Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 871 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 13 maart 2026
De regering dankt de leden van de vaste Kamercommissie voor Asiel en Migratie voor
het verslag en de daarin gestelde vragen. In de navolgende nota naar aanleiding van
het verslag worden de vragen die door de leden van de afzonderlijke facties zijn gesteld
beantwoord. Bij het beantwoorden van de vragen is de volgorde van het verslag aangehouden,
met dien verstande dat ter wille van de leesbaarheid in enkele gevallen is verwezen
naar reeds eerder of later in deze nota gegeven antwoorden. Om die reden zijn de vragen
telkens afzonderlijk genummerd. De inhoud van het verslag is cursief weergegeven.
INHOUDSOPGAVE
Gezamenlijke inbreng commissie
Inbreng leden van de fracties
Algemeen deel
1.
Inleiding
20
2.
Asiel- en migratiepact 2026
29
2.1.
Algemene beschrijving instrumenten Asiel- en migratiepact 2026
29
2.2.
Uitgangspunten uitvoering en implementatie in nationale regelgeving
33
3.
Terugkeer in het Asiel- en migratiepact
37
3.1.
Relevantie Terugkeerrichtlijn
37
3.2.
Uitsluiten toepasselijkheid Terugkeergrensprocedureverordening
41
4.
Uitvoering Kwalificatieverordening (EU) 2024/1347
43
4.1.
Algemeen
43
4.2.
Van een eenstatusstelsel naar een tweestatusstelsel
48
4.3.
Verblijfstitel
53
4.4.
Geldigheidsduur verblijfstitel wordt verkort van vijf naar drie jaar
55
4.5.
Verblijf gezinsleden
56
4.6.
Afschaffen verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd
65
5.
Uitvoering Procedureverordening (EU) 2024/1348
70
5.1.
Algemeen
70
5.2.
Schrappen nationale procedureregels
75
5.3.
Afschaffen voornemenprocedure
76
5.4.
Aanwijzing beslissingsautoriteit en andere bevoegde autoriteiten
79
5.5.
Verschillende behandelingsprocedures en beslistermijnen
79
5.6.
Beroep bij de rechter in asielprocedure
81
5.7.
(Verplichte) asielgrensprocedure
82
5.8.
Juridisch advies, counseling, rechtsbijstand
84
6.
Uitvoering Asiel- en migratiebeheerverordening (EU) 2024/1351
86
6.1.
Algemeen
86
6.2.
Uitvoering Asiel- en migratiebeheerverordening in onderhavig wetsvoorstel
93
7.
Implementatie herschikte Opvangrichtlijn (EU) 2024/1346
95
7.1.
Algemeen
95
7.2.
Toewijzing geografisch gebied
102
7.3.
Vrijheidsontneming asielzoekers op grond van artikel 59b Vw 2000
102
7.4.
Vrijheidsbeperking, vrijheidsontneming en meldplicht bij onderduikrisico
112
7.5.
Beroep bij de rechter bij vrijheidsontneming
115
7.6.
Wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet op de expertisecentra, de Wet op
het primair onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs 2020
115
8.
Uitvoering Screeningsverordening (EU) 2024/1356
117
8.1.
Algemeen
117
8.2.
Screening aan de buitengrens en screening op het grondgebied van de lidstaten
120
8.3.
Toezicht en rechten van betrokkenen
122
9.
Uitvoering herziene Eurodac-verordening (EU) 2024/1358
123
9.1.
Algemeen
123
9.2.
Verplichting tot afname biometrische gegevens en invoer gegevens in Eurodac
123
9.3.
Toegang voor rechtshandhavingsdoeleinden
124
9.4.
Overige onderdelen van de verordening
124
10.
Wet arbeid vreemdelingen
126
10.1.
Hoofdlijnen van het voorstel
126
11.
Verhouding tot hoger recht
126
12.
Overgangsrecht en inwerkingtreding
127
13.
Uitvoerings- en administratieve lasten en financiële gevolgen
131
13.1.
Uitvoeringsgevolgen vreemdelingenketen
131
13.2.
Uitvoeringsgevolgen voor de AbRvS en rechtspraak
133
13.3.
Financiële gevolgen
134
14.
Consultatie en advies
134
Artikelsgewijze toelichting
Artikel I Vreemdelingenwet 2000
Overig
Gezamenlijke inbreng commissie
De vaste commissie voor Asiel en Migratie heeft in het kader van het voorbereidend
onderzoek van dit wetsvoorstel de leden Rajkowski (VVD-fractie) en Boomsma (JA21-fractie)
tot wetgevingsrapporteurs benoemd. De wetgevingsrapporteurs hebben ten behoeve van
het verslag een schriftelijke inbreng opgesteld met enkele vragen van verdiepende
en verduidelijkende aard aan de regering. Bij de hiernavolgende inbreng is zo veel
mogelijk de volgorde van de memorie van toelichting aangehouden. In algemene zin worden
vragen gesteld over de delegatie van regelgevende bevoegdheid, de uitvoeringsgevolgen
voor de rechtspraak en monitoring en evaluatie. Ook worden vragen gesteld over verschillende
elementen van de implementatie en uitvoering van de Procedureverordening, de Asiel-
en migratiebeheerverordening, de Opvangrichtlijn en de Screeningsverordening.
Algemeen
Maatregelen die reeds door de Tweede Kamer zijn aangenomen in het kader van de Asielnoodmaatregelenwet
en de Wet invoering tweestatusstelsel (conform de transponeringstabellen in Kamerstuk
32 317, nr. 988) worden in de gezamenlijke inbreng van de commissie buiten beschouwing gelaten.
Vraag 1
Kan de regering (her)bevestigen dat de overeenkomstige maatregelen in onderhavig wetsvoorstel
materieel niet afwijken van de maatregelen zoals behandeld in de Asielnoodmaatregelenwet
en de Wet invoering tweestatusstelsel?
De regering bevestigt dat de maatregelen die deel uitmaken van het onderhavige wetsvoorstel
en ook zijn opgenomen in de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet
invoering tweestatusstelsel materieel niet afwijken. De regering verwijst daarbij
volledigheidshalve naar de brief die eerder aan uw Kamer is gezonden en waarin twee
transponeringstabellen zijn opgenomen die de verhouding van onderhavig wetsvoorstel
tot de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel
beschrijven (Kamerstukken II 2025/26, 32 317, nr. 988). Onderdelen die niet opgenomen in de implementatiewetgeving van het Pact zijn de
verruiming van de ongewenstverklaring, strafbaarstelling illegaliteit en de afschaffing
van de rechterlijke dwangsom.
Vraag 2
Kan de regering uiteenzetten over welke overige onderwerpen in dit wetsvoorstel nationale
beleidskeuzes zijn gemaakt die niet rechtstreeks voortvloeien uit het Pact? In hoeverre
komen de nationale keuzes in Nederland overeen met de wijze waarop het Pact wordt
geïmplementeerd in buurlanden als België en Duitsland?
Nadat het Asiel- en migratiepact op 12 juni 2026 van toepassing wordt zullen de meeste
normen uit het pact rechtstreeks werken. Het pact introduceert daarmee een integraal
kader voor de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming. Dit betekent
onder andere dat er minder ruimte en noodzaak bestaat voor aanvullende nationale regels.
Zo kan met het van toepassing worden van het Asiel- en migratiepact de asielvergunning
voor onbepaalde tijd niet langer worden gehandhaafd en komt er ook een einde aan het
eenstatusstelsel dat Nederland tot op heden hanteerde. Daarnaast bevat het Asiel-
en migratiepact een eigen stelsel van procedurele waarborgen, waardoor er niet langer
een noodzaak bestaat voor de handhaving van nationale procedureregels die niet dwingend
uit het EU-recht volgen. Hoewel het Asiel- en migratiepact een integraal kader bevat,
verplichten de verordeningen, en overigens ook de herschikte Opvangrichtlijn, de lidstaten
tegelijkertijd ook om binnen de kaders van de verordeningen en richtlijn in bepaalde
gevallen nadere uitvoeringskeuzes te maken. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de termijnen
die gelden voor het instellen van beroep bij de rechter. Het gaat daarbij dus niet
om nationale keuzes in eigenlijke zin, maar om uitvoeringskeuzes die door het Asiel-
en migratiepact zijn voorgeschreven. Aan de memorie van toelichting bij onderhavig
wetsvoorstel heeft de regering een tabel gehecht waarin is opgenomen op welke wijze
in de Uitvoerings- en implementatiewet uitvoering is gegeven aan de verschillende
onderdelen van het Asiel- en migratiepact.
Delegatie van regelgevende bevoegdheid
De leden van de commissie constateren dat de Afdeling advisering van de Raad van State
(hierna: de Afdeling) opmerkingen heeft gemaakt over het gebruik van delegatie in
het wetsvoorstel. Veel regels worden gemaakt door de regering of een Minister, zonder
noodzakelijke voorafgaande betrokkenheid van het parlement. De Afdeling adviseert
om de delegatie van regelgevende bevoegdheid in het wetsvoorstel naar aard en omvang
te beperken en in de toelichting te motiveren waarom in voorkomende gevallen wordt
gekozen voor delegatie. De regering benoemt in reactie daarop onder meer het belang
van flexibiliteit en slagvaardigheid voor de uitvoering en meent dat verschillende
onderwerpen zich lenen voor uitwerking op een lager niveau van regelgeving.
Tegen deze achtergrond achten de leden van de commissie het van belang om, mede gelet
op de korte implementatietermijn, inzicht te krijgen in de beoogde invulling van de
delegatiegrondslagen.
Vraag 3
Kan de regering een schematisch overzicht verstrekken van de in het wetsvoorstel opgenomen
delegatiegrondslagen, de onderwerpen die bij lagere regelgeving zullen worden uitgewerkt
en een indicatie van de materiële uitwerking daarvan?
Hieronder treft u een schema met de delegatiegrondslagen die in het onderhavige wetsvoorstel
zijn opgenomen. Deels zullen die delegatiegrondslagen nader worden uitgewerkt in het
Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact, zoals dat van 24 november
2025 tot en met 5 januari 2026 in internetconsultatie is geweest. Tegelijkertijd zullen
de nieuwe delegatiegrondslagen niet de volledige inhoud van het Uitvoerings- en implementatiebesluit
Asiel- en migratiepact kunnen verklaren, omdat daarvoor ook gebruik zal worden gemaakt
van reeds bestaande – ruime – delegatiegrondslagen uit de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Verwezen zij in dit kader bijvoorbeeld naar het reeds bestaande artikel 112 Vw 2000.
Het is niet goed mogelijk om op overzichtelijke wijze in een schema de wijzigingen
die zijn opgenomen in het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact
toe te delen aan een delegatiegrondslag genoemd in onderstaand schema. Een groot aantal
vooral technische aanpassingen voert bijvoorbeeld terug op meerdere delegatiegrondslagen
en daarmee wordt een schema al snel zeer onoverzichtelijk. Om die reden heeft de regering
in de artikelsgewijze toelichting bij het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel-
en migratiepact – ook in de versie van het besluit die in internetconsultatie is gegaan
– getracht telkens aan te geven op welke delegatiegrondslag een specifieke wijziging
uit dat besluit steunt. Dat geldt ook als die wijziging terugvoert op een reeds bestaande
delegatiegrondslag. In meer algemene zin merkt de regering tot besluit op dat zij
de nieuwe delegatiegrondslagen zodanig heeft vormgegeven dat de reeds sinds lange
tijd bestaande delegatiesystematiek van de Vreemdelingenwet 2000 ook onder het Asiel-
en migratiepact wordt voortgezet.
Delegatiegrondslag wetsvoorstel
Aanduiding inhoud grondslag
Art. 2, derde lid
Bij amvb autoriteiten, organisaties of deskundigen aanwijzen
Art. 2ff, derde lid Vw
Bij amvb aanwijzen autoriteiten of instanties
Art. 2hh, tweede lid Vw
– Bij of krachtens amvb aanwijzen van andere organisaties die deelnemen aan de werking
van het onafhankelijk toezichtmechanisme;
– Nadere regels te stellen over de werking van het toezichtsmechanisme
Art. 27a, derde lid Vw
Bij of krachtens amvb regels stellen over de toekenning van taken en bevoegdheden
uit de Procedureverordening, de Asiel- en migratiebeheerverordening en de Kwalificatieverordening
Art. 29, tweede lid Vw
Bij af krachtens amvb regels stellen over artikel 29 Vw (verblijfsvergunning asiel
vluchtelingenstatus)
Art. 29a, tweede lid Vw
Bij of krachtens amvb regels stellen over 29a Vw (verblijfsvergunning asiel subsidiair
beschermden)
Art. 29b, tweede lid Vw
Bij of krachtens amvb regels stellen over artikel 29b Vw (verblijfsvergunning asiel
meereizend gezinsleden)
Art. 29c, derde lid Vw
Bij of krachtens amvb regels stellen over artikel 29c Vw (verblijfsvergunning asiel
nareizend gezinslid vluchtelingenstatus)
Art. 29d, vierde lid Vw
Bij of krachtens amvb regels stellen over artikel 29d Vw (verblijfsvergunning asiel
nareizend gezinslid subsidiair beschermden)
Art. 30b, derde lid Vw
Bij of krachtens amvb regels stellen over artikel 30b (afwijzen asielaanvraag kennelijk
ongegrond)
Art. 32, zevende lid Vw
Bij of krachtens amvb regels stellen over artikel 32 (intrekken verblijfsvergunning
asiel)
Art. 37, eerste lid, onderdeel b Vw
Bij of krachtens amvb regels stellen voor de procedure voor de behandeling van een
aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel
28, indien dat noodzakelijk is ter uitvoering van de Procedureverordening of de Asiel-
en migratiebeheerverordening
Art. 41, zesde lid Vw
Bij of krachtens amvb bepalen van termijn voor het naar voren brengen van zienswijze
over besluit intrekking verblijfsvergunning asiel
Art. 55.0a, vierde lid
Bij of krachtens amvb nadere regels stellen over artikel 55.0a (toewijzing geografisch
gebied)
Art. 106aa, tweede lid
Bij of krachtens amvb regels stellen over overname van en verwerken van biometrische
gegevens
Art. 2, derde lid Uitvoeringswet EU verordeningen grenzen en veiligheid
Bij amvb aanwijzen van autoriteiten, organisaties of deskundigen
Art. 6, tweede lid Wav
Bij amvb bepalen van gevallen waarin werkgever burgerservicenummer kan gebruiken
Uitvoeringsgevolgen voor de rechtspraak
De leden van de commissie constateren dat de gevolgen voor rechtsprekende instanties
een aandachtspunt zijn bij dit wetsvoorstel. Deze leden merken op dat in de memorie
van toelichting en het nader rapport meerdere keren wordt benadrukt dat het ministerie
met de rechtspraak in gesprek blijft over de uitvoerbaarheid van de maatregelen. Daarbij
wordt erkend dat extra financiële middelen op korte termijn het structurele werklast-
en capaciteitsprobleem mogelijk niet kunnen oplossen. De beslisnota bij het wetsvoorstel
noemt in dit verband de mogelijkheid om wettelijke bepalingen die zien op nationale
keuzes separaat in werking te laten treden, maar in het wetsvoorstel wordt geen melding
gemaakt van een dergelijk voornemen.
Vraag 4
De leden van de commissie vragen de regering toe te lichten welke concrete bespreekpunten
nog voorliggen in het overleg met de rechtspraak en wat de stand van zaken is van
deze gesprekken.
Er vindt periodiek overleg plaats met de Raad voor de Rechtspraak waarin de gevolgen
die het Asiel- en migratiepact voor de rechtspraak heeft worden besproken. Concrete
bespreekpunten in dat overleg betreffen onder meer de verwachte toename van beroepsprocedures,
de implementatietermijnen voor de nieuwe wetgeving en automatische berichtgeving bij
inbewaringstelling.
Vraag 5
Hoe beoordeelt de regering de uitvoerbaarheid van het voorstel voor de rechtspraak?
Wordt voorzien dat de maatregelen in dit wetsvoorstel ten koste kunnen gaan van de
tijdige behandeling van andere (vreemdelingen- of niet-vreemdelingenrechtelijke) zaken?
Zo ja, welk type zaken worden daardoor naar verwachting geraakt?
De Raad voor de rechtspraak verwacht vanwege het wetsvoorstel een substantiële stijging
van de structurele werklast voor de Rechtspraak. De structurele werklast gaat omhoog
omdat het aantal beroepszaken naar verwachting zal toenemen en omdat ook de behandeltijd
van beroepszaken zal toenemen. Het onderhavige wetsvoorstel dat uitvoering geeft aan
het Asiel- en migratiepact is uitvoerbaar, maar brengt uitvoerings- en financiële
gevolgen met zich mee. De regering erkent dat de maatregelen uit dit wetsvoorstel
mogelijk andere rechtsgebieden kunnen raken. De rechtspraak zet breed in op de werving
van vreemdelingenrechters en gerechtsjuristen. Daarnaast wordt ingezet op extra werving
in het strafrecht en familie- en jeugdrecht.
Vraag 6
Overweegt de regering om gebruik te maken van gedifferentieerde inwerkingtreding van
onderdelen van dit wetsvoorstel die niet noodzakelijkerwijs uit het Pact voortvloeien?
Zo ja, welke onderdelen komen daarvoor in aanmerking? Op basis van welke criteria
en in welk stadium wordt dit besluit genomen?
Dat overweegt de regering niet. De samenhang van de maatregelen en het verwachte effect
dat daarvan uitgaat, maakt het ook niet opportuun om de inwerkingtreding van onderdelen
van het onderhavige wetsvoorstel uit te stellen.
Monitoring en evaluatie
De leden van de commissie constateren dat het wetsvoorstel geen evaluatiebepaling
bevat. Gelet op de ingrijpende aard van de wijzigingen en de grote gevolgen voor de
uitvoering, achten deze leden het relevant te weten op welke wijze de regering de
implementatie beoogt te monitoren en evalueren.
Vraag 7
Is de regering bereid te voorzien in een evaluatie voor de verschillende onderdelen
van het wetsvoorstel? Kan de regering daarbij aangeven op welke succesfactoren dan
geëvalueerd zal worden?
Het voorliggende wetsvoorstel regelt de uitvoering van de verordeningen en richtlijn
van het Europese Asiel- en migratiepact. Het pact schrijft veel regels dwingend voor.
Op een aantal punten laat het pact ruimte voor nationale uitvoerings- en implementatiekeuzes
binnen de kaders die door de verordeningen en richtlijn worden gesteld. Vanwege het
dwingende en integrale kader dat uit het pact voortvloeit heeft de regering vooralsnog
geen evaluatie voorzien, omdat de uitvoeringsruimte die het pact aan Nederland laat
beperkt is.
Vraag 8
Kan de regering ook ingaan op de vraag of zij het instrument van de invoeringstoets
in het geval van onderhavig wetsvoorstel nuttig acht om op relatief korte termijn
een beeld te krijgen van de ervaringen en waar nodig te kunnen bijsturen?
Hier past hetzelfde antwoord als op de vorige vraag is gegeven. Vanwege het integrale
en dwingende kader dat het Europese Asiel- en migratiepact aan Nederland oplegt en
de beperkte uitvoerings- en implementatieruimte die daarmee bestaat is de regering
van oordeel dat een invoeringstoets weinig toegevoegde waarde heeft.
Procedureverordening
Geluidsopname persoonlijk onderhoud
De leden van de commissie constateren dat het in de toekomstige asielprocedure verplicht
wordt een geluidsopname te maken van het gehoor met de asielzoeker over zijn vluchtmotieven.
In de huidige procedure wordt alleen een rapport van het gehoor opgemaakt. Het voorgestelde
artikel 83bb Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) voorziet erin dat de opname van het persoonlijk
onderhoud als bewijs wordt toegelaten in de beroepsprocedure. In de memorie van toelichting
wordt aangegeven dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) momenteel, in overleg
met de Raad voor de rechtspraak (Rvdr), onderzoekt via welke IV-voorziening deze opnames
toegankelijk kunnen worden gemaakt voor de rechterlijke macht. Daarbij wordt onderkend
dat het structureel opnemen, bewaren en in de beroepsfase beschikbaar stellen van
(delen van) het persoonlijk onderhoud aanzienlijke inspanningen vergt en extra IV-capaciteit
vraagt, zowel bij de IND als bij de rechtspraak.
Vraag 9
De leden van de commissie vragen hoe de regering de uitvoerbaarheidsgevolgen voor
de IND en de rechtspraak van de verplichting om het persoonlijk onderhoud structureel
op te nemen, te bewaren en in de beroepsfase ter beschikking te stellen beoordeelt.
Het structureel opnemen, bewaren en in beroep beschikbaar stellen van het persoonlijk
onderhoud, heeft aanzienlijke uitvoerings- en IV-gevolgen voor zowel de IND als de
rechtspraak. Het vereist onder meer voorzieningen voor het maken van opnames, de opslag
van omvangrijke geluidsbestanden en het veilig beschikbaar stellen daarvan aan de
rechtspraak. De IND treft hiervoor de benodigde voorbereidingen en werkt samen met
de Raad voor de rechtspraak aan de ontwikkeling van passende IV-voorzieningen, met
als doel deze tijdig operationeel te hebben.
Vraag 10
Wat is de stand van zaken van het onderzoek van de IND in overleg met de Rvdr en hoe
wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomst hiervan?
De IND en de Raad voor de rechtspraak voeren overleg met het oog op de implementatie
van het Asiel- en migratiepact. De IND sluit onder meer periodiek aan bij het overleg
van de informatievoorzieningsorganisatie van de rechtspraak, die verantwoordelijk
is voor het beheer en de vernieuwing van de digitale voorzieningen van de Rechtspraak,
mede in relatie tot de implementatie van het Pact. Het overleg is erop gericht de
samenwerking en informatie-uitwisseling, ook in technisch opzicht, goed te laten verlopen.
Daarbij wordt onder meer gekeken naar de wijze waarop geluidsopnames van het persoonlijk
onderhoud in de beroepsprocedure beschikbaar kunnen worden gesteld. De Kamer wordt
over de voortgang geïnformeerd via de reguliere rapportages over de implementatie
van het pact.
Vraag 11
Verwacht de regering dat rechters en procespartijen in beroepsprocedures vaak geacht
zullen worden om de geluidsopnames te beluisteren?
Ook nadat het Asiel- en migratiepact van toepassing is geworden, blijft het schriftelijk
verslag van het gehoor de basis voor de besluitvorming door de IND. De geluidsopname
zal daarom met name van betekenis zijn in gevallen waarin discussie bestaat over de
juistheid of volledigheid van de schriftelijke weergave van het gehoor. Ook in deze
gevallen verwacht de regering niet dat de volledige geluidsopname zal worden beluisterd.
Gelet op de geldende termijnen en de beschikbare capaciteit ligt gericht en selectief
gebruik in de rede.
Vraag 12
Ziet de regering ruimte voor mitigerende maatregelen om te voorkomen dat deze verplichting
leidt tot een onevenredige belasting van de capaciteit van de IND en de rechtspraak?
De regering heeft oog voor de uitvoeringsgevolgen die samenhangen met het opnemen
en beschikbaar stellen van het persoonlijk onderhoud. Het schriftelijk verslag van
het gehoor blijft leidend voor de besluitvorming door de IND. Dit betekent dat geluidsopnames
met name worden geraadpleegd in gevallen waarin discussie bestaat over de juistheid
of volledigheid van de schriftelijke verslaglegging. Op deze manier wordt beoogd te
voorkomen dat deze verplichting leidt tot een onnodige belasting van de capaciteit
van zowel de IND als de rechtspraak.
Vraag 13
Staat de verordening het toe om nadere regels te stellen met begrenzing van de gevallen
waarin opnames kunnen worden betrokken of nadere procedurele afspraken te maken over
het gebruik daarvan?
De functie van het voorgestelde artikel 83bb is vooral om buiten twijfel te stellen
dat bij de uitvoering van de Procedureverordening gebruik kan worden gemaakt van de
mogelijkheid die artikel 14, vijfde lid, onderdeel a van de Procedureverordening biedt.
In die bepaling is voorgeschreven dat wanneer de opname, of de schriftelijke weergave
van het persoonlijk onderhoud wordt toegelaten als bewijs de vreemdeling niet in de
gelegenheid hoeft te worden gesteld om opmerkingen of ophelderingen te maken bij het
verslag, dan wel niet hoeft te bevestigen dat het verslag een correcte weergave is
van het onderhoud.
De leden van de commissie constateren dat naast een geluidsopname artikel 14 van de
Procedureverordening ook verplicht tot het maken van een verslag van het persoonlijk
onderhoud. Volgens de memorie van toelichting blijft de mogelijkheid behouden voor
de vreemdeling om in de asielprocedure correcties en aanvullingen in te dienen bij
dit verslag.
Vraag 14
Klopt het dat de artikelsgewijze toelichting van artikel 83bb Vw 2000 ten onrechte
nog uitgaat van het verval van de mogelijkheid voor aanvullingen en correcties, terwijl
de regering voornemens is om deze procedurestap te behouden?
De toelichting van het voorstelde artikel 83bb Vw 2000 sluit woordelijk aan bij artikel
14, vijfde lid, onderdeel a van de Procedureverordening. In zoverre wordt in die toelichting
dus niet ten onrechte uitgegaan van het vervallen van de mogelijkheid om correcties
en aanvullingen te plegen. Als gevolg van 83bb Vw 2000 is de Minister niet verplicht
om correcties en aanvullingen toe te staan. De regering heeft evenwel eerder al aangekondigd
voornemens te zijn die mogelijkheid wel te bieden. In artikel 3.109 Vb 2000, zoals
dat is opgenomen in het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact
dat inmiddels in internetconsultatie is geweest, wordt als uitvloeisel van dit voornemen
dan ook een grondslag gecreëerd voor de Minister om te besluiten de vreemdeling wel
in de gelegenheid te stellen correcties en aanvullingen te doen. De regering meent
evenwel dat het in voorkomende gevallen mogelijk moet zijn om het doen van correcties
en aanbevelingen toch niet toe te staan. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer het
doen van correcties en aanvullingen geen wezenlijke bijdrage levert aan de zorgvuldigheid
van de besluitvorming dan wel er belang bestaat bij het spoedig kunnen nemen van een
besluit op de aanvraag. De wijze waarop de Minister hieraan toepassing zal geven,
zal nader vorm worden gegeven in de Vreemdelingencirculaire 2000. In ieder geval is
het voorgestelde artikel 83bb Vw 2000 ook bedoeld voor die gevallen waarin geen correcties
en aanvullingen zullen worden toegestaan.
Juridisch advies, counseling, rechtsbijstand
De leden van de commissie lezen dat de IND is gevraagd om met ingang van het Pact
de uitvoering van de juridische counseling op zich te nemen. Dit betreft kosteloze
juridische ondersteuning in het begin van de procedure. Inhoudelijk advies over individuele
zaken is voorbehouden aan de advocatuur vanaf het moment waarop de aanvrager in de
gelegenheid wordt gesteld om correcties en aanvullingen te leveren. Deze leden merken
op dat de Afdeling aandacht vraagt voor de ruime delegatie ten aanzien van de juridische
counseling. De regering geeft daarbij aan dat erkenning, toelating en accreditatie
van juridische counselors en organisaties zich bij uitstek lenen voor regeling bij
ministeriële regeling. Deze leden constateren dat de regering voornemens is de uitvoering
van de juridische counseling te beleggen bij de IND, die tevens beslissingsautoriteit
is in de asielprocedure. In de memorie van toelichting wordt benadrukt dat met het
voorgestelde artikel 36 Vw 2000 niet wordt beoogd het stelsel van de Wet op de rechtsbijstand
en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 te vervangen. Wel wordt verwezen naar
het voornemen uit het Regeerprogramma 2024 om de rechtsbijstand bij asielaanvragen
te beperken. In de memorie van toelichting benoemt de regering dat eventuele aanpassing
van de rechtsbijstandsregelgeving zal moeten gebeuren in een separaat traject.
Vraag 15
De leden van de commissie vragen de regering toe te lichten op welke wijze de huidige
advocatenbijstand in de bestuurlijke fase van de asielprocedure is geregeld.
Op dit moment heeft een asielaanvrager op basis van nationale regelgeving recht op
gesubsidieerde rechtsbijstand in de vorm van een advocaat voor de start van de asielprocedure.
De Raad voor de Rechtsbijstand koppelt in de meeste gevallen een advocaat aan de procedure
van een asielaanvraag. Dit betekent concreet dat de asielzoeker door de advocaat wordt
voorbereid op het nader gehoor. Na het nader gehoor bespreekt de advocaat het (verslag
van het) gehoor met de asielzoeker en dient waar nodig correcties en aanvullingen
in. Als de IND na de indiening van de correcties en aanvullingen voornemens is het
asielverzoek af te wijzen, stelt de advocaat een zienswijze op. De uiteindelijke beschikking
en eventuele opvolging bespreekt de advocaat na met de asielzoeker.
Vraag 16
Is het mogelijk om voor het aanpassen van de rechtsbijstandregelgeving gebruik te
maken van de in dit wetsvoorstel opgenomen delegatiegrondslag aan de Minister (de
in artikel 36, tweede lid, onderdeel c Vw 2000 genoemde «regels over het uitsluiten
of beperken daarvan») of is daarvoor een wetswijziging nodig?
De grondslag opgenomen in artikel 36, tweede lid, onderdeel c, van de Vw 2000, heeft
betrekking op de procedurele regels voor de indiening en het in behandeling nemen
van verzoeken om kosteloze juridische counseling en wettelijke vertegenwoordiging,
waaronder regels over het uitsluiten of beperken daarvan. De regeling van rechtsbijstand
valt niet onder deze grondslag. Rechtsbijstand is vastgelegd in de Wet op de rechtsbijstand
(Wrb) en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr 2000). In het Bvr 2000
wordt voor de verlening van rechtsbijstand verwezen naar verschillende procedures
en procedurestappen, waaronder die opgenomen in de Vw 2000 en het Vb 2000. Aanpassing
van het Bvr 2000 is alleen mogelijk door een regeling op hetzelfde regelingsniveau,
met inachtneming van eventuele bijzondere procedurevereisten. Voor het Bvr 2000 geldt
op grond van artikel 49 van de Wrb een bijzondere voorhangbepaling. Een wijziging
van de Bvr 2000 vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan
nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan eenieder de gelegenheid
is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen
en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking
wordt het ontwerp aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Wijziging op
grond van de grondslag opgenomen in artikel 36c, tweede lid, onderdeel c van de Vw 2000
is dan ook om die reden niet mogelijk.
Vraag 17
In de memorie van toelichting lezen deze leden dat de regering het advies van de commissie
Van Zwol betrekt bij de uitwerking van de Nederlandse inrichting van de verplichtingen
rondom juridische counseling (Kamerstuk 19 637, nr. 2501). Kan de regering nader toelichten welke punten zij meeneemt uit dit advies?
Het genoemde advies van de Commissie van Zwol benadrukt het belang van een zorgvuldige
behandeling van de eerste asielaanvraag, om vertraging in latere procedures te voorkomen.
De commissie adviseerde destijds tot het behoud van de rechtsbijstand en onpartijdige
informatievoorziening vanaf het begin van de asielprocedure, om te borgen dat de eerste
beslissing op een asielverzoek goed is en alle relevante redenen van de asielzoeker
voor zijn aanvraag in Nederland zijn meegewogen.
De regering onderschrijft de in het advies benoemde belangen en meent met de gekozen
inrichting tot een procedure te zijn gekomen waarin een balans is gevonden tussen
het belang van een zorgvuldige en efficiënte asielprocedure enerzijds en een versobering
van de nationale invulling naar het Europees minimum anderzijds. De taken van de IND-
medewerkers die counseling verlenen, zullen volledig gescheiden zijn van die van de medewerkers
die besluiten nemen en gehoren voeren. Het zwaartepunt van counseling zal komen te
liggen op de informerende, voorlichtende rol. Deze voorlichting sluit aan bij de huidige
praktijk waarin IND-medewerkers al in dagelijks contact staan met asielzoekers, om
vragen te beantwoorden en de procedures uit te leggen. Zo blijft ook de onpartijdigheid
van de informatievoorziening zoals deze door de IND zal worden verstrekt geborgd.
Het door de Commissie benoemde belang bij een zo volledig mogelijke eerste beslissing
op een asielverzoek wordt daarnaast gewaarborgd door het behouden van de mogelijkheid
dat in voorkomende gevallen correcties en aanvullingen worden ingediend.
Vraag 18
De leden van de commissie vragen hoe de rol van de IND als beslissingsautoriteit zich
verhoudt tot de taak van juridische counseling. Is de regering bekend met andere lidstaten
waarin de taken van beslissingsautoriteit en juridische counseling binnen één organisatie
zijn verenigd? Hoe wordt geborgd dat juridische counseling door de IND een aparte,
rolzuivere voorziening is?
Bij het bepalen van de Nederlandse inrichting ten aanzien van de juridische counseling,
is bij de overige lidstaten in vertrouwelijkheid uitgevraagd hoe hun nationale uitwerking
van de verordening op dit thema eruit zou komen te zien. Daaruit volgde een verschillend
beeld. De aanwijzing van de Europese Commissie dat de beslisautoriteit van een land
zelf de counseling onder voorwaarden op zich zou kunnen nemen, heeft een aantal landen
– naast Nederland – deze optie doen overwegen. Ook zijn er landen waarin de asieladvocatuur
al een rol aan de voorkant had, die de mogelijkheid verkennen om die inrichting te
behouden. De meeste landen waren echter nog in een verkennende fase.
De taken van de IND-medewerkers die counseling verlenen, zullen volledig gescheiden
zijn van die van de medewerkers die besluiten nemen en gehoren voeren. De counseling
is beperkt van aard en richt zich uitsluitend op het verstrekken van algemene informatie
over het verloop van de procedure en het beantwoorden van vragen van de asielzoeker
daarover. Medewerkers die juridische counseling verzorgen hebben geen toegang tot
individuele asieldossiers.
Vraag 19
Heeft de regering andere uitvoerders voor de juridische counseling overwogen en op
basis van welke overwegingen is de keuze voor de IND gemaakt?
Een lidstaat mag in de eigen nationale wetgeving bepalen hoe en door wie in de counseling
wordt voorzien. Het Asiel- en migratiepact kent meerdere, kortere beslistermijnen
en het aanbieden van een mogelijkheid tot het raadplegen van een counselor is een
verplichte procedurestap. Door de taken op het gebied van counseling bij de IND te
beleggen wordt voorkomen dat de IND afhankelijk wordt van anderen voor de voortgang
van de asielprocedure. Juist de IND is in staat om over haar eigen procedures uitleg
te geven en asielzoekers te wijzen op wat er van hen wordt verwacht, het belang van
volledige verklaringen, maar ook om erop te wijzen waar de asielzoeker verder recht
op heeft en wat hij kan verwachten.
Vraag 20
Hoe wordt er omgegaan met asielzoekers die ten tijde van de juridische counseling
verzoeken om inhoudelijk advies over hun individuele zaak?
Asielzoekers die tijdens de juridische counseling verzoeken om juridisch advies worden
erop gewezen dat juridisch advies beschikbaar is op het moment dat zij gekoppeld zijn
aan een asieladvocaat. Die koppeling zal plaatsvinden vlak voordat de IND een asielgehoor
gaat afnemen. Het is enkel aan een advocaat voorbehouden om te voorzien in juridisch
advies. Juridische counseling houdt volgens de Procedureverordening in dat begeleiding
bij en uitleg over de asielprocedure wordt verstrekt. Daarmee is deze counseling vooral
van informerende aard
De leden van de commissie vragen naar de verenigbaarheid van de voorgestelde Nederlandse
asielprocedure met het recht op een effectief rechtsmiddel zoals geborgd in artikel
13 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Deze leden constateren dat
een aantal van de eerdere nationale waarborgen voor effectieve rechtsbescherming (twee
gehoren, professionele rechtsbijstand vanaf het begin van de procedure en de mogelijkheid
een zienswijze in te dienen in reactie op een voornemen tot afwijzing) wordt beperkt
of vervalt met de implementatie van het Asiel- en migratiepact.
Vraag 21
Kan de regering de stapeling van maatregelen met betrekking tot de asielprocedure
expliciet toetsen aan artikel 13 van het EVRM?
De regering meent dat ook met de genoemde maatregelen een voldoende zorgvuldige asielprocedure
is gewaarborgd. Het gehoor bij de IND zal, net als nu het geval, het belangrijkste
moment zijn in de asielprocedure. Daarnaast blijft de mogelijkheid bestaan dat via
de gemachtigde correcties en aanvullingen worden ingediend waardoor nog steeds kan
worden voorzien in hoor- en wederhoor. Het schrappen van de genoemde procedurele stappen
doet dan ook geen afbreuk aan het verdedigingsbeginsel, zoals beschermd door artikel
13 EVRM. Ook de Procedureverordening verplicht niet tot het bieden van kosteloze rechtsbijstand
in de bestuurlijke fase van de asielprocedure. De regering kiest er evenwel voor om
de asieladvocatuur te handhaven in de asielprocedure, zij het pas nadat de IND het
gehoor heeft afgenomen. Het recht op een effectief rechtsmiddel blijft met de voorgestelde
maatregelen voldoende geborgd.
Asiel- en migratiebeheerverordening
Versoberde opvang na overdrachtsbesluit
De leden van de commissie merken op dat een asielzoeker op grond van de Asiel- en
migratiebeheerverordening het recht op opvangvoorzieningen verliest zodra hij in kennis
is gesteld van een overdrachtsbesluit aan een andere lidstaat («Dublinclaimanten»).
Deze leden constateren dat de wijze waarop onderdak zal worden geboden aan Dublinclaimanten,
evenals de mate van versobering van het onderdak, thans nog onderwerp is van nadere
uitwerking. Daarbij valt op dat de regering in de memorie van toelichting erkent dat
het versoberen van opvangvoorzieningen in de regel leidt tot hogere kosten. In dit
kader heeft de VNG gewezen in haar advies over dit wetsvoorstel op het risico van
dakloosheid en negatieve consequenties voor de leefbaarheid wanneer Dublinclaimanten
geen opvang meer wordt geboden. In de brief van 22 januari 2026 lezen deze leden dat
het in kaart brengen van verschillende aspecten rondom de versoberde opvang tijd vraagt
en dat de regering streeft naar een realistische en uitvoerbare implementatiestrategie
voor het einde van het jaar (Kamerstuk 32 317, nr. 992).
Vraag 22
Op welke wijze wordt opvang aan Dublinclaimanten geboden totdat de implementatiestrategie
van de «Dublinonderdaklocaties» gereed is? Hoe wordt de Kamer geïnformeerd over de
stappen die worden gezet bij de totstandkoming van de implementatiestrategie?
Totdat de implementatiestrategie gereed is worden Dublinclaimanten opgevangen op de
nu geldende wijze. Uw kamer zal schriftelijk op de hoogte gehouden worden over de
voortgang van de implementatiestrategie.
Vraag 23
Hoe is de regering voornemens te bepalen waar versoberde opvangvoorzieningen voor
Dublinclaimanten zullen worden gerealiseerd en welke criteria daarbij worden gehanteerd?
Het COA is momenteel bezig in de vier regio’s meerdere Dublinonderdaklocaties op bestaande
azc’s te realiseren waar Dublinclaimanten met een overdrachtsbesluit versoberd onderdak
wordt geboden. Deze groep zal waar mogelijk op andere gedeeltes binnen bestaande opvanglocaties
onderdak krijgen. Om overdracht van de Dublinclaimanten goed te laten verlopen is
het belangrijk dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) en de vreemdelingenpolitie
hun werk op deze locaties goed kunnen uitvoeren.
Vraag 24
Welke rol hebben gemeenten bij de besluitvorming over de locatie, schaal en inrichting
van deze versoberde opvangvoorzieningen?
Net als bij andere vormen van opvang speelt de gemeente een belangrijke rol in het
proces. COA heeft de bevoegdheid tot het plaatsen van asielzoekers in de bestaande
azc’s. Zo zijn Dublinclaimanten nu ook al onderdeel van de bezetting. Bij een wijziging
van doelgroep dan wel van de voorwaarden zal COA zoals gebruikelijk de betreffende
gemeente hierover informeren en indien nodig aanvullende afspraken maken.
Vraag 25
Welke maatregelen treft de regering om te voorkomen dat hierdoor extra druk ontstaat
op de openbare orde, zorgvoorzieningen en handhaving?
Het is belangrijk dat op de locaties waar deze Dublinclaimanten verblijven, de veiligheid
en leefbaarheid kan worden geborgd. Zo is er een dagelijkse inhuisregistratie van
COA, naast de wekelijkse meldplicht van de politie. Daarnaast zullen ook deze asielzoekers
begeleid worden in hun vertrekproces en wordt de samenwerking tussen ketenpartners
geïntensiveerd.
De bewegingsvrijheid van Dublinclaimanten na het overdrachtsbesluit kan beperkt worden
op grond van artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000. Overtreding van de artikel 56-maatregel
kan leiden tot vreemdelingenbewaring en in uitzonderlijke situaties uiteindelijk tot
een strafrechtelijke afdoening. Een goede samenwerking binnen de lokale driehoek is
hiervoor van groot belang.
Vraag 26
Tot hoeveel extra kosten verwacht de regering dat deze vorm van versoberde opvang
zal leiden?
De uiteindelijke kosten zijn afhankelijk van de daadwerkelijke invulling en geboden
begeleiding op deze locaties. Doordat waar mogelijk gebruik wordt gemaakt van ruimte
op bestaande locaties zal dit een dempend effect kunnen hebben op de kosten.
Opvangrichtlijn
Onbenutte beleidsruimte
De leden van de commissie merken op dat de regering in de transponeringstabel bij
enkele gevallen van nationale beleidsruimte summier toelicht dat gekozen is om hier
geen gebruik van te maken.
Vraag 27
De leden van de commissie vragen wat de motivering is om geen gebruik te maken van
de mogelijkheid die artikel 18, tweede alinea van de Opvangrichtlijn biedt om een
eigen bijdrage te verzoeken voor taalcursussen en inburgeringscursussen, terwijl dit
wel geldt voor beroepsonderwijs.
Op het moment wordt in de asielopvang veel gebruikgemaakt van noodopvanglocaties.
Deze locaties beschikken niet allemaal over passende faciliteiten om op een gedegen
manier taalles te kunnen bieden. Hierdoor verschilt het taalaanbod per locatie. Daarnaast
biedt de Opvangrichtlijn de mogelijkheid voor lidstaten om zelf in te schatten wat
zij qua taalles passend achten. Dat maakt het uitvoeringstechnisch te complex om op
dit moment een eigen bijdrage voor taalles in te voeren.
Vraag 28
Wat is de motivering van de regering om geen gebruik te maken van de optie die uit
artikel 23, tweede lid, eerste alinea, punten e en f van de Opvangrichtlijn volgt
om integratiemaatregelen verplicht te stellen?
Op het moment heeft het asielopvang te maken met verschillende uitdagingen. Er is
een tekort aan taaldocenten, aan vrijwilligers en er wordt veel gebruik gemaakt van
noodopvanglocaties die niet allemaal de juiste faciliteiten hebben om taalles te kunnen
geven. Daardoor is het op dit moment helaas nog niet mogelijk om op alle locaties
hetzelfde taalaanbod te bieden. Het is daarom niet passend om nu al in te zetten op
een verplichting tot het volgen van taallessen en daar gevolgen aan te verbinden voor
de asielzoeker indien niet wordt deelgenomen.
Toewijzing geografisch gebied
In het voorgestelde artikel 55.0a Vw 2000 wordt een bevoegdheid geïntroduceerd om
asielzoekers toe te wijzen aan een geografisch gebied in het kader van de uitvoering
van de herschikte Opvangrichtlijn. De leden van de commissie lezen dat de regering
de mogelijkheid wil hebben om hier gebruik van te kunnen maken, eventueel voor asielzoekers
afkomstig uit zogenaamde veilige landen van herkomst, maar lezen geen nadere toelichting
op dit voornemen.
Vraag 29
In welke situaties is de regering voornemens gebruik te maken van de bevoegdheid om
asielzoekers toe te wijzen aan een geografisch gebied? Voor hoeveel asielzoekers beoogt
de regering dit instrument in te zetten?
Artikel 55.0a Vw 2000, opgenomen in de onderhavige Uitvoerings- en implementatiewet
Asiel- en migratiepact, betreft de implementatie van artikel 9 van de herschikte Opvangrichtlijn.
Ingevolge die bepaling kunnen de lidstaten asielzoekers (alleen) toewijzen aan een
geografisch gebied met als doel om te zorgen voor een snelle, efficiënte en effectieve
verwerking van hun verzoeken in overeenstemming met de Procedureverordening of voor
de geografische spreiding van die verzoekers, rekening houdend met de capaciteit van
de betrokken geografische gebieden. Binnen het geografisch gebied kunnen asielzoekers
zich vrij bewegen. Om het gebied te kunnen verlaten, dient toestemming te zijn verleend.
Op dit moment heeft gebruikmaking van de bevoegdheid om asielzoekers toe te wijzen
aan een geografisch gebied niet de prioriteit, omdat de tijdige invoering van vele
andere onderdelen van het Asiel- en migratiepact al veel van de uitvoerende diensten
vraagt. Op het moment dat ervaring is opgedaan met de nieuwe asielprocedures en er
meer stabiliteit is in de organisatie van de opvang, zal worden bezien of het toewijzen
van groepen asielzoekers aan een geografisch gebied nut en noodzaak heeft.
Vraag 30
Aan wat voor omvang en geografische afbakening van een gebied denkt de regering daarbij?
Zoals aangegeven in het antwoord op 29 is een toepassing van deze maatregel niet op
de korte termijn voorzien. Uit artikel 8, zesde lid van de herschikte Opvangrichtlijn
volgt in ieder geval dat de asielzoekers in het geografische gebied waaraan zij zijn
toegewezen, daadwerkelijk toegang moeten hebben tot hun rechten zoals die volgen uit
de herschikte Opvangrichtlijn en de procedurele waarborgen in het kader van de procedure
voor internationale bescherming. Dat geografische gebied moet voldoende groot zijn,
toegang bieden tot de noodzakelijke openbare infrastructuur en het mag de onvervreemdbare
sfeer van het privéleven van de verzoekers niet aantasten.
Vraag 31
Welk onderscheid maakt de regering tussen de toepassing van toewijzing aan een geografisch
gebied en andere vrijheidsbeperkende maatregelen zoals vreemdelingenbewaring?
De aard en het doel van enerzijds de toewijzing van asielzoekers aan een geografisch
gebied en anderzijds het opleggen van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende
maatregel verschilt. De toewijzing tot een geografisch gebied heeft met name een procedureel
of logistiek doel. De vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen worden
onder andere opgelegd indien de openbare orde dit vereist of bij een geïndividualiseerd
onderduikrisico. De verschillende gronden voor het opleggen van de vrijheidsbeperkende
en vrijheidsontnemende maatregel zijn opgenomen in zowel de Vreemdelingenwet 2000
als het Vreemdelingenbesluit 2000.
Vraag 32
Op welke wijze zullen deze gebieden worden aangewezen en wordt hiervoor het gebied
rondom bestaande opvangvoorzieningen als uitgangspunt genomen?
Op deze plaats verwijst de regering naar de hiervoor gegeven antwoorden op vraag 29
en 30.
Vraag 33
Op welke wijze beoogt de regering deze besluitvorming vorm te geven en hoe is zij
voornemens om het lokaal bestuur en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)
te betrekken bij deze aanwijzing?
Over eventuele toekomstige besluitvorming zullen de gemeenten worden geïnformeerd.
Gelet op het meer generieke karakter van de maatregel en de reikwijdte van het gebied
ligt een betrokkenheid van de individuele gemeente(n) bij de vormgeving van de maatregel
echter niet onmiddellijk voor de hand.
Screeningsverordening
Uitvoering screeningsautoriteit
De leden van de commissie constateren dat in het Nationale Implementatieplan de volgende
passage is opgenomen: «Als resultaat van het programma herontwerp I&R, is de taakorganisatie
Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA) ontstaan die per 1 januari 2025
de I&R werkzaamheden op zich neemt op de asiel aanmeldlocaties» (Kamerstuk 32 317, nr. 908). Deze leden begrijpen uit de memorie van toelichting dat de IND dit proces van identificatie
en registratie zal uitvoeren met ingang van het Pact. In de IND-analyse van de uitvoerbaarheid
van het Pact lezen deze leden daarnaast dat er geen structuur is voor uitwisseling
van screeningsformulieren tussen lidstaten.
Vraag 34
De leden van de commissie vragen hoe de regering de uitvoerbaarheid van de screening
beoordeelt, gelet op deze organisatorische wijzigingen in korte tijd. Indien er een
uitvoeringstoets voor de screeningsprocedure beschikbaar is, kan de regering deze
delen met de Kamer? Zo nee, is nog voorzien in een uitvoeringstoets?
In maart stuur ik een voortgangsbrief Asiel- en migratiepact, daarin zal ik ook ingaan
op de screening.
Vraag 35
Werkt de regering aan de mogelijkheid om screeningsformulieren uit te wisselen met
andere lidstaten om het proces te versnellen? Wat is de status hiervan?
Op Europees niveau is, zowel door de Europese Commissie als door het EU Agentschap
voor IT-systemen eu-LISA, niet voorzien in een centrale voorziening waarmee screeningsformulieren
tussen lidstaten uitgewisseld kunnen worden. Het Eurodac-systeem zal dus de primaire
manier zijn voor lidstaten om te kunnen concluderen of een derdelander al is gescreend
in een lidstaat. Daarbij is het goed om te benadrukken dat screening een momentopname
blijft, indien een vreemdeling eerder in een andere lidstaat is gescreend kunnen in
de tussentijd nieuwe relevante zaken aan de orde zijn.
Daarnaast heeft het screeningsformulier in Nederland als primaire doel om de uitkomsten
van de individuele screening samen te vatten. Het is dus met name bedoeld als communicatie
richting de betreffende vreemdeling en niet primair bedoeld om te delen met andere
lidstaten.
Tegelijkertijd heeft de Europese Commissie lidstaten verzocht om een nationaal contactpunt
screening aan te wijzen. Screeningsautoriteiten uit andere lidstaten kunnen dit nationaal
contactpunt benaderen voor vragen omtrent screening. Op deze manier kan, waar juridisch
mogelijk, bepaalde informatie worden uitgewisseld.
Verwerking van persoonsgegevens door het Toezichtsmechanisme
De leden van de commissie constateren dat het College voor de Rechten van de Mens
in reactie op het voorgenomen uitvoeringsbesluit heeft benadrukt dat een expliciete
wettelijke verwerkingsgrondslag noodzakelijk is om in het kader van het voorgestelde
Toezichtsmechanisme te kunnen voldoen aan de eisen die voortvloeien uit het medisch
beroepsgeheim en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De regering stelt
in de memorie van toelichting dat de Screeningsverordening een toereikende grondslag
biedt voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens.
Vraag 36 t/m 38
De leden van de commissie vragen of de in de Screeningsverordening neergelegde grondslag
voor de verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens naar het oordeel van de regering
voldoende specifiek en concreet is om te kunnen voldoen aan de eisen van artikel 6
en artikel 9 AVG, mede gelet op de aard en gevoeligheid van medische gegevens. Hoe
weegt de regering de opmerking van het College voor de Rechten van de Mens dat doorbreking
van het beroepsgeheim noodzakelijk kan zijn voor de uitvoering van het Toezichtsmechanisme?
Kan de regering de verhouding duiden tussen het voorgestelde artikel 2hh Vw 2000 en
artikel 6, derde lid, van de Wet College voor de Rechten van de Mens waarin is vastgelegd
dat het beroepsgeheim niet wordt doorbroken bij de verstrekking van gegevens aan het
College voor de Rechten van de Mens?
De verplichtingen die in de Screeningsverordening zijn opgenomen vergen verwerking
van (bijzondere) persoonsgegevens. Zonder deze verwerking is de uitvoering van de
Screeningsverordening niet mogelijk. Op grond van artikel 6, derde lid, onderdeel
a en artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de AVG geldt dat de grondslag voor verwerking
ook kan volgen uit Unierecht. De Europese wetgever is onder meer in de overwegingen
1 tot en met 6 van de Screeningsverordening ingegaan op de noodzaak tot het stellen
van de regels opgenomen in de Screeningsverordening. De elementen waaruit de screening
bestaat staan nauwkeurig beschreven in onder meer artikel 8, vijfde lid, Screeningsverordening
onder verwijzing naar verschillende artikelen van de verordening die uitgebreid ingaan
op het desbetreffende onderdeel van de screening dat de Screeningsautoriteit dienovereenkomstig
moet uitvoeren. Uit deze bepalingen volgt duidelijk dat de uitvoering van deze onderdelen
gepaard gaat met de verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens. Artikel 9, tweede
lid, van de Screeningsverordening legt aan onderdanen van derde landen die onder de
screening vallen de verplichting op om de benodigde gegevens, waaronder biometrische
gegevens, te verstrekken. Ook ten aanzien van het onafhankelijk toezichtmechanisme
geldt dat is vastgelegd in artikel 10 Screeningsverordening dat er toegang wordt verschaft
tot onder meer personen en documenten, voor zover die toegang voor het onafhankelijk
toezichtmechanisme noodzakelijk is om aan de verplichtingen van artikel 10 te voldoen.
De verwerkingsgrondslag voldoet volgens de regering dan ook aan de eisen die de AVG
daaraan stelt.
Met betrekking tot de genoemde noodzaak om een bevoegdheid op te nemen om medische
dossiers in te kunnen zien en het medisch beroepsgeheim te doorbreken geldt dat het
kabinet begrip heeft voor de wens van het College voor de rechten van de mens (CRvdM),
maar vooralsnog niet de conclusie te kunnen delen dat het wettelijk doorbreken van
het medisch beroepsgeheim ter uitvoering van het onafhankelijk toezichtmechanisme
in de Screeningsverordening noodzakelijk en proportioneel is. De screening omvat een
voorlopige medische controle om vast te stellen of de betrokken onderdaan van een
derde land gezondheidszorg nodig heeft, of geïsoleerd moet worden. Weliswaar heeft
het onafhankelijk toezichtmechanisme betrekking op alle activiteiten die de lidstaten
bij de uitvoering van de screening ondernemen, dus ook de voorlopige medische controle,
maar dit vergt nog niet het wettelijk doorbreken van de vertrouwelijkheid tussen arts
en patiënt die dient ter bescherming van de patiënt. Dit laat uiteraard de mogelijkheid
onverlet dat de vreemdeling toestemming verleent voor het inzien van zijn medisch
dossier.
De verhouding tussen de in onderhavig voorstel opgenomen artikelen met betrekking
tot het onafhankelijk toezichtmechanisme, waaronder artikel 2hh, en artikel 6, derde
lid, Wet CRvdM is dat voor de uitoefening van de taken die het CRvdM in het kader
van het onafhankelijk toezichtmechanisme heeft, wordt aangeknoopt bij de taken en
bevoegdheden die het CRvdM heeft op basis van die laatstgenoemde wet. De Screeningsverordening
stelt namelijk dat onder meer nationale preventiemechanismen opgericht uit hoofde
van het facultatief protocol bij het VN-Verdrag van 1984 tegen foltering en andere
wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (het «OPCAT») deelnemen
aan het onafhankelijk toezichtmechanisme. Dit nationale preventiemechanisme is in
Nederland belegd bij het CRvdM overeenkomstig de Wet College rechten voor de mens.
Vraag 39
De leden van de commissie vragen hoe de regering beoordeelt of bij de verwerking van
bijzondere persoonsgegevens daadwerkelijk wordt voldaan aan de aanvullende voorwaarden
die artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG stelt, te weten: dat de verwerking evenredig
is in verhouding tot het nagestreefde doel, dat de wezenlijke inhoud van het recht
op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en dat passende en specifieke
maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en fundamentele belangen
van de betrokkene.
Vooropgesteld is van belang te benadrukken dat de Screeningsverordening omschrijft
uit welke elementen de screening bestaat en dat uit verschillende bepalingen in de
Screeningsverordening duidelijk volgt dat de uitvoering van deze elementen gepaard
gaat met de verwerking van bijzondere persoonsgegevens. Ten aanzien van de identiteits-
en veiligheidscontrole geldt dat in de artikelen 14 en 15 verwezen is naar het gebruik
van Europese informatiesystemen. In deze bepalingen is voorgeschreven dat deze systemen
op basis van onder meer biometrische gegevens moet worden geraadpleegd. Uit artikel
17 volgt dat informatie over deze raadpleging op het screeningsformulier moet worden
verwerkt. Ten aanzien van die systemen is door de Europese wetgever in verschillende
verordeningen bepaald welke gegevens worden ingevoerd voor welk doel en wanneer deze
door wie mogen worden geraadpleegd. In de Screeningsverordening zijn verschillende
wijzigingen van andere verordeningen opgenomen, waarmee wordt voorzien in de toegang
tot die systemen door de screeningsautoriteiten overeenkomstig de regels van de desbetreffende
verordening. Een voorbeeld is artikel 21 van de Screeningsverordening, waarmee de
EES-verordening wordt gewijzigd. De verwerkingsmogelijkheden zijn dan ook bepaald
door de Europese wetgever. Op deze verwerkingen is de AVG in combinatie met de verschillende
verordeningen van toepassing. Ingevolge artikel 11 moeten de aan de screening onderworpen
personen worden geïnformeerd over hun rechten krachtens de AVG. Voor de controle op
de naleving geldt dat de Autoriteit Persoonsgegevens de toezichthouder is. Daarnaast
bestaan er op grond van de AVG maar ook op grond van de verschillende verordeningen
aanvullende maatregelen om de naleving van de regels te bevorderen zoals de uitvoering
van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling en de rol van de functionaris voor gegevensbescherming.
Tot slot kan nog gewezen worden op artikel 18, zevende lid, waarin is opgenomen dat
de op grond van de Screeningsverordening opgeslagen gegevens binnen de in de Eurodac-verordening
bepaalde termijnen worden gewist. Naar de mening van de regering wordt dan ook voldaan
aan de aanvullende voorwaarden van de AVG.
Vragen naar aanleiding van de in de Tweede Kamer georganiseerde technische briefing
en het rondetafelgesprek
De leden van de commissie lezen dat de regering in de memorie van toelichting bij
het wetsvoorstel stelt dat de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet
kan worden gehandhaafd onder het Pact. VluchtelingenWerk Nederland heeft deze maatregel
bij het rondetafelgesprek op 12 februari 2026 gekwalificeerd als een voornemen waar
het Pact niet toe verplicht.
Vraag 40
Kan de regering nader toelichten of de afschaffing van de asielvergunning voor onbepaalde
tijd rechtstreeks voortvloeit uit het Asiel- en migratiepact of een nationale beleidskeuze
betreft?
Zodra het Europese Asiel- en migratiepact van toepassing wordt zal een verzoek tot
internationale bescherming rechtstreeks aan de voorwaarden in de Kwalificatieverordening
moeten worden getoetst. Ook schrijft de Kwalificatieverordening rechtstreeks voor
onder welke omstandigheden een verblijfsstatus moet worden ingetrokken. Als een van
de omstandigheden uit artikel 14 of 19 van de Kwalificatieverordening zich voordoet,
is Nederland verplicht de verblijfsstatus in te trekken. Dat is bijvoorbeeld het geval
als de grondslag die aanleiding vormde voor het verlenen van de verblijfsstatus niet
langer bestaat. Daarmee gaat de Kwalificatieverordening er dus vanuit dat asielbescherming
niet permanent is. De asielvergunning voor onbepaalde tijd zoals die op dit moment
bestaat kan slechts in een zeer beperkt aantal gevallen worden ingetrokken. Tot die
intrekkingsgronden behoort niet de mogelijkheid dat de omstandigheden die de aanleiding
vormden voor verlening niet langer bestaan. De huidige verblijfsvergunning voor onbepaalde
tijd gaat er dus wel vanuit dat asielbescherming permanent is. Hieruit volgt dat met
het van toepassing worden van de Kwalificatieverordening de verblijfsvergunning asiel
voor onbepaalde tijd niet meer kan bestaan.
