuze voor deze kenmerken is om twee redenen gemaakt. Ten eerste zijn dit objectieve
maatstaven, waarvoor de gegevens beschikbaar zijn via het CBS. Ten tweede zijn het
maatstaven die de zogeheten «taakzwaarte» reflecteren voor een publieke omroep in
een lokaal verzorgingsgebied. Het is bijvoorbeeld voor lokale publieke omroepen in
landelijk gebied relatief kostbaar om alle inwoners te bereiken. En lokale publieke
omroepen met veel kernen met meer dan vijfhonderd adressen hebben naar verwachting
te maken met een relatief hoge nieuwsdichtheid.
Vijfjaarlijks, voorafgaand aan de start van de procedure voor aanwijzing als lokale
publieke omroep, worden vastgesteld: (1) het totaalbudget dat in die aanwijzingsperiode
jaarlijks ten minste beschikbaar is voor alle lokale publieke omroepen gezamenlijk
en (2) de procentuele verdeling van het gezamenlijke budget over de lokale verzorgingsgebieden
gedurende die periode.109 Daaruit volgt het bedrag dat gedurende vijf jaar ten minste beschikbaar is per lokale
publieke omroep. Kortom, voorafgaand aan de start van de aanwijzingsprocedure is voor
elk lokaal verzorgingsgebied duidelijk wat het voorgenomen beschikbare budget is voor
de gehele komende aanwijzingsprocedure van vijf jaar. Dit zorgt voor meer voorspelbaarheid
en continuïteit van de bekostiging van lokale publieke omroepen dan nu het geval is.
Zo wordt ook voldaan aan voorschriften voor bekostiging van de publieke omroep uit
de EMFA.
Overigens kunnen de budgetten per lokale publieke omroep pas definitief worden vastgesteld
wanneer de indeling in de lokale verzorgingsgebieden vaststaat.110
Aanvullende bekostigingsmogelijkheden gemeenten
De regering wil de mogelijkheid openhouden voor gemeenten om financieel bij te dragen
aan de lokale publieke omroep die in hun gemeente media-aanbod verzorgt. Het gaat
hier natuurlijk om een autonome keuze van de gemeente. Het wetsvoorstel voorziet in
een kader waarbinnen gemeenten hun lokale publieke omroep aanvullend kunnen bekostigen
op een manier die in overeenstemming is met de staatssteunregels van de Europese Unie
(hierna: EU; zie paragraaf 3.1). Het gaat daarbij om aanvullende bekostiging van de
publieke taak die een lokale publieke omroep op basis van de systematiek van de Mediawet
2008 is toebedeeld. Dit stelt eisen aan de subsidiebeschikkingen van de gemeente,
die niet in strijd met deze systematiek mogen zijn. Toegekende gemeentelijke subsidie
wordt meegenomen in de begrotings- en verantwoordingssystematiek voor de lokale publieke
omroepen in de Mediawet 2008. Mede vanuit het oogpunt van het bieden van gelijke kansen
moeten gemeenten die aanvullend willen bekostigen voorafgaand aan de periode waarin
aanvragen voor aanwijzing als lokale publieke omroep kunnen worden ingediend bekend
maken hoeveel middelen zij hiervoor beschikbaar stellen. Zo kunnen alle geïnteresseerden
met deze aanvullende middelen rekening houden. Deze systematiek is vergelijkbaar met
die van de Rijksbegroting, waarmee eveneens voorafgaand aan de aanwijzingsperiode
een meerjarig bedrag bekend wordt gemaakt. Verschillende gemeenten hanteren reeds
een dergelijke meerjarenbegrotingssystematiek voor de lokale publieke omroep. Het
vooraf beschikbaar stellen van het bedrag ondersteunt ook de onafhankelijkheid van
de lokale publieke omroep ten opzichte van de gemeente. Het bedrag wordt immers in
beginsel beschikbaar gesteld voor de functie van publieke omroep en niet voor een
specifieke instelling.
2.3 Schaalvergroting
Huidige situatie
Op 1 oktober 2024 had Nederland 224 lokale publieke omroepen.111 Het aantal gemeenten is afgenomen door herindelingen, maar er zijn nog veel lokale
publieke omroepen die opereren op een zeer kleine schaal. Uit onderzoek van het Commissariaat
blijkt dat de twee kleinste categorieën van lokale publieke omroepen in totaal zo’n
zeventien procent van alle huishoudens in Nederland bedienen.112
Aantal huishoudens in verzorgingsgebied (2021)
Aantal lokale publieke media-instellingen (2021)
Gemiddelde totale inkomsten (2021)
0–10.000
37
€ 33.532
10.000–20.000
79
€ 53.120
20.000–50.000
78
€ 98.575
50.000–100.000
33
€ 295.393
> 100.000
9
€ 1.277.879
De bovenstaande tabel laat de grote verscheidenheid zien. Die gaat van veel kleine
lokale publieke omroepen met weinig middelen tot omroepen met een omzet van meer dan
€ 1 miljoen per jaar. De veelheid aan kleine(re) omroepen staat stabiliteit en doelmatigheid
in de weg. Bij kleinere omroepen gaat een groot deel van de (beperkte) inkomsten vaak
naar zaken als huur, techniek en reguliere bedrijfskosten.113 De ROB en de RvC constateerden hierover in hun advies dat er «sprake is van versnippering
en een gebrekkige inhoudelijke en organisatorische samenwerking».114
Vanwege het gebrek aan schaal en de daarmee te bereiken schaalvoordelen zijn de VNG,
de OLON en de Stichting NLPO al jaren zelf aan de slag met schaalvergroting (zie paragraaf
2.1). In 2015 concretiseerden de VNG en Stichting NLPO (als opvolger van de OLON)
de ambities op dit punt in het Vernieuwingsconvenant gemeenten-lokale omroepen 2015–2018. Hierin wordt uitgesproken dat schaalvergroting kansen biedt om de kwaliteit en stabiliteit
van lokale publieke omroepen te versterken. «Het past daarbij niet dat 275 keer het
wiel wordt uitgevonden of 275 keer een dure eigen organisatorische en technische infrastructuur
wordt opgetuigd. Dat zou het ambitieniveau ook onbetaalbaar maken», aldus het convenant.115
Er heeft de afgelopen jaren in beperkte mate schaalvergroting plaatsgevonden, van
283 lokale publieke omroepen in juni 2012 naar 224 per 1 oktober 2024. De beoogde
voordelen van de geambieerde schaalvergroting lijken ook daadwerkelijk uit te komen.
De RvC en ROB laten in hun adviesrapport zien dat lokale publieke omroepen met een
grotere schaal er beter in slagen om hun maatschappelijke en democratische functies
uit te oefenen dan lokale publieke omroepen met een kleine schaal. Met name de democratische
functies van controleren en agenderen staan bij de kleinere lokale publieke omroepen
onder druk. In hun gezamenlijke rapport uiten de raden hun zorg hierover.116 Ook uit een evaluatie van de schaalvergroting, die in 2021 is uitgevoerd in opdracht
van de Stichting NLPO, blijken voordelen van schaalvergroting. De lokale publieke
omroepen met een grotere schaal scoren beter op het hebben van een 24/7-beschikbaarheid,
het inzetten van betaalde medewerkers, het uitzenden van content op de relevante kanalen
en het vormgeven van beleid op het gebied van kwaliteit en onafhankelijkheid. Professionalisering
lukt een stuk beter als de omroep groter is. Ook het binnenhalen van aanvullende financiering
is dan realistischer. Uit de evaluatie naar schaalvergroting blijkt verder dat het
vrijwillige proces tot vorming van streekomroepen «moeizaam verloopt» (zie paragraaf
2.1).117
De verwachting is verder dat schaalvergroting en de daaruit volgende professionalisering
een positief effect zullen hebben op de essentiële inzet van vrijwilligers door de
lokale publieke omroepen. De lokale binding kan hierbij behouden blijven. Dit blijkt
uit een evaluatie van het SvdJ uit 2022: «Verscheidene omroepen gaven aan dat ingehuurde
professionals kennis met zich meebrachten, waar de vrijwilligers mee omhoog werden
getild. Hierbij ging het over vaardigheden als interviewtechnieken en montage, maar
ook over kennis van grote journalistieke kwesties. Deze kennis werd intern gedeeld
op de redacties, ook met vrijwilligers. De vrijwilligers stonden op hun beurt dichter
op het publiek in de verschillende gemeenten, waardoor de omroep beter betrokken raakten
bij de lokale gemeenschappen.»118 Door het combineren van de kennis van vrijwilligers en professionals, zeker als deze
professionals ook duurzaam verbonden zijn met de lokale samenleving, kan bovendien
de situatie ontstaan die de Adviescommissie Versterken Weerbaarheid Democratische
Rechtsorde bepleit: verslaggeving vraagt om een goed begrip van de lokale context,
de historie en het netwerk.119
Overwogen alternatief
Journalistieke professionalisering met behoud van het lokale karakter zou ook langs
andere weg dan schaalvergroting bereikt kunnen worden, bijvoorbeeld door samenwerking
met andere lokale publieke omroepen of met de regionale publieke omroep. Deze samenwerking
is in de praktijk ook al te zien. Zo is er een Alliantie gesloten tussen de RPO en
de Stichting NLPO met afspraken over, onder andere, samenwerking en gezamenlijke ontwikkeling.120 De regering kiest er echter voor om de lokale publieke omroepen zelf te versterken.
De lokale publieke omroepen kunnen zich met de nieuwe organisatiewijze en ruimere
bekostiging ontwikkelen tot meer professionele journalistieke organisaties, met behoud
van hun unieke rol en aandacht voor lokale kleur. Door deze ontwikkeling worden zij
een betere samenwerkingspartner voor onder andere regionale publieke omroepen en kan
een grotere toegevoegde waarde worden bereikt.
Voorstel regering
De regering acht schaalvergroting noodzakelijk om ervoor te zorgen dat er overal in
Nederland financieel gezonde, professionele lokale publieke omroepen zijn. Lokale
verbondenheid blijft een belangrijk uitgangspunt voor de lokale publieke omroepen.
Schaalvergroting zou immers vanuit het oogpunt van gevoel voor de lokale context een
risico kunnen zijn. De regering meent echter dat het wetsvoorstel de lokale binding
ook bij de opschaling van de verzorgingsgebieden voldoende borgt. Dit wordt bereikt
door de aangescherpte criteria voor aanwijzing als lokale publieke omroep, die uitdrukkelijk
bedoeld zijn om de lokale binding zeker te stellen, de adviesrol voor de gemeenteraad
tijdens de aanwijzingsprocedure en de steviger eisen aan het programmabeleid bepalend
orgaan. Daarnaast heeft de indeling in lokale verzorgingsgebieden een kwalitatieve
component, waarin lokale binding terugkomt, zie hierna.
Het huidige uitgangspunt van één lokale publieke omroep per gemeente wordt losgelaten.
Er zijn voortaan maximaal tachtig lokale verzorgingsgebieden. Per verzorgingsgebied
kan niet meer dan één lokale publieke omroep worden aangewezen.
Een lokaal verzorgingsgebied is in de nieuwe situatie een geografisch afgebakend gebied
dat uit één of meer nabijgelegen gemeenten bestaat. Om een duidelijk onderscheid te
bewaken ten opzichte van de regionale laag van het publieke mediabestel wordt bepaald
dat een lokaal verzorgingsgebied aanmerkelijk kleiner is dan de provincie(s) waarmee
grondgebied wordt gedeeld. De indeling in verzorgingsgebieden heeft een kwalitatieve
component. Het verzorgingsgebied moet een kenbare identiteit hebben, óf het algemene
leefpatroon van de inwoners moet zich in belangrijke mate binnen dat gebied afspelen.
In dit verband wordt wel gesproken van de natuurlijke habitat van de burger, bijvoorbeeld
in het Vernieuwingsconvenant gemeenten – lokale omroepen 2015–2018: «de natuurlijke habitat van de burger dat wil zeggen het gebied waarin deze woont,
leeft, werkt, de dagelijkse of niet-dagelijkse inkopen doet, uitgaat, sport, voortgezet
onderwijs volgt e.d.; het gaat om [...] een eigen geografische, economische en sociaal-culturele
identiteit».121
De indeling in de maximaal tachtig lokale verzorgingsgebieden wordt vastgesteld bij
algemene maatregel van bestuur. Daarvoor wordt een delegatiegrondslag opgenomen in
de Mediawet 2008.
In de sector zelf is onder regie van de Stichting NLPO en met betrokkenheid van gemeenten
en lokale publieke omroepen een indeling tot stand gekomen. Dit is een proces dat
sinds 2012 gaande is. Het proces heeft in 2023 een indeling in tachtig verzorgingsgebieden
opgeleverd.122 Dit in de sector bereikte aantal is overgenomen als wettelijk maximum. De Stichting
NLPO stelt in 2024–2025 lokale publieke omroepen en gemeenten in staat hun actuele
zienswijze over de indeling kenbaar te maken. De geactualiseerde indeling die door
de sector zelf wordt opgeleverd, is voor de regering zoveel mogelijk het uitgangspunt
bij de vaststelling van de indeling van de verzorgingsgebieden bij algemene maatregel
van bestuur.
Wijziging van de indeling is uiteraard mogelijk, bijvoorbeeld bij gemeentelijke herindeling
of maatschappelijke veranderingen in een of meer verzorgingsgebieden. Een wijziging
zal tijdig moeten gebeuren in relatie tot de vijfjaarlijkse aanwijzingsprocedure voor
lokale publieke omroepen (zie paragraaf 2.5). Voor de start van het aanvraagtijdvak
zal er in elk geval duidelijkheid moeten zijn over de indeling, zodat op basis van
deze indeling een aanvraag kan worden ingediend en kan worden aangewezen. Gelet op
de beschikbaarheid van actuele CBS-gegevens en de rechtszekerheid betekent dit dat
gemeentelijke herindelingen uiterlijk twee jaar voorafgaand aan de start van een nieuwe
aanwijzingsperiode doorgevoerd worden in de lijst van verzorgingsgebieden, die is
vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. Herindelingen die later tot stand
komen, zullen worden meegenomen bij een volgende wijziging van de lijst. Bij een voorgenomen
wijziging in de indeling van de verzorgingsgebieden zullen in elk geval de NLPO en
de betreffende gemeente(n) en lokale publieke omroep(en) worden betrokken.
2.4 Wettelijk samenwerkings- en coördinatieorgaan op lokaal niveau
Voorgeschiedenis overlegorgaan lokale publieke omroep
Vanaf 1981 vervulde de OLON de functie van vereniging van lokale publieke omroepen,
met activiteiten die in het teken stonden van het bevorderen van de lokale publieke
omroepen in de breedste zin. De OLON zorgde voor belangenbehartiging, bevorderde de
samenwerking en verleende collectieve diensten aan lokale publieke omroepen. De OLON
werd op grond van de eerste Mediawet en vervolgens op grond van de Mediawet 2008 bekostigd.123
Op initiatief van de OLON is in 2015 de Stichting NLPO opgericht. Dit kwam voort uit
de wens om een entiteit te hebben die zich meer kon richten op het collectieve belang
van de sector en op het stimuleren en faciliteren van professionalisering en schaalvergroting
van lokale publieke omroepen. Het bestuur en de algemene ledenvergadering van de OLON
achtten daarvoor een stichtingsvorm wenselijk. Ook de Stichting NLPO werd en wordt
bekostigd op grond van de Mediawet 2008. De vereniging OLON heeft zichzelf eind 2020
opgeheven.124
De Stichting NLPO heeft volgens haar statuten het volgende doel:
– het bevorderen van samenwerking en beleidscoördinatie met het oog op de uitvoering
van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau;
– het behartigen van zaken die van gemeenschappelijk belang zijn voor de lokale publieke
mediadienst en de lokale publieke omroepen;
– het bevorderen van een doelmatige inzet van de gelden die bestemd zijn voor de realisatie
van een lokaal toereikend media-aanbod door middel van een aanbod van effectieve en
efficiënte diensten en producten voor lokale publieke omroepen; en
– aanverwante en relevante prestaties voor dan wel in relatie tot lokale publieke omroepen
in de ruimste zin van het woord.
Problemen huidige situatie
Het wetsvoorstel beoogt een kwaliteitsimpuls te geven aan de lokale publieke omroepen.
Daar is een gezamenlijke koers voor nodig, inclusief coördinatie om die koers te bewaken
en inhoudelijke en organisatorische samenwerking te bevorderen. Dat alles is nu nog
onvoldoende voorhanden, aldus ook de ROB en de RvC in hun rapport uit 2020 (zie paragraaf
2.1).125
Voorstel regering
Het wetsvoorstel regelt de inrichting van een samenwerkings- en coördinatieorgaan
voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. Volgens het voorstel
wijst de Minister van OCW de stichting aan die wordt belast met de taken van dit orgaan.
Het voornemen van de regering is dat na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel de Stichting
NLPO wordt aangewezen als het samenwerkings- en coördinatieorgaan. De huidige Stichting
NLPO heeft in de ogen van de regering sinds de oprichting in 2015 de juiste kennis
en ervaring opgebouwd om de in dit wetsvoorstel voorgestelde taken uit te voeren.
Het samenwerkings- en coördinatieorgaan wordt in de voorgestelde wettelijke regeling
aangeduid als NLPO. Hierna wordt met NLPO bedoeld: het volgens dit wetsvoorstel geregelde
samenwerkings- en coördinatieorgaan.
Bij de voorgestelde inrichting van de NLPO is analogie met de inrichting van de RPO
het uitgangspunt. Dit ziet op de taken van de NLPO, de bepalingen over de raad van
toezicht en het bestuur, de concessie, het concessiebeleidsplan en de prestatieovereenkomst.
Er zijn echter verschillen. Anders dan de RPO heeft de NLPO geen openbaar gezag. Zij
wordt vormgegeven als rechtspersoon met een wettelijke taak (RWT). De NLPO heeft een
wettelijk voorgeschreven college van omroepen. Bij de RPO is er een vergelijkbaar
orgaan, maar dat vindt zijn grondslag in de statuten van de stichting. Verder is voor
het concessiebeleidsplan van de NLPO niet voorgeschreven dat het een overzicht van
de aanbodkanalen van de lokale publieke omroepen bevat, en ook is niet bepaald dat
vooraf instemming van de Minister van OCW met een nieuw aanbodkanaal nodig is. Beide
voorschriften gelden wel voor de RPO. Daarnaast zijn de wettelijke vereisten aan de
prestatieovereenkomst toegespitst op de taken van de NLPO en haar vormgeving als RWT.
Specifiek voor de NLPO is haar rol als adviseur in de aanwijzingsprocedure voor lokale
publieke omroepen. Specifiek voor de NLPO en de lokale publieke omroepen gezamenlijk
is de voorziene reguliere evaluatie.
NLPO rechtspersoon met wettelijke taak
De wettelijke regeling van de taken alsmede de bekostiging uit de mediabegroting maken
dat de NLPO een rechtspersoon met een wettelijke taak is, volgens de definitie in
de Comptabiliteitswet 2016.126 Geen van de voorgestelde organen van de NLPO heeft openbaar gezag. De NLPO is daarom
geen zelfstandig bestuursorgaan als bedoeld in de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.
Hier wijkt de inrichting van de NLPO af van de inrichting van de RPO, die wel zelfstandig
bestuursorgaan is. Deze keuze past volgens de regering bij wat nodig is in het domein
van de lokale publieke omroep. Aan de ene kant is er de rol van de NLPO ten behoeve
van de gezamenlijke koers. Aan de andere kant is er de eigenheid van de (maximaal)
tachtig lokale publieke omroepen, die de publieke mediaopdracht uitvoeren op een manier
die aansluit bij hun specifieke lokale verzorgingsgebied, vanuit binding met de directie
leefomgeving van mensen. De regering meent dat met de voorgestelde inrichting van
de NLPO de juiste balans voor samenwerking en coördinatie is gevonden.
De NLPO is als rechtspersoon met een wettelijke taak niet hiërarchisch ondergeschikt
aan de Minister van OCW. De Minister bekostigt de NLPO, met tussenkomst van het Commissariaat,
en benoemt de raad van toezicht volgens een met waarborgen omklede procedure. De NLPO
verschaft de Minister desgevraagd inlichtingen en zendt hem jaarlijks een bestuursverslag.
De Minister heeft instemmingsrecht bij wijziging van de statuten van de NLPO. Een
bevoegdheid voor de Minister ingeval van taakverwaarlozing is, anders dan bij de RPO,
niet opgenomen, nu de NLPO geen zelfstandig bestuursorgaan is. Wel krijgt het Commissariaat,
dat de onafhankelijke toezichthouder is, de bevoegdheid om aan de NLPO een aanwijzing
te geven als sprake is van wanbeheer of als deugdelijke bedrijfsprocessen of administratie
onvoldoende gewaarborgd zijn.
De samenwerkings- en coördinatietaak is aldus belegd op enige afstand van de politiek,
zoals vanuit het oogpunt van de onafhankelijkheid van publieke omroepen wenselijk
is.
Taken NLPO
De NLPO wordt belast met de volgende taken:
– het bevorderen van samenwerking en coördinatie tussen de lokale publieke omroepen;
– het behartigen van zaken die van gemeenschappelijk belang zijn;
– het sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten, mede namens de lokale publieke
omroepen;
– het bevorderen van een doelmatige inzet van gelden;
– het inrichten, in stand houden, beheren, exploiteren en regelen van voor de lokale
publieke omroepen benodigde organen, diensten of faciliteiten.
Bij het behartigen van zaken van gemeenschappelijk belang kan het bijvoorbeeld gaan
om het aanbieden van collectieve diensten, zoals gezamenlijk kijk- en luisteronderzoek,
licenties en software. Voorbeelden van gezamenlijke faciliteiten zijn een gezamenlijke
distributie-infrastructuur, zoals de MediaHub, waarmee lokale publieke omroepen in
één keer de distributie van hun radio en televisiekanalen naar alle Nederlandse pakketaanbieders
met een must-carry-verplichting kunnen regelen, of de infrastructuur voor DAB+.127
Organen NLPO; taken
De NLPO heeft drie organen: een raad van toezicht, een bestuur en een college van
omroepen.
De raad van toezicht van de NLPO houdt toezicht op het beleid van het bestuur van
de NLPO, de algemene gang van zaken bij de NLPO en staat het bestuur van de NLPO met
advies terzijde. Verder is de raad van toezicht van de NLPO belast met het vaststellen
van de jaarrekening van de NLPO en het wijzigen van de statuten van de NLPO, op voorstel
van het bestuur van de NLPO. Ook heeft de raad van toezicht instemmingsrecht bij bepaalde
besluiten van het bestuur. Het gaat daarbij om het concessiebeleidsplan NLPO, de prestatieovereenkomst,
de jaarlijkse gezamenlijke begroting voor de NLPO en de lokale publieke omroepen en
het bestuursverslag.
Het bestuur is belast met de uitvoering van de hierboven genoemde taken van de NLPO.
Verder is het bestuur belast met:
– de dagelijkse leiding over de werkzaamheden van de NLPO;
– het vaststellen van het concessiebeleidsplan NLPO;
– het aangaan van de prestatieovereenkomst;
– het vaststellen van de jaarlijkse gezamenlijke begroting voor de NLPO en de lokale
publieke omroepen; en
– het vaststellen van het jaarlijkse bestuursverslag.
Het college van omroepen vertegenwoordigt de lokale publieke omroepen bij de NLPO.
Het college van omroepen heeft de taak om de raad van toezicht en het bestuur gevraagd
en ongevraagd te adviseren over het beleid van de NLPO voor het media-aanbod van de
lokale omroepen. Het college krijgt een adviesrecht op de besluiten van het bestuur
van de NLPO die volgens het wetsvoorstel instemming behoeven van de raad van toezicht.
Organen NLPO; benoeming en samenstelling
Voor de benoemings-, schorsings- en ontslagprocedure van de raad van toezicht en het
bestuur van de NLPO wordt aangesloten bij de procedures voor de NPO en de RPO in de
Mediawet 2008 die sinds 2021 gelden.128 Die procedures zijn gebaseerd op de adviezen uit de verkenning die in 2016–2017 is
uitgevoerd naar de benoemings-, schorsings- en ontslagprocedures van bestuurders en
toezichthouders bij publieke mediaorganisaties.129
Dat betekent voor de NLPO het volgende. Leden van de raad van toezicht worden op voordracht
van de Minister van OCW bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen. Bij
een vacature stelt de raad van toezicht profielschetsen op voor de vacature en voor
de raad als geheel. Het bestuur van de NLPO en het college van omroepen worden in
de gelegenheid gesteld binnen een redelijke termijn zienswijzen te geven. Voor de
selectie van kandidaten stelt de raad van toezicht een onafhankelijke benoemingsadviescommissie
in. De benoemingsadviescommissie adviseert de raad van toezicht, die vervolgens een
zwaarwegend advies uitbrengt aan de Minister van OCW. De Minister doet vanuit zijn
verantwoordelijkheid voor het publieke mediabestel een marginale toets op het advies,
voordat hij de kandidaat voordraagt voor benoeming bij koninklijk besluit. De marginale
toets betekent dat alleen van het advies wordt afgeweken bij strijdigheid met de wet,
het niet naleven van de eisen van zorgvuldigheid, of andere zwaarwegende belangen.
Ingeval de Minister afwijkt, dient dit schriftelijk gemotiveerd te worden en wordt
de Tweede Kamer hierover geïnformeerd.
Leden van het bestuur van de NLPO worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad
van toezicht, zonder tussenkomst van de Minister van OCW.
De leden van het college van omroepen worden op voordracht van het college van omroepen
zelf benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht van de NLPO. Het college
van omroepen moet zodanig zijn samengesteld dat de lokale publieke omroepen daarin
representatief worden vertegenwoordigd met inachtneming van hun verscheidenheid, in
elk geval naar omvang en geografische ligging. Met omvang wordt hier bedoeld: de omvang
van de begroting. De lokale publieke omroepen moeten zichzelf dus afgespiegeld zien
in het college dat hen vertegenwoordigt bij het samenwerkings- en coördinatieorgaan.
De voorgestelde wettelijke regeling bepaalt niet wie door een lokale publieke omroep
kan worden afgevaardigd als vertegenwoordiger. Voor de hand ligt dat dit een bestuurder
van een omroep zal zijn. Dit kan nader worden ingevuld door interne regels van de
NLPO.
Concessie en concessiebeleidsplan NLPO; adviestaak NLPO
Aan de NLPO wordt bij koninklijk besluit een concessie verleend om voor een periode
van tien jaar de publieke mediaopdracht op lokaal niveau uit te voeren. De concessieperiode
bestaat uit twee vijfjaarlijkse perioden waarvoor een concessiebeleidsplan moet worden
opgesteld: het concessiebeleidsplan NLPO. Dit is een taak van (het bestuur van) de
NLPO. De NLPO moet het concessiebeleidsplan vaststellen voorafgaand aan de vijfjaarlijkse
«concessiebeleidsplan-periode» en ook voorafgaand aan de start van de vijfjaarlijkse
aanwijzingsprocedure (zie paragraaf 2.5).130 In het concessiebeleidsplan beschrijft de NLPO hoe de lokale publieke omroepen voor
een periode van vijf jaar uitvoering geven aan de publieke mediaopdracht op lokaal
niveau. Het Commissariaat en de RvC brengen advies uit over het concessiebeleidsplan
NLPO.131 Deze adviezen kunnen worden gebruikt bij de uitwerking van het concessiebeleidsplan
in de prestatieovereenkomst tussen de NLPO en de Minister van OCW, en ook bij de opeenvolgende
jaarlijkse begrotingen van de NLPO. Het concessiebeleidsplan is een beleidskader voor
de uitvoering van de lokale publieke mediaopdracht. Het is daarmee een instrument
ten behoeve van de samenwerking en coördinatie, ook in die zin dat de beleidsplannen
van de aanvragers voor aanwijzing als lokale publieke media-instelling mede aan het
concessiebeleidsplan worden getoetst. Het plan bevat echter geen algemeen verbindende
voorschriften en impliceert dus geen uitoefening van openbaar gezag.
De NLPO geeft in haar concessiebeleidsplan, anders dan de RPO, niet een overzicht
van de aanbodkanalen van de lokale publieke omroepen. Als het concessiebeleidsplan
wordt opgesteld staat namelijk nog niet vast welke instellingen worden aangewezen
als lokale publieke omroep, en daarmee is op dat moment ook nog onzeker welke aanbodkanalen
onderdeel zullen zijn van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. Wel zal de NLPO
in de jaarlijkse begroting voor de NLPO en de lokale publieke omroepen een overzicht
geven van de aanbodkanalen van de lokale publieke omroepen.
Evenmin is er de verplichte instemming vooraf van de Minister van OCW met een nieuw
aanbodkanaal, die de RPO wel kent. De instemming houdt verband met een controle op
de omvang van de publieke omroep, gelet op de mogelijke impact op de markt voor mediadiensten.
De regering acht dit instrument voor het lokale domein te zwaar, zeker in verhouding
tot de te verwachten marktimpact, en meent dat de controle wordt bereikt door middel
van de aangescherpte aanwijzingsprocedure. Instellingen die aangewezen willen worden
als lokale publieke omroep moeten volgens dit wetsvoorstel voortaan bij hun aanvraag
een beleidsplan overleggen dat is afgestemd op het concessiebeleidsplan NLPO. Het
bij de aanvraag gevoegde beleidsplan moet onder meer de voorgenomen aanbodkanalen
bevatten. De NLPO krijgt de positie van adviseur in de nieuwe aanwijzingsprocedure.
De adviestaak zal zien op de begroting van de aanvrager en op (aspecten van) het beleidsplan,
waaronder de voorgenomen aanbodkanalen, en de afstemming daarvan op het concessiebeleidsplan
NLPO. Wanneer het Commissariaat, met inachtneming van het advies van de NLPO, oordeelt
dat het beleidsplan op dat punt onvoldoende is, kan het de aanvraag afwijzen (zie
paragraaf 2.5).
Prestatieovereenkomst NLPO
In aanvulling op het concessiebeleidsplan NLPO sluit het bestuur van de NLPO met de
Minister van OCW een prestatieovereenkomst, die parallel loopt aan de periode die
het concessiebeleidsplan beslaat. Hierin worden afspraken gemaakt over de inzet van
de NLPO in het kader van de ambities en doelstellingen uit het concessiebeleidsplan.
Het kan bijvoorbeeld gaan om onderzoek of monitoring in verband met het bereik van
de lokale publieke omroepen, of de waardering van het publiek voor het aanbod. Zo
wordt professionalisering en gezamenlijkheid van de sector ondersteund. De NLPO rapporteert
hierover aan de Minister van OCW, bijvoorbeeld in het bestuursverslag. Partijen kunnen,
met inachtneming van hun bevoegdheden, sancties overeenkomen voor het geval afspraken
uit de prestatieovereenkomst niet worden nageleefd.
Evaluatie lokale publieke omroepen en NLPO
Voor haar samenwerkings- en coördinatietaak heeft de NLPO inzicht nodig in de manier
waarop elke individuele lokale publieke omroep uitvoering geeft aan de publieke mediaopdracht
op lokaal niveau. Een instrument om dit inzicht te bevorderen is de evaluatie. Lokale
publieke omroepen dienen in het tweede jaar van hun aanwijzing een zelfevaluatie uit
te voeren. Een door de NLPO aangeboden format kan bijdragen aan eenduidigheid en onderlinge
vergelijkbaarheid. Het gaat bij de evaluatie om de vraag hoe de lokale publieke omroepen
uitvoering hebben gegeven aan de publieke mediaopdracht op lokaal niveau, zoals nader
ingevuld in hun beleidsplannen. De evaluaties zijn voor de lokale publieke omroepen
zelf een gedegen kwaliteitsinstrument. De lokale publieke omroepen rapporteren de
zelfevaluaties aan de NLPO, die ze vervolgens aan de Minister van OCW stuurt en openbaar
maakt. De NLPO kan een nadere, onafhankelijke evaluatie laten verrichten voor zover
een zelfevaluatie of zelfevaluaties daarvoor aanleiding geven. De reikwijdte van deze
evaluatie kan variëren. Ze kan thematisch zijn, over de NLPO gaan of een deel van
de lokale omroepen betreffen. De resultaten van deze evaluatie worden eveneens door
de NLPO naar de Minister van OCW gestuurd en openbaar gemaakt. De regering ziet de
getrapte evaluatie als een instrument dat juist voor de lokale publieke mediadienst
geschikt is. De eigen verantwoordelijkheid van de omroepen wordt benut en er wordt
invulling gegeven aan de coördinerende taak van de NLPO.
Bekostiging en verantwoording NLPO
De NLPO zal worden bekostigd uit de mediabegroting. Zij wordt (samen met de lokale
publieke omroepen) opgenomen in de grondslag in de Mediawet 2008 voor de algemene
bekostigingsaanspraak van de publieke mediadienst.132 De NLPO stelt jaarlijks een gezamenlijke begroting op voor haarzelf en de lokale
publieke omroepen. De Minister van OCW bepaalt jaarlijks separaat het budget van de
NLPO, dat wil zeggen: onafhankelijk van het bedrag dat beschikbaar wordt gesteld voor
de lokale publieke omroepen. Het budget wordt door tussenkomst van het Commissariaat
aan de NLPO ter beschikking gesteld. Het Commissariaat wordt belast met de rechtmatigheidstoetsing
van de uitgaven van de NLPO. De NLPO zendt daartoe jaarlijks de jaarrekening aan het
Commissariaat. Voor reservevorming door de NLPO geldt een maximum van tien procent
van de uitgaven in een jaar. Het Commissariaat heeft de bevoegdheid om terug te vorderen
wat te veel is gereserveerd of in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Mediawet
2008 is gebruikt.
2.5 Aanscherping van de aanwijzingsprocedure
Huidige aanwijzingsprocedure in het kort
Het Commissariaat kan instellingen aanwijzen als lokale publieke omroepen. De huidige
aanwijzingsprocedure is geregeld in paragraaf 2.3.1a van de Mediawet 2008. Het Commissariaat
heeft zijn aanwijzingsbevoegdheid nader ingevuld met de Beleidsregel aanwijzingsprocedure
lokale publieke media-instellingen 2023 (hierna: de Beleidsregel).133 De Mediawet 2008 bepaalt dat een aanwijzing geldt voor een periode van vijf jaar.
De Mediawet 2008 bepaalt verder niets over startmomenten van aanwijzingen als lokale
publieke omroep. De aanwijzingen lopen dan ook niet synchroon. De huidige aanwijzingsprocedure
gaat in het kort als volgt.
Aanwijzing gebeurt op aanvraag (dit is overigens niet uitdrukkelijk in de Mediawet
2008 opgenomen). Voor aanwijzing komt slechts in aanmerking (1) een rechtspersoon
met volledige rechtsbevoegdheid die (2) volgens de statuten als doel heeft het op
lokaal niveau uitvoeren van de publieke mediaopdracht en (3) – eveneens volgens de
statuten – een orgaan heeft dat het beleid voor het media-aanbod bepaalt, en dat representatief
is voor de belangrijkste maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke
stromingen die in de betreffende gemeente(n) voorkomen. Dit orgaan wordt het programmabeleid
bepalend orgaan genoemd (hierna: pbo).134
Per gemeente kan maar één lokale publieke omroep worden aangewezen. Het is wel mogelijk
dat een lokale publieke omroep wordt aangewezen voor meer dan één gemeente. De gemeenteraad
adviseert over de vraag of een instelling voldoet aan de drie vereisten om voor aanwijzing
in aanmerking te komen. Bij aanwijzing voor meer dan één gemeente is een gezamenlijk
advies van de betrokken gemeenteraden vereist.135
Als sprake is van meerdere aanvragers voor dezelfde gemeente die voldoen aan de drie
wettelijke vereisten, dan vraagt de Mediawet 2008 van de betrokken gemeente dat deze
bevordert dat de instellingen samengaan.136 Wanneer dat niet lukt, wordt volgens de Beleidsregel aan de gemeenteraad een advies
gevraagd waaruit de voorkeur blijkt voor één van de aanvragers. Uit de Beleidsregel
volgt verder dat een gemeenteraad dit voorkeursadvies uitbrengt op basis van aanvullende
toetsingscriteria. De gemeenteraad wordt volgens de Beleidsregel verzocht die criteria
uiterlijk elf maanden voorafgaand aan het einde van de lopende aanwijzingsperiode
kenbaar te maken.
