Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 831 Wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders (Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders)
Nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 18 februari 2026
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag dat de vaste commissie voor
Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening over dit wetsvoorstel heeft uitgebracht.
Ik dank de leden van de fracties voor de gestelde vragen, die ik in deze nota naar
aanleiding van het verslag beantwoord.
In deze nota zijn de vragen en opmerkingen uit het verslag integraal opgenomen in
cursieve tekst en de beantwoording daarvan in niet-cursieve tekst. De volgorde van
de vragen in het verslag is aangehouden. De vragen zijn genummerd. Mijn beantwoording
vindt u direct onder de desbetreffende vraag. In deze nota zijn vragen van gelijke
strekking waar mogelijk op één plek beantwoord of wordt verwezen naar het antwoord
op een vraag van gelijke strekking.
Inhoudsopgave
1. Inleiding
1
2. Hoofdlijnen van het voorstel
14
2.1. Samenhang andere maatregelen ten aanzien van asielmigratie
15
2.2. Wijzigingen in de Huisvestingswet 2014
29
2.2.1. Werking en uitputtende karakter van de Huisvestingswet 2014
30
2.2.2. Het verbod op voorrang
32
2.2.3. Samenhang met het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting
34
2.3. Vormen van huisvesting/onderdak
36
2.3.1. Mogelijkheden huisvesting voor vergunninghouder
39
2.3.2. Mogelijkheden huisvesting door gemeenten
45
2.3.3. Tijdelijke uitzondering op het verbod op voorrang voor vergunninghouders voor
onzelfstandige woonruimte
47
2.4. Reikwijdte van het voorstel
50
3. Verhouding tot hoger recht
52
3.1. Recht op huisvesting (Grondwet en sociale grondrechten/EVRM)
52
3.2. VN-Vluchtelingenverdrag, Kwalificatierichtlijn en Handvest van de Grondrechten
van de EU
54
3.3. Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK)
57
3.4. Gelijke behandeling
58
3.5. Richtlijn inzake het recht op gezinshereniging
60
4. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)
60
4.1. Gevolgen voor burgers
60
4.2. Gevolgen voor decentrale overheden
61
4.2.1. Gevolgen interbestuurlijk toezicht
63
4.2.2. Gevolgen taken en bevoegdheden gemeentebesturen
64
4.3.
Gevolgen inburgering
65
5. Uitvoering
68
6. Toezicht en handhaving
71
7. Financiële gevolgen
72
8. Evaluatie
73
9. Advies en consultatie
73
9.1. Centraal orgaan opvang Asielzoekers
74
9.2. Overige reacties
76
9.2.1. Hoofdlijnen van het voorstel
76
9.2.2. Gevolgen van het wetsvoorstel
77
9.2.3. Verhouding tot hoger recht
79
9.2.4. Interbestuurlijke verhoudingen
80
9.2.5. Overige reacties
81
10. Overgangsrecht en inwerkingtreding
82
1. Inleiding
1. De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de wijziging van de Huisvestingswet
2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders (Wet nieuwe regels inzake
huisvesting vergunninghouders) en hebben hierbij nog enkele vragen en opmerkingen.
Deze leden hebben met belangstelling kennisgenomen van het advies van de Afdeling
advisering van de Raad van State. Zij zijn zeer ontstemd over het uitblijven van reflectie
bij de regering op dit advies. Zij merken op dat er grote zorgen bestaan over de grondwettelijkheid,
juridische houdbaarheid en uitvoerbaarheid van de wet. De leden van de D66-fractie
vragen de regering te reageren op het advies van de Raad van State, en daarbij in
te gaan op de juridische houdbaarheid van het wetsvoorstel.
In aanvulling op en ter verduidelijking van hetgeen hierover reeds is opgenomen in
het nader rapport bij dit wetsvoorstel, zal hier opnieuw uiteen worden gezet hoe het
kabinet het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (de Afdeling)
bij dit wetsvoorstel heeft geïnterpreteerd.
Samengevat stelt de Afdeling in haar advies bij het voorliggende wetsvoorstel dat
het wetsvoorstel leidt tot ongelijke behandeling die in strijd is met het gelijkheidsbeginsel
vervat in artikel 1 van de Grondwet, nu niet aannemelijk is dat de maatregelen die
de regering aankondigt om de vereiste gelijke startpositie te bewerkstelligen tijdig
het nodigde effect hebben. Daarnaast stelt de Afdeling vast dat gemeenten in een zeer
moeilijke positie worden gebracht vanwege het feit dat ze gehouden zijn de aan hen
opgelegde taakstelling te realiseren maar het instrument van het verlenen van voorrang
aan vergunninghouders hun wordt ontnomen.
Het recht op gelijke behandeling is vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet en eveneens
in verscheidene internationaalrechtelijke bepalingen. Het recht maakt voortdurend
onderscheid tussen verschillende groepen (bijvoorbeeld leeftijdsgrenzen, inkomensklassen),
maar dat onderscheid moet te rechtvaardigen zijn. De wetgever mag dus onderscheid
maken, mits dit onderscheid een legitiem doel dient, subsidiair en proportioneel is.
Het recht op gelijke behandeling gaat niet zo ver dat er ten aanzien van huisvesting
resultaatverplichtingen voor de overheid zijn om gelijke uitkomsten in alle individuele
gevallen te garanderen.
In de huidige situatie kan lokaal in de huisvestingsverordening worden bepaald dat
voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte
aan woonruimte dringend noodzakelijk is. Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld dat
vergunninghouders geen voorrang meer mogen krijgen, voor zover het voorrang betreft
op basis van het feit dat ze vergunninghouder zijn. Hiermee wordt onderscheid gemaakt
op grond van afkomst. Het kabinet acht dit onderscheid gerechtvaardigd. De rechtvaardiging
van dit verbod is gelegen in het doel van het beëindigen van momenteel voorkomende
situaties waarin vergunninghouders bevoordeeld worden bij de toewijzing van een woning
ten opzichte van andere woningzoekenden. Met dit verbod wordt dus het nu in de praktijk
voorkomende onderscheid tussen vergunninghouders en andere woningzoekenden beëindigd.
In de huidige situatie komt het voor dat aan vergunninghouders sneller een woning
wordt toegewezen dan aan andere woningzoekenden die al langer ingeschreven staan.
Daarbij moet worden opgemerkt dat vergunninghouders nog altijd voor voorrang in aanmerking
kunnen komen indien zij op grond van andere urgentiekenmerken hierop aanspraak kunnen
maken, bijvoorbeeld bij chronische ziekte, op dezelfde wijze als die voorrang geldt
voor andere woningzoekenden. Hun positie op de woningmarkt wordt hiermee dus genormaliseerd.
Zoals in de memorie van toelichting uiteen is gezet, vindt de regering dat een paradigmaverschuiving
nodig is ten aanzien van de huisvesting van de doelgroep vergunninghouders. In de
huidige systematiek wordt de eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van vergunninghouders,
die er in mijn ogen wel degelijk is, te beperkt aangesproken. Om de taakstelling te
halen, wordt nu jaarlijks een aanzienlijk deel van de goedkoopste sociale huurwoningen
toegewezen aan vergunninghouders. Het maatschappelijk draagvlak voor het met voorrang
toewijzen van deze woningen aan vergunninghouders is klein. Omdat sociale huurwoningen
vaak niet gelijk zijn verdeeld over steden, dorpen en wijken, zorgt dit voor een concentratie
van vergunninghouders in een relatief beperkt aantal (reeds kwetsbare) wijken.1 Het verblijf van vergunninghouders is daarbij – meer dan andere groepen migranten –
vaker permanent van karakter en legt daarbij relatief een groter beslag op betaalbare
woningen. Daarnaast is er al jaren een grote achterstand van duizenden vergunninghouders
in de huisvesting van deze vergunninghouders op grond van de taakstelling; een achterstand
die bijdraagt aan de grote druk op de asielopvang, die veel belastinggeld kost en
participatie en integratie belemmert. Kortom, een nieuwe aanpak is nodig, zodat de
positie van vergunninghouders wordt genormaliseerd ten aanzien van andere woningzoekenden,
het concurrentie-effect dat deze groep op andere (urgent) woningzoekenden heeft, afneemt,
en de asielopvang ontlast wordt.
In het nieuwe systeem worden vergunninghouders primair aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid
voor het vinden van huisvesting. Net als andere woningzoekenden. Bijvoorbeeld bij
vrienden of familie, of bij een hospita. Voor de groep die daar echt niet in slaagt,
moeten alternatieven beschikbaar zijn, want het is uiteraard niet de bedoeling dat
deze groep dakloos wordt. Deze alternatieven moeten ook beschikbaar zijn voor andere
(urgent) woningzoekenden. Deze alternatieven kunnen in bepaalde gevallen ook onzelfstandige
huisvesting zijn; veel jongeren delen immers ook een woning of zijn op kamers. Het
kabinet voorziet in verschillende financiële regelingen om de realisatie van deze
(onzelfstandige) woonplekken te stimuleren. Bijvoorbeeld de HAR+, bekostigingsregeling
voor doorstroomlocaties en de SFT+. Het kabinet heeft daarnaast een doelgroepflexibele
regeling voor opvang en tijdelijke huisvesting uitgewerkt en zet in op het mogelijk
maken van flexibele, tijdelijke en eenvoudige vormen van huisvesting voor verschillende
groepen woningzoekenden. Hierbij wordt ook gekeken naar mogelijkheden waarbij opvang
kan worden omgezet naar huisvesting. Echter, voor de realisatie van deze plekken staat
het Rijk niet alléén aan de lat. Dit vergt ook inspanningen van gemeenten, corporaties
en andere betrokken veldpartijen.
Een onderdeel van dit wetsvoorstel is om de eerste fase van dit verbod op 1 juli 2026
in te laten gaan. Het kabinet constateert dat veel gemeenten en corporaties zich inzetten
om de hierboven geschetste (onzelfstandige) woonruimten voor meerdere doelgroepen
te realiseren, maar dat ze wat meer tijd nodig hebben om deze projecten af te ronden.
Daarnaast is de taakstelling op dit moment nog hoog en de wetsvoorstellen die moeten
leiden tot een afname van het aantal te huisvesten vergunninghouders2 worden momenteel nog behandeld in de Eerste Kamer (schriftelijke voorbereiding).
Ook is het wetsvoorstel Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026
nog aanhangig bij de Tweede Kamer, waarin ook het tweestatusstelsel en de meeste maatregelen
uit de Asielnoodmaatregelenwet zijn opgenomen. De implementatie van de maatregelen
van het Europese Asiel- en migratiepact moet plaatsvinden uiterlijk op 12 juni 2026.
Op 1 juli 2026 kan nog niet worden gezegd wat de gevolgen voor de instroom zullen
zijn van de maatregelen die verband houden met het Europese Asiel- en migratiepact
en deze twee wetsvoorstellen.
Gegeven deze zaken, is het kabinet bereid om met uw Kamer in gesprek te gaan over
het verschuiven van het moment van inwerkingtreding.
2. Zij lezen dat de regering spreekt over wachttijden van gemiddeld zeven jaar voor een
sociale huurwoning op basis van gegevens uit 2021. Zij vragen of de regering op basis
van actuele cijfers uiteen kan zetten wat de gemiddelde wachttijden per gemeente op
dit moment zijn.
Uit het rapport «Stand van de woonruimteverdeling» geproduceerd in het kader van het
IBO Huursector bleek dat er in 2025 47 verschillende woonruimteverdeelsystemen actief
waren die onderling verschilden in de gehanteerde regels voor de woningtoewijzing.
De regels verschilden bijvoorbeeld in de bepaling van urgentiecategorieën en de hantering
van een mogelijk lotingsysteem naast het toewijzingen op basis van inschrijftijd.
Dit betekent dat de inschrijftijd niet in ieder woonruimteverdeelsysteem hetzelfde
betekent voor de te verwachten wachttijd voor een woningzoekende. Daarnaast vallen
sommige gemeenten in meerdere woonruimteverdeelsystemen tegelijkertijd. Hierdoor is
het niet mogelijk om een vergelijkbare gemiddelde wachttijd per gemeente te bepalen.
3. Wat is het verwachte effect op deze wachttijden van dit wetsvoorstel?
Dit wetsvoorstel introduceert een verbod voor gemeenten om vergunninghouders voorrang
te verlenen op grond van het zijn van vergunninghouder. Indien een vergunninghouder
in aanmerking wil komen voor een sociale huurwoning zal de betreffende vergunninghouder
zich moeten inschrijven, vergelijkbaar met andere woningzoekenden. Doordat vergunninghouders
geen voorrang meer krijgen op grond van het feit dat ze vergunninghouder zijn, is
de verwachting dat dit een tijdelijk dempend effect op de wachttijd voor overige woningzoekenden
in de sociale huursector heeft op korte termijn.
Vergunninghouders zijn vrij om zich in te schrijven bij woonruimteverdeelsystemen
om inschrijftijd op te bouwen, net als andere woningzoekenden, en kunnen op die manier
hun weg naar de sociale huurwoning vinden. Op de lange termijn zal het dempende effect
op de wachttijd hierdoor beperkter kunnen zijn.
4. De leden van de PVV-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de wijziging van
de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders en willen
de regering nog een aantal verduidelijkende vragen stellen. Deze leden lezen op bladzijde
1 van de memorie van toelichting (MvT) dat in Nederland mensen gemiddeld zeven jaar
moeten wachten voor zij in aanmerking komen voor een sociale huurwoning en dat er
uitschieters in grote steden zijn van meer dan een decennium. Dit zijn cijfers uit
2021. Deze leden vragen de regering of het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening veel recentere cijfers heeft en met de Kamer wil delen.
In het interdepartementaal beleidsonderzoek huursector is het rapport «Stand van de
woonruimteverdeling» opgeleverd waarbij bij 32 van de 47 woonruimteverdeelsystemen
in Nederland cijfers zijn verzameld over de inschrijftijd en de zoektijd. Dit geeft
inzicht in de werkelijke wachttijd, maar het is door de lappendeken aan woonruimteverdeelsystemen
complex om deze te bepalen.
De gemiddelde inschrijftijd bij toewijzing is het aantal jaar dat een woningzoekende
gemiddeld ingeschreven staat voordat hij of zij een woning krijgt toegewezen. Het
geeft daarmee een indicatie van hoelang het duurt om in een bepaald systeem een woning
te vinden. De inschrijftijd moet echter altijd in samenhang gezien worden met andere
meeteenheden zoals de zoektijd en de slaagkans. Veel woningzoekenden schrijven zich
alvast in om pas na een aantal jaar te gaan zoeken; dat doen ze in de wetenschap dat
er (vaak) een lange inschrijftijd nodig is om überhaupt in aanmerking te komen voor
een woning. Zodoende beïnvloedt de hoogte van de gemiddelde inschrijftijd hoe vroeg
mensen zich inschrijven en ontstaat hiermee een zelfversterkend effect.
De gemiddelde zoektijd is het gemiddeld aantal jaren tussen de eerst geplaatste reactie
en het moment van toewijzing. De zoektijd geeft daarmee een realistischer beeld van
hoe lang een woningzoekende daadwerkelijk actief moet zoeken om een woning te krijgen.
De mate waarin woningzoekenden reageren kan echter sterk verschillen.
De meeste woningen (59% in de steekproef), werden via het aanbodmodel toegewezen.
Dat wil zeggen op basis van inschrijf- of wachttijd. Daarnaast wordt 8% van de woningen
via loting toegewezen, 28% via directe bemiddeling en 4% werd op een overige manier
toegewezen.
In 21 van de 32 systemen is de gemiddelde inschrijftijd bij toewijzing in het aanbodmodel
hoger dan zes jaar. In acht systemen is het gemiddelde minstens elf jaar. In drie
systemen is het gemiddelde langer dan tien jaar. De gemiddelde zoektijd was in het
aanbodmodel korter dan de inschrijftijd omdat woningzoekenden vaak pas beginnen met
het reageren op woningen als ze denken kans te maken. De gemiddelde zoektijd lag tussen
de één en vier jaar.
Bij de systemen die (ook) het lotingmodel hanteerden was de gemiddelde inschrijftijd
voor meeloters lager. Doorgaans reageren vooral woningzoekenden die weinig inschrijftijd
hebben en dus weinig kans binnen het aanbodmodel op deze woningen. De gemiddelde inschrijftijd
varieerde bij deze systemen tussen de twee en vier jaar.
Uit het rapport blijkt dat in de meeste woonruimteverdeelsystemen de gemiddelde inschrijftijd
is toegenomen in de periode 2020–2024. Het gaat hierbij vaak om een toename met tien
tot twintig procent. De gemiddelde zoektijd is in de meeste systemen met minstens
twintig procent gestegen.