De leden van de commissie constateren dat in het wetsvoorstel is opgenomen dat minderjarige
vreemdelingen in de regel niet in vreemdelingenbewaring worden gesteld, maar dat dit
in uitzonderlijke omstandigheden kan plaatsvinden.
Vraag 41
Kan de regering nader toelichten welke omstandigheden aanleiding kunnen geven voor
het in vreemdelingenbewaring stellen van minderjarigen?
De regering verwijst op deze plaats naar de antwoorden op de navolgende vragen 42
en 43, maar benadrukt dat van inbewaringstelling van minderjarigen uitsluitend in
zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake kan zijn.
Vraag 42
Welke alternatieven worden overwogen voordat wordt overgegaan tot vreemdelingenbewaring
van minderjarigen?
Bewaring van minderjarigen is een laatste toevlucht en kan alleen worden toegepast
als minder dwingende alternatieve maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast
en nadat is beoordeeld dat bewaring ook in het belang is van de minderjarige. Alternatieven
voor bewaring zijn onder meer een meldplicht, een vrijheidsbeperkende maatregel, een
borgsom of het innemen van reisdocumenten. Indien een alternatief niet doeltreffend
kan worden toegepast, en een bewaringsmaatregel noodzakelijk is, dan kan nog alleen
tot bewaring worden besloten nadat de belangen van de minderjarige kinderen zorgvuldig
zijn meegewogen.
Vraag 43
Hoe weegt de regering de stelling van VluchtelingenWerk Nederland dat de detentie
van minderjarigen in strijd is met het Kinderrechtenverdrag van de Verenigde Naties
(VN)?
Het uitgangspunt van de herschikte Opvangrichtlijn is dat minderjarigen in de regel
niet in bewaring worden genomen. De regering onderschrijft dat met de in bewaring
neming van minderjarigen zeer terughoudend moet worden omgegaan. Bewaring van minderjarigen
is een laatste mogelijkheid en kan alleen worden toegepast als minder dwingende alternatieve
maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast. Daar komt bij dat van bewaring
alleen sprake kan zijn indien dit in het belang van de minderjarige is. Dit is ook
expliciet bepaald in artikel 59b, vijfde lid, Vw 2000. Hiermee is dus ook wettelijk
gewaarborgd dat het een uitzondering blijft om kinderen in bewaring te stellen. In
de uitzonderlijke situatie dat kinderen in bewaring worden gesteld, moet die bewaring
altijd zo kort mogelijk zijn. Indien in een concrete situatie aan al deze voorwaarden
is voldaan, zal van strijd met het Kinderrechtenverdrag geen sprake zijn.
Inbreng leden van de fracties
Algemeen deel
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van een snelle, volledige en
zorgvuldige implementatie en uitvoering van het Pact. Het Pact biedt volgens deze
leden voor Nederland en de Europese Unie (EU) de kans om de instroom van asielzoekers
significant te verminderen en om de terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers te
bevorderen. Het Pact is daarnaast volgens deze leden een belangrijke stap naar een
nieuw asielstelsel waarbij asielaanvragen alleen nog maar buiten de EU kunnen plaatsvinden.
Voornoemde leden hebben nog wel een aantal vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van belang dat Nederlandse wetgeving
wordt afgestemd op het Europees Asiel- en Migratiepact. Snelle en zorgvuldige procedures
aan de buitengrenzen van Europa, solidariteit en het waarborgen van mensenrechten,
dragen volgens deze leden bij aan een humaner beleid.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000
en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel-
en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)
(hierna: het wetsvoorstel) en hebben een aantal opmerkingen en vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden
danken de regering hiervoor en hopen op een spoedige behandeling van onderhavig wetsvoorstel,
zodat de Europese implementatiedeadline van 12 juni 2026 kan worden gehaald. Zij maken
graag van de gelegenheid gebruik om vragen te stellen aan de regering over deze Uitvoeringswet.
De leden van de JA21-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel
ter uitvoering en implementatie van het Pact, de memorie van toelichting en de onderliggende
verordeningen en richtlijn. Deze leden zijn van mening dat het noodzakelijk is en
urgent om de asielmigratie naar Nederland drastisch te beperken, dat opvang in principe
in landen in de buurt van de landen van herkomst en buiten de EU moet plaatsvinden
en dat de regering daartoe maximaal gebruik dient te maken van de mogelijkheden die
de internationale en Europese juridische kaders bieden. Tegelijkertijd spreken deze
leden de zorg uit dat de belangrijkste weeffouten van het asielstelsel niet worden
opgelost.
Vraag 44
De memorie van toelichting stelt dat het doel van deze wetgeving onder meer is dat
Nederland structureel tot de groep landen moet gaan behoren met de strengste toelatingsregels
van de EU. Is dat nog altijd het streven van deze regering? Zo ja, kan de regering
onderbouwen hoe dat verlangen gestalte heeft gekregen en/of daarvoor aanvullende maatregelen
noodzakelijk zijn?
Het gegeven dat het Europese Asiel- en migratiepact vooral uit rechtstreeks werkende
verordeningen bestaat leidt ertoe dat er maar beperkt ruimte is om nationaal zelf
iets (afwijkends) te regelen. Daar waar de verordeningen nog wel ruimte laten voor
nationale uitvoeringskeuzes, kiest de regering voor een stringente interpretatie van
de Unie-regels. Voorbeelden hiervan zijn: de versobering van de asielprocedure, de
aanscherping van de voorwaarden voor nareis, het verkorten van de geldigheidsduur
van de verblijfstitel, en de verkorting van de beroepstermijnen. De regering acht
aanvullende maatregelen dan ook niet noodzakelijk.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen het wetsvoorstel. Hier zijn nog een
aantal vragen over.
De leden van de SGP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Zij hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. De
nieuwe Opvangrichtlijn en nieuwe verordeningen vragen om wetswijzigingen. Deze leden
maken van de gelegenheid gebruik om hun zorgen te delen en hun vragen aan de regering
te stellen.
1. Inleiding
Vraag 45
De leden van de VVD-fractie vragen op welke onderdelen van dit wetsvoorstel de regering
kiest voor normen die soepeler zijn dan de Europese minimumnormen die de onderliggende
bepalingen uit de desbetreffende richtlijn voorschrijven. Waarom heeft de regering
hiervoor gekozen?
Het Pact bestaat uit een aantal verordeningen en een herschikte Opvangrichtlijn. De
verordeningen zijn vanaf het moment dat zij van toepassing worden rechtstreeks werkend.
Van deze rechtstreeks werkende bepalingen kan niet worden afgeweken door de lidstaten.
Dat betekent echter niet dat er geen nationale keuzes meer resteren. Het Pact creëert
niet vanzelf in de lidstaten een werkend asiel- en migratiesysteem en het blijft dus
van belang dat de lidstaten uitvoering geven aan het Asiel- en migratiepact en aldus
een werkend stelsel neerzetten waarin de voorgeschreven rechten en plichten vorm krijgen.
Dit betekent dat elke lidstaat een groot aantal operationele keuzes zal kunnen en
moeten maken over het eigen nationale systeem. Vragen als welke instelling of organisatie,
op welke locatie (en op hoeveel locaties) via welke ict-systemen en met hoeveel personeel
hieraan invulling wordt gegeven, zijn goeddeels nationale keuzes, zolang daarmee de
rechten en plichten uit het Pact worden nageleefd. Ook de wijze waarop bijvoorbeeld
de lidstaten tot voldoende goede opvangvoorziening komen is een nationale keuze. Ondanks
de vele verplicht voorgeschreven elementen van het Pact, blijft het dus noodzakelijk
dat lidstaten een zeer groot aantal nationale operationele uitvoeringskeuzes maken
om tot een werkend asiel- en migratiestelsel te komen. Deze keuzes zijn bedoeld om
te komen een effectief en efficiënt migratiestelsel. Op een aantal onderdelen laat
het Pact bij de beschrijving van de rechten en plichten expliciet ruimte voor nationale
uitvoerings- of implementatiekeuzes. De regering heeft bij de invulling van die keuzeruimte
een restrictieve of stringente invulling als uitgangspunt genomen. Datzelfde geldt
voor veel van de nadere operationele keuzes die nodig zijn voor de implementatie.
Voorbeelden van ruimte binnen het Pact zijn de versobering van de asielprocedure,
de aanscherping van de voorwaarden voor nareis, het verkorten van de geldigheidsduur
van de verblijfstitel en verkorting van de beroepstermijnen. De regering wijst daarnaast
op de wetsvoorstellen Asielnoodmaatregelenwet en invoering Tweestatusstelsel waarmee
vooruitlopend op de invoering van het Pact wordt voorgesteld maatregelen te treffen
die tot doel hebben de instroom te beperken en de asielketen te ontlasten. De daartoe
benutte ruimte betreft ruimte die onder het geldende EU-recht reeds bestaat, maar
ook het Asiel- en migratiepact laat ruimte voor deze maatregelen. Daar waar ruimte
zit voor een nationale uitvoeringskeuzes naast of binnen de Europese verplichtingen
heeft de regering ervoor gekozen deze zo doelmatig en efficiënt mogelijk in te voegen
in het Nederlandse systeem. Voorbeeld hiervan is de invulling van juridische counseling
en rechtsbijstand, zoals uiteengezet en beargumenteerd in de Kamerbrief van 29 september
2025 (Kamerstukken II 2025/26, 19 637, nr. 3479).
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen en opmerkingen bij de manier
waarop het Pact in de implementatiewet een nationale invulling heeft gekregen. Deze
invulling geeft volgens deze leden duidelijke politieke keuzes aan, die op een aantal
punten schuren met principes van solidariteit en internationale mensen-en kinderrechtenverdragen.
Het detineren van kinderen is volgens deze leden bewezen schadelijk, onwenselijk en
onnodig.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat uit de afgelopen JBZ-Raden
bleek dat het solidariteitsprincipe nog niet vanzelfsprekend is en dat een aantal
landen – waaronder Nederland – ervoor kiest om de opvangplekken af te kopen in plaats
van mensen op te vangen. Een tweetal EU-landen – Hongarije en Slowakije – weigert
überhaupt mee te werken aan het solidariteitsmechanisme. In het coalitieakkoord staat
op pagina 36: «Zolang de opvangketen in Nederland niet op orde is, vult Nederland
het solidariteitsmechanisme financieel in». Deze leden zijn van mening dat de regering
alles op alles moet zetten om de keten dus op orde te brengen, met voldoende investeringen,
eerlijke spreiding en zo veel mogelijke kleinschalige en volwaardige opvang. Deze
leden zijn ook van mening dat Nederland het solidariteitsprincipe niet zou moeten
afkopen.
Vraag 46
Is de regering het eens met de stelling dat het solidariteitsprincipe alleen werkt
als zoveel mogelijk landen daaraan bijdragen?
De inzet van de regering is erop gericht dat de balans in het Asiel- en migratiepact
tussen verantwoordelijkheid enerzijds en solidariteit anderzijds gewaarborgd moet
worden. De regering is het daarom eens met deze stelling. De regering benadruk hierbij
wel dat de diverse vormen van solidariteit gelijkwaardig zijn, zoals expliciet in
de Asiel- en migratiebeheer-verordening is vastgelegd
Vraag 47
Is de regering het eens met de stelling dat het solidariteitsprincipe alleen werkt
wanneer landen die volgens de systematiek geen recht hebben op een korting gezien
de «significante migratiesituatie» niet allemaal de relocatie afkopen?
De regering deelt deze stelling niet. Zoals gezegd in het antwoord op vraag 46, is
in de Asiel- en migratiebeheerverordening expliciet opgenomen dat alle vormen van
solidariteit gelijkwaardig zijn. Als solidariteitsmaatregel op secundair niveau is
in die verordening nog opgenomen dat als de herplaatsingstoezeggingen de in die verordening
opgenomen minimumdrempels niet halen zogenoemde «verantwoordelijkheidscompensaties»
van toepassing worden. Kort gezegd, houden deze compensaties in dat de solidariteit
biedende lidstaten de verantwoordelijkheid overnemen van de behandeling van een aantal
Dublinzaken. Dat aantal is dan gelijk aan het aantal herplaatsingen indien daarvoor
was geopteerd.
Vraag 48
Wanneer is wat de regering betreft de keten op orde en hoe gaat de regering ervoor
zorgen dat dit zo snel mogelijk gebeurt?
Belangrijk is dat er sprake is van een stabiele opvangsituatie, een beheersbare instroom,
relevant minder achterstanden, doorstroom van statushouders en effectief terugkeerbeleid.
Het voorliggende pakket aan maatregelen zet daartoe belangrijke stappen, maar het
zal ook tijd vragen om tot die situatie te komen.
Vraag 49
Het Pact is ontworpen om de asielketen in Europa op orde te brengen, maar moet er
volgens de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ook voor zorgen dat de omstandigheden
voor mensen die vluchten voor oorlog en geweld verbeteren. Wat is er volgens de regering
verbeterd als het gaat om de rechten en levensomstandigheden van mensen die asiel
aanvragen? Kan de regering een vergelijking geven van de oude situatie en de nieuwe
situatie met het Pact?
In de negen verordeningen en de herschikte richtlijn van het Asiel- en migratiepact
zitten meerdere waarborgen ter verwezenlijking van de rechten van individuen. Voorbeelden
hiervan zijn: het recht op gratis juridische counseling dan wel rechtsbijstand gedurende
de gehele procedure, de snelle toewijzing van een voogd aan een alleenstaande minderjarige
asielzoeker, bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen, efficiëntere procedures zodat
sneller duidelijkheid wordt gegeven aan de asielzoeker. De meerwaarde van het Asiel-
en migratiepact is ook dat alle lidstaten dezelfde waarborgen in hun procedures opnemen.
Vraag 50
Tot in hoeverre heeft de regering oog voor onderwijs en andere noodzakelijke faciliteiten
voor kinderen, zoals genoeg ruimte en faciliteiten om te spelen in alle verschillende
locaties waar kinderen zijn?
Toegang tot onderwijs, alsook toegang tot recreatieve activiteiten en faciliteiten,
moet te allen tijde gewaarborgd worden voor kinderen in de asielopvang. Dit is een
harde eis die uit de herschikte Opvangrichtlijn volgt. Deze toegang kan momenteel
niet op alle locaties waar kinderen verblijven gerealiseerd worden. Om deze reden
heeft het COA tussen 16 april en 16 mei 2025 een kwantitatieve verkenning uitgevoerd
om zicht te krijgen op de situatie van kinderen in de asielopvang. Deze inventarisatie
brengt in kaart in welke mate locaties voldoen aan de diverse standaarden en wettelijke
eisen om kinderen op te vangen en wat ervoor nodig is om verbeteringen hierin te realiseren.
Hierbij is gekeken naar diverse voorzieningen, waaronder toegang tot onderwijs en
zorg, recreatieve activiteiten, speelmogelijkheden. De inventarisatie en de daarbij
gevoegde Kamerbrief zijn op 19 september 2025 met uw Kamer gedeeld. In Q2 van 2026
wordt een vervolginventarisatie uitgevoerd om te monitoren hoe eerdere aanbevelingen
zijn opgevolgd en op welke locaties verbeterruimte bestaat. Op deze manier zoeken
wij samen met het COA, binnen de context van grote capaciteitsproblemen in de asielopvang,
continu naar mogelijkheden om de toegang tot voorzieningen voor kinderen op pijl te
krijgen en te houden op alle locaties. Daarnaast werken wij samen met het Ministerie
van OCW aan de opgave om alle kinderen in de asielopvang zo snel als mogelijk, maar
uiterlijk binnen de termijn van drie maanden, naar het onderwijs te geleiden.
Vraag 51
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat er deels maatregelen dwingend volgen
uit het Pact en deels nationale invulling mogelijk is. Gezien de omvang van de aanpassingen
die volgen uit het Pact en de impact op de uitvoeringsorganisaties was het wat deze
leden betreft beter geweest om prioriteit te geven aan de maatregelen waartoe het
Pact verplicht met eventueel in een later stadium verdere inkleuring. Waarom is hier
niet voor gekozen?
De samenhang van de maatregelen en het verwachte effect dat daarvan uitgaat, maakt
dat de regering het niet opportuun acht om onderdelen later in werking te laten treden
dan 12 juni 2026. De druk op het huidige asiel- en opvangstelsel is dermate groot
dat de voorliggende aanpassingen zo snel als mogelijk geëffectueerd dienen te worden.
Vraag 52
Kan de regering zo precies mogelijk aangeven waar er binnen de verschillende verordeningen
ruimte zit voor nationale invulling, wat de verschillende keuzes waren, welke keuze
er is gemaakt en waarom? Denk bijvoorbeeld aan termijn hoger beroep, detentie termijnen
en detentie van minderjarigen. Deze leden ontvangen graag een schematische weergave
van de gemaakte keuzes bij nationale ruimte. Gelieve hierin het tweestatusstelsel
en het afschaffen van een vergunning voor onbepaalde tijd mee te nemen, aangezien
de juridische interpretaties uiteenlopen wat betreft de noodzaak van deze maatregelen
volgens het Pact. Ook zouden deze leden willen zien hoe Nederland invulling geeft
aan deze verschillende onderdelen ten opzichte van andere EU-lidstaten, met name van
België, Duitsland, Spanje, Griekenland en Italië. Zij zouden graag in hetzelfde schema
duidelijkheid krijgen over welke keuzes deze landen in de nationale invulling maakten.
De regering verwijst naar het antwoord op vraag 45.
Voorts zijn de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie van mening dat met het Pact veel
verandert voor de asielketen en de uitvoeringsorganisaties niet onnodig belast moeten
worden. De implementatie van het Pact valt in dezelfde periode als twee nationale
asielwetten: de Asielnoodmatregelenwet en het tweestatusstelsel. Hierbij hebben deze
leden enkele vragen en vragen deze gelieve afzonderlijk te beantwoorden.
Vraag 53
Wat gebeurt er als de Eerste Kamer deze nationale asielwetten niet aanneemt? Kan het
migratiepact probleemloos in werking treden?
In dat geval kan het Asiel- en migratiepact probleemloos in werking treden. Daarbij
tekent de regering ten overvloede aan dat de maatregelen die zijn opgenomen in het
voorstel voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel die
de asielprocedure wijzigen ook onderdeel zijn van het onderhavige wetsvoorstel.
Vraag 54
Welke onderdelen van de nationale wetten zitten niet in de implementatiewetgeving
van het Pact?
Het gaat om de verruiming van de ongewenstverklaring, strafbaarstelling illegaliteit
en de afschaffing van de rechterlijke dwangsom. Deze laatste twee maatregelen zijn
bij amendement aan de Asielnoodmaatregelenwet toegevoegd. Voor een overzicht van deze
maatregelen verwijst de regering naar de Kamerbrief die zij eerder aan uw Kamer zond
en waarin twee transponeringstabellen zijn opgenomen die duidelijk maken op welke
onderdelen er overlap bestaat tussen het onderhavige wetsvoorstel en de voorstellen
voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel (Kamerstukken
II 2025/26, 32 317, nr. 988).
Vraag 55
Is het voor de uitvoeringsorganisaties niet onnodig complex om twee nationale asielwetten
in te voeren en het systeem op zeer korte termijn weer op de schop te doen voor het
Pact?
De vraag veronderstelt dat de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet
invoering tweestatusstelsel enerzijds en het Asiel- en migratiepact anderzijds niet
met elkaar te verenigen zijn. De regering meent echter dat de twee wetsvoorstellen
en het pact logisch in elkaars verlengde liggen. Dat neemt niet weg dat er voortdurend
met de uitvoeringsorganisaties wordt gesproken over de implementatie en de betekenis
daarvan voor de uitvoering.
Vraag 56
Het Pact bestaat uit negen verschillende grote onderdelen, die ieder volwaardige wetten
hadden kunnen zijn. Waarom is er niet voor gekozen om deze afzonderlijk naar de Kamer
te sturen en te behandelen? Is de regering het eens met deze leden dat gezien de complexiteit
en de tijdsdruk een opsplitsing van de wetsonderdelen ten goede was gekomen van de
zorgvuldigheid van behandeling en implementatie?
De regering deelt dit standpunt niet. Het Europese Asiel- en migratiepact vormt een
integraal kader voor de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming. Tussen
de verschillende onderdelen van het pact bestaat nauwe samenhang. Het pact wordt op
12 juni 2026 van toepassing en wordt daarmee bindend voor Nederland. Daarbij laat
het pact maar zeer beperkt uitvoerings- dan wel implementatieruimte voor eigen nationale
invullingen. Het zou tot een onnodige dubbeling van procedures leiden als voor alle
onderdelen van het pact afzonderlijke wetsvoorstellen zouden zijn opgesteld.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de werklast van de uitvoeringsinstanties
met de implementatie van het Pact (en de nationale asielwetten) zal toenemen, bijvoorbeeld
omdat de IND ook verantwoordelijk wordt voor de screeningsprocedure. Hierbij hebben
deze leden enkele vragen en vragen deze gelieve afzonderlijk te beantwoorden.
Vraag 57 en 58
Welke maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat al deze taken goed kunnen
worden uitgevoerd, zonder dat de wachttijden nog verder oplopen? Behalve «screening»
zal er binnen de IND nog een nieuwe afdeling moeten worden opgezet: «juridische counseling».
Daarbij wordt ook de leeftijdsbeoordeling bij de IND belegd. Is het reëel dat de IND
op 12 juni 2026 voldoende capaciteit heeft om al deze taken naar behoren te vervullen?
De IND gaat ervan uit dat voor screening, juridische counseling en leeftijdsbeoordeling
voldoende capaciteit beschikbaar is. In de huidige asielprocedure heeft de IND al
een rol bij leeftijdsbeoordeling en de IND blijft ook in de nieuwe asielprocedure
inzetten op een goede leeftijdsbeoordeling voor vreemdelingen die niet evident minderjarig
zijn. Personeel voor zowel screening als juridische counseling wordt voornamelijk
intern geworven. Indien nodig zal nieuw personeel of uitzendkrachten geworven worden.
Door een andere inrichting van de asielprocedure bijvoorbeeld doordat geen aanmeldgehoren
meer worden afgenomen, ontstaat ook capaciteit die elders ingezet kan worden.
Vraag 59
Is het niet efficiënter en effectiever om de juridische counseling te beleggen bij
de voorziening die we reeds hebben?
De gekozen inrichting sluit aan bij de ingezette versobering van de Nederlandse asielprocedure
door bij de uitvoering en implementatie van het Asiel- en migratiepact aan te sluiten
bij de Europese minimumnormen. In de huidige Nederlandse asielprocedure heeft een
asielzoeker vanaf de start van zijn asielprocedure recht op kosteloze rechtsbijstand
van een advocaat. Onder de Procedureverordening, die per 12 juni 2026 van toepassing
wordt, worden lidstaten minimaal verplicht om de asielzoeker vanaf de start van zijn
asielprocedure kosteloze onafhankelijke counseling aan te bieden. Dit betekent dat
de huidige inrichting meer biedt dan volgens de toekomstige minimumnorm uit het Asiel-
en migratiepact verplicht is. Met de gekozen toekomstige inrichting is tot een procedure
gekomen waarin een balans is gevonden tussen het belang van een zorgvuldige en efficiënte
asielprocedure enerzijds en een versobering van de nationale invulling naar de Europese
minimumnorm anderzijds.
Vraag 60
Wat is de verwachte groei in Full-Time Equivalent (fte) voor de IND als gevolg van
deze implementatiewet?
De IND kan op dit moment nog geen definitieve inschatting geven van de verwachte groei
in fte als gevolg van onderhavige Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact.
Daarbij speelt mee dat met name het tweestatusstelsel, en het toetsen van aanvullende
voorwaarden bij nareis tot extra werkzaamheden zullen leiden.
De eerste inschatting is dat de totale personele capaciteit voor het behandelen van
asielaanvragen, na genoemde eerdere uitbreidingen, ten minste gelijk blijft. Personeel
voor de overige nieuwe taken die voortvloeien uit het Asiel- en migratiepact, zoals
screening en juridische counseling, zal in beginsel zoveel mogelijk intern worden
geworven. Door een andere inrichting van de asielprocedure, bijvoorbeeld doordat geen
aanmeldgehoren meer worden afgenomen, ontstaat ook capaciteit die elders ingezet kan
worden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat de werklast voor de Rechtspraak vermoedelijk
substantieel zal toenemen gezien de kans op beroepen toeneemt en de behandelduur van
zaken wordt verkort. Ook de Rvdr benadrukt dit in het advies van februari 2025. Hierbij
hebben deze leden enkele vragen en vragen deze gelieve afzonderlijk te beantwoorden.
Vraag 61
Hoe wordt deze druk op de Rechtspraak gemitigeerd?
De Raad voor de rechtspraak heeft onder andere advies uitgebracht over het voorstel
voor de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 als ook op de
wetsvoorstellen Wet invoering tweestatusstelsel en de Asielnoodmaatregelenwet, omdat
deze samenloop hebben met onderhavig wetsvoorstel. In deze adviezen is aangegeven
dat deze wetsvoorstellen gevolgen hebben voor de uitvoering, werklast en doorlooptijden
van de vreemdelingenrechtspraak bij de rechtbanken. De regering neemt verschillende
maatregelen om te voorkomen dat de doorlooptijden en druk bij de rechtbanken verder
toenemen. De IND draagt hieraan bij door een snellere besluitvorming in de asielprocedure.
Het afschaffen van de voornemenprocedure maakt het mogelijk om eerder een besluit
te nemen, waardoor minder beroepen wegens niet-tijdig beslissen worden ingesteld.
Daarnaast worden dossiers vroegtijdig gescreend door de directie Juridische Zaken
van de IND, zodat gebrekkige besluiten kunnen worden hersteld of ingetrokken voordat
zij bij de rechtbank komen. Daarmee wordt onnodige belasting van de rechtspraak voorkomen.
De rechtspraak werkt via het programma Tijdige rechtspraak aan het verkorten van doorlooptijden
en het vergroten van voorspelbaarheid. Op de langere termijn verwacht de regering
echter dat de invoering van het onderhavige wetsvoorstel, samen met het bredere pakket
aan maatregelen, leidt tot een substantiële beperking van de asielinstroom en de nareis
van gezinsleden waardoor ook de rechtspraak structureel ontlast wordt.
Vraag 62
Klopt het dat deze vergrote druk op de Rechtspraak door kortere termijnen en het schrappen
van procedurele stappen niet noodzakelijkerwijs voortvloeit uit het Pact? Waarom is
hier dan toch voor gekozen?
Het verkorten van beroepstermijnen en schrappen van enkele procedurele stappen zijn
uitvoeringskeuzes die aansluiten bij de ingezette lijn tot verkorting van de asielprocedures
en het versoberen hiervan tot de Europese minimumnormen. Zo wordt getracht de uiteindelijke
doorstroom in de asielketen te bevorderen.
Vraag 63
Hoe ziet de regering de zorg vanuit de beroepsgroep zelf, die helder aangeeft dat
er simpelweg onvoldoende mensen zijn om alle zaken af te handelen?
Er zijn structureel extra middelen beschikbaar gesteld voor de invoering van het Asiel-
en migratiepact evenals overigens de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en
de Wet invoering tweestatusstelsel. De regering heeft er vertrouwen in dat deze financiële
ruimte voldoende mogelijkheden biedt om de noodzakelijke maatregelen te treffen ter
waarborging van de kwaliteit en tijdigheid van de rechtspraak. Tegelijkertijd wordt
onderkend dat financiële middelen alleen niet toereikend zijn: de beschikbaarheid
van voldoende gekwalificeerd personeel vormt eveneens een belangrijke randvoorwaarde.
Door de krapte op de arbeidsmarkt en de beperkte opleidingscapaciteit van rechters
kan extra financiering niet altijd direct worden omgezet in extra capaciteit.
De Rechtspraak kan jaarlijks maximaal 140 nieuwe rechters werven en opleiden. Deze
instroom is grotendeels bedoeld ter vervanging van uitstromend personeel, met name
vanwege pensionering. Tussen 2025 en 2030 wordt de jaarlijkse uitstroom geraamd op
circa 100 tot 125 rechters. De opleiding tot rechter duurt, afhankelijk van de werkervaring
van de kandidaat, tussen de 1 en 4 jaar. Met deze doorlooptijd is bij de planning
van de opleidingscapaciteit rekening gehouden.
De werving van nieuwe rechters vormt een aanzienlijke uitdaging. Het zijinstroombeleid
van de Rechtspraak speelt hierin een belangrijke rol. Zijinstromers, veelal ervaren
juristen uit andere werkvelden, maken al een substantieel deel uit van de jaarlijkse
instroom. Op korte termijn zijn geen wijzigingen in dit beleid voorzien.
De nieuw opgeleide rechters worden binnen de Rechtspraak ingezet op de rechtsgebieden
waar de behoefte het grootst is. Dit kan vreemdelingenrecht betreffen, maar ook bijvoorbeeld
strafrecht of familie- en jeugdzaken. Tegelijkertijd wordt erkend dat de krapte op
de arbeidsmarkt van invloed is op de beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd
juridisch personeel, waaronder rechters. De verantwoordelijkheid voor de werving en
opleiding ligt bij de Raad voor de Rechtspraak en de opleidingsinstanties binnen de
rechterlijke macht.
De uiteindelijke impact van het wetsvoorstel op de werkdruk binnen de Rechtspraak
is echter primair afhankelijk van de feitelijke instroom van zaken. Het wetsvoorstel
beoogt de asielinstroom te beperken, wat op termijn kan bijdragen aan een meer beheersbare
belasting voor zowel de IND als de Rechtspraak.
Vraag 64
Is de regering het met de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie eens dat het gezien
de lange wachttijden onverantwoord is om de werkdruk op rechters en juristen te verhogen?
De regering erkent dat de voorgestelde uitvoeringsmaatregelen, zoals het afschaffen
van bepaalde procedures en de verscherping van toetsingscriteria, kunnen leiden tot
een toegenomen werklast voor de rechtspraak. De invoering van het wetsvoorstel kan
in de beginfase tot extra belasting leiden, maar op langere termijn wordt verwacht
dat de instroom van zaken afneemt. Daarmee ontstaat ook ruimte voor verlichting van
de structurele werklast.
Vraag 65
Wat is de verwachte groei in fte in de Rechtspraak als gevolg van deze implementatiewet?
Hoeveel mensen moeten er extra worden opgeleid?
De Raad voor de Rechtspraak stelt in haar position paper voor het rondetafelgesprek
over onderhavig wetsvoorstel dat de Uitvoerings- en implementatiewet naar verwachting
leidt tot een toename van het aantal zaken, naar schatting – met nog onzekerheidsmarges
– oplopend tot circa 19.000 extra zaken per jaar in 2028. De regering beschikt niet
over een doorrekening naar het aantal benodigde fte. Dit hangt af van de inrichting
van het proces en te realiseren efficiëntieslagen.
Vraag 66
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat met de implementatiewet de toegang
tot het recht voor asielzoekers (in de bestuurlijke fase) wordt ingeperkt. Deze keuze
komt niet noodzakelijkerwijs voort uit het Pact. Deze leden vinden het problematisch
dat de rechtspositie van asielzoekers wordt verzwakt. Waarom is hiervoor gekozen?
De regering verwijst op deze plaats naar het antwoord op vraag 17.
Vraag 67
De leden van de CDA-fractie vragen of de uitvoeringsorganisaties in de asielketen
voldoende zijn toegerust op de implementatie van het Pact vanaf 12 juni 2026. Zijn
er voorziene moeilijkheden of vertragingen in bepaalde delen van de keten, hebben
de ketenpartners voldoende capaciteit en zijn de systemen al toegerust op de nieuwe
maatregelen?
De Kamer wordt conform de motie Rajkowski/Podt d.d. 11 december 2024 periodiek geïnformeerd
over de voortgang van de implementatie in de Nederlandse keten. Verwezen wordt naar
de meest recente voortgangsbrief d.d. 22 januari 2026.
Vraag 68
De leden van de CDA-fractie lezen signalen dat de implementatie van het Pact in meerdere
Europese lidstaten nog beperkt is voorbereid en dat daarom zorgen bestaan over de
uitvoerbaarheid van met name de terugkeerprocedure. Deze leden vragen de regering
om hierop te reageren. Klopt het dat de uitwerking van het Pact in andere Europese
lidstaten nog beperkt is doorgevoerd, waardoor de implementatiedeadline niet door
iedere lidstaat wordt gehaald? Hoe voorkomt de regering dat hierdoor delen van het
Pact, zoals de nieuwe terugkeerprocedure, niet volledig kan worden uitgevoerd?
Het is de taak van de Europese Commissie om erop toe te zien dat de lidstaten tijdig
de nieuwe Europese regels hebben ingevoerd in hun nationale systemen. De regering
zal hier ook alert op zijn en gebreken agenderen indien dit nodig is. De regering
hecht daarom ook zeer aan de monitoring die de Europese Commissie uitvoert op de voortgang
van de uitvoering en implementatie van het Asiel- en migratiepact. Op basis van deze
monitoring kunnen tijdig tekortkomingen, knelpunten en uitdagingen geïdentificeerd
en geadresseerd worden. De Commissie publiceert met regelmaat een verslag over de
stand van zaken. Uiterlijk in april wordt er weer een verslag verwacht. Dat verslag
zal, net als de vorige verslagen, met uw Kamer worden gedeeld.
Vraag 69
De leden van de CDA-fractie vragen wat er gebeurt als de zes maanden detentie aan
de buitengrens is verlopen en het thuisland alsnog niet meewerkt aan terugkeer.
Iedere zaak dient op de eigen merites te worden beoordeeld. In het algemeen geldt
dat voor het rechtmatig kunnen voortzetten van de bewaringsmaatregel er zicht moet
zijn op uitzetting. Als dat zicht op uitzetting er niet meer is, dient de bewaringsmaatregel
te worden opgeheven. De betrokken krijgt dan toegang tot het grondgebied, maar blijft
uiteraard wel vertrekplichtig.
Vraag 70
In navolging daarop vragen deze leden wat de vervolgprocedure is als een vreemdeling
wel formeel teruggestuurd wordt, maar niet terug kan.
Onrechtmatig verblijvende vreemdelingen hebben in de eerste plaats een eigen verantwoordelijkheid
te vertrekken uit Nederland en terug te keren naar het land van herkomst. Er kunnen
omstandigheden zijn waarin terugkeer (tijdelijk) niet mogelijk blijkt, ondanks dat
de vreemdeling er redelijkerwijs alles aan heeft gedaan om hieraan mee te werken.
In dergelijke gevallen kan verlening van een buitenschuldvergunning tot de mogelijkheden
behoren.
Vraag 71
Ook vragen deze leden of de regering verwacht dat er binnenkort afspraken gemaakt
worden tussen Europa en veilige derde landen over de nieuwe terugkeerprocedure.
De regering zet zich ook nu al in om de terugkeersamenwerking te verbeteren, zowel
bilateraal, als in EU-verband. De regering zet onder andere in op het ontwikkelen
van brede gelijkwaardige en duurzame partnerschappen met voor Nederland belangrijke
landen van herkomst- en transit waar samenwerking op het gebied van terugkeer een
onderdeel van kan zijn. Ook wordt er zowel in EU, als in Benelux verband, met landen
gewerkt aan het sluiten van terug- en overname overeenkomsten (T&O). Op 9 januari
2024 is er bijvoorbeeld een T&O gesloten tussen de Benelux en Mongolië. Ook wordt
er met alle relevante derde landen op operationeel niveau gewerkt aan de terugkeersamenwerking.
Met deze inzet gaat het kabinet door.
Vraag 72
De leden van de CDA-fractie constateren dat er een verschil is tussen de verblijfstitel
en de verblijfsvergunning. De Afdeling benadrukt dit verschil ook, maar de definitie
daarvan komt niet helemaal overeen met de bepalingen in de betreffende verordening.
Wat is volgens de regering het concrete verschil tussen de verblijfstitel en de verblijfsvergunning?
De verblijfsvergunning is de erkenning van de status van vluchteling of subsidiair
beschermde. Op grond van artikel 44, tweede lid Vw 2000 wordt de vergunning verleend
met ingang van de dag na de bekendmaking van de beschikking waarin positief is beslist
op een aanvraag tot verlening van een verblijfvergunning. De houder van een verblijfsvergunning
asiel heeft op grond daarvan onder andere rechtmatig verblijf in de zin van artikel
8, aanhef en onder c, Vw 2000. De verblijfstitel is het document waaruit het rechtmatig
verblijf blijkt als bedoeld in artikel 9, tweede lid Vw 2000.
Vraag 73
Kan de regering bevestigen dat wanneer een asielzoeker het pasje met de verblijfstitel
kwijtraakt, dit niets afdoet aan de bescherming?
Dat klopt. Het pasje is de verblijfstitel waarmee de vreemdeling aantoont rechtmatig
in Nederland te mogen verblijven. De internationale beschermingsstatus volgt uit de
verblijfsvergunning. Die verliest de vreemdeling pas wanneer deze wordt ingetrokken.
2. Asiel- en migratiepact 2026
2.1. Algemene beschrijving instrumenten Asiel- en migratiepact 2026
Vraag 74
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering van mening is dat, als het Pact
goed functioneert, dit zal leiden tot sterke reductie van de komst van asielzoekers
naar Nederland, en zo ja, welke. Kan de regering daar een inschatting van maken?
De regering kan bevestigen dat het totale pakket aan maatregelen, waar overigens naar
het oordeel van de regering ook de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel
onderdeel van zijn, naar verwachting zal leiden tot een relevante daling van de instroom.
De regering heeft steeds aangegeven dat de uiteindelijke effecten niet met zekerheid
te voorspellen zijn, omdat het aantal op elkaar inwerkende en elkaar soms versterkende
factoren daarvoor te groot en deels onvoorspelbaar is. Naast nationale wettelijke
en beleidsmatige maatregelen spelen geopolitieke ontwikkelingen een essentiële rol,
alsmede ontwikkelingen in andere potentiële bestemmingslanden.
Vraag 75
Klopt het volgens de regering, dat als het Pact werkt zoals beoogd, asielzoekers bijna
alleen nog zouden moeten komen via de hervestiging van het solidariteitsmechanisme
of via een internationale luchthaven, omdat asielzoekers die via een EU-buitengrens
komen dan daar ter plekke de (grens)procedure ingaan? Hoe realistisch acht de regering
het dat dit naar behoren gaat functioneren?
Lidstaten zijn verplicht de asielgrensprocedure toe te passen ten aanzien van een
aantal expliciet in de Uniewetgeving genoemde categorieën asielzoekers, waaronder
degenen die afkomstig zijn uit een land met weinig perspectief op verblijf. Andere
categorieën asielzoekers stromen de reguliere landprocedures is. Dus niet van iedere
asielzoeker zal het asielverzoek worden beoordeeld in de asielgrensprocedure. Wel
dient eenieder die aan de buitengrens wordt aangehouden te worden geregistreerd in
de Europese database Eurodac. Geregistreerde asielzoekers die doorreizen naar andere
lidstaten, zullen in beginsel worden teruggeleid naar de lidstaat van registratie.
Zoals in het antwoord op vraag 74 aangegeven verwacht de regering een relevante daling
van de instroom, maar de uiteindelijke effecten zijn niet met zekerheid te voorspellen.
Vraag 76
Als een asielzoeker zich meldt waarvan niet is vastgesteld hoe hij ons land heeft
bereikt, zal hij in de regel via een ander EU-land zijn gekomen. Hoe wordt omgegaan
met asielzoekers die zich in Nederland melden, behalve via een internationale luchthaven,
die nog geen asielverzoek elders hebben gedaan?
Indien voldoende zeker is via welke lidstaat de betreffende asielzoeker de Unie onrechtmatig
is ingereisd, is die lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van de in Nederland
ingediende aanvraag om asiel. De betreffende lidstaat zal verzocht worden de asielzoeker
van Nederland over te nemen.
Vraag 77
De leden van de JA21-fractie vragen of asielzoekers wordt gevraagd welke route ze
hebben afgelegd. Geven asielzoekers daarop doorgaans antwoord?
Tijdens de screeningsfase wordt aan iedere asielzoeker gevraagd naar de reisgegevens.
Dit is inclusief de landen van doorreis buiten de EU en binnen de EU. In de huidige
procedure wordt deze informatie tijdens het aanmeldgehoor gevraagd. Hier wordt doorgaans
antwoord op gegeven. Daarbij wordt opgemerkt dat niet alle asielzoekers deze informatie
volledig correct (kunnen) geven.
Vraag 78
Als daaruit blijkt dat ze bijvoorbeeld via Griekenland zijn gekomen, maar geen asiel
hebben aangevraagd in dat land, worden deze asielzoekers dan gezien als een soort
Dublinclaimant en kunnen die worden overgedragen aan de Grieken? Hoe wordt gecontroleerd
of landen waar de meeste asielzoekers aankomen, zoals Griekenland, Italië en Spanje,
mensen daadwerkelijk identificeren, hun gegevens opslaan en opnemen in de procedure?
Ziet Nederland daar zelf op toe, bijvoorbeeld via mensen die Nederland daar naartoe
heeft gestuurd of heeft Nederland daarin zelf geen rol?
Uitgangspunt van de Uniewetgeving is dat, bij afwezigheid van familieleden in een
lidstaat, de lidstaat waar de asielzoeker de Unie onrechtmatig is binnengekomen, verantwoordelijk
is voor de behandeling van het (elders) ingediende asielverzoek. Het is de taak van
de Europese Commissie om erop toe te zien dat iedere lidstaat zijn verplichtingen
goed nakomt, waaronder de screening en registratie aan de buitengrenzen. Ook het Europese
Asielagentschap heeft een monitorende rol. Daarmee is het niet aan Nederland om te
controleren of andere lidstaten hun verplichtingen nakomen. Wel kan Nederland indien
er aanwijzingen zijn dat een lidstaat zijn verplichtingen niet naleeft dat onder de
aandacht van de Europese Commissie brengen.
Vraag 79
Waarom worden er in dit voorstel geen uitvoeringsregels gesteld ten aanzien van de
Crisis- en overmacht-verordening (EU) 2024/1359 (hierna: Crisisverordening)? Zijn
er andere EU-landen die wel uitvoeringsregels hebben gesteld ten aanzien van deze
verordening?
In een in artikel 1, vierde lid van de Crisisverordening beschreven crisissituatie
kan er een verzoek worden ingediend bij de Europese Commissie voor solidariteitsmaatregelen.
Wanneer daarvan sprake is zal uw Kamer daarover worden geïnformeerd. De regering kan
geen uitspraak doen over hoe andere landen met deze verordening zijn omgegaan. Het
is op dit moment niet noodzakelijk om wetgeving aan te passen, of nadere uitvoeringsregels
te treffen. De Crisisverordening geeft al een kader waaruit blijkt wanneer deze situatie
zich voordoet.
Vraag 80
De leden van de JA21-fractie constateren dat de Crisisverordening voorziet in noodmaatregelen
bij crisissituaties of instrumentalisering van migratie. Kan de regering uiteenzetten
onder welke omstandigheden Nederland een beroep kan doen op deze crisismaatregelen,
wie daarover beslist en hoe snel activering kan plaatsvinden?
Indien de regering van oordeel is dat Nederland zich in een crisis- of overmachtssituatie
bevindt zoals omschreven in artikel 1, vierde lid Crisisverordening, kan er bij de
Europese Commissie een met reden omkleed verzoek ingediend worden waarmee een beroep
wordt gedaan op solidariteitsmaatregelen die een goed beheer van de situatie mogelijk
maken. Of dit het geval zal zijn, is sterk afhankelijk van de situatie op dat moment,
zoals de instroom en capaciteit. De Commissie beoordeelt dit verzoek snel en stelt,
indien aan de voorwaarden van artikel 1 wordt voldaan, een uitvoeringsbesluit vast.
Vraag 81
Kan de regering uiteenzetten wanneer zij gebruik wenst te maken van de Crisisverordening?
Zie het antwoord op vraag 80.
Vraag 82
Is de regering bereid een «noodrem»-bepaling in de Nederlandse wetgeving op te nemen
met aanvullende maatregelen?
Het Pact zelf voorziet in een procedure voor afwijkingen in tijden van nood.
Vraag 83
Welke landen zijn in beeld voor opvang buiten de EU en komen daarvoor in aanmerking?
Het herziene veilig-derde-land-concept, als onderdeel van het Pact, mag toegepast
worden als een verzoeker voor internationale bescherming op zijn reis naar de EU door
een veilig derde land is gereisd, of als er een overeenkomst of regeling is gesloten
met een derde land. Daarnaast moet de verzoeker in het veilig derde land o.a. beschermd
zijn tegen refoulement. De regering verkent de mogelijkheid om meer met landen buiten
de EU op dit concept samen te werken. Uw Kamer wordt zodra dit passend is zoals gebruikelijk
geïnformeerd. Tegelijkertijd wijst de regering op de diplomatieke vertrouwelijkheid
van deze gesprekken.
Vraag 84 en 85
De leden van de SGP-fractie vragen de regering uiteen te zetten in hoeverre en op
welke onderwerpen de implementatiewet de nationale beleidsruimte op het terrein van
asiel en migratie structureel beperkt. De leden van de SGP-fractie vragen de regering
aan te geven welke onderdelen van het Pact ruimte laten voor een restrictiever nationaal
beleid dan het minimumniveau dat door de EU wordt voorgeschreven. In welke mate kan
Nederland in de toekomst zelfstandig instroombeperkende maatregelen trekken zonder
in strijd te komen met het Pact?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 45.
Vraag 86
De leden van de SGP-fractie vragen de regering in te gaan op de vraag in hoeverre
het Pact daadwerkelijk zal leiden tot een daling van de instroom in Nederland. Wat
zijn de prognoses op dit punt en waarop zijn deze verwachting gebaseerd?
De regering verwacht dat het totale pakket aan maatregelen naar verwachting leiden
tot een relevante daling van de instroom. De regering heeft steeds aangegeven dat
de uiteindelijke effecten niet op voorhand te kwantificeren zijn, omdat het aantal
op elkaar inwerkende en elkaar soms versterkende factoren daarvoor te groot en deels
onvoorspelbaar is. Naast nationale wettelijke en beleidsmatige maatregelen spelen
geopolitieke ontwikkelingen een essentiële rol, alsmede ontwikkelingen in andere potentiële
bestemmingslanden.
Vraag 87
De leden van de SGP-fractie vragen hoe gaat worden voorkomen dat versnelde grensprocedures
in de praktijk alsnog leiden tot langdurig verblijf in Nederland. Welke aanvullende
maatregelen heeft de regering achter de hand, mocht hiervan toch sprake zijn?
Als vreemdelingen aan de buitengrens asiel aanvragen en de grensprocedure instromen,
wordt hen de toegang tot het Europees grondgebied onthouden. Ook krijgen zij een detentiemaatregel
opgelegd waardoor zij geen toegang tot het grondgebied kunnen krijgen gedurende de
procedure. Als de aanvraag in de grensprocedure kan worden afgehandeld, ontvangen
zij binnen 5 weken een besluit op de aanvraag. Daarna is er nog de mogelijkheid om
in beroep te gaan. Als het beroep ongegrond is verklaard, begint de grensterugkeerprocedure.
Omdat de vreemdeling nog geen toegang heeft tot het Europees grondgebied, is terugkeer
eenvoudiger te realiseren.
Vraag 88
De leden van de SGP-fractie wijzen op de aangenomen moties van het lid Diederik van
Dijk die het kabinet opdragen om bij de uitwerking van het Pact bevolkingsdichtheid
expliciet mee te wegen bij de bepaling van de Nederlandse solidariteitsbijdrage (Kamerstuk
36 410, nr. 87 en Kamerstuk 32 316, nr. 898). Welke acties zijn naar aanleiding van deze moties op Europees niveau genomen en
welke resultaten zijn er op dit punt geboekt? Blijft de regering ook in de toekomst
voortdurend aandacht vragen voor de hoge bevolkingsdichtheid van Nederland? Welke
mogelijkheden biedt het Pact om bij de nationale uitwerking factoren als bevolkingsdichtheid
mee te wegen, conform genoemde moties?
De bijdrage van elke lidstaat aan de solidariteitspool (fair share) is gebaseerd op
het bruto binnenlands product en de bevolkingsomvang. Het meewegen van bevolkingsdichtheid
is bij de totstandkoming van de asiel- en migratiebeheerverordening door Nederland
meegenomen als factor in de onderhandelingen. Er was op dat moment geen meerderheid
voor het opnemen van bevolkingsdichtheid als factor voor het bepalen van het fair
share van lidstaten. Een heronderhandeling van de asiel- en migratiebeheerverordening
is momenteel niet aan de orde. Wel heeft het kabinet in een brief aan Eurocommissaris
Brunner aandacht gevraagd voor de unieke situatie van Nederland als gevolg van de
bevolkingsdichtheid en de druk die dit legt op publieke voorzieningen
Vraag 89
De leden van de SGP-fractie vinden dat de verdeelsleutel van de Crisisverordening
rekening zou moeten houden met de unieke demografische situatie van Nederland. Deelt
de regering de mening dat artikel 78 van het Pact ruimte biedt om een aangepaste verdeelsleutel
te hanteren?
Aangenomen wordt dat door de aan het woord zijnde leden wordt gedoeld op artikel 78
(derde lid) van het Werkingsverdrag van de Europese Unie (VWEU). Die bepaling biedt
de Raad een grondslag voor de vaststelling van voorlopige maatregelen ten gunste van
de betrokken lidstaat of lidstaten in de situatie dat die lidsta(a)t(en) door een
plotselinge toestroom van derdelanders in een noodsituatie terechtkomen. De bepaling
strekt niet tot het aanpassen van geldende Uniewetgeving vanwege de demografische
situatie in een lidstaat, op voorstel van een lidstaat. Enkel de Commissie kan een
voorstel in de zin van artikel 78, (derde lid) VWEU indienen, waarna de Raad na raadpleging
van het Europees Parlement besluit.
Vraag 90
Is de regering bereid draagvlak te zoeken voor een gewijzigde verdeelsleutel voor
de crisisverordening waarin de bevolkingsdichtheid nadrukkelijk wordt meegewogen?
Ook tijdens de totstandkoming van de Crisisverordening bestond er geen meerderheid
voor het opnemen van bevolkingsdichtheid als factor voor het bepalen van de verdeelsleutel.
Een heronderhandeling van de Crisisverordening is momenteel niet aan de orde.
Vraag 91
De leden van de SGP-fractie vinden dat de regering gesteld voor de keuze voor financiële
bijdrage of herplaatsing de draagkracht en situatie in het Nederlandse opvangsysteem
nadrukkelijk moet meewegen. Op dit moment heeft voor hen daarom een financiële bijdrage
de voorkeur boven herplaatsing van asielzoekers naar Nederland. Zij vragen wat de
financiële consequenties zijn indien Nederland kiest voor financiële bijdragen in
plaats van herplaatsing.
De hoogte van de solidariteitspool 2026 is door de Raad vastgesteld op 21.000 herplaatsingen
of 420 miljoen euro. Het fair share van Nederland is 5,2%, wat neerkomt op een financiële
bijdrage van 21,9 miljoen euro. Nederland heeft aangegeven financieel te zullen bijdragen.
In lijn met het regeerprogramma draagt Nederland financieel bij aan het solidariteitsmechanisme
zolang de opvangketen in Nederland niet op orde is. Tegelijkertijd werkt Nederland
aan bilaterale afspraken over het inzetten van Dublincompensaties uit het verleden
als solidariteitsbijdrage. Dit betekent dat Nederland een vermindering kan krijgen
van de financiële bijdrage aan de solidariteitspool. De omvang van deze vermindering
is de komende tijd onderdeel van gesprekken met de Europese Commissie.
Vraag 92
In hoeverre is voorzien in ophoging van deze financiële bijdrage over de jaren heen?
De solidariteitspool wordt jaarlijks vastgesteld op basis van hetgeen nodig is om
de migratiesituatie in dat komende jaar op evenwichtige en doeltreffende wijze aan
te pakken. Wat de jaarlijkse financiële bijdrage zal zijn, is daarom op dit moment
nog moeilijk in te schatten. Omdat het voor de cyclus van 2026 slechts een gedeelte
van het jaar betrof is de solidariteitspool lager ingezet. In 2027 en de navolgende
jaren zal bezien worden wat de kosten in deze jaren worden om op die manier een betere
inschatting over de jaren heen te kunnen maken. Uw Kamer wordt op een later moment
geïnformeerd over de verdeling van de investeringsenveloppen uit de budgettaire bijlage
van het coalitieakkoord waarin ook deze solidariteitsbijdrage is genoemd.
2.2. Uitgangspunten uitvoering en implementatie in nationale regelgeving
Vraag 93
De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering ervoor heeft gekozen om de
bestaande systematiek van de Vreemdelingenwet 2000 zoveel mogelijk in stand te houden.
Wat is volgens de regering de impact hiervan op de uitvoerbaarheid van de implementatiewet?
Zorgt deze keuze er volgens de regering voor dat bepaalde facultatieve aanscherpingen
uit het Pact niet kunnen worden ingevoerd?
Volgens de regering heeft de keuze om daar waar mogelijk de systematiek van de Vreemdelingenwet 2000
te handhaven geen consequenties voor de uitvoerbaarheid van deze Uitvoerings- en implementatiewet.
Deze wordt er eerder door gediend. Ook heeft die keuze niet geleid tot beperkingen
van de mogelijkheden bij de uitvoering en implementatie van het Asiel- en migratiepact.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Asielnoodmaatregelenwet en het voorstel voor
de Wet invoering tweestatusstelsel, die door de Kamer zijn aanvaard op 3 juli 2025,
vormgegeven zijn op basis van de stand van het Unierecht voor het toepasselijk worden
van het Pact. Een aantal maatregelen die in deze nationale wetten worden voorgesteld,
zijn ook terug te vinden in het Pact.
Vraag 94
Deze leden vragen of er onderdelen in de beide nationale wetten zitten die niet direct
in overeenstemming zijn met het Pact, nu het Pact toepasselijk is geworden na het
aanvaarden van de asielwetten door de Kamer.
Er zitten in het voorstel voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel
geen onderdelen die niet verenigbaar zijn met de inhoud van het Asiel- en migratiepact.
Wel bevat het voorstel voor de Asielnoodmaatregelenwet onderdelen die niet ook zijn
opgenomen in het onderhavige wetsvoorstel. Het gaat in het bijzonder om de verruiming
van de ongewenstverklaring, strafbaarstelling illegaliteit en de afschaffing van de
rechterlijke dwangsom. Deze laatste twee maatregelen zijn bij amendement aan het voorstel
voor de Asielnoodmaatregelenwet toegevoegd. Voor een overzicht van deze maatregelen
verwijst de regering naar de Kamerbrief die zij eerder aan uw Kamer zond en waarin
twee transponeringstabellen zijn opgenomen die duidelijk maken op welke onderdelen
er overlap bestaat tussen het onderhavige wetsvoorstel en de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet
en de Wet invoering tweestatusstelsel (Kamerstukken II 2025/26, 32 317, nr. 988).
De leden van de CDA-fractie lezen dat volgens de regering een strikte uitleg van het
overschrijfverbod, dat van toepassing is op verordeningen, niet past de in de situatie
van het asielrecht in onderhavig geval. Het Pact behelst namelijk een omvangrijk pakket
aan zowel materiële als procedurele regels. Deze leden begrijpen deze redenering in
het kader van een goede aansluiting op de nationale procedurele systematiek.
Vraag 95
Zij vragen wel of de andere lidstaten dezelfde visie hebben over het overschrijfverbod
in deze situatie.
De regering is niet bekend met de visie van andere lidstaten over het overschrijfverbod,
maar de regering vooronderstelt dat ook voor andere lidstaten zal gelden dat zij nationale
regels nodig hebben om te komen tot een werkend nationaal stelsel.
Vraag 96
De leden van de JA21-fractie constateren dat de nationale asielprocedure sterk wordt
vereenvoudigd. Hoeveel tijd zal een gemiddeld asielverzoek volgens de reguliere procedure
naar verwachting in beslag gaan nemen?
Het streven van de IND is om alle aanvragen binnen de wettelijke beslistermijn af
te handelen. Daarbij heeft de versnelde procedure altijd prioriteit, omdat deze een
kortere beslistermijn van drie maanden heeft.
Vraag 97
Verwacht de regering dat de vereenvoudiging van de asielprocedure (en andere maatregelen
die onderdeel vormen van het Pact) een effect zal sorteren op de inwilligingspercentages?
Kan de regering dit toelichten?
Het inwilligingspercentage laat zich niet makkelijk verklaren. De uitkomst van asielaanvragen
wordt immers gevormd door een samenhang van allerlei relevante variabelen, zoals de
samenstelling van de instroom en de actuele situatie in landen van herkomst. Dit zijn
veelal redenen die verband houden met de inhoudelijke merites van een zaak en de caseload
van de IND. Het ligt minder voor de hand dat een wijziging in de asielprocedure een
effect zal sorteren op de inwilligingspercentages omdat dit geen verband houdt met
de redenen voor bescherming.
Vraag 98
Wat zijn de belangrijkste beleidsvelden waar de nieuwe verordeningen nog specifieke
ruimte bieden voor nationaal beleid en kan de regering de daarin gemaakte keuzes toelichten?
De regering verwijst naar het antwoord op vraag 45.
Vraag 99
De leden van de JA21-fractie constateren dat de verordeningen ook facultatieve ruimte
laten om bepaalde aspecten nationaal in te vullen, zoals het als kennelijk ongegrond
of niet-ontvankelijk verklaren van asielverzoeken. Zijn er beleidsvelden of aspecten
van deze regelgeving waarbij de regering ervoor heeft gekozen om deze facultatieve
ruimte niet te benutten? Kan de regering dit toelichten?
De regering verwijst voor haar antwoord in algemene zin naar het antwoord op vraag
45. Ten aanzien van de afdoening van asielverzoeken als kennelijk ongegrond of niet-ontvankelijk,
merkt de regering op dat Nederland de facultatieve ruimte benut die de Procedureverordening
op deze onderdelen biedt.
Vraag 100
In welke gevallen kan het besluit worden genomen om verzoeken tot bescherming ongegrond
of niet-ontvankelijk te verklaren, volgens de ruimte die de verordening biedt? In
hoeverre worden deze gevallen nu opgenomen in de voorliggende wetgeving dan wel de
Asielnoodmaatregelenwet?
De asielaanvraag kan volgens de Procedureverordening worden afgewezen als ongegrond,
indien de aanvrager op grond van de Kwalificatieverordening niet in aanmerking komt
voor internationale bescherming. De wijze van beoordelen van de gegrondheid van het
asielverzoek volgt rechtstreeks uit de Kwalificatieverordening. De Procedureverordening
bevat voorts een facultatieve bevoegdheid om een verzoek niet-ontvankelijk te verklaren wanneer sprake is van een van de gronden genoemd in artikel 38,
eerste lid van die verordening. De regering benut deze ruimte door de bevoegdheid
tot niet-ontvankelijkverklaring expliciet te regelen in dit wetsvoorstel. Het voorstel
voor de Asielnoodmaatregelenwet bevat een voorgestelde wijziging die een strengere
toets aan nieuwe feiten en omstandigheden mogelijk maakt en die de zogenoemde verwijtbaarheidstoets
introduceert. Daarmee wordt het eenvoudiger om verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren,
conform de ruimte die de huidige Asielprocedurerichtlijn biedt.
Vraag 101
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering ervoor kiest om de bestaande
wettelijke systematiek zoveel mogelijk in stand te laten, maar benadrukt ook dat de
combinatie van verordeningen, richtlijnen en nationale wetgeving het zeer complex
en weinig overzichtelijk maakt. Dat is uiteraard zeer onwenselijk. Op welke manier
kan de regering ervoor zorgen dat het bestaande juridische kader in zijn totaliteit
voldoende helder en inzichtelijk is voor burgers? Welke rol ziet de regering hier
nog voor zichzelf weggelegd?