Bij het besluit over een aanwijzing slaat het Commissariaat acht op alle factoren
die voor het functioneren van de lokale publieke omroep van belang kunnen zijn.137 In de praktijk volgt het Commissariaat doorgaans het (voorkeurs)advies van de gemeenteraad
of gemeenteraden, mits dit zorgvuldig tot stand is gekomen en deugdelijk is gemotiveerd.
Voor de rechtsmiddelen geldt het regime van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:
Awb).
Problemen huidige procedure
Uit gesprekken die de regering bij de ontwikkeling van de Visiebrief lokale omroepen
heeft gevoerd met de Stichting NLPO, de VNG, het Commissariaat en het Ministerie van
BZK is naar voren gekomen dat verbetering van de aanwijzingsprocedure gewenst is.
De betrokken partijen benoemden het gebrek aan wettelijke criteria waaraan een aanvraag
wordt getoetst en waarover advies wordt gevraagd. De huidige drie formele criteria
zijn niet voldoende. Ook achtten de gesprekspartners het huidige kader van de Mediawet
2008 en de Beleidsregel niet adequaat voor de situatie dat meer dan één instelling
voldoet aan de eisen. Het blijkt voor een gemeente in de praktijk nauwelijks haalbaar
om, conform het vereiste uit de Mediawet 2008, te bevorderen dat instellingen samengaan.138 Daarnaast is de ervaring van gemeenten dat het opstellen van een voorkeursadvies
voor één van die instellingen op basis van de Beleidsregel lastig uitvoerbaar is.
Hetzelfde geldt voor de situatie dat één instelling een aanvraag doet voor een aanwijzing
voor meer dan één gemeente. Nu moeten gemeenten in dat geval gezamenlijk advies uitbrengen.
Dit blijkt moeilijk in praktijk te brengen, vanwege de gemeentelijke autonomie. Ook
over procedurele aspecten als termijnen en over te leggen stukken werd meer duidelijkheid
van de wetgever gevraagd.
De regering heeft aandacht voor deze bezwaren. Daarbij zouden de moeilijkheden bij
aanwijzing voor meer dan één gemeente in het nieuwe stelsel nog meer spelen dan nu,
omdat de grotere lokale verzorgingsgebieden veelal uit meer dan één gemeente zullen
bestaan. Bovendien wil de regering de procedure gebruiken als kwaliteitsimpuls. Aanwijzingscriteria
moeten een minimumkwaliteit van een lokale publieke omroep garanderen. Een ander punt
is dat de aanwijzingen als lokale publieke omroep niet op hetzelfde moment beginnen.
Dit is met name met het oog op de coördinerende rol van de NLPO niet houdbaar.139
Voorstel regering
Het wetsvoorstel geeft een meer uitgebreide set criteria voor aanwijzing als lokale
publieke omroep. Deze zijn in overleg met de Stichting NLPO, de VNG en het Commissariaat
ontwikkeld. Ze zijn eveneens ontleend aan enkele voorbeeldcriteria uit de Beleidsregel
en aan de nadere duiding van het begrip «lokaal toereikend media-aanbod» in het Vernieuwingsconvenant
voor 2015–2018 van VNG, NLPO en OLON.140
141
Formele vereisten
Wat blijft, zijn formele vereisten. Een instelling die voor aanwijzing in aanmerking
wil komen moet statuten overleggen waaruit blijkt zij een rechtspersoon is met volledige
rechtsbevoegdheid, dat het doel van de rechtspersoon is de uitvoering van de publieke
mediaopdracht op lokaal niveau in het betreffende verzorgingsgebied, en dat zij een
pbo heeft. De formele vereisten worden getoetst door het Commissariaat, dat een aanvraag
kan afwijzen als niet aan deze vereisten wordt voldaan. In dat geval wordt de aanvraag
ook niet doorgeleid naar de adviseurs, de NLPO en de gemeenteraad (zie hierna). Uit
het vereiste van de gerichtheid in de statuten op een specifiek lokaal verzorgingsgebied
volgt dat een instelling niet voor meer dan één lokaal verzorgingsgebied kan worden
aangewezen als lokale publieke omroep. Dat is anders dan in de huidige wet. Deze beperking
heeft te maken met de opschaling die dit wetsvoorstel beoogt, en ondersteunt het onderscheid
tussen het regionale en het lokale domein.
Pbo
Voor het pbo blijft gelden dat het representatief is voor de belangrijkste maatschappelijke,
culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen die in het verzorgingsgebied voorkomen.
Aan de vereisten voor het pbo wordt toegevoegd dat het pbo een afzonderlijk orgaan
van de instelling is en dat het bestaat uit ten minste vijf leden, onder wie de voorzitter.
Afzonderlijk orgaan betekent bijvoorbeeld dat het bestuur niet (ook) kan functioneren
als pbo. Het minimumaantal van vijf leden moet de representativiteit ondersteunen.
Bij de aanvraag voor aanwijzing als lokale publieke omroep moet de aanvrager een pbo
hebben dat aan bovenstaande vereisten voldoet. Het is dan nog niet vereist dat het
pbo het voorgenomen beleid voor het media-aanbod heeft vastgesteld. Dit zou een te
zwaar vereiste zijn, met name voor aanvragers die nog niet zijn aangewezen als lokale
publieke omroep.
De leden van een pbo vertegenwoordigen organisaties die actief zijn binnen een van
de genoemde stromingen in de betreffende gemeente(n). Representativiteit betekent
niet dat er voor iedere gemeente binnen een lokaal verzorgingsgebied één pbo-lid moet
zijn. Het pbo als geheel moet representatief zijn voor de benoemde stromingen in het
gehele verzorgingsgebied. Een vertegenwoordiger van een stroming kan ook inwoners
vertegenwoordigen die weliswaar in een andere gemeente wonen, maar tot dezelfde stroming
behoren. Wat de belangrijkste stromingen binnen een lokaal verzorgingsgebied zijn,
verschilt per gebied. Het is niet aan de wetgever om dit voor verzorgingsgebieden
nader in te vullen. Voorbeelden van stromingen waarvan gebruikelijk is dat ze worden
vertegenwoordigd in een pbo zijn: kunst- en cultuurorganisaties, scholengemeenschappen,
kerkgenootschappen, vakbonden, ondernemersverenigingen, sportverenigingen, jongerenwerk
en welzijnsorganisaties.
De ledenlijst van het pbo bevat een overzicht van de stromingen in het lokale verzorgingsgebied
en van de personen die als vertegenwoordiger van een bepaalde stroming lid zijn van
het pbo. Deze gegevens zijn nodig om de representativiteit van het pbo te kunnen beoordelen.
Het kan hierbij gaan om bijzondere persoonsgegevens in de zin van de Algemene Verordening
Gegevensbescherming (hierna: AVG).142 Het wetsvoorstel voorziet daarom in de mogelijkheid van de rechtmatige verwerking
van deze persoonsgegevens door het Commissariaat en de gemeenteraad (zie ook paragraaf
3.2).
Beleidsplan
Een nieuw vereiste is dat de aanvrager een beleidsplan overlegt, dat aan een aantal
criteria voldoet. Het beleidsplan:
– is afgestemd op het concessiebeleidsplan van de NLPO;
– bevat een overzicht van de voorgenomen aanbodkanalen; alsmede
– het voorgenomen beleid ten aanzien van het media-aanbod;
– de voornemens en afspraken over samenwerkingen binnen het publieke mediabestel;
– de voornemens over het bedienen van de geografische en sociaal-culturele verscheidenheid
in het lokale verzorgingsgebied;
– de voornemens over de zichtbaarheid en vindbaarheid van het media-aanbod in het lokale
verzorgingsgebied;
– de voornemens en afspraken over de inzet van vrijwilligers en over samenwerking met
partners in het lokale verzorgingsgebied.
Bij het bedienen van de verscheidenheid in het lokale verzorgingsgebied kan bijvoorbeeld
gedacht worden aan een beschrijving in het beleidsplan waaruit blijkt hoe de aanvrager
de verschillende individuele gemeenten in het verzorgingsgebied wil gaan bedienen.
Ook kan worden beschreven hoe de aanvrager een specifieke doelgroep, zoals jongeren,
in het verzorgingsgebied wil gaan bereiken. Bij samenwerkingen met andere partijen
in het publieke mediabestel gaat het bijvoorbeeld over projecten met de NOS, een regionale
publieke omroep in de betreffende provincie of met een nabijgelegen lokale publieke
omroep. Inzet van vrijwilligers ziet op hun inzet voor het uitvoeren van de publieke
mediaopdracht, bijvoorbeeld door het verzorgen van uitzendingen. Voorbeelden van samenwerkingen
met lokale partners in het verzorgingsgebied zijn gezamenlijke projecten met bibliotheken,
scholen, sportverenigingen of culturele organisaties.
Begroting
Eveneens een nieuw vereiste is dat de aanvrager een meerjarenbegroting moet hebben
voor de duur van de aanwijzingsperiode, met daarin een overzicht van de baten en lasten
in verband met de uitvoering van het beleidsplan en een toelichting daarop.
Adviezen
De advisering over de aanvragen wordt anders ingericht. De NLPO wordt toegevoegd als
adviseur en de adviesvraag aan de gemeenteraad wordt specifieker. Elk brengt vanuit
de eigen rol advies uit aan het Commissariaat. De NLPO doet dat vanuit haar wettelijke
rol als samenwerkings- en coördinatieorgaan. De gemeenteraad, als representatief orgaan
van de gemeente, doet dat op basis van zijn kennis van (een deel van) het verzorgingsgebied
en vanuit het belang van binding tussen een lokale publieke omroep en die gemeente,
als onderdeel van het verzorgingsgebied.143 Uit het wetsvoorstel volgt verder dat de NLPO en de gemeenteraad elk aan de hand
van een eigen, bij hun rol passende, set van de wettelijke criteria adviseren.
De NLPO adviseert over een aanvraag aan de hand van de volgende criteria:
– de aanvrager heeft een beleidsplan dat is afgestemd op het concessiebeleidsplan van
de NLPO.
– het beleidsplan bevat:
– een overzicht van de voorgenomen aanbodkanalen;
– het voorgenomen beleid ten aanzien van het media-aanbod; en
– de voornemens en afspraken over samenwerkingen binnen het publieke mediabestel.
– de aanvrager heeft een begroting voor de aanwijzingsperiode, met daarin een overzicht
van de baten en lasten in verband met de uitvoering van het beleidsplan en een toelichting
daarop.
De gemeenteraad adviseert over een aanvraag aan de hand van de volgende criteria:
– de aanvrager heeft een pbo dat een afzonderlijk orgaan is, bestaat uit vijf of meer
leden (onder wie de voorzitter), en dat representatief is voor de belangrijkste maatschappelijke,
culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen die in het verzorgingsgebied voorkomen.
– het beleidsplan van de aanvrager bevat:
– de voornemens over het bedienen van de geografische en sociaal-culturele verscheidenheid
in het lokale verzorgingsgebied;
– de voornemens over de zichtbaarheid en vindbaarheid van het media-aanbod in het lokale
verzorgingsgebied; en
– de voornemens en afspraken over de inzet van vrijwilligers en over samenwerking met
partners in het lokale verzorgingsgebied.
Het is niet wenselijk dat de gemeenteraad adviseert over de (voorgenomen) inhoud van
het media-aanbod. In dit kader kan ook worden verwezen naar artikel 2.1, tweede lid,
onderdeel d, van de Mediawet 2008, waarin is bepaald dat publiek media-aanbod vrij
is van overheidsinvloeden. Om dit te expliciteren is in de bepaling over de adviestaken
opgenomen dat het advies van de gemeente geen betrekking heeft op de inhoud van het
media-aanbod.144
Bij de advisering door de NLPO en de gemeenteraad, zoals hierboven beschreven, komen
governance-aspecten van de kandidaat-omroep aan de orde. Immers zal uit het beleidsplan
en de begroting moeten blijken dat de kandidaat in staat zal zijn de voornemens uit
het beleidsplan te realiseren, en zal er een pbo moeten zijn dat voldoet aan de gestelde
eisen.
Meerdere aanvragers
Indien er sprake is van één aanvrager voor een verzorgingsgebied volstaat een kwalitatief
onderbouwd advies van de adviseurs over de aanvraag, aan de hand van de hierboven
genoemde wettelijke criteria. Er kan ook sprake zijn van meerdere aanvragen voor één
verzorgingsgebied. De huidige bepaling in de Mediawet 2008 die regelt dat het gemeentebestuur,
ingeval meer dan één aanvrager voldoet aan de formele vereisten, moet bevorderen dat
die instellingen samengaan, vervalt.145 Het wetsvoorstel bepaalt voor deze situatie dat de adviseurs ieder een rangorde van
geschiktheid aanbrengen in hun advisering.
Dit betekent dat de NLPO per wettelijk criterium de aanvragen rangschikt, op basis
van toegekende scores. Ook de gemeenteraad rangschikt de aanvragen op dezelfde manier
per wettelijk criterium, op basis van toegekende scores. Het Commissariaat kan nadere
invulling geven aan de precieze manier waarop het aanbrengen van deze rangorde per
criterium wordt vormgegeven. Ook kan het Commissariaat concrete handvatten (zoals
een vast format) ontwikkelen om de adviseurs hierbij te helpen. Dit bevordert de eenduidigheid
van de adviezen. Het wetsvoorstel neemt daartoe een delegatiegrondslag op in de Mediawet
2008.
Meerdere gemeenten betrokken
Er zullen, bij een maximum van tachtig verzorgingsgebieden, veel verzorgingsgebieden
zijn die uit meerdere gemeenten bestaan. Binnen die verzorgingsgebieden brengt iedere
gemeenteraad een eigen advies uit over de ingediende aanvragen. Het gezamenlijke advies
uit de huidige Mediawet 2008 keert niet terug. Het lijkt de regering wenselijk dat
rekening wordt gehouden met de omvang van een gemeente in het gewicht van het advies
van de gemeenteraad. Voorgesteld wordt dat, in geval van advisering door meer dan
één gemeente, door het Commissariaat aan elk advies per criterium een bepaald gewicht
wordt toegekend. Dit gewicht is het aantal raadsleden dat een gemeenteraad heeft op
basis van artikel 8, eerste lid, van de Gemeentewet. Bij de introductie van de gemeenteraad
in de eerste Gemeentewet van het kabinet-Thorbecke I is wettelijk geregeld dat het
aantal gemeenteraadsleden afhankelijk is van het inwoneraantal van een gemeente.146 Sinds 1994 zijn in artikel 8, eerste lid, van de Gemeentewet zeventien klassen opgenomen,
waarbij het aantal inwoners is gekoppeld aan een (oneven) aantal raadsleden.147 De kleinste gemeenten met een inwoneraantal tot en met 3000 hebben negen raadsleden.
De grootste gemeenten met een inwoneraantal van meer dan 200.000 hebben 45 raadsleden.
Door de weging die het Commissariaat toepast te baseren op het wettelijke aantal raadsleden,
wordt op een evenwichtige, uitvoerbare en toekomstbestendige manier rekening gehouden
met de verschillen tussen grotere en kleinere gemeenten in een verzorgingsgebied.
Besluitvorming Commissariaat
Het voorstel beoogt het besluitvormingskader van het Commissariaat te verduidelijken.
In beginsel geldt voor de situatie van meerdere aanvragen voor één verzorgingsgebied
het verdelingsmechanisme van de onderlinge afweging van de aanvragen. Het Commissariaat
bepaalt welke aanvrager het meest geschikt is in het licht van de criteria en de adviezen.
Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in afwijzingsgronden. Het Commissariaat kan een
aanvraag afwijzen op basis van vier gronden:
– de aanvraag bevat geen statuten waaruit blijkt dat de aanvrager een rechtsbevoegde
rechtspersoon is, zich ten doel stelt de publieke mediaopdracht op lokaal niveau uit
te voeren en beschikt over een pbo;
– de aanvraag voldoet in onvoldoende mate aan één of meerdere criteria waarover de NLPO
dan wel de gemeenteraad om advies is gevraagd;
– uit de aanvraag blijkt dat het voorgenomen media-aanbod van de aanvrager in onvoldoende
mate voldoet aan de eisen uit de Mediawet 2008; of
– mede gelet op de handelwijze van de aanvrager in een vorige periode waarin zij was
aangewezen als lokale publieke omroep bestaat gegronde reden om aan te nemen dat de
instelling zich niet zal houden aan de eisen uit de Mediawet 2008.
De wettelijke criteria krijgen door de afwijzingsgronden ook de functie van minimumeisen.
Het Commissariaat kan een aanvraag afwijzen als aan die criteria onvoldoende is voldaan.
Deze keuze is gemaakt ten behoeve van het zekerstellen van een minimale kwaliteit
en geschiktheid van een aan te wijzen instelling.
Het voorstel bevat geen bepalingen over de onderlinge verhouding van de criteria of
de weging van de adviezen van de NLPO en de gemeenteraad ten opzichte van elkaar.
Daarbij is van belang dat de adviezen van de NLPO en de gemeenteraad elkaar niet overlappen.
Zij zien op verschillende criteria. Als een aanvragende instelling in onvoldoende
mate voldoet aan één van de criteria waarover advies wordt gevraagd, aan de NLPO dan
wel aan de gemeenteraad, kan het Commissariaat de aanvraag afwijzen. Het voorstel
plaatst niet één of sommige van de criteria of adviezen in een preferente positie
ten opzichte van de andere.
Over te leggen stukken
Voorgesteld wordt om een delegatiegrondslag op te nemen in de Mediawet 2008 zodat
voor een aantal voor de hand liggende stukken kan worden bepaald dat ze moeten worden
overgelegd bij de aanvraag. Het gaat in elk geval om de statuten van de instelling,
de ledenlijst van het pbo, en het beleidsplan alsmede de begroting voor de aanwijzingsperiode
van vijf jaar.148
Aanwijzingen zijn schaarse rechten
Aanwijzingen als lokale publieke omroep zijn schaarse rechten. Voor de verdeling daarvan
moet aan (potentiële) gegadigden de ruimte worden geboden om mee te dingen naar de
beschikbare rechten, gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel dat hier strekt tot het
bieden van gelijke kansen. Hierbij hoort openbaarheid over de beschikbaarheid van
een aanwijzing, de verdelingsprocedure, het aanvraagtijdvak en de criteria. Voorafgaand
aan de start van de aanvraagprocedure zal over deze aspecten op geschikte wijze informatie
worden gegeven.149 De regering meent dat de nieuwe aanwijzingsprocedure zoals die hierboven is uiteengezet
de voorwaarden schept voor een eerlijke mededinging naar de aanwijzing als lokale
publieke omroep.
Aanwijzingen gelijktijdig
Ten slotte is vanuit het oogpunt van samenwerking en coördinatie nodig dat aanwijzingen
op hetzelfde moment beginnen. Dat wordt in dit voorstel geregeld. Het beginmoment
van de aanwijzingen valt samen met het begin van een vijfjaarlijkse concessiebeleidsplanperiode
van de NLPO. Procedureel gezien betekent dit dat er in het nieuwe stelsel eens per
vijf jaar een vast moment komt waarop de aanwijzingsprocedure voor alle verzorgingsgebieden
open wordt gesteld. Er wordt een delegatiegrondslag opgenomen in de Mediawet 2008
voor vaststelling bij ministeriële regeling van aanvraag-, advies- en beslistermijnen.150 Ook dit creëert duidelijkheid voor aangewezen omroepen, nieuwe gegadigden, gemeenten,
de NLPO en het Commissariaat.
Aangescherpte aanwijzingsprocedure in het kort
De voorgestelde aanwijzingsprocedure ziet er alles bij elkaar als volgt uit. De aanwijzingsprocedure
vindt iedere vijf jaar plaats voor alle lokale verzorgingsgebieden tegelijk. De aanwijzingsperiode
van vijf jaar valt samen met een periode waarvoor het concessiebeleidsplan NLPO geldt.
Een aanvraag tot aanwijzing wordt ingediend bij het Commissariaat. Daarbij moet de
aanvrager in ieder geval de statuten, de ledenlijst van het pbo, een beleidsplan en
een begroting overleggen. Als de aanvraag volledig is en voldoet aan de formele vereisten,
stuurt het Commissariaat de aanvraag ter advisering door naar de NLPO en de betreffende
gemeenteraad of -raden in het lokale verzorgingsgebied. NLPO en gemeenteraad brengen
vervolgens parallel advies uit aan het Commissariaat, aan de hand van de wettelijke
criteria die aan hen ter advisering zijn toebedeeld. Indien er meerdere aanvragers
zijn, brengen de NLPO en gemeenteraad een rangorde per criterium aan in hun advisering.
Bij advisering door meer dan één gemeente krijgt het advies van de raad per criterium
het gewicht van het aantal leden van de raad. Het Commissariaat beoordeelt de aanvraag
met inachtneming van de adviezen. In het geval van meerdere aanvragen voor één lokaal
verzorgingsgebied komt het Commissariaat na onderlinge afweging tot een keuze. Als
één van de afwijzingsgronden van toepassing is, kan het Commissariaat afwijzen. Uiteindelijk
besluit het Commissariaat tot het al dan niet aanwijzen van een aanvrager als lokale
publieke omroep voor het betreffende lokale verzorgingsgebied.
2.6 Overige vereisten lokale publieke omroepen
Hieronder wordt een aantal voor de lokale publieke omroepen of de NLPO nieuwe of gewijzigde
vereisten besproken, die niet al in de eerdere paragrafen aan de orde zijn geweest.
Reglement pbo
In het kader van de aanwijzingsprocedure moet het pbo aan een aantal vereisten voldoen.
Er wordt nog een vereiste voorgesteld, maar dat is pas van toepassing nadat een lokale
publieke omroep is aangewezen. Dan moet het pbo een reglement hebben over samenstelling
en werkwijze, dat in elk geval voorschriften geeft over onverenigbaarheden.151 De regering vindt dit vereiste voor het functioneren van een pbo noodzakelijk, maar
acht het als aanwijzingscriterium te zwaar.
Vereenvoudigen ICE-norm
Het huidige artikel 2.70 van de Mediawet 2008 bevat een kwalitatieve norm voor het
media-aanbod van regionale en lokale publieke omroepen. Deze norm houdt in dat per
programmakanaal het aanbod voor ten minste de helft van de duur bestaat uit aanbod
van informatieve, culturele en educatieve aard (ICE), dat in het bijzonder betrekking
heeft op het verzorgingsgebied waarvoor het aanbod is bestemd. Bovendien moet vijftig
procent van dit aanbod door de regionale of lokale publieke omroep zelf of uitsluitend
in zijn opdracht zijn geproduceerd.152 Dit laatste vereiste is mede op gedelegeerd niveau bepaald. De voorgeschreven percentages
kunnen en zullen elkaar (deels) overlappen.
Deze norm voor ICE vormt een nadere invulling van de publieke mediaopdracht uit artikel
2.1 van de Mediawet 2008 voor het lokale niveau. Het wetsvoorstel bevat echter andere
sturende elementen voor die invulling. In het bijzonder zijn dit het concessiebeleidsplan
NLPO, waarin de NLPO moet beschrijven hoe de publieke mediaopdracht op lokaal niveau
voor de komende vijf jaar wordt uitgevoerd, en de prestatieovereenkomst tussen de
NLPO en de Minister van OCW. De introductie van de verplichte prestatieovereenkomst
voor de NPO was in 2008 reden om de toenmalige ICE-norm voor de landelijke publieke
omroepen te laten vervallen.153
Blijvend relevante elementen uit de norm zijn een minimumpercentage (van vijftig procent)
voor aanbod dat in het bijzonder betrekking heeft op het verzorgingsgebied en een
minimumpercentage (van vijftig procent) voor aanbod dat door de omroep zelf of uitsluitend
in zijn opdracht is geproduceerd. De minimumpercentages ondersteunen het publieke
karakter van het aanbod. Deze vereisten keren terug in de nieuwe bepaling. Omwille
van de duidelijkheid wordt de nieuwe norm in haar geheel op wetsniveau geregeld, dat
wil zeggen dat de huidige delegatiegrondslag vervalt.
Omdat het huidige artikel moeilijk leesbaar is, de argumenten voor vereenvoudiging
evenzeer gelden voor de regionale publieke omroep en er vermindering van regeldruk
volgt uit de aanpassing, is er hier voor gekozen de vernieuwde norm voor te stellen
voor zowel de regionale als de lokale publieke omroepen.
Aanvullend op vereenvoudiging van artikel 2.70 van de Mediawet 2008 stelt de regering
voor om artikel 2.71 van de Mediawet 2008 te schrappen. Het huidige artikel 2.71 geeft
lokale publieke omroepen de mogelijkheid om, via samenwerking met een regionale publieke
omroep, onder minder strenge vereisten voor het media-aanbod te vallen dan volgt uit
het huidige artikel 2.70 van de Mediawet 2008. De regering meent dat een dergelijke
verzachting van eisen in het licht van de professionalisering van de lokale publieke
omroepen als gevolg van dit wetsvoorstel niet nodig en ook niet wenselijk is. Het
schrappen van artikel 2.71 doet niets af aan de mogelijkheden die lokale en regionale
publieke omroepen hebben om samen te werken in het kader van de publieke mediaopdracht.
Quotum oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige producties
Voor elk televisiekanaal van een lokale publieke omroep gaat gelden dat het programma-aanbod
voor ten minste vijftig procent van de duur bestaat uit oorspronkelijk Nederlands-
of Friestalige producties. Deze bepaling geldt al voor landelijke en regionale publieke
omroepen.154
Bestuurlijke organisatie, bedrijfsprocessen en administratie
De Mediawet 2008 geeft voorschriften voor de inrichting van de bestuurlijke organisatie
van de NPO en de landelijke publieke omroepen en van de RPO en de regionale publieke
omroepen. Deze voorschriften worden ook van toepassing op de NLPO en de lokale publieke
omroepen.155 Daarnaast gelden voor de landelijke en regionale publieke omroepen en de Ster vereisten
voor bedrijfsprocessen en administratie. Ook voor de lokale publieke omroepen gaan
deze vereisten gelden.156
2.7 Gevolgen voor reikwijdte toezicht Commissariaat voor de Media
Het Commissariaat is de toezichthouder voor de Mediawet 2008. Het toezicht van het
Commissariaat strekt zich op grond van de huidige wet al uit over de lokale publieke
omroepen. Zo gelden de voorschriften van de Mediawet 2008 die zich in algemene zin
richten tot publieke omroepen immers ook voor lokale publieke omroepen. Het gaat dan
over de publieke mediaopdracht, het redactiestatuut, bepalingen over reclame, sponsoring,
nevenactiviteiten en het dienstbaarheidsverbod. De lokale publieke omroepen moeten
al volgens huidig recht alle inkomsten aanwenden voor de uitvoering van de publieke
mediaopdracht. Dit voorschrift geldt voor alle publieke omroepen en voor de NPO en
de RPO. Het Commissariaat houdt toezicht op al deze bepalingen. Ook houdt het Commissariaat
toezicht op de ICE-norm voor media-aanbod van regionale en lokale publieke omroepen,
die in dit wetsvoorstel wordt vereenvoudigd. Het toezicht dat het Commissariaat al
heeft, blijft.
De reikwijdte van het toezicht van het Commissariaat wordt aangepast in verband met
de verandering van de organisatie van de lokale publieke mediadienst. De NLPO komt
onder het toezicht van het Commissariaat te vallen. Daarnaast wordt het toezicht op
de lokale publieke omroepen verbreed. Het gaat bij de voorgestelde aanpassingen, zowel
voor de NLPO als voor de lokale publieke omroepen, in beginsel om bestaande bepalingen
of voorhanden systematiek van de Mediawet 2008 waaruit toezichtbevoegdheden voor het
Commissariaat voortvloeien. Deze toezichtbevoegdheden worden ook van toepassing voor
de NLPO of de lokale publieke omroepen.
De NLPO zal vallen onder de regels voor nevenactiviteiten en het dienstbaarheidsverbod.
Ook de NLPO zal alle inkomsten moeten aanwenden voor de uitvoering van de publieke
mediaopdracht. Als gezegd houdt het Commissariaat toezicht op deze regels. Het Commissariaat
wordt belast met de rechtmatigheidstoetsing van de uitgaven van de NLPO en de lokale
publieke omroepen. Daartoe worden de NLPO en de omroepen verplicht hun jaarrekening
aan het Commissariaat te zenden. Op de NLPO en de lokale publieke omroepen zullen
de bepalingen over reservevorming van toepassing zijn. Dit geldt ook voor de terugvorderingsbevoegdheid
van het Commissariaat. Daarnaast worden de voorschriften over de inrichting van de
bestuurlijke organisatie op hen van toepassing. Voor de lokale publieke omroepen gaan
bovendien bepalingen over bedrijfsprocessen en administratie gelden. De lokale publieke
omroepen zullen voortaan ook moeten voldoen aan een quotum voor oorspronkelijk Nederlands-
of Friestalige producties. Op al die voorschriften houdt het Commissariaat toezicht.
Op deze manier worden de NLPO en de lokale publieke omroepen opgenomen in het toezicht
dat langs die lijnen geldt voor de RPO en regionale publieke omroepen. De bevoegdheid
van het Commissariaat tot het opleggen van bestuursrechtelijke sancties wordt ook
volgens die analogie uitgebreid ten aanzien van de NLPO en de lokale publieke omroepen.
3. Verhouding tot hoger recht
3.1 Staatssteunregels Europese Unie
Lokale publieke omroepen en staatssteun
Overheidsfinanciering van lokale publieke omroepen dient te gebeuren met inachtneming
van de staatssteunregels van de EU. Op grond van artikel 107, eerste lid, van het
Verdrag betreffende de werking van de EU (hierna: VWEU) is sprake van staatssteun
als (1) met overheidsmiddelen, (2) bepaalde ondernemingen (3) worden begunstigd, waardoor
(4) de mededinging kan worden vervalst en (5) de handel tussen lidstaten ongunstig
kan worden beïnvloed. Dit zijn cumulatieve voorwaarden. Staatssteun die niet is uitgezonderd
of vrijgesteld op basis van Unierechtelijke kaders is in beginsel niet toegestaan,
wegens onverenigbaarheid met de interne markt.
Lokale publieke omroepen zijn aan te merken als ondernemingen en vallen in beginsel
binnen de reikwijdte van het staatssteunverbod. De Europese Commissie ziet echter
niet alleen het economische karakter van de omroepsector, maar onderschrijft ook het
algemeen belang ervan.157 Om die reden is publieke financiering van de publieke omroep onder voorwaarden toegestaan.
Lidstaten kunnen de publieke omroep belasten met een dienst van algemeen economisch
belang (hierna: DAEB). Ook dan zal echter moeten worden voldaan aan de staatssteunregels.158
De positie van de publieke omroep als DAEB is verduidelijkt in een interpretatief
protocol bij het Verdrag van Amsterdam van 1997, het Protocol van Amsterdam.159 Dit protocol erkent de bevoegdheid van lidstaten om te voorzien in de financiering
van de publieke omroep, voor zover deze financiering wordt verleend aan omroeporganisaties
voor het vervullen van de publieke opdracht zoals toegekend, bepaald en georganiseerd
door die lidstaat, en het handelsverkeer en de mededinging niet onevenredig worden
geschaad.
DAEB-Vrijstellingsbesluit
Voorgenomen staatssteun moet in beginsel worden aangemeld bij de Europese Commissie.
Het DAEB-Vrijstellingsbesluit maakt echter onder voorwaarden mogelijk dat staatssteun
die compensatie is voor een DAEB verenigbaar is met de interne markt en is vrijgesteld
van de aanmeldingsverplichting.160 In dit wetsvoorstel wordt de financiering van de lokale publieke omroepen zo vormgegeven
dat wordt voldaan aan het DAEB-Vrijstellingsbesluit. De voorwaarden van het DAEB-Vrijstellingsbesluit
en de wijze waarop daaraan wordt voldaan worden hierna behandeld.
Toepassingsgebied
Voor toepasselijkheid van het DAEB-Vrijstellingsbesluit mag de staatssteun niet meer
bedragen dan 15 miljoen euro per onderneming per jaar.161 Bovendien mag de periode waarover de onderneming wordt belast met de DAEB niet langer
zijn dan tien jaar.162
Aan beide voorwaarden wordt met het wetsvoorstel voldaan nu de compensatie per lokale
publieke omroep naar redelijkerwijs kan worden voorzien ruim onder het genoemde maximum
blijft, en de aanwijzing als lokale publieke omroep (en daarmee de vestiging van de
DAEB) door het Commissariaat geldt voor een periode van vijf jaar.
Belasten/compensatie/controle
Verder geeft het DAEB-Vrijstellingsbesluit vereisten voor het belasten van een onderneming
met een DAEB, de hoogte van het compensatiebedrag en de vaststelling daarvan, en de
controle op overcompensatie.
Belasten
Volgens artikel 4 van het DAEB-Vrijstellingsbesluit moet een onderneming worden belast
met een DAEB door middel van één of meer besluiten die duidelijkheid geven over onder
meer de openbare taak, de onderneming, de compensatie, en het vermijden van overcompensatie.
Ook moet naar het DAEB-Vrijstellingsbesluit worden verwezen.
In het wetsvoorstel komen de vereiste elementen aan de orde. Hierna wordt uiteengezet
hoe duidelijkheid wordt gegeven over de taak, namelijk de uitvoering van de lokale
publieke mediaopdracht, en over de onderneming, namelijk de lokale publieke omroep.
De duidelijkheid over de compensatie en de controle op overcompensatie wordt behandeld
onder de desbetreffende kopjes.
Het wetsvoorstel voorziet erin dat wat betreft de taak en de onderneming stapsgewijs
duidelijkheid wordt gegeven.
Om te beginnen beschrijft artikel 2.1 van de Mediawet 2008 de publieke mediaopdracht,
die geldt voor alle lagen van het publieke omroepbestel, en derhalve ook voor de lokale
publieke omroepen. De publieke mediaopdracht op lokaal niveau wordt volgens het wetsvoorstel
nader uitgewerkt door de NLPO in het concessiebeleidsplan NLPO, dat zij als wettelijk
samenwerkings- en coördinatieorgaan iedere vijf jaar moet opstellen (zie paragraaf
2.4). Het wetsvoorstel stelt specifieke eisen aan het concessiebeleidsplan NLPO.163 Het plan dient een beschrijving te geven van de wijze waarop de publieke mediaopdracht
op lokaal niveau in de komende vijf jaar wordt uitgevoerd, inclusief kwantitatieve
en kwalitatieve doelstellingen, het beoogde publieksbereik en de middelen die daarvoor
nodig zijn. Het concessiebeleidsplan NLPO moet opgesteld en gepubliceerd zijn vóór
het starten van de vijfjaarlijkse aanwijzingsprocedure voor lokale publieke omroepen
(zie paragraaf 2.5).
Iedere instelling die bij het Commissariaat een aanvraag voor aanwijzing als lokale
publieke omroep indient, moet naast een begroting een beleidsplan bijvoegen dat is
afgestemd op het concessiebeleidsplan NLPO.164 Het beleidsplan van de instelling moet onder meer een overzicht bevatten van de voorgenomen
aanbodkanalen. In de aanwijzingsprocedure heeft de NLPO een adviesrol ten aanzien
van de afstemming van het beleidsplan van de instelling op het concessiebeleidsplan
NLPO. Als een beleidsplan in onvoldoende mate is afgestemd op het concessiebeleidsplan
NLPO is dat een grond voor afwijzing van de aanvraag door het Commissariaat. Een overzicht
van de aanbodkanalen van alle lokale publieke omroepen is opgenomen in de begroting
die de NLPO jaarlijks maakt voor zichzelf en de lokale omroepen samen.165
Het wetsvoorstel bepaalt dat een prestatieovereenkomst wordt gesloten tussen de Minister
van OCW en de NLPO.166 Hierin worden afspraken gemaakt over de inzet van de NLPO ten behoeve van het lokale
publieke media-aanbod, alsmede over rapportage en maatregelen bij het niet-naleven
van de afspraken.