5. Zij lezen op bladzijde 2 van de MvT dat uit recent SCP-onderzoek naar voren komt dat
68% van de bevolking er geen begrip voor heeft als vergunninghouders voorrang krijgen
op een sociale huurwoning. Zij willen aan de regering vragen of ook bekend is hoe
de Nederlandse bevolking denkt over voorrang verlenen aan vergunninghouders bij onzelfstandige
woonruimtes.
Er zijn geen cijfers bekend over hoe Nederlanders denken over voorrang verlenen aan
vergunninghouders bij toewijzing van specifiek onzelfstandige woonruimtes.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van voorliggend wetsvoorstel
en zij vinden het bijzonder teleurstellend dat de regering, in plaats van werk te
maken van effectief en humaan asielbeleid en ambitieus woningbouwbeleid, de asielketen
verder laat vastlopen met deze zoveelste ineffectieve symboolmaatregel. Deze leden
benadrukken dat de huidige woningnood niet wordt veroorzaakt door een teveel aan vergunninghouders
maar door een tekort aan sociale woningen. Deze regering zou zich moeten bezighouden
met het aanpakken van dat tekort aan sociale woningen. Bijvoorbeeld door het stikstofslot
van Nederland af te halen, door weer grootschalig te bouwen en door corporaties sterker
te maken. In plaats daarvan zien de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie een regering
die zich bezighoudt met doelloze symboolwetgeving die door iedereen uit het veld in
de sterkste bewoordingen wordt ontraden. Deze wet gaat de wachttijd voor woningen
niet verkorten, gaat de problemen in de asielopvang niet verkleinen maar vergroten
en gaat de asielketen niet goedkoper maar duurder maken.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging
van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders.
Met dit wetsvoorstel grijpt de regering diep in in de beleidsvrijheid van gemeenten.
Het wordt voor gemeenten verboden om vergunninghouders voorrang te geven op een sociale
huurwoning. Tegelijkertijd laat de regering de wettelijke taakstelling voor gemeenten
om aandachtsgroepen te huisvesten, waaronder vergunninghouders, in stand. Deze aandachtsgroepen
zijn naast vergunninghouders onder andere daklozen en mensen in de maatschappelijke
opvang, uitstromers uit klinische ggz of beschermd wonen, maar ook jongeren die uit
de jeugdhulp stromen. Gemeenten hebben en houden dus de taak vanuit het Rijk om deze
aandachtsgroepen te huisvesten, maar de beleidsruimte om daarbinnen keuzes te maken
op het gebied van vergunninghouders wordt hen met dit wetsvoorstel ontnomen. Daarmee
is dit verbod een aantasting van de bevoegdheid van gemeenten om hun woonruimteverdeling
af te stemmen op lokale omstandigheden en maatschappelijke behoeften, en wordt gemeenten
beleidsruimte ontnomen terwijl zij verplicht blijven om aan hun taakstelling te voldoen.
Deze leden begrijpen en herkennen de brede maatschappelijke zorgen over situaties
waarin vergunninghouders eerder een woning krijgen dan andere woningzoekenden die
soms al jarenlang wachten. Dat gevoel van onrechtvaardigheid is zeer begrijpelijk.
Tegelijkertijd zien zij niet hoe het voorgestelde verbod bijdraagt aan het wegnemen
van de oorzaken van deze problematiek. Door gemeenten een verbod op te leggen, wordt
geen enkele woning extra of sneller gebouwd. Door gemeenten een verbod op te leggen
wordt de instroom van asielzoekers niet beperkt. En we krijgen niet meer grip op migratie
door gemeenten een verbod op te leggen.
Juist omdat dit wetsvoorstel deze problemen niet oplost, stellen de leden van de CDA-fractie
vast dat het wetgevingsproces zelf ten koste is gegaan van echte oplossingen. Tijd,
middelen, energie, ambtelijke capaciteit en wetgevingskracht zijn ingezet op een wetsvoorstel
dat de woningnood niet vermindert en geen grip op migratie oplevert. Wetgevingsjuristen,
beleidsmedewerkers en uitvoerders zijn nu langdurig bezig geweest met regelgeving
die geen woningen toevoegt en geen procedures versnelt, terwijl diezelfde capaciteit
ook had kunnen worden ingezet voor wetgeving die vergunningverlening vereenvoudigt,
bezwaar- en beroepsprocedures verkort en gemeenten in staat stelt sneller te bouwen.
Deze leden constateren dat dit wetsvoorstel past in een bredere benadering waarin
symbolische maatregelen worden gepresenteerd als antwoord op complexe maatschappelijke
problemen. Juist bij een onderwerp dat mensen zo direct raakt als de aanpak van de
woningnood, achten zij dat onwenselijk. Wetgeving moet bijdragen aan daadwerkelijke
oplossingen, zorgvuldig zijn voorbereid en stevig zijn onderbouwd.
Voor de leden van de CDA-fractie staat voorop dat de woningnood alleen kan worden
aangepakt met beleid dat zich richt op de kern van het probleem: het structurele tekort
aan woningen. Dat vraagt om keuzes die daadwerkelijk leiden tot meer en snellere bouw,
tot betere doorstroming en tot concreet perspectief voor woningzoekenden. Deze leden
vinden het van groot belang dat de inzet van de regering en de Kamer zich daarop concentreert.
De leden van de CDA-fractie zetten daarbij de woningzoekende op één. Dat betekent
vol inzetten op het versnellen van woningbouw, met duidelijke doelen en uitvoerbare
maatregelen. Deze leden hechten aan het verkorten van procedures, het wegnemen van
onnodige belemmeringen in regelgeving en het versterken van de uitvoeringskracht van
alle betrokken partijen. Dat vraagt inzet van gemeenten en woningcorporaties, maar
ook van bouwbedrijven, projectontwikkelaars en investeerders. Alleen door deze partijen
samen ruimte te geven en verantwoordelijkheid te laten nemen, kan de woningbouwproductie
structureel worden verhoogd.
Daarnaast vinden de leden van de CDA-fractie het essentieel dat keuzes zo dicht mogelijk
bij de praktijk worden gemaakt. Gemeenten kennen hun lokale woningmarkt, de samenstelling
van hun bevolking en de kwetsbare groepen die ondersteuning nodig hebben. Binnen landelijke
kaders moeten zij de ruimte behouden om afgewogen keuzes te maken over de verdeling
van schaarse woonruimte. Dat geldt voor jongeren met lokale binding, voor mensen die
uit zorg of opvang uitstromen, voor de aanpak van dakloosheid en het bieden van passende
huisvesting aan daklozen, en ook voor vergunninghouders. Vertrouwen in gemeenten en
ruimte voor maatwerk zijn volgens de leden onmisbaar voor een rechtvaardig en effectief
woonbeleid.
Tot slot benadrukken deze leden het belang van samenhang tussen wonen, migratie en
integratie. Grip op migratie vraagt om duidelijke regels en goede uitvoering, maar
ook om beleid dat mensen die hier mogen blijven daadwerkelijk in staat stelt een volwaardige
plek in de samenleving op te bouwen. Snel een vaste woonplek hebben draagt in grote
mate bij aan integratie, werk en deelname aan de samenleving. Zij zijn ervan overtuigd
dat alleen een samenhangende en realistische aanpak op deze terreinen kan leiden tot
meer en snellere woningbouw en tot structurele verlichting van de druk op de woningmarkt.
De leden van de CDA-fractie hebben diverse vragen over dit wetsvoorstel.
De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
tot wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders.
Deze leden onderschrijven het uitgangspunt dat structurele voorrang op basis van verblijfsstatus
in het huidige woningtekort niet past. Tegelijkertijd hebben zij vragen over de uitvoerbaarheid,
de bestuurlijke samenhang en de gevolgen van het voorstel voor gemeenten, provincies
en vergunninghouders.
De leden van de FVD-fractie constateren dat als gevolg van de alsmaar voortgaande
massale immigratie, de druk op de woningmarkt enorm is toegenomen met allerlei negatieve
consequenties voor de autochtone, Nederlandse bevolking. Zo steeg het aantal thuiswonende
jongeren explosief, van 7,7% in 2018 naar 26,5% in 2024 en geven 1,4 miljoen Nederlanders
aan te willen verhuizen, maar niets te kunnen vinden. Jongeren kunnen hierdoor bijvoorbeeld
niet op zichzelf gaan wonen, terwijl dit een belangrijk onderdeel van hun ontwikkelingsproces
is. Daarnaast kan de beroepsbevolking minder makkelijk verhuizen voor een nieuwe baan,
wat de innovatiekracht van ons land schaadt. Verder is een eigen woonruimte onmisbaar
voor het stichten van een gezin. We zien dan ook dat het reproductiecijfer van de
Nederlander al decennia afneemt, tot een kritische waarde van 1,43 in 2023. Aangezien
een reproductiecijfer van 2,1 vereist is voor bevolkingsvervanging, sterft de Nederlandse
bevolking uit. Het is dus geen verrassing dat de bevolkingstoename in Nederland inmiddels
volledig bepaald wordt door migratie. Deze leden hebben vragen over dit wetsvoorstel.
De leden van de BBB-fractie hebben met grote belangstelling het wetsvoorstel gelezen.
Voor deze leden staat centraal dat de overheid zorgt voor een eerlijk en uitlegbaar
woonbeleid, juist in een tijd van diepe woningnood waarin tienduizenden Nederlanders
soms al jaren op een wachtlijst staan. In dat licht achten zij het onhoudbaar dat
één specifieke groep, enkel op basis van status, structureel wordt voorgetrokken boven
andere woningzoekenden.
De leden van de BBB-fractie onderschrijven daarom het uitgangspunt van gelijke behandeling
en gelijke kansen voor iedereen die een beroep doet op de sociale huursector. Het
herstel van vertrouwen in het woonbeleid begint bij regels die voor iedereen hetzelfde
zijn en die door de samenleving worden begrepen en gedragen. Dit wetsvoorstel is volgens
deze leden een belangrijke stap in die richting. Wel hebben zij nog een aantal vragen.
6. De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van voorliggend wetsvoorstel. Deze
leden hebben daarover enkele vragen. Zij lezen dat de regering van mening is dat de
vraag naar woningen door «de demografische ontwikkelingen» sterk is gestegen. Op welke
demografische ontwikkelingen doelt de regering?
De demografische ontwikkelingen waar de regering op doelt zijn een hoog algemeen migratiesaldo,
waaronder een hoge en moeilijk voorspelbare asielinstroom, daling van de huishoudensgrootte
en vergrijzing.
7. De leden van de SGP-fractie delen overigens deze analyse, en wijzen voortdurend op
ontwikkelingen zoals een hoge asielinstroom en gezinsverdunning door meer eenpersoonshuishoudens
en echtscheidingen. Deelt de regering de mening dat deze ontwikkelingen grote invloed
hebben op de vraag naar woningen? En wat is daarbij de inzet van de regering?
Het kabinet deelt de mening van de SGP-fractie dat zowel een hoge asielinstroom als
gezinsverdunning zorgen voor een hogere woningvraag. Dit kabinet zet in op onder andere
beperking van de asielinstroom en het bevorderen van de mogelijkheden voor woningdelen
bij zowel vergunninghouders als andere Nederlandse inwoners.
8. De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel van de
regering om vergunninghouders uit te sluiten van de urgentiecategorie. Deze leden
maken van de gelegenheid gebruik om vragen te stellen over dit voorstel. Zij betreuren
het dat er slechts kort de tijd is genomen om advies te ontvangen van relevante instanties
en adviesorganen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom zij
niet voor een langere consultatieperiode heeft gekozen.
Het kabinet vindt het van groot belang om snel voortgang te boeken met deze maatregel
en heeft daarom gekozen voor een kortere consultatieperiode. Daarbij is meegewogen
dat het wetsvoorstel al was aangekondigd in het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma.
9. Deze leden zien dat de regering deze wet voorstelt met als doel een eerlijke verdeling
van schaarse woningen. Zij kunnen zich die wens voorstellen, maar hebben vragen over
de manier waarop de regering dit met dit wetsvoorstel denkt te bereiken. Dat zit met
name in de samenhang met andere maatregelen die de krapte op de woningmarkt en specifiek
voor vergunninghouders moet oplossen. De leden van de ChristenUnie-fractie maken zich
zorgen dat gegeven de huidige stand van de woningmarkt dit niet eerlijk uitpakt. Deze
leden vragen waarom de regering deze wet niet pas in wil laten gaan als is gebleken
dat flankerende maatregelen voldoende effect hebben, namelijk dat gemeenten hun wettelijke
huisvestingsverplichting jegens vergunninghouders waar kunnen maken en dat de instroom
structureel gedaald is.
Het kabinet vindt het van belang om de situatie van vergunninghouders zo snel mogelijk
te normaliseren ten opzichte van andere woningzoekenden door voorrang op sociale huurwoningen
voor deze groep op grond van hun verblijfsvergunning te verbieden. Het kabinet is
van mening dat het primair de eigen verantwoordelijkheid is van vergunninghouders
om in huisvesting te voorzien en ze verwacht dat een grote groep van de vergunninghouders
in staat is om zelf in huisvesting te voorzien wanneer zij niet meer met voorrang
een sociale huurwoning krijgen aangeboden.
Tegelijkertijd vindt het kabinet het van belang dat vergunninghouders zo spoedig mogelijk
uitstromen uit de asielopvang en starten met inburgeren. Op dit moment wordt een aanzienlijk
deel van de opvangcapaciteit bij het COA ongewenst lang ingenomen door vergunninghouders
die al hadden moeten uitstromen naar huisvesting. Dit leidt tot vertraging bij inburgering
en integratie en tot knelpunten en hoge kosten in de asielopvang. Om te zorgen dat
vergunninghouders op korte termijn daadwerkelijk uit de asielopvang stromen, zijn
extra (onzelfstandige) woonplekken nodig. Daarnaast zijn deze extra plekken ook nodig
voor de groep vergunninghouders die, bij ingang van het verbod op voorrang, geen beroep
kan doen op bijvoorbeeld huisvesting bij vrienden en familie. Er zijn inmiddels verschillende
financiële regelingen geopend (HAR+, bekostigingsregeling voor doorstroomlocaties,
SFT+) om deze uitstroom te bevorderen en de huisvesting van vergunninghouders te stimuleren.
Daarbij heeft het kabinet een doelgroep flexibele regeling voor gemeentelijke opvang
en tijdelijke huisvesting uitgewerkt. Zie het antwoord op vraag 42 voor toelichting
op de financiële regelingen. Ook zet het kabinet in op het stimuleren van het beter
benutten van de bestaande woningvoorraad, onder andere door woningdelen. Het kabinet
geeft gemeenten met deze verschillende financiële regelingen meer middelen om extra
(onzelfstandige) woonruimten te realiseren en verwacht dat zij zich hiervoor ook zullen
inspannen.
Het kabinet constateert hierbij wel dat gemeenten waarschijnlijk meer tijd nodig zullen
hebben, ten opzichte van het tijdspad uit het samenhangend pakket, om deze extra (onzelfstandige)
woonruimten te realiseren.
Daarnaast worden de wetsvoorstellen die moeten leiden tot een afname van het aantal
te huisvesten vergunninghouders (wetsvoorstel invoering tweestatusstelsel en asielnoodmaatregelen)
momenteel behandeld in de Eerste Kamer (schriftelijke voorbereiding). Daarnaast is
ook het wetsvoorstel Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 20263, aanhangig bij de Tweede Kamer, waarin ook het tweestatusstelsel en de meeste maatregelen
uit de Asielnoodmaatregelenwet zijn opgenomen. De implementatie van de maatregelen
van het Europese Asiel- en migratiepact moet plaatsvinden uiterlijk op 12 juni 2026.
Omdat de beoogde ingangsdatum van het onderhavige wetsvoorstel op 1 juli 2026 ligt,
kan nog niet worden gezegd wat de gevolgen voor de instroom zullen zijn van de maatregelen
die verband houden met het Europese Asiel- en migratiepact, het wetsvoorstel invoering
tweestatusstelsel en het wetsvoorstel asielnoodmaatregelen op moment van inwerkingtreding.
Bovendien zitten er nog veel vergunninghouders in de asielopvang.
Gegeven deze zaken, is het kabinet bereid om met uw Kamer in gesprek te gaan over
het verschuiven van het moment van inwerkingtreding.
10. De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
tot wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders.
Deze leden vragen in welk opzicht de regering de situatie van vergunninghouders die
vanuit de asielopvang een woning zoeken, gelijk acht aan die van reguliere woningzoekenden
die vanuit een bestaande woonsituatie wachttijd hebben kunnen opbouwen, terwijl vergunninghouders
deze mogelijkheid per definitie niet hebben gehad.