De regering is zich bewust van de complexiteit die door de gelaagdheid van regelgeving
ontstaat. Zij heeft dan ook geprobeerd om in de zeer uitvoerige memorie van toelichting
de werking van het nieuwe stelsel en de wijze waarop verschillende vormen van regelgeving
op elkaar inwerken zo goed mogelijk toe te lichten. Ook het Uitvoerings- en implementatiebesluit
Asiel- en migratiepact, waarin het onderhavige wetsvoorstel op het niveau van een
algemene maatregel van bestuur verder zal worden uitgewerkt, bevat een uitvoerige
en gedetailleerde artikelsgewijze toelichting. De regering heeft getracht zoveel mogelijk
bij de bestaande inrichting van het in de Vreemdelingenwet 2000 neergelegde stelsel
aan te sluiten, juist om de invoering van het nieuwe stelsel overzichtelijk, toegankelijk
en werkbaar te houden. Daarnaast geldt dat het Asiel- en migratiepact voorziet in
een systeem waarmee asielzoekers worden voorgelicht over de werking van de procedure.
Degenen die werkzaam zijn in de asielketen, waaronder ook rechtshulpverleners, zullen
via de geëigende routes hun kennis over de werking van het nieuwe stelsel op pijl
brengen.
Vraag 102
De termijnen voor behandeling van het beroep bij de rechter zijn op dit moment gekoppeld
aan procedures voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming alsook
aan verschillende gronden voor de afdoening van het verzoek, waarbij de regering aangeeft
het van belang te vinden die koppeling te behouden om de termijnen «op een heldere
manier te regelen». Kan de regering dat nader toelichten? Waarom is dat de meest heldere
manier?
Op grond van de Procedureverordening moeten de lidstaten in hun nationale recht redelijke
termijnen vaststellen waarbinnen de rechter moet beslissen op het ingediende beroep.
Om de doorwerking van het asielrecht uit het Asiel- en migratiepact in de Nederlandse
rechtsorde overzichtelijk, toegankelijk en werkbaar te houden, is het van belang om
de huidige systematiek van de Vreemdelingenwet 2000 zoveel mogelijk te behouden. Hieronder
valt ook de regeling over de termijnen voor behandeling van het beroep. Het invoeren
van een nieuwe regeling waarin andere termijnen worden gekoppeld aan verschillende
procedures voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming alsook
aan verschillende gronden voor de afdoening van het verzoek, zou weinig overzichtelijk
uitpakken.
Vraag 103
Welke ruimte biedt het acquis communautaire om die termijnen te wijzigen?
Verlening van de status als vluchteling of subsidiaire bescherming, het rechtmatig
verblijf en de geldigheidsduur worden nu geregeld met de verblijfsvergunning asiel,
maar er moet onderscheid worden gemaakt tussen de status en de verblijfstitel.
De norm die uit de Procedureverordening volgt, is dat de termijnen voor de behandeling
van een beroep redelijk moeten zijn. Bij het vaststellen van redelijke termijnen moet
in acht worden genomen dat verzoekers en personen van wie de internationale bescherming
wordt ingetrokken, recht hebben op een doeltreffende voorziening in rechte bij een
rechterlijke instantie overeenkomstig artikel 47 van het Handvest. Daarnaast is van
belang dat de behandeling van een beroep adequaat en volledig moet kunnen plaatsvinden,
en dat de rechterlijke instantie de beslissingen moet onderzoeken overeenkomstig de
fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II van de Procedureverordening
inzake de beroepsprocedure. Met de huidige regeling in de Vreemdelingenwet 2000 zijn
de termijnen voor behandeling van het beroep redelijk als bedoeld in de Procedureverordening.
Vraag 104
Wat gebeurt er als de geldigheidsduur van de verblijfstitel verloopt, maar niet is
vastgesteld dat dat de status van bescherming ook kan worden beëindigd? Hoe vaak is
de verwachting dat dit na inwerkingtreding van het pact zal voorkomen?
De verblijfstitel is het verblijfsdocument waaruit het rechtmatig verblijf blijkt
in de zin van artikel 9 Vw 2000. Aan de verblijfstitel is een geldigheidsduur gekoppeld.
De geldigheidsduur van de verblijfstitel dient steeds na drie jaar te worden verlengd.
Daarnaast is de verblijfsvergunning asiel de status waarmee de vreemdeling wordt erkend
als vluchteling of als subsidiair beschermde. Aan de verblijfsvergunning asiel is
geen geldigheidsduur gekoppeld. De verblijfsvergunning asiel bestaat totdat deze met
een besluit wordt ingetrokken overeenkomstig de regels voor intrekking van internationale
bescherming uit de Kwalificatieverordening. Het verstrijken van de geldigheidsduur
van de verblijfstitel leidt dan ook niet tot verlies van het verblijfsrecht en de
daarmee samenhangende rechten.
Vraag 105
De leden van de JA21-fractie constateren dat met het behoud van de wettelijke afdoeningsgronden
ook de aansluiting op de bepalingen in de Vw 2000 van toepassing blijft, waaronder
de schorsende werking van het beroep. Bij welke vormen van hoger beroep tegen welke
besluiten geldt een schorsende werking en bij welke niet? In hoeverre verplicht het
Europese recht de schorsende werking?
Hoger beroep heeft ingevolge de Procedureverordening geen schorsende werking. De Procedureverordening
en de Asiel- en migratiebeheerverordening bevatten een uitputtend kader voor de schorsende
werking van het beroep in eerste aanleg. De hoofdregel die is opgenomen in artikel
68, eerste en tweede lid van de Procedureverordening is dat het beroep in een asielzaak
schorsende werking heeft. Op deze hoofdregel gelden een aantal uitzonderingen, die
zijn opgenomen in artikel 68, derde lid Procedureverordening, in welk geval de rechter
op grond van 8:81 Awb kan worden verzocht een voorlopige voorziening te treffen zodat
de uitkomst van de procedure alsnog in Nederland kan worden afgewacht, dit volgt uit
artikel 68, vierde lid, Procedureverordening.
Vraag 106
De leden van de SGP-fractie vragen of is voorzien in een voorhang- of nahangprocedure
bij Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) op grond van deze wet. Zo ja, op welke
onderdelen? Zo nee, waarom niet?
Het wetsvoorstel voorziet niet in een voorhang of een nahangprocedure. Op een aantal
onderdelen bevat het onderhavige wetvoorstel een grondslag om nadere regels te stellen
bij algemene maatregel van bestuur (verwezen zij naar het antwoord op vraag 2). Voor
zover van die grondslagen gebruik wordt gemaakt zal die uitwerking plaatsvinden in
het Vreemdelingenbesluit 2000. Voor wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 is
ook op dit moment geen voor- of nahangprocedure voorgeschreven. Dit sluit aan bij
het algemene wetgevingsbeleid om zeer terughoudend te zijn met voor- of nahangprocedure.
De regering heeft geen aanleiding gezien om van dit uitgangspunt af te wijken.
3. Terugkeer in het Asiel- en migratiepact
3.1. Relevantie Terugkeerrichtlijn
Vraag 107
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Terugkeerverordening nog geen onderdeel
is van dit wetsvoorstel omdat het Europese wetgevingstraject hiervoor nog niet is
afgerond. Verwacht de regering dat, in lijn met de wens van de Europese Commissie,
de Terugkeerverordening alsnog tegelijk met het Pact wordt geïmplementeerd?
Over de Terugkeerverordening is nog geen akkoord bereikt tussen de Unie-wetgevers.
Op 9 maart heeft het Europees Parlement positie ingenomen, waarna besprekingen tussen
de Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie (de zogenaamde triloog) kunnen
starten. De regering zet in op een spoedige afronding van de onderhandelingen, zodat
de implementatie van de verordening zo snel mogelijk kan starten.
Vraag 108
Verwacht de regering voorts dat voor een volledige implementatie van deze verordening
een supplementair wetsvoorstel opgesteld dient te worden?
Op dit moment wordt er nog over de inhoud van de Terugkeerverordening onderhandeld.
Voor zover het nodig zal zijn om ter uitvoering van die verordening nadere regels
te stellen, dan is de enige mogelijkheid die daarvoor bestaat een wetstraject te initiëren.
Vraag 109
De leden van de JA21-fractie vragen of de automatische schorsende werking van beroep
tegen terugkeerbesluiten wordt beperkt tot gevallen waarin een reëel risico op schending
van het non-refoulementbeginsel bestaat.
Over de Terugkeerverordening is nog geen akkoord bereikt tussen de Unie-wetgevers,
hierover vinden nog onderhandelingen plaats. In het voorstel van de Commissie voor
een Terugkeerverordening is geregeld dat alle terugkeerbesluiten, inreisverboden en
verwijderingsbesluiten automatisch schorsende werking hebben gedurende de beroepstermijn.
In het Commissievoorstel is automatisch schorsende werking van beroep dus niet beperkt
tot terugkeerbesluiten waarbij een reëel risico op schending van het non-refoulementbeginsel
bestaat. In de Raadspositie die eind 2025 is vastgesteld is de bepaling omtrent schorsende
werking gewijzigd waardoor automatisch schorsende werking niet langer een standaardgegeven
is. Uit de Raadspositie volgt dat schorsende werking ofwel op verzoek kan worden toegekend
of ambtshalve en dat het aan de lidstaten zelf is om te bepalen hoe dit wordt ingericht.
Vraag 110
Klopt het dat de verordening daarin meer mogelijkheden biedt? Zo ja waarom wijkt Nederland
daarvan af?
Zoals hierboven toegelicht volgt uit de Raadspositie dat schorsende werking ofwel
op verzoek kan worden toegekend of ambtshalve en dat het aan de lidstaten zelf is
om te bepalen hoe dit wordt ingericht. Op dit moment is het Europese wetgevingstraject
nog niet afgerond en is het dus nog niet mogelijk om de Terugkeerverordening op nationaal
niveau te implementeren. Nationale keuzes ten behoeve van de implementatie van de
Terugkeerverordening zijn daarmee nog niet gemaakt.
Vraag 111
Wat is het huidige terugkeerpercentage van afgewezen asielzoekers uit Nederland, uitgedrukt
als percentage van het totaal aantal personen met een vertrekplicht?
DTenV maakt geen onderscheid tussen vreemdelingen met en zonder asielverleden. Van
alle vreemdelingen die in 2025 uit de caseload van DTenV zijn vertrokken, betrof 58%
aantoonbaar vertrek.
Vraag 112
Wat is de ambitie op dat vlak?
Het uitgangspunt van het Nederlandse terugkeerbeleid is dat alle vertrekplichtige
vreemdelingen die kunnen vertrekken, moeten vertrekken uit Nederland. Nederland zet
doorlopend langs verschillende sporen in op het realiseren van meer terugkeer. Om
meer terugkeer te realiseren worden ook verschillende instrumenten gebruikt, zowel
door Nederland zelf, als in EU verband. De regering verwijst in dat kader ook naar
de antwoorden hieronder op de opvolgende vragen van de leden van de JA21-fractie.
Vraag 113
Met welke specifieke derde landen worden terugnameovereenkomsten nagestreefd of vernieuwd?
Kan de regering per land de stand van zaken vermelden?
Nederland onderhandelt en sluit terug- en overnameovereenkomsten met derde landen
doorgaans in Benelux-verband. Daarnaast onderhandelt en sluit ook de EU terug- en
overnameovereenkomsten met derde landen. In 2025 heeft Nederland in Benelux-verband
terug- en overnameovereenkomsten gesloten met Belize, Kirgizië en Suriname. Daarnaast
wordt op dit moment in Benelux-verband met meer dan een tiental derde landen onderhandeld
over terug- en overnameovereenkomsten. Deze onderhandelingen zijn in verschillende
stadia en er kan nog niet vooruit worden gelopen op de uitkomsten. De EU is op dit
moment in een ver gevorderd stadium in de onderhandelingen met Nigeria. Ook onderhandelt
de EU met enkele andere landen. Deze onderhandelingen zijn nog niet vergevorderd.
Er kan dan ook nog niet vooruit worden gelopen op de uitkomsten.
Vraag 114
Wat is de concrete tijdlijn voor het sluiten van nieuwe terugnameakkoorden?
Dit verschilt erg van onderhandeling tot onderhandeling en is afhankelijk van de opstelling
van derde landen. Het onderhandelingsproces over terug- en overnameovereenkomsten
heeft zijn eigen dynamiek en kan de ene keer weerbarstig zijn, maar kan de andere
keer ook soepel verlopen als de partijen het snel eens kunnen worden over de inhoudelijke
bepalingen.
Vraag 115
Met welke landen verwacht de regering binnen twaalf maanden een overeenkomst te bereiken?
Op dit moment kan geen concrete verwachting worden uitgesproken over ondertekening
van een nieuwe terug- en overnameovereenkomst door de Benelux met een derde land binnen
twaalf maanden. In Benelux-verband worden op dit moment onderhandelingen gevoerd met
meer dan een tiental derde landen. Zodra ondertekening in beeld komt zal de Tweede
Kamer hierover worden geïnformeerd. Daarnaast is de verwachting dat de EU binnen twaalf
maanden een terug- en overnameovereenkomst zal ondertekenen met Nigeria.
Vraag 116
De leden van de JA21-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat uitgeprocedeerden langdurig
in Nederland verblijven zonder rechtmatig verblijf, zonder dat feitelijke uitzetting
plaatsvindt.
Wanneer vreemdelingen geen recht (meer) hebben om in Nederland te verblijven worden
ze vertrekplichtig en moeten zij Nederland verlaten. Nederland zet zich ervoor in
om zoveel als mogelijk vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf te laten terugkeren.
De meeste vreemdelingen vertrekken zelfstandig, zonder inzet van de overheid. Wanneer
vreemdelingen die Nederland moeten verlaten niet zelfstandig vertrekken, komt gedwongen
terugkeer in beeld. Verschillende factoren zijn essentieel om gedwongen terugkeer
te kunnen realiseren. Zo moeten de vreemdelingen in beeld zijn bij de Nederlandse
autoriteiten. Om vreemdelingen in beeld te houden kan in sommige gevallen gebruik
worden gemaakt van vreemdelingenbewaring. In 2025 is het aantal plekken voor vreemdelingenbewaring
uitgebreid. Een andere belangrijke factor bij het kunnen realiseren van gedwongen
terugkeer is de medewerking van derde landen. Als een vreemdeling geen reisdocumenten
heeft dan kan een derde land, naar welke de vreemdeling terug moet keren, vervangende
reisdocumenten afgeven. Goede terugkeersamenwerking met derde landen is daarom essentieel.
Om terugkeersamenwerking met derde landen te versterken, worden verschillende instrumenten
ingezet, zowel door Nederland zelf, als in EU verband. Zo sluiten Nederland en de
EU terug- en overnameovereenkomsten met derde landen. Daarnaast ontwikkelt Nederland
brede gelijkwaardige en duurzame partnerschappen met voor Nederland belangrijke landen
van herkomst- en transit waar samenwerking op het gebied van terugkeer een onderdeel
van kan zijn. Om de terugkeersamenwerking met derde landen te verbeteren zet Nederland
ook in op maatregelen in EU-verband. Denk hierbij aan de mogelijkheid om negatieve
visummaatregelen te nemen tegen derde landen onder artikel 25bis van de Visumcode.
In Europa heeft Nederland de laatste jaren verder aangedrongen op de herziening van
de Terugkeerrichtlijn om zo de terugkeerprocedure te versimpelen, administratieve
lasten te verminderen, te zorgen voor een eenvoudiger en efficiënter Europees terugkeerproces
en mogelijkheden te creëren voor innovatieve oplossingen, bijvoorbeeld terugkeer-
en transithubs. De Europese Commissie heeft op 11 maart 2025 een voorstel voor een
nieuwe terugkeerverordening gepresenteerd, ter vervanging van de huidige richtlijn.
In de EU worden onderhandelingen gevoerd over de uiteindelijke tekst van de terugkeerverordening.
Vraag 117
Wat is de gemiddelde duur tussen definitieve afwijzing en daadwerkelijk vertrek en
met welke concrete maatregelen wordt deze termijn verkort?
Het is niet mogelijk om een valide uitspraak te doen over een gemiddelde duur. De
tijd tussen definitieve afwijzing en daadwerkelijk vertrek kent grote onderlinge verschillen,
afhankelijk van het procedurele verloop en de individuele situatie. De tijd die gemoeid
is met het daadwerkelijk vertrek is in belangrijke mate afhankelijk van de opstelling
van de vreemdeling. In eerste instantie wordt altijd ingezet op vrijwillig vertrek.
Voor de meeste herkomstlanden geldt dat vrijwillig vertrek relatief snel kan worden
geeffectueerd. Het kan echter voorkomen dat bij ontbreken van documenten identiteitsvaststelling
door het herkomstland wat langer duurt. Wanneer ingezet moet worden op gedwongen vertrek
ontstaat er een nog grotere variëteit in de doorlooptijden, afhankelijk van de mate
van medewerking van landen van herkomst. Een omvangrijk deel van de vertrekplichtige
vreemdelingen vertrekt zonder toezicht, zonder dat daarbij vast te stellen is waarheen
zij zijn vertrokken. Bij deze categorie kan nog lastiger duiding worden gegeven over
de termijn tussen afwijzing en daadwerkelijk vertrek. In hoofdlijn veranderen de instrumenten
van het Asiel- en migratiepact de bovenbeschreven afhankelijkheden niet. Op dit moment
wordt, zoals uw Kamer bekend is, gewerkt aan een nieuwe Terugkeerverordening. Aanpassingen
daarin kunnen mogelijk wel directe invloed hebben op dit vraagstuk.
Vraag 118
Het functioneren van de grensprocedure, waarbij asielzoekers van wie de aanvraag wordt
afgewezen niet worden toegelaten tot het grondgebied, is, met name in landen als Italië
en Griekenland, van groot belang voor de werking van het Pact. Beschikken deze landen
volgens de regering over voldoende capaciteit hiertoe?
Specifiek voor de asielgrensprocedure heeft de Europese Commissie voor elke EU-lidstaat
de «passende (of toereikende) capaciteit» berekend. Dit is de capaciteit voor opvang
en personele middelen die alle lidstaten beschikbaar moeten hebben voor asielgrens-
en terugkeergrensprocedures. Deze capaciteit dient beschikbaar te zijn als het Asiel-
en migratiepact op 12 juni 2026 van toepassing wordt. De Europese Commissie monitort
nauwgezet of de EU-lidstaten op schema liggen voor een tijdige implementatie van het
Pact, waaronder ook het beschikbaar hebben van de voor hen vastgestelde capaciteit.
De Commissie rapporteert hierover periodiek. Het eerstvolgende rapport wordt verwacht
in maart/april 2026 en uw Kamer zal hierover, net als over de voorafgaande rapporten,
worden geïnformeerd.
Vraag 119
Wat gebeurt er als daar te weinig opvangplekken zijn?
Indien de in het antwoord op vraag 118 omschreven toereikende capaciteit van een lidstaat
wordt bereikt, hoeft die lidstaat niet langer grensprocedures uit te voeren, tenzij
er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de verzoeker een gevaar vormt voor de
nationale veiligheid of de openbare orde van de lidstaat. Een lidstaat dient de Europese
Commissie te berichten dat deze zijn toereikende capaciteit heeft bereikt.
3.2. Uitsluiten toepasselijkheid Terugkeergrensprocedureverordening
Vraag 120
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat indien na 12 weken terugkeer nog
niet is gerealiseerd, dat de terugkeerprocedure uit de Terugkeerrichtlijn van toepassing
is. Kan de regering nader toelichten wat dit precies inhoudt?
Uit artikel 4, vierde lid, van de Terugkeergrensprocedureverordening volgt inderdaad
dat als, na afwijzing van de asielaanvraag in de asielgrensprocedure, na 12 weken
de terugkeer nog niet gerealiseerd is de terugkeerprocedure uit de Terugkeerrichtlijn
van toepassing is. Dat betekent dat na 12 weken de Terugkeergrensprocedureverordening
niet meer van toepassing is. De lidstaat dient vanaf dat moment voor het realiseren
van terugkeer de regels uit de Terugkeerrichtlijn te volgen. De regering heeft er
echter voor gekozen om zowel de toepassing van de Terugkeergrensprocedureverordening
als de Terugkeerrichtlijn grotendeels uit te sluiten bij het realiseren van terugkeer
aan de grens van asielzoekers na afwijzing van hun asielaanvraag in de asielgrensprocedure.
Dat betekent dat Nederland niet gebonden is aan artikel 4, vierde lid, van de Terugkeergrensprocedure
en de terugkeerprocedure uit de Terugkeerrichtlijn niet toepast indien na 12 weken
terugkeer nog niet gerealiseerd is.
Vraag 121
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat terugkeerbeslissingen niet eerst
via vrijwillig vertrek verlopen, zoals wel in de EU-beginselen staat. Waarom is de
optie tot vrijwillig vertrek niet opgenomen in de grensprocedure?
Zoals hierboven toegelicht, heeft de regering ervoor gekozen om de toepassing van
de Terugkeergrensprocedure grotendeels uit te sluiten. Dat betekent dat de bepaling
in de Terugkeergrensprocedureverordening die betrekking heeft op het toekennen van
een termijn voor vrijwillig vertrek (artikel 4, vijfde lid) niet van toepassing is.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat, ook al zou artikel 4, vijfde lid, van de Terugkeergrensprocedureverordening
wel van toepassing zijn, daaruit eveneens volgt dat geen termijn voor vrijwillig vertrek
wordt toegekend aan vreemdelingen indien er een risico op onderduiken bestaat, of
indien het verzoek om internationale bescherming in de asielgrensprocedure is afgewezen
als kennelijk ongegrond, of indien de vreemdeling een risico vormt voor de openbare
orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid van de lidstaten. Bovendien
wordt een dergelijke termijn volgens artikel 4, vijfde lid, enkel toegekend op verzoek
van de vreemdeling en heeft de vreemdeling gedurende die termijn niet het recht om
het grondgebied van de betrokken lidstaat binnen te komen. Dit maakt dat het toekennen
van een vrijwillige vertrektermijn aan een vreemdeling wiens asielaanvraag in de asielgrensprocedure
is afgewezen en die niet wordt toegelaten tot het grondgebied van de lidstaat, geen
vanzelfsprekendheid is, ook indien de Terugkeergrensprocedureverordening wel van toepassing
zou zijn.
Vraag 122
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering stelt dat het realiseren
van vertrek alleen in uitzonderingsgevallen meer tijd zal kosten dan de genoemde maximale
termijnen en uiteraard is het uitgangspunt dat detentie zo kort mogelijk duurt zodat
de vreemdeling kan terugkeren. In welke gevallen voorziet de regering dat terugkeer
langer dan de zes maanden zal duren en met nog een jaar kan worden verlengd?
Het is niet zo dat de regering voorziet dat terugkeer van vreemdelingen langer dan
zes maanden zal duren. Wanneer vertrekplichtige vreemdelingen bereid zijn (mee) te
werken aan vertrek, dan is dit in de regel op relatief korte termijn te realiseren.
Wanneer personen niet bereid zijn mee te werken aan vertrek dan wel indien zij het
vertrekproces frustreren, dan kan dat betekenen dat vertrek niet binnen een termijn
van zes maanden kan worden gerealiseerd en verlenging noodzakelijk is.
Vraag 123
Kan de detentie die in deze procedure (als ultimum remedium) tot de mogelijkheden
behoort ook worden uitgevoerd buiten Nederland, in een ander EU-land of in een derde
land, en onder welke voorwaarden?
Indien de asielaanvraag van een vreemdeling in de asielgrensprocedure is afgewezen,
wordt de toegang tot Nederland en het Schengengebied geweigerd. De bewaring die nadien
wordt opgelegd ten behoeve van het realiseren van terugkeer vindt plaats in de buurt
van de buitengrens, omdat geen sprake is van toegang tot Nederland. Het verblijf in
een dergelijke locatie wordt niet beschouwd als verblijf op het grondgebied van Nederland.
Dat leidt er evenwel niet toe dat bewaring in een ander EU-land of in een derde land
ten uitvoer kan worden gelegd.
Vraag 124
Hoeveel plekken zijn nu beschikbaar voor deze vorm van detentie en voldoen die aan
dezelfde kwaliteitsvoorwaarden als bij detentie na strafrechtelijke veroordeling (los
van de gezinslocatie in Zeist?), of gelden daarvoor andere voorwaarden?
Binnen Nederland wordt de asielgrensprocedure door de IND afgehandeld op het Aanmeldcentrum
van Justitieel Complex Schiphol. Hiertoe zijn 192 geoormerkte plekken beschikbaar.
Hierop is het Reglement regime grenslogies van toepassing.
Vraag 125
In welke gevallen wordt een medische escorte ingezet ten behoeve van de uitzetting?
Hoe vaak is dit de afgelopen jaren gedaan?
Medische escortering wordt ingezet als door Bureau Medische Advisering (BMA) van de
IND is geoordeeld dat de vreemdeling kan reizen onder de (reis-)voorwaarde dat een
medische escort wordt ingezet. De vreemdeling kan zelf om een BMA-beoordeling vragen,
in het kader van artikel 64 Vw 2000, of in het kader van een beroep op het arrest
C.K. (tijdens de Dublin-procedure). Als tijdens de vertrekprocedure of overdracht
naar een andere lidstaat blijkt dat sprake is van een medische situatie die mogelijk
een beletsel kan zijn om het vertrek uit Nederland te effectueren, kan ook de regievoerder
van DTenV een verzoek om een schriftelijk advies aan BMA doen om zo spoedig mogelijk
duidelijkheid te krijgen of deze omstandigheid een beletsel vormt om te kunnen reizen.
Bijgaand een overzicht van het totaal aantal definitieve vluchten met medische escorts
over de afgelopen jaren. Dit betreft het totaal aantal vluchten met medische escorts,
dus zowel voor gedwongen als zelfstandig vertrek met medische escorts. Het is niet
mogelijk om hier een onderscheid tussen te maken, nu dat niet wordt geregistreerd.
Jaar
Aantal definitieve vluchten met medische escort
2022
152
2023
142
2024
263
2025
284
2026 (t/m februari)
42
Eindtotaal
883
4. Uitvoering Kwalificatieverordening (EU) 2024/1347
4.1. Algemeen
Vraag 126
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering ervoor kiest deze implementatiewet
op 12 juni 2026 in werking te laten treden. Voorwaarden voor gezinshereniging worden
in deze wet aangescherpt. Het kan dus zijn dat personen die voor 12 juni wel voldeden
aan de voorwaarden voor gezinshereniging dat na 12 juni niet meer doen. Wordt er voor
deze gevallen gezorgd voor overgangsrecht?
De regering dankt de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA voor deze vraag. Het
wetsvoorstel zal onmiddellijke werking hebben. Dat betekent dat de aangescherpte voorwaarden
voor gezinshereniging ook van toepassing zullen zijn op lopende aanvragen. Er is op
dit punt niet voorzien in overgangsrecht. In artikel IX van het wetsvoorstel worden
een aantal uitzonderingen op het uitgangspunt van onmiddellijke werking gemaakt voor:
lopende asielprocedures waarin al een voornemen is uitgebracht; verblijfsvergunningen
asiel voor onbepaalde tijd die reeds zijn verleend; verkorte uitspraaktermijnen voor
de rechter, zoals opgenomen in het voorgestelde artikel 94 Vw 2000, en ambtshalve
rechterlijke toetsing bij de voortduring van bewaring, zoals opgenomen in het nieuwe
artikel 96a Vw 2000. Afgezien van het voorgaande heeft de regering aanleiding gezien
om zekerheidshalve nog eens goed naar het overgangsrecht te kijken. Dit heeft geleid
tot een nota van wijziging die bij deze nota naar aanleiding van het verslag is gevoegd
en waarmee een aantal beperkte onderdelen aan het overgangsrecht wordt toegevoegd.
Deze onderdelen regelen dat sommige elementen uit de oude procedure van toepassing
blijven op de aanvragen die zijn ingediend voor 12 juni 2026. Daarmee beoogt de regering
nadrukkelijker recht te doen aan artikel 79, derde lid Procedureverordening, terwijl
het uitgangspunt van onmiddellijke werking gehandhaafd blijft.
Vraag 127
Kan de regering onderbouwing geven dat de onmiddellijke werking van de beperkingen
ten aanzien van gezinshereniging niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel
en het vertrouwensbeginsel?
Zowel het rechtszekerheidsbeginsel als het vertrouwensbeginsel zijn geen absolute
normen. De regering erkent dat een bestaande wettelijke regeling verwachtingen kan
wekken over de wijze waarop een aanvraag zal worden beoordeeld. Tegelijkertijd kunnen
dergelijke verwachtingen niet onder alle omstandigheden en onverkort worden gerespecteerd.
Bij iedere wetswijziging moet het belang dat gediend is met het respecteren van de
bestaande verwachtingen worden afgewogen tegen andere belangen die gediend zijn bij
een onmiddellijke werking. Daarbij wijst de regering erop dat het Nederlandse asielsysteem
in de huidige vorm onhoudbaar is: de asielopvang zit vol, asielaanvragen kunnen niet
tijdig worden verwerkt. Op dit moment bestaan er grote achterstanden. Het onverkort
eerbiedigen van bestaande verwachtingen betekent dat de wetswijziging de komende jaren
onvoldoende werking zal hebben en de IND lange tijd met twee verschillende naast elkaar
bestaande normenstelsels moet werken. Die consequentie acht de regering onwenselijk,
ook omdat zij geen recht doet aan de doelstelling die met het onderhavige wetsvoorstel
om de asielketen op orde te brengen en de asielprocedure verder te vereenvoudigen.
De leden van de PVV-fractie vragen een nadere toelichting op het onderscheid tussen
de status van internationale bescherming en de verblijfstitel op grond waarvan de
bezitter van de status legaal op het grondgebied mag blijven. Deze leden lezen in
de memorie van toelichting dat het louter verlopen van de geldigheidsduur van de verblijfstitel
niet impliceert dat de status eindigt, maar dat daarvoor een formele intrekking is
vereist.
Vraag 128
Kan de regering uitleggen waarom een verblijfstitel met een beperkte duur van enkele
jaren wordt afgegeven, als het verlopen ervan geen gevolgen heeft voor het rechtmatig
verblijf, zolang er geen intrekking plaatsvindt?
De aard van asielbescherming zoals deze voortvloeit uit Europese wetgeving en jurisprudentie
is dat deze per definitie tijdelijk is en dat enkel dient te worden voorzien in een
asielstatus zolang deze bescherming noodzakelijk is. Met de kortere duur van de geldigheidsduur
van de verblijfstitel wil de regering primair het tijdelijke karakter van asielbescherming
benadrukken, zoals ook een groot aantal andere lidstaten een kortere duur dan vijf
jaar hanteert. De wijziging brengt het Nederlandse asielbeleid daarmee meer in lijn
met dat van andere lidstaten, met als doel Nederland niet aantrekkelijker te laten
zijn dan andere lidstaten als bestemmingsland.
Vraag 129
De leden van de PVV-fractie vragen of het juist is dat de regering bewust kiest voor
een marginale toetsing bij het verlopen van een tijdelijke asielvergunning, waarbij
slechts oppervlakkig wordt nagegaan of de grond voor internationale bescherming nog
bestaat, zonder dat een volledige herbeoordeling plaatsvindt.
Indien er signalen zijn dat de redenen voor internationale bescherming niet langer
aanwezig zijn zal een inhoudelijke beoordeling plaatsvinden. Dit kan bijvoorbeeld
zijn op basis van een veranderde situatie in het land van herkomst die heeft geleid
tot aangepast landenbeleid of veranderde individuele omstandigheden van de vreemdeling.
Tot een dergelijke inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de verleende
bescherming hoeft niet gewacht te worden tot dat de duur van de verblijfstitel is
verlopen. De aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfstitel wordt
grotendeels marginaal en geautomatiseerd getoetst. Deze werkwijze voor de behandeling
van verlengingsaanvragen bestaat reeds in de huidige uitvoeringspraktijk en blijft
gehandhaafd.
Vraag 130
De leden van de PVV-fractie vragen of de IND altijd overgaat tot herbeoordeling wanneer
een nieuw ambtsbericht wordt gepubliceerd en het landenbeleid wordt aangepast.
Alvorens er overgegaan kan worden tot het herbeoordelen van verleende verblijfsvergunningen
zal eerst voldaan moeten worden aan de Unierechtelijke voorwaarden om tot intrekking
van een reeds verleende vergunning over te gaan. Concreet betekent dit dat bij veranderde
omstandigheden in het land van herkomst beoordeeld wordt of de wijziging van omstandigheden
een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële
risico op ernstige schade weg te nemen.
Of dit het geval is hangt af van de context in een bepaald land van herkomst en de
ontwikkelingen die plaatsvinden gedurende een verslagperiode. Er kan dus niet zonder
meer gesteld worden dat er bij elk ambtsbericht en aanpassing van het landenbeleid
overgegaan zal worden tot herbeoordeling.
Vraag 131
In welke gevallen gaat de IND over tot herbeoordeling van een verblijfsvergunning?
Hoe vaak is dit in de afgelopen vijf jaar voorgekomen?
Naast de gevallen die genoemd zijn in het antwoord op vraag 130 kan de IND ook in
individuele zaken overgaan tot het herbeoordelen van een verblijfsvergunning. Dit
kan onder andere naar aanleiding van signalen die wijzen op het komen te vervallen
van de grond voor bescherming al dan niet in samenhang met overige zaakgebonden aspecten.
In de afgelopen vijf kalenderjaren heeft in 4.670 asielzaken een herbeoordelingsprocedure
plaatsgevonden.
Vraag 132
Deze leden vragen voorts om een concrete kwantificering van de effectiviteit van het
beleid. Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar een verblijfsvergunning asiel herbeoordeeld?
In de afgelopen vijf kalenderjaren heeft in 4.670 asielzaken een herbeoordelingsprocedure
plaatsgevonden.
Vraag 133
In hoeveel van die gevallen is de internationale bescherming vervolgens komen te vervallen?
In de afgelopen vijf kalenderjaren zijn 1.190 asielvergunningen ingetrokken. Dit gaat
zowel om vergunningen die zijn verleend op grond van artikel 29, eerste lid (internationale
bescherming) als om vergunningen die zijn verleend op grond van artikel 29, tweede
lid (gezinsleden van internationaal beschermden).
Vraag 134
In hoeveel van die gevallen is de vreemdeling daadwerkelijk uit Nederland vertrokken?
Om te bepalen hoeveel vreemdelingen van wie de asielvergunning is ingetrokken uit
Nederland zijn vertrokken, is een complexe analyse nodig die niet op korte termijn
is te realiseren.
Vraag 135
De leden van de JA21-fractie vragen in hoeverre wordt getoetst op artikel 8 van de
Verordening over de mogelijkheid tot binnenlandse bescherming en of deze praktijk
verandert. De vluchtelingenstatus kan worden ingetrokken op grond van «cessation»
of «exclusion» causes of als blijkt dat relevante feiten zijn achtergehouden, verkeerd
weergegeven, en/of valse documenten zijn gebruikt.
De toets of binnenlandse bescherming beschikbaar is blijft bestaan ook onder de Kwalificatieverordening.
Dit betekent dat als sprake kan zijn van vervolging of geweld altijd ook wordt gekeken
of hiertegen de bescherming van de autoriteiten of feitelijke machthebbers in het
land van herkomst kan worden ingeroepen. Dit blijft een individuele beoordeling waarbij
soms in het landenbeleid voor specifieke groepen wordt aangegeven dat het vragen van
bescherming niet mogelijk is. Indien blijkt dat relevante feiten zijn achtergehouden,
kan dit voor de IND aanleiding zijn om een herbeoordelingsprocedure op te starten.
Vraag 136
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar een status ingetrokken vanwege het verkeerd weergeven
van feiten, het weglaten van feiten, dan wel het tonen van valse documenten, en wanneer
werd dat vastgesteld? In welke mate wordt naderhand gecontroleerd op deze feiten en
wanneer wordt daartoe besloten? Graag een toelichting.
Sinds 2022 tot en met 2025 zijn 100 asielvergunningen ingetrokken omdat er sprake
was van onjuiste gegevens.1 Wanneer de IND signalen ontvangt die een mogelijke aanleiding vormen voor een herbeoordeling,
bijvoorbeeld signalen over fraude of onjuiste gegevens, beoordeelt de IND eerst of
er sprake is van een intrekkingsgrond. De bewijslast dat er sprake is van een intrekkingsgrond
rust bij de IND.
Vraag 137
De leden van de JA21-fractie vragen hoe het recht op repatriëring op grond van Hoofdstuk
VI artikel 36 gestalte krijgt. Kan de regering toelichten wat dat behelst en hoe vaak
daarvan gebruik wordt gemaakt?
Een statushouder die wenst terug te keren naar zijn land van herkomst is vrij om dat
te doen. Indien nodig kan daarbij ondersteuning worden geboden door de Dienst Terugkeer
en Vertrek, de Internationale Organisatie voor Migratie of non-gouvernementele organisaties.
Deze ondersteuning staat in beginsel ook open voor personen die internationale bescherming
hebben. Terugkeer naar het land van herkomst heeft wel consequenties voor het verblijfsrecht
in Nederland. Voorwaarde voor de ondersteuning bij terugkeer is wel dat het verblijfsrecht
in Nederland wordt opgegeven
Vraag 138
De Kwalificatieverordening en het nationale beleid openbare orde bij verlening en
intrekking van asielvergunningen maken het mogelijk om bij bepaalde misdrijven een
asielvergunning te weigeren of in te trekken en een inreisverbod op te leggen. Welke
ruimte is er op grond van deze wetgeving en de bijbehorende jurisprudentie om te komen
tot een uitbreiding van het weigeren en intrekken van de vergunningen? Is het mogelijk
om een beleidslijn te hanteren waarin voor asielzoekers en statushouders die zijn
veroordeeld voor gewelds- en zedendelicten wordt overgegaan tot intrekking of weigering
van de vergunning?
De formulering in de Kwalificatieverordening beoogt een mate van harmonisatie aan
te brengen in de uitvoeringspraktijk van de lidstaten. Het is dus uitdrukkelijk niet
een bepaling die veel ruimte laat voor extensieve nationale invulling. Daarbij is
van belang dat deze bepalingen aansluiten bij de reeds van kracht zijnde Kwalificatierichtlijn
op dit punt. De beleidsinzet, zoals ook uiteengezet in de brief aan de Tweede Kamer
van 18 december 2024 (Kamerstukken II 2024/25, 19 637, nr. 3327), is en blijft bij veroordelingen in te zetten op verblijfsbeëindiging waar mogelijk.
De IND zal vanzelfsprekend daartoe handelen binnen de ruimte die het Pact geeft.
De leden van de BBB-fractie merken op dat een belangrijke wijziging is dat het Nederlandse
eenstatusstelsel wordt losgelaten. Waar voorheen iedereen die internationale bescherming
kreeg één uniforme asielstatus ontving, wordt nu verplicht onderscheid gemaakt tussen
twee afzonderlijke statussen: de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus.
De IND moet voortaan expliciet vaststellen welke van deze twee statussen wordt toegekend.
De leden van de BBB-fractie constateren dat, hoewel de verordening rechtstreeks werkt
in de lidstaten, de verblijfsvergunning asiel een nationaal besluit blijft. Er ontstaat
daarmee een duidelijke scheiding tussen de internationale beschermingsstatus (die
voortvloeit uit het Unierecht) en de nationale verblijfstitel. De beschermingsstatus
blijft bestaan totdat deze formeel wordt ingetrokken. De verblijfstitel zelf krijgt
een geldigheidsduur van drie jaar en kan telkens met drie jaar worden verlengd. De
asielvergunning voor onbepaalde tijd wordt afgeschaft. Dit past binnen het uitgangspunt
van de verordening dat internationale bescherming in beginsel tijdelijk van aard is.
Dat betekent echter niet dat langdurig verblijf onmogelijk wordt: daarvoor blijven
andere routes bestaan, zoals de EU-langdurig-ingezetenstatus, een verblijfsrecht op
grond van artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) of naturalisatie.
Vraag 139
Hoe voorkomt de regering dat het striktere nareisregime voor subsidiair beschermden
volledig wordt uitgehold via procedures op basis van artikel 8 EVRM, waarbij rechters
alsnog verblijf afdwingen?
Als niet aan de aanvullende voorwaarden voor nareis bij subsidiair beschermden wordt
voldaan, wordt ambtshalve doorgetoetst aan artikel 8 van het EVRM. Bij de ambtshalve
toets aan artikel 8 van het EVRM wordt beoordeeld of de afwijzing van de nareisaanvraag
tot een schending van artikel 8 van het EVRM leidt. In dat verband wordt een belangenafweging
verricht tussen het belang van de vreemdeling tot gezinshereniging en het belang van
de Nederlandse staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. De regering
beschouwt artikel 8 van het EVRM als ondergrens en bij de belangenafweging staan de
individuele feiten en omstandigheden centraal. Hoe zwaar die belangen wegen wordt
steeds per concreet geval bepaald. In uitzonderlijke gevallen kan de conclusie zijn,
al dan niet door tussenkomst van de rechter, dat moeten worden berust in toelating
en verblijf in Nederland.
Vraag 140
Kan de regering aangeven hoeveel extra artikel 8 EVRM-procedures zij verwacht?
Hoewel het exacte aantal extra artikel 8 EVRM-procedures lastig te voorspellen is,
volgt uit de ex-ante uitvoeringstoets (EAUT) van de IND dat er de komende jaren circa
1.300 tot 1.600 extra losse 8 EVRM aanvragen per jaar verwacht kunnen worden voor
niet-kerngezinsleden (ongehuwde partners, meerderjarige kinderen en pleegkinderen).
Daarnaast zal bij elke nareisaanvraag van een subsidiair beschermde ambtshalve aan
8 EVRM worden getoetst als niet aan de aanvullende nareisvoorwaarden wordt voldaan.
Gelet op de strenge nareisvoorwaarden voor subsidiair beschermden, zal er naar verwachting
vrijwel altijd een ambtshalve 8 EVRM beoordeling plaatsvinden.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de verordening ook bepalingen over het verblijf
van gezinsleden bevat. Meegereisde gezinsleden behouden hun verblijfsrecht zolang
de hoofdpersoon internationale bescherming geniet. Voor nareizende gezinsleden ligt
dit genuanceerder en wordt onderscheid gemaakt naar gelang de beschermingsstatus van
de hoofdpersoon. In het geval van erkende vluchtelingen blijft de Gezinsherenigingsrichtlijn
van toepassing. Dat betekent dat, indien de aanvraag tot gezinshereniging binnen drie
maanden na statusverlening wordt ingediend, een relatief gunstig regime geldt zonder
zware aanvullende voorwaarden.
De leden van de BBB-fractie merken echter op dat voor subsidiair beschermden de Gezinsherenigingsrichtlijn
echter niet geldt. Nederland kiest ervoor aanvragen van deze groep te toetsen aan
artikel 8 EVRM, dat het recht op eerbiediging van het gezinsleven beschermt. Binnen
de beoordelingsruimte die dit artikel biedt, stelt de wetgever aanvullende voorwaarden.
Zo geldt een wachttermijn van twee jaar, wordt een inkomens- en huisvestingseis gesteld
en wordt de kring van gerechtigde gezinsleden beperkt tot het kerngezin: de echtgenoot
of echtgenote, minderjarige kinderen en – in het geval van een alleenstaande minderjarige
– de ouders. Mogelijkheden voor meerderjarige kinderen, ongehuwde partners en pleegkinderen
komen daarmee te vervallen. De regering verwacht dat deze aanscherpingen een dempend
en vertragend effect zullen hebben op de nareisinstroom en daarmee op de druk op opvangvoorzieningen
en andere publieke voorzieningen.
4.2. Van een eenstatusstelsel naar een tweestatusstelsel
Vraag 141
De leden van de D66-fractie constateren dat het voorliggende wetsvoorstel, evenals
het voorstel voor de Wet invoering tweestatusstelsel en de Asielnoodmaatregelenwet,
gezinshereniging voor enkele groepen afschaft. Het betreft onder andere ongehuwde
partners en pleegkinderen. Tijdens de behandeling van voornoemde wetsvoorstellen gaf
de Minister van Asiel en Migratie aan dat er altijd ambtshalve zal worden getoetst
of deze aanvragers volgens artikel 8 EVRM alsnog recht hebben op gezinshereniging.
Deze leden ondersteunen uiteraard het feit dat dit recht via deze weg blijft bestaan,
maar vrezen ook voor een hogere werklast voor de IND en langere procedures, terwijl
de uitkomst van de procedure niet zal verschillen. Kan de regering nogmaals toelichten
wat het effect van deze maatregel zal zijn en of het daarmee als doelmatig kan worden
bestempeld?
De regering verwacht met het beperken van de definitie van het kerngezin binnen de
regels over nareis dat er minder nareizigers naar Nederland zullen komen. Met deze
beperking maakt de regering gebruik van de ruimte die Europese wet- en regelgeving
op dit punt biedt. Het Unierecht, in het bijzonder de Gezinsherenigingsrichtlijn,
verplicht tot de mogelijkheid van nareis van gehuwde partners en minderjarige kinderen.
De mogelijkheid om in aanvulling daarop ook gezinshereniging toe te staan aan andere
groepen is uitdrukkelijk facultatief en derhalve geen verplichting. De beperking laat
bovendien onverlet dat vreemdelingen die feitelijk tot het gezin van de vergunninghouder
behoren, zich nog steeds kunnen beroepen op het recht op eerbiediging van het gezinsleven
zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM. Bij een 8 EVRM beoordeling wordt – indien
sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM – een individuele belangenafweging
gemaakt. Het komt hierbij aan op de individuele belangen van de vreemdeling die zwaarder
moeten wegen dan de belangen van de Staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid
en daardoor nopen tot verblijf op grond van 8 EVRM.
De regering erkent dat, door de beperking van de mogelijkheid tot nareis, er meer
8 EVRM gezinsherenigingsaanvragen worden verwacht. De regering verwacht echter dat
het gehele maatregelenpakket op de lange termijn een positief effect heeft op de hele
migratieketen.
Vraag 142
De leden van de VVD-fractie ondersteunen een zo snel mogelijke inwerkingtreding van
een tweestatusstelsel en constateren dat de Wet Invoering Tweestatusstelsel hiervoor
het snelste middel is. Deze leden vrezen bij de invoering van een tweestatusstelsel
wel dat de druk op de Rechtspraak toe zal nemen omdat asielzoekers die een verblijfsvergunning
op grond van subsidiaire bescherming krijgen zullen doorprocederen om als verdragsvluchteling
aangemerkt te worden. Welke maatregelen neemt de regering om deze druk zoveel mogelijk
te beperken, zonder hierbij afbreuk te doen aan het instroombeperkend effect van een
tweestatusstelsel?
De regering heeft bij de voorbereiding van het tweestatusstelsel nadrukkelijk bezien
welke gevolgen dit kan hebben voor de werkdruk binnen de rechtspraak. Voor de implementatie
van dit wetsvoorstel en het wetsvoorstel Asielnoodmaatregelenwet is structureel 25,2
miljoen euro beschikbaar gesteld voor de rechtspraak. Met de invoering van het tweestatusstelsel
wordt verwacht dat een deel van de personen aan wie subsidiaire bescherming wordt
verleend, beroep zal instellen tegen het niet toekennen van de vluchtelingenstatus.
De Raad voor de Rechtspraak heeft in haar advies rekening gehouden met een toename
van de werklast, zowel door een mogelijk hoger aantal zaken als door een grotere complexiteit
daarvan. Daar staat tegenover dat het onderscheid tussen de vluchtelingenstatus en
subsidiaire bescherming het mogelijk maakt om strengere voorwaarden te stellen aan
nareis van subsidiair beschermden. In samenhang met de maatregel om de definitie van
het kerngezin voor beide statussen te beperken, wordt de groep die in aanmerking komt
voor nareis verkleind. In algemene zin verwacht de regering dat de invoering van het
tweestatusstelsel, bezien in samenhang met het bredere pakket aan maatregelen, bijdraagt
aan een substantiële beperking van zowel de asielinstroom als de nareis. De daarmee
samenhangende afname van procedures kan op termijn leiden tot verlichting van de druk
op de rechtspraak.
Vraag 143
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering meent dat de invoering
van een tweestatusstelsel dwingend volgt uit het Pact. Hierover hebben deze leden
de volgende vragen. Zijn er EU-lidstaten die dit niet in hun (concept) implementatiewet
hebben opgenomen?
Voor zover de regering bekend, zijn er geen andere lidstaten die eenzelfde eenstatusstelsel
hanteren zoals thans in Nederland wordt gehanteerd. Onder de Kwalificatieverordening
heeft de nationale wetgever niet meer de ruimte om één uniforme asielstatus te verlenen.
Het handhaven van het éénstatusstelsel is daarmee niet langer mogelijk onder de Kwalificatieverordening.
Dit wordt onderstreept door het feit dat de Procedureverordening geen grond meer bevat
om het beroep van een subsidiair beschermden tegen de afwijzing van de vluchtelingenstatus
niet-ontvankelijk te verklaren wegens onvoldoende belang bij het voortzetten daarvan.
Derhalve verwacht de regering niet dat andere lidstaten een bepaling hebben opgenomen
om een eenstatusstelsel in te voeren.
Vraag 144
Erkent de regering ook dat er Unierechtelijk ruimte is om niet te differentiëren tussen
de rechten van de twee statussen?
Overweging 48 van de preambule bij de Kwalificatieverordening bepaalt expliciet dat
lidstaten gerechtigd zijn om dezelfde rechten en voordelen toe te kennen aan de vluchtelingenstatus
en de status van subsidiair beschermde. Tegelijkertijd is daarmee niet gezegd dat
het mogelijk is om het huidige eenstatusstelsel te handhaven. De Kwalificatieverordening
gaat immers uit van het bestaan van twee verschillende statussen. Daarbij geeft de
Kwalificatieverordening verschillende beoordelingskaders voor de erkenning en intrekking
van de vluchtelingenstatus enerzijds en de erkenning en intrekking van de subsidiarebeschermingsstatus
anderzijds. In zoverre maakt het dus ook uit welke beschermingsstatus aan een vreemdeling
is toegekend, ook als die vreemdeling op grond van de status dezelfde rechten en voordelen
zou hebben. Om die reden bepaalt artikel 67, tweede lid, van de Procedureverordening
dat vreemdelingen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, het recht
hebben op een doeltreffende voorziening in rechte tegen een besluit waarin hun asielaanvraag
ongegrond is verklaard met betrekking tot de vluchtelingenstatus. De subsidiair beschermde
ontleent voortaan rechtstreeks aan het Unierecht een recht op beroep bij afwijzing
van de vluchtelingenstatus – ongeacht of de lidstaat in kwestie gebruik maakt van
de Unierechtelijke ruimte om te differentiëren tussen de twee statussen.
Vraag 145
De regering stelt dat de status van een subsidiair beschermde eerder kan worden ingetrokken
wegens een gewijzigde situatie in het land van herkomst. Is de regering van mening
dat dit dwingend uit het Pact volgt? Zo ja, kan de regering toelichten hoe zij tot
deze beslissing komt?
In de memorie van toelichting en het nader rapport is opgenomen dat de status van
een subsidiair beschermde eerder kan worden ingetrokken in verband met een wijziging
van de situatie in een land van herkomst dan de status van een Vluchteling. Wanneer
er bijvoorbeeld subsidiaire bescherming is verleend in verband met het risico om slachtoffer
te worden van willekeurig geweld in een gewapend conflict en het gewapende conflict
is beëindigd, valt de noodzaak voor internationale bescherming weg en kan deze worden
ingetrokken. Deze situatie zal zich sneller voordoen dan het wegvallen van een reden
tot het verlenen van vluchtelingschap. Dit hangt dus samen met de redenen van de verleende
internationale bescherming en is niet veranderd met de invoering van het Asiel- en
migratiepact. Dit volgde reeds uit de jurisprudentie bij de Kwalificatierichtlijn
en volgt nu dwingend uit de artikelen 11, 14, 16 en 19 van de Kwalificatieverordening
die rechtstreekse werking hebben.
Vraag 146
Kan de regering toelichten hoe de individuele omstandigheden – zoals gezinsvorming
of werk – worden betrokken bij een besluit tot intrekking van de verblijfstitel?
Zoals hiervoor uiteengezet, verplicht de Kwalificatieverordening ertoe om internationale
bescherming in te trekken indien deze bescherming niet meer noodzakelijk is. Evenals
nu al het geval, zal bij het nemen van een intrekkingsbesluit ambtshalve door de IND
worden getoetst of men een (regulier) verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 8 EVRM,
dat ziet op het recht op gezinsleven.
Vraag 147
Kan de regering er dus voor kiezen om bij de intrekking van de verblijfsvergunning
voor beide groepen dezelfde regels te hanteren? Zo ja, erkent de regering dan ook
dat daarmee het procesbelang bij de rechter kleiner wordt? Zo nee, waarom niet?
Onder verwijzing naar het hiervoor gegeven antwoord op vraag 146 kan worden medegedeeld
dat voor deze (individuele) toets aan artikel 8 EVRM geen onderscheid wordt gemaakt
naar de groep vreemdelingen met een vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus.
Vraag 148
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de regering stelt dat nationale
verschillen niet meer zijn toegestaan, omdat de Kwalificatieverordening verdere harmonisatie
beoogt van de status van internationale bescherming. Deze leden constateren echter
dat het doel van het vorige kabinet was om in Nederland het strengste asielbeleid
van alle EU-lidstaten te hebben. Deze leden constateren voorts dat deze implementatiewet
van het vorige kabinet komt en dat het huidige kabinet deze wet overneemt. De nationale
invulling zoals de scherpere nareisvoorwaarden voor subsidiair beschermden, die passen
bij de ambitie om het strengste asielbeleid van de EU te hebben, gaan volgens deze
leden tegen het principe in van verdere harmonisatie. Hoe ziet de regering dit?
Het Asiel- en migratiepact beoogt harmonisatie tussen lidstaten, maar laat op diverse
onderdelen ruimte voor lidstaten om uitvoeringskeuzes te maken. Dit is in het kader
van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit ook passend. De stelling
dat nationale verschillen niet meer zijn toegestaan, verdient dan ook nuance. De nationale
keuzes die in de onderhavige wet zijn opgenomen, sluiten aan bij de ingezette lijn
om in Nederland niet onnodig aantrekkelijker te zijn dan andere lidstaten. Die inzet
heeft geen werking die strijdig is met de beoogde werking van het Pact.
Vraag 149
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering terecht stelt dat de
Kwalificatieverordening beoogt de rechten en plichten die aan beide groepen statussen
zijn verbonden, zoveel mogelijk gelijk te trekken. Juist daarom snappen deze leden
niet, waarom ook in dit wetsvoorstel, net als in de twee nationale asielwetten, de
regering er weer voor kiest om de verschillen tussen deze groepen groter te maken.
Zij hebben hier enkele vragen over. Erkent de regering dat het onderdeel van strengere
nareisvoorwaarden voor subsidiair beschermden niet in lijn is met verdere EU-harmonisatie?
De regering brengt met de strengere nareisvoorwaarden voor subsidiair beschermden
het Nederlandse asielbeleid juist meer in lijn met zowel de Europese regelgeving als
met het beleid van andere lidstaten.
Vraag 150
Klopt het dat een groeiende meerderheid van lidstaten dezelfde rechten voor gezinshereniging
toekent aan vluchtelingen en subsidiair beschermden, zoals weergeven in de EMN benchmark
gezinshereniging vluchtelingen?
De regering ziet dat verschillende Europese lidstaten hervormingen doorvoeren op het
gebied van toegang tot gezinshereniging en daarbij vooral gezinshereniging van subsidiaire
beschermden inperken met het invoeren van restrictieve maatregelen.
Vraag 151
De leden van de CDA-fractie lezen dat bij de totstandkoming van de Vreemdelingenwet 2000
voor een eenstatusstelsel is gekozen om te voorkomen dat een vreemdeling die een subsidiaire
beschermingsstatus kreeg, zou doorprocederen tegen de weigering om hem de vluchtelingenstatus
te geven. Deze leden vragen of dat risico nu weer ontstaat met de invoering van een
tweestatusstelsel, of dat met de aanvullende waarborgen uit de Asielnoodmaatregelenwet
daarop is geanticipeerd.
Met de invoering van een tweestatusstelsel is de verwachting van de regering dat het
aantal beroepsprocedures zal toenemen. De regering meent daarentegen dat een tweestatusstelsel
ook leidt tot een substantiële beperking van de asielinstroom en de nareis van gezinsleden
door voorwaarden te kunnen stellen aan die nareis.
Vraag 152
De leden van de CDA-fractie lezen dat onder het Pact altijd een inhoudelijke behandeling
van het beroep mogelijk moet zijn wanneer de beslissing op een asielaanvraag wel strekt
tot verlening van de subsidiaire beschermingsstatus, maar de vluchtelingenstatus wordt
geweigerd. Deze leden vragen of dit naar verwachting gaat leiden tot een hogere druk
op de IND en de Rechtspraak. Zo ja, hoe wordt geborgd dat dit niet leidt tot grote
vertragingen in de asielketen?
Met de invoering van een tweestatusstelsel zal naar verwachting een deel van de statushouders
met subsidiaire bescherming beroep instellen tegen de weigering om de vluchtelingenstatus
te verkrijgen. De Raad voor de Rechtspraak houdt in dat kader rekening met een verhoging
van de werklast, zowel door een stijging van het aantal zaken als door een toename
in de complexiteit daarvan.
De invoering van het onderhavige wetsvoorstel en daarmee het tweestatusstelsel (met
de nareisvoorwaarden die daarin zijn opgenomen) vormt een verzwaring voor de uitvoeringspraktijk
en rechtspraak. De regering meent echter dat de maatregelen in sterke mate kunnen
bijdragen aan de verlaging van de instroom en de druk op de asielopvang en de voorzieningen.
Hoewel de werklast per ingediende aanvraag op onderdelen zwaarder wordt, zal de totale
werklast daardoor kunnen afnemen omdat er minder aanvragen worden gedaan. Gezien de
reeds bestaande voorraden bij de IND, zal deze verlichting niet onmiddellijk ontstaan.
De regering benadrukt verder dat de IND ook wordt ontlast door wijzigingen die worden
doorgevoerd met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 bijvoorbeeld
door het schrappen van het voornemen.
Vraag 153
De leden van de CDA-fractie lezen dat de vreemdeling die de subsidiaire beschermingsstatus
verkrijgt, recht heeft op inhoudelijke behandeling van een beroep tegen afwijzing
van de vluchtelingstatus. Kan de regering een inschatting geven welk effect dit heeft
op de rechtspraak?
Naar verwachting zal 75% van de vreemdelingen die de subsidiaire status krijgen daartegen
in beroep bij de rechtbank gaan. In al die beroepszaken zal de rechter een inhoudelijk
oordeel moeten geven over de aard van de verleende verblijfsstatus.
De Raad voor de Rechtspraak heeft in haar position paper van 6 februari 2026 ten behoeve
van het rondetafelgesprek Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact
2026 opgenomen dat de verschillende maatregelen gezamenlijk zorgen voor een forse
toename in het aantal zaken: naar schatting kan dat oplopen naar 19.000 extra zaken
per jaar in 2028. De invoering van het tweestatusstelsel is verantwoordelijk voor
bijna de helft van die globaal geschatte toename (circa 8.500 zaken). Het uiteindelijke
effect van het wetsvoorstel op de rechtspraak is echter primair afhankelijk van de
feitelijke instroom van zaken. Het wetsvoorstel beoogt de asielinstroom te beperken,
wat op termijn kan bijdragen aan een meer beheersbare belasting voor de rechtspraak
en de gehele asielketen.
Vraag 154
Hoeveel extra inhoudelijke zaken worden verwacht ten gevolge van deze maatregel uit
de Kwalificatieverordening en wat gaat de regering doen om te voorkomen dat het aantal
vreemdelingenzaken zo hoog oploopt dat de doorlooptijden te lang worden?
Voor het aantal zaken verwijst de regering u naar het antwoord op de voorgaande vraag.
De regering onderkent dat de maatregelen in dit wetsvoorstel gevolgen kunnen hebben
voor de werklast en doorlooptijden binnen de Rechtspraak. Dit wetsvoorstel gaat gepaard
met de daarvoor noodzakelijke financiële middelen. De regering is zich ervan bewust
dat de beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd personeel bijdraagt aan de uitvoering
van het wetsvoorstel. Tegelijkertijd is het doel van het wetsvoorstel om de instroom
van asielzoekers en nareizende gezinsleden te beperken. Daarmee wordt beoogd de druk
op de asielketen, waaronder de Rechtspraak, op termijn juist te verlagen.