De aanwijzing als lokale publieke omroep door het Commissariaat is een beschikking.
De betreffende aanvrager wordt daarin, na een succesvol doorlopen aanwijzingsprocedure,
aangewezen als lokale publieke omroep voor een bepaald lokaal verzorgingsgebied voor
de duur van vijf jaar.167 De aanwijzingsprocedure voor lokale publieke omroepen wordt met dit wetsvoorstel
aangescherpt en sterker verbonden met de publieke mediaopdracht voor het lokale niveau
en de uitwerking daarvan (zie paragraaf 2.6). Daarmee is de betekenis van de aanwijzing
voor de duidelijkheid over het belasten met de DAEB versterkt. De lokale publieke
omroep wordt bij de aanwijzing belast met de uitvoering van de wettelijke publieke
mediaopdracht op lokaal niveau die is uitgewerkt in het concessiebeleidsplan NLPO
en de prestatieovereenkomst, en die voor het specifieke lokale verzorgingsgebied nader
is beschreven in het beleidsplan en de begroting van de lokale publieke omroep, waarbij
het beleidsplan onder meer de voorgenomen aanbodkanalen bevat.
Voor het bewaken van de inhoud van de taak, alsmede de afbakening en de uitvoering
daarvan is van belang dat het publieke mediabestel een onafhankelijke toezichthouder
heeft: het Commissariaat. Inrichting en bevoegdheden van het Commissariaat zijn geregeld
in de Mediawet 2008. Het Commissariaat is een zelfstandig bestuursorgaan, dat wil
zeggen dat het niet hiërarchisch ondergeschikt is aan de Minister van OCW. Het Commissariaat
is belast met het bestuursrechtelijke toezicht op hetgeen is bepaald bij of krachtens
de Mediawet 2008.168 Het Commissariaat heeft de bevoegdheid om bestuursrechtelijke sancties op te leggen.169 De lokale publieke omroepen vallen in het toekomstige stelsel in beginsel onder het
toezicht door het Commissariaat (zie paragraaf 2.7).170
Ten slotte regelt het wetsvoorstel dat iedere lokale publieke omroep gedurende de
aanwijzingsperiode een zelfevaluatie uitvoert over de manier waarop deze uitvoering
geeft aan de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. De NLPO heeft hierbij een coördinerende
rol (zie paragraaf 2.4). Verder is de NLPO bevoegd om een nadere onafhankelijke evaluatie
uit te laten voeren, voor zover de evaluatie van lokale omroepen daartoe aanleiding
geeft. Deze evaluatie ziet op de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal
niveau of een deel van deze uitvoering, op de NLPO of op een deel van de lokale publieke
omroepen. Beide evaluaties, die openbaar worden gemaakt, zorgen ervoor dat er periodiek
en gestructureerd informatie beschikbaar komt over de uitvoering van de publieke mediaopdracht
op lokaal niveau.171
Wat betreft verwijzing naar het DAEB-Vrijstellingsbesluit maakt deze toelichting duidelijk
dat voor de voorgenomen financiering van de lokale publieke omroepen gebruik wordt
gemaakt van het DAEB-Vrijstellingsbesluit.
Compensatie
Artikel 5 van het DAEB-Vrijstellingsbesluit stelt als voorwaarde dat het compensatiebedrag
niet hoger is dan nodig voor de dekking van de netto kosten van de publieke taak,
met inbegrip van een redelijke winst. Alleen de kosten in verband met de DAEB kunnen
in aanmerking worden genomen. Indien door een onderneming ook niet-DAEB-activiteiten
worden verricht, is een gescheiden boekhouding verplicht. De Europese Commissie staat
toe dat dat de beperking van de compensatie tot de kosten die noodzakelijk zijn voor
de uitvoering van de publieke taak wordt bereikt door een systeem van een jaarlijkse
begroting vooraf en controle en verificatie achteraf.172
Volgens het wetsvoorstel dient een lokale publieke omroep gedurende de aanwijzingsperiode
jaarlijks een bekostigingsaanvraag in bij het Commissariaat, inclusief begroting.
Op basis daarvan neemt het Commissariaat ieder jaar een besluit over de bekostiging
van de betreffende lokale omroep.173 In het opvolgende jaar wordt door de lokale publieke omroep een jaarrekening ingediend
bij het Commissariaat.174 Op basis van de jaarrekening toetst het Commissariaat of de lokale publieke omroep
de gelden heeft besteed volgens de regels uit de wet of de daarop berustende lagere
regelgeving. Het wetsvoorstel voegt aan de Mediawet 2008 een delegatiegrondslag toe
voor regelgeving over de inrichting van begrotingen en jaarrekeningen van de lokale
publieke omroepen. Op grond van deze stukken moet helder en controleerbaar zijn dat
de omroepen de publieke middelen ook daadwerkelijk gebruiken voor de uitvoering van
de publieke mediaopdracht op lokaal niveau.
Lokale publieke omroepen zijn al verplicht om alle inkomsten te besteden aan de uitvoering
van de publieke mediaopdracht.175 Dat wordt met dit wetsvoorstel niet anders. Daarbij regelt het wetsvoorstel dat het
Commissariaat aan lokale publieke omroepen alleen een bijdrage kan verstrekken in
de kosten die rechtstreeks verband houden met het verzorgen van lokale publieke mediadiensten,
en uitsluitend voor zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt.176 Hiermee wordt overcompensatie voorkomen.
Voor lokale publieke omroepen geldt al dat zij hun commerciële activiteiten – nevenactiviteiten
genoemd – alleen mogen verrichten na toestemming van het Commissariaat. Nevenactiviteiten
moeten marktconform worden verricht.177 Het is lokale publieke omroepen verboden om dienstbaar te zijn aan het maken van
winst door derden.178 Dit verbod betekent dat de lokale publieke omroepen geen samenwerkingen met derden
mogen aangaan waaruit deze derden een concurrentievoordeel kunnen halen. Een voorbeeld
hiervan is het betalen van meer dan normale marktprijzen voor diensten van derden.
Tevens wordt een gescheiden boekhouding voor door de overheid gefinancierde en commerciële
activiteiten voorgeschreven.
Controle op overcompensatie
Volgens artikel 6 van het DAEB-Vrijstellingsbesluit moet eventueel ontvangen overcompensatie
door de onderneming worden terugbetaald. Er geldt een maximum reserve van tien procent
van de gemiddelde jaarlijkse compensatie.
Volgens het wetsvoorstel bedraagt het totaal aan gereserveerde gelden in een kalenderjaar
niet meer dan tien procent van de uitgaven van de lokale publieke omroep.179 Het Commissariaat krijgt de bevoegdheid om geld bij de lokale publieke omroepen terug
te vorderen, indien dat geld is gebruikt in strijd met het bepaalde bij of krachtens
de Mediawet 2008, of het totaal aan gereserveerde gelden in een kalenderjaar meer
bedraagt dan tien procent van de uitgaven van de lokale publieke omroep.180
Het wetsvoorstel bevat ten slotte een regeling over de beëindiging van de publieke
activiteiten van een lokale publieke omroep, ingeval de omroep commerciële mediadiensten
gaat aanbieden, dan wel de aanwijzing van rechtswege eindigt of wordt ingetrokken.
Er dient dan een eindafrekening te worden opgemaakt en het Commissariaat vordert het
te veel betaalde terug. Deze gelden worden toegevoegd aan de algemene mediareserve.181
Conclusie
Gelet op het bovenstaande wordt met het wetsvoorstel voldaan aan de voorwaarden van
het DAEB-Vrijstellingsbesluit, zodat de voorgenomen staatssteun verenigbaar is met
artikel 106, tweede lid, van het VWEU en er geen voorafgaande meldingsverplichting
is op grond van artikel 108, derde lid, van dat verdrag.
Gemeentelijke subsidie
Dit wetsvoorstel maakt het expliciet mogelijk voor gemeenten om vrijwillig bij te
dragen aan de DAEB voor het uitvoeren van de lokale publieke mediaopdracht op lokaal
niveau die conform dit wetsvoorstel wordt gevestigd (zie paragraaf 2.2).182 Die mogelijkheid is er alleen als de specifiek voor de desbetreffende lokale publieke
omroep gevestigde DAEB ruimte biedt voor aanvullende overheidsfinanciering naast de
rijksbijdrage, zonder dat van overcompensatie sprake is. Om ervoor te zorgen dat de
gemeentelijke subsidie binnen de grenzen van de DAEB blijft, wordt die subsidie binnen
het regime van de Mediawet 2008 gebracht. Dat betekent om te beginnen dat gemeenten
bij het verlenen van de subsidie geen voorwaarden mogen opleggen die in strijd zijn
met het bepaalde bij of krachtens de Mediawet 2008, het concessiebeleidsplan NLPO
of het aanwijzingsbesluit. De gemeentelijke subsidie wordt opgenomen in de jaarlijkse
begroting van de lokale publieke omroep, en wordt meegenomen in de verantwoordingscyclus
bij het Commissariaat. De terugvorderingsbevoegdheid van het Commissariaat strekt
zich ook uit over gemeentelijke subsidie aan de lokale publieke omroep. Teruggevorderde
gelden worden in deze situatie naar rato van inbreng terugbetaald aan de betreffende
gemeente dan wel toegevoegd aan de algemene mediareserve.
3.2 Algemene verordening gegevensbescherming
Ten behoeve van de aanwijzing als lokale publieke omroep zal het noodzakelijk zijn
dat persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4, onder 1, van de AVG, door de verschillende
betrokken partijen worden verwerkt.
Bij de aanwijzingsprocedure zijn vier partijen betrokken die ieder aangemerkt kunnen
worden als zelfstandige verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens
in die procedure. De procedure voor aanwijzing begint met de aanvrager die (bijzondere)
persoonsgegevens verwerkt bij het opstellen van de vereiste documenten en het delen
van deze documenten met het Commissariaat. Bij ministeriële regeling wordt uitgewerkt
welke documenten bij de aanvraag worden gevoegd. Dit zullen in ieder geval de statuten
van de instelling en de ledenlijst van het pbo zijn. De vereiste documenten kunnen
verschillende categorieën persoonsgegevens bevatten, zoals namen, adres- en contactgegevens.
Tevens bevat de ledenlijst van het pbo bijzondere persoonsgegevens (zie volgende alinea).
In het geval van de aanvrager is geen sprake van verwerking in het kader van het algemeen
belang, zoals de goede uitvoering van een publiekrechtelijke taak of bevoegdheid.
Deze verwerking zal dus plaatsvinden op grond van toestemming door de betrokkenen.
De betrokkenen zijn geen werknemers van de aanvrager zodat sprake zal zijn van vrijelijk
gegeven toestemming. Het Commissariaat is verantwoordelijk voor de verwerking bij
het controleren van de documenten op volledigheid en of voldaan wordt aan de vereisten
die de wet stelt aan de aanvraag. Tevens is het Commissariaat verantwoordelijk voor
het doorsturen van de stukken naar de betreffende gemeenteraad (of -raden) ter advisering.
De gemeenteraad is vervolgens verantwoordelijk voor de verwerking van (bijzondere)
persoonsgegevens in het kader van zijn advies aan het Commissariaat over de wettelijke
criteria. Ten slotte treedt ook de NLPO op als verwerkingsverantwoordelijke in het
kader van haar adviestaak. De NLPO verwerkt hierbij enkel «reguliere» persoonsgegevens
en geen bijzondere.
In het kader van de aanvraag voor een aanwijzing als lokale publieke omroep worden
ook bijzondere categorieën van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
van de AVG verwerkt. Dit zal gebeuren in verband met het vereiste dat een aanvrager
beschikt over een pbo. Dat orgaan is representatief voor de belangrijkste maatschappelijke,
culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen in het lokale verzorgingsgebied.
De ledenlijst van het pbo, die bij een aanvraag voor aanwijzing als lokale publieke
omroep wordt overgelegd aan het Commissariaat, en die voor advies wordt voorgelegd
aan de gemeenteraad, moet van die representativiteit blijk geven. Praktisch kan hierbij
worden gedacht aan een lijst met gegevens in het volgende format: de heer X, vertegenwoordiger
van de stroming «kerken», namens kerkgenootschap Y.
Het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens is op grond van de AVG
in beginsel verboden. De AVG voorziet in een aantal uitzonderingen hierop, waaronder
de situatie dat de verwerking noodzakelijk is om redenen van zwaarwegend algemeen
belang op grond van lidstatelijk recht (artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de
AVG). Dit wetsvoorstel voorziet in die uitzondering. Het gaat hierbij om persoonsgegevens
waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke
overtuigingen of het lidmaatschap van een vakbond blijken of gegevens over gezondheid,
of gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid. Uit
deze persoonsgegevens kan namelijk blijken welke in het verzorgingsgebied voorkomende
stroming iemand representeert. Hierbij kan gedacht worden aan eerdergenoemd voorbeeld
van de vertegenwoordiger van de stroming «kerken». In het kader van de aanwijzingsprocedure
is het noodzakelijk dat deze gegevens verwerkt kunnen worden om de representativiteit
van het pbo te borgen. Het zwaarwegend algemeen belang is dan ook het voorzien in
lokale publieke omroepen die binding hebben met het lokale verzorgingsgebied waarvoor
zij media-aanbod verzorgen. De lokale binding is een essentieel onderdeel van het
publieke mediabestel op lokaal niveau. Het pbo heeft daarbij een wezenlijke rol. Om
de lokale samenleving te laten weerspiegelen in het pbo en daarmee in het media-aanbod
van de omroep, is de verwerking van bijzondere persoonsgegevens noodzakelijk.
De verwerking moet voldoen aan het vereiste van evenredigheid, en daarmee aan proportionaliteit
en subsidiariteit. Voldaan wordt aan het vereiste van subsidiariteit, omdat het zonder
de verwerking van de bijzondere persoonsgegevens niet mogelijk zou zijn om de representativiteit
van het pbo vast te stellen. Daarnaast is de verwerking proportioneel, omdat het gaat
om een beperkte gegevensset, de verwerking plaatsvindt in het belang van de lokale
publieke omroepen en de daarbij betrokken personen en daarbij geen sprake is van bezwarende
besluiten of overige bezwarende handelingen. Bovendien vindt de verwerking van overheidswege
alleen plaats door overheidsorganen die een nauwkeurig omschreven wettelijke taak
uitvoeren. Om die redenen acht de regering de verhouding tussen de verwerking en het
nagestreefde doel evenredig.
De AVG verplicht lidstaten om, in geval van de hier aangehaalde uitzonderingsgrond,
passende en specifieke maatregelen te nemen ter bescherming van de grondrechten en
fundamentele belangen van de betrokkene.183 Deze maatregelen vormen een aanvulling ten opzichte van het al geldende regime van
de AVG. Omdat het recht op gegevensbescherming een fundamenteel recht is, acht de
regering het van belang om deze maatregelen vast te leggen in wettelijk voorschriften.
Dat zal gebeuren bij algemene maatregel van bestuur. Hiervoor wordt een delegatiegrondslag
opgenomen in de Mediawet 2008. Daaruit blijkt dat deze maatregelen in ieder geval
zien op:
– een maximale termijn voor het bewaren van de bijzondere persoonsgegevens, die niet
langer is dan strikt noodzakelijk;
– een verbod op het delen van bijzondere persoonsgegevens met derden; en
– een nadere verplichting voor de betrokken organisaties om zorgvuldig om te gaan met
de bijzondere persoonsgegevens van betrokkenen.
3.3 Richtlijn audiovisuele mediadiensten
De Europese richtlijn audiovisuele mediadiensten (hierna: de richtlijn) geeft een
kader voor audiovisuele mediadiensten in de hele EU.184 De richtlijn geldt in beginsel ook voor lokale (publieke) omroepen. Een uitzondering
betreft hoofdstuk VI dat voor televisieprogramma’s quota voorschrijft voor Europese
producties, en daarbinnen, voor onafhankelijke producties. Artikel 18 van de richtlijn
bepaalt dat hoofdstuk VI niet van toepassing is op televisie-uitzendingen die bestemd
zijn voor lokaal publiek en die geen deel uitmaken van een nationaal net. Bij de implementatie
van de richtlijn is de uitzondering van artikel 18 overgenomen.185 Voor lokale publieke omroepen gelden de quota derhalve niet.186
Dit wetsvoorstel brengt daar geen verandering in, ook niet nu de lokale publieke omroepen
een grotere omvang en verzorgingsgebied zullen krijgen, om de volgende redenen. Ten
eerste zal het media-aanbod van een lokale publieke omroep naar zijn aard uit Europese
producties bestaan, omdat lokaal media-aanbod volgens de definitie uit artikel 1 van
de richtlijn kan worden aangemerkt als Europese productie. Ten tweede is het verplichte
percentage onafhankelijke producties nog steeds niet redelijk in verhouding tot de
verwachte omvang van de budgetten van dergelijke omroepen. Ten derde zou de naleving
van deze bepalingen leiden tot een hoge mate van regeldruk voor de lokale publieke
omroepen en voor een hoge uitvoeringslast bij het Commissariaat.
Deze uitzondering is in andere lidstaten van de EU niet ongebruikelijk. Zo geldt de
uitzondering in Zweden voor media-aanbod gericht op een gemeente, in Oostenrijk voor
uitzendingen die de grens van een bondsland niet overschrijden, en in Griekenland
voor alle niet-nationale uitzendingen.187
4. Verhouding tot nationaal recht
4.1 Telecommunicatiewet
Op basis van de Telecommunicatiewet kunnen lokale publieke omroepen een aanvraag doen
voor een vergunning voor FM-frequentieruimte. De verlening van de vergunning gebeurt
op grond van de artikelen 3.6 en 3.7 van de Telecommunicatiewet, zonder toepassing
van de uitgifteprocedures, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van die wet. Daarbij
is het streven volgens de Telecommunicatiewet dat aan iedere lokale publieke omroep
een vergunning wordt verleend met een passende dekking, zodat alle lokale publieke
omroepen in voldoende mate de inwoners van hun verzorgingsgebied kunnen bereiken.188
Aan de maximaal tachtig nieuw aan te wijzen lokale publieke omroepen zal de Rijksinspectie
Digitale Infrastructuur (hierna: RDI) op aanvraag nieuwe vergunningen voor FM-frequentieruimte
verlenen na aanwijzing. De vergunningen in het nieuwe stelsel zullen naar verwachting
voor het overgrote deel overeenkomen met de FM-frequenties die op dit moment beschikbaar
zijn voor de huidige lokale publieke omroepen. Deze frequenties zijn immers nodig
om de nieuwe, grotere, verzorgingsgebieden af te kunnen dekken en bieden ook de mogelijkheid
tot programmatische differentiatie.
Artikel 3.8 van de Telecommunicatiewet biedt een grondslag om bij ministeriële regeling
te bepalen dat naast de FM-frequentieruimte extra frequentieruimte aan de landelijke,
regionale en lokale publieke omroepen kan worden toegewezen. De delegatiegrondslag
is uitgewerkt in de Regeling extra vergunningen publieke mediadienst. Deze regeling
ziet, onder meer, op het verlenen van vergunningen voor digitale radio DAB+. Op dit
moment beschikken iets meer dan 200 lokale publieke omroepen over een vergunning voor
het gebruik van een deel van één van de 57 lokale DAB+-allotments waarvan het dekkingsgebied
geheel of gedeeltelijk overlapt met de gemeente of gemeenten waar de lokale publieke
omroep media-aanbod verzorgt. Die DAB+-capaciteit moet, wanneer een lokale publieke
omroep ook beschikt over een FM-vergunning, in ieder geval gebruikt worden voor het
gelijktijdig digitaal uitzenden van de radioprogramma’s die via de FM worden uitgezonden.
Per lokale publieke omroep wordt op dit moment ten hoogste één vergunning verleend
voor het gebruik van een achttiende deel van het DAB+-allotment.189 Bij het ingaan van het nieuwe stelstel acht de regering het echter wenselijk dat
elk van de tachtig nieuwe lokale publieke omroepen over meerdere DAB+-capaciteitseenheden
kan beschikken. Uitgaande van de huidige vergunningsperiode tot medio 2030 is het
gewenst dat de totale hoeveelheid DAB+-capaciteitseenheden waarover de nieuwe lokale
publieke omroepen straks kunnen beschikken in ieder geval gelijk blijft aan het aantal
vergunningen dat nu is uitgegeven aan de separate lokale publieke omroepen. Dit aantal
wordt niet teruggebracht tot een aantal dat gelijk is aan het aantal lokale publieke
omroepen. Hierdoor blijft, net als op FM, programmatische differentiatie mogelijk,
wat de overgang van het bedienen van gemeenten naar het bedienen van lokale verzorgingsgebieden
eenvoudiger maakt. De Regeling extra vergunningen publieke mediadienst zal dan ook
worden aangepast, zodat het mogelijk wordt dat er meerdere DAB+-capaciteitseenheden
aan één lokale publieke omroep nieuwe stijl kunnen worden toegewezen. Richting 2030
zal bezien worden over hoeveel frequentieruimte de lokale publieke omroepen daadwerkelijk
moeten kunnen beschikken om de programmatische behoeften van hun verzorgingsgebied
te bedienen.
Daarnaast is op grond van de Regeling extra vergunningen publieke mediadienst voor
de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht extra frequentieruimte beschikbaar
voor het uitzenden van lokale multiculturele jongerenprogramma’s via FM en DAB+.190 De regering acht het wenselijk om deze frequentieruimte beschikbaar te houden voor
de lokale publieke omroepen die in het nieuwe stelsel de publieke media-opdracht uitvoeren
in de verzorgingsgebieden waar deze gemeenten deel van zullen uitmaken.
4.2 Wet normering topinkomens
De Wet normering topinkomens (WNT) bevat regels over maximale bezoldigingen en maximale
uitkeringen in verband met beëindiging van het dienstverband van topfunctionarissen
in de publieke en semipublieke sector. Daarnaast verplicht de WNT tot openbaarmaking
in de financiële verslaglegging van gegevens over de bezoldigingen en uitkeringen
wegens beëindiging van het dienstverband van topfunctionarissen en over bezoldigingen
van niet-topfunctionarissen die het WNT-maximum overstijgen. De WNT is van toepassing
op een breed scala aan organisaties in de (semi)publieke sector, waaronder organisaties
in de publieke mediasector.
Er zijn twee manieren waarop organisaties in de publieke mediasector nu onder de WNT
vallen.
De eerste manier is op grond van artikel 1.3, eerste lid, onderdeel c, van de WNT.
Dit artikel bepaalt dat de WNT van toepassing is op rechtspersonen die gedurende drie
achtereenvolgende kalenderjaren een of meerdere subsidies hebben ontvangen die gezamenlijk
per kalenderjaar ten minste € 500.000 bedragen en ten minste vijftig procent van de
opbrengsten van de rechtspersoon bedragen. Deze rechtspersonen vallen onder het algemene
bezoldigingsmaximum van € 233.000.191 Dit geldt op dit moment voor een deel van de lokale publieke omroepen en de Stichting
NLPO.
De tweede manier is op grond van artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d, van de WNT
door toevoeging van rechtspersonen of instellingen aan bijlage 1 bij de WNT. Dit geldt
momenteel al voor de landelijke en regionale publieke omroepen, de NPO, RPO en de
Ster. In de Regeling normering topinkomens OCW-sectoren zijn voor deze instellingen
verlaagde bezoldigingsmaxima vastgelegd op grond van artikel 2.6 van de WNT.
Rechtspersonen of instellingen kunnen aan bijlage 1 worden toegevoegd indien de bekostiging
van deze rechtspersonen of instellingen middellijk of rechtstreeks geheel of in aanzienlijke
mate uit publieke middelen plaatsvindt of heeft plaatsgevonden of indien deze rechtspersonen
of instellingen een wettelijke taak vervullen of anderszins een publiek belang dienen.192
Voorgesteld wordt dat de NLPO en de lokale publieke omroepen volgens de tweede manier
onder de werking van de WNT worden gebracht, met andere woorden door toevoeging aan
bijlage 1 bij de WNT. De regering heeft hiervoor drie argumenten.
Allereerst voldoen de lokale publieke omroepen en de NLPO op grond van dit wetsvoorstel
aan de criteria uit artikel 1.3, tweede lid, onderdeel a, van de WNT voor opname op
bijlage 1, namelijk bekostiging in aanzienlijke mate uit publieke middelen, dan wel
vervullen van een wettelijke taak of anderszins dienen van een publiek belang. Dit
wetsvoorstel bevat namelijk maatregelen ter versterking van de lokale publieke omroepen.
De bekostiging van de lokale publieke omroepen, die nu gebeurt door gemeenten vanuit
de algemene uitkering in het gemeentefonds, wordt overgebracht naar de mediabegroting.
Het Rijk voegt bovendien een structurele investering toe aan deze bekostiging. Het
aantal lokale publieke omroepen wordt teruggebracht van ruim tweehonderdtwintig naar
maximaal tachtig. De lokale publieke omroepen worden na het doorlopen van een aanwijzingsprocedure
door het Commissariaat aangewezen voor een periode van vijf jaar. Zij krijgen daarbij
de opdracht om in hun verzorgingsgebied de publieke mediaopdracht op lokaal niveau
uit te voeren. Daarnaast wordt de NLPO ingericht als samenwerkings- en coördinatieorgaan
voor de lokale publieke omroepen. De NLPO wordt bekostigd uit de mediabegroting. Gelet
op dit alles voldoen de lokale publieke omroepen en de NLPO zoals zij worden vormgegeven
in dit wetsvoorstel, aan de criteria voor toevoeging aan bijlage 1.
Ten tweede wordt met dit wetsvoorstel gestreefd naar consistentie in de bestuurlijk-juridische
inrichting van het publieke mediabestel. Een inpassing in de WNT-systematiek conform
de overige publieke omroepen en de NPO en de RPO sluit daarbij aan. In verband daarmee
acht de regering het ook wenselijk dat álle lokale publieke omroepen onder de WNT
worden gebracht, onafhankelijk van de vraag of zij aan het subsidiecriterium van artikel
1.3, eerste lid, onderdeel c, van de WNT voldoen. Hiermee is de transparantie naar
maatschappij en politiek over de bezoldigingen van de topfunctionarissen ook in het
lokale publieke mediadomein verzekerd. Verder kunnen de lokale publieke omroepen en
de NLPO via toevoeging aan bijlage 1 ook onder de toepassing van de Regeling normering
topinkomens OCW-sectoren worden gebracht, zodat zij – net als de landelijke en regionale
publieke omroepen nu al – moeten voldoen aan de sectorspecifieke bezoldigingsnormen
voor de media-instellingen.193 Daarbij zullen lagere bezoldigingsmaxima gelden dan het algemene maximum van de WNT.
Ten derde zou de keuze voor doorgaan met bepaling van de werkingssfeer van de WNT
via het subsidiecriterium (en niet voor toevoeging aan bijlage 1) ertoe leiden dat
voor een enkele lokale publieke omroep een hoger bezoldigingsmaximum zou blijven gelden
dan voor (sommige) organisaties met vergelijkbare of hogere bekostiging op landelijk
of regionaal niveau. Dat zou niet gerechtvaardigd kunnen worden.
De regering acht het onderbrengen van de lokale publieke omroepen en de NLPO onder
de WNT dus noodzakelijk en passend. Maar toepassing van de WNT brengt administratieve
en openbaarmakingsverplichtingen met zich mee, alsmede – voor de betrokken topfunctionarissen
– beperking van de persoonlijke levenssfeer en beperking van de vrijheid om afspraken
over arbeidsvoorwaarden te maken met hun werkgevers. Deze verplichtingen moeten worden
gezien in de context van het geheel van het wetsvoorstel. Dit bevat een pakket aan
maatregelen, dat voor lokale publieke omroepen betekent: schaalvergroting, meer financiële
armslag en grotere professionaliteit. Deze ontwikkeling gaat gepaard met een hogere
verwachting op het punt van (financiële) verslaglegging en transparantie, ook ten
aanzien van de bezoldiging van topfunctionarissen. De regering acht de verplichtingen
die voortvloeien uit toepassing van de WNT voor de lokale publieke omroepen derhalve
gerechtvaardigd.
Op dit moment ontvangen de lokale publieke omroepen financiering via de gemeenten
vanuit het gemeentefonds, waardoor het WNT-toezicht op de lokale publieke omroepen
(voor zover zij onder de WNT vallen) bij de Minister van BZK ligt. Vanaf de stelselherziening
ontvangen de lokale publieke omroepen de financiering direct vanuit de mediabegroting.
Het WNT-toezicht zal dan door het Commissariaat worden uitgeoefend.
Op deze wijziging is het reguliere overgangsrecht van de WNT van toepassing. Eventuele
bestaande bezoldigingsafspraken boven het bij ministeriële regeling vast te stellen
bezoldigingsmaximum worden gedurende een termijn van vier jaar na inwerkingtreding
van de ministeriële regeling gerespecteerd. Daarna moet de bezoldiging in drie jaar
worden teruggebracht tot het op dat moment voor de topfunctionaris geldende lagere
bezoldigingsmaximum.
5. Gevolgen
5.1 Gevolgen voor de regeldruk
Dit wetsvoorstel heeft regeldrukgevolgen voor lokale publieke omroepen, kandidaat-omroepen
en daarnaast in beperkte mate (en op een gunstige manier) voor regionale publieke
omroepen. Daarnaast heeft het wetsvoorstel gevolgen voor de regeldruk voor de NLPO.
De NLPO is hier zelf nader op in gegaan in haar toets op de uitvoerbaarheid (zie paragraaf
6.1 van deze toelichting). Er zijn geen regeldrukeffecten voor burgers.
Lokale publieke omroepen en kandidaat-omroepen moeten kennis nemen van de nieuwe voorschriften
en hun handelen daarop aanpassen. Daarnaast worden van de volgende maatregelen gevolgen
voor de regeldruk verwacht:
– schaalvergroting;
– aanscherping van de aanwijzingsprocedure;
– overige aanvullende vereisten;
– zelfevaluatie en een onafhankelijke evaluatie in opdracht van de NLPO; en
– financiële verantwoording.
Ondersteuning bij en voorbereiding op nieuwe regels
Lokale publieke omroepen zullen zich moeten voorbereiden op de nieuwe regels. Daarbij
zal een deel de beweging naar schaalvergroting nog moeten maken.
Voor informatie en ondersteuning in verband met de voorgestelde wetgeving kunnen lokale
publieke omroepen terecht bij het Commissariaat en de Stichting NLPO (in het nieuwe
stelsel de NLPO). De Stichting NLPO organiseert al algemene informatiesessies, een
halfjaarlijkse bestuurdersdag, tweemaandelijkse kennissessies en gerichte trainingen
over governance of het voldoen aan wettelijke bepalingen.
Maatregelen met gevolgen voor de regeldruk: schaalvergroting
Het wetsvoorstel leidt ertoe dat het aantal lokale publieke omroepen afneemt. Op dit
moment zijn er ruim tweehonderdtwintig lokale publieke omroepen; volgens het wetsvoorstel
zijn dat er maximaal tachtig. Per lokaal verzorgingsgebied zal de weg naar schaalvergroting
anders zijn. Er is een aantal scenario’s denkbaar: een fusieorganisatie clustert de
bestaande lokale publieke omroepen en doet een aanvraag voor de aanwijzing in een
lokaal verzorgingsgebied, een bestaande lokale publieke omroep verkrijgt de aanwijzing
voor het gehele lokale verzorgingsgebied, of een geheel nieuwe organisatie wordt aangewezen
als lokale publieke omroep. In sommige regio’s van het land is de opschaling al in
een vergevorderd stadium en in andere gebieden is het proces net begonnen. De regeldruk
zal hoe dan ook neerslaan op een kleiner aantal organisaties.
Maatregelen met gevolgen voor regeldruk: aanscherping van de aanwijzingsprocedure
De wijziging van de aanwijzingsprocedure springt het meest in het oog als maatregel
met gevolgen voor de regeldruk. Bij de aanvraag voor aanwijzing als lokale publieke
omroep zal in vergelijking met de huidige procedure aan meer criteria moeten worden
voldaan en zal meer informatie moeten worden overgelegd (beleidsplan, begroting).
Dit leidt tot verzwaring van de regeldruk voor de kandidaat-omroepen.
Voor alle maximaal tachtig lokale publieke omroepen in het nieuwe stelsel zal de aanwijzingsprocedure
openstaan in het jaar voorafgaand aan het begin van het nieuwe stelsel. In dat jaar
zullen de regeldrukkosten naar verwachting het hoogst zijn, omdat dan voor het eerst
actie nodig is volgens de nieuwe regels. In deze fase wordt ook het grootste aantal
aanvragers verwacht. In de volgende aanwijzingsronde is er meer bekendheid met het
nieuwe wettelijke systeem, en zullen er bovendien naar verwachting minder aanvragers
zijn.
De NLPO zal, voorafgaand aan de openstelling van de aanwijzingsprocedure, een concessiebeleidsplan
moeten opstellen. Dit concessiebeleidsplan wordt door kandidaat-omroepen gebruikt
om hun eigen beleidsplan op af te stemmen. De NLPO gaat ook adviseren over de aanvragen
voor een aanwijzing. Dit heeft gevolgen voor de regeldruk voor de NLPO, waarbij ook
hier mag worden verondersteld dat deze regeldrukeffecten de eerste keer groter zijn
dan in het vervolg.
Maatregelen met gevolgen voor regeldruk: overige aanvullende vereisten voor lokale
publieke omroepen
Naast de verscherpte aanwijzingsprocedure, zullen de lokale publieke omroepen aan
overige aanvullende eisen moeten voldoen. Zo moet het pbo voortaan een reglement opstellen.
Voor lokale publieke omroepen gaat een quotum voor oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige
producties gelden. Verder moeten de lokale publieke omroepen volgens het wetsvoorstel
voldoen aan eisen voor bestuurlijke organisatie, bedrijfsprocessen en administratie,
en aan voorschriften over reserveringen. Het Commissariaat houdt op de vereisten toezicht.
Van deze aanvullende vereisten wordt een toename van de regeldruk verwacht.
De specifieke eis dat ten minste vijftig procent van de duur van het lineaire media-aanbod
informatief, educatief of cultureel van aard is, komt voor zowel de regionale als
de lokale publieke omroepen te vervallen (zie paragraaf 2.6). Op deze norm wordt toezicht
gehouden door het Commissariaat. Het aanleveren van gegevens om de naleving te kunnen
vaststellen, is zeer bewerkelijk voor de omroepen. Het schrappen van deze bepaling
leidt daarom tot een afname van de regeldruk voor zowel regionale als lokale publieke
omroepen.
Maatregelen met gevolgen voor de regeldruk: zelfevaluatie en evaluatie
Het wetsvoorstel voorziet in een periodieke zelfevaluatie door de lokale publieke
omroepen. Deze zelfevaluatie is vormvrij. Wel is de verwachting dat de NLPO een format
zal aanbieden om de uitvoering van deze evaluatie zo goed mogelijk te laten verlopen.
De NLPO kan, naar aanleiding van de zelfevaluaties, ervoor kiezen om een onafhankelijk
evaluatieonderzoek uit te laten voeren. Dat onderzoek kan thematisch van aard zijn,
of bijvoorbeeld inzoomen op individuele omroepen. Zeker in dat laatste geval zal er
voor de betreffende omroepen regeldruk uit voortvloeien.
Maatregelen met gevolgen voor de regeldruk: financiële verantwoording
Het ligt voor de hand dat de NLPO, als samenwerkings- en coördinatieorgaan, de lokale
publieke omroepen bijstaat met collectieve voorzieningen. Bijvoorbeeld een uniform
financieel format dat lokale omroepen kunnen gebruiken. De verwachting is dat de coördinerende
rol van de NLPO hierin leidt tot lagere regeldrukgevolgen bij lokale publieke omroepen.