Het kabinet is van mening dat voor vergunninghouders geldt dat zij, net als andere
Nederlandse woningzoekenden, primair zelf verantwoordelijk zijn voor het vinden van
huisvesting. Vergunninghouders kunnen zich vanaf het moment dat zij een verblijfsvergunning
krijgen, inschrijven bij een woningcorporatie of woonruimteverdeelsysteem. Op deze
wijze kunnen zij wachttijd opbouwen, net als alle andere woningzoekenden. Het kabinet
erkent daarbij dat er in het algemeen kan worden gesteld dat er verschillen bestaan
tussen de positie van vergunninghouders en andere woningzoekenden, maar merkt op dat
van deze verschillen niet in alle gevallen sprake is. Zo zijn er ook vergunninghouders
die wel beschikken over een sociaal netwerk en zijn er even goed andere woningzoekenden
die daar niet over beschikken. Eveneens komt het voor dat andere woningenzoekenden
later in hun leven weinig wachttijd hebben, omdat zij zich in een latere fase van
hun leven hebben ingeschreven.
11. Zij vragen de regering voorts waarin vergunninghouders die vanuit de asielopvang huisvesting
zoeken, anders verschillen dan uitsluitend in aantallen, van personen die vanuit de
maatschappelijke opvang doorstromen naar reguliere huisvesting en op grond daarvan
in aanmerking komen voor urgentie.
Het kabinet is van mening dat de situatie van vergunninghouders dient te worden genormaliseerd
ten opzichte van andere woningzoekenden, zoals de in de vraag geschetste groep, door
voorrang voor deze groep op grond van hun verblijfsvergunning te verbieden. Hiermee
wordt de momenteel voorkomende situaties waarin vergunninghouders bevoordeeld worden
ten opzichte van andere woningzoekenden beëindigd. Vergunninghouders hebben na de
inwerkingtreding van deze wet, net als andere woningzoekenden, de mogelijkheid om
voorrang te krijgen op basis van andere kenmerken.
12. De leden van de SP-fractie wijzen erop dat in de MvT bij de Huisvestingswet 2014 vergunninghouders
zijn aangemerkt als «technisch dakloos». Welke definitie van technische dakloosheid
hanteert de regering thans, en erkent de regering dat vergunninghouders feitelijk
geen zelfstandig alternatief hebben zolang zij in de opvang verblijven?
De Huisvestingswet 2014, zoals die op 1 januari 2015 inwerking is getreden, bevatte
de verplichting dat indien de gemeenteraad een urgentieregeling vaststelde, dat dan
tot de groep urgent woningzoekenden in ieder geval behoorde: woningzoekenden die verblijven
in een voorziening voor tijdelijke opvang van personen, die in verband met problemen
van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten, woningzoekenden die
mantelzorg verlenen of ontvangen alsmede vergunninghouders.4 In de memorie van toelichting uit 2009 is de verplichting om vergunninghouders als
urgent woningzoekenden aan te wijzen als volgt onderbouwd: «Vluchtelingen die in Nederland
komen, kunnen asiel aanvragen (asielzoeker). Als zij erkend worden als vluchteling,
krijgen zij een verblijfsvergunning (vergunninghouder). De tot Nederland toegelaten
vergunninghouder (verblijfsgerechtigden) verblijven grotendeels in asielzoekerscentra.
Deze verblijfsgerechtigden zijn «technisch dakloos» en moeten zo snel mogelijk de
centra verlaten en reguliere huisvesting vinden. Daarmee wordt een snelle integratie
bevorderd en komt de plek in het asielzoekerscentrum weer beschikbaar voor mensen
die nog in procedure zijn.»5 In die wet of de daarbij behorende memorie van toelichting wordt geen begripsbepaling
gegeven van wat onder «technisch dakloos» moet worden verstaan. Enkel wordt hierover
nog opgemerkt: «Gemeenten kunnen overwegen nog andere categorieën aan te wijzen voor
urgentie. Gebruikelijke urgentiecategorieën zijn mensen die technisch dakloos zijn,
zoals die door een brand dakloos zijn geworden, mensen die een huwelijk of duurzame
relatie beëindigen. Het staat de gemeente vrij dergelijke categorieën te benoemen».6
Met de Wet van 14 december 2016 tot wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake de
huisvesting van vergunninghouders7 is de verplichting om vergunninghouders urgentie te verlenen komen te vervallen.
Het begrip «technisch dakloos» komt niet meer voor in het Nationaal Actieplan Dakloosheid8 en ook het Centraal Bureau voor de Statistiek gebruikt deze term niet. Zij verstaan
onder daklozen: mensen van 18 tot 65 jaar zonder vaste verblijfplaats die slapen in
de openbare ruimte (de open lucht of in overdekte openbare ruimten, zoals portieken,
fietsenstallingen, stations, winkelcentra of een auto), of binnen slapen in de noodopvang
(dag- en nachtopvang, passantenverblijven van de maatschappelijke opvang en crisisopvang)
of verblijven op niet-conventionele woonplekken of, op niet-structurele basis, bij
vrienden, kennissen of familie.9 Hieruit moet geconcludeerd worden dat het begrip «technisch dakloos» niet gehanteerd
wordt en dat het daarom ook niet wenselijk is om dit begrip nu te gaan definiëren.
Dat vergunninghouders feitelijk geen zelfstandig alternatief hebben zolang zij in
de opvang verblijven onderschrijft het kabinet niet. Het is juist de bedoeling dat
vergunninghouders gestimuleerd worden om zoveel als mogelijk tijdens hun verblijf
in opvang zelf op zoek te gaan naar huisvesting. Vergelijkbaar met andere woningzoekenden.
In het licht van de grote schaarste is het kabinet van mening dat het niet uitlegbaar
is dat een vergunninghouder voorrang krijgt op grond van het zijn van vergunninghouder.
In de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel zijn een aantal mogelijkheden daartoe
belicht. Zo kan een vergunninghouder onder meer zelf huisvesting regelen via een netwerk
van vrienden en familie die al in Nederland wonen, via een werkgever en zich inschrijven
bij een woningcorporatie. Daarnaast blijft op dit moment nog de verplichting van de
gemeenten bestaan om de op basis van de taakstelling aan hen toegewezen vergunninghouders
te huisvesten. Zie het antwoord op vraag 9 voor verdere maatregelen die het kabinet
neemt om vergunninghouders uit de asielopvang te laten uitstromen.
13. Deze leden vragen of de regering erkent dat het advies van de Afdeling advisering
van de Raad van State een essentieel onderdeel vormt van de constitutionele waarborgen
binnen het wetgevingsproces. Zij vragen voorts de regering waarom in de MvT niet expliciet
wordt ingegaan op het advies van de Raad van State van 17 september 2025, waarin wordt
geconcludeerd dat het wetsvoorstel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel van artikel
1 van de Grondwet.
Uiteraard maakt het advies van de Afdeling onderdeel uit van het wetgevingsproces
en vervult deze advisering een belangrijke waarborgfunctie. De regering is echter
anders dan de Afdeling van mening dat het voorliggende wetsvoorstel niet in strijd
is met het gelijkheidsbeginsel. Dit is ook nader onderbouwd in het nader rapport bij
dit wetsvoorstel. In het antwoord op vraag 1 van deze nota naar aanleiding van het
verslag wordt dit nogmaals uiteengezet. Op basis hiervan is besloten het wetsvoorstel
niet aan te passen. Omdat het wetsvoorstel niet is aangepast, was er ook geen reden
om de memorie van toelichting op dit punt ingrijpend aan te passen.
14. De leden van de SP-fractie vragen hoe de regering het oordeel van het College voor
de Rechten van de Mens beoordeelt dat het wetsvoorstel tevens strijdig is met het
recht op huisvesting zoals neergelegd in artikel 22 van de Grondwet en internationale
verdragen?
In de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel is uitgebreid aandacht besteed
aan de beoordeling van het College van de voor de Rechten van Mens over de verhouding
tussen de in dit wetsvoorstel voorgestelde maatregel en het recht op huisvesting.
Volgens artikel 22, tweede lid, van de Grondwet is bevordering van voldoende woongelegenheid
voorwerp van zorg der overheid. Dit betekent dat voorzien in voldoende woonruimte
een algemene zorgplicht voor de overheid is in de vorm van beleidsvoering waarbij
de overheid een ruime beleidsvrijheid toekomt en politieke overwegingen van velerlei
aard doorslaggevend kunnen zijn. Onder «voldoende woongelegenheid» is niet alleen
te verstaan een voldoende aantal woningen. De term heeft mede betrekking op het volume,
de kwaliteit, de veiligheid, de gezondheid etc. van de woningen.10 Het recht op huisvesting is dus een inspanningsverplichting van de overheid om zowel
kwantitatief als kwalitatief te voorzien in passende huisvesting.
Deze zorgplicht geldt niet alleen ten aanzien van vergunninghouders, maar ten aanzien
van alle woningzoekenden. Het kabinetsbeleid is gericht op het realiseren van nieuwe
woonruimte, bijvoorbeeld door woningbouw, transformatie, flexwoningen en het beter
benutten van de bestaande voorraad. Daarnaast vormt de eerlijke verdeling van de beschikbare
woonruimten, zeker als er zoals op dit moment sprake is van grote schaarste aan woonruimte,
een belangrijk onderdeel van het kabinetsbeleid. In dat kader vindt het kabinet dat
de positie van vergunninghouders ten opzichte van andere woningzoekenden wordt genormaliseerd.
Met dit wetsvoorstel wordt beoogd dat vergunninghouders op gelijke wijze worden behandeld
als andere woningzoekenden en dat er niet langer sprake kan zijn van voorkeurposities.
Dit betekent dat vergunninghouders geen voorrang meer zullen kunnen krijgen op grond
van het feit dat ze vergunninghouder zijn. Wel kunnen zij, net als andere woningzoekenden,
voorrang krijgen op basis van andere voorrangcriteria, die gebaseerd zijn op objectieve
omstandigheden die in de huisvestingsverordening kunnen worden opgenomen.
Door de schaarste aan woningen en het grote aantal asielaanvragen, verblijven er op
dit moment veel vergunninghouders in de asielopvang die op basis van de taakstelling
al gehuisvest hadden moeten worden door de gemeenten. Daarom wordt ingezet op huisvesting
voor vergunninghouders, die passen bij hun woonbehoefte. Daarbij kan worden gedacht
aan huisvesting van alleenstaande vergunninghouders in onzelfstandige woonruimte.
Om dit te faciliteren, is in het wetsvoorstel een tijdelijke uitzondering opgenomen
waardoor het mogelijk is hen met voorrang huisvesten in onzelfstandige woonruimten.
Ten slotte, is het kabinet van mening dat alle ingezetenen in Nederland een eigen
verantwoordelijkheid hebben bij het vinden van passende huisvesting. Die eigen verantwoordelijkheid
mag dus ook verwacht worden van vergunninghouders. Dit is immers ook in het belang
van hun inburgering en integratie in de Nederlandse samenleving.
Op deze wijze meent het kabinet dat een afdoende invulling wordt gegeven aan de zorgplicht
voor alle ingezetenen ten aanzien van het recht op huisvesting. Alle ingezetenen krijgen
onder dezelfde voorwaarden toegang tot huisvesting.
15. Verder vragen deze leden op welke gronden de regering heeft besloten het advies van
de Raad van State om het wetsvoorstel niet ongewijzigd in te dienen, niet te volgen,
en hoe dit besluit wordt gewogen in het licht van de demissionaire status van het
kabinet.
De regering heeft besloten dit wetsvoorstel aan de Tweede Kamer aan te bieden. Het
kan daarbij worden geconstateerd dat het wetsvoorstel niet controversieel is verklaard.
Zie verder het antwoord op vraag 1.
2. Hoofdlijnen van het voorstel
16. De leden van de CDA-fractie constateren dat de Raad van State adviseert het wetsvoorstel
niet in te dienen, omdat de Afdeling de noodzaak en proportionaliteit van het voorgestelde
verbod onvoldoende onderbouwd acht. Deze leden constateren dat de regering in het
nader rapport verwijst naar de maatregelen, maar deze niet onderbouwt met gegevens.
Zij vragen waarom de regering meent dat indiening van het wetsvoorstel alsnog verantwoord
is, terwijl de Raad van State expliciet concludeert dat de motivering van noodzaak
en proportionaliteit tekortschiet.
Zie het antwoord op vraag 1.
17. De leden van de CDA-fractie constateren dat de Raad van State betwijfelt of de door
de regering aangekondigde aanvullende maatregelen tijdig effect sorteren. Deze leden
vragen welke concrete maatregelen vóór inwerkingtreding beschikbaar zijn om de door
de Raad van State gesignaleerde risico’s te mitigeren. Zij vragen op basis van welke
gegevens de regering verwacht dat deze maatregelen tijdig voldoende effect zullen
hebben.
In antwoord op vraag 9 is uiteengezet welke maatregelen het kabinet voorstelt om een
extra impuls aan woonmogelijkheden voor verschillende doelgroepen, waaronder vergunninghouders,
te geven. Het kabinet constateert hierbij dat het realistisch is dat gemeenten en
woningcorporaties er niet in slagen om deze plekken vóór 1 juli 2026 gerealiseerd
te hebben. Daarbij komt dat de wetsvoorstellen die ertoe moeten leiden dat het aantal
te huisvesten vergunninghouders afneemt (wetsvoorstel invoering tweestatusstelsel
en wetsvoorstel asielnoodmaatregelen) op dit moment nog niet in werking zijn getreden,
omdat het nog voorligt in de Eerste Kamer. Gegeven deze zaken, is het kabinet bereid
om met uw Kamer in gesprek te gaan over het verschuiven van het moment van inwerkingtreding.
18. De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe wordt voorkomen dat het wetsvoorstel
vooruitloopt op beleid dat nog niet is gerealiseerd en het effect daarvan onzeker
is.
Naast de inzet op de uitbreiding van de huisvestingsopties voor vergunninghouders,
wordt in het wetsvoorstel een gefaseerde inwerkingtreding van het verbod op voorrang
voorgesteld. In het eerste jaar na inwerkingtreding van het verbod op voorrang (de
implementatiefase), blijft het mogelijk om alleenstaande vergunninghouders voorrang
te geven wanneer zij gaan wonen in onzelfstandige woonruimte (woningdelen). Dit draagt
eraan bij om woningdelen voor alleenstaande vergunninghouders de norm te maken en
draagt bij aan de doorstroom vanuit het AZC. Daarnaast versterken we de aanpak om
vergunninghouders de gelegenheid te bieden om sneller mee te kunnen doen in de Nederlandse
samenleving, door extra inzet op taalverwerving, participatie en inburgering.
19. De leden van de SP-fractie vragen de regering op welke wijze het verbod op voorrang
concreet bijdraagt aan het door de regering gestelde doel om meer grip te krijgen
op migratie, nu het wetsvoorstel uitsluitend ziet op woonruimteverdeling en niet op
instroombeperking.
Dit wetsvoorstel heeft als doel het beëindigen van momenteel voorkomende situaties
waarin vergunninghouders voorrang krijgen voor woonruimte op grond van het feit dat
vergunninghouder zijn, zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 1.
Dit wetsvoorstel moet worden bezien in samenhang met de bredere aanpak van het kabinet
die gericht is op de asielketen, zoals verschillende andere wettelijke maatregelen11 met het beoogde effect om grip te krijgen op asielmigratie. Zowel in het wetsvoorstel
asielnoodmaatregelen als in het wetsvoorstel twee statusstelsel is voorgesteld om
instroom van asielzoekers te beperken. In het voorgestelde tweestatusstelsel bestaan
strikte voorwaarden op het gebied van gezinshereniging voor subsidiair beschermden,
waarbij specifiek op het gebied van huisvesting geldt dat de vreemdeling met subsidiaire
bescherming dient te beschikken over huisvesting. Deze en de overige aanvullende voorwaarden
voor gezinshereniging kunnen een vertragend en mogelijk ook een dempend effect hebben
op de nareisinstroom. Deze maatregelen zullen naar verwachting tot gevolg hebben dat
er minder (snel) mensen naar Nederland komen op grond van nareis.
2.1. Samenhang andere maatregelen ten aanzien van asielmigratie en huisvesting vergunninghouders
20. De leden van de D66-fractie lezen dat dit wetsvoorstel volgens de regering moet worden
bezien in samenhang met andere wetsvoorstellen. Deze leden vragen of de regering uiteen
kan zetten wat de voorgenomen ingangstermijn van al deze wetsvoorstellen is.