Vraag 155
Daarnaast vragen deze leden welke andere rechtsgebieden gevolgen zullen ondervinden
van een toenemende druk op de rechtspraak vanwege de vreemdelingenzaken.
De verwachting is dat de druk zich in hoofdzaak concentreert bij de bestuursrechtelijke
vreemdelingenkamers in eerste aanleg en in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State. Indirecte effecten op andere rechtsgebieden zijn niet uitgesloten.
De Rechtspraak werkt met meerjarige capaciteitsplanningen waarbij personeel over verschillende
rechtsgebieden herverdeeld kan worden
Vraag 156
De leden van de JA21-fractie vragen de regering toe te lichten hoe de procedure of
beoordelingscriteria verschillen bij het intrekken van de status van subsidiaire bescherming
en de status van vluchteling.
De regering verwijst op deze plek naar het antwoord op vraag 145. In aanvulling op
dat antwoord merkt de regering verder op dat zowel de procedure als de beoordelingscriteria
voor het intrekken van de vluchtelingenstatus als de subsidiaire beschermingsstatus
grotendeels overeenkomen. Het voornaamste verschil is dat er bij het intrekken van
de vluchtelingenstatus twee aanvullende intrekkingsgronden voortvloeien uit de Kwalificatieverordening,
namelijk: er zijn redelijke gronden de onderdaan van een derde land of staatloze te
beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van de lidstaat waar die onderdaan van
een derde land of staatloze zich bevindt; en de onderdaan van een derde land of staatloze
is definitief veroordeeld voor een bijzonder ernstig misdrijf en vormt een gevaar
voor de samenleving van de lidstaat waar die onderdaan van een derde land of staatloze
zich bevindt.
Vraag 157
Wat is de huidige stand van de jurisprudentie ten aanzien van de beoordeling of sprake
is van non-refoulement in verband met art. 3 EVRM, wegens het risico op schade of
onmenselijke behandeling? Dit mede in het licht van de uitspraak dat Nederland alleenstaande
mannelijke asielzoekers uit België niet mocht terugsturen naar dat land.
Non refoulement onder art. 3 EVRM vereist een toets of overdracht of uitzetting verboden
is omdat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat iemand een reëel risico loopt
op onmenselijke of vernederende behandeling. In zaken die vallen onder de huidige
Dublinverordening (onder het asiel- en migratiepact de Asiel- en migratiebeheerverordening,
AMBv) volgt uit de jurisprudentie dat er een weerlegbare presumptie van wederzijds
vertrouwen is dat er geen schendingen zullen plaatsvinden in een andere lidstaat.
Deze presumptie kan worden doorbroken bij systemische tekortkomingen of bij individuele
omstandigheden die tot een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling
leiden. In dergelijke situaties kunnen concrete individuele garanties maken dat iemand
alsnog kan worden overgedragen aan de andere lidstaat. In de uitspraak over alleenstaande
mannelijke asielzoekers uit België is dit kader ook toegepast.
Vraag 158
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering te verduidelijken of met deze
invoeringswet gekozen is om precies dezelfde vormgeving van de verschillende rechten
van de twee statussen aan te houden als de Wet invoering tweestatusstelsel, inclusief
de aanvullende voorwaarden voor nareis bij subsidiair beschermden. Klopt het dat deze
verplichting niet volgt uit Europese richtlijnen en verordeningen? Deze leden vinden
het teleurstellend dat aan de opnieuw geformuleerde bezwaren van onder andere de Afdeling
niet tegemoet is gekomen door de regering.
De invoering van een tweestatusstelsel en de aanvullende voorwaarden voor nareis bij
subsidiair beschermden is in dit wetsvoorstel gelijk aan de wijze waarop die onderdelen
zijn geregeld in het voorstel voor de Wet invoering tweestatusstelsel. Volgens de
regering volgt de invoering van het tweestatusstelsel verplichtend uit het Asiel-
en migratiepact. De aanvullende nareis voorwaarden volgen niet verplichtend uit de
Europese richtlijnen en verordeningen, maar die laten wel de ruimte om hier nationaal
voor te kiezen. Verwezen wordt naar hetgeen hierover verder in de memorie van toelichting
is opgenomen.
4.3. Verblijfstitel
Vraag 159
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering het verschil tussen een
verblijfsvergunning en een verblijfstitel concreet te maken.
De verblijfsvergunning is de erkenning dat een vreemdeling een vluchtelingenstatus
of subsidiaire beschermingsstatus heeft. De verblijfstitel is het fysieke bewijs van
die status. Voor een beter begrip van dit onderscheid kan een analogie behulpzaam
zijn, bijvoorbeeld die van het paspoort en het Nederlanderschap. De verblijfsvergunning
is in die analogie het Nederlanderschap, terwijl de verblijfstitel gelijk is aan het
paspoort.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering ervoor kiest om, in
plaats van aan te sluiten bij de systematiek uit de Kwalificatieverordening van een
status en een verblijfstitel, te blijven bij de systematiek van een asielvergunning.
In het nader rapport op pagina 21 staat het volgende: «Hier lijkt volgens de regering
dus een incongruentie te bestaan in de systematiek van de Kwalificatieverordening.
Het is aan het Hof van Justitie van de EU om zo nodig de juiste uitleg te bepalen».
Vraag 160
Hoe verhoudt deze constatering zich tot het voornemen van de regering om de ruimte
van de nationale vreemdelingenrechter om prejudiciële vragen te stellen te beperken,
zoals blijkt uit de brief van de Secretaris-Generaal aan de informateur van 30 januari
2026 naar aanleiding van het informatieverzoek protocol EVRM?
In de genoemde brief is aangegeven dat verkend wordt of nationale beleidskaders of
aanpassing van wet- en regelgeving kunnen bijdragen aan het verder inkaderen van jurisprudentie.
Dat laat onverlet dat het Hof van Justitie in voorkomende gevallen (waaronder bijvoorbeeld
met betrekking tot de systematiek van de Kwalificatieverordening) een oordeel zal
(moeten) geven over de interpretatie van EU-recht. Daarbij zij opgemerkt dat de genoemde
verkenning van nationale beleidskaders of aanpassing van wet- en regelgeving niet
toeziet op het inperken van de ruimte van de rechter om prejudiciële vragen te stellen.
Vraag 161
Schuilt er een juridisch risico in het gelijkstellen van de beschermingsstatus aan
een verblijfsvergunning, terwijl de verblijfstitel eigenlijk de vergunning is?
De verblijfstitel is het bewijs dat aan de vreemdeling internationale bescherming
toekomt en hij het recht heeft om op het grondgebied te verblijven. Verlies van die
titel tast dus niet op zichzelf de verblijfsstatus aan die blijkt uit een verblijfsvergunning.
De verblijfsstatus gaat uitsluitend verloren door intrekking. Het recht om in Nederland
te verblijven is ook gekoppeld aan het bezit van de verblijfsvergunning en niet aan
het bezit van de titel. In zoverre bestaat er dan ook geen juridisch risico
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat in het wetsvoorstel een tegenstelling
zit waarbij de kans groot is dat deze tot juridische procedures zal leiden. De regering
verkort de geldigheid van de verblijfsvergunning naar drie jaar en schaft de asielvergunning
van onbepaalde tijd af, waarbij de regering zich baseert op de bepaling over de verblijfstitel
in plaats van de status.
Vraag 162
Klopt het dat niet de geldigheidsduur van de asielvergunning (status) wordt ingekort,
maar alleen van de verblijfstitel, wat met deze implementatie neerkomt op alleen een
verblijfsdocument?
Dat klopt. Een asielvergunning, dat wil zeggen de status van vluchteling of subsidiair
beschermde, kan alleen worden verloren doordat de status wordt ingetrokken. Artikel
14 en artikel 19 van de Kwalificatieverordening bepalen onder welke omstandigheden
de internationale beschermingsstatus moet worden ingetrokken. De verblijfstitel heeft
daarentegen een initiële geldigheidsduur van drie jaar. Wanneer de geldigheidsduur
verstrijkt, kan die geldigheidsduur met drie jaar worden verlengd, zo volgt uit het
voorgestelde artikel 9, derde lid, Vw 2000. Verlies van de verblijfstitel heeft op
zichzelf geen consequentie voor de verblijfsvergunning, zo lang die verblijfsvergunning
niet ook wordt ingetrokken.
4.4. Geldigheidsduur verblijfstitel wordt verkort van vijf naar drie jaar
De leden van de VVD-fractie ondersteunen de ambitie om de verblijfstitel te verkorten
van vijf naar drie jaar.
Vraag 163 en 164
In hoeverre vindt er, in het geval een vreemdeling na drie jaar opnieuw een verblijfstitel
aanvraagt, een volledige nieuwe toets plaats om te bezien of de vreemdeling recht
heeft op een nieuwe vergunning? Welke maatregelen neemt de regering om te voorkomen
dat deze tweede beoordeling in de praktijk weinig voor zal stellen?
Indien er signalen zijn dat de redenen voor internationale bescherming niet langer
aanwezig zijn zal een inhoudelijke beoordeling plaatsvinden. Dit kan bijvoorbeeld
zijn op basis van een veranderde situatie in het land van herkomst of veranderde individuele
omstandigheden van de vreemdeling. Tot een dergelijke inhoudelijke (her)beoordeling
van het recht op bescherming, waar ook een gehoor onderdeel van kan uitmaken, hoeft
niet gewacht te worden tot dat de duur van de tijdelijke vergunning is verlopen. Bij
de IND is het zo ingeregeld dat aanleidingen tot een mogelijke herbeoordeling (waaronder
ook openbare orde indicaties) automatisch worden opgepakt. De huidige uitvoeringspraktijk
waarbij de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de asielvergunning voor
bepaalde tijd grotendeels geautomatiseerd getoetst wordt blijft gehandhaafd.
Vraag 165
Is de regering daarnaast van plan om ook tijdens de duur van de verblijfstitel te
onderzoeken of er grond is om de vergunning in te trekken? Of zal dit alleen plaatsvinden
als er concrete signalen zijn?
Indien daar aanleiding voor bestaat zal de IND beoordelen of de internationale beschermingsstatus
ingetrokken moet worden. Dit staat los van de verlengingsaanvraag voor een verblijfstitel
en kan derhalve ook plaatsvinden tijdens de duur van de verblijfstitel. Concrete signalen
kunnen hier aanleiding voor zijn, zoals een gewijzigd landenbeleid.
Vraag 166
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat het nut is van de verkorting van
de verblijfstitel. Uit welk onderzoek blijkt asielzoekers een bewuste keuze maken
om asiel aan te vragen in een land met vergunningen met een langere verblijfsduur?
Met deze maatregel benadrukt de regering het tijdelijke karakter van asielbescherming.
Deze maatregel draagt ertoe bij dat Nederland geen soepeler asielbeleid hanteert dan
andere lidstaten. De maatregel is onderdeel van een breed pakket aan maatregelen die
tot doel hebben de instroom te verminderen en de keten te ontlasten. Aan deze maatregel
ligt geen onderzoek ten grondslag.
Vraag 167
Ziet de regering ook de grote nadelen van een kortere verblijfsduur van de verblijfsvergunning
zoals de blijvende onzekerheid over verlenging en een drempel voor het verkrijgen
van vast werk, het bemoeilijken van afsluiten van leningen en starten van een eigen
bedrijf?
De regering volgt de lezing over de nadelen van de kortere verblijfsduur niet. Daarbij
moet in ogenschouw worden genomen dat deze maatregel op zichzelf niets verandert aan
het verblijfsrecht op basis van de asielstatus en de daaraan gekoppelde rechten zoals
met betrekking tot werk en participatie. Bij zowel de vluchtelingenstatus als de subsidiaire
beschermingsstatus geldt dat de verleende internationale bescherming verleend blijft,
zolang er geen redenen zijn om deze in te trekken. Wel wenst de regering met deze
maatregelen het tijdelijke karakter van asielbescherming te benadrukken. Houders van
een tijdelijke verblijfstitel zullen ook gestimuleerd blijven worden om te participeren.
Na minimaal vijf jaar kunnen statushouders in aanmerking komen voor de EU-status als
langdurig ingezetene of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd waarbij
onder meer aan het inkomensvereiste moet worden voldaan. De regering verwacht dat
hier een positieve stimulans vanuit gaat voor de integratie van statushouders.
Daarbij is het relevant te verwijzen naar de voorgenomen plannen in het coalitieakkoord.
Asielzoekers met een goede kans op een verblijfsvergunning krijgen na drie maanden
in de asielprocedure het recht om aan het werk te gaan. De administratieve rompslomp
wordt geschrapt door een alternatief voor de tewerkstellingsvergunning in te voeren.
Kansrijke asielzoekers krijgen vanaf het begin hulp en bemiddeling naar werk om sneller
te kunnen integreren. Daarnaast zal direct aan het begin van de asielprocedure worden
gestart met taalles voor kansrijke asielzoekers. Ten slotte wordt naturalisatie mogelijk
gemaakt op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Wie tweemaal een tijdelijke
verblijfsvergunning heeft gekregen én aan een taaleis op niveau B1 voldoet mag na
6 jaar naturaliseren.
4.5. Verblijf gezinsleden
Vraag 168
De leden van de PVV-fractie constateren dat bij nareizende huwelijkspartners een minimumleeftijd
van 18 jaar zal worden gehanteerd. Graag ontvangen zij een toelichting waarom de regering
afziet van een verhoging naar 21 jaar, gegeven het feit dat asielzoekers uit landen
waar uithuwelijken normaal is doorgaans slecht integreren.
Het is op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn in theorie mogelijk om in bepaalde
gevallen een minimumleeftijd van 21 jaar te hanteren. Binnen de reguliere gezinshereniging
wordt deze voorwaarde gesteld, maar geldt deze niet als het huwelijk al was voltrokken
vóórdat de partners naar Nederland kwamen. De lidstaten mogen deze voorwaarde alleen
stellen om de integratie te bevorderen en gedwongen huwelijken te voorkomen, en niet
op een manier die afbreuk zou doen aan het doel en het nuttig effect van de richtlijn.
Dat betekent dat de IND bij echtgenoten van 18–21 jaar steeds zou moeten beoordelen
of de individuele omstandigheden en eventuele belangen van kinderen in het gezin het
toelaten om niet tot hereniging over te gaan, terwijl dat in de regel in positieve
zin zal uitvallen voor de aanvrager, waar het gaat om huwelijken die al voltrokken
zijn.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat gezinshereniging van vluchtelingen
zonder extra voorwaarden alleen mogelijk is als dit binnen drie maanden binnen de
toekenning van de vluchtelingenstatus wordt aangevraagd. Hier hebben deze leden enkele
vragen bij en vragen deze gelieve individueel te beantwoorden.
Vraag 169
Kan de regering toelichten waarom vluchtelingen de aanvraag voor gezinshereniging
binnen drie maanden moeten doen, om niet te vallen onder de strengere eisen van subsidiaire
beschermde?
De Gezinsherenigingsrichtlijn kent gunstiger voorwaarden voor vluchtelingen om gezinsleden
spoedig over te laten komen, dan voor andere onderdanen van derde landen die wettig
op het grondgebied van de lidstaten verblijven en die hun gezinsleden willen laten
overkomen. Zo mogen de in die richtlijn opgenomen mogelijke voorwaarden voor de uitoefening
van het recht op gezinshereniging, zoals het beschikken over huisvesting of stabiele
inkomsten, niet worden gesteld aan een vluchteling mits het verzoek om gezinshereniging
wordt ingediend binnen een termijn van drie maanden na de toekenning van de vluchtelingenstatus.
Ook is het niet mogelijk om een wachttermijn te hanteren. Als een vluchteling na het
verlopen van deze drie maanden gezinshereniging aanvraagt en de termijnoverschrijding
niet objectief verschoonbaar is dan kunnen volgens de Gezinsherenigingsrichtlijn wel
aanvullende voorwaarden worden gesteld aan de gezinshereniging van vluchtelingen,
dit was ook al het geval onder het eenstatusstelsel.
Vraag 170
Kan de regering aangeven of dit direct volgt uit het Pact of dat dit een nationale
keuze is en het dus mogelijk is om deze maatregel niet te implementeren?
Dit volgt niet zozeer uit het pact, maar is wel te herleiden tot het Unierecht. In
de Gezinsherenigingsrichtlijn is in artikel 12, eerste lid, opgenomen dat lidstaten
van de vluchteling kunnen eisen dat hij aan de voorwaarden van artikel 7, eerste lid,
van diezelfde richtlijn voldoet wanneer het verzoek om gezinshereniging niet wordt
ingediend binnen een termijn van drie maanden na de toekenning van de vluchtelingenstatus.
De termijn van drie maanden is dus zowel in nationale wetgeving als in de Gezinsherenigingsrichtlijn
vastgelegd. Omdat deze termijn eenvoudig veilig te stellen is door de hoofdpersoon
in Nederland, ziet de regering geen aanleiding om deze termijn aan te passen.
Vraag 171
Zijn er andere lidstaten die deze maatregel toepassen en zo ja, welke?
Als gezegd volgt dit uit Unierecht en voor zover het de regering bekend is passen
ook andere lidstaten de drie maanden termijn toe waarbinnen vluchtelingen een aanvraag
tot gezinshereniging moeten hebben ingediend om in aanmerking te komen voor de gunstigere
voorwaarden die volgen uit de Gezinsherenigingsrichtlijn.
Vraag 172 en 173
Kan de regering aangeven hoeveel procent van de vluchtelingen op dit moment na de
drie maanden een aanvraag doet? Om hoeveel vluchtelingen gaat dit en om hoeveel mensen
die in het kader van gezinshereniging hierheen komen gaat dit?
De gevraagde cijfermatige gegevens zijn niet beschikbaar. Als een vluchteling een
nareisaanvraag buiten de driemaandentermijn indient, beoordeelt de IND of de termijnoverschrijding
verschoonbaar wordt geacht, bijvoorbeeld in het geval van overmacht. Indien de termijnoverschrijding
verschoonbaar wordt geacht, kan het gezinslid onder de hiervoor genoemde gunstiger
in aanmerking komen voor gezinshereniging. In het IND-systeem wordt echter niet geregistreerd
hoe vaak een nareisaanvraag na drie maanden verschoonbaar wordt geacht. De gevraagde
cijfers kunnen daarom niet geleverd worden.
Buiten de driemaandentermijn en zonder verschoonbare reden kunnen vluchtelingen een
8 EVRM aanvraag indienen en in sommige gevallen ook een reguliere aanvraag voor gezinsmigratie.
Om te bepalen hoe vaak vluchtelingen op deze manier gezinshereniging aanvragen of
in aanmerking komen voor gezinshereniging is een complexe analyse nodig die niet binnen
de nu beschikbare tijd niet kon worden gerealiseerd.
Vraag 174
Bij hoeveel houders van de vergunning op de a-grond met een lopende gezinsherenigingsaanvraag
zullen partner, meerderjarig of pleegkind na inwerkingtreding van de wet worden afgewezen?
Bij hoeveel daarvan is de negen maanden beslistermijn reeds overschreden?
Het is niet mogelijk op voorhand aan te geven hoeveel openstaande aanvragen voor ongehuwde
partners, meerderjarige kinderen en pleegkinderen er na inwerkingtreding van deze
wet zullen worden afgewezen omdat er bij de openstaande aanvragen ambtshalve aan artikel 8
EVRM zal worden getoetst. Bij die toets zal steeds een individuele belangenafweging
worden gemaakt waarbij alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat het vaak lastig is voor LHBTQI-stellen
om gezinshereniging toegekend te krijgen, aangezien zij soms in het land van herkomst
niet kúnnen trouwen en hun eventuele kinderen in het land van herkomst niet zijn erkend.
Vraag 175
Wat zijn de gevolgen van deze implementatiewet voor gezinshereniging van LHBTQI-stellen?
Het Unierecht, in het bijzonder de Gezinsherenigingsrichtlijn, verplicht tot de mogelijkheid
van nareis van gehuwde partners en minderjarige kinderen. De mogelijkheid om in aanvulling
daarop ook gezinshereniging toe te staan aan onder andere ongehuwde partners, is uitdrukkelijk
facultatief en derhalve geen verplichting. De beperking laat bovendien onverlet dat
vreemdelingen die niet onder de definitie vallen van het kerngezin, maar die feitelijk
tot het gezin van de vergunninghouder behoren, zich nog steeds kunnen beroepen op
het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 van het
EVRM. In dat verband wordt telkens een belangenafweging verricht waarbij de individuele
feiten en omstandigheden centraal staan. Die afweging ziet op het belang van de vreemdeling
tot gezinshereniging en het belang van de Nederlandse staat. De omstandigheid dat
de vreemdeling een ongehuwde partner is wordt in deze afweging betrokken. Ook het
feit dat het voor partners in het land van herkomst niet mogelijk was om te trouwen,
zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij LHBTIQ+ partners, weegt voor de aanvrager
in positieve zin mee in deze belangenafweging. Als ongehuwde partners samen kinderen
hebben die (ook) rechtmatig verblijf in Nederland hebben, weegt dat eveneens positief
mee in de belangenafweging. Dat betekent dat het voor vreemdelingen die behoren tot
deze groepen in voorkomende gevallen mogelijk blijft om alsnog voor gezinshereniging
in aanmerking te komen
Vraag 176
Zorgt de regering ervoor dat het niet kunnen trouwen of het niet erkennen van kinderen
van LHBTQI-stellen geen reden is om gezinshereniging te weigeren?
De regering verwijst naar het antwoord op vraag 175.
Vraag 177
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het voor subsidiair beschermden
moeilijker wordt om gezinshereniging te krijgen en dat dit een keuze is die niet noodzakelijk
volgt uit het Pact. Zij hebben hier enkele vragen bij. Klopt het dat het een keuze
is om gezinshereniging te beperken voor subsidiair beschermden en dit niet dwingend
voortkomt uit het Pact?
Het klopt dat het beperken van de gezinshereniging voor subsidiair beschermden niet
onmiddellijk voortvloeit uit het Pact dit is echter wel in lijn met de wens van de
regering om het Nederlandse nareisbeleid te versoberen.
Vraag 178
Wat zijn de gevolgen voor vluchtelingen met subsidiaire bescherming die wel het recht
hebben in Nederland te blijven, maar (mogelijk) nooit met hun gezin kunnen herenigen
omdat zij niet aan alle drie de vereisten kunnen voldoen?
Indien de aanvrager behoort tot de kring van gerechtigden van het nareisbeleid, zal,
indien niet wordt voldaan aan de aanvullende nareisvoorwaarden voor subsidiair beschermden,
ambtshalve worden getoetst aan artikel 8 van het EVRM. Bij die toets zal steeds een
individuele belangenafweging worden gemaakt. Omdat het om een individuele belangenafweging
gaat, kan op voorhand niet gezegd worden of en in welke mate dit alsnog tot verblijf
kan leiden.
Vraag 179
Welk percentage subsidiair beschermden die nu gezinshereniging toegekend krijgen zullen
dit onder deze voorwaarden ook krijgen?
Het is niet mogelijk op voorhand aan te geven hoeveel subsidiair beschermden aan de
aanvullende voorwaarden voor nareis zullen voldoen.
Vraag 180
Hoeveel houders van een vergunning op de b-grond hebben naar schatting op 12 juni
een lopende gezinsherenigingsaanvraag?
Uitgaande van een gemiddelde maandelijkse afname van 3% van openstaande nareisaanvragen
van b-statushouders, is de grove inschatting dat op 12 juni 2026 8.500 referenten
met een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
een lopende nareisaanvraag (inclusief 8 EVRM) hebben.
Vraag 181
Van hoeveel van hen is de beslistermijn van negen maanden verlopen? Hoeveel van hen
verblijven nog in de centrale opvang?
Uitgaande van het percentage van openstaande nareisaanvragen dat de afgelopen zes
maanden buiten de beslistermijn was, wordt ingeschat dat op 12 juni 2026 bij grofweg
7.100 van deze referenten de beslistermijn van de nareisaanvraag is verlopen. Uit
de IND-systemen kunnen geen cijfers gegenereerd worden die zien op het aantal referenten
dat verblijft in de centrale opvang.
Vraag 182
Wanneer zullen zij hun afwijzing van de gezinsherenigingsaanvraag van de IND ontvangen?
Het is niet mogelijk op voorhand exact aan te geven wanneer aanvragers een beslissing
van de IND zullen ontvangen en of een aanvraag zal worden ingewilligd of afgewezen.
Op de website van de IND staat wel aangegeven wanneer nareisaanvragen in behandeling
worden genomen.
Vraag 183
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom is gekozen voor drie cumulatieve
eisen waardoor gezinshereniging vrijwel onmogelijk wordt en grote kans is dat op grond
van het evenredigheidsbeginsel de rechter dit onrechtmatig zal achten. Waarom is niet
alleen gekozen voor een reëel inkomensvereiste met een aan termijn gebonden inspanningsverplichting,
gezien de grote afstand tot de arbeidsmarkt?
De regering heeft als doel om de instroom te beperken en daarmee de druk op de gehele
migratieketen te verlichten. De regering wil dit bewerkstelligen door een strenger
asiel- en migratiebeleid te voeren waarbij een tweestatusstelsel met aanvullende voorwaarden
voor de gezinshereniging van subsidiaire beschermden worden ingevoerd. Met het invoeren
van een wachttermijn van twee jaar krijgt Nederland meer grip op migratie en wordt
ruimte gecreëerd binnen de opvang van het COA en de asielprocedure van de IND. Het
middelenvereiste wordt ingevoerd zodat wordt verzekerd dat de gezinshereniger in staat
zal zijn in de behoeften van hemzelf en zijn gezinsleden te voorzien, voordat die
gezinsleden zich bij hem voegen. Daarmee borgt de regering dat vreemdelingen met subsidiaire
bescherming en hun gezinsleden zelfredzaam zijn en in een zo klein mogelijk aantal
gevallen een beroep doen op de publieke middelen. Tot slot heeft het invoeren van
een huisvestingsvereiste als doel dat een vreemdeling met subsidiaire bescherming
en diens gezinsleden minder afhankelijk worden van de Nederlandse verzorgingsstaat.
Daarnaast verlicht ook deze maatregel de druk op de opvang van het COA.
De beperking van het kerngezin en de aanvullende voorwaarden zullen naar verwachting
leiden tot minder (ingewilligde) nareisverzoeken. Dit laat onverlet dat in alle gevallen
waarin geen afgeleide verblijfsvergunning asiel wordt verleend ambtshalve wordt doorgetoetst
aan artikel 8 van het EVRM. In dat verband wordt een belangenafweging verricht tussen
het belang van de vreemdeling tot gezinshereniging en het belang van de Nederlandse
staat.
Vraag 184
Acht de regering de combinatie van eisen in overeenstemming met artikel 8 EVRM, mede
gelet op de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die eist
dat gezinshereniging niet onmogelijk mag worden gemaakt en dat er een individuele
belangenafweging wordt gemaakt?
De regering is van oordeel dat de voorgestelde nareisvoorwaarden, ook cumulatief bezien,
rechtmatig zijn. Het doel van deze maatregelen is het beperken van de instroom en
daarmee ontlasten van de asielopvang en voorzieningen door een strenger asiel- en
migratiebeleid te voeren. Dit laat onverlet dat indien een aanvraag tot nareis wordt
afgewezen omdat niet aan de aanvullende voorwaarden wordt voldaan, ambtshalve aan
artikel 8 EVRM wordt getoetst. Bij deze toets wordt – als er gezinsleven is – een
belangenafweging verricht waarbij de individuele feiten en omstandigheden centraal
staan. Hoe zwaar die belangen wegen wordt steeds per concreet geval bepaald.
Vraag 185
Hoe ziet de regering het feit dat de werklast met meer beroepszaken op artikel 8 EVRM
voor de IND verder zal toenemen?
De regering erkent dat er vanwege de nareismaatregelen vaker een beroep op artikel
8 EVRM zal worden gedaan en de nareismaatregelen tot extra beroepsprocedures zullen
leiden. Dit blijkt ook uit de ketenbrede uitvoeringstoets. De inspanningen van de
directie Juridische Zaken (JZ) van de IND zijn er enerzijds op gericht om extra personeel
aan te nemen, op te leiden en deze opleiding sneller te laten verlopen waardoor medewerkers
van JZ eerder naar zitting kunnen gaan. Aan de andere kant probeert JZ een efficiencyslag
te maken in het beroepsproces, waardoor bestaande capaciteit slimmer ingezet kan worden
en er meer productiviteit geleverd kan worden. Desondanks blijft het extra werk dat
op de IND afkomt reden voor aandacht en zorg, omdat de IND niet onbeperkt kan groeien
en ook niet in staat zal zijn al het benodigde personeel om dit extra werk op te vangen
tijdig kan werven. De IND blijft dan ook in gesprek met de rechtspraak om de planning
en de inzet van personeel op elkaar af te stemmen. De inzet van de regering is erop
gericht de instroom te verlagen zodat de druk op de gehele keten afneemt. Dit zal
niet direct gerealiseerd worden, maar zodra de instroom daalt, is de verwachting dat
het extra werk dat hiermee gepaard gaat uiteindelijk ook zal dalen en de wachttijden
en dwangsommen zullen afnemen.
Vraag 186
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat ook ten aanzien van alleenstaande
minderjarige kinderen de regering voornemens is een wachttermijn van twee jaar te
hanteren voor nareis. Hoe acht de regering dit in overeenstemming met artikel 3 Internationaal
Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), dat verplicht het belang van het kind
de eerste overweging te laten zijn? Is de regering zich bewust van de ernstige schade
die een jarenlange scheiding van de ouders voor het kind tot gevolg heeft? Hoe verhoudt
de keuze om ook voor kinderen gezinshereniging te beperken zich tot de rechten die
voortkomen uit het IVRK, met name tot artikel 5 en 9?
Met de belangen van het kind als bedoeld in artikel 3 IVRK is terdege rekening gehouden.
Artikel 9 van het IVRK staat er niet aan in de weg dat ook aan de nareis van gezinsleden
van minderjarige asielzoekers voorwaarden worden gesteld. Het wetsvoorstel bevat bovendien
op meerdere punten uitzonderingen of specifieke bepalingen voor minderjarigen, waarmee
het belang van het kind wordt geborgd. Zo zullen twee van de drie aanvullende voorwaarden
niet worden gesteld bij (de nareis van familieleden van) alleenstaande minderjarige
vreemdelingen met subsidiaire bescherming. Het voorgestelde artikel 29d, derde lid,
Vw 2000 voorziet er reeds in dat alleenstaande minderjarige kinderen zijn uitgezonderd
van het inkomens- en huisvestingsvereiste, zodat zij daarmee in belangrijke mate zijn
uitgezonderd van de nieuwe nareisvoorwaarden. De regering ziet geen aanleiding deze
groep ook uit te zonderen van de wachttermijn, omdat daarmee in feite helemaal geen
aanvullende voorwaarden zouden worden gesteld aan de nareis van gezinsleden van een
alleenstaande minderjarige vreemdeling. Daarbij wijst de regering erop dat het stellen
van een wachttermijn kan bijdragen aan het verminderen van het vooruitreizen van alleenstaande
minderjarige vreemdelingen. Het voormelde laat bovendien onverlet dat bij de (ambtshalve)
toets aan artikel 8 van het EVRM ook aandacht is voor de individuele omstandigheden
van het geval, waaronder de minderjarigheid van de referent.
Vraag 187
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de vorige regering over de
wachttijd voor alleenstaande minderjarige kinderen schreef dat de motivering was dat
er hierdoor minder minderjarige kinderen vooruit worden gestuurd. Een dergelijke redenering
betekent wel dat het belang van het kind voor dit motief wordt opgeofferd. Houdt deze
regering vast aan dit motief?
De regering acht het van groot belang om steeds te zoeken naar de goede balans tussen
het belang van individuele minderjarigen, het belang van de gehele groep van minderjarigen
(ook van de toekomstige groep) en van ongewenste effecten die van beleidskeuzes kunnen
uitgaan. Het bieden van een bijzondere rechtspositie en extra waarborgen aan minderjarigen
kan legitiem zijn, gezien de kwetsbare positie van minderjarigen. Deze bijzondere
rechtspositie kan echter ook als ongewenst effect hebben dat het aantrekkelijk wordt
om minderjarigen vooruit te sturen. Het is daarom van belang hier steeds een goede
balans in te zoeken. Bij de toepassing van de drie nieuwe voorwaarden voor nareis
van subsidiair beschermden, zijn minderjarigen, zoals reeds opgemerkt, van twee voorwaarden
(huisvestingsvereiste en inkomenseis) uitgesloten gezien hun bijzondere positie. De
wachttermijn geldt voor hen wel. Hiermee is volgens de regering een zorgvuldige balans
gevonden.
Vraag 188
Is de regering bekend met het voorbeeld uit Duitsland waar in 2016 langdurige uitstel
van gezinshereniging is toegepast op mensen die een b-status kregen? Hier nam het
aantal vluchtelingen met een b-status ineens snel toe en nam toekenning van de a-status
af, tegen de afspraken in. Ook werden er veel meer beroepen ingesteld waarna in de
helft van de gevallen alsnog een a-status werd toegekend. Hoe gaat de regering ervoor
zorgen dat niet hetzelfde gebeurt als in Duitsland? Wat zijn volgens de regering de
verschillen tussen dit Duitse voorbeeld en de Nederlandse praktijk na de implementatie
van de wet?
De regering onderkent het risico dat een tweestatusstelsel ook gevolgen heeft voor
de uitvoering en de rechtspraak, zoals de mogelijkheid dat vreemdelingen doorprocederen
voor een sterkere status en een toename van het aantal beroepen op artikel 8 van het
EVRM. Om die gevolgen te ondervangen zijn er zowel in het voorstel voor de Asielnoodmaatregelenwet
als ook in de onderhavige wetsvoorstel maatregelen genomen om tot een efficiëntere
asielprocedure te komen, zoals het schrappen van de voornemenprocedure en zijn er
extra financiële middelen vrijgemaakt voor de uitvoering.
Vraag 189
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de verblijfsvergunning asiel wordt
verleend met ingang van de dag na de bekendmaking van de beschikking. Hoe verhoudt
deze beslissing zich tot de declaratoire werking van vluchtelingschap?
Een vreemdeling mag gedurende de procedure in Nederland blijven en wordt aldus reeds
beschermd tegen refoulement. Dit vloeit voort uit het Unierecht en de implementatie
daarvan in de Vw 2000. De verlening van de verblijfsvergunning asiel met ingang van
de dag na de bekendmaking van de beschikking doet geen afbreuk aan de declaratoire
werking van het vluchtelingschap. Die laat onverlet dat formeel erkend moet worden
dat de vreemdeling vluchteling is en dat de status moet worden toegekend door middel
van verlening van een verblijfsvergunning asiel. In de meeste EU-lidstaten wordt als
ingangsdatum dit moment na het verlenen van de asielvergunning gehanteerd. Door de
ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel vast te stellen op de dag na de bekendmaking
van de beschikking, wordt aangesloten bij het minimale Unierechtelijke vereiste.
Vraag 190
Betekent dit dat vluchtelingen veel later in aanmerking komen voor een eventuele vergunning
EU-langdurig ingezetenschap of naturalisatie?
Voor de eventuele vergunning EU-langdurig ingezetenschap is dat gevolg er niet. Artikel
40 van de Kwalificatieverordening bevat een wijziging van de Richtlijn langdurig ingezetenen
op grond waarvan de periode tussen de datum van de indiening van de asielaanvraag
en de datum van afgifte van de verblijfstitel in beginsel volledig meetelt bij de
berekening van de periode van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf die is vereist
om in aanmerking te komen voor de EU-langdurig ingezetenestatus.
Voor naturalisatie is het juist dat het langer duurt voordat een asielstatushouder
kan naturaliseren. Naturalisatie via de route van de verblijfsvergunning asiel voor
onbepaalde tijd is niet langer een mogelijkheid. In het coalitieakkoord is daarom
het voornemen opgenomen dat naturalisatie mogelijk wordt gemaakt op basis van een
tijdelijke verblijfsvergunning: wie tweemaal een tijdelijke verblijfsvergunning heeft
gekregen én aan de taaleis voldoet mag na zes jaar naturaliseren.
De leden van de CDA-fractie lezen dat nareizende gezinsleden van een vreemdeling die
de subsidiaire beschermingsstatus heeft, in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning
asiel op grond van artikel 29d Vreemdelingenwet 2000 indien onder andere de vreemdeling
met subsidiaire bescherming zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen
van bestaan.
Vraag 191
Kan de regering toelichten wat hier precies onder wordt verstaan en wat niet?
Zoals aangekondigd tijdens de parlementaire behandeling van de Wet invoering tweestatusstelsel
wordt met het invoeren van een middelenvereiste aansluiting gezocht bij het middelenvereiste
in reguliere zaken. Dat zal gebeuren door in het Uitvoerings- en implementatiebesluit
Asiel- en migratiepact de artikelen 3.73 tot en met 3.75 van het Vreemdelingenbesluit
2000 van overeenkomstige toepassing te verklaren. In deze artikelen zijn regels gesteld
over dit zogeheten middelenvereiste en de elementen «voldoende», «zelfstandig» en
«duurzaam», en is op hoofdlijnen uitgewerkt in welke gevallen aan deze voorwaarden
wordt voldaan. De zinsnede «in ieder geval» uit artikel 3.74, eerste lid, is niet
van toepassing verklaard. Dat betekent dat de middelen van bestaan als bedoeld in
artikel 29a, derde lid, aanhef en onder b, Vw 2000 slechts voldoende zijn als zij
ten minste gelijk zijn aan het minimumloon. Zoals aangegeven in de memorie van toelichting
bij de Wet invoering tweestatusstelsel is de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing
op subsidiair beschermden en kiest de regering ervoor om de Gezinsherenigingsrichtlijn
ook niet langer analoog toe te passen op deze groep
Vraag 192
En wanneer wordt de AMvB gepubliceerd waarin nadere regels worden gesteld?
Het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact is van 24 november
2025 tot en met 5 januari 2026 in internetconsultatie is geweest. Op dit moment worden
de consultatiereacties verwerkt. Zodra dit wetsvoorstel door de Tweede Kamer is aangenomen
zal het besluit ter advisering bij de Afdeling advisering van de Raad van State worden
ingediend. Publicatie van het besluit in het Staatsblad zal plaatsvinden wanneer onderhavig
wetsvoorstel door de Eerste Kamer is aanvaard.
De leden van de CDA-fractie lezen dat alleenstaande minderjarige kinderen worden uitgezonderd
van het inkomens- en huisvestingsvereiste, maar niet van de wachttermijn van twee
jaar.
Vraag 193
De regering schrijft dat het stellen van een wachttermijn kan bijdragen aan het verminderen
van het vooruitreizen van alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Deze leden vragen
of dit inderdaad de verwachting is, en wat het inhoudt voor de procedure als de alleenstaande
minderjarige vreemdeling tijdens de wachttermijn meerderjarig wordt.
Het klopt dat het de verwachting van het kabinet is dat het stellen van een wachttermijn
kan voorkomen dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen vooruit worden gestuurd.
Uit de huidige regelgeving volgt dat wanneer een alleenstaande minderjarige vreemdeling
een nareisaanvraag indient, de leeftijd die hij had ten tijde van de asielaanvraag
wordt aangehouden bij de beoordeling van de nareisaanvraag.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de beperking van de mogelijkheid tot nareis
als gezinslid tot gehuwde partners en minderjarige kinderen onverlet laat dat ongehuwde
levenspartners en meerderjarige kinderen zich kunnen beroepen op het recht op eerbiediging
van het gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 EVRM. Bij de aanvraag wordt telkens
een individuele belangenafweging gemaakt als er sprake is van een gezinsleven.
Vraag 194
Deze leden vragen wat de verwachting is van de druk die op de rechtspraak komt te
liggen met deze maatregel.
De toetsing aan artikel 8 EVRM, die in dergelijke gevallen van toepassing blijft,
is complexer en omvangrijker dan de reguliere nareistoets. Dit betekent een structurele
toename van de behandeltijd van beroepszaken bij de rechtbank. De Raad voor de rechtspraak
heeft deze omstandigheid betrokken bij de ramingen van de totale effecten van de toegenomen
complexiteit per zaak
Vraag 195
De leden van de JA21-fractie vragen wat de huidige termijn is waarop aanvragen voor
gezinshereniging in behandeling kunnen worden genomen. Is deze de afgelopen zes maanden
toegenomen?
De regering vooronderstelt dat de leden doelen op nareisaanvragen. Op de IND website
is een prognose zichtbaar van wanneer nareisaanvragen in behandeling worden genomen.
Hoewel de voorraad van openstaande nareisaanvragen sinds januari 2025 langzaam afneemt,
heeft dit – gelet op de hoge instroom van nareisaanvragen in de voorbije jaren – vooralsnog
niet voor alle nareisaanvragen geleid tot een kortere termijn waarin de aanvragen
in behandeling kunnen worden genomen. Nareisaanvragen voor echtgenoten en minderjarige
kinderen worden al wel steeds sneller in behandeling genomen.
Vraag 196
Hoeveel statushouders wachten nu op de behandeling van een aanvraag voor gezinshereniging?
Op 25 februari 2026 waren er circa 14.040 statushouders met één of meerdere openstaande
nareisaanvragen (incl. 8 EVRM bij nareis).
Vraag 197
In hoeverre wordt nu bij aanvragen voor gezinshereniging door minderjarige vreemdelingen
getoetst of de gezinshereniging ook in een ander land kan plaatsvinden, dat wil zeggen:
het land waar de ouders zich nog bevinden, indien dat als veilig land wordt beschouwd?
Als gezinshereniging ook in een ander land, zoals het land waar de ouders verblijven,
kan plaatsvinden, wordt dit bij de beoordeling van mvv-nareisaanvragen die zijn ingediend
door alleenstaande minderjarige vreemdelingen in het algemeen niet tegengeworpen.
Vraag 198
Wat verklaart de toename van de instroom van minderjarige asielzoekers naar Nederland?
Het aandeel alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv) binnen de eerste asielaanvragen
is weliswaar toegenomen van 12% in 2024 naar 15% in 2025, maar het absolute aantal
amv dat asiel aanvraagt in Nederland is gedaald. In 2024 deden 3.940 amv een eerste
asielaanvraag. In 2025 was dit met 11% gedaald naar 3.510 amv.
Vraag 199
Meent de regering dat Nederland nu aantrekkelijker is voor deze jongeren dan andere
Europese landen en in hoeverre heeft dat te maken met specifieke Nederlandse invulling
van de Europese regels? Kan de regering dit toelichten?
Eerder heeft het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) een kwalitatief
onderzoek verricht naar de beweegredenen van alleenstaande minderjarige vreemdelingen
om voor Nederland te kiezen, dan wel de redenen waarom zij in Nederland terechtkomen
(Kamerstukken II 2023/24, 27 062, nr. 137). Op hoofdlijnen geldt dat veel amv’ers die in Nederland asiel hebben aangevraagd,
zonder een beoogde bestemming waren vertrokken of beoogden om naar «Europa» te gaan.
Het onderzoek van het WODC bevestigde echter ook dat Syrische amv’ers hierop een uitzondering
vormen. De beoogde bestemming van Syrische jongeren, bleek vaak Nederland. Deze groep
is goed geïnformeerd over de mogelijkheden tot verblijfsrecht en gezinshereniging
in Nederland.
Op dit moment verricht het WODC nader kwalitatief onderzoek naar deze beweegredenen,
waarbij aandacht is of en in hoeverre asielprocedures, inclusief gezinshereniging,
volgens de jongeren hier een rol in spelen in verhouding tot andere factoren. De regering
verwacht uw Kamer na het zomerreces over de uitkomsten hiervan te informeren.
4.6. Afschaffen verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd
Vraag 200
De leden van de PVV-fractie vragen of, en onder welke voorwaarden, vreemdelingen met
een asielvergunning voor bepaalde tijd een Nederlands paspoort aan kunnen vragen.
Vanwege het afschaffen van de verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd is het voor
statushouders niet langer mogelijk om via die route te naturaliseren. Wel blijft de
mogelijkheid bestaan om – onder voorwaarden – na vijf jaar rechtmatig verblijf de
EU-langdurig ingezetenestatus of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde
tijd aan te vragen om op die manier na verloop van tijd in aanmerking te kunnen komen
voor naturalisatie.
Daarbij is het relevant te verwijzen naar de voorgenomen plannen in het coalitieakkoord.
Asielzoekers met een goede kans op een verblijfsvergunning krijgen na drie maanden
in de asielprocedure het recht om aan het werk te gaan. De administratieve rompslomp
wordt geschrapt door een alternatief voor de tewerkstellingsvergunning in te voeren.
Kansrijke asielzoekers krijgen vanaf het begin hulp en bemiddeling naar werk om sneller
te kunnen integreren. Daarnaast zal direct aan het begin van de asielprocedure worden
gestart met taalles voor kansrijke asielzoekers. Ten slotte wordt naturalisatie mogelijk
gemaakt op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Wie tweemaal een tijdelijke
verblijfsvergunning heeft gekregen én aan een taaleis op niveau B1 voldoet mag na
6 jaar naturaliseren
Vraag 201
Ook vragen zij of de regering een inschatting kan maken van hoeveel vreemdelingen
hier gebruik van zullen maken.
Het is op dit moment niet mogelijk om met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde
tijd een Nederlands paspoort aan te vragen. Deze inschatting is nu nog niet goed te
maken.
Vraag 202
Verder vragen deze leden hoeveel vreemdelingen met een asielvergunning voor bepaalde
tijd gebruik zullen gaan maken van de EU-langdurig ingezetene status en hoeveel de
regering verwacht in te willigen.
Om in aanmerking te komen voor een EU-langdurig ingezetene status moet de vreemdeling
5 jaar ononderbroken en direct voorafgaand aan de aanvraag rechtmatig verblijf in
Nederland hebben gehad. Daarnaast moet de vreemdeling zelfstandig en duurzaam over
voldoende middelen van bestaan beschikken, aan het inburgeringsvereiste voldoen en
een toereikende ziektekostenverzekering hebben. Hoeveel vreemdelingen met een verblijfsvergunning
asiel voldoen aan de voorwaarden voor een EU-langdurig ingezetene status en een aanvraag
in zullen dienen, valt op voorhand niet te voorspellen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Kwalificatieverordening vereist
dat lidstaten een asielvergunning afgeven van drie jaar of tenminste één jaar (in
het geval van subsidiair beschermden). Hieruit maken deze leden niet op dat een vergunning
van onbepaalde tijd niet mag van het Pact, met name door het woord «tenminste». Hierover
hebben deze leden de volgende vragen en vragen zij gelieve deze afzonderlijk te beantwoorden.
Vraag 203
Kan de regering toelichten waarom zij van mening is dat de afschaffing van een verblijfsvergunning
voor onbepaalde tijd dwingend volgt uit het Pact?
Een wezenskenmerk van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd was dat deze niet
kon worden ingetrokken als de redenen die aanleiding vormden om de verblijfsvergunning
te verlenen niet langer bestonden. Met het van toepassing worden van het Asiel- en
migratiepact is dit niet langer mogelijk. De Kwalificatieverordening bevat vanaf dat
moment het beoordelingskader waaraan de verlening van een verblijfsstatus moet worden
getoetst. Uit artikel 14 en 19 van de Kwalificatieverordening volgt dat een vluchtelingenstatus
of subsidiaire beschermingsstatus moet worden ingetrokken als de vreemdeling niet
langer voldoet aan de verleningsvoorwaarden. Daarmee kan de verblijfsvergunning voor
onbepaalde tijd in de vorm waarin we die op dit moment in ons land kennen niet blijven
bestaan.
Vraag 204
Zijn er andere EU-lidstaten die hierin een andere afweging maken?
Het onderscheid tussen asielvergunningen voor bepaalde en voor onbepaalde tijd, kent
het Unierecht niet. Uit jurisprudentie van het EU Hof inzake de huidige Kwalificatierichtlijn
volgt dat een internationale beschermingsstatus móet worden ingetrokken, wanneer er
geen gronden (meer) zijn voor internationale bescherming. Het ontbreken van de mogelijkheid
tot intrekken als de rechtsgrond voor verlening is komen te vervallen – zoals bij
de vergunning onbepaalde tijd het geval – is zoals hiervoor reeds toegelicht strijdig
met de Kwalificatieverordening. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat andere lidstaten
een vergelijkbare nationale verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd asiel kennen
Vraag 205
Stopt Frankrijk met de verstrekking van de «Carte de dix ans» vergunning?
Die signalen zijn er op dit moment niet.
Vraag 206
Waarom wil de regering afwijken van de vaste praktijk die de EU-wetgever schetst in
de preambule punt 100 Procedureverordening dat lidstaten ervoor zorgdragen dat binnen
tien jaar de meeste vluchtelingen een permanente status hebben of al genaturaliseerd
zijn? Wat is volgens de regering de meerwaarde van afschaffing?
Zoals in antwoord op vraag 203 uiteen is gezet liggen er goede redenen aan de maatregel
tot afschaffen van de asielvergunning voor onbepaalde tijd ten grondslag. De regering
is van mening dat er desalniettemin voldoende mogelijkheden zijn voor asielstatushouders
om binnen de genoemde termijn van tien jaren een permanent verblijf te verkrijgen
in Nederland.
Zo kunnen statushouders na minimaal vijf jaar onder voorwaarden, zoals een inkomensvereiste,
in aanmerking komen voor de EU-status als langdurig ingezetene of een verblijfsvergunning
regulier voor onbepaalde tijd.
Daarbij is het relevant te verwijzen naar de voorgenomen plannen in het coalitieakkoord.
Asielzoekers met een goede kans op een verblijfsvergunning krijgen na drie maanden
in de asielprocedure het recht om aan het werk te gaan. De administratieve rompslomp
wordt geschrapt door een alternatief voor de tewerkstellingsvergunning in te voeren.
Kansrijke asielzoekers krijgen vanaf het begin hulp en bemiddeling naar werk om sneller
te kunnen integreren. Daarnaast zal direct aan het begin van de asielprocedure worden
gestart met taalles voor kansrijke asielzoekers. De maatregelen dragen er aan bij
dat de statushouder kan voldoen aan de gestelde eisen voor langdurig verblijf.
Ten slotte wordt naturalisatie mogelijk gemaakt op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning.
Wie tweemaal een tijdelijke verblijfsvergunning heeft gekregen én aan een taaleis
op niveau B1 voldoet mag na 6 jaar naturaliseren
Vraag 207
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de regering zich voor de afschaffing
van de vergunning onbepaalde tijd (die dus niet ingetrokken kan worden bij gewijzigde
situatie in het land van herkomst) deels baseert op jurisprudentie van het EU-Hof.
Hierin wordt verwezen naar Bilali (2019) en M’Bodj (2014). Maar zien deze beide casussen
niet op onterecht verleende beschermingsstatussen die moesten worden ingetrokken en
niet op een veranderde omstandigheid in het land van herkomst?
In beide arresten bevestigt het Hof in algemene zin dat het in strijd is met de Kwalificatierichtlijn
om de daarin opgenomen statussen (vluchtelingschap en subsidiaire bescherming) toe
te kennen als sprake is van een situatie die geen enkel verband houdt met de logica
van internationale bescherming. De werkingssfeer van de richtlijn strekt zich volgens
het Hof niet uit tot personen die om andere redenen toestemming hebben om te verblijven
op het grondgebied van de lidstaten (bijvoorbeeld op humanitaire gronden). De nieuwe
Kwalificatieverordening stelt vergelijkbare beoordelingskaders voor erkenning en intrekking
van internationale bescherming. Een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd
die niet kan worden ingetrokken als er geen grond meer bestaat voor internationale
bescherming zou strijdig zijn met de opzet en het doel van de Kwalificatieverordening
Vraag 208
Hoe ziet de regering gelijke behandeling van statushouders in het werkveld en de toegang
tot werk van statushouders gezien een tijdelijke verblijfsvergunning arbeidsparticipatie
in de weg staat?
De aanname dat een tijdelijke verblijfstitel arbeidsparticipatie in de weg staat volgt
de regering niet. De verleende internationale bescherming met de daaraan gekoppelde
rechten onder meer met betrekking tot werk en participatie blijft rechtsgeldig, zolang
er geen redenen zijn om deze in te trekken. Houders van een tijdelijke verblijfstitel
zullen daarbij juist gestimuleerd blijven worden om te participeren. Na minimaal vijf
jaar kunnen statushouders in aanmerking komen voor de EU-status als langdurig ingezetene
of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd waarbij onder meer aan het
inkomensvereiste moet worden voldaan. De regering verwacht dat hier een positieve
stimulans vanuit gaat voor de integratie en participatie van statushouders.
Vraag 209
Hoe valt de gestelde verplichting tot afschaffing van een verblijfsvergunning van
onbepaalde tijd te rijmen met de voor onbepaalde tijd geldige EU-verblijfsvergunning
als langdurig ingezetene die wel mag worden toegekend?
Zoals hiervoor gesteld kent het Unierecht niet het onderscheid tussen asielvergunningen
voor bepaalde en voor onbepaalde tijd. Uit jurisprudentie van het EU Hof volgt dat
een internationale beschermingsstatus móet worden ingetrokken, wanneer er geen gronden
(meer) zijn voor internationale bescherming. Het ontbreken van de mogelijkheid tot
intrekken als de rechtsgrond voor verlening is komen te vervallen – zoals bij de asielvergunning
onbepaalde tijd het geval is – is strijdig met het Unierecht.
Vreemdelingen die internationale bescherming genieten kunnen, gelijk aan andere onderdanen
van derde landen die vijf jaar legaal en ononderbroken verblijf hebben genoten onder
voorwaarden waaronder het inkomensvereiste, de status van langdurig ingezetene verwerven.
Op de betreffende EU-verblijfsvergunning wordt de opmerking geplaatst dat de vreemdeling
tevens internationale bescherming geniet. De EU status voor langdurig ingezetenen
is anders dan de huidige asielvergunning voor bepaalde tijd niet gestoeld op de internationale
beschermingsgrond. Indien daar aanleiding toe bestaat zal de internationale bescherming
die de statushouder geniet moeten worden ingetrokken. Dit hoeft echter geen gevolgen
te hebben voor zijn verblijfsrecht aangezien de vreemdeling de EU status heeft. De
aantekening van internationale bescherming zal in dit voorbeeld wel moeten worden
verwijderd. De vergelijking zoals die in de vraagstelling wordt gemaakt tussen de
verblijfsvergunning van onbepaalde tijd en de EU-verblijfsvergunning gaat vanwege
het verschillende karakter van de vergunningen niet op
Vraag 210
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat voor een EU-verblijfsvergunning
als langdurig ingezetene een inkomenseis geldt, wat betekent dat een groot deel van
de vluchtelingen altijd in onzekerheid over een verblijfsvergunning zal verkeren.
Welk effect heeft dat volgens de regering op deze vluchtelingen, op hun participatie
en op de maatschappij?
Vreemdelingen die willen beschikken over een verblijfsvergunning die niet afhankelijk
is van de omstandigheden op grond waarvan de vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus
oorspronkelijk werd verleend, kunnen een aanvraag indienen voor de EU-status als langdurig
ingezetene. Om daarvoor in aanmerking te komen, dient, zoals door de leden van de
GroenLinks-PvdA-fractie terecht opmerken, aan onder meer het inkomensvereiste te worden
voldaan. De regering verwacht dan ook dat dit een positieve stimulans zal betekenen
voor de integratie van statushouders die willen beschikken over een verblijfsvergunning
die niet afhankelijk is van de omstandigheden op grond waarvan de vluchtelingen- of
subsidiaire beschermingsstatus oorspronkelijk werd verleend.
Vraag 211
Mogen landen het niveau van dit inkomensvereiste zelf stellen?
Ja, met dien verstande dat voldaan moet worden aan de voorwaarden van artikel 5, eerste
lid, onder a, van de Richtlijn langdurig ingezetenen. Het moet gaan om vaste en regelmatige
inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en de gezinsleden te onderhouden zonder een
beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat.
De lidstaten beoordelen deze inkomsten afgaande op de aard en de regelmaat ervan,
waarbij zij rekening mogen houden met het niveau van het minimumloon en minimumpensioen
voordat het verzoek om toekenning van de status van langdurig ingezetene werd ingediend.
Voor verblijf in een tweede lidstaat bevat artikel 15, tweede lid, onder a, van de
richtlijn dezelfde voorwaarden. Hierover is jurisprudentie van het EU-Hof van Justitie,
waaruit ook voortvloeit dat het nuttig effect niet aan de richtlijn mag worden ontnomen.
Vraag 212 en 213
Voor reguliere migranten bestaat de mogelijkheid om na tien jaar zonder inkomenseis
een vergunning onbepaalde tijd regulier te verwerven. Wat is het gerechtvaardigd onderscheid
om vluchtelingen een minder goede rechtspositie te geven dan reguliere migranten?
Moet voor vluchtelingen waar immers sprake is van gedwongen migratie en een lagere
kans op het voldoen aan een inkomensvereiste niet juist geen of een soepeler inkomensvereiste
worden gehanteerd, waarbij de nadruk ligt op een inspanningsverplichting?
Zoals hiervoor toegelicht zal de regering om goede redenen en onder verwijzing naar
het Unierecht de asielvergunning voor onbepaalde tijd afschaffen. De mogelijkheid
blijft bestaan voor een asielstatushouder om onder voorwaarden in aanmerking te komen
voor een permanente verblijfsvergunning. De regering benadrukt daarbij het belang
van een integratie en participatie en zal dat op diverse wijzen stimuleren door onder
meer taalles en het recht op werk reeds in een vroegtijdig stadium van hun verblijf
in Nederland. Voorts wordt conform de plannen van deze regering de mogelijkheid gecreëerd
om ná zes jaren rechtmatig verblijf op basis van een tijdelijke vergunning in aanmerking
te kunnen komen voor naturalisatie indien wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden.
Vraag 214
Wat is de planning voor het mogelijk maken van naturalisatie voor individuen van wie
tweemaal de verblijfsvergunning is verlengd, zoals opgeschreven in het Coalitieakkoord
2026–2030 op pagina 40?
De regering zal u die planning zo snel mogelijk doen toekomen.
Vraag 215
Hoe verhoudt het afschaffen van de verblijfsvergunning onbepaalde tijd zich tot de
belofte in het Coalitieakkoord «Meedoen wordt de norm»? Erkent de regering dat meedoen
bemoeilijkt wordt als statushouders jaren in onzekerheid blijven?
De regering is van mening dat met de voorgenomen maatregelen «meedoen» wordt gestimuleerd.
Het is van groot belang dat asielstatushouders integreren en participeren in de Nederlandse
maatschappij. Dit wordt enerzijds gestimuleerd door eisen te stellen aan een permanent
verblijfsrecht in Nederland en anderzijds door de benodigde hulp te bieden bij het
vroegtijdig leren van de taal en het vinden van werk.
Vraag 216
De leden van de VVD-fractie constateren dat de verblijfsvergunning EU-langdurig ingezetene
een alternatief zal worden voor vreemdelingen die een verblijfsvergunning voor onbepaalde
tijd wensen te bemachtigen. In hoeverre bestaat er volgens de regering in Nederland
nog ruimte om de voorwaarden voor het verkrijgen van de EU-langdurig ingezetene status
verder aan te scherpen?
Hiervoor bestaat naar het oordeel van de regering thans geen ruimte. De voorwaarden
voor de verblijfsvergunning EU-langdurig ingezetenen zijn streng en ook strenger dan
de voorwaarden voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Minder vreemdelingen
zullen hiervoor in aanmerking komen. Naast een rechtmatig verblijf van ten minste
vijf jaar, moet de vreemdeling regelmatige inkomsten hebben zonder dat daarvoor een
beroep moet worden gedaan op de sociale bijstand, een ziektekostenverzekering hebben
alsook aan integratievoorwaarden (het inburgeringsexamen) hebben voldaan. Daarbij
komt dat de behandeling van deze aanvragen veelal meer besliscapaciteit kost dan de
aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd vanwege de extra
voorwaarden waaraan moet worden getoetst. In sommige gevallen is de toetsing erg complex.