Maatregelen waarvan gevolgen voor de regeldruk niet zijn vast te stellen: bekostiging
door Rijk in plaats van door gemeente
De bekostigingstaak ten aanzien van lokale publieke omroepen gaat over van de gemeenten
naar het Rijk. De verplichting tot financiële verantwoording blijft bestaan. Alleen
wordt die verantwoording niet langer afgelegd aan de gemeente, maar aan het Commissariaat.
De regeldrukeffecten hiervan zijn lastig in te schatten, omdat alle gemeenten een
eigen verantwoordingsregime kennen. Het is daarom niet in algemene zin te zeggen of
de zwaarte van de verantwoording toe- of afneemt.
Kwantitatieve onderbouwing van de regeldrukeffecten
Voor de kwantitatieve onderbouwing van de regeldruk wordt onderscheid gemaakt tussen
eenmalige en structurele kosten. De aanwijzingsprocedure en de evaluatie(s) vinden
elke vijf jaar plaats, maar zijn wel structureel van aard. De eerste aanwijzingsprocedure
volgens de nieuwe wet zal naar verwachting in vergelijking met latere aanvraagrondes
meer aanvragers kennen. Daarom is voor de eerste aanwijzingsprocedure eenmalig een
groter aantal aanvragers opgenomen. Dat aantal van tweehonderd is nog altijd lager
dan het huidige aantal lokale publieke omroepen van ruim tweehonderdtwintig. Bij deze
inschatting is rekening gehouden met de beweging die gaande is onder lokale publieke
omroepen om zich voor te bereiden op de nieuwe wetgeving en daartoe in te zetten op
samenwerking of fusie met andere lokale publieke omroepen.
De NLPO verwacht dat het voor bestaande organisaties eenvoudiger zal zijn om aan de
vereisten van de aanwijzingsprocedure te voldoen dan voor nieuwkomers. Bij bestaande
kandidaat-omroepen hoeft immers geen nieuwe rechtspersoon te worden ingericht. Daarom
zijn de kosten uitgesplitst naar bestaande en nieuwe aanvragers.
In onderstaande tabel zijn de wijzigingen ten opzichte van de bestaande situatie opgenomen.
Wat
Wie
Tijd in uren
Kosten per uur
Q
Totaal
Eenmalig
Kennisnemen van nieuwe regelgeving; deelname aan informatiesessies
Lokale publieke omroepen
2,5
€ 54
~200 (aanvragers)
€ 27.000
Eenmalig
Kennisnemen van nieuwe regelgeving; proces van opschaling doorlopen
Lokale publieke omroepen; opschaling in vergevorderd stadium
10
€ 54
20
€ 10.800
Eenmalig
Kennisnemen van nieuwe regelgeving; proces van opschaling doorlopen
Lokale publieke omroepen; opschaling in gang gezet
120
€ 54
40
€ 259.200
Eenmalig
Kennisnemen van nieuwe regelgeving; proces van opschaling doorlopen
Lokale publieke omroepen; proces van opschaling pas begonnen
240
€ 54
20
€ 259.200
Eenmalig
Deelnemen aan de aanwijzingsprocedure voor de eerste keer
Nieuw op te richten lokale publieke omroepen
17,5
€ 54
~100
€ 94.500
Eenmalig
Deelnemen aan de aanwijzingsprocedure voor de eerste keer
Bestaande lokale publieke omroepen
10
€ 54
~100
€ 54.000
Eenmalig
Opstellen concessiebeleidsplan voor de eerste keer
NLPO
960
€ 54
1
€ 51.840
Eenmalig
Adviseren over aanwijzingen voor de eerste keer
NLPO
720
€ 54
1
€ 38.880
Structureel, eens in de 5 jaar
Deelnemen aan aanwijzingsprocedure
Bestaande lokale publieke omroepen
5
€ 54
80
€ 21.600
Structureel, eens in de 5 jaar
Deelnemen aan aanwijzingsprocedure
Nieuwe lokale publieke omroepen
17,5
€ 54
25
€ 23.625
Structureel, eens in de 5 jaar
Opstellen concessiebeleidsplan
NLPO
360
€ 54
1
€ 19.440
Structureel, eens in de 5 jaar
Adviseren over aanwijzingen1
NLPO
420
€ 54
1
€ 22.680
Structureel, eens in de 5 jaar
Deelnemen aan zelfevaluatie
Lokale publieke omroepen
5
€ 39
80
€ 15.600
Structureel, eens in de 5 jaar
Deelnemen aan evaluatieonderzoek NLPO
Lokale publieke omroepen
3
€ 54
~25
€ 4.050
Structureel, jaarlijks
Voldoen aan toezichtsbepalingen
Lokale publieke omroepen
4
€ 39
80
€ 12.480
Structureel, jaarlijks
Voldoen aan informatieplicht NLPO
Lokale publieke omroepen
2
€ 39
80
€ 6.240
Structureel, jaarlijks
Verlichting van financiële verantwoording door collectieve diensten
Lokale publieke omroepen
3
– € 39
80
– € 9.360
Structureel, jaarlijks
Verlichting van toezichtsbepalingen (ICE-norm)
Lokale publieke omroepen
5
– € 39
80
– € 15.600
Structureel, jaarlijks
Verlichting van toezichtsbepalingen (ICE-norm)
Regionale publieke omroepen
5
– € 54
13
– € 5.510
Totaal, eenmalig
€ 756.540
Totaal, structureel per jaar2
€ 11.649
X Noot
1
Het aantal uren dat in totaal aan de adviezen wordt besteed, is gebaseerd op het aantal
verwachte aanvragers. De verwachting is dat het aantal aanvragers vanaf de tweede
ronde van aanwijzingen lager zal liggen.
X Noot
2
Hierbij zijn de kosten die eens per vijf jaar terugkeren verdeeld over de periode
van vijf jaar.
Toets Adviescollege toetsing regeldruk
Op 23 december 2024 is het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) gevraagd om advies
uit te brengen over een concept van het wetsvoorstel. Op 30 januari 2025 heeft de
regering het advies ontvangen. Het ATR adviseert om het wetsvoorstel in te dienen,
nadat met enkele adviespunten rekening is gehouden.
Het ATR constateert dat nut en noodzaak voldoende zijn beschreven. Wel geeft het college
in overweging om de hoogte van de extra investering door het Rijk in de lokale publieke
omroep nader te onderbouwen. Dit punt is nader toegelicht in paragraaf 2.2 van deze
toelichting. Het ATR constateert dat er geen alternatieven zijn om met minder gevolgen
voor de regeldruk de doelen van het wetsvoorstel te bereiken.
Met betrekking tot de werkbaarheid maakt het ATR de opmerking dat onvoldoende duidelijk
wordt hoe de gewenste samenwerking tussen lokale publieke omroepen beter werkbaar
wordt door het wetsvoorstel. Ook kan, volgens het ATR, verhelderd worden hoe de lokale
publieke omroepen kunnen profiteren van de informatie die wordt verstrekt door de
NLPO, de VNG en het Commissariaat. In de regeldrukpassage is toegelicht dat de omroepen
een eigen proces doorlopen, dat kan variëren van fusie van bestaande omroepen tot
een geheel nieuwe organisatie die de aanwijzing verkrijgt. Deze processen leiden hoe
dan ook tot toegenomen samenwerking. De verschillen tussen de omroepen zijn ook in
de regeldrukberekening verwerkt. Voorts is meer uitleg gegeven over de wijze waarop
beschikbare informatie wordt verspreid naar de omroepen en hoe de lokale publieke
omroepen deze informatie gebruiken.
Het ATR adviseert tevens de werkbaarheid van de nieuwe taken van de NLPO nader toe
te lichten. Naar aanleiding hiervan zijn in de regeldrukpassage en in de regeldrukberekening
de gevolgen opgenomen die het opstellen van een concessiebeleidsplan en het adviseren
over de aanwijzingen heeft voor de regeldruk van de NLPO. Over deze aanpassingen is
overleg geweest met de Stichting NLPO.
Tot slot heeft het ATR geadviseerd om de regeldrukberekening voor de NLPO op te nemen
en de berekening voor de lokale publieke omroepen aan te vullen, bijvoorbeeld met
een berekening van de effecten van de opschaling. Dit advies is overgenomen.
5.2 Gevolgen voor gemeenten
Dit wetsvoorstel heeft gevolgen voor gemeenten: de bekostiging gaat naar het Rijk,
de verzorgingsgebieden worden groter en de aanwijzingsprocedure wordt herzien (zie
hoofdstuk 2 van deze toelichting).
Bij de totstandkoming van de voorstellen is regelmatig overleg geweest met de VNG,
op zowel ambtelijk als bestuurlijk niveau. De VNG heeft een belangrijke rol gespeeld
bij het informeren van gemeenten over de bestaande wet- en regelgeving, zodat gemeenten
hun bestaande verantwoordelijkheden zo goed mogelijk kunnen uitvoeren. Bovendien heeft
de VNG diverse acties ondernomen om de voorgenomen wijzigingen onder de aandacht van
gemeenten te brengen.
Gevolgen van het vervallen van de gemeentelijke bekostigingstaak
Volgens dit wetsvoorstel vervalt de bekostigingstaak van gemeenten voor de lokale
publieke omroep. Een lokale publieke omroep maakt voortaan aanspraak op bekostiging
uit de rijksmediabijdrage.
Uit de systematiek van de Financiële-verhoudingswet en de Gemeentewet volgt dat bij
het vervallen van een gemeentelijke taak een uitname uit het gemeentefonds plaatsvindt.
In dit geval wordt het bedrag overgeheveld van de begroting van het gemeentefonds
naar de mediabegroting.
In hoofdstuk 2 is toegelicht hoe de berekening van het bedrag van de uitname tot stand
is gekomen. Over de berekeningswijze is overeenstemming bereikt met de VNG en het
Ministerie van BZK. Kort gezegd houdt de berekening in dat het definitieve richtsnoerbedrag
uit 2015, het meest recente jaar waarvoor dit bedrag per huishouden is berekend door
het Ministerie van BZK, wordt vermeerderd met de jaarlijkse consumentenprijsindex.
Het bedrag per huishouden wordt definitief berekend in het jaar dat de overheveling
plaats vindt. Dat bedrag wordt dan vermenigvuldigd met het aantal huishoudens in Nederland.
Gevolgen van de aanscherping van de aanwijzingsprocedure
Gemeenten behouden een rol in de advisering bij de aanwijzing als lokale publieke
omroep. De gemeente adviseert aan de hand van de criteria (1) of een aanvrager een
representatief pbo heeft en (2) hoe de inzet van vrijwilligers en de samenwerking
met lokale partners is vormgegeven. De adviestaak wordt met het wetsvoorstel verduidelijkt.
De advisering beperkt zich tot de genoemde wettelijke criteria. Van een voorkeursadvies
in het geval van meerdere aanvragers die voldoen aan de formele wettelijke vereisten,
waarbij ook buitenwettelijke criteria kunnen worden betrokken, zal niet langer sprake
zijn. Gemeenten zullen in die situatie per criterium een score toekennen. De scores
zullen door het Commissariaat per criterium worden gewogen. Gemeenten zijn ook niet
langer verplicht de advisering op elkaar af te stemmen in het geval er sprake is van
een aanvraag voor meerdere gemeenten. Ten slotte vervalt de taak van de gemeente om,
in het geval van een competitie tussen meerdere aanvragers, het samengaan van die
aanvragers te bevorderen. Alles bij elkaar wordt de gemeentelijke taak verduidelijkt
en vereenvoudigd.
5.3 Gevolgen voor Caribisch Nederland
De Mediawet 2008 is in territoriale zin begrensd tot het Europees deel van Nederland.
Er zijn geen gevolgen voorzien voor de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius.
De regering stelt met dit wetsvoorstel geen wijziging voor van de Mediawet BES, die
het mediarecht in Caribisch Nederland regelt. Dat ligt ook niet voor de hand omdat
de Mediawet BES niet de organisatie van de uitvoering van de publieke mediaopdracht
kent, zoals deze is geregeld in de Mediawet 2008. Ook de problematiek in verband met
de bekostigingswijze en de versnippering van de lokale publieke omroep is specifiek
voor het Europees deel van Nederland.
6. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
6.1 NLPO
Een concept van het wetsvoorstel is voor een uitvoerbaarheidstoets voorgelegd aan
de Stichting NLPO. De Stichting heeft laten weten dat zij het wetsvoorstel uitvoerbaar
acht en passend bij de noodzaak tot verdere professionalisering van de lokale publieke
omroepsector.
Zij wijst wel op een aantal randvoorwaarden die bepalend zijn voor de effectieve uitvoering
in het nieuwe bestel. Een duidelijke rolverdeling tussen de NLPO en de lokale publieke
omroepen is van belang, evenals een goede balans tussen enerzijds de mogelijkheden
voor de NLPO om regie te kunnen nemen en anderzijds de autonomie van de lokale publieke
omroepen. De Stichting NLPO verzoekt in dit verband om verduidelijking van haar mogelijkheden
ten aanzien van collectieve voorzieningen, zoals infrastructuur en ICT-middelen. De
regering ziet dit belang en wijst erop dat om die reden op dit punt uitdrukkelijk
een taak wordt verleend aan de NLPO. Deze taak is naar aanleiding van de opmerking
geëxpliciteerd.194
Verder verzoekt de Stichting NLPO om helderheid over de rolverdeling tussen de Minister,
het Commissariaat en de NLPO. De regering onderkent dat een duidelijke rolverdeling
nodig is en heeft hiertoe het wetsvoorstel aangescherpt. Zo is de toezichtrol van
de raad van toezicht van de NLPO beperkt tot de NLPO zelf, en ziet deze niet meer
op de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau in bredere zin. Dat
laatste is aan het Commissariaat. De regering is voornemens om met de (Stichting)
NLPO en het Commissariaat over de rolverdeling in overleg te blijven bij het uitwerken
van de lagere regelgeving die uit dit wetsvoorstel volgt, en bij de voorbereidingen
op de stelselherziening in de praktijk.
De Stichting NLPO wil, om een zorgvuldige «ingroei» in het nieuwe bestel te kunnen
realiseren, blijven werken aan het opbouwen van aanvullende capaciteit en het begeleiden
van lokale publieke omroepen met uiteenlopende uitgangsposities. Het is de regering
duidelijk dat gelet op de extra taken die aan de NLPO worden toegekend, een hogere
bekostiging nodig zal zijn. De Stichting NLPO heeft in de uitvoeringstoets een inschatting
hiervoor gemaakt. De hoogte van deze bekostiging is echter ook afhankelijk van keuzes
die gemaakt worden in voorgenomen aanpassingen in lagere regelgeving, die uit dit
wetsvoorstel volgen. De regering zal dus in gesprek blijven met de NLPO om te voorzien
in passende bekostiging van de extra uitvoeringslasten die horen bij de stelselherziening.
De Stichting NLPO bepleit het verplichte gebruik van een gestandaardiseerd financieel
meerjarenplan. De regering wijst erop dat de precieze inhoud en inrichting van de
begroting en verantwoording nader zal worden vormgegeven in een ministeriële regeling.195 Het bevorderen van een doelmatige inzet van de gelden en van de geïntegreerde financiële
verslaglegging is een taak van de NLPO.196 De Minister zal de (Stichting) NLPO dan ook betrekken bij het opstellen van de ministeriële
regeling.
Ten slotte vraagt de Stichting NLPO aandacht voor de scheiding tussen de bekostiging
van de NLPO en de bekostiging van de uitvoering van de publieke media-opdracht door
de lokale publieke omroepen. De toelichting is in reactie hierop uitgebreid. Ten eerste
is in paragraaf 2.2 verduidelijkt dat het bedrag van circa € 18 miljoen, waarmee de
mediabegroting per 2028 structureel wordt opgehoogd, ook bedoeld is voor extra uitvoeringskosten
die voortvloeien uit dit wetsvoorstel. Ten tweede is in paragraaf 2.4 uitgelegd dat
sprake is van een scheiding van het budget voor de NLPO en het budget voor de lokale
publieke omroepen.
6.2 Commissariaat voor de Media
Een concept van het wetsvoorstel is voor een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets
(hierna: U&H-toets) voorgelegd aan het Commissariaat. Het oordeel van het Commissariaat
is dat het wetsvoorstel uitvoerbaar en handhaafbaar is, indien een aantal door het
Commissariaat gesignaleerde punten opgelost of verduidelijkt wordt.
Het Commissariaat heeft de brief met de U&H-toets onderverdeeld in bijlagen. Bijlage
I gaat in op de resultaten van de U&H-toets en bevat de belangrijkste door het Commissariaat
gesignaleerde knelpunten. Bijlage III bevat overige zorgen en aandachtspunten bij
het wetsvoorstel. Deze bijlagen zullen in de komende paragrafen worden besproken.
Bijlagen II, IV en V worden hier niet behandeld. Bijlage II gaat in op de extra uitvoeringslasten
die het Commissariaat verwacht als gevolg van het wetsvoorstel. Het Commissariaat
schetst hiervoor een aantal scenario’s en bedragen. De regering erkent dat met de
uitbreiding van de taken van het Commissariaat een hogere bekostiging nodig zal zijn.
De hoogte van de bekostiging is echter, zoals het Commissariaat zelf ook benoemt,
in hoge mate afhankelijk van de keuzes die gemaakt worden in voorgenomen aanpassingen
van de lagere regelgeving die uit dit wetsvoorstel volgen. De regering blijft met
het Commissariaat in gesprek over de benodigde hogere bekostiging. Zoals eerder aangegeven
is het totaal beschikbare bedrag, waarmee de mediabegroting per 2028 structureel wordt
opgehoogd, hier ook voor bedoeld. Bijlage IV bevat aandachtspunten bij de Mediaregeling
2008. Deze zullen bij de aanpassing van die regeling worden meegenomen. Tot slot wijst
Bijlage V op kennelijke verschrijvingen in het wetsvoorstel. Deze verschrijvingen
zijn gecorrigeerd.
Bijlage I: Resultaten U&H-toets
Publieke mediaopdracht
Het Commissariaat stelt dat uit het wetsvoorstel niet duidelijk blijkt hoe het toezicht
op de publieke mediaopdracht op lokaal niveau is geregeld en hoe de taken van het
Commissariaat zich verhouden tot die van de raad van toezicht van de NLPO. Naar aanleiding
van deze opmerking is het wetsvoorstel aangescherpt. Het voorgestelde artikel 2.79
is aangepast, zodat de raad van toezicht van de NLPO alleen toezicht houdt op de NLPO
en niet op de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau in bredere
zin. Dit laatste toezicht is belegd bij het Commissariaat.
Het Commissariaat wijst er tevens op dat de artikelen 2.189 en 2.190 van het wetsvoorstel
niet uitgezonderd zijn van toezicht door het Commissariaat. De artikelen 2.189 en
2.190 gaan over de evaluatie van de lokale publieke mediadienst door de omroepen dan
wel de NLPO. De regering acht het wenselijk dat het Commissariaat toezicht houdt op
de naleving van deze artikelen. De zelfevaluatie voor lokale publieke omroepen uit
artikel 2.189 is een verplichting en daarmee is het passend dat het Commissariaat
toeziet op de naleving ervan. De bevoegdheid tot een onafhankelijke evaluatie van
de NLPO betreft geen verplichting, maar er gelden op basis van artikel 2.190 wel voorschriften
voor de inrichting van deze onafhankelijke evaluatie. Het is wenselijk dat het Commissariaat
toezicht houdt op de naleving van deze voorschriften.
ICE-norm
Het Commissariaat merkt op dat het op dit moment zelf invulling heeft gegeven aan
de wijze waarop de huidige ICE-norm wordt gemeten. Het Commissariaat verwacht dat
dit ook nodig zal zijn na inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Het Commissariaat
acht het dan ook nodig in het artikel op te nemen dat het Commissariaat nadere regels
kan stellen om dit uit te werken. De regering neemt dit voorstel niet over. Het Commissariaat
kan immers beleidsregels vaststellen over aan hem toegekende bevoegdheden.197
Het Commissariaat gaat tevens in op de handhaafbaarheid van de artikelen 2.70 en 2.87x
van het wetsvoorstel, in het bijzonder gelet het begrip «aanbodkanaal» in het voorstel,
zoals in consultatie gebracht. Met het oog op de handhaafbaarheid is de term «aanbodkanaal»
in de artikelen 2.70 en 2.87x van het wetsvoorstel teruggebracht naar «programmakanaal»,
zoals al in de Mediawet 2008 is opgenomen. De toelichting op de wijziging van de ICE-norm
in paragraaf 2.6 en de artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 2.70 en 2.87x
van dit wetsvoorstel zijn eveneens aangepast.
Verder benoemt het Commissariaat dat het op dit moment voor lokale publieke omroepen
vaak lastig is met de aanbodkanalen op radio te voldoen aan de huidige ICE-norm. Het
Commissariaat verwacht dat dit ook onder de vereenvoudigde norm het geval zal zijn
en adviseert daarom de voorgestelde ICE-norm zo aan te passen dat deze ook voor radio
goed uitvoerbaar is. De regering neemt dit voorstel niet over. Het is namelijk wenselijk
dat lokale publieke omroepen ook met programmakanalen op radio aan de voorgestelde
ICE-norm voldoen. Dit is ook haalbaar, gelet op de beoogde versterking van de lokale
publieke omroepen.
Prestatieovereenkomst
Naar aanleiding van een opmerking van het Commissariaat is artikel 2.87g van het wetsvoorstel,
over de prestatieovereenkomst tussen de NLPO en de Minister van OCW, uitgezonderd
van het toezicht door het Commissariaat. Dit is in lijn met de bepalingen over de
prestatieovereenkomsten op landelijk en regionaal niveau, die eveneens van het toezicht
door het Commissariaat zijn uitgezonderd. Het ligt verder voor de hand dat de NLPO,
de Minister van OCW en het Commissariaat onderling afspraken maken over de rol van
het Commissariaat bij de prestatieovereenkomst tussen NLPO en de Minister van OCW.
Bekostigings- en verantwoordingscyclus
In het voorgestelde artikel 2.170e van het wetsvoorstel wordt bepaald dat bij algemene
maatregel van bestuur regels worden gesteld over de verdeling van het totaalbudget
onder de lokale publieke omroepen. Het Commissariaat beveelt aan om daarin duidelijk
te maken dat de vastgestelde verdeling van het totaalbudget het financiële kader betreft
waarbinnen de media-instellingen hun media-aanbod dienen te realiseren. De regering
is van mening dat dit voldoende helder volgt uit de huidige formulering van artikel
2.170e, in samenhang met artikel 2.170f en de nog op te stellen lagere regelgeving
op grond van artikel 2.170e, tweede lid. Ook acht het Commissariaat het wenselijk
om in de toelichting te benadrukken dat het Commissariaat geen inhoudelijk oordeel
velt over de vraag of de toegekende bedragen toereikend zijn. De regering onderschrijft
dit.
Verder pleit het Commissariaat ervoor om in de toelichting bij het wetsvoorstel als
randvoorwaarde bij de jaarlijkse begroting van lokale publieke omroepen op te nemen
dat er een koppeling komt tussen de prestatieafspraken en de benodigde (financiële)
middelen. De regering neemt dit voorstel niet over. Hierbij wordt opgemerkt dat artikel
2.170b van het wetsvoorstel gedetailleerde voorschriften bevat voor de inrichting
van de jaarlijkse begroting van de NLPO. Op grond van artikel 2.170g, tweede lid,
van het wetsvoorstel moet de begroting van lokale publieke omroepen op deze begroting
afgestemd zijn. Bovendien kan de Minister nadere regels stellen over de inhoud en
inrichting van de begroting van zowel de NLPO als de lokale publieke omroepen.198
Ook beveelt het Commissariaat aan om in de artikelen 2.170h en 2.173b te spreken over
«de jaarstukken» in plaats van «de jaarrekening». In dit verband wordt opgemerkt dat
consistentie in de bestuurlijk-juridische inrichting van het publieke mediabestel
één van de uitgangspunten is bij deze hervorming van de lokale publieke mediadienst.199 Om de consistentie te borgen, wordt deze aanbeveling niet overgenomen.
Voorts gaat het Commissariaat in op artikel 2.170h, tweede lid, van het voorstel.
Hieruit volgt dat het Commissariaat de bevoorschotting vermindert als een lokale publieke
omroep de jaarrekening niet tijdig indient. Het Commissariaat wil de omstandigheden
rondom een late aanlevering van de jaarrekening kunnen wegen. Hiertoe is artikel 2.170h
aangepast.
Het Commissariaat merkt op dat de bekostiging gedurende het bekostigingsjaar kan worden
aangepast, bijvoorbeeld in verband met een vergoeding op basis van de consumentenprijsindex,
en beveelt aan om de mogelijkheid tot het tussentijds wijzigen van het totaalbudget
expliciet op te nemen in de Mediawet 2008. De regering acht de huidige wet- en regelgeving
met het oog hierop echter voldoende helder. Bovendien is het staande praktijk om in
de jaarlijkse beschikkingen aan media-instellingen op te nemen dat het bedrag in het
voorjaar van een lopend jaar wordt gecorrigeerd voor de consumentenprijsindex van
dat jaar. Daarmee is de rechtszekerheid en voorspelbaarheid van het bekostigingsproces
geborgd.
Het Commissariaat acht het daarnaast van belang om bij de toegezegde uitwerking van
de lagere wetgeving zorgvuldig de balans te bewaken tussen de behoefte aan een behoorlijke
boekhouding en financiële verantwoording enerzijds en een doelmatige inzet van (publieke)
middelen anderzijds. Naar aanleiding van dit aandachtspunt is de artikelsgewijze toelichting
van artikel 2.173b aangevuld om deze balans te benadrukken. Bij de uitwerking van
de lagere regelgeving worden het Commissariaat en de NLPO betrokken.
Uit artikel 2.173b van dit wetsvoorstel volgt dat de deadline voor het toezenden van
jaarstukken aan het Commissariaat door lokale publieke omroepen en de NLPO van 1 juni
naar 1 mei verschuift. Het Commissariaat stelt dat die vervroeging het risico vergroot
dat de instellingen de jaarstukken niet tijdig aanleveren, terwijl tijdige aanlevering
van de jaarstukken essentieel is voor de planning van de werkzaamheden van het Commissariaat.
Het Commissariaat vraagt de regering de vervroeging van de deadline voor het toezenden
van de jaarstukken te heroverwegen. Dit voorstel is niet overgenomen. De verwachting
is dat de schaalvergroting, professionalisering en coördinatie door de NLPO ertoe
zal leiden dat de deadline van 1 mei haalbaar zal zijn. Verder wordt opgemerkt dat
deze deadline ook geldt voor de regionale publieke omroepen, voor wie deze deadline
haalbaar is gebleken.
Het Commissariaat pleit er verder voor om niet op het niveau van de Mediawet 2008,
maar in gedelegeerde regelgeving, uiteen te zetten hoe in de jaarrekening de financiële
middelen dienen te worden onderverdeeld.200 Dit voorkomt mogelijke inconsistenties tussen de Mediawet 2008 en de nog te ontwikkelingen
lagere regelgeving. De regering is echter van mening dat de huidige formulering van
artikel 2.173b, vierde lid, van het voorstel genoeg ruimte biedt voor nadere uitwerking
in lagere regelgeving.
Het Commissariaat interpreteert het voorgenomen artikel 2.175 als volgt: per ultimo
boekjaar mag het saldo van de reserve media-aanbod op de balans maximaal tien procent
van de lasten over dat jaar bedragen. Het Commissariaat verzoekt de regering deze
interpretatie te bevestigen in de uitwerking van de lagere regelgeving. De regering
is voornemens deze interpretatie in lagere regelgeving te bevestigen en heeft paragraaf
2.2 van de toelichting bij dit wetsvoorstel aangevuld om dit voornemen te expliciteren.
Uit de voorgestelde wijziging van artikel 7.16a volgt dat het Commissariaat de bevoegdheid
krijgt om lokale publieke omroepen een aanwijzing te geven in het kader van de rechtmatigheid.
Het Commissariaat pleit voor het tevens verlenen van de bevoegdheid om een aanwijzing
te geven aan de RPO en NLPO, omdat het ook voor deze instellingen belast is met de
rechtmatigheidstoetsing van de bestedingen. De bevoegdheid is destijds in de wet opgenomen,
specifiek voor omroepinstellingen. De opmerking van het Commissariaat is wel aanleiding
geweest om de NLPO toe te voegen aan het artikel. Voor de NLPO is namelijk, anders
dan voor de NPO en de RPO, geen taakverwaarlozingsregeling opgenomen. Dit houdt verband
met het feit dat de NLPO geen zelfstandig bestuursorgaan wordt, maar een rechtspersoon
met een wettelijke taak, waarvoor een dergelijke bevoegdheid te zwaar is geacht. Voor
de NLPO is de mogelijkheid van een aanwijzing door het Commissariaat, bijvoorbeeld
bij financieel wanbeheer, wel wenselijk. Artikel 7.16a is hiertoe aangepast.
Het Commissariaat ziet de NLPO en RPO graag toegevoegd aan de reikwijdte van artikel
2.178, eerste lid, dat gaat over de governance van de landelijke, regionale en lokale
publieke omroepen en de Ster. De regering acht de governance van de NLPO en RPO echter
voldoende geborgd in de voorschriften uit het wetsvoorstel en de huidige Mediawet
2008. Dit geldt in het bijzonder gelet op artikel 2.142a van de Mediawet 2008, waar
de NLPO met dit wetsvoorstel aan wordt toegevoegd.
Aanwijzingsprocedure
Uit artikel 2.87j, derde lid, van dit voorstel volgt dat het Commissariaat een (nieuwe)
lokale publieke omroep kan aanwijzen voor de resterende duur van de initiële periode
van vijf jaar in geval van intrekking van een aanwijzing. Het Commissariaat wijst
erop dat het van belang is om de procedure voor deze «tussentijdse» aanwijzing goed
in te regelen of daarvoor een regelgevende bevoegdheid voor het Commissariaat op te
nemen. Met betrekking tot dit punt wordt erop gewezen dat een dergelijke aanwijzing
verloopt volgens de reguliere procedure, zoals uiteengezet in paragraaf 2.4.3 van
het wetsvoorstel.201 Daarbij geldt de algemene bevoegdheid van het Commissariaat om beleidsregels vast
te stellen over zijn bevoegdheden, zoals het ook heeft gedaan voor de huidige aanwijzingsprocedure.202
In relatie tot het voorgestelde artikel 2.87j vraagt het Commissariaat om duidelijkheid
voor gevallen waarin geen aanvragen worden ingediend voor een lokaal verzorgingsgebied
of er geen aanvragers zijn die aan de vereisten voldoen. Het Commissariaat acht het
daarbij wenselijk om voor deze gevallen een «vangnetbepaling» op te nemen. Naar aanleiding
van artikel 2.87k van het wetsvoorstel, over de onderlinge afweging van aanvragen,
merkt het Commissariaat op dat het voorstel momenteel niet voorziet in de situatie
dat het Commissariaat vaststelt dat er een gelijke mate van geschiktheid van de aanvragers
bestaat. De regering meent dat het wetsvoorstel voorziet in criteria voor aanwijzing
en in gronden voor afwijzing, en daarnaast het Commissariaat de discretionaire ruimte
biedt om de gevallen die zich kunnen voordoen te adresseren.
Het Commissariaat gaat eveneens in op artikel 2.87m van het wetsvoorstel, dat gaat
over het pbo. Dit artikel roept volgens het Commissariaat de vraag op of het pbo het
voorgenomen beleid voor het media-aanbod van een aanvrager moet hebben vastgesteld
op het moment dat deze instelling een aanvraag indient. Naar aanleiding van deze opmerking
is paragraaf 2.5 van deze toelichting aangevuld om te verduidelijken dat dit niet
het geval is.
Het Commissariaat maakt enkele opmerkingen over de vereisten voor het pbo, die volgen
uit artikel 2.87m van het wetsvoorstel. Het Commissariaat beveelt aan wettelijk te
waarborgen dat voorafgaand aan de aanwijzingsprocedure duidelijkheid bestaat over
de belangrijkste stromingen binnen een lokaal verzorgingsgebied. Deze aanbeveling
is niet overgenomen. In paragraaf 2.5 is toegelicht dat het per lokaal verzorgingsgebied
verschilt wat de belangrijkste stromingen zijn. Het is niet aan de wetgever om dit
nader in te vullen.
De zinsnede uit artikel 2.87m, waarin is opgenomen dat de leden van een pbo «afkomstig
[zijn] uit organisaties die actief zijn binnen een van de genoemde stromingen in de
betreffende gemeente(n)», lijkt volgens het Commissariaat te impliceren dat personen
die niet afkomstig zijn uit een dergelijke organisatie, maar wel beschikken over aantoonbare
kennis en ervaring over een bepaalde stroming, deze stroming niet kunnen vertegenwoordigen.
Naar aanleiding van deze opmerking is de toelichting aangepast om te verduidelijken
dat de leden van een pbo organisaties vertegenwoordigen die actief zijn binnen een
van de genoemde stromingen. Deze term sluit aan op de huidige praktijk van de Beleidsregel.203
Het Commissariaat adviseert daarnaast om in de wet op te nemen welke nevenfuncties
onverenigbaar zijn met het pbo-lidmaatschap. De regering neemt dit voorstel niet over.
Het is aan de pbo’s om passende onverenigbaarheden te bepalen. In het modelreglement
voor het pbo van de Stichting NLPO zijn bijvoorbeeld verschillende onverenigbaarheden
opgenomen. Onder meer worden daar genoemd het lidmaatschap van de raad van een betrokken
gemeente, of betrokkenheid bij een commerciële media-instelling.204
Het Commissariaat raadt verder aan om in artikel 2.87o te verwijzen naar een «realistische»
begroting. Uit de artikelsgewijze toelichting op dit artikel volgt echter al dat de
begroting een (realistische) financiële onderbouwing moet geven bij wat wordt voorgesteld
in het beleidsplan. Deze aanbeveling wordt dan ook niet gevolgd.
Het Commissariaat vraagt de regering om een duidelijke termijn te bepalen voor de
bekendmaking van de beschikbare budgetten, zowel als het gaat om de budgetten vanuit
het Rijk als de eventuele aanvullende bekostiging vanuit gemeenten. De regering merkt
op dat uit de toelichting in paragraaf 2.2 blijkt dat de beschikbare budgetten vanuit
het Rijk en eventuele gemeenten voorafgaand aan de aanwijzingsprocedure duidelijk
moeten zijn. De regering is voornemens om in overleg met het Commissariaat te werken
aan concrete tijdlijnen voor de aanwijzingsprocedures op basis van dit wetsvoorstel.
Het Commissariaat vraagt naar paragraaf 2.5 van deze toelichting, waarin is opgenomen
dat in de advisering door de NLPO en de gemeenteraad ook governance-aspecten van de
kandidaat-omroep aan de orde komen. Naar aanleiding van deze vraag is de toelichting
aangevuld.
De gemeenteraad adviseert over het criteria voor het pbo uit artikel 2.87m, tweede
lid, aanhef en onderdelen b en c. Het Commissariaat geeft in overweging dat het deze
beoordeling in plaats van de gemeente zou kunnen verrichten. De regering neemt dit
voorstel niet over. Artikel 2.87m moet in zijn geheel beschouwd worden, waarbij het
gaat om samenstelling en representativiteit van het pbo. De gemeenteraad is vanwege
haar specifieke kennis bij uitstek geschikt om hierover advies uit te brengen.
Het Commissariaat wijst er vervolgens op dat de betrokken gemeenteraden en de NLPO
advies moeten uitbrengen over verschillende criteria. Het wetsvoorstel bevat geen
bepalingen over de onderlinge verhouding van deze criteria. Het Commissariaat verzoekt
de wetgever om in het wetsvoorstel te verduidelijken of dit betekent dat alle criteria
bij besluitvorming even zwaar meewegen. Naar aanleiding van deze aanbeveling is de
toelichting in paragraaf 2.5 aangevuld.