Het kabinet zet erop in de voorstellen op het asiel- en migratiedomein, te weten het
wetsvoorstel invoering tweestatusstelsel en het wetsvoorstel asielnoodmaatregelen
zo snel als mogelijk in te voeren. Deze wetsvoorstellen liggen echter nog ter behandeling
in de Eerste Kamer. In de Tweede Kamer ligt het implementatiewetsvoorstel voor het
Europese Asiel- en Migratiepact, waarin ook een deel van de maatregelen uit de nationale
wetsvoorstellen is opgenomen. Hiervoor geldt een verplichte inwerkingtreding op 12 juni
2026.
21. Zij lezen ook dat bij de fasering van de wet rekening wordt gehouden met effecten
van de andere wetsvoorstellen. De leden van de D66-fractie vragen de regering daarom
ook in te gaan op de verwachtte effecten van de verschillende andere wetsvoorstellen
tijdens de verschillende fases van deze wet.
Op het asiel- en migratiedomein worden in de eerste helft van 2026 verschillende wetten
van kracht, te weten de Wet invoering tweestatusstelsel, de Asielnoodmaatregelwet
en de implementatie van het Europese Asiel- en migratiepact. Het standpunt van het
kabinet is dat het sturen op asielmigratie moet plaatsvinden met een samenhangend
pakket aan maatregelen op het brede terrein van migratie waaronder asielmigratie,
zowel nationaal als in EU-verband. Met de invoering van dit pakket verwacht het kabinet
de komende jaren meer grip te krijgen op asielmigratie en is een vermindering van
het aantal asielmigranten en nareizigers aannemelijk. Het is echter niet mogelijk
om nu per genoemd wetsvoorstel een verwacht (instroom)effect aan te geven. Zo is het
aantal asielzoekers afhankelijk van een groot aantal interne en externe op elkaar
inwerkende factoren. Naast nationale maatregelen en EU-maatregelen is de instroom
in belangrijke mate afhankelijk van internationale en geopolitieke ontwikkelingen.
22. Deze leden lezen dat de voorbereidingsfase wordt beoogd te duren tot 1 juli 2026.
In de tussentijd stelt de regering dat kan worden gewerkt aan het uitbreiden van de
tijdelijke woningvoorraad en huisvesting van vergunninghouders. Kan de regering ingaan
op de verwachte voortgang op deze twee gebieden in de komende zes maanden?
Via de aanvullende maatregelen van het samenhangend pakket kan naar verwachting in
2026 een impuls worden gegeven aan de realisatie van 1.000 tot 1.500 woonplekken in
doorstroomlocaties, 2.000 flexwoningen en een nog onbekend aantal opvangplekken die
zouden kunnen worden omgebouwd tot huisvesting. Zie ook het antwoord op vraag 42.
23. Is de regering van mening dat deze voortgang voldoende zal zijn om het wetsvoorstel
op de beoogde datum van 1 juli 2026 in werking te laten treden?
Zoals toegelicht in antwoord op vraag 9, is het kabinet van mening dat het primair
de eigen verantwoordelijkheid is van vergunninghouders om in huisvesting te voorzien,
en het daarom niet nodig is om een alternatieve woonplek te bieden aan elke vergunninghouder
bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Wel zijn er extra (onzelfstandige) woonplekken
nodig om te zorgen dat vergunninghouders op korte termijn daadwerkelijk uit de asielopvang
stromen en de opvang wordt ontlast. Omdat het realistisch is dat deze plekken nog
niet gerealiseerd zijn per 1 juli 2026 is het kabinet bereid om met uw Kamer in gesprek
te gaan over het verschuiven van het moment van inwerkingtreding.
24. Zij hebben ook enkele vragen over het voorgestelde landelijk woonruimteverdeelsysteem.
Kan de regering toelichten of er al overleg met corporaties heeft plaatsgevonden over
dit systeem? Zo ja, wat was de mening van de corporaties over dit voorstel?
Het interdepartementale beleidsonderzoek (IBO) naar de huursector, «Thuisgeven», heeft
de aanbeveling gedaan om één landelijk woonruimteverdeelsysteem in te voeren, waar
het Rijk de regie neemt.12 Samen met woningcorporaties zal worden onderzocht of het mogelijk is om een dergelijk
landelijk woonruimteverdeelsysteem op te zetten waar vrijgekomen woningen voor grote
gezinnen in opgenomen worden.13 In de kabinetsreactie op het IBO zal worden ingegaan op deze aanbeveling en op welke
wijze daar opvolging aangegeven wordt.
25. De leden van de D66-fractie vragen de regering ook hoe de invoering van een woonruimteverdeelsysteem
zich verhoudt tot het bevorderen van uitstroom uit asielopvang, als daarbij geen gebruik
kan worden gemaakt van een urgentieregeling voor vergunninghouders.
Zoals ook in de memorie van toelichting uitgebreid is uiteengezet, wordt door deze
maatregel de eigen verantwoordelijkheid van de vergunninghouder gestimuleerd. Hierbij
is in eerste instantie de vergunninghouder zelf verantwoordelijk voor het vinden van
huisvesting. Een landelijk woonruimteverdeelsysteem biedt in potentie de mogelijkheid
aan woningzoekenden om zich gemakkelijker en toegankelijker in meerdere gemeenten/regio’s
in te schrijven voor een woonruimte. Dit verbetert de kansen voor mensen met een dringende
woonbehoefte, waaronder vergunninghouders.
26. Verwacht de regering dit systeem in te kunnen voeren voor de ingang van de laatste
fase van de wet?
Het kabinet heeft nog geen besluit genomen over de eventuele verdere uitwerking van
een landelijk woonruimteverdeelsysteem, omdat eerst samen met woningcorporaties onderzocht
wordt of het mogelijk is een dergelijk systeem op te zetten. Hierdoor kan dan ook
niet aangeven of dit voor de ingang van de laatste fase van het maatregelen uit het
samenhangend pakket in werking is getreden.
27. Wat is het verwachte effect van dit systeem op de uitstroom uit asielopvang van gezinnen?
Het verwachte effect van een landelijk woonruimteverdeelsysteem op de uitstroom van
gezinnen is nog niet te voorspellen gezien er nog geen besluit is genomen over de
eventuele verdere uitwerking van een landelijk woonruimteverdeelsysteem.
Echter is de huisvesting van gezinnen een opgave die specifieke aandacht vraagt. Gezinnen
vormen op dit moment in aantallen personen de grootste groep in de huisvestingsopgave
van vergunninghouders. De huisvestingsopties die de komende jaren extra worden gerealiseerd
zullen in veel gevallen niet passend zijn voor gezinnen met minderjarige kinderen.
Deze gezinnen moeten daarom vooral in de reguliere woningvoorraad huisvesting vinden.
Dat dient wel te gebeuren op grond van andere voorrangsgronden dan hun verblijfsvergunning.
Het kabinet is van mening dat gemeenten al verschillende instrumenten tot hun beschikking
hebben.
28. De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 2 van de MvT dat het voorliggend wetsvoorstel
gezien moet worden in samenhang met het voornemen om de taakstelling voor gemeenten
inzake de huisvesting van vergunninghouders op basis van de Huisvestingswet 2014 in
te trekken. Deze leden zouden de regering willen vragen wat de stand van zaken is
m.b.t. dat voornemen.
De taakstelling kan niet op korte termijn worden afgeschaft, omdat deze structureel
is verweven met de systematiek van de Wet inburgering 2021 (zie ook antwoord op vraag
252). Zonder taakstelling ontbreekt de basis voor de uitvoering van deze wet. Het
kabinet acht een eerdere afschaffing van de taakstelling zonder voorafgaande wetswijziging
en alternatief koppelingsmechanisme niet uitvoerbaar. Daarom moeten aanpassing van
de Wi2021 en afschaffing van de taakstelling zorgvuldig en in samenhang plaatsvinden.
De Staatssecretaris Participatie en Integratie heeft een wetswijziging voorbereid
waarbij de BRP-inschrijving na huisvesting bepalend wordt voor welke gemeente verantwoordelijk
is voor het inburgeringstraject. Het vervolg hiervan is aan een nieuw kabinet.
29. Zij lezen op bladzijde 3 van de MvT dat de voorbereidingsfase onder andere in het
teken staat van het aanpakken van de achterstand op de taakstelling, het uitbreiden
van de (tijdelijke) woningvoorraad en het sneller huisvesten van vergunninghouders
door gemeenten. De leden van de PVV-fractie willen de regering vragen wat er gebeurt
met gemeenten die niet bij machte zijn om de achterstand op de taakstelling aan te
pakken. En bestaat niet de kans dat andere aandachtsgroepen de dupe worden van het
sneller huisvesten van vergunninghouders door gemeenten in deze fase?
Zolang de taakstelling van kracht is, is het college van burgemeester en wethouders
van iedere gemeente verantwoordelijk voor de huisvesting van het aantal vergunninghouders
dat op basis van die taakstelling aan de gemeente is toebedeeld en houdt het provinciebestuur
toezicht op de uitvoering van deze taak. Ten aanzien van de taakstelling geldt dat
hierop het stelsel van generiek interbestuurlijk toezicht van toepassing is. Gedeputeerde
staten zijn op grond van artikel 124b van de Gemeentewet verantwoordelijk voor het
toezicht op de uitvoering van alle medebewindstaken die bij gemeenten zijn neergelegd. Het kan in dat kader voorkomen dat zij toepassing
geven aan het instrumentarium van interbestuurlijk toezicht.
Het kabinet erkent dat huisvesting van vergunninghouders een concurrentie-effect heeft
op andere groepen woningzoekenden, waaronder andere aandachtsgroepen. Het kabinet
zet zich dan ook op in om de positie van vergunninghouders ten opzichte van andere
groepen woningzoekenden te normaliseren. Tegelijkertijd heeft het kabinet ook te maken
met dat een aanzienlijk deel van de opvangcapaciteit bij het COA ongewenst lang wordt
ingenomen door vergunninghouders die al hadden moeten uitstromen naar huisvesting.
Dit leidt tot vertraging bij inburgering en integratie en tot knelpunten en hoge kosten
in de asielopvang door een tekort aan plekken. Om dit te voorkomen, zet het kabinet
in op de uitbreiding van (tijdelijke en gedeelde) huisvestingsoplossingen voor verschillende
doelgroepen, waaronder spoedzoekers, en waar ook vergunninghouders gebruik van kunnen
maken. Daarnaast wordt voorgesteld dat vergunninghouders, om het concurrentie-effect
van deze uitstromende groep te minimaliseren, zoveel mogelijk woningdelen.
30. Deze leden lezen op bladzijde 3 dat tijdens de implementatiefase een tijdelijk uitzondering
geldt op het verbod voor onzelfstandige woonruimte. Zij vragen zich af of door deze
uitzondering andere doelgroepen die graag gebruik zouden maken van onzelfstandige
woonruimte de dupe worden door genoemde uitzondering voor vergunninghouders?
Ziet de beantwoording van vraag 29. Door deze noodzakelijke uitstroom zo efficiënt
mogelijk te laten verlopen, bijvoorbeeld door woningdelen, en door nieuw gecreëerde
woonvoorzieningen ook beschikbaar te laten zijn voor andere spoedzoekers, wordt het
concurrentie-effect op andere groepen aanzienlijk verminderd.
31. De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 4 van de MvT dat één van de voorwaarden
bij de Stimuleringsregeling Flex-en Transformatiewoningen (SFT) is dat ten minste
30% van de gerealiseerde woningen voor vergunninghouders (of op termijn ontheemden
uit Oekraïne) bestemd is. In de jaren 2026 en 2027 kunnen in potentie 4.400 extra
woningen via deze regeling worden gerealiseerd, waarvan circa 2.000 woningen voor
vergunninghouders zou zijn. Deze leden willen de regering vragen of het klopt dat
de genoemde voorwaarde van minimaal 30% veel lager is dan de genoemde verhouding 2.000
/ 4.400. Dat is namelijk 45%.
Het genoemde aantal van 4.400 betreft het totaal aantal extra woningen dat via de
SFT-regeling kan worden gerealiseerd. Het getal van 2.000 in de memorie van toelichting
verwijst naar het verwachte aantal vergunninghouders dat in deze woningen gehuisvest
kan worden. Hierbij is rekening gehouden met een gemiddelde bezetting van 1,5 persoon
per woning, vanwege plaatsing van gezinnen en de toepassing van woningdelen.
De berekening is als volgt: 30% van 4.400 woningen is 1.320 woningen. Vermenigvuldigd
met 1,5 persoon per woning komt dit neer op circa 1.980 personen, wat overeenkomt
met het genoemde aantal van ongeveer 2.000 vergunninghouders.
32. De leden van de CDA-fractie constateren dat met het voorgestelde verbod op voorrang
voor vergunninghouders wordt beoogd effecten te bereiken in de verdeling van schaarse
woonruimte. Deze leden vragen welke effecten door de regering specifiek aan dit wetsvoorstel
worden toegeschreven, onderscheiden van effecten die voortvloeien uit andere maatregelen
of ontwikkelingen.
Door het in dit wetsvoorstel voorgestelde verbod op voorrang voor vergunninghouders
zorgt het kabinet in ieder geval voor een eerlijkere verdeling van schaarse sociale
huurwoningen en een normalisering van de positie van vergunninghouders ten opzichte
van andere woningzoekenden. Zoals in het antwoord op vraag 4 staat toegelicht, is
het bepalen van daadwerkelijke wachttijd complex door de vele woonruimteverdeelsystemen
en wordt de wachttijd in de praktijk altijd lokaal bepaald. Daarnaast is de druk van
vergunninghouders op de wachttijden ook afhankelijk van de asielinstroom en is deze
grillig. Het is wel aannemelijk dat de wachttijd voor overige woningzoekenden die
nu ingeschreven staan bij een woonruimteverdeelsysteem zal dalen, maar in welke mate
is niet precies te zeggen. Daarnaast verwacht het kabinet dat als gevolg van dit verbod
op voorrang het aantal woningen dat jaarlijks met voorrang aan vergunninghouders wordt
toegewezen, daalt.
33. Zij vragen welke aannames zijn gehanteerd bij het toeschrijven van deze effecten aan
dit wetsvoorstel.
Zie het antwoord op vraag 32.
34. De leden van de CDA-fractie vragen welke van deze aan het wetsvoorstel toegeschreven
effecten kwantitatief zijn onderbouwd.
Zie beantwoording van vraag 2.
35. Deze leden vragen welke indicatoren worden gebruikt om vast te stellen of de aan dit
wetsvoorstel toegeschreven effecten zich in de praktijk voordoen en wat voor deze
indicatoren de nulmeting is.
Het kabinet is van mening dat het wetsvoorstel primair een ervaren ongelijkheid op
de woningmarkt oplost. Recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)
bevestigt dit, want laat zien dat naar schatting 71% van de mensen in Nederland vindt
dat de aanwezigheid van vluchtelingen het vinden van een woning voor Nederlanders
moeilijker maakt; daarnaast heeft 68% van de bevolking er geen begrip voor als vergunninghouders
voorrang krijgen op een sociale huurwoning. Verder verwacht het kabinet, zoals in
antwoord op vraag 32 toegelicht, dat de wachttijd als gevolg van dit wetsvoorstel
afneemt en dat het aantal woningen dat jaarlijks met voorrang aan vergunninghouders
wordt toegewezen, daalt. Het is niet precies bekend hoeveel vergunninghouders op dit
moment met gebruik van de voorrangsmogelijkheden op grond van de Huisvestingswet 2014
worden gehuisvest, CBS schat in dat dit ca. 7% is en wiskundige en cultureel antropoloog
dr. Van de Beek schatte op basis hiervan in dat, gedurende de periode 2015–2018, gemiddeld
per jaar ongeveer 32% van het aantal vrijgekomen huurwoningen waarvoor «jonge sociale
huurstarters» met een laag genoeg inkomen in aanmerking zouden komen aan vergunninghouders
werd toegewezen.
36. Zij vragen of aan deze indicatoren een tijdpad is gekoppeld en op welk moment kan
worden vastgesteld of effecten daadwerkelijk aan dit wetsvoorstel kunnen worden toegeschreven.
Het kabinet stelt voor om deze wet vijf jaar na inwerkingtreding ervan te evalueren.
37. De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze wordt geëvalueerd of de aan dit
wetsvoorstel toegeschreven effecten zich hebben gerealiseerd.
Deels zit het resultaat van de wet volgens het kabinet in een ervaren ongelijkheid
op de woningmarkt die wordt opgelost. Dit laat zich moeilijk kwantificeren. Tegelijkertijd
kan bij de evaluatie van de wet gekeken worden naar het toewijzingspercentage aan
vergunninghouders, het concurrentie-effect op andere groepen woningzoekenden en de
gemiddelde wachttijd – hoewel dat laatste punt, zoals toegelicht in antwoord op vraag
2, op dit moment nog niet vergelijkbaar is.