Vraag 217
De leden van de JA21-fractie constateren dat om in aanmerking te komen voor de EU-status
van langdurig ingezetene de aanvrager het inburgeringsexamen moet hebben gedaan. Welke
eisen mogen aan dit inburgeringskader worden gesteld op grond van Europese wetgeving
en in hoeverre zijn de eisen waaraan moet worden voldaan en de procedure voor het
afnemen van het examen, facultatief?
De richtlijn langdurig ingezetenen bevat geen eisen voor het inburgeringskader. Artikel
5, derde lid, van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten voor het verkrijgen van de
status van langdurig ingezetene mogen eisen dat onderdanen van derde landen voldoen
aan integratievoorwaarden overeenkomstig het nationaal recht. Indien de langdurig
ingezetene gebruik maakt van zijn recht om in een andere EU-lidstaat te verblijven,
mag die tweede lidstaat voor de aldaar aan te vragen verblijfsvergunning ook het vereiste
stellen dat de langdurig ingezetene voldoet aan integratievoorwaarden, tenzij de betrokkene
in de eerste lidstaat aan integratievoorwaarden heeft moeten voldoen om de status
van langdurig ingezeten te verwerven. In het laatste geval mag van de betrokkenen
wel worden verlangd dat zij deelnemen aan taalcursussen. Uit de jurisprudentie van
het EU-Hof van Justitie vloeit voort dat de wijze waarop daaraan uitvoering wordt
gegeven de verwezenlijking van de met deze richtlijn nagestreefde doelen (vergemakkelijking
van de integratie van derdelanders die duurzaam in de lidstaten zijn gevestigd) niet
in gevaar mag brengen.
5. Uitvoering Procedureverordening (EU) 2024/1348
5.1. Algemeen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van groot belang dat de procedures
zorgvuldig zullen plaatsvinden en dat het afschaffen van procedurele waarborgen geen
invloed heeft op de zorgvuldigheid van de feitenvaststelling en de besluitvorming.
Ook is er op deze manier een risico dat de werklast verschuift naar de rechterlijke
macht doordat er waarschijnlijk meer procedures en beroepen plaatsvinden. Zij hebben
hier enkele vragen bij en vragen gelieve deze afzonderlijk te beantwoorden.
Vraag 218
Hoe verhouden het afschaffen van procedurele stappen zoals het aanmeldgehoor, de rust-
en voorbereidingstijd, het voornemen, de zienswijze en het recht op rechtsbijstand
voorafgaand aan het gehoor zich tot de waarborgen van het bestuursrechtelijke zorgvuldigheidsbeginsel
en de Europeesrechtelijke verplichting dat asielzoekers zich goed moeten kunnen voorbereiden
op hun gehoor?
Het voornemen tot het afschaffen van procedurele stappen heeft betrekking op onverplichte
procedurestappen. Het uitgangspunt is en blijft dat elke asielzoeker wordt gehoord
voorafgaande aan een beslissing over de gegrondheid van de asielaanvraag. In dit gehoor
krijgt de asielzoeker uitgebreid de gelegenheid om zijn motieven naar voren te brengen.
Daarnaast zal de IND, aan het eind van het gehoor, nóg nadrukkelijker vragen of alle
elementen in voldoende mate naar voren zijn gekomen en of de aanvrager voldoende in
de gelegenheid is geweest om te reageren op omstandigheden die de geloofwaardigheid
negatief kunnen beïnvloeden. Hierbij blijft het uitgangspunt dat het dossier volledig
is en dat er geen onduidelijkheid bestaat over de verklaringen van de aanvrager waarop
het besluit – mede – wordt gebaseerd voordat het besluit wordt genomen. De regering
meent derhalve dat ook na het afschaffen van procedurele stappen de asielaanvraag
voldoende zorgvuldig wordt behandeld en beslist.
Vraag 219
Worden de negatieve gevolgen van het wegvallen van deze waarborgen gecompenseerd met
alternatieve procedurele stappen, bijvoorbeeld in de voorlichting van asielzoekers?
Het uitgangspunt van de nieuwe asielprocedure zoals deze vanaf 12 juni 2026 van toepassing
zal worden blijft dat het dossier volledig is en er geen onduidelijkheid bestaat over
de verklaringen van de aanvrager waarop het besluit – mede – wordt gebaseerd. Ook
zonder de benoemde procedurestappen, zal dit uitgangspunt kunnen worden gewaarborgd.
Een noodzaak tot compensatie van de stappen die komen te vervallen, wordt dan ook
niet gedeeld.
Vraag 220
De IND stelde in het NOS-artikel van 11 februari 2026 dat de rechter nu in ongeveer
15 procent van de gevallen aangeeft dat een IND-procedure niet zorgvuldig genoeg is
geweest.2 Zij verwachten dat dit onder het Pact wellicht 16 of 17 procent zal worden. Kan de
regering aangeven waar deze inschatting op is gebaseerd?
Deze inschatting is gebaseerd op het onderzoek van de IND naar aanleiding van het
afschaffen van het voornemen, dat in 10% van de zaken waarin eerst een voornemen werd
uitgebracht uiteindelijk een inwilligend besluit is genomen. Hieruit kan afgeleid
worden dat de zienswijze vanuit de advocatuur in de asielprocedure tot een ander inzicht
heeft geleid. Overigens kan het voornemen om eerst af te wijzen en daarna toch in
te willigen ook gebaseerd zijn op nagekomen documenten, veranderend beleid of nieuwe
informatie van de zijde van de vreemdeling. Door het afschaffen van het voornemen
zal de discussie over de juistheid van het besluit zich meer gaan verplaatsen naar
de beroepsfase. Tegelijk verwacht de IND met de komst van een nieuw asielproces met
nieuwe Europese regels dat ook meer beroepen zullen wordt ingediend en er ook meer
geschillen zullen zijn over de uitleg van al deze nieuwe regels. Dit leidt tot een
inschatting dat vooral de eerste periode na de implementatie van het pact het percentage
gegrondverklaringen wat zal stijgen.
Om te voorkomen dat onzorgvuldig voorbereide besluiten in beroep worden behandeld
en hiermee een onnodig beroep wordt gedaan op de capaciteit van rechtbanken, gaat
de IND een screeningsproces inrichten voordat zaken in beroep worden behandeld. Indien
een zaak niet gerepareerd kan worden in de beroepsfase, zal een nieuw of aanvullend
besluit genomen worden.
Vraag 221
Hoe verhoudt deze inschatting zich tot de inschatting van de Rvdr, waarin zij stelt
dat de maatregelen zorgen voor een toename van de doorlooptijden en duizend extra
asielzaken per jaar?
De regering erkent dat vooral de invoering van het tweestatusstelsel in combinatie
met de aangescherpte nareisvoorwaarden voor subsidiair beschermden tot een toename
van het aantal beroepzaken zal gaan leiden. Het afschaffen van de voornemenprocedure
zal vooral in het begin tot meer beroepen leiden maar de verwachting is ook dat het
zich daarna weer zal stabiliseren.
Vraag 222
Een van de wijzigingen die wordt doorgevoerd met deze implementatiewet is de inkorting
van asielprocedures met kortere termijnen in de besluitvorming, zo lezen de leden
van de GroenLinks-PvdA-fractie. Zijn er waarborgen om die nieuwe termijnen, ondanks
de bestaande lange wachttijden, te halen? Zo ja, welke?
Met het van toepassing worden van het Asiel- en migratiepact wordt de nieuwe instroom
met prioriteit behandeld. Dit betekent dat de nieuwe instroom wordt bijgehouden. De
nieuwe asielprocedure bevat minder verplichte procedurele stappen waardoor deze flexibeler
en korter is, zonder in te leveren op procedurele waarborgen en kwaliteit. Om deze
redenen verwacht de IND de kortere termijn van de nieuwe asielprocedure te halen.
Vraag 223
Als er gebruik wordt gemaakt van een tweesporenbeleid waarin nieuwe aanvragen met
voorrang worden behandeld, hoe wordt dan voorkomen dat de wachttijden van de bestaande
voorraad nog verder oplopen?
Wanneer het Asiel- en migratiepact van toepassing wordt werkt de IND met een nieuwe
asielprocedure waarin alle instroom binnenkomt en met prioriteit wordt behandeld.
Er komen dan geen nieuwe zaken meer binnen op de bestaande voorraad waardoor deze
niet verder oploopt. Echter, het is van belang dat ook de zaken in de liggende voorraad
worden behandeld en aanvragers niet té lang moeten wachten. Daarom werkt de IND aan
een plan van aanpak voor de liggende voorraad.
Vraag 224
Hoe ziet de regering het feit dat er in het verleden aparte regelingen moesten worden
opgetuigd om de beslisachterstanden op te lossen in relatie tot het tweesporenbeleid?
Om de instroom bij te houden zal een groot deel van de IND-capaciteit daarop ingezet
worden. Dit heeft als doel de kortere termijnen uit het Pact te halen en nieuwe hoge
voorraden zoveel mogelijk te voorkomen. De resterende capaciteit zal ingezet worden
op het wegwerken van de aanvragen die zijn ingediend voor 12 juni 2026. Op dit moment
wordt gewerkt aan een plan van aanpak met betrekking tot het afdoen van deze zaken.
Vraag 225
Ziet de regering het risico dat er weer asielzoekers jaren zullen moeten wachten in
Nederland?
De regering verwijst naar de beantwoording van de vragen 223 en 224.
Vraag 226
Als nu al wachtende asielzoekers nog langer in de procedure moeten blijven, wordt
daar dan rekening mee gehouden bij de toepassing van aanvullende nareisvoorwaarden
om een onaanvaardbaar lange scheiding van familieleden in het licht van artikel 8
EVRM te voorkomen?
De regering acht de aanvullende voorwaarden voor nareis van kerngezinsleden van subsidiair
beschermden proportioneel. Dit laat onverlet dat indien een aanvraag tot nareis wordt
afgewezen omdat niet aan de aanvullende voorwaarden wordt voldaan, ambtshalve aan
artikel 8 van het EVRM zal worden getoetst. Bij deze toets wordt – indien sprake is
van gezinsleven – een belangenafweging verricht waarbij de individuele feiten en omstandigheden
centraal staan. Hoe zwaar die belangen wegen wordt steeds per concreet geval bepaald.
Vraag 227
De leden van de JA21-fractie vragen wat het gevolg is als geen geluidsopname wordt
gemaakt van het persoonlijk onderhoud, maar wel een schriftelijk verslag. Welke gevolgen
heeft dat voor het verzoek en de procedure?
Het opnemen van het gehoor is een verplichting opgenomen in artikel 24, tweede lid
van de Procedureverordening en een waarborg voor de vreemdeling. Als er onverhoopt
geen opname wordt gemaakt van het persoonlijk onderhoud, bijvoorbeeld door een technische
storing, kan dit tot gevolg hebben dat het persoonlijk onderhoud opnieuw moet worden
afgenomen. Omdat de procedure flexibel wordt ingericht en er dus snel een nieuw persoonlijk
onderhoud gepland kan worden, zal dit naar verwachting niet heel veel vertraging opleveren.
Vraag 228
In hoeverre wordt voorzien in het gebruik van artificial intelligence (AI) om verhoren
te vertalen, accenten te herkennen en daarmee het land en de regio van herkomst te
kunnen inschatten, en/of om het onderhoud om te zetten in schriftelijke teksten? Welke
kansen ziet de regering daarbij?
De IND kijkt onder meer naar de inzet van AI, als ondersteunend hulpmiddel, bijvoorbeeld
door het geautomatiseerd kunnen samenvatten van stukken. De IND onderzoekt de mogelijkheden
om gesproken tekst tijdens persoonlijk onderhoud om te zetten in geschreven tekst
(speech-to-tekst), deze techniek is nog in ontwikkeling. Daarnaast zet de IND AI in
tijdens de beroepsprocedure, bijvoorbeeld door screening aan de voorkant te ontwikkelen
(zie antwoord vraag 220) in de beroepsprocedure.
Vraag 229
Wat gebeurt er als zaken in de versnelde procedure niet tijdig beoordeeld zijn?
Het overschrijden van de termijn voor de versnelde procedure leidt niet automatisch
tot het omzetten naar de niet-versnelde procedure. De IND is in dat geval te laat
met beslissen en zal er alsnog naar streven om de aanvraag zo snel mogelijk af te
ronden.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Procedureverordening beoogt de regels
voor de behandeling van asielaanvragen in de EU zoveel mogelijk gelijk te trekken
en dat lidstaten daardoor nog maar weinig ruimte hebben voor eigen procedureregels.
Het doel is om verschillen tussen nationale asielprocedures te verkleinen en de afhandeling
sneller en uniformer te maken. Voor Nederland betekent dit dat verschillende bekende
nationale procedureonderdelen verdwijnen. Zo vervallen onder meer de rust- en voorbereidingstermijn
(de periode waarin een asielzoeker zich kan voorbereiden op de procedure), de vaste
procesdagen en de voornemenprocedure (waarbij eerst een schriftelijk voornemen tot
afwijzing wordt uitgebracht waarop de asielzoeker kan reageren). De procedure wordt
flexibeler ingericht en minder formeel opgebouwd. Het gehoor (het persoonlijk interview)
wordt het centrale moment in de asielprocedure. Er zijn geen verplichte extra schriftelijke
rondes meer waarin standpunten worden uitgewisseld. De nadruk ligt dus sterker op
het mondelinge onderzoek tijdens het gehoor. Daarnaast stelt de verordening strikte
termijnen voor de afhandeling van asielzaken: niet-ontvankelijkheidsprocedures (bijvoorbeeld
als een andere lidstaat verantwoordelijk is) moeten in principe binnen twee maanden
worden afgerond, versnelde procedures moeten binnen drie maanden worden afgerond en
reguliere procedures moeten binnen zes maanden worden afgerond. Verlenging van deze
termijnen is slechts in beperkte gevallen mogelijk.
De leden van de BBB-fractie constateren dat na een rechterlijke uitspraak de druk
wordt opgevoerd: als de rechter een besluit vernietigt, moet de overheid binnen een
verkorte termijn opnieuw beslissen. Ook worden de beroepstermijnen (de tijd waarbinnen
een asielzoeker in beroep kan gaan tegen een besluit) verkort. In veel gevallen bedraagt
die termijn nog maar één of twee weken.
Vraag 230
Wat gebeurt er als de strikte EU-termijnen structureel niet worden gehaald? Ontstaat
dan automatisch rechtmatig verblijf of toegang tot Nederland? Of kunnen wij andere
landen dan afdwingen asielzoekers van ons over te nemen op basis van het solidariteitsmechanisme?
Het overschrijden van de maximale termijn van 12 weken voor de behandeling van het
asielverzoek in een asielgrensprocedure, heeft als gevolg dat de behandeling niet
in de asielgrensprocedure mag worden voortgezet. De betreffende asielzoeker krijgt
dan toegang tot het grondgebied en zijn verzoek zal worden afgehandeld in de landsprocedure.
Dit betekent niet dat de asielzoeker ook een asielvergunning zal worden verstrekt.
Dat zal enkel het geval zijn als zijn individuele asielmotieven daartoe nopen. Indien
de asielmotieven ontoereikend zijn, zal het asielverzoek worden afgewezen. Eenzelfde
beoordeling is van toepassing als andere termijnen voor de behandeling van het asielverzoek
niet worden gehaald. Nederland kan bij het structureel overschrijden van de beslistermijnen
niet afdwingen dat andere landen asielzoekers van Nederland overnemen in het kader
van het solidariteitsmechanisme. Het is de Europese Commissie die aan de hand van
meerdere factoren jaarlijks beslist welke lidstaten onder een migratiedruk staan en
aanspraak hebben op solidariteit, bijvoorbeeld in de vorm van het overnemen van asielzoekers
van de andere lidstaten.
Vraag 231
De leden van de BBB-fractie constateren dat een asielverzoek als niet-ontvankelijk
kan worden beschouwd als een asielzoeker naar een veilig, derde land kan worden gestuurd
voor de behandeling van zijn verzoek om bescherming. Hiervoor is echter wel een «band»
vereist met een derde land, zoals een eerdere verblijfplaats, werk, familie of studie.
Kan de regering toelichten waarom hiervoor gekozen is? Waarom moet er sprake zijn
met een band met het derde land? De betreffende vluchteling heeft met Nederland toch
ook geen «band»?
Op dit moment is voor het toepassen van het concept veilig derde land inderdaad vereist
dat er sprake is van een band tussen de verzoeker en het betrokken derde land op grond
waarvan het voor de betrokkene redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Nederland
heeft zich op het standpunt gesteld dat het bandencriterium geen grond vindt in het
internationale recht en gaf de voorkeur aan afschaffen ervan. In de tekst van de Procedureverordening
zoals die op 22 mei 2024 is gepubliceerd, is dit bandencriterium gehandhaafd. Echter,
op 26 februari 2026 is de Verordening Veilige derde landen gepubliceerd, waardoor
het bandencriterium in de Procedureverordening is versoepeld. Dit betekent dat vanaf
12 juni 2026 het concept «veilig derde land» kan worden toegepast in elk van de volgende
gevallen: 1) wanneer een asielzoeker een band met het veilige derde land heeft, zoals
ook onder het huidige bandencriterium al kan, of 2) wanneer een asielzoeker door het
veilige derde land is gereisd (een «transitcriterium»), óf 3) wanneer een EU-lidstaat
afspraken of een regeling (een «agreement» of een «arrangement») met een veilig derde
land heeft waaronder de betrokken asielzoekers toegang krijgen tot een (deugdelijke)
asielprocedure. Deze laatste mogelijkheid geldt niet voor niet-begeleide minderjarigen.
Vraag 232
Erkent de regering dat het bandencriterium richting derde landen in de praktijk zeer
lastig te bewijzen is en daarmee vooral juridisch, maar nauwelijks feitelijk, bijdraagt
aan terugkeer?
De regering heeft zich eerder op het standpunt gesteld dat er in het internationaal
recht geen grond is voor het bandencriterium en dat het geschrapt zou moeten worden.
De regering kan zich vinden in de uitkomst van de onderhandelingen met betrekking
tot de Verordening Veilige derde landen en in de huidige tekst van de verordening.
5.2. Schrappen nationale procedureregels
De leden van de JA21-fractie constateren dat de Procedureverordening toestaat dat
de schorsende werking van rechtsmiddelen in bepaalde categorieën zaken, onder meer
bij kennelijk ongegronde aanvragen en bij bedreiging van de openbare orde of nationale
veiligheid, wordt beperkt of uitgesloten, mits een effectieve rechterlijke toets gewaarborgd
blijft.
Vraag 233
Is de regering bereid om voor asielzoekers die zijn veroordeeld voor (bepaalde) misdrijven
stelselmatig gebruik te maken van de mogelijkheid om beroep en (vooral) hoger beroep
niet automatisch schorsende werking te geven, zodat strafrechtelijke veroordeling
sneller kan worden gevolgd door feitelijke uitzetting? Zo nee, kan de regering per
relevant artikel uit de Procedureverordening aangeven waarom deze route volgens haar
niet mogelijk is?
De Procedureverordening schrijft voor dat het beroep geen automatisch schorsende werking
heeft als de aanvraag kennelijk ongegrond is verklaard omdat er redelijke gronden
zijn om aan te nemen dat de verzoeker een gevaar vormt voor de nationale veiligheid
of de openbare orde van de lidstaat, of dat de verzoeker onder dwang is uitgezet om
ernstige redenen van nationale openbare veiligheid of openbare orde krachtens het
nationale recht, of als er uitsluitingsgronden, zoals artikel 1F Vluchtelingenverdrag,
van toepassing zijn. De IND zal vanzelfsprekend overeenkomstig handelen.
Vraag 234 en 235
De leden van de JA21-fractie vragen hoeveel vreemdelingen met een vertrekplicht en
(meerdere) strafrechtelijke veroordelingen thans in Nederland verblijven zonder dat
hun vertrek is gerealiseerd. Welke doelstelling formuleert de regering, uitgedrukt
in percentages en aantallen, voor vermindering van deze groep in de eerste drie jaar
na inwerkingtreding van het Pact? In hoeverre verwacht de regering dat de nieuwe terugkeer-
en bewaringstitels onder het Pact deze groep daadwerkelijk zullen doen afnemen?
Het is niet mogelijk het gevraagde aantal op te leveren. Op dit moment wordt er een
WODC-onderzoek uitgevoerd naar vreemdelingen die onrechtmatig in Nederland verblijven.
Het is nog niet met zekerheid te zeggen wanneer dit onderzoek zal worden aangeboden.
Vervolgens zal niet exact aan te geven zijn welk deel van deze personen strafrechtelijke
antecedenten heeft. Dat neemt niet weg dat het vertrek van vreemdelingen zonder rechtmatig
verblijf die veroordeeld zijn voor strafbare feiten zeer hoge prioriteit heeft in
het vertrekbeleid. Waar mogelijk vertrekken zij aansluitend op hun straf uit Nederland.
In de Staat van Migratie 2025 is terug te vinden dat in 2024 van de vreemdelingen
in de strafrechtsketen in de caseload van DTenV 79% aantoonbaar is vertrokken. Het
aantoonbaar vertrek van vreemdelingen in de strafrechtsketen is aanzienlijk hoger
dan bij andere vreemdelingen uit de caseload van DTenV. Het Asiel- en migratiepact
biedt als zodanig geen nieuwe grondslagen in dit kader. Wel kunnen onderdelen van
de Asielnoodmaatregelenwet op dit punt versterkend werken.
Vraag 236
Is de regering bereid in de nationale wetgeving expliciet vast te leggen dat het stapelen
van procedures (opvolgende asielaanvragen, herzieningsverzoeken, ambtshalve herbeoordelingen)
door vreemdelingen met ernstige strafrechtelijke antecedenten zoveel mogelijk als
niet in het geheel wordt beperkt, door onder het nieuwe EU-kader strenger om te gaan
met ontvankelijkheid en schorsende werking? Zo nee, waarom kiest de regering er niet
voor om hier de maximale ruimte van het pact te benutten?
Uitgangspunt van het openbare-ordebeleid is dat vreemdelingen die (ernstige) misdrijven
plegen niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland. De regering zal dus waar
mogelijk gebruikmaken van de mogelijkheden die het EU-kader op dit terrein biedt.
Tegelijkertijd moet hierbij worden aangetekend dat het Pact geen bepalingen bevat
die het stapelen van procedures beperkt op de enkele grond van openbare orde.
5.3. Afschaffen voornemenprocedure
Hoewel de leden van de D66-fractie inzien dat de werklast van de IND is gebaat bij
het afschaffen van de voornemenprocedure, maken zij zich ook zorgen over het verschuiven
van deze last naar andere ketenpartners. De zorg bestaat dat deze wijziging zal leiden
tot meer bezwaar- en beroepsprocedures, wat leidt tot meer werkdruk bij de Rechtspraak
maar ook bij het COA, doordat aanvragers langer in de opvang verblijven.
Vraag 237
Deze leden vragen de regering toe te lichten met welk flankerend beleid deze verschuiving
van werklast wordt voorkomen, ook bezien in het licht van de opmerkingen van de Rechtspraak
dat extra middelen het probleem niet direct kunnen oplossen omdat er ook een tekort
aan rechters bestaat.
Het afschaffen van de voornemenprocedure maakt het mogelijk om eerder een besluit
te nemen, waardoor minder beroepen wegens niet-tijdig beslissen worden ingesteld.
Deze procedures maken nu een substantieel onderdeel uit van de werkvoorraad van de
rechtspraak. Daarnaast worden dossiers vroegtijdig gescreend door de directie JZ van
de IND, zodat gebrekkige besluiten kunnen worden hersteld of ingetrokken voordat zij
bij de rechtbank komen. Daarmee wordt onnodige belasting van de rechtspraak voorkomen.
De rechtspraak werkt via het programma Tijdige rechtspraak aan het verkorten van doorlooptijden
en het vergroten van voorspelbaarheid. Op de langere termijn verwacht de regering
echter dat de invoering van de wetsvoorstellen, samen met het bredere pakket aan maatregelen,
leidt tot een substantiële beperking van de asielinstroom en de nareis van gezinsleden
waardoor ook de rechtspraak structureel ontlast wordt.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de regering enerzijds, onder meer via
de in de Tweede Kamer aangenomen asielwetten van oud-minister Faber, de asielprocedure
fors wil versnellen en efficiënter maken, onder andere door afschaffing van de voornemenprocedure
en andere maatregelen om de keten te ontlasten en de instroom te beperken. Anderzijds
wordt in het kader van de implementatie van het Pact de mogelijkheid behouden om na
het nader gehoor nog correcties en aanvullingen in te dienen op het gehoorverslag,
voordat de IND tot een direct besluit overgaat. Dit creëert een extra administratieve
stap die, ondanks de beoogde versnelling, vertraging kan veroorzaken en de procedure
onnodig verlengt.
Vraag 238
Deze leden wijzen erop dat uit het Pact geen verplichting voortvloeit om een dergelijke
mogelijkheid tot indienen van aanvullingen en correcties na het gehoor te bieden.
Voornoemde leden vragen waarom de regering desondanks kiest voor deze mogelijkheid
tot correcties en aanvullingen, terwijl dit haaks lijkt te staan op de expliciete
doelstelling van de asielwetten om de procedure efficiënter en korter te maken. Waarom
wordt hier geen gebruikgemaakt van de nationale beleidsruimte die het Pact biedt om
de procedure verder te versnellen en misbruik te voorkomen, in plaats van extra administratieve
lasten in te bouwen?
De herinrichting van de asielprocedure zoals voorzien met de implementatie van het
Asiel- en migratiepact en de bijbehorende nationale uitvoeringskeuzes, hebben op zichzelf
al grote, versoberende gevolgen voor de inzet van rechtsbijstand door de asieladvocatuur
die op dit moment nog bij (een aantal van) die stappen betrokken is. Het is weliswaar
juridisch mogelijk om de rechtsbijstand verder te versoberen in de eerste, administratieve
fase van de asielprocedure, maar dit weegt niet op tegen de risico’s en nadelen die
daaraan verbonden zouden zijn. Zonder een expliciet moment van hoor- en wederhoor,
zoals met de mogelijkheid correcties en aanvullingen in te dienen is geregeld, loopt
de IND het risico in de beroepsfase vaker tegen vernietigingen van een afwijzing aan
te lopen, bijvoorbeeld omdat aanvullende elementen moeten worden toegestaan. Het schrappen
van de voornemenprocedure steunt bovendien op de onderbouwing dat – onder meer vanwege
het in de regel bieden van de mogelijkheid correcties en aanvullingen in te dienen
– de asielprocedure nog steeds voldoet aan de Europese verplichting van het recht
van eenieder te worden gehoord voordat een individuele maatregel wordt genomen. Het
is dus efficiënter om bij het eerste besluit de argumenten en gronden van de asielzoeker
en zijn gemachtigde al te kunnen betrekken.
Vraag 239
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat door het afschaffen van
de voornemenprocedure de bestuurlijke fase van de asielprocedure nu meer zal afwijken
van het algemeen bestuursrechtelijke uitgangspunt van «ongelijkheidscompensatie»,
waardoor de druk op de rechterlijke fase toeneemt om aan dit rechtsbeginsel te voldoen.
Kan de regering toelichten hoe deze afschaffing zich verhoudt tot het wetstraject
«Wet versterking waarborgfunctie Awb», waarin de verankering van het beginsel van
ongelijkheidscompensatie de kern vormt?
De regering ziet geen spanning met het wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie
Awb. Ook zonder het voornemen blijft de asielprocedure namelijk voorzien in afdoende
waarborgen voor een zorgvuldige besluitvorming in de primaire fase.
Het afschaffen van het voornemen betekent dat de IND na een nader gehoor en, na –
indien van toepassing – ontvangst van de correcties en aanvullingen op het verslag
van het nader gehoor, direct een besluit neemt op de aanvraag, zonder dat de asielzoeker
een zienswijze op de voorgenomen afwijzing naar voren brengt. Het uitgangspunt is
en blijft dat elke asielzoeker wordt gehoord voorafgaande aan een beslissing over
de gegrondheid van een de asielaanvraag. De mogelijkheden tot hoor- en wederhoor blijven
daarbij voldoende gewaarborgd. Zo kunnen door de asielzoeker aangebrachte correcties
en aanvullingen op het gehoor aanleiding vormen om de betrokkene nader te horen. Ook
zal de IND, waar relevant, de asielzoeker gelegenheid bieden om te reageren op een
deskundigenadvies dat de IND heeft laten opstellen voordat er een beslissing op de
aanvraag wordt genomen.
Verder wijst de regering erop dat de voornemenprocedure niet verplicht voortkomt uit
internationale verdragen of Europese regelgeving. Met het afschaffen ervan wordt beoogd
de asielprocedure te stroomlijnen en in lijn te brengen met die van de andere EU-lidstaten,
zonder afbreuk te doen aan het verdedigingsbeginsel, de samenwerkingsverplichting
en het recht van de asielzoeker om gehoord te worden. Uit navraag bij omliggende lidstaten
is gebleken dat het overgrote merendeel van deze lidstaten deze onverplichte procedurestap
niet kennen. Het afschaffen van de voornemenprocedure draagt zodoende ook bij aan
het verwezenlijken van de doelstellingen van de aankomende Procedureverordening, die
bestaande verschillen tussen de nationale asielprocedures zoveel mogelijk wil wegnemen,
met het doel ervoor te zorgen dat alle verzoekers gelijk worden behandeld, waar ook
in de Unie zij een verzoek indienen.
Vraag 240
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering het toepassen van de
versnelde procedure beperkt kan blijven waar het Pact dit verplicht. Waarom kiest
de regering er niet voor om aanvragen van alleenstaande minderjarigen (amv’s), gezien
hun kwetsbare positie, uit te zonderen van versnelde procedures?
De Procedureverordening bewaakt in meerdere bepalingen de procedurele waarborgen die
voor alleenstaande minderjarigen gelden. Vooropgesteld moet worden dat de eisen die
de Procedureverordening stelt aan de behandeling van een aanvraag zowel gelden voor
versnelde als voor niet-versnelde procedures. Slechts de behandelingsduur van een
versnelde procedure is korter. In beide gevallen moet ten volle rekening worden gehouden
met eventuele behoeften aan bijzondere procedurele waarborgen. Als noodzakelijke procedurele
waarborgen niet kunnen worden geboden in het kader van een versnelde procedure, schrijft
artikel 21 van de Procedureverordening voor dat die procedure niet of niet langer
wordt toegepast. Verder schrijft artikel 42, derde lid, van de Procedureverordening
voor dat afdoening in een versnelde procedure bij niet-begeleide minderjarigen slechts
in een strikt omschreven aantal gevallen is toegestaan. Bij kwetsbare personen en
niet-begeleide minderjarigen dient op grond van deze bepalingen derhalve op individuele
basis te worden nagegaan of de aanvraag van een vreemdeling wel dan wel niet in de
versnelde procedure kan worden afgedaan.
Vraag 241
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de mogelijkheid die in het ontwerpbesluit
voor het Pact in artikel 3.109b van het Vreemdelingenbesluit wordt geboden om de vreemdeling
in de gelegenheid te stellen correcties en aanvullingen te doen op het verslag van
een verhoor. Waarom is hier gekozen voor een kan-bepaling, zo vragen deze leden. Is
het niet zo dat artikel 14 lid 3 uit de Procedureverordening een dwingende bepaling
bevat?
Uit de concept-toelichting bij artikel 3.109b Vb 2000 blijkt dat de regering in de
regel ruimte zal bieden voor schriftelijke correcties en aanvullingen op het verslag
van het gehoor. Daarmee beoogt de regering maximaal te borgen dat de beslissing van
de IND is gestoeld op een volledig verslag van het asielgehoor, waarover tussen IND
en asielzoeker dan wel zijn gemachtigde geen verschil van inzicht bestaat. Tegelijkertijd
moet het voor de Minister mogelijk blijven om in voorkomende gevallen van dit uitgangspunt
af te wijken, bijvoorbeeld wanneer het indienen van correcties en aanvullingen geen
wezenlijke bijdrage levert aan de zorgvuldigheid van de besluitvorming, dan wel belang
bestaat bij het spoedig kunnen nemen van een besluit op de aanvraag. De precieze invulling
van dit beleid zal in de Vreemdelingencirculaire 2000 vorm worden gegeven.
In de antwoorden op de vragen 13 en 14 is toegelicht dat artikel 14, vijfde lid Procedureverordening
een uitzondering maakt op het uitgangspunt dat in het derde lid is opgenomen. Die
uitzondering is ook verankerd in artikel 83bb van het onderhavige wetsvoorstel.
Vraag 242
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen verschillende inschattingen van uitvoeringsorganisaties,
namelijk de IND en de Rvdr, over de gevolgen van het afschaffen van de voornemenprocedure
voor de toename in bezwaar- en beroepsprocedures. Welke inschatting maakt de regering?
Het afschaffen van het voornemen zorgt voor een aanzienlijke tijdsbesparing bij het
beslissen op asielaanvragen en zal de doorlooptijden van de behandeling van een asielaanvraag
verkorten. Daar staat tegenover dat er een lastenbezwaring bij andere onderdelen van
de IND, onder meer de directie JZ, op zal treden. Deze werkverzwaring weegt echter
niet op tegen de werkverlichting die het in de asielprocedure als geheel met zich
meebrengt.
5.4. Aanwijzing beslissingsautoriteit en andere bevoegde autoriteiten
Vraag 243
De leden van de CDA-fractie lezen dat in artikel 4, lid 6 van de Procedureverordening
is neergelegd dat lidstaten kunnen bepalen dat andere autoriteiten dan de beslissingsautoriteit
verantwoordelijk zijn voor de procedure ter bepaling van de verantwoordelijke lidstaat
in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Hiervoor heeft de regering
niet gekozen en dus wordt hiervoor ook de Minister van Asiel en Migratie verantwoordelijk.
Wat is de reden dat hiervoor is gekozen?
Artikel 4, tweede lid, onder a van de Procedurerichtlijn kent dezelfde mogelijkheid.
Er bestaat geen aanleiding een wijziging aan te brengen in de autoriteit die verantwoordelijk
is voor de procedure ter bepaling van de verantwoordelijke lidstaat nu de huidige
beslissingsautoriteit (IND) deze verantwoordelijkheid al jaren heeft.
5.5. Verschillende behandelingsprocedures en beslistermijnen
Vraag 244
De leden van de CDA-fractie lezen dat er verschillende verplichte behandelingsprocedures
voor de behandeling van de asielaanvraag worden geïntroduceerd met de Procedureverordening.
Bij aanvragen waarbij een van de gronden voor niet-ontvankelijkheid aan de orde kan
zijn, geldt bijvoorbeeld een behandelingsprocedure van twee maanden. Wat zijn de consequenties
als een behandelingstermijn niet wordt gehaald?
De voorgeschreven duur van de behandelingsprocedure ten aanzien van de ontvankelijkheid
van een verzoek volgt uit artikel 35, eerste lid, van de Procedureverordening. In
ditzelfde artikel wordt benoemd dat deze termijn niet fataal is: het is niet zo dat
het verzoek ontvankelijk moet worden geacht puur vanwege het feit dat de beslissing
over de ontvankelijkheid niet tijdig is genomen. Dat laat onverlet dat het streven
vanzelfsprekend zal zijn om deze termijn wel te halen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het huidige artikel 42 Vw2000 inzake termijnen
voor de behandeling van een asielaanvraag wordt geschrapt vanwege een aantal bepalingen
in de Procedureverordening. Deze leden constateren dat op grond van artikel 42 lid
1 Vw2000 op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking wordt gegeven,
en dat deze termijn op grond van artikel 35 lid 4 van de Procedureverordening ongewijzigd
blijft op zes maanden.
Vraag 245
Wat is wetstechnisch de reden dat het artikel 42 Vw2000 in zijn geheel wordt geschrapt,
nu er geen aanpassing van de termijn van de beschikking op van toepassing is? Heeft
dat te maken met de mogelijke verlengingstermijnen of heeft dat een andere reden?
Handhaving van artikel 42 Vw 2000 is niet nodig nu de termijn rechtstreeks uit artikel
35, vierde lid, van de rechtstreeks werkende Procedureverordening volgt.
Vraag 246
De leden van de JA21-fractie vragen welke derde landen bij de behandelingsprocedure
worden beschouwd als veilig, in het kader van een mogelijke niet-ontvankelijkheidsverklaring
op grond van artikel 38. Hoe wordt dat bepaald en gemonitord?
In het Nederlandse beleid wordt niet gewerkt met een lijst van veilige derde landen.
De vraag of een land als zodanig kan gelden wordt beoordeeld aan de hand van de merites
van de individuele zaak aan de hand van de criteria van artikel 59 van de Procedureverordening.
Als er sprake is van banden met een land, anders dan het land van herkomst, op grond
waarvan het redelijk voor de vreemdeling is naar dat land terug te gaan of als de
vreemdeling door een derde land gereisd heeft, kan een derde land aangemerkt worden
als veilig derde land voor die vreemdeling. Dat kan ook als er een overeenkomst bestaat
tussen een derde land en Nederland of de Europese Unie op grond waarvan de vreemdeling
aldaar bescherming kan aanvragen en verkrijgen. In het geval er een derde land wordt
aangemerkt als veilig derde land, wordt beoordeeld of de vreemdeling daar niet zal
worden blootgesteld aan vervolging of ernstige schade.
Het gaat er bij die beoordeling om dat het leven en de vrijheid niet worden bedreigd
om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale
groep of politieke overtuiging, en er geen risico bestaat op ernstige schade. Verder
moet het derde land het beginsel van non-refoulement naleven en moet de vreemdeling
daadwerkelijk toegang hebben tot een procedure om bescherming aan te vragen en te
verkrijgen. Bij de vraag of een veilig derde land voor de individuele vreemdeling
als veilig moet worden beschouwd, vormt het relaas van de vreemdeling het uitgangspunt.
De IND weegt mee of het betreffende land in de praktijk de verplichtingen uit de relevante
mensenrechtenverdragen naleeft. Die beoordeling geschiedt op basis van relevante en
beschikbare informatiebronnen, waaronder informatie van de lidstaten en het Asielagentschap.
Vraag 247
Als een asielzoeker van de boot op de Middellandse zee wordt opgehaald en dus is vertrokken
vanaf bijvoorbeeld Tunesië, Marokko, Algerije of Turkije, hoe wordt dan beoordeeld
of het asielverzoek niet ontvankelijk is op deze gronden? Worden die landen als veilig
beschouwd, met mogelijke uitzonderingen voor specifieke vervolging of gevaar?
De vraag of een derde land kan worden aangemerkt als een veilig derde land wordt per
individueel geval beoordeeld. Uitgaande van de hier omschreven omstandigheid dat de
vreemdeling door een of meer van de genoemde landen gereisd heeft, kan er dus toe
leiden dat beoordeeld wordt of het betreffende land geldt als veilig derde land. Er
wordt nog gewerkt aan de uitwerking van de kaders van de beoordeling in het geval
de vreemdeling door een derde land gereisd heeft. In ieder geval zal een beoordeling
gemaakt moeten worden van het naleven van het beginsel van non-refoulement en de mogelijkheden
die vreemdelingen aldaar in het algemeen hebben om bescherming aan te vragen en te
verkrijgen. Daarnaast moet worden beoordeeld of deze landen ook in het individuele
geval van de vreemdeling als veilig derde land kunnen worden aangemerkt. Het is dan
ook niet mogelijk om in algemene zin iets te zeggen over de beoordeling.
Vraag 248
De leden van de JA21-fractie vragen in hoeverre de Procedureverordening stelt dat
grensprocedures verplicht zijn voor alle «kansarme» aanvragen, van personen afkomstig
uit landen met een inwilligingspercentage van minder dan 20 procent. Wordt deze ruimte
maximaal benut en zo nee, waarom niet?
De Procedureverordening stelt de grensprocedure verplicht als «de verzoeker de nationaliteit
heeft van of, in het geval van een staatloze, zijn gewone verblijfplaats had in een
derde land waarvoor, volgens de meest recente beschikbare jaargemiddelden van Eurostat
voor de gehele Unie, de beslissingsautoriteit in 20% of minder van de gevallen internationale
bescherming heeft verleend, tenzij de beslissingsautoriteit oordeelt dat zich sinds
de publicatie van de desbetreffende Eurostat-gegevens in het betrokken derde land
een belangrijke wijziging heeft voorgedaan of dat de verzoeker behoort tot een categorie
van personen voor wie het erkenningspercentage van 20% of minder niet als representatief
voor hun beschermingsbehoeften kan worden beschouwd, rekening houdend met onder meer
de aanzienlijke verschillen tussen beslissingen in eerste aanleg en eindbeslissingen.»
Deze verplichting komt te vervallen als de lidstaat de toereikende capaciteit heeft
bereikt, of als de lidstaat het maximum heeft bereikt van het aantal grensprocedures
dat per jaar moet worden gevoerd. Overigens moet in het achterhoofd worden gehouden
dat de grensprocedure alleen van toepassing is op aanvragen die aan de Schengenbuitengrens,
zoals luchthaven Schiphol, worden ingediend.
Vraag 249
Kan de regering aangeven hoe groot het huidige percentage kansarme aanvragen in Nederland
is?
Voor de beantwoording wordt uitgegaan van de lijst van veilige landen van herkomst
(EU) en kandidaat lidstaten conform de verordening van het Europees Parlement en de
Raad. In 2025 kwam gemiddeld 16% van de instroom eerste asielaanvragen uit één van
deze landen.
Dit betreft de volgende nationaliteiten: Marokkaanse, Colombiaanse, Egyptische, Tunesische,
Indiase, Bengalese, Kosovaarse, Turkse, Georgische, Moldavische, Oekraïense, Macedonische/Burger
van Noord-Macedonië, Servische, Albanese, Burger van Bosnië-Herzegovina, Montenegrijnse.
Vraag 250
In hoeverre wordt nu gekozen voor structurele en maximale toepassing van versnelde
procedures bij asielzoekers afkomstig uit (relatief) veilige landen van herkomst?
Deze leden constateren dat het inwilligingspercentage in Nederland is gedaald van
58 procent in 2024 naar 36 procent in 2025, hetgeen impliceert dat een aanzienlijk
deel van de aanvragen kansarm is.
Sinds september 2025 is het nationale beleid inzake veilig land van herkomst opgeschort.
Dit laat onverlet dat de IND deze asielaanvragen sinds die tijd voorrang geeft, zoals
dat het geval al was en zolang de vreemdeling gedurende de asielprocedure beschikbaar
blijft. Wel kent de procedure in spoor 4 extra stappen ten opzichte van de versnelde
procedure in spoor 2, zoals die van toepassing was op personen afkomstig uit de aangewezen
veilige landen van herkomst. De inzet van de IND is niettemin om alle kansarme aanvragen
zo snel als mogelijk af te handelen. Voor zover het aanvragen betreft die binnen de
procesbeschikbaarheidsaanpak vallen, is het streven van de IND ongewijzigd om deze
aanvragen binnen 4 weken te behandelen. Op 12 juni 2026 wordt, als onderdeel van het
Pact, de (verplichte) Europese lijst van veilige landen van herkomst van toepassing.
Daarnaast worden, vanaf de datum waarop het Pact van toepassing wordt, verzoeken van
personen afkomstig uit een land met een Europees inwilligingspercentage lager dan
20 procent verplicht behandeld in de asielgrensprocedure, dan wel de versnelde procedure.
Overigens laat het inwilligingspercentage zich niet zo eenvoudig verklaren. De gemiddelde
uitkomst van asielaanvragen wordt gevormd door een samenhang van allerlei relevante
variabelen, zoals de samenstelling van de instroom en de actuele situatie in landen
van herkomst. Ook beleidswijzigingen zijn van invloed.
5.6. Beroep bij de rechter in asielprocedure
Vraag 251
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de verwachting van de regering
is wat betreft de toename van de druk op de rechterlijke macht door de in veel gevallen
afwezige automatische schorsende werking van beroep en hoe kan deze worden verzacht.
Hoger beroep heeft ingevolge de Procedureverordening geen schorsende werking. De hoofdregel
is dat het beroep in eerste aanleg in een asielzaak wel schorsende werking heeft.
Op deze hoofdregel geldt een aantal uitzonderingen, in die gevallen kan de rechter
worden verzocht een voorlopige voorziening te treffen waarmee de procedure in Nederland
toch kan worden afgewacht. De Raad voor de rechtspraak geeft aan dat dit in de praktijk
betekent dat er meer voorlopige voorzieningen worden aangevraagd.
Dat geen schorsende werking openstaat tegen beroepen tegen een overdrachtsbesluit
betreft geen wijziging van de staande praktijk in het gebruik van voorlopige voorzieningen,
daarom verwacht de Raad niet dat er een noemenswaardig effect in de werklast zal optreden.
5.7. (Verplichte) asielgrensprocedure
Vraag 252
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat Oostenrijk, Duitsland, Finland, Frankrijk
en Griekenland asielzoekers in de grensprocedure niet in detentie zullen plaatsen,
maar in open opvangplaatsen of wachtruimtes. Kan de regering toelichten of zij net
zoals deze leden verwachten dat asielzoekers de bestemde ruimtes/plekken zullen verlaten
en door zullen reizen naar onder andere Nederland waar zij alsnog de asielprocedure
door moeten lopen?
De implementatie van de asielgrensprocedure is verplicht en de regering benadrukt
dat het een essentieel onderdeel is van het Asiel- en migratiepact. Lidstaten richten
binnen de kaders van de Procedureverordening de grensprocedure in. Daarin moeten zij
de vreemdeling in zicht kunnen houden om de asielprocedure te doorlopen en om te voorkomen
dat vreemdelingen alsnog toegang krijgen tot het grondgebied alvorens op hun asielaanvraag
is beslist. Om dit te doen bestaat de mogelijkheid om vrijheidsbeperkende dan wel
vrijheidsontnemende maatregelen op te leggen. De regering zal ook oproepen tot een
nauwe monitoring van de werking van de asielgrensprocedure na de implementatiedatum
12 juni en indien nodig hier verder aandacht voor vragen tijdens de geplande evaluatie
in 2027.
Vraag 253
De leden van de PVV-fractie vragen voorts of de regering verwacht dat het aantal amv’ers
dat bewust vooruit wordt gestuurd door mensensmokkelaars of families zal toenemen,
nu deze groep niet in detentie mag worden geplaatst gedurende de grensprocedure en
dus in open opvang of alternatieve locaties verblijft. Indien ja, kan de regering
een concrete schatting geven van de verwachte toename in aantallen amv’ers die via
deze route naar Nederland of andere noordelijke lidstaten doorreizen en welke preventieve
of corrigerende maatregelen de regering voornemens is te treffen om dit misbruik tegen
te gaan en de instroom van alleenstaande minderjarigen te beperken?
De regering acht het van groot belang om steeds te zoeken naar de goede balans tussen
het belang van individuele minderjarigen, het belang van de gehele groep van minderjarigen
(ook van de toekomstige groep) en van ongewenste effecten die van beleidskeuzes kunnen
uitgaan. Het bieden van een bijzondere rechtspositie en extra waarborgen aan minderjarigen
kan legitiem zijn, gezien de kwetsbare positie van minderjarigen. Deze bijzondere
rechtspositie kan echter ook als ongewenst effect hebben dat het aantrekkelijk wordt
om minderjarigen vooruit te sturen of anderszins instrumenteel te maken. Bij de onderhandelingen
over het Pact is steeds naar die balans gezocht. Er kan niet met enige zekerheid worden
vastgesteld dat die nieuw gevonden balans zal leiden tot een (relatieve) toename van
het aantal minderjarigen, maar de regering acht het belangrijk om dat de komende jaren
goed te volgen.
Vraag 254
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat er gepaste zorg beschikbaar
moet zijn voor kwetsbare individuen, ook tijdens de asielgrensprocedure. Op welke
manier is er gepaste zorg voor mensen in een kwetsbare positie tijdens de asielgrensprocedure?
De asielgrensprocedure in Nederland is gekoppeld aan een bewaringsmaatregel. Tijdens
de screeningsfase beoordeelt de Koninklijke Marechaussee (KMar) of er redenen zijn
waardoor de bewaringsmaatregel niet kan worden opgelegd. In deze beoordeling wordt
de fysieke en mentale gesteldheid van de asielzoeker meegenomen. Als de KMar oordeelt
dat de asielzoeker niet in bewaring kan worden geplaatst, wordt de grensprocedure
niet toegepast, zoals nu ook het geval is. Als de asielgrensprocedure wel wordt toegepast,
beoordeelt de IND direct of er procedurele waarborgen nodig zijn en of deze waarborgen
kunnen worden geboden in bewaring. Als dit niet mogelijk is, wordt de maatregel alsnog
opgeheven en wordt de asielgrensprocedure niet langer toegepast. Gedurende het hele
proces wordt beoordeeld of er voldoende gronden zijn om de asielgrensprocedure te
blijven toepassen en of de maatregel nog steeds geschikt is.
Vraag 255
Hoe wordt in regelgeving verankerd dat mensen in een kwetsbare positie de juiste zorg
krijgen tijdens de asielgrensprocedure?
In het voorstel voor de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring (Kamerstukken I 2017/18,
34 309) wordt een artikel 58a toegevoegd aan de Vw 2000 waaruit volgt dat bij kwetsbaarheid
van de vreemdeling in het besluit tot inbewaringstelling kenbaar moet worden gemaakt
hoe die omstandigheid is betrokken bij de besluitvorming en dat inbewaringstelling
achterwege blijft indien dat in verband met de kwetsbaarheid onredelijk bezwarend
is. Door middel van een wijziging van artikel 6, vierde lid, Vw 2000 (zoals voorzien
in het voorstel voor de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring) wordt artikel 58a
Vw 2000 van overeenkomstige toepassing verklaard op grensbewaring ofwel vrijheidsontneming
aan de grens op grond van artikel 6 Vw 2000.
Vraag 256
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat de termijnen om beroep
in te stellen zeer kort zijn. Waarom is gekozen voor een termijn van zeven dagen en
niet tien dagen voor wanneer een verblijfsvergunning wordt ingetrokken en zij die
in aanmerking komen voor subsidiaire beschermingsstatus?
In de vraag worden twee afdoeningen genoemd waartegen beroep kan worden ingesteld:
de intrekking van de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 32 Vw 2000 en
de inwilliging van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29a Vw 2000, dat wil
zeggen de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. In deze gevallen geldt
echter een beroepstermijn van twee weken. Hier is niet voor de maximale termijn van
vier weken gekozen, om de hieronder genoemde redenen.
Vraag 257
Waarom is gekozen voor twee weken en niet voor vier weken voor alle andere gevallen?
Het verkorten van beroepstermijnen sluit aan bij de ingezette lijn tot verkorting
van de asielprocedures en het versoberen hiervan tot het Europese minimum. Zo wordt
getracht de uiteindelijke doorstroom in de asielketen te bevorderen.
Vraag 258
Hoe verhoudt dit zich tot effectieve rechtsbescherming dat de regering kiest voor
de halvering van de huidige beroepstermijn in eerste aanleg van vier weken naar twee
weken?
De regering verwacht niet dat effectieve rechtsbescherming hiermee in het geding komt.
5.8. Juridisch advies, counseling, rechtsbijstand
De leden van de D66-fractie hechten groot belang aan gedegen rechtsbijstand. Niet
alleen vanwege het recht op een eerlijk proces voor de aanvrager, maar ook omdat een
zorgvuldige procedure aan de voorkant uiteindelijk slepende, complexe procedures kan
voorkomen.
Vraag 259
Deze leden vragen de regering daarom toe te lichten of de manier waarop het volgens
dit voorstel wordt ingericht, met een combinatie van advies, counseling en rechtsbijstand,
voldoende steun biedt voor een zorgvuldige procedure.
De regering onderschrijft de in het advies benoemde belangen en meent met de gekozen
inrichting tot een procedure te zijn gekomen waarin een balans is gevonden tussen
het belang van een zorgvuldige en efficiënte asielprocedure enerzijds en een versobering
van de nationale invulling naar het Europees minimum anderzijds. De taken van de IND
medewerkers die counseling verlenen, zullen volledig gescheiden zijn van die van de medewerkers
die besluiten nemen en gehoren uitvoeren. Zo blijft de onpartijdigheid van de informatievoorziening
zoals deze door de IND zal worden verstrekt geborgd. Het door de regering onderschreven
belang bij een zo volledig mogelijke eerste beslissing op een asielverzoek wordt daarnaast
gewaarborgd door het behouden van de mogelijkheid dat in voorkomende gevallen correcties
en aanvullingen worden ingediend.
Vraag 260
Daarnaast vragen zij de regering om doorlopend te toetsen of deze manier van werken
inderdaad zorgt voor een efficiëntere procedures waarbij voldoende oog is voor het
recht op een eerlijk proces, of dat bijgestuurd moet worden.
De regering onderschrijft het grote belang van het recht op een eerlijk proces en
meent met deze inrichting van de procedure aan dit belang tegemoet te komen. Mochten
desalniettemin knelpunten worden gesignaleerd, zal uiteraard worden bestudeerd op
welk vlak bijsturing nodig is.
Vraag 261
De leden van de PVV-fractie vragen naar de huidige status van het voornemen van het
vorige kabinet om de rechtsbijstand te beperken in de administratieve fase.
Bij brief van 29 september 2025 is de Tweede Kamer over deze beperking geïnformeerd
(Kamerstukken II 2025/26, 19 637, nr. 3479).
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering het voornemen heeft
om de uitvoering van de juridische counseling bij de IND te beleggen. Dit geldt zowel
voor counseling onder de Asielprocedureverordening als de Asielmigratie- en Beheerverordening.
Aangezien er een aantal processtappen wordt geschrapt is het essentieel dat de toegang
tot het recht voor asielzoekers gewaarborgd blijft. Deze leden hebben hier enkele
vragen over en vragen gelieve deze individueel te beantwoorden.
Vraag 262
Hoe wordt het nuttig effect van dit recht gewaarborgd terwijl de counseling bij de
beslissingsautoriteit is belegd? Wordt op deze manier niet de zorgvuldigheid van de
procedure belemmerd?
De regering onderschrijft het belang van de toegang tot het recht en de zorgvuldigheid
van de procedure en meent met de gekozen inrichting van de procedure tot een procedure
te zijn gekomen waarin een balans is gevonden tussen het belang van een zorgvuldige
en efficiënte asielprocedure enerzijds en een versobering van de nationale invulling
naar het Europees minimum anderzijds. Overigens blijft in procedures onder de Asiel-
en migratiebeheer verordening het recht op kosteloze rechtsbijstand kort na de start
van de procedure gehandhaafd.
Vraag 263
Erkent de regering dat onafhankelijkheid een belangrijke voorwaarde is voor het bieden
van juridische counseling? Hoe wordt deze onafhankelijkheid geborgd?
De taken van de IND medewerkers die counseling verlenen, zullen volledig gescheiden
zijn van die van de medewerkers die besluiten nemen en gehoren uitvoeren. Zo blijft
de onpartijdigheid van de informatievoorziening zoals deze door de IND zal worden
verstrekt geborgd. De medewerkers die juridische counseling bieden hebben geen toegang
tot de individuele dossiers.
Vraag 264
Kan de regering schetsen hoe de IND de legal counseling gaat invullen? Waar bestaat
dit concreet uit?
Het zwaartepunt van counseling zal komen te liggen op de informerende, voorlichtende
rol. Deze voorlichting sluit aan bij de huidige praktijk waarin IND medewerkers al
in dagelijks contact staan met asielzoekers, om vragen te beantwoorden en de procedures
uit te leggen. Concreet betekent dit dat na het doorlopen van het screeningsproces
op de locatie Ter Apel nog een apart individueel gesprek volgt waarbij de asielzoeker
gewezen wordt op zijn rechten en plichten en in gelegenheid wordt gesteld tot het
stellen van vragen. Bij dit gesprek wordt gebruik gemaakt van een tolk.
Vraag 265
Is er gekeken naar de mogelijkheid om de asieladvocatuur de juridische counseling
te laten doen? Zou deze optie kostenbesparend zijn?
Het beleggen van de counseling taak bij de IND past bij de door het voorgaande kabinet
geïnitieerde versobering van de rechtsbijstand in de administratieve procedure. Het
beleggen van deze taak bij de asieladvocatuur zou niet passend zijn geweest bij die
gewenste versobering. Er is derhalve geen financiële analyse gemaakt of het uitvoeren
van de juridische counseling door de advocatuur kostenbesparend is.
Vraag 266
Is de regering bekend met het experiment in Duitsland in 2017 waar binnen de immigratiedienst
een afdeling juridische bijstand voor asielzoekers verzorgde en met het feit dat deze
vorm van counseling na mislukking weer is afgeschaft? Waarom denkt de regering dat
dit in Nederland wel een succes zal zijn?
De in 2017 gestarte juridische hulpverlening vanuit de Duitse overheid werd in 2023
gewijzigd naar een systeem waarin de uitvoering van deze dienstverlening een combinatie
werd tussen overheidsinspanning en onafhankelijke organisaties. Met de gekozen toekomstige
inrichting meent de regering voor Nederland tot een procedure te zijn gekomen waarin
een balans is gevonden tussen het belang van een zorgvuldige en efficiënte asielprocedure
enerzijds en een versobering van de nationale invulling naar het Europees minimum
anderzijds.
Vraag 267
Klopt het dat in Duitsland – naast de beslisautoriteiten – ook niet-gouvernementele
organisaties (ngo’s) legal counseling en voorlichting kunnen geven?
Zoals de regering de huidige Duitse systematiek bekend is, klopt dat.
Vraag 268
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering nog in gesprek is met de IND over
het voornemen om de uitvoering van de juridische counseling bij de IND te beleggen.
Is hierover inmiddels overeenstemming bereikt en zo ja, wat zijn de uitkomsten?
De IND is bereid gevonden deze taken op zich te nemen.
Vraag 269
De leden van de JA21-fractie vragen welke eisen de verordening voorschrijft aan de
aanbieders van juridische counseling. Moet de juridische counseling danwel de rechtsbijstand
bij de beroepsprocedure worden geboden door advocaten?
Het Asiel- en migratiepact schrijft deels voor hoe juridische rechtshulp en rechtsbijstand
er op bepaalde momenten moet uitzien, deels is er ruimte voor nationale invulling.
Ingevolge de Procedureverordening moet juridische counseling worden geboden door (gefinancierde)
onafhankelijke juridische counselors, die krachtens het nationale recht zijn erkend
of toegelaten om de verzoekers counseling te verstrekken, dan wel door niet-gouvernementele
organisaties die krachtens het nationale recht zijn geaccrediteerd om juridische diensten
of vertegenwoordiging aan verzoekers te bieden. Juridische bijstand in de beroepsprocedure,
wijkt af van de taken van de juridische counselor. Zo dient bijvoorbeeld toegang tot
het gehoor en de dossierstukken gewaarborgd te worden, in tegenstelling tot bij juridische
counseling. Een juridisch adviseur mag de aanvrager dus adviseren en kan ook namens
hem optreden. Dit sluit meer aan bij de huidige nationale invulling van de rol van
de asieladvocatuur.
6. Uitvoering Asiel- en migratiebeheerverordening (EU) 2024/1351
6.1. Algemeen
De leden van de PVV-fractie constateren dat artikel 16, vierde lid, van de Uitvoerings-
en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 bepaalt dat, indien sprake is van
een reële dreiging voor de veiligheid van de asielzoeker of een ernstige schending
van de mensenrechten in de verantwoordelijke lidstaat, geen overdracht op basis van
een overnameverzoek of herplaatsing naar die andere lidstaat plaatsvindt.
Vraag 270
Deze leden vragen de regering in welke concrete situaties een lidstaat, ondanks dat
deze volgens de criteria niet verantwoordelijk is, desondanks verplicht is de asielaanvraag
zelf te behandelen.
Ook als een lidstaat niet de primair verantwoordelijke lidstaat is kan deze toch verplicht
worden het asielverzoek zelf inhoudelijk te behandelen indien onder andere de overdracht
aan de primair verantwoordelijke lidstaat in strijd zou zijn met artikel 4 van het
Handvest wegens ernstige structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangstelsel
aldaar, of als bepaalde zo te noemen «fatale termijnen» worden overschreden zoals
de uiterste overdrachtstermijn van zes maanden.