Volgens artikel 2.87q, tweede lid, van het voorstel kan het Commissariaat een aanvraag
afwijzen als er gegronde redenen bestaan dat een instelling zich niet zal houden aan
het bepaalde bij of krachtens deze wet. Deze bepaling geldt alleen voor instellingen
die in een voorafgaande aanwijzingsperiode een aanwijzing hadden. Met een beroep op
het gelijke speelveld en de doelstellingen van het wetsvoorstel acht het Commissariaat
het wenselijk dat deze bepaling wordt uitgebreid, zodat deze bepaling ook gaat gelden
voor nieuwe aanvragers. De regering neemt dit voorstel niet over, nu de bepaling naar
haar aard alleen gericht is tot partijen die eerder een aanwijzing hadden.
In artikel 2.87v wordt regelgevende bevoegdheid gedelegeerd aan het Commissariaat.
Het Commissariaat verzoekt de regering deze bepaling uit te breiden zodat het Commissariaat
ook regels kan stellen over, bijvoorbeeld, (het format van) aanvragen en de inhoud
van de pbo-ledenlijst. De regering meent dat uitbreiding van de delegatie niet nodig
is gelet op de mogelijkheden van artikel 4:2 van de Awb en daarnaast de grondslagen
voor nadere regelgeving in het voorgestelde artikel 2.87u.
Overig
In artikel 6.13 van de Mediawet 2008 is de doorgifteverplichting geregeld voor pakketaanbieders.
Zowel in artikel 6.13, derde lid, onderdeel b tot en met e, als in artikel 6.13, vierde
lid, onderdeel b tot en met d, wordt (indirect) verwezen naar artikel 2.70 en 2.87x.
Naar het oordeel van het Commissariaat heeft deze verwijzing geen toegevoegde waarde
aangezien alle aanbodkanalen onderworpen zijn aan de bepalingen uit deze artikelen.
In tegenstelling tot hetgeen wordt gesteld door het Commissariaat is de verwijzing
niet overbodig. Met deze verwijzing heeft de wetgever bedoeld te verduidelijken welke
doorgifteverplichtingen gelden voor het «reguliere» media-aanbod, dat moet voldoen
aan de eisen uit de artikelen 2.70 en 2.87x, en welke gelden voor media-aanbod dat
gericht is op specifieke groepen in het verzorgingsbied, zoals jongeren. Dit is een
relevant onderscheid en om die reden wordt de verwijzing in dit wetsvoorstel gehandhaafd.
Het Commissariaat constateert dat voor alle aanwijzingen die aflopen vóór het moment
van inwerkingtreding van de wetswijziging, de huidige bepalingen van de Mediawet 2008
moeten worden toegepast.205 Het kan echter voorkomen dat aanwijzingsprocedures door complexiteit niet kunnen
worden afgerond voordat de wetswijziging in werking treedt en de nieuwe regels voor
de aanwijzingsprocedure moeten toegepast. Om in die situatie aanwijzing mogelijk te
maken, acht het Commissariaat het noodzakelijk om in de wet op te nemen dat de regels
van de huidige Mediawet 2008 blijven gelden voor aanwijzingsprocedures die nog lopen
op het moment dat de wetswijziging in werking treedt. De regering acht het van belang
dat lopende aanwijzingsprocedures zijn afgerond vóór het moment van inwerkingtreding
van het wetsvoorstel. Het Commissariaat heeft de ruimte om de aanwijzingsprocedure
zo in te richten dat dit haalbaar is. Wel is in artikel 9.14k van het wetsvoorstel
toegevoegd dat de regels van de huidige Mediawet 2008 van toepassing blijven op eventuele
lopende bezwaar- en beroepsprocedures.
Bijlage III: Overige zorgen en aandachtspunten wetsvoorstel
In de volgende alinea’s zal worden ingegaan op relevante opmerkingen uit bijlage III
bij de brief van het Commissariaat.
Doelstelling wetsvoorstel
Het Commissariaat merkt op dat de zorg blijft bestaan of de financiële middelen die
beschikbaar worden gesteld voldoende zullen zijn voor een adequate taakuitvoering.
Dit punt is ook uit de internetconsultatie naar voren gekomen. Daarom wordt verwezen
naar de reactie op dit punt in paragraaf 9.3 van deze toelichting.
Lokaal verzorgingsgebied
Het Commissariaat wijst erop dat de toelichting bij artikel 2.87i aangeeft dat een
instelling kan worden aangewezen als lokale publieke omroep voor meer dan één lokaal
verzorgingsgebied. Het Commissariaat meent dat dit mogelijk onwenselijk is in het
licht van de lokale binding. Anders dan uit de toelichting volgde, is het op grond
van het voorstel niet mogelijk om aangewezen te worden voor meer dan één lokaal verzorgingsgebied.
De toelichting is op dit punt gecorrigeerd.
In het wetsvoorstel is in artikel 2.87n, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 1,
geregeld dat een lokale publieke media-instelling in het beleidsplan dient op te nemen
hoe de instelling de geografische en sociaal-culturele verscheidenheid binnen het
lokale verzorgingsgebied wil bedienen. Het Commissariaat stelt dat aan dit artikel
geen handhavingsmogelijkheden zijn gekoppeld. Uit het wetsvoorstel volgt echter dat
het Commissariaat is belast met toezicht en handhaving van artikel 2.87n. Dit artikel
is immers niet uitgezonderd in de artikelen 7.11 en 7.12 van de Mediawet 2008.
Het Commissariaat adviseert verder om de uitvoering van de publieke mediaopdracht
op regionaal en lokaal niveau verder te concretiseren om de verschillen tussen deze
domeinen te waarborgen. Naar aanleiding van dit advies is de toelichting in paragraaf
2.1 uitgebreid om nader te beschrijven wat de wettelijke waarborgen zijn voor de afbakening
van het regionale en het lokale niveau van de publieke mediadienst.
NLPO
Het Commissariaat adviseert tevens om een minimale termijn op te nemen voor de periode
die tussen het lidmaatschap van de raad van toezicht en het bestuur van de NLPO moet
zitten, om te voorkomen dat een bestuurslid al na zeer korte tussenliggende periode
toetreedt tot de raad van toezicht. De regering neemt dit voorstel niet over. Het
is aan de NLPO om hier een adequate invulling aan te geven, zoals de Stichting NLPO
al doet in haar statuten.
Het Commissariaat merkt op dat uit het wetsvoorstel niet blijkt op welke wijze de
lokale publieke omroepen betrokken worden bij de benoeming van de leden van het college
van omroepen en de uitvoering van haar taken. Uit het wetvoorstel blijkt echter dat
het college van omroepen de lokale publieke omroepen bij de NLPO vertegenwoordigt
en representatief samengesteld moet zijn. Benoeming van de leden gebeurt op voordracht
van het college van omroepen (artikel 2.84, eerste lid, van het wetsvoorstel).
Daarnaast vraagt het Commissariaat verduidelijking over hoe de NLPO om moet gaan met
de adviezen van het college van omroepen. Volgens de regering zorgt nadere inkadering
op dit punt voor onnodige juridisering van het voorgestelde adviesrecht van het college
van omroepen.206 Gewezen wordt op artikel 2.87b van het wetsvoorstel, dat bepaalt dat de NLPO in haar
statuten de verdere werkwijze van het college van omroepen moet regelen. De statuten
lijken dan ook de aangewezen plek om de werkwijze rond het adviesrecht van het college
van omroepen te regelen. Dat is al zo gebeurd bij de huidige Stichting NLPO.
Het Commissariaat acht het wenselijk dat nader wordt toegelicht wat er, ook procedureel,
gebeurt na afloop van de tienjarige concessie van de NLPO. Naar aanleiding van dit
advies is de toelichting op dit punt uitgebreid.
Uit het wetsvoorstel en de toelichting blijkt volgens het Commissariaat niet of toezicht
wordt gehouden op de naleving van het concessiebeleidsplan en bij wie dit is belegd.
De regering merkt op dat het concessiebeleidsplan NLPO nadere duiding geeft aan de
uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau en dat de beleidsplannen
van de lokale publieke omroepen moeten zijn afgestemd op het concessiebeleidsplan
NLPO. Het toezicht op de uitvoering van de publieke mediaopdracht in brede zin is
volgens de Mediawet 2008 belegd bij het Commissariaat.
Het Commissariaat wijst erop dat bij het vaststellen van het tijdstip voor de indiening
van het concessiebeleidsplan rekening moet worden gehouden met de aanwijzingsprocedure.207 Dit is geëxpliciteerd in paragraaf 2.4 van deze toelichting.
In het voorgestelde artikel 2.87f staat dat de Minister advies vraagt aan het Commissariaat
en de Raad voor Cultuur over het concessiebeleidsplan van de NLPO. Het Commissariaat
vraag naar het doel van dit advies. Naar aanleiding van deze vraag is paragraaf 2.4
van deze toelichting op dit punt aangevuld.
Bekostigings- en verantwoordingscyclus
Op grond van het voorgestelde artikel 2.170c, vijfde lid, besteedt het bestuur van
de NLPO het budget aan de in dat lid genoemde doelen. Het Commissariaat beveelt daarbij
aan om specifieke, meetbare, acceptabele, realistische en tijdgebonden doelen als
verplicht onderdeel van de jaarlijkse begroting voor te schrijven. De regering merkt
op dat artikel 2.170c, vijfde lid, verwijst naar 2.170c, eerste lid, waarin het gaat
over de taken en werkzaamheden van de NLPO. Deze taken en werkzaamheden zijn concreet
beschreven in het wetsvoorstel. Bovendien bevat artikel 2.170b, dat gaat over de begroting,
voldoende, concrete voorschriften.
Het Commissariaat voert sinds 2009 een driejaarlijkse evaluatie uit van de doeltreffendheid
en de effecten van de bekostiging van de lokale publieke omroepen. Het Commissariaat
verzoekt om deze taak in het voorgestelde artikel 2.170i op te nemen. Uit de toelichting
bij artikel 2.170i blijkt echter al expliciet dat het Commissariaat met deze taak
belast is. Het is dan ook niet nodig dit voorstel over te nemen.
Voorts stelt het Commissariaat dat uit het voorgestelde artikel 2.179a niet blijkt
of is overwogen om de diensten die door lokale publieke omroepen worden verricht in
het kader van de publieke mediaopdracht aan te wijzen als DAEB. De regering verwijst
hiervoor naar paragraaf 3.1 van deze toelichting.
Aanwijzingsprocedure
Het Commissariaat is van verder van mening dat uit artikel 2.87n niet blijkt dat een
aanvrager in zijn beleidsplan inzicht moet geven in de uitvoering van de publieke
media-opdracht uit artikel 2.1 van de Mediawet, waaronder het voorzien van informatie,
cultuur en educatie. Volgens de regering dient deze bepaling te worden gezien in de
context van de Mediawet 2008. Het beleidsplan moet zijn afgestemd op het concessiebeleidsplan
NLPO, dat dient ter uitwerking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op
lokaal niveau. In de artikelsgewijze toelichting op artikel 2.87n is hieraan aanvullend
aandacht gegeven.
Overig
Op grond van het wetsvoorstel zal de norm voor Nederlands- en Friestalige producties
in artikel 2.122 van de huidige Mediawet 2008 ook voor de lokale publieke omroepen
gaan gelden. De toegevoegde waarde van deze norm acht het Commissariaat zeer beperkt,
omdat in de praktijk het programma-aanbod voornamelijk uit dergelijke producties zal
bestaan. Het Commissariaat adviseert om deze wijziging te schrappen. De genoemde norm
acht de regering echter van belang voor de lokale binding tussen de omroep en het
verzorgingsgebied. De verwachte gevolgen voor het Commissariaat zijn beperkt gelet
op het probleemgericht en risico gestuurd toezicht dat het Commissariaat inzet.208
Op grond van artikel 9.14o van het wetsvoorstel is artikel 2.173b voor de NLPO pas
van toepassing in het tweede kalenderjaar na het begin van de eerste concessie. Het
is volgens het Commissariaat wenselijk dit ook voor de lokale publieke omroepen te
regelen. Er wordt op gewezen dat artikel 2.173b, vijfde lid, van het wetsvoorstel
hierin voorziet.
Tot slot geeft het Commissariaat de wetgever in overweging om een aantal bepalingen
uit de huidige Mediawet 2008 te laten vervallen die zien op de aanwijzingsprocedure
van regionale publieke omroepen. Zoals beschreven in paragraaf 2.1 van deze toelichting
is het aantal wijzigingen betreffende regionale omroepen beperkt gehouden, nu dit
wetsvoorstel is gericht op lokale publieke omroepen.
6.3 Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Betrokkenheid decentrale overheden bij ontwikkeling wetsvoorstel
Twee onderdelen van het wetsvoorstel hebben gevolgen voor de taken van gemeenten.
Ten eerste de verplaatsing van de huidige bekostigingstaak van gemeenten voor lokale
publieke omroepen naar het Rijk, inclusief een overheveling van de daarvoor bestemde
middelen in het gemeentefonds naar de mediabegroting (zie paragraaf 2.2). Ten tweede
gaat het om de voorgestelde aanscherping van de aanwijzingsprocedure voor lokale publieke
omroepen, inclusief de verduidelijking en vereenvoudiging van de adviestaak die gemeenten
hebben binnen deze procedure (zie paragraaf 2.4).
In deze paragraaf wordt in het kader van de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden
(hierna: UDO) beschreven hoe de VNG als koepelorganisatie voor gemeenten betrokken
is geweest bij de belangrijkste adviezen en beleidsbrieven die ten grondslag liggen
aan het wetsvoorstel, en bij de totstandkoming van het wetsvoorstel.
Het rapport Lokale Media, Niet te Missen van de ROB en de RvC ligt mede ten grondslag aan de voorgestelde maatregelen. De onderzoekers
hebben tijdens de totstandkoming van het rapport tweemaal gesproken met het Expertiseteam
Lokale Media van de VNG.209
Na het verschijnen van het coalitieakkoord van het kabinet-Rutte IV hebben het Ministerie
van OCW en het Ministerie van BZK begin 2022 het initiatief genomen tot de inrichting
van een bestuurlijke stuurgroep en een ambtelijke werkgroep; in beide was de VNG vertegenwoordigd,
naast de Ministeries van BZK en OCW, het Commissariaat en de Stichting NLPO.210 In opdracht van de stuurgroep kwam de werkgroep wekelijks samen. Het doel was om
in gezamenlijkheid de opdracht uit het coalitieakkoord uit te werken in een concreet,
samenhangend en uitvoerbaar pakket aan maatregelen met draagvlak in de sector en bij
gemeenten. Het resultaat hiervan was de Kamerbrief Visiebrief lokale omroepen van 30 mei 2023.211 Daarna is de constructie van stuur- en werkgroep ontbonden.
Na afronding van de Visiebrief lokale omroepen begon onder coördinatie van het Ministerie van OCW het opstellen van het wetsvoorstel
ter uitwerking van de maatregelen uit de visiebrief. Het Ministerie van OCW heeft
vanaf de zomer van 2023 meermaals met de VNG, het Ministerie van BZK, het Commissariaat
en de Stichting NLPO overleg gevoerd over verschillende aspecten van de wettelijke
uitwerking. Dat gebeurde zowel met de organisaties afzonderlijk als in gezamenlijk
verband.
De VNG steunde gedurende dit proces de keuze van de regering om de financiële basis
van de lokale publieke omroepen te versterken en te werken aan verdere professionalisering
en schaalvergroting van de lokale publieke omroepen. Tijdens de overleggen in het
kader van de Visiebrief lokale omroepen en de ontwikkeling van dit wetsvoorstel heeft de VNG een bijdrage geleverd aan de
vormgeving van de maatregelen. Tegelijkertijd heeft de VNG gedurende dit proces benoemd
dat zij niet achter de keuze van de regering staat om de bekostiging van lokale publieke
omroepen van het gemeentefonds over te hevelen naar de mediabegroting. De VNG pleitte
voor een tussenvorm zonder overheveling, waarbij zowel het Rijk (vanuit de mediabegroting)
als de gemeenten (vanuit het gemeentefonds) verantwoordelijk zouden zijn voor de bekostiging
van lokale publieke omroep. De VNG stelt dat op deze manier een noodzakelijke formele
band zou blijven bestaan tussen gemeenten en lokale publieke omroepen. Zij heeft dit
ook uitgesproken in haar inbreng bij het commissiedebat Lokale, regionale en streekomroepen
in de Tweede Kamer, op 5 oktober 2023, en het commissiedebat Media op 11 april 2024.212
213
De regering acht de tussenvorm die de VNG bepleit onwenselijk. De ROB en de RvC constateerden
immers in hun rapport Lokale Media, Niet te Missen dat de huidige wijze van financieren door de gemeenten bijdraagt aan enkele van de
problemen die de regering met dit wetsvoorstel probeert op te lossen. Zo schreven
de ROB en de RvC: «De basisfinanciering van lokale omroepen, die in de basisinfrastructuur
van publieke lokale omroepen moet voorzien, is op het moment inconsistent en in kleine
gemeenten te mager om een omroep van op te zetten die voorziet in de publieke functies
die we van publieke omroepen verwachten.»214
Bijkomend risico van de huidige bekostigingssystematiek is dat, in de woorden van
de ROB en de RvC, «deze manier van financieren de omroepen voor hun voortbestaan afhankelijk
[maakt] van de gemeente die ze tegelijkertijd kritisch dienen te volgen.» Het advies
van de raden is daarom dat de «basisfinanciering van lokale publieke omroepen verlegd
moet worden van gemeenten naar de mediabegroting van het Ministerie van OCW».
De regering onderschrijft de constatering en het advies van de ROB en de RvC. Zij
acht een tussenvorm waarbij zowel het Rijk als de gemeenten een wettelijke bekostigingstaak
hebben onwenselijk. Bovendien verwacht de regering dat de financiële verantwoording
van de lokale publieke omroepen zal verbeteren, als ze volledig onderdeel gaan uitmaken
van de wettelijke systematiek en financiële spelregels die volgen uit de Mediawet
2008. Ook zal de voorgestelde wijze van financieren de onafhankelijkheid van lokale
publieke omroepen verstevigen. Lokale publieke omroepen zijn voor hun bestaanszekerheid
in de toekomst niet meer aangewezen op de gemeenten die ze tegelijkertijd kritisch
moeten volgen. Overigens staat het gemeenten in het herziene stelsel vrij hun lokale
publieke omroep aanvullend te financieren (zie paragraaf 2.2).
De regering onderkent zeker het belang van lokale binding tussen een lokale publieke
omroep en de gemeente(n) en de lokale samenleving. Op dit punt bevat het wetsvoorstel
concrete eisen aan de beleidsplannen die kandidaat-omroepen moeten indienen bij hun
aanvraag. De gemeenten blijven ook adviseur in de aanwijzingsprocedure (zie paragraaf
2.4). Kandidaat-omroepen zullen ter onderbouwing van hun aanvraag bijvoorbeeld in
moeten gaan op voornemens en afspraken over de inzet van vrijwilligers en over samenwerkingen
met partners in het lokale verzorgingsgebied. Dit is juist een aspect waarover de
gemeente adviseert. De regering verwacht dat de band van de omroep met de gemeente
en de lokale samenleving zo meer inhoud en betekenis krijgt. Ten slotte zal een stevige
en professionele lokale publieke omroep, waar dit wetsvoorstel op inzet, beter in
staat zijn in het lokale verzorgingsgebied als relevante partij te functioneren en
lokale verbindingen aan te gaan.
In het hierboven beschreven proces van uitwerking van het wetsvoorstel is tevens overeenstemming
met VNG en het Ministerie van BZK bereikt over de methodiek om de hoogte van de uitname
uit het gemeentefonds te bepalen (zie paragraaf 2.2).
Uitvoerbaarheidstoets VNG
De VNG heeft een reactie op de internetconsultatie ingediend. In deze reactie schrijft
de VNG dat zij ervoor gekozen heeft om geen uitvoerbaarheidstoets uit te voeren. De
VNG stelt dat zij dit een relatief zwaar middel acht, terwijl er volgens de VNG geen
grote hoeveelheden nieuwe of gewijzigde (complexe) taken te verwachten zijn als gevolg
van het wetsvoorstel. De VNG schat de verwachte mate van uitvoeringsconsequenties
en impact voor gemeenten in als relatief beperkt. De verdere reactie van de VNG is
meegenomen bij de bespreking van de internetconsultatie in paragraaf 9.3.
7. Financiële gevolgen
Dit wetsvoorstel heeft financiële gevolgen voor het Rijk. Ten eerste wordt de rijksmediabijdrage
uit artikel 2.144 van de Mediawet 2008 verhoogd als gevolg van de overheveling van
de uitname uit het gemeentefonds van circa € 13 miljoen naar de mediabegroting. Ten
tweede wordt de rijksmediabijdrage uit artikel 2.144 van de Mediawet 2008 verhoogd
met de investering die de regering voornemens is te doen in de lokale publieke mediadienst.
Deze investering bedraagt circa € 18 miljoen.
In totaal wordt de rijksmediabijdrage uit artikel 2.144 van de Mediawet 2008 dus met
circa € 31 miljoen verhoogd. Uit deze verhoging zullen, naast de lokale publieke omroepen,
ook de taakuitbreidingen van de NLPO – ten opzichte van de Stichting NLPO – en het
Commissariaat worden bekostigd. Voor het Commissariaat geldt dat het niet alleen meer
taken krijgt, maar ook dat het te maken krijgt met piekbelasting door het synchroniseren
van de aanwijzingsprocedures.
8. Evaluatie
Het wetsvoorstel voorziet in een evaluatiebepaling. Deze bepaling houdt in dat de
regering binnen zeven jaar na inwerkingtreding van de wet aan de Staten-Generaal verslag
uitbrengt over de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk. Het voornemen
is om door middel van een onafhankelijk synthese-onderzoek op drie onderdelen te evalueren:
1. de financiële gezondheid van de lokale publieke omroepen;
2. het bereik en waardering van de lokale publieke omroepen; en
3. de rol die de lokale publieke omroepen spelen in de hoeveelheid en het type lokaal
nieuws in Nederlandse gemeenten.
Ten aanzien van het eerste onderdeel wil de regering bereiken dat de financiële gezondheid
van de lokale publieke omroepen verbetert ten opzichte van de huidige situatie. Dat
wil zeggen dat er in de toekomst zo min mogelijk lokale publieke omroepen zouden moeten
zijn die naar het oordeel van het Commissariaat financieel ongezond zijn. Het Commissariaat
voert op basis van de huidige Mediawet 2008 sinds 2009 eenmaal per drie jaar een evaluatie
uit naar de bekostiging en financiële gezondheid van de lokale omroepen (zie paragraaf
2.4).215 Volgens dit wetsvoorstel blijft het Commissariaat deze driejaarlijkse evaluatie uitvoeren.216 De huidige en toekomstige evaluaties van het Commissariaat kunnen zo de noodzakelijke
gegevens opleveren om in het kader van de evaluatie van deze wet te kunnen beoordelen
in hoeverre de financiële gezondheid van de lokale omroepen verbeterd is ten opzichte
van de huidige situatie. Ook de regeldruk voor de lokale publieke omroepen in het
nieuwe stelsel wordt bij de evaluatie betrokken.
Voor het tweede onderdeel, met het oog op het evalueren van bereik en waardering van
de lokale publieke omroepen, kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van bereiksonderzoek
van de NLPO of lokale publieke omroepen.
Ten derde werkt het SvdJ samen met het Commissariaat aan een grootschalig kwantitatief
onderzoek naar het aanbod van lokaal nieuws.217 Zij gaan in kaart brengen hoeveel en welk lokaal nieuws er in de Nederlandse gemeenten
aanwezig is en welke partijen dit verspreiden (zowel publieke als private partijen).
Ook gaan zij onderzoeken in hoeverre dit kwalitatief hoogwaardig nieuws betreft. De
resultaten van dit onderzoek worden eind 2026 verwacht en het SvdJ en het Commissariaat
zijn voornemens dit periodiek te herhalen. De regering verwacht dat dit onderzoek
voor de wetsevaluatie waardevolle gegevens oplevert over de rol van de lokale publieke
omroepen in de hoeveelheid en het type lokaal nieuws dat er in Nederlandse gemeenten
aanwezig is.
Er is voor de termijn van zeven jaar gekozen, omdat het eerste (anderhalf) jaar na
inwerkingtreding van het wetsvoorstel de overgangstermijn naar het nieuwe stelsel
is (zie hoofdstuk 10). Vervolgens start de eerste concessiebeleidsplanperiode van
vijf jaar die tegelijkertijd de eerste aanwijzingsperiode voor de nieuwe lokale publieke
omroepen is. Bij een evaluatie over zeven jaar zal het stelsel vijf jaar in de praktijk
hebben gewerkt. De driejaarlijkse evaluatie door het Commissariaat en de nieuw voorziene
evaluaties binnen de lokale publieke mediadienst, in het tweede en derde jaar van
de aanwijzingen, kunnen al voor de tweede concessiebeleidsplanperiode van vijf jaar
waardevolle input geven. De evaluatie van de nieuwe wet zal van nut zijn voor de tweede
concessieperiode.
De regering zal relevante partijen betrekken bij de voorbereiding en uitvoering van
de evaluatie. Dit zijn in ieder geval de gemeenten, lokale publieke omroepen en lokale
commerciële media.
9. Advies en consultatie
9.1 Overleg met Algemene Rekenkamer
De Minister van OCW heeft de Algemene Rekenkamer (hierna: Rekenkamer) met een brief
van 5 juni 2025 een concept van het wetsvoorstel toegezonden met het verzoek om overleg
als bedoeld in artikel 7.40 van de Comptabiliteitswet 2016. De Rekenkamer heeft gereageerd
met een brief van 14 augustus 2025. In die brief benoemt de Rekenkamer aandachtspunten
op drie onderwerpen.
De Rekenkamer vraagt ten eerste aandacht voor de inrichting van het toezicht op en
de verantwoording door de NLPO. In dat kader merkt de Rekenkamer op dat de wettelijke
vereisten aan de prestatieovereenkomst niet goed passen bij de wettelijke taken van
de NLPO. Aangeraden wordt voor een goede aansluiting te zorgen tussen de wettelijke
taken van de NLPO en de prestatieafspraken tussen de Minister van OCW en de NLPO.
De regering acht deze opmerking terecht en heeft de wettelijke vereisten aan de prestatieovereenkomst
uit artikel 2.87g van het wetsvoorstel overeenkomstig aangepast en ook de toelichting,
in paragraaf 2.4, bijgesteld. De Rekenkamer raadt in dit kader verder aan om een toezichtarrangement
op te stellen voor het toezicht van de Minister van OCW op de NLPO. Hierin kan volgens
de Rekenkamer onder meer worden vastgelegd hoe het toezicht is georganiseerd en welke
rol het Commissariaat daarin heeft. De regering is het met de Rekenkamer eens dat
er helderheid moet zijn over (de organisatie van) het toezicht op de NLPO. Zij zal
in afstemming met in ieder geval het Commissariaat en de NLPO een document over de
sturings- en toezichtsrelaties tussen de Minister van OCW, het Commissariaat en de
NLPO opstellen. De uitvoerbaarheidstoets van de Stichting NLPO is daarvoor een startpunt.
De Rekenkamer benoemt ten tweede een aandachtspunt met betrekking tot de aanwijzing
van de bestaande Stichting NLPO als samenwerkings- en coördinatieorgaan. De Rekenkamer
wijst erop dat de huidige statuten van de Stichting NLPO op een aantal punten niet
in overeenstemming zijn met de bepalingen in het wetsvoorstel over het samenwerkings-
en coördinatieorgaan, en dus nog aanpassing vereisen. De regering onderschrijft deze
constatering. De regering zal daarom in overleg treden met de Stichting NLPO over
de vereiste aanpassing van de statuten, zodat deze in overeenstemming zijn met het
wetsvoorstel en van toepassing worden wanneer het wetsvoorstel in werking treedt.
Ten slotte benoemt de Rekenkamer een aandachtspunt dat raakt aan de lokale publieke
omroepen als RWT’s. Met het oog hierop raadt de Rekenkamer aan het Commissariaat te
verzoeken een toezichtarrangement op te stellen voor zijn toezicht op de lokale publieke
omroepen. De regering is het met de Rekenkamer eens dat het van belang is om helderheid
te creëren over het toezicht op de lokale publieke omroepen. Zij is daarom voornemens
om met het Commissariaat in gesprek te gaan over het creëren van die helderheid, met
inachtneming van de positie van het Commissariaat als zelfstandig bestuursorgaan en
die van lokale publieke omroepen in het licht van hun inhoudelijke autonomie bij het
verzorgen van het media-aanbod. De uitvoeringstoets van het Commissariaat biedt hiervoor
een goed startpunt. Het advies van de Rekenkamer biedt tevens aanknopingspunten voor
deze gesprekken.
9.2 Autoriteit Persoonsgegevens
Op 20 december 2024 is een concept van het wetsvoorstel voorgelegd aan de Autoriteit
Persoonsgegevens (AP). Op 15 april 2025 heeft de AP advies uitgebracht aan de Minister
van OCW.
Het advies van de AP betrof de grondslag voor het verwerken van bijzondere persoonsgegevens
in het kader van het toetsen van de representativiteit van het pbo tijdens de aanwijzingsprocedure.
De AP achtte de noodzaak voor het verwerken van een aantal categorieën bijzondere
persoonsgegevens, zoals lidmaatschap van een vakbond of gezondheidsgegevens, onvoldoende
aangetoond. Het verband tussen deze gegevens en de representativiteit van het pbo
was volgens de AP onvoldoende toegelicht. Naar aanleiding van dit advies is de toelichting
op dit punt uitgebreid. Toegelicht is dat uit de genoemde bijzondere persoonsgegevens
kan blijken welke in het verzorgingsgebied voorkomende stroming door een persoon wordt
gerepresenteerd in het pbo. Tijdens de aanwijzingsprocedure is het verwerken van dergelijke
persoonsgegevens noodzakelijk om de representativiteit van het pbo te borgen.
9.3 Internetconsultatie
Van 23 december 2024 tot en met 23 februari 2025 is een conceptversie van het wetsvoorstel
openbaar gemaakt voor internetconsultatie. De consultatie heeft in totaal zesenveertig
reacties opgeleverd. De meeste reacties zijn afkomstig van lokale publieke omroepen
en gemeenten. Daarnaast zijn vooral reacties binnen gekomen van koepelorganisaties
en belangenbehartigers in de mediasector, met name de Stichting NLPO, de RPO en de
VNG, en van individuele burgers. De reacties zijn beoordeeld en hebben op onderdelen
geleid tot aanpassing van de wettekst en verduidelijking dan wel aanvulling van de
toelichting.
Hieronder wordt per onderdeel van het wetsvoorstel ingegaan op de meest voorkomende
reacties en reacties die tot aanpassing van artikelen of van de toelichting hebben
geleid.
Aanleiding van het wetsvoorstel
Eén reactie, van de VNG, gaat in op de aanleiding van het wetsvoorstel als beschreven
in paragraaf 2.1. De VNG is van mening dat de aanleiding een te eenzijdig beeld van
de rol van gemeenten geeft, en geen recht doet aan de inspanningen van gemeenten om
de lokale publieke omroep in stand te houden. De regering heeft naar aanleiding hiervan
de toelichting aangevuld om weer te geven dat er ook gemeenten zijn die hun lokale
publieke omroep op basis van het richtsnoerbedrag voldoende of meer dan voldoende
bekostigen. Dit doet in de ogen van de regering echter niet af aan de met rapporten
en feiten onderbouwde probleemanalyse en noodzaak tot ingrijpen als beschreven in
paragraaf 2.1 van deze toelichting. In dezelfde reactie wordt gesteld dat «uit niets
blijkt dat bekostiging door gemeenten een bedreiging is voor de onafhankelijkheid
van hun omroep». De regering wijst in dit kader op het adviesrapport van de ROB en
RvC (paragraaf 2.1) en onderzoek in opdracht van het SvdJ (paragraaf 2.2), waaruit
dit blijkt.
Overheveling financiering van gemeentefonds naar Rijk en investering
In vierentwintig reacties wordt ingegaan op het onderdeel van het wetsvoorstel dat
gaat over de overheveling van de bekostiging van lokale publieke omroepen van het
Gemeentefonds naar het Rijk en de extra investering vanuit het Rijk.
Enkele gemeenten, lokale publieke omroepen, de VNG, de Stichting NLPO en een belangenbehartiger
van private dagbladen gaan in op het beschikbare totaalbedrag voor de lokale publieke
omroepen vanaf de voorziene start van het nieuwe stelsel per 2028. In de reacties
worden zorgen uitgesproken over de vraag in hoeverre dit beschikbare totaalbedrag
per 2028 genoeg is voor een adequate uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal
niveau. Het wetsvoorstel bevat een samenhangend pakket van maatregelen, zoals in hoofdstuk
2 van deze toelichting beschreven. Dit pakket biedt als geheel de benodigde versteviging
om in elk toekomstig lokaal verzorgingsgebied de publieke mediaopdracht op lokaal
niveau goed uit te kunnen voeren. De overheveling van de bekostiging naar het Rijk
en de ophoging van dat bedrag met circa € 18 miljoen is daar één onderdeel van. In
combinatie met de schaalvergroting naar maximaal tachtig lokale publieke omroepen
leidt dat ertoe dat er vanaf 2028 gemiddeld meer budget per omroep beschikbaar is.
Bovendien is in de toekomst voor de start van de aanwijzingsprocedure voor ieder lokaal
verzorgingsgebied duidelijk wat het voorgenomen beschikbare budget voor de gehele
komende aanwijzingsprocedure van vijf jaar is. Dit zorgt voor meer voorspelbaarheid
en continuïteit van de bekostiging voor lokale publieke omroepen dan nu het geval
is. Daarnaast creëert het wetsvoorstel de mogelijkheid voor gemeenten om ook in het
nieuwe stelsel financieel bij te dragen aan de lokale publieke omroep, als beschreven
in paragraaf 2.2 van deze toelichting. Al met al is de regering van mening dat het
pakket aan maatregelen in dit wetsvoorstel ervoor zorgt dat de lokale publieke omroepen
in het nieuwe stelsel beschikken over adequate, duurzame en voorspelbare financiële
middelen voor het vervullen van hun publieke opdracht, in lijn met de EMFA.218
Een lokale publieke omroep pleit ervoor om het aantal gemeenten binnen een verzorgingsgebied
als maatstaf in de verdeelsleutel voor de financiering mee te nemen. Dit is niet overgenomen.
De huidige maatstaven uit het voorstel zijn na overleg met de Stichting NLPO tot stand
gekomen en weerspiegelen op een evenwichtige manier de unieke kenmerken van een lokaal
verzorgingsgebied en de bijbehorende taakzwaarte voor de lokale publieke omroep in
dat verzorgingsgebied (zie paragraaf 2.2 van deze toelichting).
Dezelfde lokale publieke omroep pleit er ook voor dat er, ter bevordering van rechtszekerheid
en gelijke kansen, op tijd een budget vastgesteld wordt. Ook in meerdere gezamenlijke
reacties van lokale publieke omroepen wordt dit betoogd. De regering is het hiermee
eens en verwijst naar paragraaf 2.2. van de toelichting. Hierin wordt genoemd dat
ruim voor het begin van een aanwijzingsperiode zowel het totaalbudget vanuit het Rijk
dat in de aanwijzingsperiode jaarlijks beschikbaar is voor alle lokale omroepen als
het rijksbudget dat per lokaal verzorgingsgebied beschikbaar is op basis van de voorgestelde
verdeelsleutel bekend wordt gemaakt. De budgetten per verzorgingsgebied kunnen echter
pas worden vastgesteld als duidelijk is wat de exacte hoogte van het over te hevelen
bedrag uit het Gemeentefonds is en wat de exacte indeling van de lokale verzorgingsgebieden
is.