38. Deze leden vragen of de regering inzichtelijk kan maken in hoeverre deze effecten
naar verwachting regionaal verschillen en welke betekenis deze regionale verschillen
hebben gehad bij de keuze voor een generiek instrument.
Zie antwoord op vraag 2.
39. De leden van de FVD-fractie lezen dat het gemeenten met dit wetsvoorstel gedurende
het eerste jaar na inwerkingtreding nog steeds vrij staat om vergunninghouders met
voorrang aanspraak te laten maken op onzelfstandige woonruimten. In de MvT staat aangegeven
dat de regering hiermee de uitstroom uit asielzoekerscentra wil faciliteren. De regering
is zelfs voornemens om in de voorbereidingsfase meer onzelfstandige woningen te bouwen
om deze uitstroom te realiseren. Deze leden vragen zich af of de regering het wenselijk
acht dat vergunninghouders een woning betrekken ten koste van Nederlandse studenten.
Waarom moeten Nederlandse studenten bij hun vader en moeder op zolder wachten totdat
er een plekje beschikbaar komt, terwijl vergunninghouders met voorrang een woonruimte
toegewezen krijgen? Wanneer men namelijk redeneert vanuit een integratieperspectief
zou dit nog steeds een zeer kwestieuze handelwijze zijn, aangezien Nederlandse studenten
ook in de startblokken van hun maatschappelijke betrokkenheid staan en bekend dienen
te raken met de Nederlandse samenleving.
Zoals ook in antwoord op vraag 29 staat toegelicht, zet het kabinet zich in om de
positie van vergunninghouders ten opzichte van andere groepen woningzoekenden te normaliseren.
Tegelijkertijd heeft het kabinet ook te maken met het feit dat een aanzienlijk deel
van de opvangcapaciteit bij het COA ongewenst lang wordt ingenomen door vergunninghouders
die al hadden moeten uitstromen naar huisvesting. Dit leidt tot vertraging bij inburgering
en integratie en tot knelpunten en hoge kosten in de asielopvang. Om dit te bevorderen
zet het kabinet in op uitbreiding van (tijdelijke en gedeelde) huisvestingsoplossingen
voor verschillende doelgroepen, waar ook vergunninghouders gebruik van kunnen maken.
Daarnaast zijn in 2025 verschillende regelingen getroffen om de woningbouw financieel
te ondersteunen, waaronder een financiële regeling om de huisvesting van studenten
te bevorderen. De Regeling Huisvesting Aaandachtsgroepen (RHA) stelt gemeenten in
staat om versneld huisvesting te realiseren voor aandachtsgroepen door een financiële
bijdrage te leveren aan de bouw van nieuwe woonvormen. In 2025 is er € 30 miljoen
beschikbaar gesteld voor de reguliere RHA-tranche en € 30 miljoen voor een extra RHA-tranche
specifiek gericht op het realiseren van met name (onzelfstandige)studentenwoningen.
De aanvragen voor de RHA-tranche specifiek gericht op studenten hebben een omvang
van € 55,7 miljoen. In de RHA-tranche voor studenten zijn aanvragen ontvangen voor
een hoger totaalbudget dan er beschikbaar was. Ik heb tot mijn genoegen het plafondbedrag
voor deze tranche kunnen verhogen tot maximaal € 49 miljoen in de Tweede suppletoire
begroting 2025, hierdoor worden 2.322 onzelfstandige woonruimten en 3.124 zelfstandige
woonruimten voor studenten gerealiseerd. De beide tranches van dit jaar dragen bij
aan de bouw van 8.251 woningen. Voor de RHA is dit vooralsnog de laatste tranche.
Het is de bedoeling dat de RHA zal worden voortgezet door gebruik te maken van de
Realisatie-stimulans.14
40. Daarbij wordt er in de MvT een «gefaseerde invoer» beschreven. Hierbij lezen de leden
van de FVD-fractie dat de aanloop naar de inwerkingtreding (de voorbereidingsfase)
in het teken staat van het aanpakken van de achterstand op de taakstelling en het
zo snel mogelijk huisvesten van vergunninghouders door gemeenten. Deze leden merken
op dat de druk op de woningmarkt als gevolg van het huidige wetsvoorstel dus op korte
termijn zal toenemen en vraagt zich af of de voorgenomen afschaffing van de taakstelling
niet beter kan worden ingevoerd vóórdat het huidige wetsvoorstel doorgang vindt. Op
die manier hoeven niet eerst 30.000 vergunninghouders ten koste van Nederlanders van
een woning te worden voorzien.
De taakstelling kan niet op korte termijn worden afgeschaft, omdat deze structureel
is verweven met de systematiek van de Wet inburgering 2021 (zie ook antwoord op vraag
252). Zonder taakstelling ontbreekt de basis voor de uitvoering van die wet. Het kabinet
acht een eerdere afschaffing van de taakstelling zonder voorafgaande wijziging van
de Wet inburgering 2021 en het ontwikkelen van een alternatief koppelingsmechanisme
niet uitvoerbaar. Daarom moeten aanpassing van de Wet inburgering 2021 en afschaffing
van de taakstelling zorgvuldig en in samenhang plaatsvinden. De Staatssecretaris Participatie
en Integratie heeft een wetswijziging voorbereid waarbij de BRP-inschrijving na huisvesting
bepalend wordt voor welke gemeente verantwoordelijk is voor het inburgeringstraject.
Het vervolg hiervan is aan een nieuw kabinet.
Zie ook het antwoord op vraag 252.
41. De leden van de FVD-fractie lezen dat in de MvT voortdurend wordt gesproken over «normalisering»
van vergunninghouders ten opzichte van Nederlanders. Deze leden willen benadrukken
dat vergunninghouders geen Nederlanders zijn. Zij hebben geen paspoort, mogen niet
stemmen, hebben niet bijgedragen aan het opbouwen van onze sociale voorzieningen,
spreken de taal niet, et cetera. Wat de leden van de FVD-fractie betreft zijn vergunninghouders
dan ook niet gelijkgesteld, of «genormaliseerd» ten opzichte van Nederlanders, maar
hebben Nederlanders juist voorrang op de woningmarkt. Deze leden vragen de regering
of het binnen het huidige wetsvoorstel mogelijk is de Huisvestingswet 2014 aan te
passen op een wijze die gemeenten expliciet de bevoegdheid biedt om bij de woonruimteverdeling
voorrang te verlenen aan woningzoekenden met de Nederlandse nationaliteit.
In de memorie van toelichting wordt gesproken over het normaliseren van de positie
van vergunninghouders met andere woningzoekenden. Het aanpassen van de Huisvestingswet
2014 zodat alleen voorrang zou kunnen worden verleend aan Nederlanders zou in strijd
zijn met zowel de Grondwet als internationale verdragen waarin het recht op huisvesting
of de vrijheid van verplaatsing en vestiging zijn opgenomen.
De Grondwet en internationale verdragen en gelden voor iedereen die zich in Nederland
bevindt, ongeacht nationaliteit of verblijfsstatus. De meeste klassieke grondrechten
zoals gelijke behandeling, vrijheid van meningsuiting, godsdienst, vergadering, privacy
en het recht op een eerlijk proces gelden voor ieder en beschermen dus ook niet-Nederlanders.
Sociale grondrechten gelden in beginsel dan ook voor iedereen, maar mogen door de
wetgever worden begrensd, vaak op basis van rechtmatig verblijf. Uitsluitend het kiesrecht
(met uitzondering van gemeenteraadsverkiezingen, waterschapsverkiezingen en verkiezingen
voor het Europees Parlement waarvoor ook bepaalde mensen die niet de Nederlandse nationaliteit
hebben mogen stemmen) en de toegang tot bepaalde openbare functies, omdat deze samenhangen
met democratische zeggenschap en staatsmacht zijn expliciet voorbehouden aan Nederlanders.
Internationale verdragen gelden voor iedereen die zich binnen het grondgebied van
een lidstaat bevindt, ongeacht nationaliteit of verblijfsstatus (territoriale werking).
42. De leden van de BBB-fractie constateren dat de regering zegt dat er financiële regelingen
zijn (zoals de SFT en de regeling voor doorstroomlocaties) om extra onzelfstandige
woonruimte te creëren. Tegelijkertijd twijfelt de Raad van State of het realistisch
is om vóór 1 juli 2027 genoeg capaciteit te realiseren. Welke harde garanties of extra
financiële middelen stelt de regering beschikbaar om ervoor te zorgen dat de doelstellingen
voor onzelfstandige woonruimte en doorstroomlocaties uiterlijk op 1 juli 2027 worden
gehaald, zeker nu bestaande instrumenten zoals HAR+ stoppen en de woningnood zeer
hoog blijft?
Er zijn verschillende financiële regelingen ingezet om extra (on)zelfstandige woonruimte
te creëren op de korte- en lange termijn. Het kabinet heeft een doelgroepflexibele
regeling en de SFT+ uitgewerkt en zet in op flexibele, tijdelijke en eenvoudige vormen
van huisvesting voor verschillende groepen woningzoekenden. Hierbij wordt ook gekeken
naar mogelijkheden waarbij opvang kan worden omgezet naar huisvesting.
Als kortetermijnmaatregel voor de uitstroom van vergunninghouders kunnen gemeenten
gedurende 2026 gebruik maken van de bekostigingsregeling voor doorstroomlocaties.
Met deze regeling ondersteunt het Rijk gemeenten financieel gedurende 3 jaar bij het
transformeren en exploiteren van een doorstroomlocatie. Tot nu toe is er ca. € 100
miljoen toegezegd aan gemeenten voor de realisatie van circa 1400 plekken plus de
geplande realisatie van circa 400 plekken in de eerste helft van 2026. Daarnaast worden
doorstroomlocaties onder verbeterde voorwaarden ten opzichte van de huidige bekostigingsregeling
voor doorstroomlocaties ook mogelijk gemaakt via de doelgroepflexibele regeling (zie
hieronder).
Een tweede kortetermijnmaatregel is de HAR+ regeling op basis waarvan gemeenten in
aanmerking komen voor een eenmalig bedrag van 30.000 euro per vergunninghouders als
ze zorgen voor tijdelijk onderdak of onzelfstandige huisvesting (zoals bijvoorbeeld
woningdelen) voor hen. Deze regeling is verlengd tot 1 juli 2026 en biedt financieel
ruimte voor het bieden van onderdak aan maximaal 1.500 vergunninghouders.
Daarnaast heeft het kabinet een doelgroepflexibele regeling voor gemeentelijke opvang
en tijdelijke huisvesting uitgewerkt en inhoudelijk afgerond in afstemming met de
VNG. Het doel van deze regeling is om lokale overheden, langjarig voor de duur van
vijf jaar, beter in staat te stellen opvang en tijdelijke huisvesting voor de verschillende
doelgroepen te realiseren. Hierbij worden de gemeentelijke locaties onafhankelijk
van de daarin verblijvende doelgroepen gefinancierd, voor zowel vergunninghouders
in doorstroomlocaties, Oekraïense ontheemden en/of asielzoekers. Inzet is dat gemeentelijke
spoedzoekers hier ook gebruik van kunnen maken. Dit leidt tot duurzamere locaties
en zekerheid bij gemeenten voor investeringen. Zo worden de daadwerkelijk gemaakte
locatiegebonden kosten vergoed, wordt de normvergoeding voor uitvoeringskosten twee
jaar in plaats van een jaar doorbetaald en kan een gemeente voor vijf jaar in plaats
van drie jaar verplichtingen aangaan. De beoogde inwerkingtreding van deze inhoudelijk
afgeronde en afgestemde regeling is 1 mei 2026, onder voorbehoud van definitieve financiële
besluitvorming bij Voorjaarsnota 2026, zodat gemeenten in staat zijn om de regeling
adequaat te kunnen uitvoeren. Tot de inwerkingtreding lopen de huidige bestaande financiële
regelingen nog door.
De juridische mogelijkheden worden onderzocht voor een eenvoudige vorm van onderdak,
waarmee de huisvestingsmogelijkheden voor eigen woningzoekenden, vergunninghouders
en Oekraïense ontheemden kunnen worden uitgebreid, met behulp van de doelgroepflexibele
regeling. Daarbij is een van de uitgangspunten dat opvanglocaties kunnen worden getransformeerd
naar eenvoudige huisvesting en ingezet voor een bredere groep. Voor de SFT is er vanaf
2026 aanvullend budget beschikbaar om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en wensen.
De regeling is aangepast door verhoging van het budget naar € 177 miljoen (excl. 1,5
miljoen uitvoeringskosten). Onzelfstandige woonruimten en woningsplitsen worden aan
de regeling toegevoegd. De bijdrage incl. btw per zelfstandige woning is € 14.000
en € 7.000 per onzelfstandige woning. De regeling wordt uitgebreid met een bijdrage
incl. btw voor sociaal beheer van € 6.000 per zelfstandige woonruimte en € 4.000 per
onzelfstandige woonruimte. Er komt begin 2026 een nieuwe tranche. Vanaf 19 januari
2026 kunnen nieuwe aanvragen gedaan worden. Het aanvraagtijdvak sluit eind 2027 of
op het moment waarop het uitkeringsplafond is bereikt.
43. De leden van de SGP-fractie constateren dat het voorliggende wetsvoorstel moet worden
bezien in samenhang met de Wet invoering tweestatusstelsel en de Asielnoodmaatregelenwet.
Stel dat één of beide wetten niet worden aangenomen, welke gevolgen heeft dat voor
het voorliggende wetsvoorstel? Zijn er dan nog aanpassingen nodig? In hoeverre is
de voorliggende wet dan nog opportuun?
Zie het antwoord op vraag 20 en 21.
44. Ook lezen deze leden dat het voorliggende wetsvoorstel moet worden bezien in het licht
van het voornemen om de taakstelling voor gemeenten om vergunninghouders te huisvesten
in te trekken. Klopt het dat daarvoor nog geen concreet plan ligt?
Zie het antwoord op vraag 40.
45. Komen gemeenten niet in grote problemen als de taakstelling, vooralsnog, blijft bestaan,
maar de mogelijkheid tot voorrangverlening voor vergunninghouders wordt afgeschaft?
Hoe kunnen gemeenten dan nog aan hun wettelijke taken voldoen?
Zie het antwoord op vraag 9.
46. De leden van de SGP-fractie zijn namelijk voorstander van het koppelen van deze twee
zaken in een gezamenlijk pakket. Zij vragen de regering waarom het voorliggende wetsvoorstel
niet wordt gekoppeld aan de afschaffing van de taakstelling.
Zie het antwoord op vraag 40.
47. Deze leden lezen in de MvT dat, in aanloop naar de beoogde inwerkingtreding van het
wetsvoorstel op 1 juli 2026, voorbereidingen worden getroffen voor de inwerkingtreding.
Zo wordt de achterstand op de taakstelling aangepakt en wordt de (tijdelijke) woningvoorraad
uitgebreid. Hoe staat het met beide zaken?
Zie het antwoord op vraag 9.
48. Kan de wet op 1 juli 2026 in werking treden?
Zie het antwoord op vraag 9.
49. Zij zijn verheugd te lezen dat de regering specifiek aandacht heeft voor de positie
van grote gezinnen. Welke mogelijkheden bestaan reeds om bijvoorbeeld voorrang te
verlenen aan grote gezinnen?
Gemeenten kunnen al in de huisvestingsverordening bepalen dat voorrang wordt gegeven
op basis van passendheid.15 Hiermee kunnen gezinnen met minderjarige kinderen mogelijk sneller gehuisvest worden.
Daarnaast is tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting
in de Tweede Kamer het amendement Grinwis c.s.16 aangenomen. Hiermee zijn gezinnen zonder vaste verblijfplaats met minderjarige kinderen
onderdeel geworden van de verplichte categorieën urgent woningzoekenden die met voorrang
moeten worden gehuisvest die het wetsvoorstel introduceert. Het kabinet is van mening
dat gemeenten hiermee over voldoende mogelijkheden beschikken om voorrang te verlenen
aan gezinnen.
50. De leden van de SGP-fractie wijzen daarop ook op de situatie in Amsterdam, waar lokaal
is vastgelegd dat grote gezinnen in bepaalde situaties voorrang krijgen. Welke mogelijkheden
ziet de regering om deze voorrangspositie voor grote gezinnen uit te breiden of breder
mogelijk te maken?
Het kabinet is van mening dat gemeenten voldoende mogelijkheden hebben om voorrang
te verlenen aan gezinnen en ziet dan ook geen aanleiding om de voorrangspositie voor
grote gezinnen uit te bereiden of breder mogelijk te maken.