Vraag 271
Voorts vragen zij of er sancties of andere consequenties volgen wanneer de volgens
het Pact verantwoordelijke lidstaat een overnameclaim weigert of niet binnen de gestelde
termijnen reageert op een overnameverzoek. Zo ja, welke sancties zijn dat precies
(financieel, procedureel of anderszins), wie legt ze op, en hoe vaak zijn dergelijke
sancties in de praktijk al toegepast of opgelegd in de afgelopen jaren?
Het niet binnen de termijn reageren op een overnameverzoek of kennisgeving staat gelijk
aan het accepteren van het verzoek. Het afwijzen van een overnameverzoek dient te
worden gemotiveerd. Het is aan de Europese Commissie om toe te zien op een goede toepassing
van de lidstaten van hun verplichtingen. Het is de regering niet bekend dat de Commissie
in de afgelopen jaren een lidstaat formeel, via het instrument van de inbreukprocedure,
ter verantwoording heeft geroepen wegens het niet accepteren van claimverzoeken. Onder
de nieuwe Pact-wetgeving heeft het structureel niet nakomen van de Dublinverplichtingen
als gevolg dat een lidstaat geen aanspraak kan doen op solidariteit van andere lidstaten
in het kader van het solidariteitsmechanisme.
Vraag 272
De leden van de JA21-fractie vragen of alle Dublinoverdrachten straks kunnen worden
afgedwongen. Of verwacht de regering dat dit in voorkomende gevallen nog op juridische
obstakels zal stuiten?
Zoals geantwoord in antwoord op vraag 270 kunnen er meerdere redenen zijn waarom een
Dublinoverdracht geen doorgang kan vinden. Landen als Griekenland en Italië hebben
zich eraan gecommitteerd om vanaf het moment dat het Asiel- en migratiepact van toepassing
wordt aan hun Dublinverplichtingen te voldoen. De regering verwacht dat vaker dan
nu een Dublinprocedure kan worden doorgezet.
Vraag 273
Kan de regering ingaan op de risico’s dat grootschalige secundaire migratie doorgaat
en eerste aankomstlanden niet registreren? Op welke manieren worden die risico’s gemitigeerd?
Alle landen hebben zich aan de invoering van de wetgeving van het Pact gecommitteerd.
Daarbij ligt er een belangrijke taak voor de Europese Commissie om erop toe te zien
dat de wetgeving goed wordt uitgevoerd door de lidstaten. De regering zal dit in de
Europese gremia blijven benadrukken.
Vraag 274
Kan de regering verklaren waarom het feit dat terugnameverzoeken zijn omgezet tot
eenvoudige kennisgevingen (artikel 41 Asiel- en Migratiebeheerverordening) in de praktijk
zal leiden tot meer daadwerkelijke overdrachten?
Onder het Asiel- en migratiepact wordt de verantwoordelijke lidstaat in Eurodac opgenomen
en is dit daarmee direct inzichtelijk als een asielzoeker in diverse lidstaten een
asielverzoek indient. Dit maakt het proces van het aanwijzen van de verantwoordelijke
lidstaat aanzienlijk eenvoudiger. De kennisgeving inzake terugname is gebaseerd op
deze Eurodacregistratie en de verantwoordelijke lidstaat mag deze enkel niet «bevestigen»
indien deze kan aantonen dat zijn verantwoordelijkheid op één van de gronden van artikel
37 van de Asiel- en migratiebeheerverordening, is beëindigd.
Vraag 275
De leden van de JA21-fractie vragen welke specifieke juridische instrumenten eraan
bijdragen dat overdrachten niet stranden in beroepsprocedures. Deze leden constateren
dat artikel 43 van de Asiel- en Migratiebeheerverordening de draagwijdte van het beroep
weliswaar beperkt tot een toets op onmenselijke of vernederende behandeling, maar
vragen of deze beperking verenigbaar is met artikel 47 van het EU-Handvest voor de
grondrechten en wat de verwachte gevolgen zijn voor het aantal geslaagde beroepen
tegen overdrachtsbesluiten.
De reikwijdte van het beroep is inderdaad ingeperkt ten opzichte van de reikwijdte
onder de huidige Dublinverordening. Dit is een bewuste keuze geweest van de Unie-wetgever,
waarmee duidelijker wordt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijke is voor het
behandelen van het asielverzoek primair een vraagstuk is tussen de lidstaten. Het
beroep onder de nieuwe verordening strekt zich uit tot de vraag of met de overdracht
de asielzoeker niet in een, kort gezegd, onmenselijke situatie terechtkomt als bedoeld
in artikel 4 van het Handvest of in strijd is met fundamentele familiare bepalingen
van de verordening. Het rechtsmiddel is dan ook, naar opvatting van de Unie-wetgever
en de regering, verenigbaar met artikel 47 van het Handvest.
Vraag 276
Wat gebeurt er indien een lidstaat structureel nalaat asielzoekers te registreren
of tegen te houden aan de buitengrens, zoals Italië en Griekenland in het verleden
hebben gedaan? Welk handhavingsmechanisme wordt in werking gezet?
Het is de taak van de Europese Commissie om toe te zien op een goede uitvoering van
de afgesproken regels door de lidstaten. Daarnaast heeft het Europese asielagentschap
een monitorende taak gekregen en kan de Commissie ingrijpen als een lidstaat de aanbevelingen
naar aanleiding van de monitoringsresultaten, niet adequaat oppakt. Nederland zet
erop in dat lidstaten die zich niet aan de regels houden, ook de toegang tot financiering
onder het Asiel- en migratiepact (tijdelijk) verliezen. Daarnaast is het mogelijk
voor de Commissie om in uiterste gevallen een inbreukprocedure te starten tegen lidstaten
die zich niet aan de wet houden (artikel 258 en 260 van het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie).
Vraag 277
Indien de regering stelt dat sancties tegen niet-nalevende lidstaten mogelijk zijn,
kan zij dan concreet aangeven welke sancties in de praktijk politiek uitvoerbaar zijn,
gegeven dat landen als Hongarije en Polen eerder expliciet hebben geweigerd enige
vorm van herverdeling te accepteren en ook een veroordeling door het Hof van Justitie
niet tot gedragsverandering heeft geleid, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
De regering verwijst naar haar beantwoording bij vraag 276.
Vraag 278
Indien effectieve sanctionering van naleving door andere lidstaten niet afdwingbaar
blijkt, klopt het volgens de regering dan dat het Pact opnieuw afhankelijk is van
vrijwillige naleving door lidstaten?
De regering verwijst naar haar antwoord bij vraag 276.
Vraag 279
Kan de regering aangeven hoeveel Dublinoverdrachten zij verwacht jaarlijks daadwerkelijk
te realiseren onder het nieuwe Pact, uitgedrukt in absolute aantallen en als percentage
van het totaal aantal verzoeken?
Omdat er met de inwerkingtreding van het Pact weer perspectief is op het, onder de
Dublinafspraken, kunnen terugsturen van asielzoekers naar Griekenland en Italië, is
de verwachting dat het aandeel Dublinzaken binnen de asielinstroom zal stijgen. Absolute
aantallen kunnen uiteraard niet worden gegeven, omdat dat afhankelijk is van meerdere
factoren waaronder de asielinstroom.
Vraag 280
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering erkent dat, ook onder de nieuwe
verordening, de verantwoordelijkheid uiteindelijk alsnog verschuift naar de lidstaat
waar de asielzoeker verblijft indien overdracht feitelijk niet wordt gerealiseerd.
Zo ja, hoe voorkomt het Pact dat dit – zoals onder Dublin – opnieuw een krachtige
prikkel vormt voor doorreizen?
Enkele noviteiten van het Pact zijn een betere screening en registratie aan de buitengrenzen,
een afdoening van het asielverzoek van meerdere categorieën asielzoekers in de verplichte
asielgrensprocedure incluis het effectueren van de terugkeer, versoberde opvang bij
een onrechtmatige doorreis en een langere overdrachtstermijn indien de asielzoekers
zich tijdelijk aan de Dublinoverdracht onttrekt. Ook is er weer perspectief op het
hervatten van Dublinoverdrachten naar Griekenland en Italië. De regering verwacht
dat van deze ontwikkelingen een ontmoedigend effect kan uitgaan om door te reizen
binnen de EU.
Vraag 281
Kan de regering de juridische status van de relocatieverplichting uit het solidariteitsmechanisme
duiden?
Ingevolge de Asiel- en migratiebeheerverordening dienen lidstaten hun solidariteitsbijdragen
in te vullen door middel van een financiële bijdrage, het overnemen van asielzoekers
of statushouders van de lidstaten die onder migratiedruk staan of het aanbieden van
alternatieve vormen van solidariteit aan lidstaten die onder migratiedruk staan. Deze
vormen van solidariteit zijn gelijkwaardig aan elkaar.
Vraag 282
Is er sprake van een resultaatsverbintenis of een inspanningsverplichting?
De lidstaten zijn verplicht om hun solidariteitsbijdragen uit te voeren ter grootte
van hun verplichte billijk aandeel, berekend volgens de in artikel 66 van de Asiel-
en migratiebeheerverordening bedoelde referentiesleutel.
Vraag 283
Wat zijn de juridische consequenties indien een lidstaat de aan haar toegewezen relocaties
niet uitvoert?
Indien een bijdragende lidstaat aan het einde van een bepaald jaar de aan haar toegewezen
herplaatsingen niet heeft uitgevoerd is die lidstaat op grond van artikel 63, vijfde
lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening verplicht om dit te compenseren door
Dublinzaken waarvoor die begunstigde lidstaat verantwoordelijk, is aan zich te trekken
(Dublin-offsets).
Vraag 284
De leden van de JA21-fractie vragen of het bedrag van 20.000 euro per niet-herplaatste
asielzoeker kostendekkend is voor de opvang, procedure en eventuele terugkeer van
een asielzoeker in Nederland. Deze leden wijzen erop dat de gemiddelde kosten per
asielzoeker in Nederland, inclusief opvang, procedure, rechtsbijstand, medische zorg
en eventuele integratie, aanzienlijk hoger liggen. Kan de regering een specificatie
geven van de daadwerkelijke kosten per asielzoeker op jaarbasis?
De gemiddelde kostprijzen voor een reguliere opvangplek zijn 32.448 euro per jaar.
Dit is, los van de overige kosten die de JA21-fractie noemt, al meer dan 20.000 euro.
Vraag 285
Hoe wordt voorkomen dat het solidariteitsmechanisme in de praktijk verwatert tot een
structureel afkoopmechanisme voor een klein deel van de asielzoekers zonder dat de
instroom en secundaire migratie sterk afnemen, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
De inzet van het kabinet is erop gericht dat de balans in het Asiel- en migratiepact
tussen verantwoordelijkheid enerzijds en solidariteit anderzijds gewaarborgd wordt.
Het Asiel- migratiepact omvat onder meer strengere controles aan de buitengrenzen,
snellere asielprocedures en beperkingen voor asielzoekers om door te reizen naar andere
EU-landen om daar asiel aan te vragen. Daarbij is een balans afgesproken tussen verantwoordelijkheid
en solidariteit in het Asiel- en migratiepact. Het is verplicht voor alle lidstaten
het Asiel- en migratiepact inclusief de afspraken over solidariteit en asielgrensprocedures
te implementeren. De regering zal hier ook alert op zijn en gebreken agenderen indien
dit nodig is. De regering hecht daarom ook zeer aan de monitoring die de Europese
Commissie uitvoert op de voortgang van de implementatie van het Asiel- en migratiepact.
Op basis van deze monitoring kunnen tijdig tekortkomingen, knelpunten en uitdagingen
geïdentificeerd en geadresseerd worden. Indien lidstaten de Dublinregels gebrekkig
blijven implementeren dan kan de Commissie snel na de inwerkingtreding van het Asiel-
en migratiepact systemische tekortkomingen vaststellen. In dat geval is er geen verplichting
voor Nederland om solidariteit te bieden aan deze lidstaten.
Vraag 286
Hoe groot acht de regering de kans dat de solidariteit in financiële vorm zal worden
omgezet in Dublin-offsets?
Uit het besluit van de Raad blijkt dat de ondergrenzen uit artikel 63 van de Asiel-
en migratiebeheerverordening niet gehaald worden. Dit betekent dat er sprake zal zijn
van Dublin-offsets. Tegelijkertijd heeft Nederland een bilaterale afspraak gemaakt
met Griekenland over het inzetten van Dublincompensaties uit het verleden als solidariteitsbijdrage.
Dit betekent dat Nederland een vermindering kan krijgen van de financiële bijdrage
aan de solidariteitspool. De omvang van deze vermindering is de komende tijd onderdeel
van gesprekken met de Europese Commissie.
Vraag 287
Kan de regering juridisch uiteenzetten welke concrete procedure de Europese Commissie
moet doorlopen om niet-naleving van het solidariteitsmechanisme door een lidstaat
te sanctioneren? Hoelang duurt een dergelijke procedure gemiddeld van signalering
tot daadwerkelijke sanctie?
Zie het antwoord op vraag 276. De gemiddelde duur en of er een automatische gevolg
is, hangt sterk af van op welk onderdeel de lidstaat niet voldoet aan de verplichtingen.
Indien lidstaten de Dublinregels gebrekkig implementeren dan kan de Commissie snel
na de inwerkingtreding van het Asiel- en migratiepact systemische tekortkomingen vaststellen.
In dat geval is er geen verplichting voor Nederland om solidariteit te bieden aan
deze lidstaten.
Vraag 288
Is er sprake van een automatische sanctie bij niet-naleving, of is sanctionering afhankelijk
van een politiek besluit, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
In antwoord op deze vraag verwijst de regering naar haar antwoord op vraag 287.
Vraag 289
Wat is het scenario indien meerdere lidstaten gelijktijdig weigeren relocaties uit
te voeren of financiële bijdragen te voldoen? Hoe wordt Nederland in dat geval beschermd
tegen een herhaling van de situatie zoals die bestond onder Dublin, waarin een klein
aantal lidstaten onevenredig zwaar belast werd?
Het Nederlandse aandeel aan de solidariteitspool is niet afhankelijk van de bijdrage
van andere lidstaten. Indien lidstaten de Dublinregels gebrekkig blijven implementeren
dan kan de Commissie snel na het van toepassing worden van het Asiel- en migratiepact,
op 12 juni, systemische tekortkomingen vaststellen. In dat geval is er geen verplichting
voor Nederland om solidariteit te bieden aan deze lidstaten. Wanneer de Dublinregels
niet nageleefd worden, zal Nederland geen financiële bijdrage hoeven te leveren aan
deze lidstaten.
De inzet van de regering is er daarnaast op gericht dat de balans in het Asiel- en
migratiepact tussen verantwoordelijkheid enerzijds en solidariteit anderzijds gewaarborgd
moet worden. Het Asiel- en migratiepact omvat onder meer strengere controles aan de
buitengrenzen, snellere asielprocedures en beperkingen voor asielzoekers om door te
reizen naar andere EU-landen om daar asiel aan te vragen. Daarbij is een balans afgesproken
tussen verantwoordelijkheid en solidariteit in het Asiel- en migratiepact. Het kabinet
verwacht van alle lidstaten dat zij voldoen aan deze verplichtingen. De regering zal
hier alert op zijn en gebreken agenderen indien dit nodig is. De regering hecht daarom
ook zeer aan de monitoring die de Europese Commissie uitvoert op de voortgang van
de implementatie van het Asiel- en migratiepact. Op basis van deze monitoring kunnen
tijdig tekortkomingen, knelpunten en uitdagingen geïdentificeerd en geadresseerd worden.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de verdeling van verantwoordelijkheid tussen
lidstaten voor de behandeling van asielaanvragen voortaan wordt geregeld in de Asiel-
en migratiebeheerverordening, die de huidige Dublinverordening vervangt. Net als onder
het Dublinsysteem blijft het uitgangspunt dat één lidstaat verantwoordelijk is voor
de behandeling van een asielaanvraag. Daarmee wordt voorkomen dat meerdere lidstaten
dezelfde aanvraag behandelen of dat asielzoekers in verschillende landen procedures
starten. Nieuw is echter dat deze verordening een verplicht solidariteitsmechanisme
invoert. Waar solidariteit onder het oude systeem grotendeels vrijwillig was, wordt
zij nu juridisch verankerd. Lidstaten die te maken krijgen met een hoge instroom of
structurele druk op hun asiel- en opvangsysteem kunnen een beroep doen op steun van
andere lidstaten. Die andere lidstaten zijn vervolgens verplicht bij te dragen. Zij
kunnen daarbij kiezen hoe zij bijdragen, maar niet óf zij bijdragen. De bijdrage kan
verschillende vormen aannemen, zoals herplaatsing van asielzoekers (overname van personen
die in de onder druk staande lidstaat zijn aangekomen), een financiële bijdrage of
operationele steun, bijvoorbeeld in de vorm van personeel, expertise of materiële
ondersteuning.
De leden van de BBB-fractie constateren dat meerdere lidstaten aanzienlijke kortingen
hebben bedongen omdat zij zelf een «significante migratiesituatie» zouden hebben.
Nederland ontvangt echter geen enkele korting en moet het volledige aandeel bijdragen.
Vraag 290
Waarom wordt Nederland niet aangemerkt als lidstaat met een «significante migratiesituatie»,
terwijl opvang, huisvesting en procedures aantoonbaar onder zware druk staan?
Voor de beoordeling van een significante migratiesituatie baseert de Europese Commissie
zich op de migratiesituatie in de afgelopen vijf jaar. Daarbij houdt de Commissie,
net als voor migratiedruk, rekening met de relatieve druk op basis van het bruto binnenlands
product (BBP) en de bevolkingsomvang. Bulgarije, Tsjechië, Estland, Kroatië, Oostenrijk
en Polen hebben een significante migratiesituatie vanwege een hoog aantal Oekraïense
ontheemden (Bulgarije, Polen, Tsjechië, Estland), migrantensmokkel (Kroatië) en het
grote aantal (ingewilligde) asielaanvragen (Oostenrijk). De asielinstroom in Oostenrijk
was bijvoorbeeld zowel in absolute als in relatieve zin in de afgelopen vijf jaar
aanzienlijk hoger dan in Nederland. In 2022 had Oostenrijk meer dan drie keer zoveel
asielaanvragen als Nederland, terwijl Oostenrijk ongeveer de helft van het aantal
inwoners telt en de omvang van het BBP minder dan de helft is van de omvang van het
BBP van Nederland.
Vraag 291
De leden van de BBB-fractie lezen dat Hongarije en Slowakije weigeren volledig mee
te doen, zonder dat de Raad daar consequenties aan verbindt. Wat is de sanctie als
lidstaten structureel weigeren bij te dragen?
In antwoord op deze vraag verwijst de regering naar haar antwoord op de vragen 276
en 287.
Vraag 292
Kan de regering uiteenzetten hoe zij voorkomt dat Nederland, als relatief rechtsstatelijk
en uitvoeringsgetrouw land, structureel de lasten draagt van een pact dat elders onvoldoende
wordt nageleefd?
In antwoord op deze vraag verwijst de regering naar haar antwoord op vraag 289.
Volgens de leden van de BBB-fractie kunnen extra zorgen ontstaan doordat Duitsland
en Frankrijk van plan lijken hun toegezegde opvangplekken grotendeels via Dublin-compensaties
in te vullen, in plaats van met daadwerkelijke nieuwe relocaties. Spanje heeft in
een stemverklaring aangegeven dat dit tegen de bedoeling van het Pact ingaat en de
EU-solidariteit ondermijnt.
Vraag 293
Deze leden vragen daarom of grote lidstaten inderdaad Dublin-compensaties inzetten,
hoeveel daadwerkelijke relocaties er dan overblijven en hoe groot het risico is dat
dit precedentwerking heeft voor de komende jaren, waardoor het hele Pact verzwakt
wordt.
Er zijn inderdaad lidstaten die hebben aangegeven Dublin-compensaties in te zetten
voor hun solidariteitsbijdrage. Dit is een wettelijke mogelijkheid onder het solidariteitsmechanisme
en doet daarmee niet af aan de werking van het mechanisme.
Vraag 294
Kan de regering uitleggen hoe zij kijkt naar bovenstaande zaken? De leden van de BBB-fractie
vragen wat het Pact nog waard is, als er nu al op deze manier mee omgegaan wordt?
Alle vormen van solidariteit (financieel, herplaatsingen of alternatieve steun) zijn
gelijkwaardig aan elkaar. Aan lidstaten is daarnaast de mogelijkheid geboden om ook
bilaterale afspraken te maken over een andere vorm van solidariteit, door rekening
te houden met de niet-toegestane verplaatsingen in de Unie in de verslagperiode van
1 juli 2024 tot en met 30 juni 2025. Ook Nederland heeft een bilaterale afspraak gemaakt
met Griekenland over het inzetten van Dublincompensaties uit het verleden als solidariteitsbijdrage.
Deze mogelijkheid tot bilaterale afspraken is nu juist opgenomen om te zorgen voor
een goede overgang van de huidige situatie naar de implementatie van het Asiel- en
migratiepact en het bijbehorende solidariteitsmechanisme. De solidariteitspool dient
tegelijkertijd aan te sluiten bij de noden van de lidstaten onder migratiedruk. Nederland
zal in de verdere gesprekken hierover met de Europese Commissie aandacht blijven houden
voor deze balans tussen noden van lidstaten met migratiedruk en de gelijkwaardigheid
van alle mogelijke vormen van solidariteit.
Vraag 295
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de IND het vereiste in artikel 34.3
uit de Asiel- en migratiebeheerverordening uit gaat voeren. Heeft de IND deze expertise
zelf in huis, of hoe wordt deze binnengehaald?
Artikel 34 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake afhankelijke personen
is niet wezenlijk anders dan het huidige artikel 16 van de Dublinverordening. Artikel
34, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening komt tevens in sterke mate
overeen met artikel 16, derde lid, van de Dublinverordening. Er zijn op dit moment
geen gedelegeerde handelingen vastgesteld door de Commissie. Als er sprake is van
daadwerkelijke afhankelijkheid zoals omschreven in artikel 34 Asiel- en migratiebeheerverordening,
zorgt de IND er normaliter voor dat de verzoeker kan blijven bij of worden herenigd
met de in dit artikel omschreven groep van personen. De vreemdeling moet deze afhankelijkheid
aantonen, zo veel als mogelijk met objectieve elementen, zoals medische attesten.
Het is aan de IND om op basis van deze stukken de gestelde afhankelijkheid vervolgens
te beoordelen. De IND heeft hiervoor voldoende expertise in huis. Er is in dit kader
geen verplichting of noodzaak tot het opvragen van extern (medisch) advies of het
doen van (extern) nader onderzoek (vergelijk de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2296).
6.2. Uitvoering Asiel- en migratiebeheerverordening in onderhavig wetsvoorstel
Vraag 296
De leden van de PVV-fractie lezen dat in het geval een asielzoeker zich niet bevindt
in de verantwoordelijke lidstaat het recht op opvang en andere voorzieningen vervalt.
Kan de regering uiteenzetten wat «Dublinclaimanten», ondanks de inperking, alsnog
ontvangen en hoe dit vormgegeven wordt?
Het klopt dat Dublinclaimanten geen recht meer hebben op opvangvoorzieningen zoals
genoemd in de artikelen 17 tot en met 21 van de herschikte Opvangrichtlijn, nadat
zij in kennis zijn gesteld van hun overdrachtsbesluit. Wel moet worden voorzien in
een minimale levenstandaard. Dit betekent concreet een vorm van onderdak, voedsel,
kleding en producten voor persoonlijke hygiëne. De Dublinclaimant ontvangt onderdak.
Voedsel kan worden ontvangen in de vorm van eetgeld. Producten voor persoonlijke hygiëne
worden in natura aangeboden. Voor kleding worden Dublinclaimanten verwezen naar kledingbanken.
Ook is er altijd toegang tot medisch noodzakelijke zorg en educatie voor minderjarigen.
De leden van de VVD-fractie ondersteunen het doel van dit wetsvoorstel om asielaanvragen
zo veel mogelijk in behandeling te laten nemen door de lidstaat dat hiervoor wettelijk
verantwoordelijk is.
Vraag 297
In hoeverre verwacht de regering dat de uitvoering van de Asiel- en migratiebeheerverordening
ertoe gaat leiden dat de problemen met het uitzetten van asielzoekers naar andere
Europese lidstaten tot het verleden gaat behoren?
De regering verwijst naar haar antwoorden op de vragen 270 en 272.
Vraag 298
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het wegvallen van het recht op opvang
bij overplaatsing niet afdoet aan de verplichting om ook asielzoekers die moeten worden
overgedragen in bepaalde minimumvoorwaarden te voorzien. Wat houden deze minimale
voorzieningen in? Hoe wordt deze minimale vorm van opvang ingericht? Waar hebben asielzoekers
recht op in deze opvangvorm?
Dublinclaimanten behouden het recht op onderdak en voorziening in minimale levensstandaarden.
Hiervoor verwijst de regering naar het antwoord op vraag 296. Het uitgangspunt voor
de inrichting van de Dublinonderdak blijft echter dat deze zo sober mogelijk is zonder
af te doen aan (inter)nationale wet- en regelgeving.
Vraag 299
De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering hoe het zit met vreemdelingen die
de landsgrenzen van Europa hebben bereikt, zonder aanmelding of aanvraag door verschillende
landen weet te reizen en uiteindelijk aankomt in Nederland om daar een aanvraag te
doen voor een asielvergunning. Geldt in zulke gevallen de buitengrensprocedure en
zo ja, waar vindt dit dan plaats? Is dat de plek waar de vreemdeling zich voor het
eerst in Nederland meldt, of wordt hiervoor een standaard plek aangewezen, zoals Schiphol?
Nee, in deze situatie is de asielgrensprocedure niet van toepassing. De asielgrensprocedure
ziet op vreemdelingen die nog geen toegang hebben tot het grondgebied van de EU. In
de vraag omschreven casuïstiek heeft de vreemdeling zich feitelijk toegang tot het
grondgebied verschaft. Hoewel zijn asielverzoek niet in de asielgrensprocedure kan
worden behandeld kan het verzoek wel worden behandeld in de versnelde behandelingsprocedure
indien de asielzoeker onder één van de categorieën van artikel 42 van de Procedureverordening
valt.
Vraag 300
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Asiel- en migratiebeheerverordening voorziet
in een solidariteitsmechanisme tussen lidstaten. Deze leden vragen de regering toe
te lichten welke concrete gevolgen dit mechanisme naar verwachting heeft voor Nederland,
zowel financieel als qua opvangcapaciteit.
Uw Kamer is middels de geannoteerde agenda en het verslag van de JBZ-Raad van 8 en
9 december 2025 geïnformeerd over de lidstaten die recht hebben op steun uit de solidariteitspool,
de omvang van de solidariteitspool en de inzet van Nederland (Kamerstukken II 2025/26,
32 317, nr. 978 en 987). Nederland zal een financiële bijdrage leveren aan de solidariteitspool. Daarnaast
is Nederland aangemerkt als een lidstaat waar sprake is van een risico op migratiedruk.
Hiermee krijgt Nederland voorrang in de toegang tot de EU Migration Support Toolbox,
waar onder andere aanspraak kan worden gemaakt op technische steun, operationele steun
vanuit de Europese agentschappen en financiële steun.
Vraag 301
Maakt Nederland al gebruik van dit mechanisme en wat zijn hierbij de financiële kaders?
In antwoord op deze vraag verwijst de regering naar haar antwoord op vraag 300.
Vraag 302
Welke aanvullende nationale maatregelen is de regering bereid te nemen om secundaire
migratie richting Nederland tegen te gaan, en op welke wijze benut de regering hier
de ruimte die het Pact expliciet aan lidstaten laat, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
De regering wijst op de maatregelen neergelegd in de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet
en de Wet invoering tweestatusstelsel, als ook het onderhavige wetsvoorstel, zoals
het afschaffen van de asielvergunning onbepaalde tijd, de strengere voorwaarden voor
nareis, de kortere geldigheidsduur van de verblijftitel, en de versobering van de
asielprocedure. De wijziging brengt het Nederlandse asielbeleid daarmee meer in lijn
met dat van andere lidstaten, met als doel Nederland niet aantrekkelijker te laten
zijn dan andere lidstaten als bestemmingsland.
7. Implementatie herschikte Opvangrichtlijn (EU) 2024/1346
7.1. Algemeen
Vraag 303
De leden van de PVV-fractie vragen de regering welke maatregelen vastgelegd zijn in
het verplichte noodplan wanneer er zich een onevenredig hoge instroom voordoet.
Het noodplan ziet op mogelijke disproportionele druk in de asielketen. Alle maatregelen
die genomen worden indien er sprake is van disproportionele druk hebben als doel om
de druk te verlagen op de ketenpartner die onder druk staat en om te voorkomen dat
er meer processen onder druk komen te staan. Voor de grensprocedure betekent het dat
voornamelijk de IND, KMar en DJI samen kijken wat mogelijk is en zal er afgestemd
worden waar inzet nodig is. Zo kunnen er bepaalde werksoorten die door Schiphol worden
uitgevoerd (zoals VRIS-zaken) door andere locaties overgenomen worden of kunnen nevenactiviteiten
opgeschort worden. Voor de binnenlandse procedure zal voornamelijk bij de IND en het
COA gekeken worden wat mogelijk is. De IND zou kunnen kiezen voor een prioritering
van bepaalde categorieën zaken (vreemdelingen uit veilig land van herkomst of overlastgevende
asielzoekers) of een projectmatige aanpak van asielzaken met een maximale inzet van
beschikbare capaciteit. Het COA zou de bezettingsgraad kunnen verhogen, uitstroom-bevorderende
regelingen voor vergunninghouders kunnen inzetten of noodopvanglocaties kunnen openen.
Vraag 304
Daarnaast vragen deze leden wanneer er sprake is van een onevenredig hoge instroom
en hoe dit zich verhoudt tot de Crisisverordening.
In het noodplan is een verschil gemaakt tussen disproportionele druk en crisis. Bij
een disproportionele druk is de instroom hoog, kunnen asielzoekers niet meer binnen
1 à 2 dagen in de grensprocedure gescreend worden, beginnen andere werksoorten op
Schiphol hieronder te lijden, begint er achterstand te komen in het asiel behandelproces
in de binnenlandse procedure en ontstijgt de instroom de vaste capaciteit van het
COA. Bij een crisis is de instroom extreem hoog en kunnen de asielketenpartners hun
taken niet meer uitvoeren zoals bedoeld. Zoals de crisisverordening stelt is er sprake
van een crisissituatie bij een uitzonderlijke situatie van massale aankomsten. Indien
Nederland in een crisissituatie belandt, kan er een verzoek worden ingediend bij de
Europese Commissie voor solidariteitsmaatregelen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van groot belang dat de voorzieningen
voor kwetsbare groepen goed geborgd worden in de opvang. Zij hebben hier enkele vragen
over.
Vraag 305
Hoe wordt in de Nederlandse implementatie van de herziene Opvangrichtlijn concreet
en wettelijk geborgd dat bijzondere opvangbehoeften van asielzoekers – zoals bij kinderen,
zwangere vrouwen, mensen met medische of psychische problematiek, slachtoffers van
marteling en LHBTIQ-personen – systematisch, deskundig en uiterlijk binnen 30 dagen
worden vastgesteld, zoals art. 24 en 25 van de richtlijn vereisen?
Er zal, zoals nu ook al gebeurt, door het COA beoordeeld worden welke bijzondere opvangbehoeften
een asielzoeker heeft. Hier zal bij de plaatsing en begeleiding rekening mee gehouden
worden. De regering verwijst naar het antwoord op vraag 324 waarin wordt toegelicht
hoe deze beoordeling plaatsvindt.
Vraag 306
Welke concrete maatregelen, inclusief tijdspad, neemt de regering om – mede in het
licht van de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag in 2022 (ECLI:NL:GHDHA:2022:2429)
waarin is vastgesteld dat de opvang niet voldeed aan de minimumnormen van de Opvangrichtlijn
– uiterlijk in 2026 voldoende reguliere opvangplekken te realiseren die een adequate
levensstandaard garanderen en kunnen voorzien in de bijzondere opvangbehoeften van
kinderen en personen in een kwetsbare positie, zodat afbouw van (crisis)noodopvang
daadwerkelijk plaatsvindt?
Het kabinet heeft uitgesproken de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen
(Spreidingswet) te willen behouden. Middels de Spreidingswet zet de regering in op
de afbouw van (kwalitatief mindere) noodopvang en het opbouwen van voldoende duurzame
reguliere voorraad. Hiermee kunnen ook de rechten en behoeften van kinderen en kwetsbare
groepen worden gewaarborgd.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat onderwijs en voldoende
faciliteiten voor kinderen fatsoenlijk geregeld moeten worden in de opvang. Ook taalonderwijs
voor volwassenen is van groot belang voor de integratie.
Vraag 307
Op welke manier wordt invulling gegeven aan artikel 18 van de herziene Opvangrichtlijn
waarin staat dat lidstaten asielzoekers toegang moeten geven tot taalcursussen, inburgerings-
of beroepsopleidingscursussen? Worden professionele taalonderwijzers ingezet of wordt
er gebruik gemaakt van vrijwilligers? In welke opvangvormen en aan welke groepen vluchtelingen
worden taallessen aangeboden en aan wie niet?
Artikel 18 van de herschikte Opvangrichtlijn vraagt lidstaten toegang te verzorgen
tot taalcursussen, inburgeringscursussen of beroepsopleidingscursussen voor zover
lidstaten die passend achten om verzoekers beter in staat te stellen zelfstandig te
handelen, met de bevoegde autoriteiten te communiceren of werk te vinden.
Vraag 308
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat veelvuldige verhuisbewegingen een
grote impact hebben op asielzoekers, specifiek op kinderen. Leerlijnen in het onderwijs
worden doorbroken en het is ingewikkeld de onderwijsbehoefte van kinderen en volwassenen
in beeld te krijgen. Daarnaast heeft het openen en sluiten van locaties gevolgen voor
het goed kunnen organiseren van zorg en (taal)onderwijs. Ook hebben veelvuldige verhuisbewegingen
een negatieve impact op vroege integratie en participatie. Is de regering bereid om
verhuizingen zoveel mogelijk te voorkomen? Zo ja, op welke manier?
De regering deelt de constatering dat kinderen in de asielopvang vaak meerdere malen
moeten verhuizen en dat dit problematisch kan zijn voor de onderwijs- en zorgcontinuïteit
als ook de algemene ontwikkeling en het welzijn van kinderen. Deze verhuizingen zijn
deels het resultaat van de grote druk op de opvang, de inzet van noodopvang, doelgroepbeperkingen
en de zeer beperkte logistieke ruimte die het COA heeft om asielzoekers op één plek
te laten verblijven. Het tekort aan plekken en de structurele hoge bezetting maken
het onmogelijk om op dit moment de gewenste reductie van verhuisbewegingen naar maximaal
één te bewerkstelligen. Het kabinet zet dan ook in op het realiseren van voldoende
duurzame opvangplekken, onder andere door inzet van de Spreidingswet, voldoende structurele
financiering voor het COA en de afbouw van noodopvanglocaties. Daarbij wordt in samenspraak
met het Ministerie van OCW gezocht naar manieren om het onderwijs er zo min mogelijk
onder te laten lijden wanneer verhuisbewegingen toch plaatsvinden.
Vraag 309
Kan de regering garanderen dat de beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen
zoals zorg en (taal)onderwijs voorwaardelijk zijn bij het bepalen of een locatie geschikt
is als opvanglocatie en dat deze voorzieningen moeten zijn ingericht voordat een opvanglocatie
wordt geopend?
Toegang tot zorg dient te allen tijde op orde te zijn. Het COA opent geen opvanglocatie
indien niet aan deze voorwaarde is voldaan. Tevens is nuttige dagbesteding van belang
waar ook onderwijs onderdeel van kan zijn. Een ander element waarop wordt ingezet
zijn meedoenbalies. Kinderen moeten binnen 3 maanden na aankomst toegang hebben tot
onderwijs.
Vraag 310
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat regels over het onderduikrisico,
vrijheidsbeperking en vermindering van voorzieningen in lagere wetgeving verder worden
uitgewerkt in plaats van in de implementatiewet. Deze leden zijn van mening dat deze
uitwerkingen essentiële elementen van de wet zijn waar de Kamer medezeggenschap over
behoort te hebben. Waarom is ervoor gekozen om deze elementen niet in de implementatiewet
uit te werken?
De gevallen waarin vrijheidsbeperking kan worden opgelegd, worden in verband met de
inbreuk op grondrechten die door de vrijheidsbeperkende maatregel wordt gemaakt, in
artikel 56 van de Vreemdelingewet 2000 geregeld. De keuze om alle overige aspecten
van de vrijheidsbeperking te delegeren naar een lager niveau van regelgeving is in
lijn met het geldende wetgevingsbeleid en de huidige systematiek van de Vreemdelingenwet 2000.
Ook nu is reeds in het Vreemdelingenbesluit 2000 uitgewerkt in welke gevallen onderduikrisico
kan worden aangenomen. In hoofdstuk III en IV van de Regeling verstrekkingen asielzoekers
en andere categorieën vreemdelingen 2005 is opgenomen in welke gevallen het recht
op opvang eindigt, dan wel in welke gevallen de verstrekkingen beperkt of ingetrokken
mogen worden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat door de toenemende druk op detentiecapaciteit
en aanhoudende personeelstekorten in de vreemdelingendetentie hier weinig ruimte is
voor extra opvang. Hierover hebben zij enkele vragen.
Vraag 311
Waar verblijven vreemdelingen tijdens de screening?
Vreemdelingen die in Ter Apel gescreend worden, verblijven op het aanmeldcentrum tijdens
de screening. Eenmaal met de screening begonnen, wordt deze volledig afgemaakt. Als
een vreemdeling zich buiten de openingstijden aanmeldt, zal hij in de nachtopvang
van COA verblijven en de volgende ochtend de screening doorlopen. Vreemdelingen die
aan de grens gescreend worden door de KMar, verblijven gedurende de screening op Schiphol.
Vraag 312
Welke organisaties zullen toegang tot ze hebben?
De IND is verantwoordelijk tijdens de screening. In het geval van alleenstaande minderjarige
vreemdelingen is de voogdijorganisatie Nidos aanwezig.
Vraag 313
Worden er dagprogramma’s beschikbaar gesteld?
Het screeningsproces duurt in de regel slechts een paar uur. De vreemdeling is tijdens
de screeningsfase bezig met het uitvoeren van de screening. Er wordt om die reden
geen dagprogramma aangeboden.
Vraag 314
In hoeverre is het mogelijk contact te hebben met de buitenwereld zonder dat dit wordt
gecontroleerd?
Dat is niet mogelijk. De vreemdeling moet vooraf aan de screening zijn persoonlijke
devices inleveren. Deze worden in een sealbag bewaard en na de screening geretourneerd.
Tijdens screeningsfase is het niet de bedoeling dat de vreemdeling de locatie verlaat
aangezien hij zich beschikbaar moet houden voor de asielprocedure.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen voorts dat er een noodplan opgesteld
dient te worden in het geval de komst van asielzoekers sterk toeneemt in aantal. Hierover
hebben zij de volgende vragen.
Vraag 315
Worden er voorbereidende handelingen verricht bijvoorbeeld in de aanpassing van de
Omgevingswet, zodat het noodplan ook daadwerkelijk uitgevoerd kan worden en de fundamentele
rechten van asielzoekers in de opvang ook gegarandeerd worden in noodsituaties?
Het noodplan ziet op situaties van disproportionele migratiedruk en is gebaseerd op
de bestaande contingency plannen van de asielketenpartners. Hierbij ligt de nadruk
op de acties van de verschillende asielketenpartners om dergelijke druk te voorkomen
en het hoofd te bieden en hoe zij elkaar en het Ministerie informeren van op- en afschalen.
Daarbij is er tevens aandacht voor de druk op de opvangcapaciteit en het waarborgen
van rechten van kwetsbare groepen. Er zijn geen aanpassingen van wet- en regelgeving
voorzien.
Vraag 316
Wanneer kan de Kamer het noodplan verwachten, wat zal hierin worden opgenomen?
Het noodplan is met de Europese Commissie en met het Asielagentschap (EUAA) gedeeld.
Hier is feedback op ontvangen. In samenwerking met de asielketenpartners wordt deze
feedback momenteel verwerkt. Tevens in het de intentie om oefeningen te organiseren,
ter verbetering van het noodplan. Zodra het noodplan definitief is, zal het gedeeld
worden met de Kamer. Dit is mogelijk na 12 juni 2026, nu er voor de aanpassing van
het noodplan geen specifieke deadline geldt.
Vraag 317
Wat zijn de meetbare voorwaarden om het noodplan te activeren?
Onderdeel van het noodplan is een overzicht van factoren per asielketenpartner die
aangeven of er sprake is van (dreigende) disproportionele druk. Dit is per asielketenpartner
verschillend, nu zij andere taken hebben en dus dergelijke druk op een andere manier
ervaren. Voor het COA is dit met name afhankelijk van het de bezettingsgraad, terwijl
dit voor de IND ziet op de werkvoorraad in de aanvragen.
Vraag 318
De leden van de JA21-fractie constateren dat het Pact de mogelijkheden voor bewaring
bij onderduikrisico en ter bescherming van de openbare orde (artikelen 10 en 11 herschikte
Opvangrichtlijn, in samenhang met artikel 44 Asiel- en Migratiebeheerverordening)
harmoniseert en verruimt. Is de regering bereid deze gronden in de Vw 2000 en het
Vb 2000 zo effectief mogelijk in te vullen, zodat de samenleving maximaal kan worden
beschermd tegen vreemdelingen met een strafrechtelijke achtergrond of herhaald overlastgevend
gedrag? In hoeverre is daar nu in voorzien?
Bij de implementatie van het Asiel- en migratiepact zijn de mogelijkheden die zowel
de herschikte Opvangrichtlijn als de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBv) bieden
als het gaat om het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel dan wel een vrijheidsontnemende
maatregel opgenomen in de Vw 2000 en het Vb 2000. Zo is in artikel 56 Vw 2000 de mogelijkheid
opgenomen om een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen om doeltreffend te voorkomen
dat de vreemdeling onderduikt wanneer er een onderduikrisico bestaat (artikel 9 herschikte
Opvangrichtlijn). De nadere uitwerking hiervan wordt opgenomen in het Vb. Daarnaast
volgt uit artikel 44 van de AMBv dat vreemdelingen in bewaring kunnen worden gesteld
ten behoeve van hun overdracht indien er een onderduikrisico bestaat of met het oog
op de bescherming van de nationale veiligheid of openbare orde. De verwijzing naar
artikel 44 AMBv is geïmplementeerd in artikel 59a Vw 2000. Tot slot is de nieuwe bewaringsgrondslag
in artikel 59b Vw 2000 geïmplementeerd om vreemdelingen die een asielverzoek hebben
ingediend in bewaring te kunnen stellen indien zij zich eerder niet aan een aan hen
opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel hebben gehouden en het onderduikrisico blijft
bestaan. Middels implementatie van deze (extra) mogelijkheden uit het Pact bestaat
in ieder geval juridisch ruimte om hier in de praktijk invulling aan te geven. Desalniettemin
dient iedere maatregel waarbij de vreemdeling in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt
individueel te worden gemotiveerd en dient altijd te worden bezien of de maatregel
die wordt opgelegd wel proportioneel is. Daarbij dient altijd rekening te worden gehouden
met de individuele omstandigheden van de vreemdeling. In Nederland wordt de vrijheidsbeperkende
maatregel op grond van artikel 56 Vw 2000 reeds ingezet, onder andere bij de vrijheidsbeperkende
locatie (vbl) en de procesbeschikbaarheidslocatie in Ter Apel en de handhaving- en
toezichtlocatie in Hoogeveen. Momenteel wordt samen met de migratieketen uitgewerkt
op welke wijze de mogelijkheid die het Pact biedt voor vrijheidsbeperking binnen Nederland
breder kunnen worden benut. Hierover zal de regering uw Kamer dit voorjaar informeren.
Vraag 319
In hoeverre noopt implementatie van het Pact tot een uitbreiding van het aantal opvangplekken
waar vrijheidsbeperkende maatregelen worden opgelegd? Kan de regering hier een toelichting
op geven?
Het Asiel- en migratiepact geeft meer ruimte om Dublinclaimanten na overdrachtsbesluit
vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen. De regering onderzoekt hoe deze maatregelen
het meest effectief ingezet kunnen worden. Daarna zal ook duidelijk worden of het
aantal opvangplekken waar deze maatregelen goed gehandhaafd kunnen worden uitgebreid
moet worden. Daarnaast worden vrijheidsbeperkende maatregelen ingezet bij overlastgevende
asielzoekers. Voor deze categorie kijkt de regering naar een uitbreiding van het aantal
plekken.
Dublinclaimanten kunnen na een overdrachtsbesluit beperkt worden in hun bewegingsvrijheid
middels een artikel 56 maatregel. Ook in de nationale aanpak van overlastgevende asielzoekers
kan indien nodig gebruik worden gemaakt van vrijheidsbeperkende maatregelen.
Vraag 320
Wat wordt de inzet van deze regering ten aanzien van Bed-, Bad-, Broodlocaties met
slechts basale voorzieningen? Wil de regering dergelijke locaties inrichten, en zo
ja, voor welke groepen?
Voor vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf is het perspectief een terugkeer naar
het land van herkomst en vertrek uit Nederland. Voor vreemdelingen die meewerken aan
hun vertrek is onderdak beschikbaar in de vorm van de vrijheidsbeperkende locatie
in Ter Apel. De regering is zich ervan bewust dat gemeenten niettemin kunnen worden
geconfronteerd met zich in hun gemeente ophoudende niet-rechtmatige verblijvende vreemdelingen.
Dit vraagt om goede afspraken en samenwerking tussen Rijk en gemeenten, en het kabinet
zal zich hiervoor inzetten.
De leden van de BBB-fractie merken op dat de Opvangrichtlijn, als enige richtlijn
binnen het Pact, ziet op de fase waarin een asielzoeker nog geen inhoudelijke beslissing
op zijn aanvraag heeft ontvangen. Juridisch is deze fase bijzonder belangrijk, omdat
hierin wordt bepaald onder welke voorwaarden iemand op het grondgebied mag verblijven,
welke voorzieningen worden verstrekt en welke vrijheidsbeperkingen kunnen worden opgelegd.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de richtlijn lidstaten verplicht opvang
te bieden die voorziet in basale levensbehoeften, zoals onderdak, voeding en kleding,
alsmede medische zorg en onderwijs voor minderjarigen. Tegelijkertijd koppelt de richtlijn
deze opvang nadrukkelijk aan procedureel gedrag. Indien een asielzoeker niet meewerkt,
zich onttrekt aan toezicht, een overdrachts- of terugkeerprocedure frustreert of een
risico vormt voor de openbare orde, kan opvang worden beperkt, ingetrokken of vervangen
door vrijheidsbeperkende maatregelen.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat vrijheidsontneming expliciet wordt toegestaan,
mits deze proportioneel is, als laatste redmiddel wordt toegepast en onder rechterlijk
toezicht staat. In de praktijk betekent dit dat opvang niet langer louter een sociale
voorziening is, maar tevens een juridisch instrument om asielzoekers beschikbaar te
houden voor procedure en handhaving. Voor Nederland heeft dit gevolgen zoals een verdere
juridisering van COA-besluiten, een strakkere koppeling tussen de IND-procedure en
de opvangstatus, en een toename van rechterlijke procedures over vrijheidsbeperking.
Vraag 321
De leden van de BBB-fractie vragen de regering in hoeverre de herschikte Opvangrichtlijn
de facto een minimumopvangstandaard vastlegt die niet verder kan worden versoberd.
Uit de algemene opzet, de context en de doelstelling van de herschikte Opvangrichtlijn
kan worden afgeleid dat de Uniewetgever ten aanzien van materiële opvangvoorzieningen
heeft beoogd minimumnormen vast te stellen teneinde een menswaardige levensstandaard
te bieden. De materiële opvangvoorzieningen bestaan op grond van artikel 2, aanhef
en onder punt 7, uit huisvesting, voedsel, kleding, producten voor persoonlijke hygiëne,
en een dagvergoeding. Dit betreffen minimumstandaarden waar iedere lidstaat zich aan
dient te houden. Zelfs in situaties waarin materiële opvangvoorzieningen beperkt of
ingetrokken kunnen worden, zoals bijvoorbeeld de dagvergoeding, dient dit op grond
van artikel 23, vierde lid, van de herschikte Opvangrichtlijn te allen tijde te geschieden
met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, toegang tot de gezondheidszorg overeenkomstig
artikel 22 en met waarborg voor een menswaardige levensstandaard overeenkomstig het
Unierecht, met inbegrip van het Handvest, en andere internationale verplichtingen.
Een menswaardige levensstaardaad betekent op grond van bestendige jurisprudentie van
het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie bijv. arrest van 12 november 2019,
Haqbin, C-233/18, EU:C:2019:956) dat asielzoekers onder alle omstandigheden hun basisbehoeften
moeten kunnen vervullen, zoals wonen, eten, zich kleden en zich wassen. De regering
heeft deze minimumnormen derhalve als richtinggevend aangemerkt bij de implementatie
van de herschikte Opvangrichtlijn, en meer in het bijzonder bij de vaststelling van
het verstrekkingenregime.
Vraag 322
Tevens vragen zij hoe de regering het risico beoordeelt dat deze minimumopvangstandaard
een aanzuigende werking heeft.
Er zijn meerdere factoren die een rol kunnen spelen in het besluit van de vreemdeling
om door te reizen naar een bepaalde lidstaat. In hoeverre de opvangvoorzieningen hierin
een rol spelen, is dan ook niet de kwantificeren. Wel is het zo dat de Uniewetgever
met de herschikte Opvangrichtlijn heeft beoogd de opvangvoorzieningen in de Lidstaten
verder te harmoniseren.
Vraag 323
Ten aanzien van Dublinclaimanten vragen de leden van de ChristenUnie-fractie hoe de
opvang voor hen eruit zal komen te zien. Zij lezen in artikel 21 van de Opvangrichtlijn
dat zij geen recht hebben op opvang. Tegelijk kunnen zij niet aan hun lot worden overgelaten
en heeft ieder recht op menswaardige opvang. Kan de regering schetsen welke opgave
er voor het COA ligt voor deze mensen? Hoe anders is deze opvang ten opzichte van
de huidige situatie? Is het niet eenvoudiger om geen aparte opvangfaciliteiten voor
Dublinclaimanten op te zetten, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
Voor Dublinclaimanten vervalt het recht op reguliere opvang na het overdrachtsbesluit.
Ze zullen op Dublinonderdaklocaties versoberd onderdak krijgen met minimale voorzieningen.
Verder geldt de mogelijkheid van een vrijheidsbeperkende maatregel, inhuisregistratie
en een meldplicht. Voor het COA betekent dit het realiseren en beheren van meerdere
waar mogelijk aparte voorzieningen op bestaande azc’s en het inrichten van de bijbehorende
processen, wat afwijkt van de huidige, reguliere opvang. Hoewel het in aanloop meer
werk geeft om dit te ontwikkelen kunnen hierdoor onnodige spanningen tussen groepen
met verschillende regimes worden voorkomen.
Ten aanzien van de opvang van kwetsbare groepen vragen de leden van de ChristenUnie-fractie
naar de screening.
Vraag 324
In artikel 25 Opvangrichtlijn wordt beschreven dat medewerkers de bijzondere opvangbehoeften
moeten beoordelen. Kan de regering schetsen hoe deze beoordeling eruit moet komen
te zien?
Het COA beoordeelt welke bijzondere opvangbehoeften een asielzoeker heeft en houdt
hier bij de plaatsing en begeleiding rekening mee. Dit gebeurt ook nu al. De beoordeling
zal plaatsvinden in de vorm van een gesprek waarin gepoogd wordt in een vroeg stadium
van het verblijf een zo goed mogelijk beeld van de bewoner en zijn of haar behoeften
te vormen. In de beoordeling betrekt het COA onder meer informatie uit het screeningsproces,
waaronder eventuele medische omstandigheden, en signalen van ketenpartners.
Vraag 325
Hoe geeft de IND hier vorm aan en is er voldoende capaciteit voor deze beoordeling
met expertise?
De IND voert deze beoordeling niet uit, maar het COA. Tijdens de screening wordt een
voorlopige check op kwetsbaarheid door de IND en een eerste medische check door Gezondheidszorg
Asielzoekers (GZA) gedaan. Het COA betrekt deze informatie bij de beoordeling van
eventuele bijzondere opvangbehoeften en bij de plaatsing in de opvang.
Vraag 326
Hoe ziet deze beoordeling er voor minderjarigen uit, zo vragen deze leden.
Voor minderjarigen geldt eveneens dat het COA beoordeelt of er sprake is van bijzondere
opvangbehoeften. Daarbij wordt rekening gehouden met hun leeftijd en eventuele kwetsbaarheden.
Voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen geldt daarnaast dat zij worden opgevangen
in daarvoor bestemde opvangvoorzieningen met passende begeleiding. Met hen voert Nidos
een intakegesprek binnen een aantal dagen na aankomt. Eventuele zorgelijke signalen
worden gedeeld met COA om rekening mee te houden bij de plaatsing en begeleiding.
7.2. Toewijzing geografisch gebied
Vraag 327
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het toewijzen van asielzoekers tot
een geografisch gebied ook wordt toegepast op asielzoekers die afkomstig zijn uit
veilige landen. Hier hebben zij enkele vragen bij. Hoe ziet deze toewijzing eruit?
Komt dit neer op detentie? Hoe en wanneer kunnen asielzoekers dit geografische gebied
verlaten?
De regering verwijst naar haar beantwoording van de gelijksoortige vragen 29 en 30.
Vraag 328
Klopt het dat het een keuze is om asielzoekers uit veilige landen in een vorm van
detentie te plaatsen en dit niet dwingend voortvloeit uit het pact?
De herschikte Opvangrichtlijn verruimt weliswaar de mogelijkheden om asielzoekers
in bewaring te stellen, maar een dwingende verplichting om over te gaan tot bewaring
vloeit niet voort uit het Asiel- en migratiepact. Bovendien volgt uit artikel 10,
eerste lid, van de herschikte Opvangrichtlijn dat asielzoekers niet op basis van enkel
hun nationaliteit in bewaring worden gehouden. De bewaringsgrondslagen voor asielzoekers
zijn neergelegd in artikel 10, vierde lid, van de herschikte Opvangrichtlijn, welke
zijn geïmplementeerd in artikel 59b Vw 2000. Dit betekent dat bewaring van een asielzoeker
enkel mogelijk is indien wordt voldaan aan een van die grondslagen.
Vraag 329
De leden van de JA21-fractie vragen op welke manier de regering denkt gebruik te kunnen
maken van de toewijzing van een specifiek geografisch gebied. Welke gebieden heeft
de regering op het oog?
De regering verwijst naar haar beantwoording van vraag 29.
Vraag 330
Art. 23 geeft dus de mogelijkheid om opvang in te trekken, indien een asielzoeker
een geografisch gebied zonder toestemming verlaat. Is de regering voornemens gebruik
te maken van deze mogelijkheid?
De regering verwijst naar haar beantwoording van vraag 29.
Vraag 331
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de regering er niet voor heeft
gekozen om uitzonderingscategorieën toe te voegen, om maatwerk te kunnen bieden als
de situatie daarom vraagt. Deze leden denken dan aan de categorieën kwetsbare personen
zoals in de Opvangrichtlijn, artikel 24 worden genoemd, waaronder minderjarigen, personen
met een handicap en ouderen.
De regering verwijst naar haar beantwoording van vraag 29.
7.3. Vrijheidsontneming asielzoekers op grond van artikel 59b Vw 2000
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de maximale termijnen flink worden
verhoogd. De bewaring zelf vloeit voort uit het Pact maar het is aan de nationale
wetgever om termijnen te stellen. Hierover hebben deze leden enkele vragen.
Vraag 332
In hoeverre wijkt Nederland in deze termijnen af van termijnen die in andere EU-landen
worden gesteld?
De regering heeft voor wat betreft de termijn van bewaring voor asielzoekers op grond
van artikel 59b Vw 2000 aansluiting gezocht bij de termijnen voor het nemen van een
asielbesluit zoals neergelegd in de Procedureverordening. Hiervoor is gekozen omdat
er een verband bestaat tussen de duur van de behandeling van de asielaanvraag en de
gronden voor bewaring zo lang een vreemdeling asielzoeker is. Het is niet bekend in
hoeverre Nederland hiermee afwijkt van termijnen die in andere EU-landen gelden voor
bewaring van asielzoekers.
Vraag 333
Welke landen hanteren ook het maximum van 15 maanden in het geval van complexe behandeling
en een generieke mogelijkheid tot verlenging tot 12 maanden?
Op dit moment is het mogelijk om een asielzoeker die in bewaring is gesteld omdat
hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde in beginsel te
detineren voor maximaal zes maanden. Dit volgt uit het huidige artikel 59b, vierde
lid, Vw 2000. Uit artikel 59b, vijfde lid, Vw 2000 volgt dat die termijn ten hoogste
met negen maanden kan worden verlengd indien er sprake is van complexe feitelijke
en juridische omstandigheden en een zwaarwegend belang van openbare orde of nationale
veiligheid aan de orde is. In het nieuwe artikel 59b, tweede lid, wordt de bewaringstermijn
voor bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000 van maximaal zes maanden neergelegd.
In het nieuwe derde lid van artikel 59b Vw 2000 is opgenomen dat de termijn van zes
maanden met nog eens maximaal zes maanden kan worden verlengd indien sprake is van
complexe feitelijke of juridische kwesties of de vertraging in de behandeling van
de asielaanvraag kan worden toegeschreven aan het feit dat de vreemdeling zijn verplichtingen
niet nakomt. Dit betekent dat na implementatie van het Pact geen maximumtermijn meer
geldt van 15 maanden voor bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000. Zoals in reactie
op vraag 332 is aangegeven, is niet bekend welke maximumtermijn andere EU-landen hanteren
hiervoor.
Vraag 334
Bij welke gevallen wordt de grensdetentie tot maximaal 12 maanden verlengd? Aan welke
complexe omstandigheden moeten we denken? Kan de regering voorbeelden geven van dit
soort situaties?
De grensbewaring kan met ten hoogste twaalf maanden worden verlengd indien de vreemdeling
niet meewerkt, of de nodige documentatie uit derde landen op zich laat wachten. Voor
verlenging met ten hoogste 12 maanden moet er zicht op uitzetting bestaan, en moet
er rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval. Naarmate de grensbewaring
langer voortduurt zullen de belangen van de vreemdeling om in vrijheid gesteld te
worden steeds zwaarder wegen. Grensgeweigerde vreemdelingen kunnen in de praktijk
vaak snel terugkeren op een luchtvaartclaim waardoor de bewaringsduur relatief beperkt
is. Een verlenging van de grensbewaring met maximaal 12 maanden is in dat geval niet
aan de orde.
Vraag 335
Wat gebeurt er als uitzetting na deze 12 maanden alsnog niet mogelijk is?
Grensdetentie, nadat de asielaanvraag is afgewezen in de asielgrensprocedure, kan
in beginsel maximaal zes maanden duren. In uitzonderingsgevallen en indien aan de
voorwaarden daarvoor wordt voldaan, bestaat de mogelijkheid na die zes maanden de
grensbewaring op grond van artikel 6, zesde lid (nieuw) jo. artikel 59, zesde lid,
Vw 2000 te verlengen met maximaal twaalf maanden. Indien het niet is gelukt om terugkeer
te realiseren binnen die termijn, wordt de bewaring opgeheven en wordt alsnog toegang
verleend aan de vreemdeling. Dat neemt niet weg dat de vreemdeling desondanks een
vertrekplicht heeft en onrechtmatig verblijft.
Vraag 336
Is er voldoende capaciteit om gebruik te maken van deze verlenging en hoe vaak denkt
de regering hier gebruik van te zullen maken?
De regering verwijst hier naar het antwoord op vraag 122.
Vraag 337
De leden van de Groenlinks-PvdA-fractie vragen welke landen een kortere maximumtermijn
hanteren en hoe lang deze kortere termijnen zijn.