De Stichting NLPO benoemt het belang van tijdige duidelijkheid over de budgetten die
gemeenten al dan niet beschikbaar stellen voor de lokale publieke omroep. In reactie
hierop verwijst de regering naar de passage over de aanvullende bekostigingsmogelijkheden
voor gemeenten in paragraaf 2.2 van deze toelichting. Hierin wordt beschreven dat
gemeenten die aanvullend willen bekostigen eveneens voorafgaand aan de aanwijzingsperiode
bekend moeten maken hoeveel middelen zij voornemens zijn hiervoor beschikbaar te stellen.
In een gezamenlijke reactie van enkele lokale publieke omroepen gaat men in op het
voorgestelde artikel 2.170f, waaruit volgt dat het Commissariaat het budget voor een
lokale publieke omroep jaarlijks op aanvraag bekostigt. De lokale publieke omroepen
stellen dat dit complex is en een te hoge werkdruk geeft. De regering is van mening
dat een systematiek waarin jaarlijks een begroting en verantwoording opgesteld moet
worden passend is bij het feit dat een lokale publieke omroep een publieke opdracht
uitvoert met publieke middelen. Deze systematiek geldt ook voor de regionale publieke
omroepen. Bovendien voldoet het wetsvoorstel hiermee aan het DAEB-Vrijstellingsbesluit,
dat eisen stelt aan de boekhouding en de rechtmatigheidscontrole (zie paragraaf 3.1
van deze toelichting). De regering is het echter met de indieners eens dat de precieze
uitwerking van de jaarlijkse begrotings- en verantwoordingscyclus moet passen bij
de relatief kleine (financiële) omvang van de lokale publieke omroepen. De artikelsgewijze
toelichting op artikel 2.173b is aangevuld om dit punt aandacht te geven. De regering
reageert hiermee eveneens op de inbreng van een burger en de Stichting NLPO, die pleiten
voor proportionele financiële en organisatorische verplichtingen.
In dezelfde gezamenlijke reactie stellen de lokale publieke omroepen dat een bijdrage
vanuit de gemeenten noodzakelijk blijft voor de betrokkenheid van het gemeentebestuur
bij de lokale publieke omroep. De regering verwijst naar de paragrafen 2.1 en 2.2
van deze toelichting, waarin wordt uitgelegd waarom een overheveling van de huidige
bekostiging door gemeenten naar het Rijk noodzakelijk wordt geacht. De regering is
het eens met de indieners dat ook in het nieuwe stelsel binding tussen de lokale publieke
omroep en het betreffende lokale verzorgingsgebied van groot belang is. Het wetsvoorstel
bevat voldoende maatregelen om deze lokale binding te borgen. Voorbeelden zijn de
versterkte criteria waaraan aanvragen voor een aanwijzing als lokale publieke omroep
moeten voldoen, de adviesrol voor de gemeenteraad tijdens de aanwijzingsprocedure
en de steviger eisen voor het pbo.
In een reactie van een gemeente wordt ingegaan op de overheveling van de huidige bekostiging
van lokale publieke omroepen door gemeenten naar het Rijk. Ook in een tweetal gezamenlijke
reacties van enkele lokale publieke omroepen wordt dit besproken. De indieners pleiten
ervoor de huidige bekostiging vanuit gemeenten te handhaven of naar een duale bekostigingsverantwoordelijkheid
voor Rijk en gemeenten te gaan. De regering is hier geen voorstander van en verwijst
naar paragrafen 2.1 en 2.2 van deze toelichting voor uitleg van de keuze voor overheveling
naar het Rijk. In paragraaf 6.3 is beschreven waarom de regering geen voorstander
is van een duale bekostigingsverantwoordelijkheid.
In een gezamenlijke reactie van enkele gemeenten wordt ingegaan op de mogelijkheid
voor gemeenten om ook in het toekomstige stelsel de lokale publieke omroep aanvullend
te blijven bekostigen. Uit het voorgestelde artikel 2.179a volgt dat de gemeenteraad
vóór de start van een aanwijzingsprocedure via de begroting kenbaar maakt hoeveel
voorgenomen bekostiging voor de aanwijzingsperiode van vijf jaar beschikbaar is voor
de aan te wijzen lokale publieke omroep. De gemeenten stellen dat deze periode van
vijf jaar conflicteert met de vierjarige bestuursperiode van het gemeentebestuur.
De toelichting is uitgebreid om te expliciteren dat het op dit moment zowel voor het
Rijk als voor gemeenten gangbaar is om meerjarige begrotingen op te stellen, los van
de bestuursperiode.
De VNG gaat in op het voorgestelde vereiste dat gemeenten die willen bijdragen voorafgaand
aan de start van een aanwijzingsprocedure bekend moeten maken hoeveel middelen zij
tijdens de aanwijzingsperiode beschikbaar stellen voor de aan te wijzen lokale publieke
omroep, zonder te weten welke partij dit wordt. De VNG spreekt de zorg uit dat deze
eis zo streng is dat weinig gemeenten hiervan gebruik zullen maken. Ook een individuele
gemeente spreekt deze zorg uit. De regering ziet dit vereiste vanwege het bieden van
gelijke kansen aan aanvragers als onvermijdelijk. Dit is toegelicht in paragraaf 2.2
van deze toelichting. Ook met het oog op de onafhankelijkheid van de lokale publieke
omroep ten opzichte van de gemeente verdient dit vereiste de voorkeur. Zo wordt bereikt
dat de gemeente juist de functie «lokale publieke omroep» steunt, en niet zozeer een
specifieke instelling. De VNG stelt verder dat de oproep tot duale financiering op
gespannen voet staat met de overweging dat gemeentelijke financiering de onafhankelijkheid
van omroepen in de weg staat. Ook in een gezamenlijke reactie van enkele grote gemeenten
komt deze zorg naar voren. De toelichting is uitgebreid om te benadrukken dat het
wetsvoorstel met het oog op de onafhankelijkheid bepaalt dat de gemeentelijke subsidie
geen eisen mag bevatten die in strijd zijn met de Mediawet 2008.
In een andere gezamenlijke reactie van enkele gemeenten pleiten de indieners ervoor
dat er expliciete waarborgen komen voor de informatiepositie van de gemeenteraden
rondom het functioneren van de lokale publieke omroep, inclusief regelmatige rapportages
en overlegmomenten. Dit wordt niet overgenomen. Eén van de maatregelen uit dit wetsvoorstel
is immers dat de bekostiging van lokale publieke omroepen, ook met het oog op het
verstevigen van de onafhankelijkheid, wordt overgebracht naar de mediabegroting. Verplichte
rapportages richting en overlegmomenten met gemeenten passen daar niet bij.
Een belangenbehartiger voor nieuwsmedia pleit ervoor dat (lokale) publieke omroepen
zich richten op het binnenhalen van advertentie-inkomsten uit organisaties van maatschappelijk
nut en niet langer op inkomsten van commerciële adverteerders. De regering ziet met
het oog op het doel van dit wetsvoorstel, het versterken van de publieke mediaopdracht
op lokaal niveau, geen aanleiding om de reclameregels voor lokale publieke omroepen
aan te passen.
In een gezamenlijke reactie van enkele grote gemeenten wordt gesteld dat er voor de
uitbreiding van taken en rollen extra middelen nodig zijn voor de NLPO en het Commissariaat
en dat dit leidt tot meer bureaucratie. De regering onderkent dat er meer middelen
nodig zullen zijn voor de uitvoering van de taken van zowel de NLPO als het Commissariaat
die uit dit wetsvoorstel volgen. Dit is uitlegbaar, omdat een steviger samenwerkings-
en coördinatieorgaan en sterk toezicht de kwaliteit van het stelsel ten goede komen.
Ook wordt verwezen naar één van de conclusies uit het advies van de ATR, namelijk
dat er geen alternatief voor handen is, dat minder gevolgen heeft voor de regeldruk
(zie ook paragraaf 5.1 van deze toelichting).
De Stichting NLPO pleit voor een expliciete scheiding tussen het budget voor de taken
van de NLPO en de middelen voor de uitvoering van de lokale publieke mediaopdracht
door de lokale publieke omroepen. Deze scheiding was al beoogd. De toelichting is
op twee punten uitgebreid. Ten eerste is in paragraaf 2.2 duidelijker gemaakt dat
het voorgenomen bedrag van circa € 18 miljoen waarmee de mediabegroting per 2028 structureel
wordt opgehoogd ook bedoeld is voor extra uitvoeringskosten die voortvloeien uit dit
wetsvoorstel. Ten tweede is in paragraaf 2.4 toegelicht dat sprake is van een scheiding
van het budget voor de NLPO en het budget voor de lokale publieke omroepen.
De Stichting NLPO vraagt de regering ook nader toe te lichten waar de voorgestelde
reservevorming van maximaal tien procent van de uitgaven van een lokale publieke omroep
in een jaar op ziet. De toelichting is aangevuld om dit te expliciteren.
Ook pleit de Stichting NLPO ervoor om de regeldruk van het wetsvoorstel te evalueren.
De regering neemt dit voorstel over. De toelichting is op dit onderdeel uitgebreid.
Schaalvergroting
In zeventien reacties wordt ingegaan op de voorgestelde schaalvergroting. De branchevereniging
van telecombedrijven, de VNG, (samenwerkingsverbanden van) gemeenten en lokale publieke
omroepen gaan hierop in. Met de voorgenomen schaalvergroting beoogt de regering de
professionaliteit van de lokale publieke omroepen te versterken. De toelichting is
uitgebreid om te expliciteren dat de regering verwacht dat lokale publieke omroepen
met een grotere schaal beter in staat zijn om hun maatschappelijke en democratische
functies uit te oefenen.
In bovenstaande reacties wordt er tevens voor gepleit om het voorgestelde maximumaantal
van tachtig lokale verzorgingsgebieden los te laten. Dit voorstel is niet overgenomen.
Als beschreven in paragraaf 2.3 van deze toelichting heeft een proces onder regie
van de Stichting NLPO en met betrokkenheid van gemeenten en lokale publieke omroepen
een indeling in tachtig verzorgingsgebieden opgeleverd. In verband met de publicatie
van dit wetsvoorstel ter internetconsultatie en de voorgenomen stelselherziening heeft
de Stichting NLPO begin 2025 nogmaals een dergelijke procedure ingericht waarin belanghebbenden
inspraak kunnen leveren op de indeling in verzorgingsgebieden. De regering is voornemens
om de resultaten van dit proces zoveel mogelijk als uitgangspunt te hanteren bij de
voorgenomen vaststelling van de indeling van de verzorgingsgebieden bij algemene maatregel
van bestuur.
Een burger, de VNG en een lokale publieke omroep maakten een opmerking over de betrokkenheid
van vrijwilligers bij de lokale publieke omroep in het nieuwe stelsel. Vrijwilligers
blijven met dit wetsvoorstel een belangrijke steunpilaar voor de lokale publieke omroepen,
bijvoorbeeld om invulling te kunnen geven aan de lokale binding. Ook fungeren zij
vaak als oren en ogen in wijken, dorpen en steden. De toelichting is uitgebreid om
de verwachting dat de professionalisering en schaalvergroting hand in hand kunnen
gaan met betere inzet en begeleiding van vrijwilligers te expliciteren.
Twee gemeenten vroegen naar een nadere duiding van het begrip «onderling nabijgelegen»,
zoals gebruikt in artikel 2.87h, tweede lid. Hiermee doelt de regering op gemeenten
die een geografische clustering vormen, bijvoorbeeld door het delen van gemeentegrenzen.
Gemeentegrenzen kunnen ook door zee lopen, zoals bijvoorbeeld het geval is bij de
Waddeneilanden. De regering beschouwt deze gemeenten dan nog steeds als «onderling
nabijgelegen».
Ten slotte vroeg de RPO naar de afbakening tussen lokale verzorgingsgebieden en de
verzorgingsgebieden van regionale publieke omroepen (doorgaans provincies). Volgens
het wetsvoorstel mag het lokale verzorgingsgebied de provinciegrenzen binnen het gebied
overstijgen, maar moet het gebied kleiner zijn dan de provincie(s) waarmee het lokale
verzorgingsgebied grondgebied deelt. Concreet betekent dit dat een lokaal verzorgingsgebied
dat in meer dan één provincie ligt, aanmerkelijk kleiner moet zijn dan de kleinste
provincie waarmee het lokaal verzorgingsgebied grondgebied deelt.
Wettelijk samenwerkings- en coördinatieorgaan
In twaalf reacties wordt ingegaan op het voorstel om een samenwerkings- en coördinatieorgaan
(NLPO) voor de lokale publieke omroepen te introduceren.
In reacties van individuele burgers, de VNG, een lokale publieke omroep en een gezamenlijke
reactie van enkele lokale publieke omroepen wordt ingegaan op de toekomstige positie
van de NLPO in relatie tot de individuele lokale publieke omroepen. Meer concreet
gaat het in deze reacties om de zorgen die deze partijen uitspreken over de vraag
of er met de komst van de NLPO, een concessiebeleidsplan en de prestatieovereenkomst
nog voldoende autonomie voor de lokale publieke omroepen is bij het uitvoeren van
de publieke media-opdracht voor hun verzorgingsgebieden. De regering is het met de
indieners eens dat het van belang is dat er voldoende autonomie moet zijn voor de
lokale publieke omroep. Tegelijkertijd wordt verwezen naar paragraaf 2.1 van deze
toelichting, met daarin de conclusie van de ROB en RvC dat er onvoldoende sprake is
van een gezamenlijke koers en centrale coördinatie, hetgeen van belang is voor het
functioneren van de sector. De regering is van mening, als toegelicht in paragraaf
2.4, dat het wetsvoorstel de balans vindt tussen, aan de ene kant de noodzakelijke
versteviging van samenhang en coördinatie, en aan de andere kant het behoud van voldoende
autonomie bij lokale publieke omroepen om binnen die gezamenlijkheid de publieke mediaopdracht
uit te voeren op een manier die aansluit bij hun specifieke lokale verzorgingsgebied.
In de reacties van een belangenbehartiger voor nieuwsmedia en de RPO wordt ingegaan
op het introduceren van nieuwe aanbodkanalen door lokale publieke omroepen. Deze partijen
pleiten ervoor dat lokale publieke omroepen instemming moeten krijgen van de Minister
voordat zij een nieuw aanbodkanaal starten voor hun lokale verzorgingsgebied. De regering
acht dit niet proportioneel, zoals toegelicht in paragraaf 2.4. De RPO vreest in het
bijzonder dat er een disbalans zou ontstaan in de samenwerkingsverbanden tussen regionale
en lokale publieke omroepen. Dit verschil tussen lokale en regionale omroepen bestaat
echter sinds 2016. 219 Dit wetsvoorstel verandert hier niets aan. Er zijn geen signalen bekend, die wijzen
op problemen in de samenwerking tussen regionale en lokale publieke omroepen vanwege
dit verschil.
In reacties van een burger en een lokale publieke omroep wordt ingegaan op het voorgestelde
adviesrecht van het college van omroepen op enkele besluiten van het bestuur van de
NLPO. In de reacties wordt gepleit om dit adviesrecht nader wettelijk te regelen,
bijvoorbeeld in het geval er sprake is van een negatief advies van het college van
omroepen. Een dergelijke bepaling zou echter voor onnodige juridisering van het voorgestelde
adviesrecht van het college van omroepen zorgen. Gewezen wordt op artikel 2.87b van
het wetsvoorstel, dat bepaalt dat de NLPO in haar statuten de verdere werkwijze van
het college van omroepen regelt. De statuten lijken dan ook de aangewezen plek om
ook de werkwijze rond het adviesrecht van het college van omroepen te regelen. Dat
is reeds het geval bij de huidige Stichting NLPO.
In de reacties van de Stichting NLPO en de RPO wordt ingegaan op de voorgenomen organen
van de NLPO. Specifiek pleiten deze organisaties om te regelen dat het lidmaatschap
van de raad van toezicht of het bestuur van de NLPO onverenigbaar zou moeten zijn
met lidmaatschap van de raad van toezicht of het bestuur van de RPO. Naar aanleiding
van deze reacties zijn de onverenigbaarheden in artikel 2.78 aangevuld.
In de reactie van de RPO wordt tevens ingegaan op de rol van de NLPO ten opzichte
van de reservevorming bij lokale publieke omroepen.220 In de reactie wordt in overweging gegeven dat niet het Commissariaat, maar de NLPO
een rol krijgt bij het terugvorderen van wat eventueel te veel is gereserveerd. Dit
voorstel is niet overgenomen. Het Commissariaat is als onafhankelijk toezichthouder
belast met het bestuursrechtelijke toezicht op hetgeen is bepaald bij of krachtens
de Mediawet 2008.221 Daar vallen ook de bepalingen over reservevorming onder.
In de reactie van de RPO wordt tevens ingegaan op paragraaf 2.7 van deze toelichting,
waarin is opgenomen dat de NLPO onder de regels voor, onder meer, reclame en sponsoring
zal vallen. Het samenwerkings- en coördinatieorgaan merkt terecht op dat dit niet
accuraat is; de huidige voorschriften voor reclame en sponsoring zullen niet gelden
voor de NLPO, omdat de NLPO zelf geen media-aanbod zal maken.222 De tekst is hierop aangepast.
In een gezamenlijke reactie van gemeenten wordt geadviseerd om het meten van bereik
onderdeel te maken van de tweejaarlijkse zelfevaluatie door lokale publieke omroepen.
De regering merkt op dat de precieze inrichting van de zelfevaluatie aan de NLPO en
lokale publieke omroepen zelf is. Tegelijkertijd is het bereik van de lokale publieke
omroepen een belangrijke indicator. Dit is zichtbaar in de eisen aan het concessiebeleidsplan
van de NLPO, dat doelstellingen voor het publieksbereik moet bevatten.223 Verder is de regering voornemens het bereik en waardering van de lokale publieke
omroepen mee te nemen in de evaluatie van dit wetsvoorstel, als beschreven in paragraaf
8 van deze toelichting.
In een gezamenlijke reactie van vier gemeenten wordt gepleit voor een betere borging
van de vertegenwoordiging van de G9-gemeenten in het college van omroepen. De regering
is echter van mening dat het van belang is dat de lokale publieke omroepen als geheel
vertegenwoordigd zijn in het college van omroepen. De regering acht deze representativiteit
voldoende geborgd met het voorgestelde artikel 2.85, tweede lid.
In de reactie van de Stichting NLPO wordt gepleit voor een wettelijke taak voor de
NLPO om de distributie-infrastructuur voor de lokale publieke omroep te organiseren,
beheren en exploiteren, analoog aan hoe dit voor de RPO is geregeld. Naar aanleiding
van deze reactie is artikel 2.75, derde lid, onderdeel e, van dit wetsvoorstel aangevuld.
In diezelfde reactie van de Stichting NLPO wordt ervoor gepleit dat de NPO, RPO en
NLPO hun concessiebeleidspannen onderling moeten afstemmen. De regering is echter
van mening dat met de huidige voorschriften voldoende is geborgd dat de concessiebeleidsplannen
op landelijk, regionaal en lokaal niveau afgestemd worden met de betrokken landelijke,
regionale of lokale publieke omroepen, voor zover het de samenwerking betreft. Bovendien
spraken de NLPO en RPO al met elkaar af om hun concessiebeleidsplannen met elkaar
af te stemmen.224
Ook wordt in de reactie van Stichting NLPO verzocht te heroverwegen welke governance-elementen
wettelijke borging vereisen en welke in statuten en reglementen geregeld kunnen worden.
De regering acht de wettelijke inrichting van de NLPO in algemene zin goed afgewogen,
zoals beschreven in paragraaf 2.4. Verder is de consistentie in de bestuurlijk-juridische
inrichting van het publieke mediabestel bovendien een belangrijk uitgangspunt is geweest
bij de voorgestelde inrichting van de NLPO (zie paragraaf 2.1 van deze toelichting).
In diezelfde reactie pleit de Stichting NLPO ervoor te expliciteren dat de raad van
toezicht van de NLPO uitsluitend toeziet op de NLPO en niet op de individuele lokale
publieke omroepen. Dit punt komt ook terug in een gezamenlijke reactie van vier lokale
publieke omroepen. Het wetsvoorstel is hierop aangepast.
In een reactie van een lokale publieke omroep wordt ervoor gepleit dat de NLPO zich
niet mengt in de structuur van lokale publieke omroepen. Op grond van dit wetsvoorstel
gaan lokale publieke omroepen over hun eigen inrichting. Tegelijkertijd gaan er wel
wettelijke voorschriften gelden voor de bestuurlijke organisatie van de lokale publieke
omroepen, zoals de artikelen 2.142a en 2.178 van de Mediawet 2008. Het Commissariaat
houdt toezicht op de naleving van deze artikelen. Governance-aspecten zullen bovendien
aan de orde komen tijdens de aanwijzingsprocedure. Dit is passend bij een versterking
van de lokale publieke omroepen en een beoogde versteviging van hun professionaliteit.
In een gezamenlijke reactie van vier lokale publieke omroepen wordt ervoor gepleit
dat de NLPO maximaal één bestuurder zou moeten hebben. De regering is het met de indieners
eens dat maximaal zes bestuurders veel is met het oog op de voorgestelde wettelijke
taken. Een maximum van één bestuurder is echter kwetsbaar. Daarom is artikel 2.80,
eerste lid, van dit wetsvoorstel aangepast om te regelen dat de NLPO maximaal drie
bestuurders heeft.
Aanscherping van de aanwijzingsprocedure
In negen reacties wordt ingegaan op de voorgestelde aanscherping van de aanwijzingsprocedure.
De VNG, een aantal individuele gemeenten en een burger benoemen in hun reacties dat
ze de adviesrol van de gemeente in de voorgestelde aanwijzingsprocedure te beperkt
vinden en dat de voorgestelde criteria onvoldoende zijn om te beoordelen in hoeverre
voldoende sprake is van lokale binding. Daarnaast zijn de criteria, volgens de reacties,
onvoldoende concreet. De regering acht de voorgestelde criteria effectief en voldoende
concreet om de geschiktheid van een aanvrager te beoordelen. Daarbij passen de criteria
waarover de NLPO en gemeenteraad adviseren bij hun rol en expertise. De toelichting
is aangepast om de afwegingen bij de voorgestelde criteria en rol van de adviseurs
te verduidelijken.
In een reactie van een gemeente wordt de zorg uitgesproken over de haalbaarheid van
het behandelen van tachtig aanwijzingen door het Commissariaat en de NLPO in één periode.
Uit de uitvoerbaarheidstoetsen van de NLPO en het Commissariaat is gebleken dat de
voorgestelde aanwijzingsprocedure uitvoerbaar is.
In de reactie van deze gemeente komt ook de vraag naar voren wat de procedure is als
er sprake is van tegenstrijdige adviezen van de NLPO en gemeenteraad in de aanwijzingsprocedure.
Verder wordt in een gezamenlijke reactie van vier gemeenten de verhouding tussen het
advies van de NLPO en het advies van de gemeenteraad bevraagd. Het Commissariaat bepaalt
welke aanvrager het meest geschikt is in het licht van de criteria en de adviezen
van de NLPO en gemeenteraad. Dat betekent dat het aan het Commissariaat is deze adviezen
te wegen en een besluit te nemen over de aanvraag, ook indien er sprake is van tegenstrijdige
adviezen. De toelichting is uitgebreid om duidelijk te maken dat het wetvoorstel niet
één of sommige van de criteria of adviezen in een preferente positie ten opzichte
van de andere plaatst.
In een gezamenlijke reactie van een aantal gemeenten wordt gesteld dat het van belang
is dat bij de start van aanwijzingsprocedure bij de inschrijvers bekend is hoe hoog
de voorgenomen bekostiging van het Rijk is per lokaal verzorgingsgebied. In paragraaf
2.2 van de toelichting is uiteengezet dat ruim voor het begin van een nieuwe, vijfjaarlijkse
aanwijzingsperiode voor lokale publieke omroepen zowel het totaalbudget dat in de
aankomende aanwijzingsperiode beschikbaar is voor alle lokale publieke omroepen, als
het budget dat per lokaal verzorgingsgebied beschikbaar is, bekend worden gemaakt.
In de gezamenlijke reactie wordt tevens belang gehecht aan een evenredige spreiding
van het media-aanbod in alle gemeenten die onderdeel uitmaken van een lokaal verzorgingsgebied.
De gemeenten pleiten ervoor dit een criterium moet zijn voor aanwijzing en onderdeel
van de onafhankelijke evaluatie die de NLPO kan laten uitvoeren. De toelichting is
aangevuld om uit te leggen dat het bedienen van de gemeenten in het verzorgingsgebied
een onderdeel van het beleidsplan van de aanvrager kan zijn. De toelichting is eveneens
aangepast om te verduidelijken dat de uitvoering van het beleidsplan onderdeel is
van de verplichte zelfevaluatie van iedere lokale publieke omroep.
In de gezamenlijke reactie van deze gemeenten wordt verder gepleit voor het aanscherpen
van het criterium over de inzet van vrijwilligers, zodat het gaat om de inzet van
vrijwilligers uit het lokale verzorgingsgebied. Dit voorstel is niet overgenomen.
De verwachting is dat het overgrote deel van de vrijwilligers van een lokale publieke
omroep uit het lokale verzorgingsgebied zal komen. Bovendien kan een vrijwilliger
die niet in het lokale verzorgingsgebied woont, maar er wel werkt of anderszins onderdeel
is van de gemeenschap, ook bijdragen aan de lokale binding.
In de reactie van de VNG wordt gesteld dat er in geval van één aanvrager voor een
verzorgingsgebied sprake zal zijn van onnodig extra werk, aangezien er in dat geval
niets te kiezen zal zijn. Dit is niet juist. Als toegelicht in paragraaf 2.5 moeten
in de aangescherpte aanwijzingsprocedure alle aanvragers aan de voorgestelde aangescherpte
criteria voldoen, ongeacht hoeveel aanvragers er zijn. Als uit de adviezen blijkt
dat een aanvrager onvoldoende aan één of meerdere criteria voldoet, kan het Commissariaat
de aanvraag afwijzen, ook in het geval van één aanvrager. Zo krijgen de voorgestelde
wettelijke criteria de functie van minimumeisen, wat voor een kwaliteitsimpuls moet
zorgen. Dit zorgt er tevens voor dat, ook in het geval van één aanvrager, de adviezen
van de NLPO en gemeenten ertoe doen.
De VNG gaat verder in op de adviestaak van gemeenten tijdens de aanwijzingsprocedure.
De VNG pleit ervoor dat eerst door de NLPO wordt aangegeven in hoeverre aanvragen
voldoen aan het concessiebeleidsplan van de NLPO. Vervolgens zouden de gemeenten de
beste kandidaat uit de overgebleven aanvragers moeten kiezen op basis van een brede
set van criteria, aldus de belangenbehartiger. Voor de volledigheid wordt opgemerkt
dat zowel in de huidige als de toekomstige aanwijzingsprocedure niet de gemeenten,
maar het Commissariaat besluit tot het aanwijzen van een aanvrager als lokale publieke
omroep. De door de indiener voorgestelde procedure verkleint daarbij juist de invloed
van de gemeenten, omdat zij enkel kunnen adviseren over aanvragen die volgens de NLPO
voldoen aan de criteria. Dit voorstel is dan ook niet overgenomen.
Ook stelt de VNG criteria te missen die zien op het belang van de democratische functie
van lokale publieke omroepen. In paragraaf 2.1 van deze toelichting is opgenomen dat
de democratische en maatschappelijke functies van lokale media die de WRR, ROB en
RvC in hun rapporten benoemen, terugkomen in de huidige publieke mediaopdracht.225 Zoals genoemd in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.87n moet de aanvrager
in zijn beleidsplan uiteenzetten hoe hij, binnen de kaders van het concessiebeleidsplan
NLPO, de publieke mediaopdracht in het betreffende lokale verzorgingsgebied wil uitvoeren.
Daaruit volgt hoe de aanvrager in het betreffende lokale verzorgingsgebied invulling
zal geven aan de democratische en maatschappelijke functies die de WRR, ROB en RvC
benoemen.
De VNG verwijst ook naar een passage uit de memorie van toelichting waarin gesteld
wordt dat uit de huidige Beleidsregel van het Commissariaat over de aanwijzingsprocedure
volgt dat een gemeenteraad dit voorkeursadvies uitbrengt op basis van aanvullende
toetsingscriteria, die voorafgaand aan de start van de aanwijzingsprocedure zijn vastgesteld
en kenbaar zijn gemaakt. De VNG merkt terecht op dat uit de beleidsregel niet volgt
dat het hier gaat om een verplichting. De toelichting is op dit punt aangepast.
In haar reactie verwijst de VNG tevens naar een passage uit de memorie van toelichting
waarin staat dat aanwijzing van een lokale publieke omroep voor meer dan één gemeente
een gezamenlijk advies van de betrokken gemeenteraden vereist. De belangenbehartiger
stelt dat dit niet correct is en verzoekt om aanpassing. Dit gezamenlijke advies volgt
echter uit het huidige artikel 2.64, eerste lid, van de Mediawet 2008. De toelichting
is aangevuld met een expliciete verwijzing naar dit artikel.
In de reactie van de RPO wordt verzocht in het wetsvoorstel op te nemen dat de RPO
in de aanwijzingsprocedure voor de regionale publieke omroepen eenzelfde adviesrol
krijgt als de NLPO in de voorgestelde aanwijzingsprocedure. Dit verzoek is niet gehonoreerd.
Met dit wetsvoorstel wordt beoogd de publieke mediaopdracht op lokaal niveau fundamenteel
te verstevigen. Met het oog daarop is ervoor gekozen voor om het wetsvoorstel toe
te spitsen op maatregelen die dat doel helpen bereiken.226
Door de RPO wordt ook ingegaan op het voorstel dat de gemeenteraad adviseert over
het criterium dat het beleidsplan van een aanvrager voornemens en afspraken bevat
over samenwerkingen met lokale partners in het verzorgingsgebied. De RPO pleit ervoor
dat niet de gemeenteraad, maar de NLPO of het Commissariaat dit criterium zou moeten
toetsen. Dit is niet overgenomen. De gemeenteraad heeft de benodigde kennis over (een
deel van) het lokale verzorgingsgebied. Daarmee is de gemeenteraad de juiste partij
om over dit criterium te adviseren.
In een gezamenlijke reactie van twee gemeenten wordt ervoor gepleit om in geval van
meerdere aanvragers geen gewicht toe te kennen aan de individuele adviezen van de
gemeenten, maar deze op inhoud te beoordelen. Het is echter van belang om in het besluitvormingsproces
van de aanwijzingsprocedure op een evenwichtige manier rekening te houden met het
verschil in omvang tussen gemeenten. Dit is bijvoorbeeld ook het geval in de besluitvorming
van de algemene vergadering van de VNG.227 Om die reden is het voorstel niet overgenomen.
In de gezamenlijke reactie pleiten de twee gemeenten er tevens voor om de periode
waarvoor een aanwijzing als lokale publieke omroep geldt aan te passen naar tien jaar,
in plaats van vijf jaar. Deze aanpassing hiervan acht de regering niet wenselijk.
Hierdoor zou een onwenselijke inconsistentie ontstaan in de inrichting van het publieke
mediabestel.
In de gezamenlijke reactie adviseren de twee gemeenten om in artikel 2.87k expliciet
een verwijzing naar artikel 2.87p op te nemen of op een andere wijze te verduidelijken
dat ook bij meerdere aanvragen de gemeenteraad om advies wordt gevraagd. Uit 2.87p,
eerste lid, van dit wetsvoorstel blijkt nadrukkelijk dat het Commissariaat over alle
aanvragen die voldoen aan artikel 2.87l, advies vraagt aan de NLPO en gemeenteraden,
ongeacht hoeveel aanvragen dit zijn.228
Overige vereisten lokale publieke omroepen
Pbo
Vier reacties gaan in op het pbo.
De VNG pleit voor een steviger positie van het pbo. Volgens de VNG zou een verplichting
tot professionalisering van het pbo moeten worden opgenomen. De regering deelt de
gedachte achter dit voorstel, maar acht het niet aangewezen dit op het niveau van
de wet te regelen. Het wetsvoorstel bevat voldoende maatregelen voor versteviging
van het pbo. Zo regelt het voorstel dat het pbo een afzonderlijk orgaan van de lokale
publieke omroep moet zijn, dat uit minimaal vijf leden bestaat en verplicht is een
reglement op te stellen over de werkwijze en de samenstelling.
In hun reacties pleiten de VNG en een groep gemeenten ervoor om het minimum ledenaantal
van het pbo tenminste gelijk te laten zijn aan het aantal gemeenten binnen het lokale
verzorgingsgebied. Dit voorstel is niet overgenomen. Het pbo moet ook in het nieuwe
stelsel representatief zijn voor de belangrijkste stromingen die in het lokale verzorgingsgebied
voorkomen. Een vertegenwoordiger van een godsdienstige of maatschappelijke organisatie
uit een bepaalde gemeente kan ook inwoners van een andere gemeente vertegenwoordigen.
Vanzelfsprekend staat het omroepen vrij om in de samenstelling van hun pbo rekening
te houden met de geografische verscheidenheid. De toelichting is uitgebreid om dit
te verduidelijken.
Het voorgestelde artikel 2.87r regelt dat het Commissariaat tussentijds advies kan
vragen aan de betreffende gemeenteraad of gemeenteraden als er tijdens de aanwijzingsperiode
ernstige twijfel bij het Commissariaat bestaat of een lokale publieke omroep nog voldoet
aan het voorgestelde artikel 2.87m, waarin vereisten aan het pbo staan. In een reactie
van een gemeente wordt gevraagd wat hiervoor de procedure is, evenals wat de procedure
is als het advies of de adviezen geen uitsluitsel bieden. Het gaat hier om een mogelijkheid
voor het Commissariaat om nadere informatie te verkrijgen, ook gelet op de intrekkingsbevoegdheid
van het voorgestelde artikel 2.87s. Dit is uitgelegd in de artikelsgewijze toelichting
bij artikel 2.87r.
De RPO geeft in haar reactie in overweging om de verouderde term «programmabeleid
bepalend orgaan» niet te gebruiken en in plaats daarvan te kiezen voor «een orgaan
dat het beleid voor het media-aanbod bepaalt», zoals is geregeld in huidige artikel
2.60 van de Mediawet 2008. De termen «pbo» en «programmabeleid bepalend orgaan» zijn
echter dermate gangbaar in de sector dat aanpassing tot onnodige verwarring zou leiden.
ICE-norm
Acht reacties gaan in op het voorstel van de regering om de huidige ICE-norm te moderniseren.
In een aantal reacties wordt de zorg uitgesproken dat door het moderniseren van de
ICE-norm de omroepen minder aandacht zullen besteden aan journalistiek, cultuur en
educatie. De publieke mediaopdracht uit artikel 2.1 van de Mediawet 2008 bepaalt dat
alle publieke omroepen, van landelijk tot lokaal, media-aanbod moeten aanbieden dat
tot doel heeft een breed en divers publiek te voorzien van informatie, waaronder journalistieke
inhoud, cultuur en educatie. Het Commissariaat houdt toezicht op de naleving van dit
artikel. Aandacht voor de genoemde onderwerpen zal dus noodzakelijk blijven.
Een lokale publieke omroep geeft aan blij te zijn met de voorgestelde modernisering
van de ICE-norm. Wel zijn er bij deze omroep zorgen over dat de eisen via het concessiebeleidsplan
van de NLPO alsnog zouden terugkomen. Het concessiebeleidsplan van de NLPO vult de
publieke mediaopdracht op lokaal niveau nader in, maar de lokale publieke omroep is
en blijft verantwoordelijk voor de inhoudelijke keuzes met betrekking tot het media-aanbod.
De regering wijst er tevens op dat de lokale publieke omroepen via het college van
omroepen van de NLPO inspraak hebben bij het vaststellen van het concessiebeleidsplan
door de NLPO.229
De twee belangenorganisaties voor private (nieuws)media bepleiten in hun reacties
dat de publieke omroep zich met name zou moeten richten op audiovisueel aanbod. Dit
voorstel is niet overgenomen. Het punt is geen onderdeel van de scope van het wetsvoorstel,
namelijk de versterking van de lokale laag van het publieke mediabestel. Daarnaast
is de regering van mening dat de lokale publieke omroepen in staat moeten kunnen zijn
om een distributiestrategie te ontwikkelen die aansluit bij de behoeften van het publiek.