51. Deze leden hebben vernomen dat het op dit moment zo is dat nareizende gezinsleden
worden opgevangen in een COA-locatie, ook als de referent een eigen sociale huurwoning
heeft. Het beleid zou hierop aangepast worden, zodat deze gezinsleden onder worden
gebracht in de sociale huurwoning en geen extra druk legt op de beperkte opvangcapaciteit.
Kan de regering toelichten in hoeverre het beleid op dit punt is aangepast? Welke
eventuele aanpassingen zijn er nodig om dit ook wettelijk gezien te borgen?
Er verblijven inderdaad nareizigers in de opvang, waarvan de referent reeds gehuisvest
is. In sommige gevallen is er een duidelijke reden waarom een gezin niet kan worden
bijgeplaatst bij de referent, bijvoorbeeld omdat de referent is gehuisvest in een
kleine studio of een doorstroomlocatie waar het fysiek niet mogelijk is om een groot
gezin onder te brengen.
Op 23 september 202517 is de maatregel aangekondigd om nareizigers van wie de referent reeds gehuisvest
is, door te verwijzen naar de referent en hen niet langer in de COA-opvang onder te
brengen. Het COA toetst hierbij wel op contra-indicaties, zoals medische kwetsbaarheid.
In december is deze maatregel geëvalueerd en is besloten deze werkwijze voor kleine
gezinseenheden (één tot twee nareizigers) om te zetten in staand beleid. Voor grotere
gezinnen gaan regievoerders van het COA het gesprek aan met gemeenten om de uitstroom
te versnellen.
Ondanks deze inzet blijft het aantal vergunninghouders en nareizigers in de COA-opvang
hoog. Om die reden is het COA de opdracht gegeven om nareizigers die zijn gekoppeld
aan gemeenten met een achterstand op de taakstelling voor de huisvesting van vergunninghouders,
direct na registratie in Zevenaar door te sturen naar een tijdelijke accommodatie
in of nabij de betreffende gemeente. De gemeente neemt zo snel mogelijk de verantwoordelijkheid
voor de nareizigers over. Vanuit het Rijk zijn verschillende stimuleringsmiddelen
beschikbaar om gemeenten hierbij te ondersteunen, zoals de HAR+ en de bekostigingsregeling
voor doorstroomlocaties. De ervaring leert echter dat het merendeel van de nareizigers
binnen deze termijn regulier zal worden gehuisvest.
Een structurele oplossing voor dit probleem ligt onder andere in de Wet op het tweestatusstelsel,
waarin wordt geregeld dat subsidiair beschermden hun gezin alleen naar Nederland kunnen
laten overkomen indien wordt voldaan aan de huisvestings- en middelenvereisten.
52. Zij vragen de regering welke mogelijkheden zij ziet om grote gezinnen van vergunninghouders
beter en sneller te huisvesten, aangezien onze woningmarkt steeds meer is ingericht
op één- en tweepersoonshuishoudens en daardoor onvoldoende passend aanbod biedt voor
grotere gezinnen.
Er is een financiële regeling beschikbaar voor gemeenten om grotere gezinnen vergunninghouders
passend te huisvesten. Via de Regeling huisvesting grote gezinnen vergunninghouders
(HGGV) kunnen gemeenten een aanvraag doen om woningen geschikt te maken voor grote
gezinnen. De regeling heeft tot doel de huisvesting van vergunninghouders-gezinnen
van zes personen of meer te versnellen. De maximale bijdrage bedraagt € 35.000 voor
gezinnen van zes tot en met negen personen en € 50.000 voor gezinnen van tien personen
of meer.
53. De leden van de SGP-fractie constateren dat er diverse maatregelen worden genomen
om de huisvestingsmogelijkheden voor vergunninghouders te verbeteren. Deze huisvestingsopties
moeten «significant uitgebreid zijn». Wanneer is dit bereikt? Hoeveel plekken moeten
bijvoorbeeld gerealiseerd zijn in onzelfstandige woonruimten? Hoeveel plekken moeten
er gerealiseerd zijn in «opstartwoningen»? Hoeveel doorstroomlocaties moeten erbij
gekomen zijn?
De voorbereidingsfase (t/m 1 juli 2026) staat in het teken van het aanpakken van de
achterstand op de taakstelling, het uitbreiden van de (tijdelijke) woningvoorraad
en voorbereiding op een meer gelijk speelveld door het verbod op voorrang. Het is,
zoals in antwoord op vraag 9 toegelicht, belangrijk dat de groep vergunninghouders
die nu te lang op huisvesting wacht in de asielopvang op korte termijn uitstroomt.
Deze groep bestond op 1 oktober 2025 uit ca. 12.500 personen. Inschatting is dat deze
groep voor ca. 60 procent bestaat uit eenpersoonshuishoudens, die met meerdere personen
een woning kunnen delen. Om dit te stimuleren stelt het kabinet verschillende regelingen
ter beschikking, die in het antwoord op vraag 42 staan toegelicht. Het overige deel
zijn gezinnen met minderjarige kinderen. Voor deze groep is een gezinswoning in de
reguliere woonvoorraad passend. De extra plekken die in deze fase worden gecreëerd,
zijn ook nodig voor de groep die, bij ingang van het verbod op voorrang, niet zelf
in huisvesting kan voorzien (zie hieronder).
In de implementatiefase (1 juli 2026 t/m 1 juli 2027) en de normalisatiefase (vanaf
juli 2027) wordt ingezet op de volgende tweedeling:
1. Vergunninghouders die zelf in huisvesting kunnen voorzien: het kabinet is van mening
dat het primair de eigen verantwoordelijkheid is van vergunninghouders om in huisvesting
te voorzien en verwacht dat een deel van de vergunninghouders in staat is om zelf
in huisvesting te voorzien wanneer zij niet meer met voorrang een sociale huurwoning
krijgen aangeboden, maar beschikt niet over cijfers over hoe groot die groep is.
2. Vergunninghouders die niet zelf in huisvesting kunnen voorzien: om extra aanbod te
creëren voor diverse doelgroepen, wordt (via de in antwoord op vraag 42 geschetste
regelingen) aan de realisatie (opstart)woningen voor verschillende doelgroepen gewerkt.
De groep vergunninghouders die, bij ingang van het verbod op voorrang, niet zelf in
huisvesting kan voorzien, kan eventueel een beroep doen op deze woonvormen. Zij kunnen
daarbij het eerste jaar nog voorrang krijgen op een onzelfstandige woonplek. Het Kabinet
beschikt niet over cijfers over hoe groot deze groep is. Daarom kan niet worden gezegd
hoeveel woningen er voor deze groep nodig zouden zijn.
Voor gezinnen met minderjarige kinderen die niet zelf in huisvesting kunnen voorzien,
geldt dat de huisvestingsopties die de komende jaren extra worden gerealiseerd in
veel gevallen niet passend zullen zijn. Deze gezinnen moeten daarom vooral in de reguliere
woningvoorraad huisvesting vinden. Dat dient dan wel te gebeuren op grond van andere
voorrangsgronden dan hun verblijfsvergunning of zonder voorrang in gemeenten waar
geen huisvestingsverordening van kracht is. Het kabinet is van mening dat gemeenten
voldoende instrumenten hebben om dat tot doen. Het kabinet heeft geen cijfers over
hoeveel gezinnen dit precies zijn en hoelang het duurt voordat zo’n gezin een woning
kan vinden.
Zoals in antwoord op vraag 9 aangegeven, constateert het kabinet hierbij wel dat gemeenten
waarschijnlijk meer tijd nodig zullen hebben om de extra (onzelfstandige) woonruimten
te realiseren. Daarnaast moeten de wetsvoorstellen die moeten leiden tot een afname
van het aantal te huisvesten vergunninghouders (wetsvoorstel invoering tweestatusstelsel
en asielnoodmaatregelen) nog worden behandeld in de Eerste Kamer. Gegeven deze zaken,
is het kabinet bereid om met uw Kamer in gesprek te gaan over het verschuiven van
het moment van inwerkingtreding.
54. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of zij verwacht dat nieuwe
maatregelen ten aanzien van de asielketen voldoende effect zullen hebben ten tijde
dat deze wet in zou moeten gaan, namelijk juli 2026. Waarop baseert de regering deze
verwachting?
Zie het antwoord op vraag 9.
55. Deze leden vragen de regering of zij bereid is de implementatiefase, die een jaar
vanaf de invoering duurt, te verlengen als blijkt dat de voorwaarden van aantallen
huizen nog niet op orde zijn.
Zie het antwoord op vraag 9.
56. Zij vragen de regering of zij een streefgetal in gedachten heeft voor hoeveel extra
woningen/wooneenheden erbij moeten zijn gekomen om te kunnen spreken van een goede
implementatie van deze wet.
Zie antwoord op vraag 53.
57. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering hoeveel gebruik er al is gemaakt
van de SFT, de bekostigingsregeling doorstroomlocaties en de regeling voor een eenmalig
bedrag bij uitstroom naar onzelfstandig wonen of tijdelijk onderdak (HAR+).
Op januari 2026 is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van alle financiële regelingen
vanuit het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.18 Sinds 2022 is vanuit de SFT voor ruim € 152 miljoen aan beschikkingen verleend aan
184 projecten. Hiermee wordt bijgedragen aan 15.648 betaalbare woningen, waarvan er
tot en met 2024 al bijna 1.000 gestart zijn. De meeste bouwprojecten die een bijdrage
uit de SFT hebben ontvangen verlopen volgens (vernieuwde) afspraak (ongeveer 70%).
Ongeveer zeventien procent van de projecten dreigt van de afgesproken aantallen of
planning af te wijken en ongeveer 13% van de projecten verloopt definitief niet volgens
afspraak. De projecten die niet meer volgens planning lopen zijn gemiddeld met achttien
maanden vertraagd. Er zijn vier projecten geannuleerd om uiteenlopende redenen zoals
het niet kunnen realiseren van het project binnen de gevraagde periode. Er is vanaf
2026 aanvullend budget beschikbaar om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en wensen.
De regeling is aangepast door verhoging van het budget naar € 177 miljoen (excl. 1,5
miljoen uitvoeringskosten). Onzelfstandige woonruimten en woningsplitsen worden aan
de regeling toegevoegd. De bijdrage incl. btw per zelfstandige woning is € 14.000
en € 7.000 per onzelfstandige woning. De regeling wordt uitgebreid met een bijdrage
incl. btw voor sociaal beheer van € 6.000 per zelfstandige woonruimte en € 4.000 per
onzelfstandige woonruimte. Er komt begin 2026 een nieuwe tranche. Vanaf 19 januari
2026 kunnen nieuwe aanvragen gedaan worden. Het aanvraagtijdvak sluit eind 2027 of
op het moment waarop het uitkeringsplafond is bereikt.
De bekostigingsregeling doorstroomlocaties biedt nu ca. 1400 plekken voor vergunninghouders
in doorstroomlocaties, verdeeld over 39 locaties.
De regeling stimuleren uitstroom vergunninghouders uit de asielopvang 2025 (HAR+)
is in 2025 gebruikt voor het onzelfstandig huisvesten van 262 ergunninghouders in
31 gemeenten en voor het bieden van tijdelijk onderdak (bijvoorbeeld in hotels) voor
in totaal 1347 vergunninghouders in 48 gemeenten (peildatum 5 januari).
58. Ziet de regering reden om de HAR+ langer door te laten lopen dan 1 januari 2026? Zo
nee, waarom niet?
De HAR+ loopt door tot 1 juli 2026. In aansluiting heeft het kabinet een doelgroepflexibele
regeling voor opvang en tijdelijke huisvesting uitgewerkt en inhoudelijk afgerond
in afstemming met de VNG. Het doel van deze regeling is om lokale overheden, langjarig
voor de duur van vijf jaar, beter in staat te stellen opvang en tijdelijke huisvesting
voor de verschillende doelgroepen te realiseren, onder andere zodat vergunninghouders
sneller kunnen worden gehuisvest. De beoogde inwerkingtreding van deze inhoudelijk
afgeronde en afgestemde regeling is 1 mei 2026, onder voorbehoud van definitieve financiële
besluitvorming bij Voorjaarsnota 2026. Zie verder het antwoord op vraag 42.
59. Deze leden vragen de regering hoeveel plaatsen er momenteel in doorstroomlocaties
gereed zijn? Hoeveel zullen dat er in juli 2026 zijn? Hoeveel plaatsen wil de regering
gerealiseerd hebben als deze wet in gaat?
Op dit moment zijn er circa 1400 plekken in doorstroomlocaties gerealiseerd, verdeeld
over 39 doorstroomlocaties. Gedurende de eerste helft van 2026 komen daar naar schatting
400 plekken voor vergunninghouders bij.
60. Zij vragen de regering wat zij ten aanzien van dit wetsvoorstel gaat doen als de Asielnoodmaatregelenwet
niet wordt aangenomen, aangezien de veronderstelling dat door deze wet de instroom
zal dalen dan niet meer geldt?
Zie het antwoord op vraag 20 en vraag 21.
61. De leden van de ChristenUnie-fractie krijgen graag nadere uitleg van de regering waarom
ervoor is gekozen om gemeenten een taakstelling ten aanzien van vergunninghouders
te laten houden, maar tegelijk voorrang in de vergunningverlening wil verbieden. Hoe
rijmt de regering deze conflicterende bewegingen met het principe van goed bestuur,
zo vragen deze leden. Op welke manier kunnen gemeenten redelijkerwijs aan hun taakstelling
voldoen als de sociale woningmarkt voor vergunninghouders bijna ontoegankelijk is
gemaakt?
Zie het antwoord op vraag 1 en vraag 40.
62. De leden van de SP-fractie vragen of de regering erkent dat een langere verblijfsduur
van vergunninghouders in de opvang negatieve gevolgen heeft voor integratie, arbeidsmarktparticipatie
en inburgering.
Het kabinet erkent dat een langere verblijfsduur van vergunninghouders in de opvang
negatieve gevolgen kan hebben voor integratie, arbeidsmarktparticipatie en inburgering.
Langdurig verblijf in de opvang leidt tot meer onzekerheid en minder perspectief,
wat de motivatie en mogelijkheden om de taal te leren, te participeren en te werken
kan verminderen. Ook zijn in de opvang de randvoorwaarden voor succesvolle inburgering
beperkter dan na vestiging in een gemeente. Dit kan leiden tot vertraging in taalverwerving
en participatie.
Juist daarom zet het kabinet in op vroegtijdige inzet op taal, werk en participatie,
ook tijdens verblijf in de opvang, en op maatregelen om negatieve effecten van een
langer verblijf te mitigeren, zoals voorinburgering, flexibilisering van taalonderwijs
en waar nodig verlenging van de inburgeringstermijn.
2.2. Wijzigingen in de Huisvestingswet 2014
63. De leden van de CDA-fractie constateren dat het voorgestelde verbod wordt ingepast
binnen het kader van de Huisvestingswet 2014. Deze leden vragen hoe deze inpassing
in de praktijk uitwerkt voor gemeenten met uiteenlopende woningmarktsituaties.
De inpassing in de praktijk werkt voor alle gemeenten hetzelfde. Na inwerkingtreding
van het wetsvoorstel is het voor gemeenten verboden om vergunninghouders op te nemen
als categorie van urgent woningzoekenden in de huisvestingsverordening.
64. Zij vragen welke concrete beleidskeuzes gemeenten, indien dit wetsvoorstel wordt vastgesteld,
niet langer zelfstandig kunnen maken bij het vaststellen of aanpassen van een huisvestingsverordening.
Dit wetsvoorstel verbiedt gemeenten om vergunninghouders op te nemen als aparte categorie
van urgent woningzoekenden in de huisvestingsverordening.
65. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering deze beleidskeuzes op een rij kan
zetten en hierover overleg wil voeren met gemeenten, mede op basis van de ervaringen
die gemeenten zelf hebben met de gevolgen hiervan.
Zie het antwoord op vraag 64.
66. Deze leden vragen welke handelingsruimte gemeenten behouden om binnen het wettelijke
kader in te spelen op lokale omstandigheden.
Het wetsvoorstel introduceert een verbod voor gemeenten om vergunninghouders voorrang
te verlenen op grond van het zijn van vergunninghouder. Het verbod wordt vastgelegd
in de Huisvestingswet 2014. Gemeenten dienen zich hieraan te houden. Dit betekent
dat zij ten aanzien van een voorrang voor vergunninghouders op grond van het zijn
van vergunninghouder geen lokale beslissingsruimte hebben.
67. Zij vragen hoe wordt voorkomen dat gemeenten met sterk verschillende woningmarktdruk
worden geconfronteerd met een identieke beperking van lokaal maatwerk en of de regering
dit wenselijk acht gezien de grote variatie in de woningmarkt. Zij vragen hoe deze
keuze zich verhoudt tot andere wetgeving op de woningmarkt, waarin juist ruimte wordt
geboden voor regionale differentiatie.