In algemene zin geldt dat uit artikel 5, vierde lid, in samenhang bezien met artikel
4, zesde lid, van de Terugkeergrensprocedureverordening volgt dat de duur van grensbewaring
na toegangsweigering niet langer mag zijn dan de twaalf weken die volgen uit artikel
4, tweede lid, van de Terugkeergrensprocedureverordening, maar dat als bewaring wordt
opgelegd die onmiddellijk aansluit op die periode van twaalf weken, de maximale termijnen
die volgen uit artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn (zes maanden
en onder omstandigheden te verlengen met twaalf maanden) van toepassing zijn en de
reeds opgelegde grensbewaring van twaalf weken daarbij moet worden meegeteld. De regering
is niet bekend met de invulling hiervan door andere landen.
Vraag 338
Op welke manier krijgen asielzoekers in detentie rechtsbijstand? In het coalitieakkoord
staat dat kansarme aanvragers pas rechtsbijstand krijgen bij afwijzing. Geldt dit
ook voor aanvragers in detentie?
Uit de herschikte Opvangrichtlijn volgt dat een vreemdeling in bewaring recht heeft
op gratis juridische bijstand. Daarnaast zijn de termijnen in de grensprocedure kort
en moet de IND de aanvraag voortvarend behandelen, juist ook omdat er een bewaringsmaatregel
gekoppeld is aan de grensprocedure. Om deze reden heeft het kabinet besloten dat in
de grensprocedure er direct na afronding van de screeningsfase een advocaat gekoppeld
wordt aan de vreemdeling. Ook zal het streven zijn om de asielaanvraag van de vreemdeling
die een artikel 59b Vw 2000 maatregel heeft opgelegd gekregen zo spoedig mogelijk
af te ronden. Om die reden zal de aanvraag voortvarend worden behandeld en zal zo
spoedig mogelijk een persoonlijk onderhoud worden ingepland. Voorafgaand aan dit persoonlijk
onderhoud zal een advocaat worden gekoppeld.
Vraag 339
Is de regering het eens met de stelling dat in een detentiesetting het des te belangrijker
is dat de juridische counseling wordt gedaan door een onafhankelijke partij en niet
door de autoriteiten die iemand in detentie hebben geplaatst?
Met de inrichting van de juridische counseling blijft de onafhankelijkheid gewaarborgd.
De taken van de IND-medewerkers die counseling verlenen, zullen immers volledig gescheiden
zijn van die van de medewerkers die besluiten nemen en gehoren uitvoeren. Desalniettemin
wordt opgemerkt dat in de toekomstige asielgrensprocedure het recht op kosteloze rechtsbijstand
kort na de start van de procedure gehandhaafd blijft. Hiervoor is niet relevant of
de vreemdeling in bewaring zit of niet. Het recht op rechtsbijstand vanwege de omstandigheid
dat de vreemdeling in bewaring zit, is van een andere orde en volgt uit artikel 100,
eerste lid, Vw 2000. Daar verandert het onderhavige wetsvoorstel niets aan.
Vraag 340
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de regering in de implementatiewet
geen onderscheid maakt tussen de grensprocedure en grensdetentie. Alle asielzoekers
die in de grensprocedure zitten, worden ook gedetineerd. Deze detentie geldt voor
de volledige duur van de procedure, terwijl er ook voor gekozen had kunnen worden
om de duur te beperken tot de screeningsfase. Waarom gebruikt de regering detentie
als standaard en niet als uiterst middel, zoals diverse Europese richtlijnen voorschrijven?
Grensbewaring kan volgen in die zaken waarin het asielverzoek in de asielgrensprocedure
moet worden behandeld (in de gevallen dat de vreemdeling een nationaliteit heeft waarvan
het EU-brede inwilligingspercentage lager dan 20% is, de vreemdeling de overheid misleidt
of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid).
In overige gevallen kan de asielgrensprocedure worden toegepast. Het opleggen van
grensbewaring is – zoals nu ook het geval is – een maatregel gebaseerd op een individuele
beoordeling. Daarbij wordt altijd geverifieerd of de vreemdeling in bewaring kan worden
geplaatst en of bewaring proportioneel is. Deze systematiek is geregeld in artikel
6 en 6a van de Vreemdelingenwet 2000. Omdat de asielprocedure doorgaans langer duurt
dan 24 uur, kan een alternatief (zoals verblijf in de lounge) niet worden toegepast,
omdat het hier de vreemdeling ontbreekt aan basisvoorzieningen. In het kader van het
grensbewakingsbelang kan de overheid verder niet voorzien in een alternatief voor
bewaring en tegelijkertijd voorkomen dat de vreemdeling toegang krijgt tot het grondgebied
van de lidstaten. Om die reden wordt – wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan –
gebruik gemaakt van grensbewaring. Daarmee wordt conform vaste Afdelingsjurisprudentie
het grensbewakingsbelang gediend, zie o.a. ABRvS 12 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2050.
Vraag 341
Hoe duidt de regering de mededeling van de Europese Commissie met betrekking tot het
Gemeenschappelijk uitvoeringsplan voor het Pact, waarin staat vermeld dat de maatregelen
protocollen kunnen omvatten inclusief alternatieven voor bewaring, met name voor gezinnen
met kinderen?
Naast de wettelijke uitvoering en implementatie van het Asiel en migratiepact in zowel
de Vreemdelingenwet 2000 als het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt op zowel beleidsmatig
niveau (in de Vreemdelingencirculaire 2000) als in werkinstructies van de uitvoerende
organisaties de implementatie van het Pact uitgewerkt. In de Vc 2000 zal nadere uitwerking
worden gegeven aan de implementatie van de (verplichte) asielgrensprocedure en het
al dan niet opleggen van grensbewaring. Daarbij zal eveneens aandacht worden besteed
aan gezinnen met kinderen waarvoor de verplichte asielgrensprocedure geldt. Los daarvan
zijn de alternatieven voor bewaring reeds wettelijk verankerd in de Vw 2000.
Vraag 342
Is er in detentie ook sprake van onderwijs voor minderjarigen? Wat zijn de faciliteiten
in deze detentieplekken voor kinderen en voor volwassenen?
In situaties waarin minderjarigen in het kader van vreemdelingenrechtelijke maatregelen
verblijven in een gesloten setting, zoals in de Gesloten Gezinsvoorziening Zeist,
wordt voorzien in educatieve activiteiten op maat. De aard en intensiteit van dit
aanbod worden mede bepaald door de verblijfsduur. Aangezien het verblijf in de Gesloten
Gezinsvoorziening in beginsel van beperkte duur is, betreft het geen volledig regulier
onderwijsprogramma.
Voor volwassen vreemdelingen in bewaring bestaat geen structureel landelijk onderwijsaanbod
vergelijkbaar met het reguliere gevangeniswezen. De focus ligt primair op het uitvoeren
van de vreemdelingenrechtelijke maatregel binnen de geldende wettelijke kaders. Wel
worden op verschillende locaties faciliteiten geboden in de vorm van: dagbesteding,
activering en praktische vaardigheden. Binnen Detentiecentrum Rotterdam wordt bijvoorbeeld
gewerkt met praktijkgerichte projecten waarin ingeslotenen vaardigheden ontwikkelen
die inzetbaar kunnen zijn na terugkeer. Dergelijke initiatieven zijn met name relevant
in het kader van vreemdelingenbewaring onder de Terugkeerrichtlijn.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat ook in detentie de gezondheidszorg
van belang is. Daarom is het van belang dat deze in de implementatiewet goed gewaarborgd
is, zowel in de grens- en vreemdelingendetentie als tijdens de screeningsprocedure,
zodat adequate medische controles plaatsvinden en kwetsbaarheid tijdig wordt gesignaleerd.
Hierover hebben zij enkele vragen.
Vraag 343
Op welke manier wordt de gezondheidszorg in grensdetentie gewaarborgd? Welke instantie
is verantwoordelijk voor de medische en psychische zorg tijdens detentie inclusief
tijdens de screeningsprocedure?
De medische dienst van Justitieel Complex Schiphol (JCS) dat onderdeel is van de Dienst
Justitiële Inrichtingen is hiervoor verantwoordelijk.
Vraag 344
Op welke manier en in welk stadium wordt er gekeken naar mogelijke kwetsbaarheden
van vreemdelingen? Hoe wordt er omgegaan met kwetsbare groepen die bijvoorbeeld te
maken hebben met psychische problemen, trauma’s en angst?
Tijdens de screeningsfase aan de buitengrens beoordeelt de KMar of er bepaalde kwetsbaarheden
aanwezig zijn waardoor een vreemdeling niet in bewaring kan. Als de KMar deze kwetsbaarheden
niet heeft geconstateerd, kan de vreemdeling de grensprocedure instromen. Vervolgens
beoordeelt de IND of er verder procedurele waarborgen nodig zijn en of deze in de
grensprocedure kunnen worden gegeven. Als dit niet het geval is, zal de grensprocedure
worden stopgezet en de grensbewaring worden opgeheven. Als op een later moment bepaalde
kwetsbaarheden naar voren komen die eerder niet bekend waren, wordt opnieuw beoordeeld
welke procedurele waarborgen nodig zijn en of deze in bewaring kunnen worden geborgd.
Vraag 345
Hoe wordt ervoor gezorgd dat de juiste gespecialiseerde expertise beschikbaar is en
er voldoende tijd wordt genomen om kwetsbaarheden te signaleren?
Op dit moment wordt door de IND al voortdurend in alle fases van de asielaanvraag
bezien of er sprake is van kwetsbaarheden en of er aanleiding is voor bijzondere procedurele
waarborgen. Zo bestaat de opleiding Interviewing Vulnerable Persons en de werkinstructie
2021/9 waarin ook indicatoren staan vermeld die mogelijk wijzen op kwetsbaarheid.
Vanaf het van toepassing worden van het Asiel- en migratiepact, wordt tijdens de screeningsfase
een voorlopige beoordeling gedaan of een vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen
nodig heeft. Hierbij gaat het om aanwijzingen op basis van zichtbare tekenen, verklaringen,
gedrag van de verzoeker of relevante documenten. De beoordeling wordt zo snel mogelijk
na de screeningsfase afgerond. Bij deze definitieve beoordeling wordt naast de voorlopige
beoordeling het volledige dossier, medische intake en eventuele informatie van ketenpartners
meegenomen. Deze beoordeling wordt gedaan door medewerkers die getraind zijn in het
herkennen van signalen van kwetsbaarheid. Als hiertoe aanleiding bestaat kunnen signalen
inzake kwetsbaarheid gedeeld worden met ketenpartners, kan de vreemdeling doorverwezen
worden naar de medische dienst of kan onderzoek gedaan worden of iemand gehoord kan
worden.
Vraag 346
Hoe zal er worden omgegaan met weigering van deelname aan de screeningsprocedure?
Het weigeren mee te werken aan de screeningsprocedure kan worden betrokken bij het
nemen van een beslissing op de asielaanvraag. Bij de registratie van de asielaanvraag
moet de vreemdeling namelijk grotendeels dezelfde gegevens verstrekken als tijdens
de screening. Het niet verstrekken van die gegevens kan ertoe leiden dat de asielaanvraag
buiten behandeling kan worden gesteld. Dit volgt direct uit de Procedureverordening.
Ook indien de vreemdeling weigert om een dactyloscopisch signalement te laten afnemen,
kan de asielaanvraag buiten behandeling worden gesteld.
Vraag 347
Hoe wordt rekening gehouden met- en gereageerd op problemen zoals hongerstakingen
en zelfmoordpogingen?
In het algemeen geldt dat er altijd gepaste begeleiding aanwezig is tijdens de screening
om de vreemdeling te ondersteunen bij de screeningsfase. Indien nodig wordt relevante
informatie gedeeld met ketenpartners. Specifiek in het geval van hongerstakingen en
zelfmoordpogingen wordt dit vastgelegd in het vreemdelingenbeeld. Op deze manier zijn
ook de relevante ketenpartners direct op de hoogte zodat ook zij rekening kunnen houden
met de individuele omstandigheden van de aanvrager. Ook is er een Ketenbreed Calamiteitenteam
(KCT) dat bestaat uit medewerkers van de IND, het COA en de DTenV, dat ten doel heeft
calamiteiten te voorkomen en de situatie te de-escaleren. Een medewerker van het KCT
beoordeelt meldingen op intensiteitsniveau en zet zo nodig direct acties uit.
Vraag 348
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat kinderen niet thuishoren
in detentie en dat dit zeer schadelijk kan zijn. Zij lezen dat minderjarigen alleen
in detentie terechtkomen als dit in hun belang is. Het belang van het kind wordt genoemd
naar niet verder uitgewerkt, terwijl het belang van het kind op grond van het IVRK
en het EU-Handvest de eerste overweging moet zijn bij beslissingen die betrekking
hebben tot kinderen. Deze leden hebben hier enkele vragen bij en vragen gelieve deze
individueel te beantwoorden. Wat is volgens de regering in deze context in het belang
van het kind? Hoe wordt dit getoetst en gewaarborgd?
Bij de beoordeling van het belang van het kind dient Nederland in ieder geval rekening
te houden met een aantal factoren zoals die zijn neergelegd in artikel 26 van de herschikte
Opvangrichtlijn. Daarbij speelt volgens de regering de mogelijkheid van gezinshereniging
dan wel het behouden van de gezinseenheid, indien sprake is van een gezin met minderjarige
kinderen, een zeer belangrijke rol bij de beoordeling of het belang van het kind wordt
gewaarborgd. Dat neemt niet weg dat dit per gezin individueel zal moeten worden beoordeeld
en dat rekening moet worden gehouden met de specifieke omstandigheden van het betreffende
gezin. Bij een alleenstaande minderjarige vreemdeling spelen veiligheids- en beveiligingsoverwegingen
een belangrijke rol in de context van het belang van het kind. Daarbij kan worden
gedacht aan situaties waarbij er signalen zijn voor mensenhandel of -smokkel. Daarnaast
is in de context van het belang van het kind de locatie waar minderjarigen worden
ondergebracht een belangrijke omstandigheid waar rekening mee moet worden gehouden.
Voor Nederland geldt in dat verband dat minderjarigen worden geplaatst in Justitieel
Complex Zeist, welke locatie kindvriendelijk is ingericht en geschikt is voor bewaring
van gezinnen met minderjarige kinderen. De factoren die bij deze beoordeling moeten
worden betrokken zijn neergelegd in artikel 59b, vijfde lid, Vw 2000 van het onderhavige
wetsvoorstel.
Vraag 349
Wanneer is het volgens de regering in het belang van het kind om in bewaring te worden
gesteld? In welke situatie zou het noodzakelijk zijn om een alleenstaande minderjarige
in vreemdelingenbewaring te nemen ter bescherming?
De regering verwijst naar het antwoord op vraag 348.
Vraag 350
Hoe verhoudt zich de detentie van kinderen tot artikel 37 van het IVRK waarin staat
dat kinderen niet op willekeurige wijze van zijn of haar vrijheid mag worden beroofd?
De herschikte Opvangrichtlijn geeft aan dat minderjarigen in de regel niet in bewaring
worden genomen. Dit is ook expliciet tot uitdrukking gebracht in artikel 59b, vijfde
lid van het onderhavige wetsvoorstel. Bewaring van minderjarigen is een laatste redmiddel
en kan alleen worden toegepast als minder dwingende alternatieve maatregelen niet
doeltreffend kunnen worden toegepast en nadat is beoordeeld dat bewaring in het belang
is van de minderjarige. En als de bewaring al aan deze voorwaarden voldoet, dan moet
de bewaring ook altijd zo kort mogelijk zijn. Hiermee is dus ook wettelijk gewaarborgd
dat het een uitzondering blijft om kinderen in bewaring te stellen, hetgeen in lijn
is met de herziene Opvangrichtlijn alsmede met het uitgangspunt dat bewaring van kinderen
niet willekeurig mag zijn. Bovendien dient bij het opleggen van bewaring altijd beoordeeld
te worden of sprake is van bijzondere en individuele omstandigheden die bewaring onevenredig
bezwarend maken. Hierbij worden alle relevante belangen van de minderjarigen betrokken.
Vraag 351
Hoe verhoudt zich de detentie van kinderen van andere rechten uit het IVRK, zoals
het recht op een gezinsleven (artikelen 9 en 16), het recht op een stem (artikelen
12 en 13), het recht op sociale voorzieningen (artikel 26), het recht op onderwijs
(artikel 28)?
Bij de beoordeling van de vraag of bewaring kan worden opgelegd speelt volgens de
regering de mogelijkheid van gezinshereniging, dan wel het behouden van de gezinseenheid
een belangrijke rol. Daarnaast worden verklaringen van minderjarigen vanaf 12 jaar
betrokken bij de afweging of wel of niet wordt overgegaan tot bewaring. Verder vindt
bewaring van minderjarigen plaats in Justitieel Complex Zeist (JCZ), welke locatie
kindvriendelijk is ingericht. Ouders en kinderen worden niet van elkaar gescheiden
en de behoeften en het belang van het kind staan voorop in JCZ. Op Zeist wordt tot
slot voorzien in onder andere educatieve activiteiten op maat.
Vraag 352
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of er geen andere mogelijkheden zijn
om amv’ers te beschermen. Worden (alleenstaande) minderjarigen samen met volwassenen
in grensdetentie en de screeningsprocedure geplaatst?
Voor Nederland geldt, indien het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel aan
de orde zou zijn, dat minderjarigen worden geplaatst in Justitieel Complex Zeist,
welke locatie kindvriendelijk is ingericht en geschikt is voor bewaring van gezinnen
met minderjarige kinderen.
Vraag 353
Wat zijn de waarborgen die ervoor zorgen dat minderjarigen apart worden gescreend
en op afzonderlijke en kindvriendelijke plekken worden opgevangen?
Artikel 13 van de Screeningsverordening bevat bepalingen ten aanzien van de waarborgen
die gelden voor minderjarigen tijdens de screening. Denk hierbij aan de aanwezigheid
van een vertegenwoordiger die beschikt over de nodige vaardigheden en deskundigheid
om te handelen in het belang en algemene welzijn van de minderjarige. Onder het Asiel-
en migratiepact moeten alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) die aan de
buitengrens een asielaanvraag indienen en niet aan de voorwaarden voor toegang tot
het grondgebied voldoen, voorafgaand aan de start van de asielprocedure worden gescreend.
In tegenstelling tot andere vreemdelingen die aan de buitengrens asiel aanvragen,
zoals volwassenen, komen amv’s na de screening in beginsel niet in aanmerking voor
de asielgrensprocedure waarbij de vreemdeling tijdens de procedure in bewaring wordt
geplaatst. Amv’s zijn in het Pact namelijk expliciet uitgezonderd voor de grensprocedure
met uitzondering van amv’s waarbij sprake is van gevaar voor de openbare orde of nationale
veiligheid. Daarom is de keuze gemaakt om amv’s die via de buitengrens aankomen door
te geleiden naar een locatie op het grondgebied waar het screeningsproces specifiek
voor amv’s – met alle geldende waarborgen – is ingericht. Daar is bijvoorbeeld ook
de bovengenoemde vertegenwoordiger van de voogdijinstelling aanwezig.
Vraag 354
Is de regering het met de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie eens dat het belang
van het kind leidend moet zijn?
Ja, tijdens screening en de opvolgende procedures worden maatregelen genomen om dit
belang te waarborgen
Vraag 355
Is de regering van plan gezinnen met kinderen voorrang te geven in het beëindigen
van hun grensprocedure?
Ja. In de Procedureverordening is expliciet neergelegd dat wanneer gezinnen minderjarigen
aan de grensprocedure zijn onderworpen, de lidstaten hun verzoek met voorrang dienen
te behandelen.
Vraag 356
De Opvangrichtlijn stelt dat minderjarigen ondergebracht dienen te worden in voor
hen geschikte accommodatie en alleen in bewaring mogen worden gesteld in uitzonderlijke
situaties. Hoe verhouden deze waarborgen zich tot de keuze van Nederland om álle gezinnen
met kinderen in de grensprocedure standaard op te sluiten in Gesloten Gezinsvoorziening
(GGV) Zeist?
Bewaring van minderjarigen is een laatste redmiddel en kan alleen worden toegepast
als minder dwingende alternatieve maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast
en nadat is beoordeeld dat bewaring in het belang is van de minderjarige en dan ook
altijd nog zo kort als mogelijk.
Vraag 357
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom de regering er bij de implementatie
van het Pact voor kiest om gezinnen met kinderen in het kader van grensprocedures
in bewaring te plaatsen in de GGV in Zeist, terwijl open opvangvoorzieningen een minder
ingrijpend en effectief alternatief vormen en aansluiten bij de huidige praktijk waarin
gezinnen en alleenstaande minderjarigen naar de open asielprocedure worden doorverwezen.
Zoals aangegeven in eerdere antwoorden is bewaring van minderjarigen een laatste redmiddel
en kan het alleen worden toegepast als minder dwingende alternatieve maatregelen niet
doeltreffend kunnen worden toegepast en nadat is beoordeeld dat bewaring in het belang
is van de minderjarige en dan ook altijd nog zo kort als mogelijk. Meer specifiek
met betrekking tot de gesloten gezinsvoorziening in Zeist: kinderen (en hun gezinsleden)
hebben volledige bewegingsvrijheid binnen de muren van de locatie, waarbij de detentiebeleving
voor kinderen tot een minimum is teruggebracht.
Vraag 358
De leden van de CDA-fractie lezen dat de herschikte Opvangrichtlijn ruimte biedt voor
vrijheidsontneming van asielzoekers onder bepaalde voorwaarden. Deze leden vragen
of de regering kan toelichten in hoeverre de toepassing van artikel 59b Vw 2000 in
de praktijk zal wijzigen en of verwacht wordt dat het aantal bewaringsmaatregelen
zal toenemen als gevolg van deze implementatie.
Naar aanleiding van implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn wordt een extra
bewaringsgrondslag toegevoegd aan artikel 59b Vw 2000, namelijk indien de vreemdeling
een eerder opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel niet heeft nageleefd en het onderduikrisico
blijft bestaan. Dat betreft een nieuwe (extra) bewaringsgrondslag van asielzoekers.
Er kan niet op vooruitgelopen worden in hoeverre deze nieuwe grondslag in de praktijk
straks vaak wordt toegepast en of het aantal bewaringsmaatregelen zal toenemen als
gevolg hiervan. Temeer omdat het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel altijd
een individuele beoordeling vereist.
Vraag 359
Voorts vragen deze leden hoe wordt geborgd dat vrijheidsontneming als ultimum remedium
wordt toegepast en individueel wordt gemotiveerd, conform de vereisten van proportionaliteit
en subsidiariteit.
Het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vergt altijd een individuele beoordeling
en is daarmee nimmer een automatisme. Er wordt altijd geverifieerd of de vreemdeling
in bewaring kan worden geplaatst en of bewaring proportioneel is. Bovendien volgt
uit artikel 59c, eerste lid van de Vw 2000 dat vrijheidsontneming enkel is toegestaan
indien geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. Zoals
voorgesteld in het wetsvoorstel wordt een derde lid aan dit artikel toegevoegd, waaruit
onder meer volgt dat de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kan
worden toegepast, vermeld dient te worden in het besluit.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering in artikel 59b Vw 2000 kiest
voor een maximale bewaartermijn van zes maanden voor asielzoekers, met een verlengingsmogelijkheid
van nog eens zes maanden, in totaal dus maximaal twaalf maanden, terwijl de bestaande
mogelijkheid van een aanvullende verlenging met negen maanden bij zwaarwegende belangen
van openbare orde of nationale veiligheid wordt geschrapt.
Vraag 360
Kan de regering uiteenzetten waarom precies voor deze systematiek van twee keer zes
maanden is gekozen, en waarom er niet voor is gekozen de maximale detentieduur verder
op te rekken in lijn met het door de Commissie voorgestelde regime in de Terugkeerverordening
voor de terugkeerfase?
De regering heeft voor wat betreft de termijn van bewaring voor asielzoekers op grond
van artikel 59b Vw 2000 aansluiting gezocht bij de termijnen voor het nemen van een
asielbesluit zoals neergelegd in de Procedureverordening. Hiervoor is gekozen omdat
er een verband bestaat tussen de duur van de behandeling van de asielaanvraag en de
gronden voor bewaring zo lang een vreemdeling asielzoeker is. Meer concreet is aangesloten
bij de termijn uit artikel 35 van de Procedureverordening. Voor gevallen waarin de
gegrondheid van een asielaanvraag wordt onderzocht bepaalt artikel 35, vierde lid,
van de Procedureverordening dat de behandeling van de asielaanvraag binnen zes maanden
moet zijn afgerond. Deze termijn kan worden verlengd met maximaal zes maanden op grond
van het vijfde lid onder de daarin genoemde voorwaarden. Er is niet voor gekozen de
maximale bewaringsduur verder op te rekken, in lijn met het voorgestelde regime in
de Terugkeerverordening, omdat de regering het verband tussen de duur van de behandeling
van de asielaanvraag en de gronden voor bewaring van een asielzoeker als uitgangspunt
heeft gehanteerd bij de termijn genoemd in artikel 59b Vw 2000. Bovendien ziet artikel
59b Vw 2000 op bewaring van asielzoekers en niet op vreemdelingen die zich reeds in
de terugkeerfase bevinden en waarvoor andere uitgangspunten gelden, waaronder ten
aanzien van de maximale bewaringsduur.
Vraag 361
Daarbij vragen de leden van de JA21-fractie specifiek of de regering meent dat met
de voorgestelde maximale duur van twaalf maanden (asielfase) de beschikbare detentiecapaciteit
voldoende effectief kan worden ingezet om onttrekking en secundaire migratie tegen
te gaan. Zo ja, op basis van welke praktijkgegevens wordt dat oordeel onderbouwd?
De regering zal de beschikbare capaciteit zo efficiënt mogelijk benutten. In hoeverre
de capaciteit toereikend is, is mede afhankelijk van een hoogte van de instroom en
de samenstelling ervan. Indien daartoe aanleiding bestaat, zal bezien worden in hoeverre
een opschaling van de capaciteit opportuun is.
Vraag 362
Waarom wordt de bewaringstermijn bij gevaar voor openbare orde en veiligheid verlaagd?
Kan de regering dit toelichten?
De bestaande maximale bewaringstermijn (zes maanden met een verlengingsmogelijkheid
van negen maanden) bij gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid wordt
verlaagd, omdat een dergelijke langere bewaringstermijn volgens de regering niet in
overeenstemming is met het recht op vrijheid zoals dat wordt gegarandeerd door artikel
6 van het Handvest van de grondrechten van de EU en artikel 5 EVRM. Indien vreemdelingenbewaring
wordt opgelegd aan een asielzoeker op grond van het voorgestelde artikel 59b, eerste
lid, onderdeel d, Vw 2000 bij een gevaar voor de nationale veiligheid en openbare
orde geldt hiervoor dezelfde maximale termijn van zes maanden als die geldt voor de
andere bewaringsgrondslagen voor asielzoekers, die onder voorwaarden kan worden verlengd
met maximaal zes maanden.
Vraag 363
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de vrijheidsontneming van minderjarigen.
Zij lezen dat minderjarigen in uitzonderlijke gevallen in bewaring kunnen worden gesteld,
onder andere als vastgesteld is dat bewaring in hun belang is. Wie schat dit belang
van het kind in, zo vragen deze leden. Is dit iemand die kennis heeft van de ontwikkeling
van een kind en de impact van de inbewaringstelling? Zo nee, vindt de regering het
niet wenselijk dat iemand met dergelijke expertise meekijkt? Deze leden kunnen zich
voorstellen dat het meekijken van bijvoorbeeld een gedragswetenschapper bij een dergelijke
beslissing recht doet aan de belangen van het kind. Kan de regering hierop reageren?
De beoordeling waar deze leden naar vragen wordt gedaan door de inbewaringstellende
instantie. Dat neemt niet weg dat wanneer daartoe aanleiding wordt gezien ruggenspraak
mogelijk is met bijvoorbeeld (juristen van) de IND of andere partijen die gevraagde
expertise kunnen inleveren. Daarbij is het niet uitgesloten dat deze expertise wordt
geleverd door bijvoorbeeld een gedragswetenschapper, maar de regering acht het niet
nodig en opportuun dit verplicht te maken of als uitgangspunt te nemen. In algemene
zin kan worden gesteld, los van de individuele afweging die gemaakt wordt, dat het
belang van een minderjarige om bij de ouders te kunnen verblijven zwaar weegt. Deels
heeft het belang van het kind ook een vertaling gekregen in de wijze waarop bewaring
kan worden uitgevoerd, bijvoorbeeld door de inrichting van de gesloten gezinsvoorziening
in Zeist met volledige bewegingsvrijheid binnen de muren van de locatie, en o.a. educatieve
activiteiten waarbij de bewaringsbeleving voor kinderen tot een minimum is teruggebracht.
7.4. Vrijheidsbeperking, vrijheidsontneming en meldplicht bij onderduikrisico
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van mogelijkheden om asielzoekers
bij wie een onderduikrisico bestaat in hun bewegingsvrijheid te beperken of in bewaring
te stellen.
Vraag 364
Op basis van welke criteria zal worden vastgesteld of er sprake is van een onderduikrisico?
Zal er sprake zijn van een limitatieve lijst van objectieve criteria, of blijft er
ruimte voor een open normstelling?
In het nieuwe artikel 5.6, tweede lid, Vb 2000, zoals dat wordt opgenomen in het Uitvoerings-
en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact worden gronden voor het bestaan van
een onderduikrisico opgenomen. Daarbij is aangesloten bij het reeds bestaande kader
(het oude artikel 5.1b, derde en vierde lid, Vb 2000) met gronden om een onderduikrisico
aan te nemen in het kader van vrijheidsontneming en de te onthouden vertrektermijn.
Daar wordt ter uitvoering van het Pact een aantal gronden aan toegevoegd. Qua systematiek
is ervoor gekozen om één limitatieve lijst met gronden voor het bestaan van een onderduikrisico
te hanteren. De gronden die ten grondslag kunnen worden gelegd aan een maatregel tot
vrijheidsbeperking of een maatregel tot vrijheidsontneming zijn materieel dezelfde.
Of een van de gronden van artikel 5.6, tweede lid, Vb 2000 in een individueel geval
een onderduikrisico oplevert, hangt af van de specifieke feiten en omstandigheden
van dat individuele geval.
Vraag 365
In hoeverre zullen eerdere onttrekkingen aan toezicht, identiteitsfraude, het niet
naleven van een meldplicht of het niet meewerken aan een asielprocedure grond vormen
om een onderduikrisico vast te stellen?
Zoals hierboven toegelicht wordt in het nieuwe artikel 5.6, tweede lid, Vb 2000 een
limitatieve lijst van gronden opgenomen om al dan niet een onderduikrisico vast te
kunnen stellen. Gronden die daarin worden benoemd zijn onder andere: het in het Nederlandse
rechtsverkeer gebruik hebben gemaakt van valse of vervalste documenten, het niet langer
beschikbaar zijn door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald
opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf, het eerder niet hebben gehouden aan
een opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 Vw of dat sprake
is van een asielaanvraag die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk
ongegrond.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat overgaan tot preventieve detentie
na het implementeren van deze wet niet meer alleen zal voorkomen als het onderduikrisico
«significant» is. Daarnaast zorg het Pact ervoor dat asielzoekers die moeten worden
overgedragen hun recht op opvang verliezen, waardoor het onderduikrisico kan toenemen.
Ook kan deze groep in bewaring worden gesteld als «het belang van de openbare orde
of nationale veiligheid dat vergt». Hierdoor ontstaat het risico dat het karakter
van deze maatregel alleen als laatste redmiddel verandert.
Vraag 366
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hierover waarom de meetbare criteria
voor het onderduikrisico niet in de wettekst zijn opgenomen.
De criteria voor het aannemen van een onderduikrisico staan thans, onderverdeeld naar
zware en lichte gronden, in artikel 5.1b, derde en vierde lid, Vb 2000. Deze systematiek
is in lijn met geldend wetgevingsbeleid, waarbij de hoofdelementen van een regeling
op wetsniveau moeten staan en de uitwerking daarvan gedelegeerd mag worden. Naar aanleiding
van het Asiel- en migratiepact worden deze criteria samengevoegd, aangevuld en waar
nodig aangepast. Het niveau van regelgeving blijft daarbij gelijk.
Vraag 367
Is deze beslissing over het zijn van een onderduikrisico aan te vechten en herroepelijk?
Het aannemen van een onderduikrisico speelt een rol bij de vraag of een vrijheidsbeperkende
of vrijheidsontnemende maatregel kan worden opgelegd, dan wel of de vertrektermijn
kan worden onthouden. Indien een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel
wordt opgelegd kan daartegen ofwel beroep worden ingediend ofwel volgt ambtshalve
een beroepsprocedure. In die procedure kan het aannemen van een onderduikrisico worden
aangevochten.
Vraag 368
Op welke manier wordt gewaarborgd dat vreemdelingen waar geen onderduikrisico bestaat
en die geen bedreiging vormen niet in detentie worden geplaatst?
In de gevallen waarbij het aannemen van een onderduikrisico een vereiste is voor het
in bewaring kunnen stellen van de vreemdeling, maar waarbij niet kan worden vastgesteld
dat sprake is van een onderduikrisico, is het wettelijk gezien niet mogelijk om de
vreemdeling in bewaring te stellen.
Vraag 369
Hoe verhoudt de nieuwe grond voor inbewaringstelling «in het belang van de openbare
orde of nationale veiligheid» zich tot het bestaan van een onderduikrisico? Zijn dit
twee aparte gronden voor inbewaringstelling? Als de openbare orde of nationale veiligheid
een volledig nieuwe grond is voor inbewaringstelling, op welke manier wordt deze grond
dan nader uitgewerkt aan de hand van concrete en toetsbare criteria?
De grond voor inbewaringstelling «in het belang van de openbare orde of nationale
veiligheid» is enkel nieuw ten aanzien van vreemdelingen die in bewaring kunnen worden
gesteld op grond van artikel 44 Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBv) ten behoeve
van hun overdrachtsprocedure. Daarnaast kan een vreemdeling op grond van die bepaling
in bewaring worden gesteld wanneer er een onderduikrisico bestaat. Dat zijn twee aparte
gronden voor inbewaringstelling op grond van de AMBv, welke grondslag nationaal is
geïmplementeerd in artikel 59a Vw 2000. De nadere invulling van de grond voor bewaring
«in het belang van de openbare orde of nationale veiligheid» ten behoeve van de overdrachtsprocedure
is momenteel nog niet nader uitgewerkt.
De leden van de CDA-fractie lezen dat vrijheidsbeperkende maatregelen, waaronder een
meldplicht of vrijheidsontneming, kunnen worden toegepast indien sprake is van een
onderduikrisico.
Vraag 370
Deze leden vragen de regering hoe het onderduikrisico concreet wordt vastgesteld en
welke objectieve criteria daarbij worden gehanteerd.
Voor de nationale invulling van de gronden waarop een onderduikrisico kan worden gebaseerd,
wordt aangesloten bij de bestaande lijst van gronden zoals die volgde uit het bestaande
artikel 5.1b, derde en vierde lid, Vb 2000. Deze lijst wordt in artikel 5.6, tweede
lid, Vb 2000, zoals die bepaling met het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel-
en migratiepact wordt gewijzigd, overgenomen en aangepast aan de herschikte Opvangrichtlijn
en het Asiel- en migratiepact, alsook aan ontwikkelingen in de jurisprudentie. Qua
systematiek wordt gekozen voor het hanteren van één lijst met gronden voor het aannemen
van een onderduikrisico. Er bestaat geen materieel verschil tussen de gronden die
aanleiding kunnen geven tot oplegging van een maatregel tot vrijheidsbeperking of
een maatregel tot vrijheidsontneming. Het enige verschil is dat voor oplegging van
een maatregel tot vrijheidsbeperking de aanwezigheid van ten minste één grond is vereist
en voor een maatregel tot vrijheidsontneming ten minste twee gronden. Voor een nadere
toelichting wordt verwezen naar het ontwerp Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel-
en migratiepact 2026, dat voor internetconsultatie is opengesteld van 24 november
2025 tot 5 januari 2026.
Vraag 371
Voorts vragen deze leden hoe wordt gewaarborgd dat bij de toepassing van dergelijke
maatregelen steeds een individuele en proportionele afweging plaatsvindt.
Zowel het opleggen van een vrijheidsbeperkende als een vrijheidsontnemende maatregel
vergt altijd een individuele beoordeling en is daarmee nimmer een automatisme. Iedere
maatregel waarbij de vreemdeling in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt dient individueel
te worden gemotiveerd en altijd moet worden bezien of de maatregel die wordt opgelegd
wel proportioneel is. Specifiek ten aanzien van vrijheidsontneming volgt uit artikel
59c, eerste lid van de Vw 2000 dat dit enkel is toegestaan indien geen minder dwingende
maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. Zoals voorgesteld in het wetsvoorstel
wordt een derde lid aan dit artikel toegevoegd, waaruit onder meer volgt dat de reden
dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kan worden toegepast, vermeld dient
te worden in het besluit. Voor vrijheidsbeperkende maatregelen geldt dat in het nieuwe
artikel 5.3, eerste lid, van het Vb 2000 is bepaald dat de maatregel evenredig moet
zijn en rekening moet houden met de relevante aspecten van de individuele situatie
van de vreemdeling.
Vraag 372
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering van plan is maximaal gebruik te
maken van de mogelijkheden die de herschikte Opvangrichtlijn biedt, nu de norm wordt
versoepeld. Kan de regering dit toelichten?
Het Asiel- en migratiepact geeft meer ruimte om Dublinclaimanten na een overdrachtsbesluit
vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen. Het kabinet is aan het onderzoeken hoe
deze maatregelen het meest effectief ingezet kunnen worden
Vraag 373
Onder welke voorwaarden kan nu van asielzoekers worden bepaald dat zij enkel mogen
verblijven op een specifieke opvangplaats?
Artikel 9 van het herschikte Opvangrichtlijn bepaalt: om redenen van openbare orde
of om doeltreffend te voorkomen dat de verzoeker onderduikt.
Vraag 374
Hoe is de regering voornemens om per AMvB dat onderduikrisico te toetsen en/of vast
te stellen?
Zie het antwoord op vraag 370.
Vraag 375
Hoe verhoudt deze nieuwe mogelijkheid zich tot de escalatiepraktijk met treden van
de procesbeschikbaarheidsaanpak? Kan die worden aangescherpt?
Het opleggen van artikel 56 Vw 2000 is geen nieuwe mogelijkheid in het Nederlandse
recht en is reeds mogelijk bij de procesbeschikbaarheidslocatie als onderdeel van
de escalatieladder van de procesbeschikbaarheidsaanpak. Het Pact biedt hierbij een
nog meer solide juridische grond om artikel 56 Vw 2000 op te leggen. De wijze waarop
de vrijheidsbeperking in het kader van artikel 56 Vw 2000 wordt ingevuld, bijvoorbeeld
de mate van vrijheidsbeperking of het gebied waarop de beperking geldt, verandert
in beginsel niet. Momenteel wordt de procesbeschikbaarheidsaanpak geëvalueerd. Hierbij
wordt ook de invulling meegenomen van de wijze waarop artikel 56 Vw 2000 wordt toegepast
bij de procesbeschikbaarheidslocatie en worden de nieuwe normen vanuit het Pact betrokken.
7.5. Beroep bij de rechter bij vrijheidsontneming
Vraag 376
De leden van de CDA-fractie lezen dat de herschikte Opvangrichtlijn nadere bepalingen
bevat ten aanzien van de rechterlijke toetsing van vrijheidsontneming. Deze leden
vragen de regering welke gevolgen de implementatie van deze bepalingen heeft voor
de werklast van de rechtspraak in bewaringszaken.
In het onderhavige wetvoorstel is de werkwijze en de termijn voor rechterlijke toetsing
van vrijheidsontneming gewijzigd. In het nieuwe artikel 94, eerste lid, Vw 2000 wordt
geregeld dat een vreemdeling niet langer zelf beroep hoeft in te dienen bij de rechtbank,
maar dat dit ambtshalve gebeurt. De rechtbank wordt onverwijld in kennis gesteld van
een besluit tot vrijheidsontneming na bekendmaking daarvan. Vervolgens is de termijn
voor de rechtbank om uitspraak te doen 15 dagen na aanvang van de bewaring, dan wel
21 dagen in het geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het tijdig in kennis stellen
van de rechtbank van de opgelegde bewaringsmaatregel is daarom een belangrijke prioriteit.
Immers, de termijn voor de rechtbank om uitspraak te doen vangt aan nadat bewaring
is opgelegd. De regering gaat ervan uit dat de bewaringsmaatregel automatisch via
de IND bij de rechtspraak aankomt. Daarmee is geborgd dat de rechter onverwijld op
de hoogte wordt gesteld van het opleggen van bewaring teneinde tijdig de rechterlijke
toetsing uit te voeren.
De opgenomen verkorting van de uitspraaktermijnen bij alle bewaringszaken zal een
andere inrichting van het werkproces vergen en daarmee een mogelijke extra druk op
de capaciteit bij de rechtbanken leggen. De rechtbanken kunnen moeilijk anticiperen
op bewaringszaken en voorzien een inefficiënte inzet van personeel en middelen. De
Raad voor de rechtspraak voorziet dat bij een kortere uitspraaktermijn de volgberoepen
sneller instromen, waardoor de hoeveelheid volgberoepen naar verwachting toeneemt.
Vraag 377
Daarnaast vragen deze leden de regering hoe wordt gewaarborgd dat de rechterlijke
toetsing tijdig en effectief kan plaatsvinden, mede gelet op de reeds bestaande druk
op de vreemdelingenkamers.
De regering verwijst naar het antwoord op de voorgaande vraag.
7.6. Wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet op de expertisecentra, de Wet
op het primair onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs 2020
Vraag 378
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering asielzoekers toegang
tot de arbeidsmarkt wil geven door middel van een tewerkstellingsvergunning. Deze
leden zijn van mening dat het beter is voor de integratie om deze noodzaak te schrappen,
net als bij Oekraïense vluchtelingen en werkgevers met asielzoekers en vluchtelingen
in contact te brengen. Waarom is hier niet voor gekozen?
Sinds het vervallen van de 24-weken-eis is er een sterke toename in het aantal tewerkstellingsvergunningen
voor asielzoekers. Echter bekend is dat de tewerkstellingsvergunningplicht een belemmering
kan vormen voor asielzoekers om te kunnen werken en voor werkgevers om hen in dienst
te nemen. Met de implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn is ervoor gekozen
de tewerkstellingsvergunningplicht in stand te laten. De reden hiervoor is dat het
op dit moment niet mogelijk is de vergunningplicht af te schaffen.
Met deze implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn mogen bepaalde groepen asielzoekers
met een lage kans op inwilliging van hun aanvraag in elk geval niet werken.
Vraag 379
Is de regering niet van mening dat de integratie en aansluiting tot de arbeidsmarkt
een stuk effectiever is wanneer er zonder tewerkstellingsvergunning wordt gewerkt?
Het kabinet acht het van belang dat asielzoekers met een goede kans op een verblijfsvergunning
kunnen werken. De tewerkstellingsvergunningplicht die geldt voor werkgevers die asielzoekers
willen laten werken vormt hierbij een administratieve belasting. Dit moedigt juist
niet aan om asielzoekers aan te nemen. Zie hiervoor ook de beantwoording van vraag
378.
Vraag 380
In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de herziene Opvangrichtlijn in
combinatie met de Procedureverordening voor bepaalde categorieën asielzoekers of in
een bepaalde fase van de procedure toegang tot de arbeidsmarkt uitsluit. Zal de regering
voor alle andere asielzoekers toegang tot de arbeidsmarkt geven?
Ja. Het recht op toegang tot de arbeidsmarkt van mensen die een verblijfsvergunning
asiel hebben aangevraagd volgt uit artikel 17 van de herschikte Opvangrichtlijn. Op
grond van artikel 17, eerste lid, van deze richtlijn moeten lidstaten ervoor zorgen
dat asielzoekers uiterlijk zes maanden na de datum waarop het verzoek om internationale
bescherming is geregistreerd, toegang hebben tot de arbeidsmarkt, tenzij sprake is
van een uitzondering op het recht op toegang tot de arbeidsmarkt. Die uitzondering
is o.a. het geval voor Dublinclaimenten en personen afkomstig uit een veilig land
van herkomst
Vraag 381
Zijn er juridische beletsels om asielzoekers waarvoor de maximale beslistermijn voor
de versnelde procedure is overschreden toegang tot de arbeidsmarkt te geven?
In artikel 17 van de herschikte Opvangrichtlijn is de toegang tot de arbeidsmarkt
geregeld. In het eerste lid, tweede alinea, van dit artikel wordt naar artikel 42
van de Procedureverordening verwezen, waarin de versnelde procedure is geregeld en
de verschillende gronden om een asielprocedure in de versnelde procedure af te doen.
In de genoemde gevallen in artikel 42, eerste lid, onderdeel a tot en met f, mag een
asielzoeker nooit werken. Wanneer een asielaanvraag in de versnelde procedure wordt
afgedaan, wordt geen toegang tot de arbeidsmarkt verleend of wordt reeds verleende
toegang tot de arbeidsmarkt ingetrokken. Op grond van artikel 35, derde lid, van de
Procedureverordening wordt de versnelde behandelingsprocedure zo spoedig mogelijk
en uiterlijk drie maanden na de datum van indiening van het verzoek afgerond. Wanneer
deze termijn van drie maanden overschreden wordt, wordt in de gevallen als genoemd
in artikel 42, eerste lid, onderdeel g tot en met j, van de Procedureverordening toegang
tot de arbeidsmarkt verleend.
8. Uitvoering Screeningsverordening (EU) 2024/1356
8.1. Algemeen
Vraag 382
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het doel van de Screeningsverordening om
snel asielzoekers naar de juiste procedure te verwijzen. In hoeverre bestaat er volgens
de regering het risico dat asielzoekers bewust onjuiste gegevens aanleveren om in
een gunstige asielprocedure te belanden?
Het is in principe altijd mogelijk dat vreemdelingen bewust onjuiste gegevens aanleveren
tijdens de screeningsfase. Wel worden in de screening verschillende checks gedaan
op identiteit, veiligheid en herkomst en wordt ook gekeken of de vreemdeling bekend
is in de Europese databases. Het bewust verschaffen van onjuiste gegevens wordt altijd
betrokken bij de beoordeling van de asielaanvraag
Vraag 383
Meent de regering dat deze Implementatiewet al het mogelijke doet om dit risico zo
klein mogelijk te houden?
Het is altijd mogelijk dat vreemdelingen bewust onjuiste gegevens aanleveren tijdens
de screeningsfase. Maar tijdens de screeningsfase wordt niet alleen uitgegaan van
de informatie die de vreemdeling zelf aanlevert. Alle vreemdelingen moeten hun vingerafdrukken
afgeven waarna een check plaatsvindt in verschillende (inter)nationale databases om
te checken of iemand al eerder geregistreerd is. Eventuele documenten worden gecheckt
op echtheid. Bij twijfel over de leeftijd kan een leeftijdsonderzoek worden opgestart.
Bij twijfel over de herkomst worden direct vragen gesteld om te checken of de herkomst
aannemelijk is en wordt een taalopname gemaakt om te beoordelen of de taal overeenkomt
met het de taal die in de opgegeven regio wordt gesproken. Het risico kan dus niet
worden uitgesloten maar wordt wel zo klein mogelijk gemaakt.
Vraag 384
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de screeningsfase bedoeld is als
een snel proces om enkele eigenschappen van een persoon vast te stellen. Zij hebben
hier enkele vragen bij. Hoe wordt gewaarborgd dat de screeningsfase voorlopig en administratief
blijft en niet uitmondt in een de facto inhoudelijke asielbeoordeling?
Het screeningsproces is ontworpen met als doel om te voldoen aan de Screeningsverordening
en om informatie op te halen die nodig is voor de behandeling van de asielaanvraag.
Bij het ontwerpen van de screeningsfase is zorgvuldig afgewogen welke informatie wordt
opgehaald. Tijdens de screening wordt geen inhoudelijke beoordeling gedaan van de
asielaanvraag. Die beoordeling kan pas starten nadat het gehoor over de asielmotieven
heeft plaatsgevonden. Dat gehoor wordt na de screeningsfase gehouden. Aan de grens
wordt de screening uitgevoerd door de KMar.
Vraag 385
In hoeverre is effectieve rechtsbijstand beschikbaar tijdens de screening gezien het
korte tijdsbestek en de grenscontext?
De Screeningsverordening voorziet niet in een recht op (kosteloze) rechtsbijstand.
In artikel 8, zesde lid, wordt alleen bepaald dat organisaties en personen die advies
en counseling verstrekken toegang moeten hebben tot vreemdelingen. Het recht op counseling
vloeit voort uit de Procedureverordening, die slechts ziet op vreemdelingen die om
asiel verzoeken. Het proces van screening en de registratie van een asielaanvraag
lopen echter vloeiend in elkaar over. Om die reden zal ten aanzien vreemdelingen die
een asielwens kenbaar maken worden voorzien in vroegtijdige toegang tot counseling.
Vraag 386
Op welke manier wordt de betrokkene geïnformeerd over doel, gevolgen en mogelijke
uitkomsten van de screening?
Tijdens de screening krijgt de vreemdeling informatie in de vorm van geschreven tekst,
beeldmateriaal en indien nodig kan de vreemdeling om uitleg vragen van medewerkers
die aanwezig zijn. Vooraf en aan het einde van de screening worden folders uitgereikt.
Deze folders zijn opgesteld door de EUAA en vervolgens door Nederland aangepast zodat
de inhoud ervan overeenkomt met de situatie in ons land. Na afloop van de screening
krijgt de vreemdeling de mogelijkheid om een afspraak te maken met een juridische
counselor. De juridische counselor geeft algemene informatie over het vervolg van
de asielprocedure.
Vraag 387
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen welke autoriteiten welk deel van de
screening zullen uitvoeren.
Screening omvat verschillende stappen, te weten: identificatie, afname van biometrische
gegevens en Eurodac-registratie, consultatie van veiligheidsdatabases en een voorlopige
medische en kwetsbaarheidscontrole.
Aan de buitengrens is de KMar aangewezen als screeningsautoriteit voor wat betreft
de identificatie en registratie en het uitvoeren van de veiligheidscontrole en de
voorlopige kwetsbaarheidscheck bij onderdanen van derde landen die op irreguliere
wijze de Europese buitengrens hebben overschreden of die aan de grensdoorlaatpost
of in de transitzone een asielverzoek indienen. Er wordt gewerkt aan afspraken met
de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) om de voorlopige medische controle in het
kader van screening te ondervangen met de medische intake die DJI conform regulier
beleid binnen 24 uur na binnenkomst in bewaring uitvoert.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is de screeningsautoriteit op het grondgebied,
daarbij voert de IND de identificatie en registratie, de veiligheidscontrole en voorlopige
kwetsbaarheidscheck uit. Voor wat betreft de voorlopige medische controle is het voornemen
dat de Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA) een rol gaat spelen.
Vraag 388
Is de regering het eens met de stelling dat voor screening op kwetsbaarheid de inzet
van professionele deskundigen is vereist zoals dokters, (kinder-)psychologen etcetera?
Op welke wijze wordt dit proces ingeregeld? Komt een werkwijze hiervoor naar de Kamer?
Tijdens de screening wordt een voorlopige check op kwetsbaarheid en een eerste medische
check gedaan. Hierbij is dus sprake van de inzet van medische professionals. Het COA
betrekt deze informatie bij de beoordeling van eventuele bijzondere opvangbehoeften
en bij de plaatsing in de opvang. Voor IV-aanpassingen wordt verwezen naar het antwoord
op vraag 437. Wat betreft personele inzet wordt verwezen naar het antwoord op vraag
413.
Vraag 389
Wie beslist op basis van de resultaten in welke volgende procedure de vreemdeling
gaat? Is deze beslissing aan te vechten en te herroepen?
Na de screeningsfase vindt de zogeheten triage plaats. Hierbij wordt aan de hand van
de beschikbare informatie uit het screeningsproces bepaald welke procedure van toepassing
is, welke onderzoeken moeten worden opgestart en worden er kaders meegegeven aan de
planning met betrekking tot de prioritering en complexiteit van de aanvraag. Deze
triage wordt door ervaren IND medewerkers gedaan. De vraag welke procedure van toepassing
is volgt uit het Asiel- en migratiepact. Het is altijd mogelijk dat een vreemdeling
bijvoorbeeld vanuit de versnelde procedure naar de niet-versnelde procedure gaat.
Vraag 390
Hoe wordt gelijke behandeling tijdens deze procedures gewaarborgd? Hoe lang worden
mensen opgehouden aan de grens (lounge Schiphol) en waar wordt het screeningsproces
afgerond nu mensen daar maar kort kunnen verblijven?
De KMar toetst vreemdelingen, in het kader van de grenstaak, aan de grensdoorlaatpost
op de toegangsvoorwaarden uit de Schengengrenscode. Tevens is de KMar aan de buitengrens
de screeningsautoriteit voor wat betreft de identificatie en registratie, het uitvoeren
van de veiligheidscontrole en voorlopige kwetsbaarheidscheck bij onderdanen van derde
landen die op irreguliere wijze de Europese buitengrens hebben overschreden of die
aan de grensdoorlaatpost of in de transitzone een asielverzoek indienen.
Indien asiel niet aan de orde is en ook niet wordt voldaan de voorwaarden voor toegang,
zal de KMar een toegangsweigering opleggen. De terugvoerplicht wordt dan ingeroepen,
waarbij de vervoerder is verplicht om een vreemdeling die naar Nederland is vervoerd
en aan wie de toegang tot het Schengengebied is geweigerd terug te brengen naar een
plaats buiten het Schengengebied. De betreffende vreemdeling wordt totdat dit is geregeld
door de luchtvaartmaatschappij dan airside gehouden voor maximaal 24 uur. Indien meer
tijd nodig is, zal een inbewaringstelling in vreemdelingenbewaring ter fine van terugkeer
aan de orde zijn. Aangezien geen sprake is van irreguliere grensoverschrijding vallen
deze vreemdelingen niet onder de reikwijdte van de Screeningsverordening en hoeven
zij niet in de zin van de Screeningsverordening gescreend te worden.
Vraag 391
Wat gebeurt er met gezinnen met kinderen en amv’ers? Op welke wijze wordt de informatie
die voortkomt uit de screening op grond van de Screeningsverordening daadwerkelijk
en structureel betrokken bij de beoordeling van bijzondere opvangbehoeften en bij
(plaatsing)beslissingen over opvang?
Indien tijdens de screening door de IND wordt geconstateerd dat sprake is van bijzondere
kwetsbaarheid wordt dit gedeeld met het COA. Bovendien worden alle asielzoekers gezien
door GZA. Zowel de signalen van de IND als van het GZA kunnen voor het COA aanleiding
geven om te voorzien in bijzondere opvang.
Vraag 392
Welke ruimte biedt de Screeningsverordening voor verplichte detentie, in de zin van
vrijheidsontneming, tijdens de screeningsfase, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
De memorie van toelichting spreekt van een «beschikbaarheidsregime» in plaats van
structurele detentie.
In de Screeningsverordening ligt een verplichting voor de lidstaten om in hun nationale
recht bepalingen op te nemen om de aanwezigheid van vreemdelingen tijdens de screening
te garanderen, teneinde onderduiken te voorkomen. Alleen in de gevallen waarin zulks
nodig blijkt en op grond van een individuele beoordeling van elk geval, mogen de lidstaten
een persoon die aan screening wordt onderworpen in bewaring houden wanneer andere,
minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Er mag alleen
tot bewaring worden overgegaan als laatste redmiddel. De Screeningsverordening verplicht
dus niet tot bewaring.
Vraag 393
Kan de regering uiteenzetten waarom niet wordt gekozen voor maximale toepassing van
vrijheidsontneming tijdens de screening in het nationaal kader, gegeven het aanzienlijke
risico op onttrekking in deze fase? Deze leden wijzen erop dat een groot deel van
de asielzoekers die onder de Dublinverordening moesten worden overgedragen, verdween
met onbekende bestemming.
Ingevolge artikel 7 van de Screeningsverordening moeten de lidstaten middels het opnemen
van bepalingen in hun nationaal recht ervoor zorgen dat vreemdelingen voor de duur
van de screening (op het grondgebied) ter beschikking blijven van de autoriteiten
die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van screening, om elk risico op onderduiken
en mogelijke bedreigingen voor de binnenlandse veiligheid als gevolg van dergelijk
onderduiken te voorkomen. De Europese Commissie heeft herhaaldelijk aangegeven dat
lidstaten ruimte hebben om op basis van een individuele beoordeling het beschikbaarheidsregime
in te vullen voor een vreemdeling die aan de screening wordt onderworpen. In die individuele
beoordeling ten aanzien van (de benodigde invulling van) het beschikbaarheidsregime
is het risico op onderduiken, oftewel het onttrekkingsgevaar, een belangrijke overweging.
Daarbij is het opleggen van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel
een optie en bewaring het laatste redmiddel, namelijk enkel wanneer minder dwingende
maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
Het structureel opleggen van verdergaande toezichtsmaatregelen tijdens screening moet
gerechtvaardigd zijn. Daarnaast zou het structureel opleggen van dergelijke maatregelen
ook zorgen voor een disproportionele uitvoeringslast voor de betreffende uitvoeringsorganisaties.
Het screeningsproces op het grondgebied duurt immers maar maximaal 72 uur, waarbij
het streven is om de screening (in ieder geval in grote mate) binnen een dag te hebben
afgerond. In individuele gevallen kan uiteraard, indien nodig en waar mogelijk, aanvullend
een verdergaande vrijheidsbeperkende maatregel of vrijheidsontnemende maatregel worden
opgelegd.
Het kabinet heeft per doelgroep te screenen onderdanen van een derde land, waarin
het aannemelijke onttrekkingsgevaar wordt meegewogen, keuzes gemaakt ten aanzien van
de invulling van het beschikbaarheidsregime. Voor het beschikbaar houden van de groep
vreemdelingen die zich spontaan melden voor asiel bij een aanmeldlocatie zal bijvoorbeeld
een minder dwingende maatregel voldoende zijn. Deze vreemdelingen hebben zich immers
spontaan gemeld voor het indienen van een asielaanvraag, zijn op locatie in Ter Apel
waar screening zal plaatsvinden en zullen daar tevens de asielprocedure starten.
8.2. Screening aan de buitengrens en screening op het grondgebied van de lidstaten
Vraag 394
De leden van de CDA-fractie lezen dat op grond van artikel 6 van de Screeningsverordening
de te screenen personen in juridische zin niet tot het grondgebied van de lidstaat
worden toegelaten. Hoe gaat dit praktisch in zijn werk als een vreemdeling zich niet
aan de buitengrens meldt, maar op een andere plek in Nederland? Wordt deze persoon
dan naar een centrale plek overgebracht waar de screening plaatsvindt? Wordt hierbij
een scherp onderscheid gemaakt tussen vreemdelingen die een asielaanvraag doen en
vreemdelingen die vallen onder de Terugkeerrichtlijn?
Als een vreemdeling zich al bevindt op het grondgebied, vindt de screening plaats
in Ter Apel. Indien de vreemdeling vanuit bewaring asiel aanvraagt, wordt de vreemdeling
beveiligd overgebracht naar Ter Apel. Ook vreemdelingen die geen asiel aanvragen,
kunnen onder de Screeningsverordening vallen. Als de vreemdeling tijdens de screeningsfase
aangeeft geen asiel te willen aanvragen, vindt er wel screening plaats maar zal de
vreemdeling worden overgedragen aan de DTenV en is de Terugkeerrichtlijn van toepassing.
De leden van de CDA-fractie lezen dat voor zowel identificatie en verificatie van
de identiteit als voor de veiligheidscontrole geldt dat voor zover relevant nationale
databanken overeenkomstig het nationale recht worden geraadpleegd. Naast de vreemdelingenadministratie
kan volgens de regering gedacht worden aan (N)SIS en politiegegevens op grond van
de Wet politiegegevens.