Het beperken van de manier waarop en via welke kanalen een omroep zijn media-aanbod
verspreidt, past daar niet bij.230
De Stichting NLPO verwijst in haar reactie nadrukkelijk naar de gebiedsgerichtheid.
De Stichting wil graag dat de taakopdracht expliciet wordt toegesneden naar het niveau
waarop de omroep betrekking heeft om zo een heldere afbakening te creëren tussen de
lokale en de regionale publieke omroep. De regering is van mening dat dit al uit de
huidige Mediawet 2008 volgt. De toelichting is uitgebreid om dit explicieter te maken.
De Stichting NLPO vraagt verder om de norm van gebiedsgerichtheid, zoals opgenomen
in het wetsvoorstel, te concretiseren en welke criteria worden gebruikt bij de beoordeling
daarvan. De regering wijst erop dat de norm van gebiedsgerichtheid al bestaat. Het
Commissariaat heeft het toezicht op de naleving van deze norm en kan hiertoe beleidsregels
vaststellen.
De RPO vraagt aandacht voor het behoud van de mogelijkheid tot het sluiten van samenwerkingsovereenkomsten
als geregeld in artikel 2.71 van de Mediawet 2008. Het laten vervallen van artikel
2.71 betekent echter niet dat lokale en regionale publieke omroepen geen samenwerkingsovereenkomsten
kunnen sluiten. Behoud van artikel 2.71 van de Mediawet 2008 is hiervoor niet nodig.
Gevolgen reikwijdte toezicht Commissariaat
Eén reactie gaat in op de gevolgen voor de reikwijdte van het toezicht door het Commissariaat.
Deze reactie van een lokale publieke omroep gaat in op de bevoegdheid van het Commissariaat
om een aanwijzing in te trekken op grond van het voorgestelde artikel 2.87s, tweede
lid. Het derde lid van dit artikel regelt dat het Commissariaat in dat geval een zienswijze
van de NLPO en het college van burgemeester en wethouders moet vragen. In de reactie
wordt ervoor gepleit dat de lokale publieke omroep zelf ook gelegenheid krijgt tot
het inbrengen van een zienswijze. De regering wijst op de artikelsgewijze toelichting
bij dit artikel, waarin vermeld staat dat dit derde lid een aanvulling is op artikel
4:8 van de Awb. Uit dat artikel volgt dat de betrokken lokale publieke omroep als
belanghebbende in de gelegenheid moet wordt gesteld een zienswijze naar voren te brengen.
Algemene Verordening Gegevensbescherming
Eén reactie van een burger gaat in op de verwerking van bijzondere categorieën van
persoonsgegevens in het kader van het pbo. De indiener vraagt of dit niet een te grote
inbreuk vormt op de privacy van de leden van het pbo. In reactie hierop wordt verwezen
naar paragrafen 3.2 en 9.2 van deze toelichting, waar de relevante belangenafweging
is toegelicht.
Telecommunicatiewet
Elf reacties gaan in op de verhouding van dit wetsvoorstel tot de Telecommunicatiewet.
Een belangenbehartiger van de telecomindustrie verzoekt de regering om te waarborgen
dat eventuele benodigde aanpassingen in de programmapakketten van pakketaanbieders
als gevolg van de stelselherziening tijdig bekend worden. De regering merkt op dat
de indeling van lokale verzorgingsgebieden per algemene maatregel van bestuur wordt
vastgesteld en gepubliceerd, uiterlijk gelijktijdig met de voorziene inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel. Daarna volgt nog de aanwijzingsprocedure. Het Commissariaat
maakt de aanwijzingsbesluiten openbaar. Daarmee zijn de relevante stappen voor pakketaanbieders
transparant en tijdig kenbaar.
In de reactie van diezelfde belangenbehartiger, alsook in reacties van gemeenten,
lokale omroepen, de VNG en de Stichting NLPO wordt ingegaan op de mogelijkheid voor
lokale publieke omroepen om hun media-aanbod te kunnen blijven differentiëren richting
verschillende doelgroepen of delen van het verzorgingsgebied. De belangenbehartiger
van de telecomindustrie verzoekt de regering deze mogelijkheid uit het wetsvoorstel
te halen. De gemeenten, lokale omroepen, VNG en Stichting NLPO verzoeken de regering
daarentegen deze mogelijkheid wettelijk te verruimen. Zoals eerder aangegeven is de
regering niet tegen de mogelijkheid om te differentiëren, als dit wenselijk is om
de binding tussen de lokale publieke omroep en het verzorgingsgebied te versterken
en dit technisch mogelijk is. Naar aanleiding van deze inbreng is de toelichting in
paragraaf 4.1 over de Telecommunicatiewet uitgebreid om duidelijker weer te geven
wat de mogelijkheden voor lokale publieke omroepen in het nieuwe stelsel zullen zijn
om aanbod op de radio en televisie te differentiëren richting specifieke doelgroepen
of delen van het verzorgingsgebied. De artikelsgewijze toelichting op de aanpassingen
in artikel 6.13 van de Mediawet 2008 (ook wel bekend als de must-carry) is eveneens
uitgebreid naar aanleiding van deze inbreng.
In de reactie van de Stichting NLPO wordt ingegaan op het huidige artikel 3.7, eerste
lid, onder d, van de Telecommunicatiewet. Daaruit volgt dat, «voor zover dat technisch
mogelijk is, en een doelmatig gebruik van frequentieruimte zich daartegen niet verzet»,
aan iedere lokale publieke omroep voor ten minste één omroepnet voor radio een vergunning
wordt verleend voor een bereik dat ten minste gelijk is aan het verzorgingsgebied.
De Stichting NLPO verzoekt de regering de zinsnede tussen aanhalingstekens hierboven
weg te halen. De regering heeft deze suggestie niet overgenomen. De eerdergenoemde
bepaling is relevant omdat frequentieruimte schaars is en doelmatig gebruik daarmee
van belang is. Bovendien heeft de regering geen signalen dat lokale publieke omroepen
momenteel niet over voldoende frequentieruimte kunnen beschikken of dat de bepaling
leidt tot andere negatieve gevolgen voor de verdeling van de frequentieruimte onder
omroepen.
In een gezamenlijke reactie van vier grote gemeenten en in een reactie van een samenwerkingsverband
van een radiozenders wordt ingegaan op de positie van FunX. In de reacties komt de
vraag naar voren in hoeverre dit wetsvoorstel iets verandert aan de positie en financiering
van FunX. De regering benadrukt dat uit dit wetsvoorstel geen verandering van de huidige
positie en financiering van FunX voortvloeit.
Wet normering topinkomens
Twee reacties gaan in op de relatie van het wetsvoorstel met de WNT. Deze reacties
zijn afkomstig van de RPO en een aantal lokale publieke omroepen. In deze reacties
wordt ervoor gepleit om de NLPO en lokale publieke omroepen onder te brengen in WNT.
Dit is iets waarin het wetsvoorstel al voorziet, zoals is beschreven in paragraaf
4.2 van deze toelichting.
Gevolgen voor Caribisch Nederland
In een reactie wordt gepleit voor een goede lokale publieke omroep voor Caribisch
Nederland. In paragraaf 5.3 wordt toegelicht dat de problematiek rond de lokale publieke
omroepen die de regering beoogd op te lossen specifiek is voor het Europees deel van
Nederland. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat in 2024 een verkenner is aangesteld
om binnen twee jaar te verkennen hoe de journalistiek in het Caribisch Nederland versterkt
kan worden.231
Evaluatie
Zes reacties gaan in op de voorgenomen evaluatie van het wetsvoorstel.
In reacties van twee gemeenten, gezamenlijke gemeenten en de VNG wordt voorgesteld
om gemeenten te betrekken bij de evaluatie van het wetsvoorstel. Deze aanbeveling
is overgenomen en heeft geleid tot uitbreiding van de toelichting op dit onderdeel.
In een reactie van een belangenbehartiger van private nieuwsmedia wordt ervoor gepleit
om het totale journalistieke landschap mee te nemen in de evaluatiebepaling. In het
voorgenomen onderzoek van het SvdJ en het Commissariaat, waar in paragraaf 8 van deze
toelichting naar verwezen wordt, wordt in kaart gebracht hoeveel en welk lokaal nieuws
er in de Nederlandse gemeenten aanwezig is en welke partijen dit verspreiden. Bij
dit onderzoek gaat het om het gehele lokale journalistieke landschap; zowel publieke
als private partijen. Het SvdJ en het Commissariaat zijn voornemens dit onderzoek
periodiek te herhalen. Dit onderzoek zal gebruikt worden bij het evalueren van dit
wetsvoorstel, zoals toegelicht in paragraaf 8.
Reacties op overige onderwerpen
De VNG en de Stichting NLPO verzoeken de regering in de Mediawet 2008 te regelen dat
zendtijd toegewezen kan worden aan politieke partijen die op lokaal en regionaal niveau
vertegenwoordigd zijn. Dit voorstel is met het oog op de uitvoerbaarheid niet overgenomen.
Het ontbreekt op lokaal en regionaal niveau aan centrale regie, zoals de NPO die op
landelijk niveau voert. Zonder deze structuur zijn er geen mogelijkheden om lokale
of regionale politieke partijen op gelijke wijze als landelijke politieke partijen
zendtijd te bieden. Daarnaast zou de uitvoering van dergelijke zendtijdregelingen
leiden tot een aanzienlijke administratieve last voor zowel de lokale publieke omroepen
als het Commissariaat, zeker gezien de wisselende aantallen en samenstellingen van
lokale politieke partijen bij verkiezingen. Dit acht de regering niet proportioneel.
Een reactie is afkomstig van een koepelorganisatie van mensen met een handicap of
chronische ziekte. Zij pleit ervoor om toegankelijkheid voor mensen met een beperking
als verplicht onderdeel in begrotingen van lokale publieke omroepen op te nemen. Lokale
omroepen moeten al voldoen aan de inspanningsverplichting voor toegankelijke crisiscommunicatie.232 De koepelorganisatie vraagt op dit punt om extra maatregelen. Deze voorstellen zijn
niet overgenomen. Het wetsvoorstel beoogt de slagkracht en professionaliteit van lokale
publieke omroep te versterken. De verwachting is dat dit lokale publieke omroepen
in de toekomst beter in staat zal stellen om hun media-aanbod toegankelijk te maken
voor mensen met een handicap of chronische ziekte, ook in crisissituaties.
In een gezamenlijke reactie van vier gemeenten wordt gesteld dat een duidelijk stappenplan
en heldere planning ontbreekt. Het wetsvoorstel voorziet in overgangsrecht om de overgang
naar het nieuwe stelsel te vergemakkelijken, zoals is toegelicht in paragraaf 10 van
deze toelichting. Daarbij is de planning van het wetsvoorstel in de Mediabegrotingsbrief
2025 kenbaar gemaakt.233
In een reactie van een branchevereniging van lokale nieuwsmedia wordt ervoor gepleit
in dit wetsvoorstel meer ruimte te bieden voor publiek-private samenwerking. In de
Kamerbrief van 25 oktober 2024 is opgenomen dat het SvdJ samen met de Stichting NLPO
en Stichting Nederlandse Nieuwsblad Pers een aantal voorbeelden van samenwerkingen
gaat volgen om betere uitspraken te kunnen doen over de ruimte die de Mediawet 2008
al biedt voor samenwerking.234 De regering wenst niet op dit onderzoek vooruit te lopen met dit wetsvoorstel.
10. Overgangsrecht en inwerkingtreding
Bij de overgang van het huidige wettelijke systeem voor de lokale publieke omroepen
naar de nieuwe wet zijn twee momenten van belang. Het eerste moment is de inwerkingtreding
van de nieuwe wet. Het tweede moment is het begin van de eerste concessie van de NLPO
en – gelijktijdig – het begin van de eerste aanwijzingen als lokale publieke omroep
op grond van de nieuwe wet. In de tussenliggende overgangsperiode moet veel gebeuren.
De Minister van OCW zal zo snel mogelijk na inwerkingtreding van de wet de Stichting
NLPO aanwijzen als de NLPO: het wettelijke samenwerkings- en coördinatieorgaan. De
NLPO stelt, met het oog op de eerste concessie die haar zal worden verleend, een eerste
concessiebeleidsplan NLPO op en begint te werken aan de eerste prestatieovereenkomst
met de Minister van OCW. De instellingen die in aanmerking willen komen voor een aanwijzing
op grond van de nieuwe wet moeten zich voorbereiden om aan de vereisten te kunnen
voldoen. Mogelijk willen zij nog samenwerkingen of fusies aangaan. De procedures voor
aanwijzing als lokale publieke omroep in de tachtig lokale verzorgingsgebieden worden
afgewikkeld onder coördinatie van het Commissariaat. Naast de gemeenten zal de NLPO
hierin als adviseur optreden. De nieuwe begrotings- en budgetsystematiek wordt opgestart.
De wet treedt in werking in een situatie van meer dan tweehonderd lokale publieke
omroepen met een aanwijzing op grond van de huidige wet. Deze aanwijzingen hebben
allemaal hun eigen begin- en einddatum; ze lopen niet synchroon. Wel zijn ze allemaal
voor vijf jaar verleend. Dat is de enige periode die de Mediawet 2008 mogelijk maakt.
Aan de aanwijzingen is bekostiging door de gemeenten gekoppeld. Het is dus nodig een
regeling te treffen voor de overgang van de huidige aanwijzingen naar de nieuwe aanwijzingen.
Daarbij zal aandacht moeten zijn voor gerechtvaardigde verwachtingen over de huidige
aanwijzingen. Maar ook de noodzaak van vernieuwing van het stelsel en het belang van
een duidelijke en tijdige invoering daarvan moeten gewicht in de schaal leggen. Door
de complexiteit van de wijziging is een ingroeimodel, waarbij geleidelijke uitfasering
van de huidige aanwijzingen gebeurt, niet geschikt. Hieraan staat alleen al de nieuwe
indeling in maximaal tachtig verzorgingsgebieden in de weg. Een harde knip tussen
huidig en nieuw is daarmee onvermijdelijk.
Gekozen is voor de volgende aanpak. De nieuwe wet treedt in één keer in werking. De
aanwijzingen die gelden op het moment van inwerkingtreding blijven van rechtswege
gelden tijdens de overgangsperiode tot het begin van de eerste concessie van de NLPO
en de eerste aanwijzingen als lokale publieke omroep op grond van de nieuwe wet. Op
dat moment vervallen de huidige aanwijzingen van rechtswege. Voor de huidige aanwijzingen
blijft tijdens de overgangsperiode de huidige wet gelden. Hiervoor wordt eerbiedigende
werking bepaald. De gemeentelijke bekostiging van de bestaande lokale publieke omroepen
blijft doorlopen tot het begin van de eerste concessie van de NLPO.
De situatie zal zich voordoen dat kort voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet
nog nieuwe aanwijzingen op basis van de huidige wet worden verleend voor een periode
van vijf jaar. Die aanwijzingen zullen niet voor de volle vijf jaar kunnen gelden.
Voor welke duur wel, wordt bepaald door de duur van de overgangsperiode tussen de
inwerkingtreding van de wet en de start van de eerste concessie van de NLPO en de
nieuwe aanwijzingen. De regering ziet voor deze periode een minimumduur van één of
anderhalf jaar, ook gelet op de hierboven beschreven voorbereidingshandelingen voor
de daadwerkelijke start van het nieuwe stelsel. Overigens zullen er ook aanwijzingen
zijn die volgens de huidige wet zouden vervallen in de overgangsperiode, en die onder
de voorgestelde aanpak een enigszins langere duur dan vijf jaar zullen hebben.
Het wetsvoorstel heeft, zoals is te lezen in hoofdstuk 2 van dit algemeen deel van
de toelichting, een lange aanloop gehad, met betrokkenheid van de sector. Sinds de
openbare internetconsultatie, die plaatsvond in de periode december 2024 – februari
2025, is het concrete wetgevingsvoornemen bekend. Verder is er in 2025 onder regie
van de Stichting NLPO een georganiseerd proces gestart, waarmee de sector komt tot
actualisering van de eerdere, eveneens door de sector zelf voorgestelde, indeling
in lokale verzorgingsgebieden (zie ook paragraaf 2.3). Intussen zijn er subsidieregelingen
van het SvdJ die professionalisering en schaalvergroting van de lokale publieke omroepen
ondersteunen ter voorbereiding op het nieuwe stelsel.235 Gelet op dit alles is het nieuwe stelsel voor de betrokkenen kenbaar en voorzienbaar.
Dit draagt er ook toe bij dat de voorziene minimumduur van de overgangsperiode van
één tot anderhalf jaar afdoende en aanvaardbaar is. Alles bijeengenomen acht de regering
de effecten voor de huidige aanwijzingen proportioneel.
Overige aspecten van het overgangsrecht worden uiteengezet in het artikelsgewijs deel
van deze toelichting (zie de toelichting bij titel 9.2b).
ARTIKELSGEWIJS DEEL
Artikel I
Onderdeel A (artikel 1.1, eerste lid)
In artikel 1.1, eerste lid, wordt een definitie van lokaal verzorgingsgebied opgenomen:
een gebied dat bestaat uit een of meer gemeenten en dat het verzorgingsgebied is van
een lokale publieke omroep voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal
niveau. Onderdeel van dit wetsvoorstel is de opschaling van lokale publieke omroepen.
Het huidige (impliciete) uitgangspunt van één gemeente als maat voor het verzorgingsgebied
van een lokale publieke omroep wordt daarmee losgelaten. Wat blijft is dat de grenzen
van het verzorgingsgebied gemeentegrenzen zijn. Nadere regeling van de lokale verzorgingsgebieden
is te vinden in artikel 2.87h (zie de artikelsgewijze toelichting aldaar).
Onderdelen B tot en met F en H tot en met J (opschrift titel 2.3 tot en met artikel
2.64, artikelen 2.66 tot en met 2.68)
Het huidige opschrift van titel 2.3 is «Regionale en lokale publieke mediadiensten».
Deze titel bevat drie paragrafen: 2.3.1 over de RPO, 2.3.1a over de aanwijzing van
regionale en lokale publieke omroepen en 2.3.2 over het media-aanbod van de regionale
of lokale publieke mediadienst. Het opschrift van titel 2.3 wordt «Regionale publieke
mediadienst». Er komt een aparte, nieuwe titel 2.4 voor de lokale publieke mediadienst.
Paragraaf 2.3.1a wordt vernummerd tot paragraaf 2.3.2 en krijgt als opschrift «Aanwijzing
van regionale publieke media-instelling». De voorschriften over aanwijzing als lokale
publieke omroep worden gelicht uit de bepalingen die gedeeld worden met de regionale
publieke omroep en verplaatst naar de nieuwe paragraaf 2.4.3. De artikelen in de huidige
gezamenlijke paragraaf worden ontdaan van alles wat specifiek op de lokale publieke
omroep ziet. De voorschriften over aanwijzing als regionale publieke omroep blijven
daarbij ongewijzigd, op één uitzondering na, die ziet op artikel 2.65, derde lid.
Onderdeel G (artikel 2.65)
Artikel 2.65, derde lid, komt te vervallen. Dit lid bevat de bevoegdheid van het Commissariaat
om uitzenduren op een omroepzender aan te wijzen voor regionaal of lokaal publiek
aanbod. Deze bepaling wordt in de praktijk niet toegepast. Publieke omroepen krijgen
frequentieruimte via een vergunning op grond van de Telecommunicatiewet. De bepaling
komt ook niet terug in de nieuwe paragraaf over aanwijzing als lokale publieke omroep.
Onderdeel K (opschrift paragraaf 2.3.2)
Paragraaf 2.3.2 wordt vernummerd tot 2.3.3 en het opschrift wordt gewijzigd van «Media-aanbod
van regionale of lokale publieke mediadienst» naar «Regionaal publiek media-aanbod».
Bepalingen over lokaal publiek media-aanbod in deze paragraaf worden geschrapt. Er
komt een bepaling over media-aanbod van lokale publieke omroepen in de nieuwe paragraaf
2.4.4.
Onderdeel L (artikel 2.70)
Het huidige artikel 2.70 bevat de ICE-norm voor regionale en lokale publieke omroepen.
De ICE-norm wordt vereenvoudigd, en wel op dezelfde wijze voor regionale en lokale
publieke omroepen. De aangepaste norm voor regionale omroepen blijft staan in artikel
2.70, dezelfde aangepaste norm voor lokale omroepen landt in de nieuwe paragraaf 2.4.4
(artikel 2.87x). De aanpassing in verband met de vereenvoudiging van de ICE-norm wordt
uitgelegd in het algemeen deel van deze toelichting (zie paragraaf 2.6).
Onderdelen M en N (artikelen 2.71 en 2.72)
Artikel 2.71 biedt lokale publieke omroepen de mogelijkheid om aan een minder stringente
norm voor het media-aanbod (op grond van artikel 2.70) te voldoen, wanneer zij samenwerken
met een regionale publieke omroep. Deze mogelijkheid komt te vervallen, artikel 2.71
wordt geschrapt. In verband hiermee wordt ook het eerste lid, onderdeel c, van artikel
2.72 geschrapt, dat verwijst naar artikel 2.71. Zie ook paragraaf 2.6 van het algemeen
deel van deze toelichting.
Onderdeel O (titel 2.4. Lokale publieke mediadienst)
Met onderdeel O wordt een nieuwe titel ingevoegd in de Mediawet 2008, namelijk titel
2.4. Lokale publieke mediadienst. De titel heeft vier paragrafen: paragraaf 2.4.1
over de NLPO, paragraaf 2.4.2 over lokale verzorgingsgebieden, paragraaf 2.4.3 over
de aanwijzing als lokale publieke omroep en ten slotte paragraaf 2.4.4 met overige
bepalingen over de lokale publieke mediadienst. Titel 2.4 van de Mediawet 2008 bevatte
oorspronkelijk de regeling van de Wereldomroep. Deze werd per 1 januari 2013 opgeheven
(Stb. 2012, 319). Daarmee kwam de titel met de artikelen 2.72 tot en met 2.87 beschikbaar.
Paragraaf 2.4.1. NLPO (artikelen 2.75 tot en met 2.87g)
De paragraaf bevat de inrichting van de NLPO. De paragraaf is toegelicht in het algemeen
deel van deze toelichting (zie paragraaf 2.4).
Paragraaf 2.4.2. lokale verzorgingsgebieden (artikel 2.87h)
De paragraaf bestaat uit één artikel. Dit geeft voorschriften over lokale verzorgingsgebieden
en bevat een delegatiebepaling. De definitie van lokaal verzorgingsgebied wordt opgenomen
in artikel 1.1, eerste lid, van de Mediawet 2008 (zie de artikelsgewijze toelichting
aldaar).
Het maximale aantal lokale verzorgingsgebieden wordt bepaalt op tachtig. Nederland
wordt ingedeeld in (niet meer dan tachtig) lokale verzorgingsgebieden, op een zodanige
manier dat elke gemeente tot een verzorgingsgebied behoort. Voor de gemeenten die
samen een verzorgingsgebied vormen, geldt het voorschrift dat ze onderling nabijgelegen
zijn. Voor zover de gemeenten niet al een aansluitend grondgebied vormen, moeten ze
in elk geval naburig zijn. Het onderscheid met de regionale publieke omroep wordt
verzekerd door het vereiste dat het lokale verzorgingsgebied naar oppervlakte of aantal
inwoners aanmerkelijk kleiner moet zijn. En er is een inhoudelijk criterium dat ziet
op de kenbare identiteit van het lokale verzorgingsgebied of het karakter van gebied
waarbinnen het leven van mensen zich in het algemeen afspeelt. Ten slotte bevat artikel
2.87h een delegatiegrondslag voor vaststelling van de indeling in lokale verzorgingsgebieden
bij algemene maatregel van bestuur. Zie ook paragraaf 2.3 van het algemeen deel van
deze toelichting.
Paragraaf 2.4.3. Aanwijzing van lokale publieke media-instelling (artikelen 2.87i
tot en met 2.87v)
In deze paragraaf is de procedure voor de aanwijzing als lokale publieke media-instelling
opnieuw opgeschreven. De paragraaf is ook toegelicht in het algemeen deel van deze
toelichting (zie paragraaf 2.5).
(artikel 2.87i)
De bevoegdheid tot het aanwijzen als lokale publieke omroep blijft bij het Commissariaat.
Per lokaal verzorgingsgebied kan niet meer dan één lokale publieke omroep worden aangewezen.
Omdat het aantal lokale verzorgingsgebieden wordt gemaximeerd op tachtig (voorgesteld
artikel 2.87h), kunnen er in het nieuwe bestel niet meer dan tachtig lokale publieke
omroepen zijn.
(artikel 2.87j)
Een aanwijzing als lokale publieke omroep heeft een vaste duur van vijf jaar. Alle
aanwijzingen beginnen voortaan op hetzelfde moment, namelijk het begin van de concessie
van de NLPO of het begin van het zesde jaar van die concessie. De aanwijzingen lopen
voortaan synchroon met (één van) de twee concessiebeleidsplanperiodes van vijf jaar
die samen de duur van een concessie uitmaken. Op de vaste duur van de aanwijzing en
de vaste beginmomenten is een uitzondering geregeld voor de situatie dat een aanwijzing
wordt ingetrokken. Als in dat geval onbenutte aanwijzingsduur overblijft, kan voor
die restperiode een instelling worden aangewezen volgens de vereisten van paragraaf
2.4.3.
(artikel 2.87k)
Er wordt duidelijk gemaakt welke criteria gelden voor aanwijzing: de vereisten uit
de artikelen 2.87l tot en met 2.87o. Voor de situatie dat er meer aanvragers zijn
voor één aanwijzing wordt bepaald dat de aanvragen onderling worden afgewogen.
(artikel 2.87l)
De drie vereisten uit artikel 2.87l zijn formele vereisten. Het gaat erom dat een
aanvragende instelling statuten heeft waaruit drie kenmerken van de instelling blijken:
zij is rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, zij heeft als doel de uitvoering
van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau in een specifiek lokaal verzorgingsgebied
en zij heeft een pbo. Uit de wettelijk voorgeschreven gerichtheid in de statuten op
een specifiek lokaal verzorgingsgebied volgt dat een instelling maar voor één lokaal
verzorgingsgebied kan worden aangewezen als lokale publieke omroep. Tevens kan zij
niet ook voor een regionaal verzorgingsgebied worden aangewezen. Het Commissariaat
doet een formele toets op de statuten. Ook wat het pbo betreft gaat het om een formele
toets. Het Commissariaat kan een aanvraag afwijzen als niet aan de formele vereisten
wordt voldaan. De aanvraag wordt dan niet doorgeleid naar de adviseurs (zie artikel
2.87p, eerste lid).
(artikel 2.87m)
Artikel 2.87m bevat de materiële vereisten voor een pbo bij een instelling. Wat de
statuten bepalen is hier niet voldoende. Er moet daadwerkelijk een pbo zijn dat representatief
is voor de belangrijkste stromingen in het lokale verzorgingsgebied. Het pbo moet,
binnen de instelling, een afzonderlijk orgaan zijn, en bestaan uit minimaal vijf leden,
onder wie de voorzitter. De gemeenteraad adviseert over de vraag of het pbo van de
instelling voldoet aan artikel 2.87m (zie artikel 2.87p, derde lid).
(artikel 2.87n)
Om aangewezen te kunnen worden moet een instelling beschikken over een beleidsplan.
Dat beleidsplan moet zijn afgestemd op het concessiebeleidsplan NLPO, dat uitwerking
geeft aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. Het beleidsplan
moet binnen het kader van het concessiebeleidsplan NLPO uiteenzetten hoe de instelling
de publieke mediaopdracht op lokaal niveau wil uitvoeren in het betreffende verzorgingsgebied.
Het artikel geeft nadere eisen voor de aspecten van de uitvoering van de publieke
mediaopdracht waarover de aanvrager inzicht moet verschaffen in het beleidsplan.
(artikel 2.87o)
Naast een beleidsplan moet een instelling om aangewezen te kunnen worden als lokale
publieke omroep beschikken over een begroting. Het gaat hier om een meerjarenbegroting,
voor de duur van de aanwijzingsperiode. De begroting moet de financiële onderbouwing
geven bij wat wordt voorgesteld in het beleidsplan.
(artikel 2.87p)
Het Commissariaat vraagt de NLPO en de betrokken gemeenteraad of gemeenteraden om
advies over de aanvragen. Het is niet de bedoeling dat de NLPO en de gemeenteraad
advies uitbrengen over de gehele aanvraag. Elk krijgt volgens het wetsvoorstel eigen
aspecten van de aanvraag voor een advies over de geschiktheid toebedeeld. De criteria
uit de artikelen 2.87m tot en met 2.87o worden voor advies over de NLPO en de gemeenteraad
verdeeld, zodanig dat elk adviseert vanuit de eigen rol en deskundigheid. Zie hiervoor
ook paragraaf 2.5 van het algemeen deel van deze toelichting.
Als sprake is van meer dan één aanvraag voor een verzorgingsgebied, brengen de adviseurs
in hun adviezen per criterium een rangorde van geschiktheid aan. Daarnaast adviseert
iedere gemeenteraad voor zich; het gezamenlijke advies als meer dan één gemeenteraad
is betrokken (uit de huidige wet) komt niet terug. Ook de opdracht aan de gemeenteraad
om meerdere aanvragers tot samenwerking te bewegen, wordt geschrapt. Ten slotte geeft
het artikel een gewichtenregeling voor het geval dat meer dan één gemeenteraad adviseert
in het kader van een procedure voor één aanwijzing. Gemeenten zijn nu eenmaal verschillend
in grootte. Gekozen is voor aansluiting bij het aantal raadsleden volgens artikel
8 van de Gemeentewet.
(artikel 2.87q)
Het eerste lid maakt duidelijk dat het verdelingsmechanisme van de onderlinge afweging
van de aanvragen met zich meebrengt dat aanvragen die afvallen bij de onderlinge weging
worden afgewezen. In het tweede en derde lid worden aanvullende afwijzingsgronden
voorgesteld. Deze dienen om een minimale kwaliteit en geschiktheid voor aanwijzing
te waarborgen. Het Commissariaat kan een aanvraag afwijzen als de instelling niet
voldoet aan de formele eisen in verband met de statuten, of in onvoldoende mate voldoet
aan de criteria waarover de NLPO of de gemeenteraad om advies wordt gevraagd. Ook
kan het Commissariaat een aanvraag afwijzen als uit de aanvraag blijkt dat het media-aanbod
in onvoldoende mate aan de wettelijke eisen zal voldoen. Ten slotte kan de handelwijze
van een aanvrager in een voorgaande aanwijzingsperiode (waarin deze aangewezen was)
een afwijzingsgrond zijn. Voorwaarde is wel dat er mede gelet daarop een gegronde
reden is om aan te nemen dat de instelling zich bij een nieuwe aanwijzing niet aan
de wet zal houden. Dit is een zware toets. Het gaat erom dat het Commissariaat concrete
aanwijzingen heeft over de aanvrager die het oordeel kunnen dragen dat deze zich ingeval
van aanwijzing waarschijnlijk niet zal houden aan het bepaalde bij of krachtens de
Mediawet 2008.
(artikel 2.87r)
Het Commissariaat kan tussentijds advies vragen aan een gemeenteraad bij ernstige
twijfel over het pbo. Het zal daarbij in elk geval kunnen gaan over de vraag of het
pbo nog als representatief kan worden beschouwd. Deze bepaling moet worden gezien
in het licht van de intrekkingsbevoegdheid van artikel 2.87s.
(artikel 2.87s)
Voor lokale publieke omroepen is een nieuwe bepaling over intrekking van de aanwijzing
gemaakt, in plaats van de huidige artikelen 2.67 en 2.68. Artikel 2.87s, eerste lid,
is een herformulering van het huidige artikel 2.67 voor de lokale publieke omroep,
die aansluit bij de nieuw opgeschreven procedure. De huidige imperatieve intrekkingsbevoegdheid
ingeval een lokale publieke omroep niet meer voldoet aan de vereisten van artikel
2.61, tweede lid, wordt een kan-bepaling. Het Commissariaat kan een aanwijzing intrekken
als een omroep niet meer voldoet aan de formele vereisten van artikel 2.87l of aan
artikel 2.87m, over het pbo. De discretionaire bevoegdheid biedt ruimte voor toepassing
van het evenredigheidsbeginsel bij deze sanctie. In dit licht is de bepaling uit het
huidige artikel 2.67, tweede lid, hier niet overgenomen. Die bepaling geeft de omroep
een termijn van vier maanden om te voldoen aan artikel 2.61, tweede lid, onderdelen
b of c, voordat tot intrekking wordt overgegaan. Inherent aan de evenredigheidstoets
is dat wordt onderzocht of op minder ingrijpende wijze tot een rechtmatige situatie
gekomen kan worden. Een begunstigingstermijn kan daarbij aan de orde zijn.
Artikel 2.87s, tweede lid, is een herformulering van huidig artikel 2.68 voor de lokale
publieke omroep. De inhoud is dezelfde gebleven, namelijk dat kan worden ingetrokken
als ten minste twee maanden lang geen adequaat media-aanbod is uitgezonden of de omroep
in een jaar tijd twee keer een sanctie van het Commissariaat heeft gekregen. Het derde
lid bevat de specifiek op de lokale publieke omroep toegeschreven bepaling uit huidig
artikel 2.68, tweede lid, waarbij ook acht is geslagen op de nieuwe aanwijzingsprocedure.
Zowel de NLPO als het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente(n)
wordt om een zienswijze over een voorgenomen intrekking gevraagd. Deze aanvulling
ten opzichte van artikel 4:8 van de Awb past bij de rol van de NLPO en de gemeenten
in het stelsel en bij een zorgvuldige besluitvorming.
(artikel 2.87t)
De bepaling over de verwerking van bijzondere persoonsgegevens in verband met het
pbo wordt toegelicht in het algemeen deel van deze toelichting (zie paragraaf 3.2).
(artikel 2.87u)
In overeenstemming met aanwijzing 2.24 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna
Ar) vindt delegatie van technisch/administratieve voorschriften over termijnen en
te verstrekken gegevens plaats naar het niveau van ministeriële regeling. Voor de
delegatie van regels over de verwerking van bijzondere persoonsgegevens en over passende
beschermingsmaatregelen is gekozen voor een algemene maatregel van bestuur, gelet
op het fundamenteelrechtelijke karakter van de gegevensbescherming.
(artikel 2.87v)
Met inachtneming van Ar 5.10 (over toekenning van regelgevende bevoegdheden aan een
zelfstandig bestuursorgaan) wordt hier regelgevende bevoegdheid gedelegeerd aan het
Commissariaat. De bedoeling is dat het Commissariaat hiermee wordt ondersteund bij
het doelmatig en doeltreffend inrichten van de aanvraagprocedure in de praktijk. Bij
het tweede lid kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het voorschrijven van formats.
Paragraaf 2.4.4. Overige bepalingen over lokale publieke mediadienst (artikelen 2.87w
tot en met 2.87y)
(artikel 2.87w)
Wanneer een lokale publieke omroep is aangewezen en aan het werk gaat, wordt vereist
dat het pbo een reglement heeft over samenstelling en werkwijze (het vereiste geldt
niet in de aanwijzingsprocedure). Dat reglement moet in elk geval een regeling voor
onverenigbaarheden bevatten. Samenstelling en werkwijze kunnen bijvoorbeeld gaan over
benoeming en ontslag, vergaderfrequentie en wijze van besluitvorming. Uitleg wordt
ook gegeven in het algemeen deel van deze toelichting (zie paragraaf 2.6).
(artikel 2.87x)
Dit is de vernieuwde kwalitatieve norm voor het media-aanbod, die geldt voor regionale
en lokale publieke omroepen. De overeenkomstige norm voor de regio staat in het aangepaste
artikel 2.70. Uitleg over vereenvoudiging en modernisering van deze ICE-norm wordt
gegeven in het algemeen deel van deze toelichting (zie paragraaf 2.6).