Het kabinet erkent dat dit wetsvoorstel strekt tot een inperking van de gemeentelijke
beleidsvrijheid en de mogelijkheid tot lokaal maatwerk. Echter, dit sluit aan bij
de door het kabinet voorgenomen nieuwe systematiek zoals opgenomen in het wetsvoorstel
Versterking regie volkshuisvesting ten behoeve van een evenwichtigere verdeling van
de woningvoorraad. In dat wetsvoorstel wordt de Huisvestingswet 2014 aangepast en
wordt de beleidsvrijheid van gemeenten ingeperkt, doordat er verplichte urgentiecategorieën
worden vastgesteld en er een verplichting tot regionale verdeling van urgent woningzoekenden
wordt ingesteld. Gezien deze verdeling op regionaal niveau moet worden gemaakt is
er op dit niveau ruimte voor differentiatie gegeven de omstandigheden in de lokale
woningmarkt.
Het kabinet vindt het zaak om de schaarse sociale huurwoningen eerlijker te verdelen
en meer gelijke kansen voor woningzoekenden te creëren. Het is redelijk om daarbij
ook te kijken naar de en de positie van vergunninghouders en deze gelijk te trekken
met andere regulier woningzoekenden. Het kabinet acht het in tijden van grote woningschaarste
onwenselijk dat in de huidige situatie voorkomt dat vergunninghouders sneller een
woning wordt toegewezen dan andere woningzoekenden die reeds langer ingeschreven staan
2.2.1. Werking en uitputtende karakter van de Huisvestingswet 2014
68. De leden van de JA21-fractie vragen de regering naar aanleiding van de MvT, waarin
wordt gesteld dat de Huisvestingswet 2014 een uitputtende regeling vormt voor woonruimteverdeling,
of de regering kan bevestigen dat gemeenten geen alternatieve constructies mogen hanteren
om vergunninghouders alsnog feitelijk voorrang te geven, bijvoorbeeld via prestatieafspraken
met woningcorporaties.
Het uitgangspunt van de Huisvestingswet 2014 is dat, indien een gemeente het noodzakelijk
acht om regels te stellen omtrent woningtoewijzing, dit uitsluitend kan plaatsvinden
via een huisvestingsverordening. Ook indien er geen schaarste aan woonruimte is en
de gemeente een urgentieregeling wil instellen moet dit via een huisvestingsverordening
plaatsvinden. Er zijn ook gemeenten zonder huisvestingsverordening. In dat geval is
de verhuurder vrij om de woning toe te wijzen aan een huurder. Hierbij dient hij uiteraard
wel de algemene regels uit de Wet goed verhuurderschap te respecteren.
Reeds sinds de inwerkingtreding van de Huisvestingswet 2014 is het niet de bedoeling
dat, indien gemeenten invloed willen uitoefenen op de woonruimteverdelingsregels van
woningcorporaties, gemeenten dit doen via lokale prestatieafspraken. De Huisvestingswet
2014 bepaalt dat uitsluitend bij verordening regels gesteld mogen worden over de verdeling
van woonruimte.19 De prestatieafspraken zien immers niet op woonruimteverdeling, maar uitsluitend op
bijvoorbeeld de geplande investeringen van de corporatie voor verschillende types
van woonruimte.
In het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting is opgenomen dat iedere gemeente
een urgentieregeling moet opstellen op basis waarvan ten minste de in dat wetsvoorstel
genoemde categorieën woningzoekenden urgentie krijgen. Gemeenten kunnen zelf aanvullende
urgentie categorieën opnemen in hun urgentieregeling. Met deze verplichting om een
urgentieregeling vast te stellen wordt het uitsluitend mogelijk om via een huisvestingsverordening
regels te stellen inzake woonruimteverdeling, ook indien er geen schaarste is in de
gemeente. Daardoor wordt de ongewenste praktijk om toch via afspraken met corporaties
hierop te sturen uitgesloten.
In dit wetsvoorstel is opgenomen dat vergunninghouders niet mogen worden aangewezen
als categorie van urgent woningzoekenden, op de grond dat ze vergunninghouder zijn.
Op deze wijze wordt het na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel dus onmogelijk om
voorrang te verlenen aan vergunninghouders op de grond dat ze vergunninghouder zijn.
De leden van de FVD-fractie constateren tot overmaat van ramp dat de Huisvestingswet
2014 (Hvw) een taakstelling bevat die gemeenten verplicht om een bepaald aantal vergunninghouders
te huisvesten, waardoor het voor Nederlanders nóg moeilijker wordt om een woning te
vinden en aan hun leven te beginnen. De huisvesting van deze vergunninghouders geschiedt
op dit moment in veel gevallen via de in dezelfde wet opgenomen huisvestingsverordening
en urgentieregeling, die gemeenten in staat stellen om vergunninghouders op te nemen
in een urgentiecategorie, waardoor zij met voorrang een woning toegewezen krijgen.
Het onderhavige wetsvoorstel bevat een verbod op het aanmerken van vergunningverleners
als urgent woningzoekenden op grond van het feit dat zij vergunninghouders zijn. Echter,
aangezien de taakstelling met dit voorstel vooralsnog ongewijzigd blijft, dreigt het
gevaar dat gemeenten alle mogelijke manieren zullen aanpakken om aan de huisvestingsverplichtingen
die hierin worden voorgeschreven, te voldoen. Gemeenten mogen bijvoorbeeld volgens
Artikel 12.1 van de Hvw nog steeds voorrang geven aan woningzoekenden voor wie een
woonruimte «dringend noodzakelijk» is. Dit is een open norm die op allerlei manieren
ingevuld kan worden. Daarnaast wordt in de MvT beschreven dat het mogelijk blijft
voor gemeenten om met voorrang vergunningen te verlenen wanneer de aard, grootte,
of prijs van de woning passend is voor de woningzoekende (Artikel 11 Hvw), of wanneer
er sprake is van economische of maatschappelijke binding tussen woningzoekende en
woningmarktregio (Artikel 14 Hvw).
De leden van de BBB-fractie constateren dat de wettelijke taakstelling voor huisvesting
van vergunninghouders wordt afgeschaft, maar niet tegelijk met het invoeren van het
voorrangverbod. Gemeenten moeten dus nog aan hun taakstelling voldoen zonder het instrument
van voorrang.
69. Deze leden vragen de regering wat de exacte datum of in ieder geval de geplande indieningsdatum
is van het wetsvoorstel dat de taakstelling afschaft.
Zie het antwoord op vraag 252
70. Zij vragen de regering welk concreet vangnet geldt voor gemeenten als de afschaffing
vertraging oploopt voorbij juli 2027, waardoor zij nog steeds een taakstelling moeten
uitvoeren terwijl voorrang dan niet meer is toegestaan.
Zie het antwoord op vraag 1 en vraag 40.
In algemene zin onderschrijf ik de waarde en het belang van beleidsvrijheid voor gemeenten.
Gemeenten zijn, als lokaal bestuur, vaak het beste in staat om afwegingen te maken
ten aanzien van de lokale situatie, te meer omdat gemeenteraden democratisch gelegitimeerde
instituten zijn.
Dit wetsvoorstel omvat een inperking van de gemeentelijke beleidsvrijheid. In tijden
van grote schaarste wordt deze inperking gerechtvaardigd geacht. In de huidige situatie
komt het immers voor dat aan vergunninghouders sneller een woning wordt toegewezen
dan aan andere woningzoekenden die reeds langer ingeschreven staan. Naar mijn mening
is deze situatie dusdanig onwenselijk dat het inperken van de beleidsvrijheid van
gemeenten gerechtvaardigd is.
72. Tevens vragen deze leden de regering hoe zij het verbod op voorrang rijmt met het
doel van de Huisvestingswet 2014 om onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van
schaarste te bestrijden.
Het kabinet ziet dit wetsvoorstel juist als een onderdeel van het bestrijden van onevenwichtige
en onrechtvaardige effecten van schaarste. Met dit wetsvoorstel wordt de positie van
vergunninghouders ten opzichte van andere woningzoekenden genormaliseerd. Hiermee
worden vergunninghouders in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het voorzien
in huisvesting, vergelijkbaar met andere woningzoekenden.
73. Zij vragen ook hoe de regering het oordeel van de Raad van State weegt dat gemeenten
bij uitstek in staat zijn om lokaal te beoordelen of voorrang voor vergunninghouders
noodzakelijk is om onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste te voorkomen.
In artikel 2 van de Huisvestingswet 2014 is bepaald dat de gemeenteraad uitsluitend
gebruik maakt van haar bevoegdheden op grond van de Huisvestingswet 2014 voor het
bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte.
In datzelfde artikel is bepaald dat in uitzondering hierop de gemeenteraad van bepaalde
bevoegdheden gebruik kan maken indien daartoe geen noodzaak is vanuit het oogpunt
van het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan
woonruimte, waaronder artikel 12, dat voorziet in de mogelijkheid om urgentie te verlenen.
Het verlenen van urgentie kan dus ook in gevallen dat er geen schaarste is. Er kunnen
zich immers situaties voordoen waarin door externe factoren bepaalde personen dringend
een woonruimte behoeven. Ook indien er geen schaarste aan woonruimte is, betekent
dit niet er te allen tijde op zeer korte termijn een woonruimte beschikbaar is. Bij
de urgentie regeling gaat het niet alleen de onrechtvaardige of onevenwichtige effecten
van schaarste, maar om specifieke categorieën van woningzoekenden die omwille van
externe omstandigheden dringend behoefte hebben aan huisvesting.
Het kabinet acht het in tijden van grote woningschaarste onwenselijk dat in de huidige
situatie voorkomt dat vergunninghouders sneller een woning wordt toegewezen dan andere
woningzoekenden die reeds langer ingeschreven staan. Daarom wil het kabinet de bestaande
situaties van voorrang voor vergunninghouders op grond van het zijn van vergunninghouder
beëindigen. Het kabinet acht dit belang dermate zwaarwegend dat zij ingrijpen op de
gemeentelijke beleidsvrijheid in dit geval te rechtvaardigen acht.
2.2.2. Het verbod op voorrang
74. De leden van de D66-fractie vragen of de regering heeft overwogen om andere categorieën
van woningzoekenden uit te zonderen van de door de gemeente vrij te bepalen urgentiecategorieën.
Zo nee, waarom niet?
Nee. Het kabinet ziet momenteel geen aanleiding om te onderzoeken of een dergelijk
verbod voor andere categorieën van woningzoekenden opportuun zou zijn.
75. Kan de regering inzichtelijk maken welke andere aanvullende urgentiecategorieën door
gemeenten worden gehanteerd naast de verplichte categorieën?
Het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting introduceert de verplichting voor
gemeenten om een huisvestingsverordening met ten minste een urgentieregeling vast
te stellen. Hierin moeten de in het wetsvoorstel vastgelegde categorieën van urgent
woningzoekenden in ieder geval zijn opgenomen. In de huidige situatie hebben gemeenten
de beleidsvrijheid om zelf aanvullende categorieën van urgent woningzoekenden toe
te voegen. Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting
blijft deze mogelijkheid bestaan.
Gezien het primaat voor het vaststellen van een urgentieregeling en het bepalen van
de categorieën van urgent woningzoekenden bij een gemeenteraad ligt, zijn er verschillen
in de categorieën van urgent woningzoekenden die worden gehanteerd door gemeenten.
Uit de laatste inventarisatie bleek dat in 2023 178 gemeenten een huisvestingsverordening
hadden, waarvan 159 ook een urgentieregeling hadden.20 Er wordt in de huisvestingsverordening, naast de twee verplichte urgentiecategorieën
uit de Huisvestingswet 2014, vrijwel altijd urgentie verleend aan woningzoekenden
met chronische medische problematiek.21 Ook hebben veel gemeenten urgentieregels met betrekking tot stadsvernieuwing en renovatie,
noodsituaties (zoals brand) of sociale problematiek.22
76. De leden van de CDA-fractie constateren dat wordt voorgesteld een verbod in te voeren
op het verlenen van voorrang aan vergunninghouders bij de toewijzing van woonruimte.
Indien wordt gekozen voor invoering van een dergelijk verbod, vragen deze leden hoe
gemeenten in de praktijk moeten bepalen wanneer het verbod op voorrang van toepassing
is bij concrete toewijzingssituaties, met name wanneer meerdere toewijzingscriteria
gelijktijdig een rol spelen.
Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal het voor gemeenteraden niet langer mogelijk
zijn vergunninghouders op te nemen als categorie van urgent woningzoekenden in de
urgentieregeling omwille van het feit dat ze vergunninghouder zijn. Gemeenten behouden
de mogelijkheid om in de lokale huisvestingsverordening andere categorieën van urgent
woningzoekenden vast te leggen. Alle woningzoekenden die in zich in zo een situatie
bevinden, komen in aanmerking komen voor urgentie. Dus ook vergunninghouders als ze
zich in dezelfde situatie bevinden.
Dit sluit aan bij het doel van het wetsvoorstel, namelijk de positie van vergunninghouders
in lijn brengen met andere woningzoekenden en een einde te maken aan de momenteel
voorkomende situaties van bevoordeling van vergunninghouders.
77. De leden van de SP-fractie wijzen erop dat het College voor de Rechten van de Mens
stelt dat het bij voorbaat uitsluiten van vergunninghouders van voorrang leidt tot
indirect onderscheid op grond van nationaliteit en etniciteit, waarvoor geen objectieve
rechtvaardiging is gegeven. Kan de regering gemotiveerd uiteenzetten waarom zij dit
onderscheid passend, noodzakelijk en proportioneel acht?
Net als andere woningzoekenden kunnen ook vergunninghouders voorrang krijgen, bijvoorbeeld
vanwege een medische indicatie, omdat ze mantelzorger zijn of op basis van één van
de urgentiegronden die zijn opgenomen in het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting,
wanneer dit wetsvoorstel in werking treedt. Daarmee wordt de positie van vergunninghouders
en andere woningzoekenden genormaliseerd. Wat er dus verandert, is dat vergunninghouders
geen voorkeursbehandeling meer kunnen krijgen op de grond dat ze vergunninghouder
zijn. Het College voor de Rechten van de Mens pleit echter voor een voorkeursbehandeling
omdat vergunninghouders zich in een achterstandspositie zouden bevinden ten opzichte
van andere woningzoekenden en daardoor minder kans maken op het vinden van een woonruimte.
Naar het oordeel van het kabinet is het echter wenselijk om de huidige voorkeursbehandeling
van vergunninghouders af te schaffen, en is het verbod op voorrang hierom gerechtvaardigd.
Hiervoor zijn tal van redenen, die onder meer in het antwoord op vraag 1 zijn uiteengezet.
Bevoordeling van deze groep wordt door een groeiend aantal burgers als onrechtvaardig
wordt ervaren. Daarom wordt de positie van vergunninghouders genormaliseerd ten opzichte
van die van andere woningzoekenden. Het doel van dit wetsvoorstel is ook het bevorderen
van de eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van vergunninghouders. Daarnaast
worden maatregelen voorzien om voor deze groep en andere spoedzoekers meer passende
woonruimten te realiseren.
78. Deze leden vragen de regering waarom zij kiest voor een categorisch verbod op voorrang
voor vergunninghouders, in plaats van het stellen van nadere voorwaarden of waarborgen
voor het gebruik van urgentie door gemeenten, zoals ook door het College voor de Rechten
van de Mens wordt gesuggereerd.
Het kabinet is van mening dat het beëindigen van de momenteel voorkomende situaties
waarin vergunninghouders voorrang krijgen voor woonruimte op grond van het feit dat
vergunninghouder zijn het beste kan worden bereikt middels een categorisch verbod.
2.2.3. Samenhang met het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting
De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 6 van de MvT dat de Minister voornemens
is via een novelle het amendement Mooiman (Kamerstuk 36 512, nr. 30) te schrappen, aangezien het genoemde amendement ertoe leidt dat alle vreemdelingen
aan wie een verblijfsvergunning is verleend op basis van de Vreemdelingenwet 2000
nooit urgentie kunnen krijgen.
79. Deze leden willen de regering vragen hoe zij gaat monitoren en waarborgen dat gemeenten
de urgentiecategorieën niet gaan misbruiken om zoveel mogelijk vergunninghouders te
huisvesten.
Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld dat gemeenten geen urgentie meer mogen verlenen
aan vergunninghouders op grond van het feit dat ze vergunninghouder zijn. Een gemeente
kan in de huisvestingsverordening zelf andere categorieën van urgent woningzoekende
aanwijzen, maar die urgentie geldt dan voor alle woningzoekenden en niet uitsluitend
voor vergunninghouders.