Vraag 395
Acht de regering de Wet politiegegevens op dit moment daar toereikend genoeg voor,
nu al jaren de discussie loopt om deze wet te moderniseren omdat de bepalingen niet
meer aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen op bijvoorbeeld het gebied
van informatie-uitwisseling? Is de regering op de hoogte van de beslissing van de
Minister van Justitie en Veiligheid om deze genoemde wet toch niet te moderniseren,
terwijl dit wel noodzakelijk is om goede gegevensdeling te bewerkstelligen?
In het Uitvoerings- en implementatiebesluit Asiel- en migratiepact 2026 is een wijziging
opgenomen van het Besluit politiegegevens om uitvoering te kunnen geven aan de Screeningsverordening.
Ten aanzien van de modernisering van de Wet politiegegevens geldt dat de toenmalige
Minister voor Rechtsbescherming in een brief van 29 maart 2022 heeft aangegeven dat
er geen nieuwe integrale gegevenswet komt omdat voor de realisatie en implementatie
daarvan geen financiële middelen beschikbaar zijn en de betrokken taakorganisaties
met het realiseren en implementeren van een nieuw wettelijk kader zouden worden overvraagd
wat betreft hun veranderkracht, gelet op de opgaven die al op hen rusten met betrekking
tot de implementatie van het nieuwe Wetboek van Strafvordering en EU-regelgeving (Kamerstukken
II 2021/22, 32 761, nr. 218). Wel wordt een aantal bepalingen over strafvorderlijke gegevensverwerking uit het
huidige Wetboek van Strafvordering alsnog opgenomen in het nieuwe Wetboek van Strafvordering
door middel van de eerste aanvullingswet. Verder worden nog wijzigingen van de Wet
politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voorbereid om een
aantal knelpunten in de praktijk aan te pakken.
De leden van de BBB-fractie constateren dat deze verordening lidstaten verplicht om
derdelanders die de buitengrens van de EU illegaal overschrijden, na een reddingsoperatie
op zee aan land worden gebracht, of in bepaalde gevallen zonder rechtmatig verblijf
worden aangetroffen, eerst te onderwerpen aan een verplichte screeningprocedure. Deze
screening vindt plaats vóórdat betrokkene formeel toegang krijgt tot het grondgebied.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de screening is bedoeld als een snelle, gestandaardiseerde
voorfase en verschillende onderdelen omvat. Allereerst wordt de identiteit vastgesteld,
onder meer via registratie en controle van reis- en identiteitsdocumenten. Daarnaast
vinden veiligheidscontroles plaats, bijvoorbeeld door raadpleging van relevante nationale
en Europese databanken. Ook wordt een gezondheidscheck uitgevoerd. Tot slot volgt
een eerste juridische beoordeling: een voorlopige inschatting van de situatie van
de betrokkene en van de procedure die passend is. Op basis van deze eerste beoordeling
wordt bepaald welk traject iemand moet volgen. Dat kan de reguliere asielprocedure
zijn, de grensprocedure (waarbij de aanvraag wordt behandeld zonder formele toelating
tot het grondgebied) of de terugkeerprocedure, als duidelijk is dat geen recht op
verblijf bestaat.
De leden van de BBB-fractie constateren dat in de Nederlandse context dit betekent
dat de Koninklijke Marechaussee (voor grensbewaking en registratie) en de IND (voor
de procedurele beoordeling) een expliciete poortwachtersfunctie krijgen. Zij bepalen
in deze vroege fase welk juridisch traject wordt ingezet. Deze leden vinden dat deze
verordening een technische verordening is die ervoor zorgt dat de nieuwe Europese
screeningsprocedure juridisch aansluit op bestaande EU-regels en databanken. De screening
controleert snel identiteit, veiligheid en gezondheid van mensen die de buitengrens
oversteken of onrechtmatig verblijven, voordat zij in een asiel-, grens- of terugkeerprocedure
komen. Deze leden constateren dit omdat oudere EU-verordeningen nog niet op deze screening
waren afgestemd. Deze verordening past bestaande regels aan zodat gegevens uit de
screening correct kunnen worden vergeleken met systemen zoals Eurodac, VIS of ECRIS
TCN. Zij wijzigt geen rechten of procedures voor asielzoekers en is volledig technisch
van aard. Nederland hoeft de verordening niet apart om te zetten; alleen nationale
regels die strijdig zijn worden aangepast of geschrapt. Zo zorgt de verordening ervoor
dat de screening juridisch sluitend en foutloos kan functioneren binnen het EU-recht.
8.3. Toezicht en rechten van betrokkenen
Vraag 396
De leden van de D66-fractie steunen het principe van een onafhankelijk toezichtmechanisme
en kunnen de regering volgen in het feit dat deze taak voor een deel wordt belegd
bij onder andere de Inspectie Justitie en Veiligheid. Deze leden achten het daarnaast
van belang dat ook maatschappelijke organisaties onderdeel worden van een dergelijk
toezichtmechanisme, gezien de andersoortige rol en positie die zij hebben ten opzichte
van de Minister. Is de regering bereid dergelijke organisaties een rol binnen het
onafhankelijk toezichtmechanisme te geven?
Tijdens de screening en in de asielgrensprocedure wordt voorzien in een onafhankelijk
toezichtmechanisme dat toeziet op grondrechten van vreemdelingen en naleving van het
Unierecht en het internationaal recht, met inbegrip van het Handvest. De Inspectie
Justitie en Veiligheid en het College voor de Rechten van de Mens zijn elk vanuit
hun eigen deskundigheid en in lijn met bestaande taken en bevoegdheden geschikte partijen
om een volwaardig toezichtmechanisme te vormen met een onafhankelijke positie van
het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat individuen tijdens de screening
en de asielgrensprocedure ter beschikking van de autoriteiten moeten blijven. Zoals
volgt uit EU- en internationaal recht mag detentie alleen als laatste redmiddel gebruikt
worden. Deze leden hebben hier enkele vragen bij.
Vraag 397
Op welke manier wordt ervoor gezorgd dat individuen ter beschikking blijven van de
autoriteiten? Resulteert dit de facto in detentie?
De regering verwijst naar het antwoord op vraag 393.
Vraag 398
In welke gevallen is de regering van plan om tot detentie over te gaan bij toepassing
van de asielgrensprocedure? Hoe gaat de regering ervoor waken dat mensenrechten worden
gewaarborgd aan de grens?
Grensbewaring kan volgen in die zaken waarin het asielverzoek in de asielgrensprocedure
moet worden behandeld; in de gevallen dat de vreemdeling een nationaliteit heeft waarvan
het EU-brede inwilligingspercentage lager dan 20% is, de vreemdeling de overheid misleidt
of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
In overige gevallen kan de asielgrensprocedure worden toegepast. Het opleggen van
grensbewaring is – zoals nu ook het geval is – een maatregel gebaseerd op een individuele
beoordeling. Daarbij wordt altijd geverifieerd of de vreemdeling in bewaring kan worden
geplaatst en of bewaring proportioneel is. Indien dat niet het geval is, verkrijgt
de asielzoeker alsnog toegang. Deze systematiek is geregeld in artikel 6 en 6a van
de Vreemdelingenwet 2000.
Vraag 399
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat iedere lidstaat moet voorzien in
een onafhankelijk toezichtmechanisme. Deze leden hebben hier nog enkele vragen over.
Hoe wordt de onafhankelijkheid van dit toezichtmechanisme gewaarborgd? Hoe wordt ervoor
gezorgd dat dit toezichtmechanisme ook toegankelijk is voor asielzoekers? Het toezichtmechanisme
wordt neergelegd bij het Ministerie van Asiel en Migratie. Waarom wordt er niet voor
gekozen om deze taak bij de Nationale ombudsman te beleggen? Eventueel in samenwerking
met het College voor de Rechten van de Mens?
Het onafhankelijk toezichtmechanisme heeft tot doel toe te zien op naleving van het
Unierecht en internationaal recht, met inbegrip van het Handvest, tijdens de screening
en in de asielgrensprocedure. Het toezichtmechanisme buigt zich niet over individuele
meldingen.
Voor individuele klachten of meldingen van inbreuk op grondrechten is de Nationale
ombudsman beschikbaar voor asielzoekers, conform de huidige praktijk.
9. Uitvoering herziene Eurodac-verordening (EU) 2024/1358
9.1. Algemeen
De leden van de BBB-fractie constateren dat Eurodac, dat oorspronkelijk was ontworpen
om vingerafdrukken van asielzoekers te vergelijken en zo te bepalen welke lidstaat
verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag, wordt uitgebreid tot
een breed migratie- en handhavingsinstrument. Het systeem verwerkt nu meer soorten
biometrische gegevens, zoals mogelijk gezichts- of irisscans, en de bewaartermijnen
voor deze gegevens worden verlengd.
De leden van de BBB-fractie constateren dat een bredere groep autoriteiten toegang
tot het systeem krijgt, waardoor het niet langer beperkt is tot gebruik bij asielprocedures.
Deze uitbreidingen maken het voor de lidstaten mogelijk om migranten beter te volgen,
ongecontroleerde doorreis binnen de EU tegen te gaan en overdrachten tussen lidstaten
en terugkeer naar derde landen te vergemakkelijken.
9.2. Verplichting tot afname biometrische gegevens en invoer gegevens in Eurodac
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat wanneer personen die weigeren om
biometrische gegevens te laten afnemen in het uiterste geval gedwongen kunnen worden
dit te doen. Deze leden hebben hier enkele vragen bij.
Vraag 400
Hoe ziet deze dwang eruit? Wordt hierbij rekening gehouden met kwetsbare mensen die
bijvoorbeeld angstig zijn en een trauma hebben? Zo ja, op welke manier? Hoe wordt
gewaarborgd dat niet meer dan «proportionele dwang» op personen wordt toegepast tijdens
de procedure? Wordt ook bij minderjarigen zo nodig dwang toegepast? Zo ja, wordt dit
door iemand gedaan die speciale kwalificaties heeft om dit bij kinderen af te nemen?
De wijze waarop fysieke dwang wordt toegepast, is afhankelijk van de omstandigheden
van het concrete geval. Op voorhand kan niet worden vastgesteld met welke situaties
een ambtenaar in de praktijk wordt geconfronteerd en welke specifieke fysieke handelingen
noodzakelijk zullen zijn. Daarom worden geen gedetailleerde inzetcriteria voor fysiek
geweld gehanteerd. In plaats daarvan gelden onverkort de beginselen van proportionaliteit,
subsidiariteit, redelijkheid en gematigdheid zoals neergelegd in de Politiewet 2012.
Conform de Politiewet is de toepassing van (lichte) dwang voorbehouden aan de ambtenaren
die zijn vastgesteld voor de politietaak, in dit geval de AVIM en de KMar. Deze beginselen
waarborgen dat niet meer dwang wordt toegepast dan noodzakelijk is.
Bij minderjarigen wordt eventuele dwang ook altijd proportioneel toegepast. Gedurende
de procedure wordt het kind begeleid door een volwassen familielid of een onafhankelijke
vertegenwoordiger die het belang van het kind beschermt, terwijl de biometrische gegevens
alleen door speciaal opgeleide ambtenaren worden afgenomen op een kindvriendelijke
manier.
9.3. Toegang voor rechtshandhavingsdoeleinden
De leden van de CDA-fractie lezen dat de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden
geen inhoudelijke wijziging beoogt ten opzichte van de huidige situatie en dat de
controlerende rol bij de officier van justitie blijft belegd.
Vraag 401
Deze leden vragen of de regering kan toelichten of verwacht wordt dat het aantal verzoeken
tot vergelijking van gegevens voor rechtshandhavingsdoeleinden zal toenemen onder
de nieuwe Eurodac-verordening en, zo ja, of de betrokken instanties hier qua capaciteit
voldoende op zijn voorbereid.
In het vernieuwde Eurodac worden meer biometrische en biografische gegevens opgeslagen,
waardoor het systeem vaker relevant kan zijn voor rechtshandhavingsdoeleinden. Naar
verwachting zal het aantal bevragingen hierdoor toenemen. De betrokken instanties
zijn hierop voorbereid: vanaf het tweede kwartaal van 2027 wordt het bevragingsproces
grotendeels geautomatiseerd via de BOB-module. Dit geautomatiseerde proces beperkt
de uitvoeringslast zoveel mogelijk. Tot die tijd verlopen de bevragingen handmatig.
9.4. Overige onderdelen van de verordening
De leden van de BBB-fractie vinden dat deze verordening fungeert als een ingebouwd
noodrecht voor uitzonderlijke situaties, zoals een plotselinge massale instroom van
migranten of asielzoekers. Zij maakt het mogelijk tijdelijk af te wijken van de reguliere
termijnen en procedures en activeert tegelijkertijd aanvullende solidariteitsmaatregelen
onder de lidstaten. Deze leden vinden dat het doel van de verordening is om te dienen
als vangnet, zodat het systeem niet instort bij onverwachte druk. Tegelijkertijd introduceert
zij een structureel mechanisme waarmee lidstaten in crisissituaties tijdelijk kunnen
afwijken van de normale rechtsbescherming en procedures, terwijl de continuïteit van
het migratie- en asielbeheer wordt gewaarborgd.
Vraag 402
Wie bepaalt wanneer sprake is van een crisis, en welke democratische controle bestaat
daarop op nationaal niveau?
Er is volgens de Crisisverordening sprake van crisis bij «een uitzonderlijke situatie
van massale aankomsten van onderdanen van derde landen of staatlozen in een lidstaat
over land, door de lucht of over zee, met inbegrip van personen die ontscheept werden
na opsporings- en reddingsoperaties, van een zodanige omvang en aard – rekening houdend
met, onder meer, de bevolking, het bbp en specifieke geografische kenmerken van de
lidstaat, waaronder de omvang van het grondgebied dat ze het goed voorbereide asielstelsel,
opvangstelsel, met inbegrip van kinderbeschermingsdiensten, of terugkeerstelsel van
de lidstaat doet vastlopen, onder meer als gevolg van een situatie op lokaal of regionaal
vlak, met mogelijk ernstige gevolgen voor de werking van het gemeenschappelijk Europees
asielstelsel» of bij een situatie van instrumentalisering van migratie. Als Nederland
van oordeel is dat er sprake is van crisis kan de regering bij de Europese Commissie
een verzoek indienen voor solidariteitsmaatregelen. Uw Kamer wordt over een eventueel
voornemen voor een dergelijk verzoek uiteraard geïnformeerd.
De leden van de BBB-fractie constateren dat parallel aan de aanscherping van de grens-
en asielprocedures het Pact een legaal alternatief voor irreguliere migratie via de
Uniekaderverordening voor hervestiging en humanitaire toelating introduceert. Deze
verordening creëert een gemeenschappelijk Europees kader voor de toelating van personen
die internationale bescherming nodig hebben en zich nog buiten de EU bevinden, bijvoorbeeld
in vluchtelingenkampen in derde landen. Deze leden lezen dat deze verordening op Europees
niveau bepaalt wie voor hervestiging of humanitaire toelating in aanmerking kan komen,
hoe de selectieprocedure verloopt, welke veiligheids- en identiteitstoetsen moeten
worden uitgevoerd en welke rechten betrokkenen na aankomst in de lidstaat verkrijgen.
Het gaat dus om een vooraf gecontroleerde en georganiseerde toegang tot bescherming,
in plaats van bescherming na irreguliere binnenkomst.
Vraag 403
De leden van de BBB-fractie constateren dat hervestiging in het Pact nadrukkelijk
wordt gepresenteerd als het complement van strengere grensprocedures. De gedachte
daarachter is dat personen die daadwerkelijk bescherming nodig hebben, bij voorkeur
via veilige en gecontroleerde routes naar Europa komen, in plaats van via gevaarlijke
en ongereguleerde migratieroutes. Strengere buitengrenscontroles en versnelde terugkeerprocedures
worden zo gecombineerd met een gereguleerd kanaal voor legale toegang. Deze leden
constateren dat in de praktijk hervestiging echter afhankelijk is van de politieke
bereidheid van de lidstaten om plaatsen beschikbaar te stellen. De verordening schept
geen individueel afdwingbaar recht op hervestiging: een persoon kan niet zelfstandig
aanspraak maken op toelating tot de EU via dit systeem. Het aantal beschikbare plaatsen
en de concrete uitvoering blijven dus in belangrijke mate afhankelijk van politieke
keuzes op nationaal niveau. Kan de regering toelichten hoe zij hiermee om wil gaan?
In antwoord op deze vraag verwijst de regering naar het coalitieakkoord waarin het
volgende is opgenomen: «Voor de modernisering van het internationaal vluchtelingenrecht
neemt Nederland samen met andere Europese landen de leiding om draagvlak te vinden.
We organiseren een asieltop en nemen diplomatieke initiatieven. Doel is uiteindelijk
dat asielaanvragen buiten Europa kunnen worden ingediend en afgehandeld, en dat in
Nederland geen asielprocedures meer hoeven worden doorlopen. Zo kunnen erkende vluchtelingen
via hervestiging worden verdeeld over Europa, waar ze met een vluchtelingenstatus
hun leven kunnen opbouwen. Zo breken we het wrede verdienmodel van mensensmokkelaars
op de Middellandse Zee.»
10. Wet arbeid vreemdelingen
10.1. Hoofdlijnen van het voorstel
Vraag 404
De leden van de CDA-fractie lezen dat reeds verleende tewerkstellingsvergunningen
worden ingetrokken indien een verzoeker onder één van de categorieën valt waarvoor
de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten. Deze leden vragen hoe wordt geborgd
dat deze intrekking zorgvuldig en tijdig plaatsvindt en of de betrokken uitvoeringsinstanties
hier organisatorisch op zijn voorbereid.
Met deze wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen, als onderdeel van de Uitvoerings-
en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026, wordt een dwingende intrekkings-
en weigeringsgrond voor de tewerkstellingsvergunningaanvraag opgenomen. Hiermee wordt
de aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning geweigerd of zal een reeds verleende
tewerkstellingsvergunning worden ingetrokken als de aanvraag van de asielzoeker versneld
is behandeld op basis van één van de categorieën asielzoekers voor wie de toegang
tot de arbeidsmarkt is uitgesloten. Wanneer een asielzoeker niet (meer) mag werken
volgt dit uit de titelcodes die zijn opgenomen in de BRP. UWV kan dit straks aan de
hand van het burgerservicenummer zien. Vanaf het moment dat de tewerkstellingsvergunning
is ingetrokken mag de werkgever de asielzoeker geen werkzaamheden meer laten verrichten.
De datum waarop de asielzoeker geen rechtmatig verblijf meer heeft is daarmee niet
leidend, maar het moment dat de werkgever geïnformeerd is door UWV dat niet meer wordt
voldaan aan de voorwaarden voor de toegang tot de arbeidsmarkt en per welke datum
de tewerkstellingsvergunning daarom is ingetrokken.
Vraag 405
Voorts vragen deze leden of de regering kan bevestigen dat de benodigde gegevensuitwisseling
tussen de IND en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) tijdig operationeel
is om implementatie per 12 juni 2026 mogelijk te maken.
De lagere regelgeving waarin dit geregeld wordt is in voorbereiding, en zal op korte
termijn in het kader van de voorhangprocedure aan uw Kamer worden gestuurd. Na afloop
van deze voorhangprocedure zal advies worden gevraagd aan de Afdeling advisering van
de Raad van State. De gegevensuitwisseling tussen IND en UWV is daarom nog niet operationeel.
In onderling overleg zal met de betrokken uitvoerende partijen worden gekeken hoe
de implementatie zo snel mogelijk gereed kan zijn. Voor de IND geldt dat de benodigde
gegevensuitwisseling via de BRP operationeel zal zijn op 12 juni 2026. Daarvoor zijn
nieuwe verblijfstitels aangemaakt die in de BRP zichtbaar zullen zijn. Of het UWV
ook geautomatiseerd gebruik kan maken van de nieuwe verblijfstitels via de BRP hangt
af van de vraag wanneer de benodigde lagere regelgeving gereed is. IND en UWV zijn
aan het kijken of er nog een andere manier is om de gegevensuitwisseling geautomatiseerd
plaats te laten vinden.
11. Verhouding tot hoger recht
Vraag 406
De leden van de CDA-fractie lezen dat een kortere verblijfsduur kan leiden tot meer
verlengingsprocedures. Deze leden vragen de regering welke gevolgen zij verwacht voor
het aantal verlengingsaanvragen en voor de uitvoeringslast van de IND.
Hieronder is een tabel opgenomen met de extra verlengingsaanvragen die per jaar verwacht
worden tot 2034.
De extra kosten lopen tot 2034 op naar in totaal 2,7 miljoen euro. De extracapaciteit
bij de IND loopt tot 2034 op naar in totaal 19 FTE. De IND heeft met name extra personeel
nodig vanwege extra administratieve handelingen en omdat er vaker verblijfspasjes
aan statushouders moeten worden uitgereikt. Het ligt niet in de lijn der verwachting
dat de extra verlengingsaanvragen die door dit wetsvoorstel verwacht worden, ook extra
beroepszaken gaan opleveren.
Extra zaken instroom (t.o.v. huidige situatie)
2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
2032
2033
2034
VVA verlenging
4.269
7.424
10.379
34.894
41.309
28.369
46.845
49.071
31.881
49.474
VVA onbep
– 3.907
– 6.794
– 9.499
– 10.218
– 11.199
– 11.199
– 11.713
– 11.970
– 11.970
– 11.970
Naturalisatie (na VVA bep)
– 362
– 629
– 880
– 946
– 1.037
– 1.037
– 1.085
– 1.109
– 1.109
– 1.109
Totaal
0
0
0
23.730
29.073
16.133
34.047
35.992
18.803
36.396
Vraag 407
De leden van de CDA-fractie lezen dat het niet verlenen van verblijfsvergunningen
voor onbepaalde tijd kan leiden tot een structureel tijdelijk karakter van bescherming.
Deze leden vragen de regering of zij verwacht dat dit zal leiden tot een toename van
herhaalde procedures of langdurige onzekerheid over de verblijfsstatus.
De regering benadrukt met deze maatregel het tijdelijke karakter van asielbescherming,
waarbij de verleende internationale beschermingsstatus van toepassing is zolang er
geen redenen zijn om deze in te trekken. Hoewel onbedoeld, kan onzekerheid over de
status een gevolg zijn van de maatregel tot afschaffen van de asielvergunning voor
onbepaalde tijd. In dat kader is het van belang te benadrukken dat asielstatushouders
na minimaal vijf jaar onder voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor de EU-status
als langdurig ingezetene of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.
Daarbij is het relevant te verwijzen naar de voorgenomen plannen in het coalitieakkoord
waarbij naturalisatie mogelijk wordt gemaakt op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning.
Met deze maatregelen verwacht de regering dat een asielstatushouder niet langdurig
in onzekerheid hoeft te verkeren over zijn recht op verblijf in Nederland. De regering
verwacht wel dat de vreemdeling daarvoor de nodige inspanningen verricht om deel uit
te maken van de Nederlandse maatschappij.
De regering verwacht evenmin dat het afschaffen van de asielvergunning voor onbepaalde
tijd zal leiden tot meer herhaalde procedures. De vreemdeling behoudt zijn de asielstatus
zolang er geen redenen zijn om die in te trekken. Derhalve is er in die situatie geen
aanleiding om een herhaalde procedure voor asielbescherming te starten. Indien met
herhaalde procedures de verlengingsaanvraag wordt bedoeld verwijst de regering naar
het antwoord op vorenstaande vraag van de leden van de CDA-fractie.
12. Overgangsrecht en inwerkingtreding
Vraag 408
De leden van de D66-fractie constateren dat er veel op de uitvoeringsorganisaties
afkomt, zowel door de inwerkingtreding van het Pact als de verschillende wets- en
beleidswijzigingen vanuit het vorige en huidige kabinet. Veel van deze organisaties
benadrukken dan ook dat het van belang is om deze wijzigingen te laten plaats vinden
op één verandermoment. Kan de regering toezeggen aan deze vraag te voldoen?
De regering blijft erop inzetten de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel
zo spoedig mogelijk in te voeren. Bij het bepalen van het precieze tijdstip van invoering
zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de (on)mogelijkheden van de relevante
uitvoeringsorganisaties. Daarbij is het van belang te noemen dat na aanvaarding van
deze wetsvoorstellen er enige implementatietijd voor de IND nodig is om alle maatregelen
in te voeren en in de praktijk tot uitvoer te kunnen brengen.
Vraag 409
De leden van de D66-fractie lezen dat onder andere het COA de zorg uitspreekt dat
als er door de vele wijzigingen verschillende procedures langs elkaar gaan lopen,
dit kan leiden tot onduidelijkheid bij aanvragers en daarmee ook tot onrust op de
opvanglocaties. Deze leden delen deze zorgen en wijzen erop dat dit voor zowel de
medewerkers in de opvang als de buurtbewoners én de aanvragers zelf negatieve consequenties
kan hebben. Zij vragen de regering daarom om te garanderen dat de informatievoorziening
op de opvanglocaties voldoende is.
Het kabinet is zich er bewust van dat asielzoekers tijdig en volledig geïnformeerd
dienen te worden over de gevolgen van de nieuwe wetgeving voor hun asielprocedure
en de rechten en plichten ten aanzien van de opvang. Ook nu is heldere communicatie
over de procedures waarin een asielzoeker zich bevindt van belang. Deze informatie
is ook na inwerkingtreding van het Pact van belang. Deze zal worden aangepast aan
de dan geldende procedures.
Vraag 410
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de vreemdeling de mogelijkheid kan
krijgen om correcties en aanvullingen te doen op het verslag van een gehoor. Waarom
is er niet voor gekozen om de vreemdeling altijd de mogelijkheid te geven om correcties
en aanvullingen te doen op het gehoor? Wanneer wordt ervoor gekozen dit niet te doen
en op basis van welke objectieve criteria?
Het onthouden van het aanbod van de mogelijkheid om correcties en aanvullingen te
doen zal alleen in uitzonderlijke gevallen van toepassing zijn, bijvoorbeeld wanneer
het indienen van correcties en aanvullingen geen wezenlijke bijdrage levert aan de
zorgvuldigheid van de besluitvorming dan wel belang bestaat bij het spoedig kunnen
nemen van een besluit op de aanvraag. De wijze waarop hieraan toepassing zal worden
gegeven, zal nader vorm worden gegeven in de Vreemdelingencirculaire 2000. Dat in
voorkomende gevallen geen gelegenheid voor het indienen van correcties en aanvullingen
zal worden geboden, laat onverlet dat een asielzoeker aan het einde van de administratieve
procedure van de asielprocedure een advocaat heeft. Een advocaat kan altijd uit eigen
beweging correcties en aanvullingen indienen. Indien dat gebeurt op een moment dat
het besluit op het asielverzoek nog niet is genomen, zullen de correcties en aanvullingen
bij de besluitvorming moeten worden betrokken.
Vraag 411
De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde maatregelen in beginsel onmiddellijke
werking krijgen en daarmee direct van toepassing zijn op lopende asielprocedures en
bestaande werkvoorraden bij de IND. Deze leden vragen de regering hoe wordt voorkomen
dat vergelijkbare gevallen ongelijk worden behandeld afhankelijk van het moment van
besluitvorming.
De regering verwijst hier naar de uitleg op vraag 127.
Vraag 412
De leden van de CDA-fractie lezen dat dit wetsvoorstel samenloopt met de Wet invoering
tweestatus en de Asielnoodmaatregelenwet en dat voor een aantal onderwerpen inhoudelijk
dezelfde maatregelen gelden. Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe wordt
gewaarborgd dat de verschillende overgangsregimes op elkaar aansluiten en niet leiden
tot uitvoeringsonduidelijkheid of rechtsongelijkheid.
Daartoe heeft de regering in artikel X en XI van onderhavig wetsvoorstel een uitvoerige
samenloopregeling opgenomen. Deze samenloopregeling moet borgen dat opeenvolgende
wijzigingen kunnen worden doorgevoerd, zonder dat er onduidelijkheid ontstaat over
het van toepassing zijnde recht.
De leden van de JA21-fractie maken zich zorgen over de vraag of het goed kan worden
uitgevoerd. De memorie van toelichting erkent dat de implementatietermijn «zeer kort»
is, dat de IND verwacht dat de nieuwe asielprocedure per 12 juni 2026 «operationeel
werkbaar maar nog niet volledig afgerond» is en dat er gedurende een overgangsperiode
twee parallelle asielsystemen naast elkaar moeten functioneren. Daarnaast is de achterstand
bij de IND opgelopen tot 51.000 openstaande aanvragen en is de wachttijd voor het
nader gehoor gestegen naar 67 weken.
Vraag 413
Hoeveel extra personeel is nodig bij de IND, het COA en de Dienst Terugkeer en Vertrek
(DT&V) om het Pact volledig uit te voeren? Kan de regering dit per organisatie en
per functiegroep specificeren?
Voor de IND verwijst de regering naar het antwoord op vraag 60. COA zal in beperkte
mate personeel moeten werven voor de uitvoering van taken die volgen uit het Asiel-
en migratiepact, om zodoende voldoende begeleiding te bieden aan de bewoners. DTenV
verwacht met de huidige capaciteit hun taak uit te kunnen voeren en monitort aan de
hand van de praktijk na implementatie van het Pact of extra personeel nodig is.
Vraag 414
De leden van de JA21-fractie constateren dat de memorie van toelichting vermeldt dat
voor de screeningsprocedure naar schatting 45 tot 140 fte nodig is bij de IND. Kan
de regering aangeven of deze capaciteit reeds beschikbaar is of dat aanvullende werving
noodzakelijk is? Kunnen deze mensen op tijd worden getraind?
De regering verwijst naar haar antwoord op vraag 57. De IND kan het benodigde personeel
tijdig trainen.
Vraag 415
Wat zijn de structurele kosten van de implementatie op de lange termijn, inclusief
IV-systemen, opleiding, rechtsbijstand, tolken en medisch personeel?
In de voorjaarsnota 2025 is € 21 euro miljoen structureel vrijgemaakt voor de implementatie
van het Asiel- en migratiepact. De aanpassingen in taken en systemen lopen na implementatie
mee in de reguliere begrotingen van de organisaties in de asiel- en migratieketen.
Voor de overige asielwetsvoorstellen is aanvullend 69 mln. beschikbaar gesteld waarmee
het totaal op 90 miljoen uitkomt.
Vraag 416
De leden van de JA21-fractie constateren dat de financiële gevolgen in de memorie
van toelichting slechts als «globale inschatting» worden gepresenteerd en dat een
businesscase nog wordt uitgewerkt. Wanneer is deze businesscase gereed?
De budgetten die in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel zijn opgenomen,
zijn structureel aan de budgettaire kaders van de uitvoeringsorganisaties toegevoegd.
Jaarlijks zal in de opdrachtbrieven aan deze organisaties bezien worden hoe de implementatiekosten
zich ontwikkelen en welke budgetten noodzakelijk zijn voor het implementeren van het
Asiel- en migratiepact.
Vraag 417
In de beslisnota bij de memorie van toelichting staat «extra geld lijkt op korte termijn
het werklast en capaciteitsprobleem niet op te lossen» (Kamerstuk 36 871, nr. 3). Wat is de verwachting en prognose van de regering hiervoor?
De regering verwijst naar het antwoord op vraag 63.
Vraag 418
De leden van de JA21-fractie constateren dat afzonderlijke bepalingen separaat in
werking kunnen treden. Is de regering voornemens om bepaalde aspecten of bepalingen
in de wet op verschillende momenten in werking te laten treden en zo ja, wanneer?
Kan de regering een toelichting geven op de huidige planning voor alle onderdelen?
De regering blijft erop inzetten de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel
zo spoedig mogelijk in te voeren. Bij het bepalen van het precieze tijdstip van invoering
zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de (on)mogelijkheden van de relevante
uitvoeringsorganisaties. Daarnaast zullen beide voorstellen nog door de Eerste Kamer
moeten worden aangenomen. De regering houdt daarbij ook rekening met de mogelijkheid
specifieke onderdelen eerder in te voeren, zoals het onderdeel van de Asielnoodmaatregelenwet
waarmee de rechterlijke dwangsommen worden afgeschaft. Daarnaast is het van belang
te noemen dat na aanvaarding van deze wetsvoorstellen er enige implementatietijd voor
de IND nodig is om alle maatregelen in te voeren en in de praktijk tot uitvoer te
kunnen brengen. Een planning daarvoor is op dit moment niet te geven omdat dat sterk
afhankelijk is van de parlementaire behandeling.
Vraag 419
Krijgen asielzoekers straks vanaf de eerste opvangdag leefgeld en wordt dit dan direct
de eerste dag al verstrekt? Om hoeveel geld gaat dat? Welke naturaverstrekkingen vervallen
dan door verstrekken van het bedrag?
Het Asiel- en migratiepact verplicht om asielzoekers vanaf de eerste dag van hun asielaanvraag
een financiële vergoeding te verstrekken. Zodat zij in hun dagelijks leven een minimum
aan autonomie kunnen genieten. Dit bedrag van € 14,87 zal op de Yoursafecard geplaatst
worden. Wanneer de asielzoekers hun Yoursafecard ontvangen, kunnen ze hier gebruik
van maken.
Vraag 420
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wat haar reactie is op de
wens van diverse organisaties zoals de Rvdr om eerst dit wetsvoorstel in werking te
laten treden en daarna de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel,
omdat dit voor de uitvoering beter te behappen is dan als eerst de nationale wetten
zouden worden ingevoerd.
Die volgorde ligt niet voor de hand nu de regering met de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet
en de Wet invoering tweestatusstelsel vooral heeft beoogd om een aantal onderdelen
die ook in onderhavig wetsvoorstel zijn opgenomen eerder in werking te laten treden.
Inhoudelijk sluiten de voorstellen voor de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering
tweestatusstelsel dan ook aan bij het onderhavige wetsvoorstel. In aanvulling daarop
bevat de Asielnoodmaatregelenwet, zoals in het antwoord op vraag 54 uiteen is gezet,
een aantal maatregelen die niet in het onderhavige wetsvoorstel zijn opgenomen. De
regering heeft zich er sterk voor gemaakt dat er voor de asielketen zo snel mogelijk
duidelijkheid komt over de invoering van beide wetten.
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat er nauwelijks overgangsrecht is
geformuleerd en dat is gekozen voor onmiddellijke werking om geen onevenredige druk
op de opvang te creëren. In dat licht wijzen deze leden er op dat ook de oude voorraad
zwaar drukt op de samenleving en de opvang.
Vraag 421
Welke capaciteit zet de regering in om de oude voorraad weg te werken? Hoelang moeten
mensen die een aanvraag vóór juni 2026 hebben gedaan wachten op een beslissing? Herkent
de regering dit beeld? Erkent de regering dat dit grote maatschappelijke gevolgen
heeft: meer dan een miljoen aanvragen die meerdere jaren (extra) moeten wachten op
een beslissing, die jaren van onzekerheid zullen kennen en deels niet uit de opvang
kunnen uitstromen? Welke verantwoordelijkheid neemt de regering voor deze mensen?
De IND zet een deel van haar asielcapaciteit in op het bijhouden en tijdig beslissen
van de nieuwe aanvragen, zodat het ontstaan van nieuwe achterstanden wordt voorkomen.
Alle asielcapaciteit die overblijft wordt ingezet op de aanvragen die voor 12 juni
2026 zijn ingediend. De regering is zich bewust van de taak om in deze zaken zo snel
mogelijk te beslissen en beziet derhalve welke aanvullende maatregelen er genomen
kunnen worden om dit te bewerkstelligen.
13. Uitvoerings- en administratieve lasten en financiële gevolgen
13.1. Uitvoeringsgevolgen vreemdelingenketen
Vraag 422
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat wanneer het aantal herplaatsingen
via vrijwillige bijdragen niet gehaald wordt, Nederland mogelijk de Dublin-claimanten
niet meer over kan dragen en vervolgens zelf deze asielprocedures zal moeten behandelen.
Zeker nu de Griekse Minister Plevris heeft aangegeven dat in het geval er opeens veel
meer mensen richting het land komen, de Dublin-claimanten niet meer teruggenomen worden,
maken deze leden zich ernstige zorgen. Hoe groot acht de regering de kans dat deze
situatie van verplichte verantwoordelijkheidscompensaties zich voor zal doen en over
hoeveel extra asielzaken kunnen wij ongeveer verwachten?
In antwoord op deze vraag verwijst de regering naar haar antwoord op vraag 286.
Vraag 423
De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde maatregelen gevolgen hebben
voor de bestaande werkvoorraden en uitvoeringscapaciteit van de IND. Deze leden vragen
de regering hoe de extra werklast structureel wordt opgevangen en hoe wordt voorkomen
dat doorlooptijden verder oplopen.
Uit de uitvoeringstoetsen Tweestatusstelsel en de nareismaatregelen blijkt dat deze
maatregelen extra werk met zich meebrengen. Zo zorgen beide maatregelen er onder andere
voor dat meer werk in de beroepsprocedure ontstaat. Dat is een vraagstuk, omdat de
IND niet onbeperkt kan groeien en ook niet in staat zal zijn tijdig al het benodigde
personeel om dit extra werk op te vangen te werven. De IND heeft om die reden in de
brief met het totaalbeeld dan ook aangegeven dat – voorzover het deze maatregelen
aan gaat – het niet reëel is te verwachten dat de IND hetzelfde aantal zaken blijft
behandelen, terwijl er meer werk op de IND afkomt. De inzet van de regering is er
echter op gericht de instroom te verlagen zodat de druk op de gehele keten afneemt.
Dit zal niet direct gerealiseerd worden, maar zodra de instroom daalt is de verwachting
dat het extra werk dat hiermee gepaard gaat uiteindelijk ook zal dalen.
Vraag 424
De leden van de CDA-fractie lezen dat de verkorting van de geldigheidsduur van de
verblijfsvergunning asiel en het afschaffen van de verblijfsvergunning asiel voor
onbepaalde tijd zullen leiden tot een toename van verlengingsaanvragen. Deze leden
vragen de regering te concretiseren hoeveel extra aanvragen per jaar worden verwacht.
De regering verwijst naar haar antwoord op vraag 406.
Vraag 425
De leden van de CDA-fractie lezen dat verschillende behandelprocedures en beslistermijnen
naast elkaar zullen bestaan. Deze leden vragen de regering hoe wordt gewaarborgd dat
deze differentiatie uitvoerbaar blijft en niet leidt tot extra administratieve lasten
of foutgevoeligheid binnen de vreemdelingenketen.
Er zit een volgordelijkheid in de procedures die juist leidt tot een efficiënte behandeling
van de aanvragen. Als eerste beoordeelt de IND of Nederland de verantwoordelijke lidstaat
is. Dit gebeurt in de zogeheten AMBv-procedure. Dit is een procedure met specifieke
processtappen dat wordt uitgevoerd door een gespecialiseerd team. Als Nederland de
verantwoordelijke lidstaat blijkt te zijn, vindt de nationale asielprocedure plaats.
Deze procedure kan versneld worden als een van de gronden voor de versnelde procedure
van toepassing is. Inhoudelijk en procedureel is er geen verschil tussen de versnelde
procedure en de niet-versnelde procedure, dit is slechts een prioriteringsvraagstuk.
Dit proces van het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat en de inhoudelijke procedure
kan ook aan de grens plaatsvinden. Dit gebeurt als de asielzoeker aan de buitengrens
asiel heeft aangevraagd en niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating. Er wordt
dan gesproken van de grensprocedure. Deze procedure wordt door een speciaal team van
de IND gedaan en heeft zijn eigen termijnen.
In alle procedures, op de AMBv-procedure na, moet een onderzoek naar de ontvankelijkheid
gedaan worden. Dit onderzoek moet binnen twee maanden worden afgerond. Dit wordt de
ontvankelijkheidsprocedure genoemd maar is integraal onderdeel van alle procedures.
Vraag 426
De leden van de CDA-fractie lezen dat de implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn
en de Screeningsverordening aanzienlijke IV-aanpassingen en personele inzet vergt.
Deze leden vragen de regering hoe wordt geborgd dat deze systemen en personele uitbreidingen
tijdig gereed zijn voor implementatie en welke risico’s bestaan voor de beoogde inwerkingtreding.
Voor IV-aanpassingen wordt verwezen naar het antwoord op vraag 437. Wat betreft personele
inzet wordt verwezen naar het antwoord op vraag 413.
Vraag 427
De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde maatregelen gevolgen hebben
voor de uitvoering door het COA en de DT&V, onder meer bij versoberde opvang na een
overdrachtsbesluit en bij overdrachtsprocedures. Deze leden vragen de regering of
de huidige capaciteit toereikend is om deze extra taken op te vangen.
De voorgestelde maatregelen vergen extra capaciteit: extra personele inzet op de Dublin
locaties, voor het grootschalig opleggen van art. 56 verwacht de DTenV 7–10 fte extra
nodig te hebben (circa € 0,8–1,15 miljoen per jaar) of, bij een kleinere doelgroep,
4 fte (€ 0,57–0,8 miljoen). Ook wordt inzet gevraagd van AVIM, OM, KMar en beveiliging.
Het kabinet blijft in samenwerking met de keten nauw monitoren of de capaciteit voldoet.
Vraag 428
De leden van de SGP-fractie lezen in de uitvoeringsanalyse dat de IND geen mogelijkheid
ziet om de Asielnoodmaatregelenwet en Wet Tweestatusstelsel in te voeren voor inwerkingtreding
van Pact. Wel zouden onderdelen eerder geïmplementeerd kunnen worden. De IND noemt
daarbij zelf het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen, als gevolg van het aangenomen
amendement-Diederik van Dijk. Is de regering bereid toe te zeggen dat dit onderdeel
inderdaad zo spoedig mogelijk en als dat kan vóór datum van inwerkingtreding Pact
geïmplementeerd wordt?
De regering blijft erop inzetten de voorstellen voor Asielnoodmaatregelenwet en de
Wet invoering tweestatusstelsel zo spoedig mogelijk in te voeren. Bij het bepalen
van het precieze tijdstip van invoering zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden
met de (on)mogelijkheden van de relevante uitvoeringsorganisaties. Ook zal de Eerste
Kamer de voorstellen nog moeten aannemen. De regering zegt toe daarbij bijzondere
aandacht te hebben voor de spoedige invoering van het onderdeel van de Asielnoodmaatregelenwet
waarmee de rechterlijke dwangsommen worden afgeschaft. Daarnaast is het van belang
te noemen dat na aanvaarding van deze wetsvoorstellen er enige implementatietijd voor
de IND nodig is om alle maatregelen in te voeren en in de praktijk tot uitvoer te
kunnen brengen.
13.2. Uitvoeringsgevolgen voor de AbRvS en rechtspraak
Vraag 429
De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde maatregelen gevolgen hebben
voor de werklast van de Rechtspraak en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad
van State (AbRvS). Deze leden vragen de regering of de benodigde capaciteit structureel
beschikbaar is en hoe wordt voorkomen dat doorlooptijden in asiel- en bewaringszaken
verder oplopen.
Om te voorkomen dat doorlooptijden in asiel- en bewaringszaken verder oplopen, treft
de regering verschillende maatregelen. De IND draagt hieraan bij door versnelling
van de besluitvorming: het afschaffen van de voornemenprocedure maakt eerdere besluitvorming
mogelijk en beperkt het aantal beroepen wegens niet tijdig beslissen. Daarnaast worden
dossiers vroegtijdig gescreend door de directie Juridische Zaken van de IND, zodat
gebrekkige besluiten kunnen worden hersteld of ingetrokken voordat zij de rechtbank
bereiken. Daarmee wordt onnodige belasting van de Rechtspraak voorkomen.
De Rechtspraak werkt via het programma Tijdige rechtspraak aan het verkorten van doorlooptijden
en het vergroten van voorspelbaarheid. De bestuurlijke dwangsom is inmiddels afgeschaft.
Een aanzienlijk deel van de voorraad vreemdelingenzaken betreft beroepen wegens niet
tijdig beslissen. Deze zaken veroorzaken hoge werkdruk en bemoeilijken prioritering.
De afschaffing van de rechterlijke dwangsom kan de Rechtspraak in de praktijk meer
ruimte geven om zich te concentreren op de inhoudelijke beoordeling van primaire zaken,
wat de doorlooptijden ten goede komt. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan de onderliggende
oorzaak van de hoge instroom van deze beroepen, namelijk de lange doorlooptijden bij
de IND. De inzet van het kabinet is dat de doorlooptijden in asiel en bewaringszaken
niet verder oplopen en waar mogelijk dalen.
Vraag 430
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering verwacht dat de capaciteitstekorten
die op dit moment in het gevangeniswezen aan de orde zijn, ook van toepassing (gaan)
zijn op de vreemdelingendetentie. Zo ja, hebben de tekorten in de vreemdelingendetentie
op termijn ook gevolgen voor de algemene capaciteitstekorten in het gevangeniswezen?
Momenteel is er geen sprake van capaciteitstekorten bij vreemdelingendetentie. Binnen
de migratieketen wordt gestuurd op optimaal gebruik van de beschikbare bewaringscapaciteit.
Vreemdelingenbewaring en het gevangeniswezen werken volgens gescheiden regimes. Wel
worden momenteel 48 plekken voor vreemdelingenbewaring gebruikt door het gevangeniswezen.
Wanneer de bezetting binnen de vreemdelingebewaring toeneemt, is de afspraak dat deze
plekken snel weer voor de vreemdelingenbewaring ter beschikking komen. Als zich dat
voordoet, heeft een stijgende bezetting binnen de vreemdelingenbewaring een negatief
effect op de operationele capaciteit van het gevangeniswezen.
13.3. Financiële gevolgen
Vraag 431
De leden van de CDA-fractie lezen dat de financiële gevolgen afhankelijk zijn van
instroomontwikkelingen en uitvoeringskeuzes. Deze leden vragen de regering nader te
concretiseren welke structurele en incidentele middelen zijn gereserveerd en welke
onzekerheidsmarges in de ramingen zijn meegenomen.
De budgetten die in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel zijn opgenomen,
zijn structureel aan de budgettaire kaders van de uitvoeringsorganisaties toegevoegd.
Jaarlijks zal in de opdrachtbrieven aan deze organisaties bezien worden hoe de implementatiekosten
zich ontwikkelen en welke budgetten noodzakelijk zijn voor het implementeren van het
Migratiepact.
14. Consultatie en advies
Vraag 432
De leden van de JA21-fractie constateren dat de IND aangeeft dat niet alle analyses
gereed zijn, omdat enkele keuzes pas recent zijn gemaakt (Kamerstuk 32 317, nr. 992). Welke keuzes betreft dat en wanneer zullen die analyses wel gereed zijn?
Het betrof onder meer het besluit om de IND te vragen de juridische counseling uit
te voeren. De IND werkt momenteel de uitvoeringsgevolgen hiervan nader uit. Zoals
aangekondigd in de brief van 23 januari jl. zal de IND op korte termijn een rapport
delen waarin de uitvoeringsgevolgen voor de IND en de ketenpartners van de nieuwe
asielprocedure worden geschetst.
Vraag 433
Wanneer kan de screening ook in andere locaties dan Ter Apel worden uitgevoerd en
wat is het streven van de regering? Op hoeveel locaties wil de regering dit kunnen
doen?
De IND voorziet dat de screening per 12 juni a.s. kan worden uitgevoerd op de aanmeldlocatie
in Ter Apel. Er is voldoende capaciteit voorzien om de verwachte instroom bij te houden
en eventuele pieken op te vangen. Indien er aanvullende aanmeldlocaties worden ingericht,
zal worden bezien of en op welke wijze de screening ook daar kan worden uitgevoerd.
Vraag 434
De leden van de JA21-fractie constateren dat de IND schrijft dat er geen structuur
is voor uitwisseling van screeningsformulieren tussen lidstaten. Kan de regering dit
toelichten? Hoe ziet de regering dit? Welke maatregelen worden genomen om die uitwisseling
mogelijk te maken?
De regering verwijst naar het antwoord op vraag 35.
Vraag 435
De IND geeft aan tot een instroom van 25.000 aanvragen de wettelijke termijn te kunnen
naleven. In hoeverre is daarbij het uitgangspunt dat er ook voldoende capaciteit is
vrijgemaakt voor het herbeoordelen van statussen, bijvoorbeeld van Syriërs?
Bij het uitgangspunt dat de IND de instroom tot een maximaal aantal zaken van 25.000
eerste aanvragen per jaar bij kan houden is geen rekening gehouden met eventualiteiten
van een niet aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid.
Vraag 436
De leden van de JA21-fractie constateren dat de Adviesraad Migratie vreest dat een
korte beroepstermijn en andere maatregelen mogelijk zullen leiden tot extra beroepsprocedures.
Kan de regering toelichten waarom dat niet het geval zal zijn of waarom toch die keuze
wordt gemaakt?
De regering kiest ervoor om gebruik te maken van de ruimte die het Asiel- en migratiepact
biedt om de termijn voor het instellen van beroep te verkorten. Hiermee wordt beoogd
de doorstroom in de asielketen te bevorderen. De regering acht het niet waarschijnlijk
dat een kortere termijn voor het instellen van beroep tot meer beroepen gaat leiden.
Ook onder de huidige regels voor termijnen voor het instellen van beroep gaat een
groot aantal vreemdelingen in beroep tegen de beschikking op de asielaanvraag. De
mate van kans van slagen van het beroep lijkt daarbij slechts een beperkte rol te
spelen.
Vraag 437
Zijn de ICT-systemen van de verschillende betrokken organisaties nu toegerust op de
nieuwe systematiek?
De invoering van het Asiel- en migratiepact vereist zowel een aantal noodzakelijke
wijzigingen van ICT-systemen van de organisaties in de migratieketen, als wijzigingen
die zorgen voor de samenwerking met Europese systemen. De organisaties in de keten
hebben in beeld welke wijzigingen doorgevoerd moeten worden voor hun organisatie en
werken daaraan. De werkzaamheden met betrekking tot de Europese systemen verlopen
volgens Europese planning. Deze planning staat los van het Asiel- en migratiepact,
met uitzondering van Eurodac. De ontwikkelingen met betrekking tot Eurodac liggen
op schema en de dagelijkse werkzaamheden waarvoor het system gebruikt wordt kunnen
doorgang vinden.
Vraag 438
Wat beschouwt de regering als de belangrijkste risico’s voor de uitvoering en hoe
staat het met het mitigeren daarvan? In hoeverre vindt de regering dat de randvoorwaarden
voor effectieve uitvoering van het Pact nu aanwezig zijn?
De regering werkt er hard aan en heeft er ook vertrouwen in dat de uitvoering van
het Pact in Nederland op 12 juni op orde is (al moet er altijd rekening worden gehouden
met onverwachte kinderziektes). De regering ziet risico’s in die factoren waarover
zij minder of geen invloed heeft, maar die wel belangrijk zijn voor het succes van
het Pact. Uw Kamer heeft recentelijk een rondetafelgesprek gehad met enkele asielketenpartners
waarbij de belangrijkste aandachtspunten voor de komende tijd aan bod kwamen. De grootste
aanpassing zit in de asielprocedure. Dit is een belangrijke stap naar snellere doorstroom
en het terugdringen van de voorraden van de IND. Tegelijkertijd heeft het kabinet
er oog voor dat de voorraden en de druk op de opvangcapaciteit niet enkel met implementatie
van het Pact per 12 juni opgelost zijn. Hiervoor zet het kabinet tevens in op andere
maatregelen.
Vraag 439
De leden van de SGP-fractie lezen dat Nederland kan gaan werken met een eigen lijst
van veilige landen van herkomst. Hierover moest besluitvorming nog plaatsvinden. Welke
voornemens heeft de regering op dit punt?
Uw Kamer is hierover geïnformeerd in reactie op de vragen en opmerkingen van de vaste
commissie voor Asiel en Migratie over de brief van 15 januari 2026 inzake de Geannoteerde
agenda van de informele JBZ-Raad, en over de brief van 3 december 2025 inzake Antwoorden
op vragen commissie over o.a. de geannoteerde agenda van de formele JBZ-Raad. Daarin
werd aan uw Kamer gemeld dat het onderhandelingsresultaat lidstaten de mogelijkheid
biedt om een aanvullende nationale lijst van veilige landen van herkomst te hanteren,
naast de landen op de EU-lijst, maar dat het zeer de vraag is of het hanteren van
een nationale lijst opportuun is. Dit komt doordat naast het bestaan van de Europese
lijst van veilige landen van herkomst, er met de invoering van het Pact een verplichting
is om personen uit herkomstlanden met een gemiddeld Europees inwilligingspercentage
van minder dan 20% versneld af te doen. Het ligt voor de hand dat landen die kunnen
worden aangemerkt als veilig veelal ook een laag gemiddeld inwilligingspercentage
kennen. Die combinatie maakt dat het daar bovenop hanteren van een nationale lijst
geen of beperkte toegevoegde waarde zal kunnen hebben. Daarbij is tevens van belang
dat de ervaring leert dat het niet (langer) aanmerken van een derde land als veilig
land van herkomst in het kader van een nationale lijst bij dat herkomstland kan stuiten
op onbegrip en negatieve gevolgen kan hebben voor de bilaterale (terugkeer-) samenwerking.
Om die reden kiest het kabinet ervoor initieel geen nationale lijst te hanteren, maar
wel steeds te monitoren of er situaties zijn of ontstaan waarvoor het hanteren van
zo’n nationale lijst een meerwaarde heeft.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel I Vreemdelingenwet 2000
Onderdeel F [artikel 6 grensdetentie]
Vraag 440
De leden van de CDA-fractie lezen dat artikel 6 voorziet in grensdetentie in het kader
van de asielgrensprocedure. Deze leden vragen de regering hoe wordt geborgd dat deze
vorm van detentie proportioneel wordt toegepast en niet langer duurt dan strikt noodzakelijk.
Grensbewaring kan volgen in zaken waarin het asielverzoek in de asielgrensprocedure
moet worden behandeld (in de gevallen dat de vreemdeling een nationaliteit heeft waarvan
het EU-brede inwilligingspercentage lager dan 20% is, de vreemdeling de overheid misleidt
of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid).
In overige gevallen kan de asielgrensprocedure worden toegepast. Het opleggen van
grensbewaring is -zoals nu ook het geval is – een maatregel gebaseerd op een individuele
beoordeling. Daarbij wordt altijd geverifieerd of de vreemdeling in bewaring kan worden
geplaatst en of bewaring proportioneel is. Indien dat niet het geval is, krijgt de
asielzoeker alsnog toegang. De regering is het ermee eens dat de termijnen van vrijheidsontneming
zo kort mogelijk dienen te zijn. Vertaald naar de termijn van grensbewaring in het
kader van de verplichte asielgrensprocedure betekent dit dat bewaring ten hoogste
12 weken kan duren vanaf het tijdstip waarop de asielaanvraag wordt geregistreerd
totdat de aanvrager niet langer het recht heeft om te blijven en geen toestemming
krijgt om te blijven.
Onderdeel AM [artikel 44a rechtsgevolgen overdrachtsbesluit]
Vraag 441
De leden van de CDA-fractie lezen dat artikel 44a rechtsgevolgen verbindt aan het
overdrachtsbesluit. Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe wordt voorkomen
dat betrokkenen tussen wal en schip raken indien overdracht feitelijk niet plaatsvindt.
Ingevolge de Asiel- en migratiebeheerverordening dient de overdracht, in beginsel,
binnen zes maanden te zijn gerealiseerd. Het overschrijden van die termijn heeft tot
gevolg dat de overdracht niet meer mag worden doorgezet en de lidstaat waar de asielzoeker
verblijft zelf, van rechtswege, verantwoordelijk wordt voor het inhoudelijk behandelen
van het asielverzoek. Op dat moment ontstaat er ook weer een recht op de volledige
opvangvoorzieningen. Daarmee is een situatie voorkomen dat de asielzoeker tussen wal
en schip zou geraken.
Onderdeel AL
Vraag 442
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de regering ervoor heeft gekozen
om artikel 44 lid 2 zo te wijzigen dat de verblijfsvergunning ingaat op de datum van
de beschikking in plaats van op de datum van ontvangen van de aanvraag. Deze leden
lezen de redenatie van de regering in de memorie van toelichting, maar vragen aandacht
voor de gevolgen voor de vreemdeling als het gaat om de voorwaarden die worden gesteld
aan bijvoorbeeld gezinshereniging. Hoe reflecteert de regering op deze consequenties?
Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is toegelicht, vormt de huidige
regeling ten aanzien van de ingangsdatum een uitzondering op de situatie in de meeste
lidstaten. Door de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel vast te stellen op
de dag na de bekendmaking van de beschikking, wordt een gunstigere nationale norm
afgeschaft en aangesloten bij het minimale Unierechtelijke vereiste. Het kabinet heeft
de samenloop met de voorwaarden die zullen worden gesteld aan gezinshereniging van
personen met een subsidiaire beschermingsstatus onder ogen gezien en besloten het
EU minimum aan te houden. Een ingangsdatum in het verleden zou het nuttig effect van
de invoering van een wachttermijn van twee jaar ondergraven.
Vraag 443
Klopt het bovendien dat de voorgestelde wijziging niet volgt uit de asielprocedurerichtlijn
maar een nationale keuze is?
Ja, dat klopt.
Onderdeel AT [nieuw artikel 55.0a toewijzing aan geografisch gebied]
Vraag 444
De leden van de CDA-fractie lezen dat met artikel 55.0a een bevoegdheid wordt geïntroduceerd
tot toewijzing aan een geografisch gebied. Deze leden vragen de regering hoe wordt
gewaarborgd dat deze maatregel niet feitelijk neerkomt op vrijheidsontneming zonder
de daarbij behorende waarborgen.
De regering verwijst naar haar antwoord op de gelijksoortige vraag 29.
Overig
Vraag 445
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat slechts de helft van de EU-lidstaten
tot nu toe een verplichte grensprocedure heeft. Hoever zijn de andere lidstaten met
het implementeren van het Pact? Zijn met name de capaciteit van de detentieplekken
en de screeningsfaciliteiten al op orde in de landen aan de buitengrens?
De Commissie monitort de implementatie nauw in de voortgangsrapportage over de implementatie
van het Pact gepubliceerd op 11 november jl. Daarin geeft de Commissie geen aanleiding
om aan te nemen dat er lidstaten vertraging oplopen met de implementatie van de asielgrensprocedure
en screening. Nederland blijft er bij de Commissie op aandringen de implementatie
van het Pact goed te monitoren en waar nodig mitigerende maatregelen te nemen
Vraag 446
De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel kilometer van de buitengrenzen niet wordt
omheind met hekken en asielzoekers dus met gemak het Europese grondgebied kunnen betreden.
Het kabinet heeft geen precies beeld van hoeveel kilometer hekken er aan de Europese
buitengrens staan. Het bouwen van een buitengrenshek is een nationale maatregel. Verschillende
lidstaten waaronder Griekenland hebben ervoor gekozen om op gerichte plekken, zoals
bij de grensovergang met Turkije, een hek te plaatsen.
Vraag 447
De leden van de PVV-fractie vragen wanneer zij de uiteindelijke bijdragen van de lidstaten
kunnen verwachten, aangezien de vorige Minister van Asiel en Migratie aangaf dat er
mogelijk een korting zou volgen voor de financiële bijdrage naar aanleiding van de
deal met Griekenland.
Het kabinet is nog in gesprek met de Europese Commissie over een mogelijke vermindering
van de financiële bijdrage. Dit moet voor 12 juni helder zijn.
De Minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink
Ondertekenaars
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie
Bijlagen
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen | Niet deelgenomen |
|---|---|---|---|
| D66 | 26 | Voor | |
| VVD | 22 | Voor | |
| GroenLinks-PvdA | 20 | Tegen | |
| PVV | 19 | Voor | |
| CDA | 18 | Voor | |
| JA21 | 9 | Voor | |
| FVD | 7 | Tegen | |
| Groep Markuszower | 7 | Tegen | |
| BBB | 3 | Voor | |
| ChristenUnie | 3 | Voor | |
| DENK | 3 | Tegen | |
| PvdD | 3 | Tegen | |
| SGP | 3 | Voor | |
| SP | 3 | Tegen | |
| 50PLUS | 2 | Voor | |
| Keijzer | 1 | Niet deelgenomen | |
| Volt | 1 | Tegen |
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.