(artikel 2.87y)
De inlichtingenplicht voor lokale publieke omroepen geldt jegens de raad van toezicht
en het bestuur van de NLPO en de door het bestuur aangewezen medewerkers of ingestelde
commissies. Deze verplichting is er alleen voor zover dat voor de vervulling van de
taken van de raden of commissies redelijkerwijs nodig is. Bij de commissies kan in
elk geval worden gedacht aan de onafhankelijke evaluatiecommissie uit artikel 2.190.
De inlichtingenplicht geldt van rechtswege.
Onderdeel P (artikel 2.93)
Voorgesteld wordt artikel 2.93 te schrappen. Het artikel geeft een delegatiegrondslag
voor regels over de wijze waarop inzicht wordt gegeven in de financiën die betrekking
hebben op de verzorging van reclame- en telewinkelboodschappen in het media-aanbod
van de regionale en lokale publieke omroepen. Voor de regionale publieke omroepen
geldt al sinds 2014 dat zij volledige financiële verantwoording afleggen aan het Commissariaat
(Stb. 2013, 570). Dit wetsvoorstel zorgt ervoor dat dit ook gaat gelden voor de lokale publieke omroepen.
Daarmee is deze grondslag overbodig geworden.
Onderdeel Q (artikelen 2.99c en 2.99d)
Voor het lidmaatschap van de raad van toezicht van de Ster gelden onverenigbaarheden.
Eén daarvan is lidmaatschap van het overlegorgaan, bedoeld in artikel 2.146, aanhef
en onder. Deze bepaling is de huidige bekostigingsgrondslag van de Stichting NLPO,
en wordt geschrapt in verband met de nieuwe wettelijke regeling van de NLPO. De verwijzing
naar het overlegorgaan wordt in artikel 2.99d, eerste lid, vervangen door een verwijzing
naar de NLPO. Deze vervanging gebeurt ook in de bepaling over de benoemingsprocedure
voor de raad van toezicht van de Ster.
Onderdeel R (artikel 2.122)
De verplichting om per televisieprogrammakanaal voor ten minste vijftig procent van
de duur oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programma’s te hebben gaat ook gelden
voor de lokale publieke omroepen.
Onderdelen S en T (artikelen 2.132 en 2.134)
De NLPO wordt toegevoegd aan de bepalingen over nevenactiviteiten. Dit geldt ook voor
de RPO, die hier bij vergissing niet was toegevoegd bij de wetswijziging waarbij de
RPO in het leven werd geroepen (Stb. 2016, 114).
Onderdelen U, V en W (artikelen 2.135, 2.141 en 2.142)
Het uitgangspunt dat alle inkomsten worden gebruikt voor de publieke mediaopdracht
gaat ook gelden voor de NLPO (artikel 2.135). Eenzelfde aanpassing gebeurt voor de
bepaling over het dienstbaarheidsverbod (artikel 2.141) en voor het integriteitsvoorschrift
in artikel 2.142.
Onderdelen X en OO (artikelen 2.142a en 2.178)
Artikel 2.142a stelt eisen aan de bestuurlijke organisatie van de NPO, de RPO, de
landelijke en regionale publieke media-instellingen en enkele andere instellingen
die worden bekostigd op grond van de Mediawet 2008. Het gaat om eisen als soberheid,
duidelijkheid, deugdelijkheid of transparantie. In artikel 2.178 worden voorschriften
gegeven voor bedrijfsprocessen, administratie en financiële boekhouding. Deze voorschriften
gelden voor de landelijke en regionale publieke omroepen. Aan artikel 2.142a worden
de NLPO en de lokale publieke omroepen toegevoegd, en aan artikel 2.178 de lokale
publieke omroepen. Op deze artikelen wordt toezicht gehouden door het Commissariaat,
dat derhalve ook toezicht gaat houden op de governance van de NLPO en de lokale publieke
omroepen en op de bedrijfsprocessen, administratie en financiële boekhouding van de
lokale omroepen.
Onderdelen Y en AA (artikelen 2.143 en 2.146)
De NLPO en de lokale publieke omroepen krijgen volgens dit wetsvoorstel aanspraak
op bekostiging uit de Rijksbegroting. Daartoe worden zij opgenomen in artikel 2.143,
eerste lid. Volgens de (bestaande) tekst van de bepaling gaat het om aanspraak op
bekostiging die een kwalitatief hoogwaardig media-aanbod mogelijk maakt en waardoor
continuïteit van financiering is gewaarborgd. Om te verduidelijken dat de hier geregelde
bekostigingsaanspraak voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht voortaan geldt
voor de publieke omroepen in alle drie de lagen van het publieke bestel, worden deze
in het eerste lid uitgeschreven. In artikel 2.146 wordt de bekostiging van de uitvoering
van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau opgenomen als bekostigingsdoel van
de rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster. Op dit moment wordt de Stichting
NLPO bekostigd als het overlegorgaan van de lokale publieke media-instellingen. Deze
grondslag is opgenomen in artikel 2.146, onderdeel l. Deze grondslag wordt geschrapt.
Ook onderdeel m wordt geschrapt. Dit geeft een grondslag voor de verzorging van media-aanbod
van regionale en lokale publieke omroepen dat gericht is op minderheden. Dergelijk
aanbod kan worden verzorgd vanuit de generieke financiering van de publieke mediaopdracht
op regionaal en lokaal niveau. De grondslag is daarmee overbodig.
Onderdeel Z (artikel 2.144)
In de Mediawet 2008 is als een waarborg ten behoeve van de onafhankelijkheid van de
publieke omroep een minimumbedrag voor de rijksmediabijdrage opgenomen. Nu de bekostiging
van de lokale publieke mediadienst voortaan gebeurt uit de mediabegroting dient dit
minimumbedrag te worden verhoogd. Het nieuwe bedrag is bepaald met inachtneming van
de indexeringen, bedoeld in artikel 2.144, tweede lid, tot en met 2025.
Onderdelen BB en CC (artikelen 2.167 en 2.168)
Deze artikelen gaan over de potentieel begunstigden van de algemene mediareserve (artikel
2.167) en van de renteopbrengsten uit het beheer van die reserve (artikel 2.168).
De NLPO en de lokale publieke omroepen worden in beide artikelen als potentieel begunstigden
toegevoegd. Ook wordt de verwijzing naar de huidige bekostigingsgrondslag van de Stichting
NLPO, artikel 2.146, onderdeel l, in beide artikelen geschrapt.
Onderdelen DD en EE (opschriften afdelingen 2.6.5 en 2.5.6a)
De bekostiging van de regionale en lokale publieke mediadienst is nu geregeld in afdeling
2.6.5. Met het wetsvoorstel wordt voor de bekostiging van de lokale publieke mediadienst
een aparte afdeling in de Mediawet 2008 ingevoegd. Dat invoegen gebeurt na artikel
2.170a. De huidige artikelen 2.170b tot en met 2.170d gaan over de gemeentelijke bekostiging
van de lokale publieke omroepen en over de bekostiging van de Stichting NLPO op grond
van artikel 2.146, onderdeel l. Deze bepalingen komen te vervallen. De vrijgekomen
artikelnummers worden gebruikt voor de nieuwe bekostigingssystematiek.
Onderdeel FF (artikel 2.170b)
De jaarlijks bekostigingscyclus van de NLPO en de lokale publieke omroepen begint
met een begroting van de NLPO, die vóór 15 september moet worden ingediend bij de
Minister van OCW en het Commissariaat. De begroting is voor de NLPO en de lokale publieke
omroepen gezamenlijk. Het artikel geeft voorschriften voor de inhoud van de begroting
en delegeert de bevoegdheid om daarover nadere regels te stellen aan de Minister van
OCW. Eén van de vereisten voor de begroting uit het artikel zelf is dat een overzicht
moet worden gegeven van de aanbodkanalen van de lokale publieke omroepen (derde lid,
onderdeel c). In het vijfde lid wordt duidelijk gemaakt dat dit vereiste niet geldt
voor de begroting die ziet op het eerste jaar van een aanwijzingsperiode voor lokale
publieke omroepen. Als die begroting moet worden ingediend, zijn de betreffende gegevens
namelijk nog niet beschikbaar.
Onderdelen GG en II (artikelen 2.170c en 2.170e)
De Minister van OCW stelt vóór 1 december de budgetten vast van de NLPO (artikel 2.170c)
en van de lokale publieke omroepen (artikel 2.170e). Voor beide budgetten geldt dat
uitbetaling loopt via het Commissariaat. Het tweede lid van artikel 2.170c bepaalt
dat de Minister aan een besluit tot vaststelling van het budget schriftelijke voorwaarden
kan stellen. Dit gaat bijvoorbeeld over het aanleveren van informatie voor beleidsonderzoek
van de Minister.
Onderdeel HH (artikel 2.170d)
Aanvragers moeten bij hun aanvraag onder meer een begroting overleggen. Om dit te
faciliteren, stelt de Minister van OCW vóór 1 augustus van het tweede jaar voor een
nieuwe aanwijzingsperiode het totaalbudget vast dat gedurende die periode ten minste
beschikbaar zal worden gesteld voor de lokale publieke omroepen. Op die wijze wordt
vóór de start van de aanvraagprocedure duidelijk met welk budget aanvragers rekening
kunnen houden bij het opstellen van hun begrotingen.
Onderdeel II (artikelen 2.170f tot en met 2.170j)
(artikelen 2.170f en 2.170g)
Het Commissariaat verstrekt aan een lokale publieke omroep een rijksbijdrage op aanvraag
(artikel 2.170f). De beslissing op de aanvraag wordt vóór 1 januari genomen. Het eerste
lid van artikel 2.170f bepaalt dat de bijdrage wordt verstrekt in de kosten die rechtstreeks
verband houden met de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau, voor
zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt. Deze zinsnede moet worden begrepen
in samenhang met de vereisten aan de aanvraag. Volgens artikel 2.170g, derde lid,
moet de aanvraag vergezeld gaan van een begroting waarin de financiële middelen voor
de publieke taakopdracht worden onderverdeeld in (a) eigen inkomsten, (b) rijksbijdrage,
(c) gemeentelijke subsidie als bedoeld in afdeling 2.6.6a en (d) overige subsidies.
De rijksbijdrage in artikel 2.170f ziet op de rijksbijdrage uit artikel 2.170g, derde
lid, onderdeel b. Verder brengt de zinsnede tot uitdrukking dat er bij de financiering
in totaal geen sprake mag zijn van overcompensatie. Artikel 2.170f, vijfde lid, maakt
mogelijk dat het Commissariaat een aanvraag in behandeling neemt van een instelling
die al wel een aanwijzingsbesluit heeft ontvangen, maar waarvan de aanwijzing nog
niet is begonnen.
Artikel 2.170g, vierde lid, bevat een delegatiegrondslag voor het stellen van nadere
regels over de indiening van de bekostigingsaanvraag en de inhoud en inrichting van
de begroting. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het verplichten van een
modelbegroting, zoals al geldt voor de regionale publieke omroepen op grond van de
Mediaregeling 2008.
(artikel 2.170h)
Het Commissariaat verleent voorschotten op de rijksbijdrage. De Minister stelt hierover
nadere regels. De bedoeling is dat in de Mediaregeling 2008 bevoorschotting in twaalf
maandelijkse termijnen wordt bepaald. Het Commissariaat kan de bevoorschotting verminderen
of beëindigen wanneer de lokale publieke omroep de jaarrekening niet tijdig indient
of de voorschotten gebruikt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet.
(artikel 2.170i)
Het huidige artikel 2.170b, vijfde lid, bevat een evaluatiebepaling. De Minister van
OCW brengt iedere drie jaar aan de Staten-Generaal verslag uit over de doeltreffendheid
en de effecten van de gemeentelijke bekostiging van de lokale publieke omroepen. Deze
bepaling heeft het monitoren van gemeentelijke bekostiging door het Commissariaat
ondersteund. De bepaling komt te vervallen. Het is echter wenselijk dat de monitoring
wordt voortgezet om de effecten van het nieuwe beleid inzichtelijk te maken. De evaluatie
ziet alleen op de publieke bekostiging.
(artikel 2.170j)
Artikel 2.170j bevat een regeling voor de gang van zaken wanneer een lokale publieke
omroep na de lopende aanwijzing de overstap naar commerciële media-instelling wil
maken. Ook geeft het artikel een voorziening voor financiële afwikkeling wanneer de
aanwijzing van een lokale publieke omroep wordt ingetrokken, of een lokale publieke
omroep in de opvolgende aanwijzingsperiode geen aanwijzing meer heeft of een aanwijzing
voor een lokaal verzorgingsgebied dat niet hetzelfde is als het verzorgingsgebied
van de lopende aanwijzing. Van «hetzelfde verzorgingsgebied» is in elk geval geen
sprake wanneer een lokale publieke omroep wisselt van verzorgingsgebied, of als de
grenzen van het «oude» verzorgingsgebied zijn gewijzigd, bijvoorbeeld door gemeentelijke
herindeling. In de genoemde situaties wordt een eindafrekening gemaakt. Het Commissariaat
stelt na de eindafrekening het terug te betalen bedrag vast. Teruggevorderde bedragen
worden toegevoegd aan de algemene mediareserve.
Onderdeel KK (artikel 2.173b)
Het Commissariaat wordt belast met de rechtmatigheidstoetsing van de uitgaven van
de NLPO en de lokale publieke omroepen. Deze worden daarom verplicht de jaarrekening
jaarlijks vóór 1 mei aan het Commissariaat te zenden. Het artikel geeft voorschriften
over de onderverdeling van de financiële middelen in de jaarrekening: eigen inkomsten,
de rijksbijdrage, gemeentelijke subsidie volgens afdeling 2.6.6a en overige subsidies.
De Minister van OCW wordt bevoegd om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen
over de inhoud en inrichting van de jaarrekening. Op basis van deze grondslag zal
voor de NLPO en de lokale publieke omroepen een gedetailleerd handboek financiële
verantwoording worden opgesteld, in overleg met in ieder geval de NLPO en het Commissariaat.
Dergelijke handboeken bestaan al voor de landelijke en regionale publieke mediadienst,
het Commissariaat en het SvdJ. Bij de uitwerking van dit handboek zal rekening worden
gehouden met de relatief beperkte (financiële) omvang van de toekomstige lokale publieke
omroepen.
In het eerste jaar van de aanwijzing zal het voor lokale publieke omroepen doorgaans
niet mogelijk zijn om een jaarrekening over het voorgaande kalenderjaar op te stellen
en aan Commissariaat te zenden, omdat zij nog niet aangewezen waren in dat kalenderjaar.
Om die reden maakt het vijfde lid van artikel 2.173b voor die situatie een uitzondering
op de in het tweede lid neergelegde verplichting. Dit is echter anders voor omroepen
die in het voorafgaande jaar een aanwijzing hadden voor hetzelfde verzorgingsgebied
(zie ook de toelichting bij artikel 2.170j). In dat geval is namelijk sprake van continuïteit,
waardoor het passend is om deze organisaties ook in het eerste jaar van de nieuwe
aanwijzing om een jaarrekening over het voorafgaande jaar te vragen. In dergelijke
gevallen vindt verantwoording over het laatste jaar van de voorgaande aanwijzing plaats
op grond van artikel 2.170j.
Onderdeel LL (artikel 2.175)
Het huidige artikel gaat over het reserveren van gelden door de regionale publieke
omroepen en de RPO. Aan het nieuwe artikel is een overeenkomstige bepaling voor de
lokale publieke omroepen en de NLPO toegevoegd. Verder is het artikel opnieuw opgeschreven,
ter verduidelijking. De betekenis is – los van verruiming van het adressaat – niet
gewijzigd. Terugbetaling aan het Commissariaat (huidige derde lid) wordt afgedekt
door een aanpassing van artikel 2.177.
Onderdeel NN (artikel 2.177)
Het Commissariaat vordert gelden terug die onrechtmatig zijn gebruikt of gereserveerd.
Verduidelijkt wordt dat dit ook kan gaan om reserveringen in strijd met artikel 2.175.
De NLPO en de lokale publieke omroepen worden toegevoegd als entiteiten waarvan kan
worden teruggevorderd.
Onderdeel PP (afdeling 2.6.6a. Bijzondere bepalingen voor subsidie van gemeente aan
lokale publieke media-instelling, artikelen 2.179 en 2.179a)
Het wetsvoorstel houdt de mogelijkheid open dat een gemeente zelf wil bijdragen aan
de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau, in aanvulling op de
bekostiging door het Rijk. Dit gebeurt op basis van vrijwilligheid. Er is hier derhalve
sprake van inzet van middelen in het kader van gemeentelijke autonomie. Een set voorschriften
is daarbij nodig in verband met het bieden van gelijke kansen en het voldoen aan staatsteunregels
van de Europese Unie (zie ook paragraaf 3.1 van het algemeen deel van deze toelichting).
(artikel 2.179a, eerste lid)
Het budget dat de gemeenteraad beschikbaar stelt, dient voor het begin van de aanvraagperiode
voor aanwijzing als lokale publieke omroep bekend te zijn. Zo kan iedere instelling
die in aanmerking wil komen voor aanwijzing een beleidsplan maken waarbij mede kan
worden uitgegaan van de financiering door de gemeente, en worden aan (potentiële)
aanvragers gelijke kansen geboden.
(artikel 2.179a, tweede lid)
De gemeentelijke subsidie kan worden verstrekt op een manier die in overeenstemming
is met EU-staatssteunregels. Binnen het kader van de Mediawet 2008 wordt een DAEB
gevestigd voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. Die DAEB
kan vanuit staatssteunperspectief door de overheid worden gefinancierd zolang er,
onder meer, geen sprake is van overcompensatie. Naast de rijksbijdrage kan gemeentelijke
subsidie voor de DAEB worden verstrekt, zolang de omschrijving van de specifieke DAEB
van een lokale publieke omroep daarvoor ruimte biedt. De subsidie moet dan wel de
uitvoering van de mediawettelijke DAEB gelden. Uit het voorgaande volgt het vereiste
dat de subsidiebeschikkingen in overeenstemming zijn met de Mediawet 2008, het concessiebeleidsplan
NLPO en het besluit tot aanwijzing als lokale publieke omroep.
(artikel 2.179a, derde en vierde lid)
Ingeval een gemeente de lokale publieke omroep aanvullend financiert, wordt die financiering
meegenomen in de begrotings- en verantwoordingssystematiek van de Mediawet 2008. Een
waarborg tegen overcompensatie is de bevoegdheid van het Commissariaat tot terugvordering
van gelden die ten onrechte of overmatig bij een omroep aanwezig zijn. Deze terugvorderingsbevoegdheid
gaat mede zien op de gemeentelijke subsidie, waarbij terugbetaling aan de gemeente
gebeurt naar rato van het gemeentelijke aandeel in het terug te ontvangen bedrag.
Het toezicht op de toepassing van de artikelen 2.179 en 2.179a door gemeenten gebeurt
op grond van artikel 268 van de Gemeentewet (vernietiging bij koninklijk besluit)
en met gebruikmaking van de bevoegdheden op grond van de Wet Naleving Europese regelgeving
publieke entiteiten.236 De artikelen 2.179 en 2.179a zijn om die reden uitgezonderd van het toezicht door
het Commissariaat (zie ook de toelichting bij artikel 7.11).
Onderdeel QQ (artikelen 2.189 en 2.190)
De artikelen 2.189 en 2.190 gaan over evaluatie binnen de lokale publieke mediadienst.
Artikel 2.189 regelt de zelfevaluatie door een lokale publieke omroep over de manier
waarop deze omroep de lokale publieke mediaopdracht uitvoert. Artikel 2.190 geeft
voorschriften voor een onafhankelijke evaluatie die de NLPO kan laten verrichten.
De twee evaluaties hangen samen. De zelfevaluatie door een lokale publieke omroep
is verplicht, en moet plaatsvinden in het tweede jaar van de aanwijzingsperiode. Het
tweede lid van artikel 2.189 zorgt ervoor dat de evaluatieverplichting niet geldt
voor een omroep die is aangewezen voor het restant van een aanwijzingsperiode, na
intrekking van de oorspronkelijke aanwijzing.
Bij de evaluatie van de NLPO gaat het om een kan-bepaling. De NLPO is dus niet tot
evaluatie verplicht – ook niet in de situatie dát daarvoor in de zelfevaluaties aanleiding
gevonden zou kunnen worden. De NLPO heeft ook ruimte waar het de reikwijdte van de
onafhankelijke evaluatie betreft. Deze kan zo breed zijn als de uitvoering van de
publieke mediaopdracht op lokaal niveau, maar kan ook beperkt zijn tot deelonderwerpen,
bijvoorbeeld thema’s, een deel van de lokale publieke omroepen of alleen de NLPO.
De onafhankelijke evaluatie gebeurt in het derde jaar van de aanwijzingsduur. Uit
de bevoegdheid van de NLPO om te evalueren volgt niet een medewerkingsplicht van de
lokale publieke omroepen. Wel geldt dat, nu hier sprake is van het uitvoeren van een
taak van NLPO, de inlichtingenplicht van artikel 2.87y van toepassing is. Deze verplichting
geldt van rechtswege. De NLPO stelt voor de evaluatie een onafhankelijke commissie
in, die bestaat uit ten minste vijf onafhankelijke deskundigen. Daarbij kan bijvoorbeeld
gedacht worden aan deskundigheid op het gebied van (lokale) journalistiek, governance,
financiën of personeelsbeleid.
Onderdeel RR (artikel 3.29f)
Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel over de invoering van een
investeringsverplichting voor Nederlands cultureel audiovisueel product heeft de toenmalige
Staatssecretaris van OCW naar aanleiding van een vraag van het toenmalige lid van
de Eerste Kamer Walenkamp toegezegd om bij de eerstvolgende wijziging van de Mediawet
2008 ook «streektalen, zoals het Nedersaksisch en het Limburgs» in artikel 3.29f van
de Mediawet 2008 op te nemen.237
De voorgestelde wijziging geeft gevolg aan deze toezegging. Door te verwijzen naar
de talen die zijn erkend onder deel II van het Europees Handvest voor regionale talen
of talen van minderheden (hierna: het Handvest) wordt geen onderscheid gemaakt tussen
die talen. De erkende talen zijn: Papiaments, Limburgs, Nedersaksisch, Jiddisch (Jiddisj)
en Romanes.
De taal- en cultuurcriteria voor Nederlands cultureel audiovisueel product worden
zo aangevuld met de erkende talen. Dit betekent dat ook producties in één van deze
talen, of producties op basis van een scenario of origineel literair werk in één van
deze talen, kunnen meetellen voor de investeringsverplichting. Naast de onder deel
II van het Handvest erkende talen, worden in Nederland ook streektalen (dialecten)
gesproken. Voor de toepassing van artikel 3.29f kwalificeren de streektalen als Nederlands.
Onderdeel SS (artikel 6.13)
Artikel 6.13 over het standaardprogrammapakket wordt aangepast aan de nieuwe voorschriften
voor lokale publieke omroepen. De verwijzing naar de programmanorm van artikel 2.70
wordt vervangen door verwijzing naar de vereenvoudigde versie daarvan in artikel 2.87x.
De verwijzing naar de gemeente als verzorgingsgebied wordt vervangen door verwijzing
naar het lokale verzorgingsgebied. Dit gebeurt zowel voor televisieprogrammakanalen
(lid 3) als voor radioprogrammakanalen (lid 4). In het nieuwe stelsel zullen per lokaal
verzorgingsgebied één televisieprogrammakanaal en één radioprogrammakanaal met aanbod
van de lokale publieke omroep als bedoeld in artikel 2.87x moeten worden doorgegeven
door de pakketaanbieders.
De lokale publieke omroepen hebben de mogelijkheid om via FM en DAB+ programmatisch
te differentiëren (zie paragraaf 4.1 van het algemeen deel van de toelichting). Distributie
van media-aanbod via internet biedt die mogelijkheid ook. Voor doorgifte van eventuele
extra televisie- of radioprogrammakanalen binnen een lokaal verzorgingsgebied in het
programmapakket van pakketaanbieders zal het gesprek aan moeten worden gegaan met
die pakketaanbieders.
De huidige verplichtingen op grond van artikel 6.13, derde lid, onderdeel e, en 6.13,
vierde lid, onderdeel d, van de Mediawet 2008 blijven gelden. Dat betekent dat ten
hoogste twee televisie- en ten hoogste vijf radioprogrammakanalen van de lokale publieke
mediadienst gericht op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen onderdeel uitmaken
van het standaardprogrammapakket.
Onderdeel TT (artikel 7.4)
Het lidmaatschap van een orgaan van de NLPO of een dienstbetrekking bij de NLPO wordt
toegevoegd als onverenigbaarheid met het lidmaatschap van het Commissariaat.
Onderdelen UU en VV (artikelen 7.11 en 7.12)
Artikel 7.11 specificeert op welke bepalingen van de Mediawet 2008 het Commissariaat
toezicht heeft en artikel 7.12 regelt voor welke bepalingen geldt dat bij overtreding
een bestuursrechtelijke boete (lid 1) dan wel een last onder dwangsom (lid 3) kan
worden opgelegd. De bepalingen zijn negatief geformuleerd, dat wil zeggen dat juist
de artikelen die zijn opgesomd niet onder het toezicht vallen, respectievelijk niet
de bestuursrechtelijke sanctie van boete of last onder dwangsom kennen. In de bepalingen
over het toezicht en de bestuursrechtelijke boete is het uitgangspunt te zien dat
het Commissariaat de bevoegdheden heeft, tenzij er reden is voor een uitzondering.
Bij de bepaling over de last onder dwangsom is dat anders. De sanctie last onder dwangsom
is niet mogelijk voor overtreding van een bepaling van de Mediawet 2008 die de inhoud
van het media-aanbod betreft.238 Dit vloeit voort uit het grondwettelijke verbod op voorafgaand toezicht op de inhoud
van een radio of televisie-uitzending (artikel 7, tweede lid, van de Grondwet). Artikel
7.20, tweede lid, van de Mediawet 2008 bepaalt expliciet dat het Commissariaat geen
voorafgaand toezicht uitoefent op de inhoud van media-aanbod.
De voorgestelde bepalingen over de NLPO en de lokale publieke omroepen zijn ingevoegd
in deze systematiek, waarbij analogie met de RPO en regionale publieke omroepen is
aangehouden. Zo valt de voorgestelde regeling van de bestuurlijke inrichting van de
NLPO niet onder het toezicht van het Commissariaat, met uitzondering van de verplichting
om een bestuursverslag op te stellen, en is ook de informatieverplichting van lokale
publieke omroepen naar de NLPO buiten het toezicht van het Commissariaat gehouden.
Dezelfde analogie is aangehouden voor de artikelen over de budgetvaststelling voor
de NLPO, respectievelijk voor de lokale publieke omroepen. Op het artikel over de
budgetvaststelling voor de NLPO heeft het Commissariaat geen toezicht, behalve waar
het gaat om de verplichting voor de NLPO om het budget te besteden aan de wettelijke
doelen, en voor het artikel over de budgetvaststelling voor de lokale publieke omroepen
heeft het Commissariaat wel toezichtbevoegdheid, maar zijn de bestuursrechtelijke
sancties uitgesloten. Dat laatste geldt echter niet voor het voorschrift dat de lokale
publieke omroepen de rijksbijdrage besteden aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht
op lokaal niveau. Het nieuwe artikel 2.87x, dat voor lokale publieke omroepen de vereenvoudigde
ICE-norm bevat, derhalve een voorschrift over de inhoud van media-aanbod, is opgenomen
in artikel 7.12, derde lid, zodat deze bepaling is uitgezonderd van de mogelijkheid
dat een last onder dwangsom wordt opgelegd. De nieuw voorgestelde artikelen 2.179
en 2.179a over gemeentelijke subsidie aan lokale publieke omroepen worden uitgezonderd
van het toezicht door het Commissariaat. De artikelen worden opgenomen in de opsomming
van artikel 7.11. Op de toepassing door gemeenten van de artikelen 2.179 en 2.179a
wordt toezicht gehouden op grond van de Gemeentewet (vernietiging bij koninklijk besluit)
of de Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten. Ook deze artikelen worden
dus uitgezonderd van het toezicht door het Commissariaat. Ten slotte wordt opgemerkt
dat het wetsvoorstel veelvuldig de NLPO of de lokale publieke omroepen toevoegt aan
bestaande artikelen van de Mediawet 2008. Als het Commissariaat het toezicht over
die artikelen heeft, gaat die bevoegdheid ook gelden ten aanzien van NLPO of lokale
publieke omroepen. Die wijzigingen hebben echter geen gevolgen voor de artikelen 7.11
of 7.12.
Onderdeel WW (artikel 7.16a)
Het Commissariaat heeft de bevoegdheid een aanwijzing te geven aan een landelijke
of regionale publieke omroep in geval van wanbeheer of als onvoldoende wordt voldaan
aan voorschriften over deugdelijke bedrijfsprocessen of deugdelijke administratie.
Deze bevoegdheid gaat ook gelden jegens de lokale publieke omroepen en de NLPO.
Onderdeel XX (artikel 8.5)
Het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij de RPO of NLPO wordt
toegevoegd als onverenigbaarheid met het lidmaatschap van het bestuur van het SvdJ.
Hier wordt ook de RPO in de bepaling opgenomen. Dat is ten onrechte niet gebeurd bij
de introductie van de RPO in 2016 (Stb. 2016, 114).
Onderdeel YY (titel 9.2b. Evaluatiebepaling en overgangsbepalingen, artikelen 9.14i
tot en met 9.14p)
(artikel 9.14i)
Het wetsvoorstel zal worden geëvalueerd. De voornemens over de inrichting van de evaluatie
zijn beschreven in het algemeen deel van deze toelichting (zie hoofdstuk 8).
(artikel 9.14j)
Het eerste bestuursverslag van de NLPO kan niet, zoals volgt uit artikel 2.87a, al
worden gemaakt in het eerste jaar van de aanwijzing als NLPO, maar pas in het jaar
daarna. Deze overgangsbepaling treft daarvoor een voorziening.
(artikel 9.14k, eerste en tweede lid)
De aanwijzingen als lokale publieke omroep die gelden op het moment van inwerkingtreding
van de wet, blijven gelden tot het begin van de eerste concessie van de NLPO dat tegelijkertijd
het beginmoment is van de aanwijzingen op grond van de nieuwe wet. De verlenging van
de lopende aanwijzingen bij de inwerkingtreding van de wet is van rechtswege en het
vervallen van die aanwijzingen bij het begin van de eerste concessie van de NLPO ook.
Voor deze aanwijzingen op grond van de huidige wet blijft tijdens de overgangsperiode
ook de huidige wet gelden. Daarvoor wordt eerbiedigende werking geregeld. Dit overgangsrecht
is toegelicht in het algemeen deel van deze toelichting (zie hoofdstuk 10).
(artikel 9.14k, derde lid)
Er is een aparte bepaling voor het college van omroepen. Als de NLPO begint, zijn
er nog geen aanwijzingen volgens de nieuwe wet. Er zijn dus nog geen nieuw aangewezen
lokale publieke omroepen die vertegenwoordigd zouden kunnen zijn in het college van
omroepen van de NLPO. Een optie zou zijn om het college van omroepen pas actief te
laten worden bij het begin van de eerste concessie en de nieuwe aanwijzingen. De regering
acht echter al in de overgangsperiode na de inwerkingtreding van de wet de bijdrage
vanuit de lokale publiek omroepen nodig. Daarom is ervoor gekozen het college van
omroepen in de overgangsperiode vertegenwoordiger te laten zijn van de volgens het
huidige recht aangewezen lokale publieke omroepen. Dit gebeurt door te bepalen dat
het zittende (statutair geregelde) college van omroepen van de Stichting NLPO tijdens
de overgangsperiode het college van omroepen van de NLPO vormt. Omdat dus wat betreft
het college van omroepen het nieuwe recht wel van toepassing wordt voor de huidige
aanwijzingen, is dit een uitzondering op de algemene overgangsrechtelijke bepaling.
(artikel 9.14k, vierde lid)
Ten slotte wordt eerbiedigende werking geregeld voor bezwaar en beroep tegen een besluit
over aanwijzing dat is genomen op grond van de huidige wet.
(artikel 9.14l)
De grondslag voor de bekostiging van de Stichting NLPO komt met dit wetsvoorstel te
vervallen. Er is een overgangsperiode tussen de aanwijzing van de Stichting NLPO als
NLPO en de start van de eerste concessie. Hoewel er tijdens deze periode nog geen
lokale publieke omroepen zijn aangewezen volgens de systematiek van dit wetsvoorstel
zal de NLPO een aantal van haar taken al moeten uitvoeren. Het gaat dan in elk geval
om het voorbereiden en opstellen van het concessiebeleidsplan NLPO en de prestatieovereenkomst
en het adviseren in het kader van de aanwijzingsprocedure. Het is belangrijk dat de
NLPO ook tijdens deze periode beschikt over een toereikend budget.
Allereerst is het noodzakelijk een voorziening te treffen voor het jaar dat de aanwijzing
als NLPO begint. In onderdeel a is bepaald dat de NLPO zo snel mogelijk na aanwijzing
een begroting indient voor (het restant van) dat kalenderjaar. Voor het volgende kalenderjaar
dient de NLPO vóór 15 september een begroting in. De regering acht de reguliere bekostigingssystematiek
te zwaar in verhouding tot de beperkte taak die de NLPO gedurende de overgangsperiode
zal vervullen. In artikel 9.14l is daarom een vereenvoudigde procedure opgenomen voor
het aanvragen en verlenen van bekostiging voor deze periode (onderdelen b tot en met
d). Deze procedure lijkt op de systematiek uit de huidige artikelen 2.170c en 2.170d
van de Mediawet 2008. De Minister van OCW stelt een rijksbijdrage ter beschikking
en kan voorwaarden verbinden aan de bekostigingsbeschikking. Bij niet-naleving van
deze voorwaarden of in geval de NLPO haar begroting niet op tijd indient, kan de Minister
de bekostiging intrekken of wijzigen. Deze verantwoordingssystematiek is lichter dan
de reguliere verantwoordingssystematiek zoals geregeld in artikel 2.173b en verder
van dit wetsvoorstel. Op deze manier is er balans tussen de zwaarte van de bekostigingssystematiek
en de verantwoordingssystematiek tijdens de overgangsperiode.
(artikel 9.14m)
Met ingang van de begroting voor het eerste jaar van de eerste concessie van de NLPO
geldt de bekostigingssystematiek uit de artikelen 2.170b (nieuw) en 2.170c (nieuw).
Omdat er ten tijde van het indienen van de eerste begroting onder deze systematiek
nog geen lokale publieke omroepen bestaan die op grond van dit wetsvoorstel zijn aangewezen,
kan een aantal bepalingen omtrent de inhoud van de begroting en de onderverdeling
van de financiële middelen geen toepassing vinden. Met dit overgangsartikel wordt
de NLPO ruimte geboden om aan de inhoudelijke vereisten voor de begroting te voldoen
voor zover de informatie redelijkerwijs beschikbaar is.
(artikel 9.14n)
Voor de periode tussen de aanwijzing van de NLPO en de start van de eerste concessie
geldt een vereenvoudigde bekostigings- en verantwoordingssystematiek (zie de toelichting
bij artikel 9.14l). In het verlengde van artikel 9.14l wordt bepaald dat de NLPO haar
eerste jaarrekening opstelt en toezendt over het eerste jaar waarin zij onder de nieuwe
systematiek bekostiging ontvangt. Dit is het eerste jaar van de eerste concessie van
de NLPO.
Artikel II (Bijlage 1 bij artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d, van de Wet normering
topinkomens)
De lokale publieke omroepen en de NLPO worden onder het regime van de WNT gebracht
door opname in Bijlage 1 bij de WNT, derhalve onafhankelijk van de door hen ontvangen
subsidies. De wijziging van de WNT wordt toegelicht in het algemeen deel van deze
toelichting (zie paragraaf 4.2).
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.