80. De leden van de JA21-fractie merken op dat in de MvT wordt uitgegaan van het schrappen
van het amendement Mooiman via een novelle. Zij vragen de regering wat de rechtsgevolgen
zijn indien deze novelle niet tijdig in werking treedt.
Het amendement Mooiman23 bij het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting introduceert een absoluut
verbod op voorrang. De regering heeft op 12 januari jl. een novelle bij de Tweede
Kamer aanhangig gemaakt waarbij dit geamendeerde onderdeel uit het wetsvoorstel wordt
geschrapt. De Eerste Kamer heeft de behandeling van het wetsvoorstel Versterking regie
volkshuisvesting aangehouden tot de novelle door de Tweede Kamer is aangenomen. Daardoor
zal dit bij amendement ingevoegde onderdeel van het wetsvoorstel niet tot wet worden
verheven. In het voorliggende wetsvoorstel is een samenloopbepaling opgenomen met
het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting.
81. De leden van de SGP-fractie lezen dat het voorliggende wetsvoorstel verband houdt
met het aangenomen amendement Mooiman. De regering is voornemens dit amendement ongedaan
te maken middels een novelle, zo lezen deze leden. Waarom maakt de inhoud van deze
novelle geen onderdeel uit van de voorliggende wet, zodat één en ander in samenhang
kan worden bezien?
In een brief van 26 augustus 2025 aan de Eerste Kamer is uiteengezet dat drie onderdelen
van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting juridisch onhoudbaar dan wel
praktisch onuitvoerbaar zijn, waaronder het amendement Mooiman.24 Deze drie onderdelen worden in samenhang gerepareerd. Hiertoe is een novelle in procedure
gebracht.25
82. En welke gevolgen voorziet de regering indien het genoemde amendement eerder in werking
treedt dan het voorliggende wetsvoorstel?
Zie het antwoord op vraag 80.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering met het verbod op voorrang
een nieuwe categorie aan de Huisvestingswet toevoegt, namelijk een groep die geen
voorrang mag krijgen, naast de groepen die verplicht voorrang moeten krijgen en de
groepen die de gemeente zelf kan en mag aanwijzen als voorrangsgroep.
83. Deze leden vragen nadere uitleg van de regering waarom de beleidsvrijheid van gemeenten
verder wordt ingeperkt, terwijl voorheen gemeenten zelf prima in staat waren om af
te wegen of voorrang gegeven zou moeten worden aan vergunninghouders.
Zie het antwoord op vraag 71.
84. De leden van de SP-fractie vragen de regering hoe het verbod op voorrang zich verhoudt
tot de doelstelling van de wet Versterking regie volkshuisvesting om gemeenten juist
meer regie en verantwoordelijkheid te geven over het woonbeleid.
De doelstelling van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting om overheden
in gezamenlijkheid en afstemming meer regie en verantwoordelijkheid te geven over
het woonbeleid wordt gerealiseerd door, onder andere, de introductie van volkshuisvestingsprogramma’s
waarin het woonbeleid wordt beschreven en een verplichte urgentieregeling in de huisvestingsverordening
waarvoor een aantal verplichte categorieën van urgent woningzoekenden moeten worden
opgenomen. Het verbod op voorrang ziet op het niet kunnen opnemen van vergunninghouders
als categorie van urgent woningzoekende op grond van het feit dat zij vergunninghouder
zijn. Voor het overige staat het de gemeente vrij om aanvullende categorieën van urgent
woningzoekenden toe te voegen aan de urgentieregeling passend bij de woonopgave in
de betreffende gemeente. In het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma wordt vervolgens
het beleid ter voorziening in de huisvesting van de aangewezen categorieën urgent
woningzoekenden en andere aangewezen aandachtsgroepen, waaronder ouderen, starters
en studenten, opgenomen.
2.3. Vormen van huisvesting/onderdak
85. De leden van de CDA-fractie vragen de regering indien een verbod op voorrang voor
vergunninghouders wordt ingevoerd, bij welke instantie het toezicht op de naleving
van dit verbod is belegd en hoe deze toezichtstaak is ingericht en welke gevolgen
dit heeft voor personele capaciteit, middelen en prioritering in de VTH kolom.
Op grond van artikel 122 van de Gemeentewet komen bepalingen in gemeentelijke verordeningen
te vervallen indien bij wet in dat onderwerp wordt voorzien. De bevoegdheid tot het
maken van gemeentelijke verordeningen blijft op grond van artikel 121 van de Gemeentewet
ten aanzien van dit onderwerp gehandhaafd voor zover zij niet met de wet in strijd
zijn. Voor huisvestingsverordeningen waarin wordt voorzien in een voorrangsregeling
voor vergunninghouders op basis van het feit dat ze vergunninghouder zijn, die zijn
vastgesteld voor het moment van inwerkingtreding van deze wet, geldt dat deze bepalingen
dus van rechtswege vervallen op grond van artikel 122 van de Gemeentewet.
Indien een gemeenteraad in de huisvestingsverordening na de inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel een voorrangsregeling voor vergunninghouders, op de grond dat zij vergunninghouder
zijn, opneemt, is het voorstelbaar dat dit bij koninklijk besluit wordt vernietigd.26 Indien een besluit naar oordeel van de burgemeester in aanmerking komt voor vernietiging,
doet deze hiervan, door tussenkomst van gedeputeerde staten, mededeling aan de Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.27 Tegen een besluit tot vernietiging staat de mogelijkheid tot rechtstreeks beroep
open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
86. Deze leden vragen welke waarborgen bestaan om te verzekeren dat het toezicht zorgvuldig
en consistent wordt uitgevoerd.
Zie het antwoord op vraag 29.
87. Zij vragen hoe handhaving in de praktijk wordt vormgegeven en welke mogelijkheden
woningzoekenden hebben om een toewijzingsbesluit te laten toetsen indien zij menen
dat het verbod onjuist is toegepast.
Op basis van de Huisvestingswet 2014 is het verboden om een aangewezen woonruimte
in gebruik te geven of te nemen zonder vergunning van het college van burgemeester
en wethouders.28 Het college kan voor deze bevoegdheid mandaat verlenen aan eigenaren of beheerders
zover het de woonruimte betreft die in gebruik wordt gegeven of genomen.29 Het verlenen of afwijzen van een huisvestingsvergunning is een beschikking in de
zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat er een bezwaar- en beroepsprocedure
mogelijk is voor belanghebbenden. Onder belanghebbende wordt degene verstaan wiens
belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.30 Dit betekent dat er sprake moet zijn van een objectief, persoonlijk, eigen, rechtstreeks
en actueel belang. Er zijn in de jurisprudentie geen gevallen bekend waarbij een ander
persoon dan de aanvrager zelf een belanghebbende is. Hieruit ontstaat het beeld dat
andere woningzoekenden bij het besluit tot het verlenen van urgentie geen belanghebbende
zijn en hierom dus ook geen bezwaar en beroep kunnen instellen, en dat andere woningzoekenden
daarom niet zelfstandig in bezwaar of beroep kunnen treden bij een beslissing ten
aanzien van een urgentieverklaring.
88. De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering de mogelijkheden voor vergunninghouders
zoveel mogelijk gelijk wil trekken met woningzoekers met de Nederlandse nationaliteit.
Geeft het gegeven dat gemeenten een taakstelling hebben om vergunninghouders te huisvesten
geen bewijs voor het feit dat vergunninghouders een andere uitgangspositie hebben
op de woningmarkt en extra geholpen moeten worden om aan passende huisvesting te komen?
Het kabinet erkent dat er in het algemeen kan worden gesteld dat er verschillen bestaan
tussen de positie van vergunninghouders en andere woningzoekenden, maar merkt op dat
van deze verschillen niet in alle gevallen sprake is. Zo zijn er ook vergunninghouders
die wel beschikken over een sociaal netwerk en zijn er even goed andere woningzoekenden
die daar niet over beschikken. Even goed komt het voor dat andere woningenzoekenden
weinig wachttijd hebben, omdat zij zich in een latere leeftijd hebben ingeschreven.
89. De leden van de SP-fractie vragen op welke wijze de regering concreet invulling geeft
aan de toezegging om vergunninghouders zo vroeg mogelijk actief te informeren over
reguliere inschrijving bij woningcorporaties en woonruimteverdeelsystemen, mede gelet
op signalen van VluchtelingenWerk Nederland dat deze informatievoorziening in de praktijk
vaak tekortschiet.
Op dit moment ligt hiervoor nog geen plan van aanpak.
90. Deze leden vragen de regering of vergunninghouders zich via deze route kunnen inschrijven
bij woningcorporaties in elke gemeente naar keuze, en wat dit betekent voor de uitvoering
en handhaafbaarheid van de Wet inburgering 2021, waarin juist wordt uitgegaan van
gemeentelijke regie.
Vergunninghouders hebben al de mogelijkheid om zich in te schrijven in een woonruimteverdeelsysteem
of bij een woningcorporatie. Dit wetsvoorstel brengt daar geen verandering in. Het
onderhavige wetsvoorstel leidt verder niet tot afschaffing van de koppelingssystematiek,
waardoor de gemeentelijke regierol en uitvoering niet geraakt worden. Tegelijktijdig
erkent het kabinet dat het verbod op voorrang kan leiden tot langere verblijfsduur
in de opvang en daarmee tot een tragere start van inburgering en participatie.
91. Zij vragen hoe de regering overbewoning, informele dakloosheid en afhankelijkheid
van informele netwerken voorkomt wanneer vergunninghouders in toenemende mate worden
aangewezen op opvang bij vrienden of familie, zoals ook door VluchtelingenWerk Nederland
als risico wordt benoemd.
Het kabinet vindt het primair de eigen verantwoordelijkheid van vergunninghouders
om in huisvesting te voorzien en ze verwacht dat een grote groep van de vergunninghouders
in staat is om zelf in huisvesting te voorzien wanneer zij niet meer met voorrang
een sociale huurwoning krijgen aangeboden. Daarnaast worden extra (onzelfstandige)
woonplekken gerealiseerd voor vergunninghouders die niet in staat zijn zelfstandig
te voorzien in huisvesting en geen beroep kunnen doen op huisvesting bij vrienden
of familie. Het kabinet heeft hier verschillende financiële regelingen voor geopend.
92. De leden van de SP-fractie vragen de regering hoe groot de huidige voorraad betaalbare
particuliere huurwoningen is voor huishoudens met een minimuminkomen, en hoeveel woningzoekenden
hierop zijn aangewezen.
Het Nibud heeft berekend dat voor alle huishoudenstypen met een minimumloon, behalve
voor een paar met twee kinderen, geldt dat ze een maximale huur kunnen betalen die
gelijk is aan de DAEB-huurgrens. Hierin geldt wel dat ze deze huurbedragen alleen
kunnen betalen door de ontvangen huurtoeslag.31 Op basis van WoON2024 geldt dat er ca. 502.000 private huurwoningen onder de DAEB-huurgrens
verhuurd worden en dus binnen het financiële bereik liggen van deze huishoudens. De
paren met twee kinderen kunnen een iets minder hoge maximale betaalbare huur betalen;
voor hen geldt dat er ca. 439.000 private huurwoningen mogelijk beschikbaar zijn.
Over het aantal woningzoekenden met een minimumloon die op de private huurwoningen
zijn aangewezen, zijn helaas geen gegevens bekend.
93. Ook vragen deze leden hoe de regering voorkomt dat vergunninghouders die via een werkgever
huisvesting vinden, in een kwetsbare positie terechtkomen vergelijkbaar met misstanden
bij arbeidsmigranten.
Het kabinet is van mening dat vergunninghouders in eerste instantie zelf verantwoordelijk
zijn voor het vinden van huisvesting. Zo kunnen zij een beroep doen op hun netwerk
en vrienden of familie, of kunnen zij eventueel een beroep doen op hun werkgever als
deze ook werknemers huisvest. Dit zorg ervoor dat de woonplaats afgestemd kan worden
op het werk. Dit kan ook een goede tijdelijke optie zijn voor een vergunninghouder
die in sommige gevallen anderhalf à twee jaar wacht op het arriveren na nareizende
familieleden. Het is echter, net als bij arbeidsmigranten, een aandachtspunt dat eventuele
misstanden worden voorkomen. Met de Wet goed verhuurderschap is het onder andere verplicht
voor werkgevers om de huurovereenkomst en de arbeidsovereenkomst apart te houden.
Daarnaast is de verhuurder verplicht om informatie te verstrekken in een voor de huurder
begrijpelijke taal. Deze maatregelen moeten het risico op een kwetsbare positie voor
een vergunninghouder die gaat wonen in woonruimte van een werkgever verminderen.
94. Zij vragen de regering te onderbouwen op welke wijze de in de MvT genoemde alternatieve
huisvestingsmogelijkheden toereikend zijn om alle vergunninghouders binnen afzienbare
termijn van onderdak te voorzien.
Zie het antwoord op vraag 9 en 53.
95. De leden van de SP-fractie vragen voorts op basis van welke concrete inschattingen,
aannames en ramingen de regering veronderstelt dat deze alternatieve huisvestingsopties
in voldoende omvang en tijdigheid beschikbaar zullen komen.
Zie het antwoord op vraag 9.
96. Deze leden vragen of de regering erkent dat een verbod op voorrang niet leidt tot
een afname van de druk op de sociale huurvoorraad, maar uitsluitend de volgordelijkheid
binnen de bestaande wachtlijsten wijzigt, waardoor de structurele schaarste onveranderd
blijft.
Zie het antwoord op vraag 3.
2.3.1. Mogelijkheden huisvesting voor vergunninghouder
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ernstige twijfels bij de verwachting
van de regering dat vergunninghouders, zonder het bestaan van een voorrangsregeling,
zelf kunnen voorzien in hun huisvesting of onderdak. De regering maakt volgens deze
leden volstrekt onvoldoende duidelijk waarom dit realistisch zou zijn. Het ligt volgens
deze leden, zoals de gemeenten en vele andere experts en uitvoerders verwachten, meer
in de lijn der verwachting dat vergunninghouders in ondermaatse huisvesting, in de
maatschappelijke opvang of op straat belanden. Zij zullen hieronder nog per mogelijkheid
hun ernstige twijfels toelichten.
97. De leden van de SGP-fractie lezen dat er in de MvT diverse opties worden geschetst
voor alternatieve huisvesting voor vergunninghouders, indien de voorrangspositie vervalt.
Kan de regering inzage bieden in de daadwerkelijke kans waarop huisvesting via deze
routes geborgd kan worden? Kunnen daarbij ook ervaringen uit het verleden betrokken
worden?
Zie het antwoord op vraag 9 en 53.
98. Hadden vergunninghouders, die op basis van de wettelijke voorrang gehuisvest zijn,
ook alternatieve mogelijkheden via de routes die de regering schetst?
Een deel van de vergunninghouders die nu uit de opvang stroomt, krijgt inderdaad huisvesting
aangeboden in bijvoorbeeld op een doorstroomlocatie. Op dit moment zijn er circa 1400
plekken in doorstroomlocaties gerealiseerd.
99. Deze leden vragen de regering welke andere manieren zijn overwogen om het zicht op
een woning voor vergunninghouders te verbeteren, en daarmee ook tegemoet te komen
aan de bezwaren van de Raad van State.
Zie het antwoord op vraag 9.
Huisvesting in sociale huurwoningen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de gemiddelde wachttijd in veel
gemeenten enorm is opgelopen – in Utrecht bijvoorbeeld naar zo'n 11 jaar, in Amsterdam
naar 9,8 jaar. Deze leden merken bovendien op dat dit gemeenten zijn die ook een enorme
opgave hebben met het huisvesten van grote aantallen mensen met een verblijfsvergunning.
100. Waar denkt de regering dat vergunninghouders in dit soort gemeenten kunnen verblijven
tussen hun uitstroom uit de asielopvang en het toegewezen krijgen van een sociale
woning?
Zie het antwoord op vraag 9.
101. Waar verblijven zij gedurende de tien jaar dat zij moeten wachten op een sociale woning?
Zie het antwoord op vraag 9.
102. Hoe vaak kan deze groep tijdens het wachten terugvallen op hun sociale netwerk?
Zie het antwoord op vraag 53.
103. Hoe voorkomt de regering dat al deze mensen op straat belanden? Welke maatschappelijke
gevolgen verwachten ze daarvan?
Zie het antwoord op vraag 9 en 53.
104. De leden van de CDA-fractie constateren dat het voorgestelde verbod gevolgen kan hebben
voor wachttijden in de sociale huursector. Deze leden vragen welke verandering van
wachttijden de regering verwacht als gevolg van dit wetsvoorstel.
Zoals in antwoord op vraag 4 is uiteengezet, is het bepalen van daadwerkelijke wachttijd
complex door de vele woonruimteverdeelsystemen waardoor de wachttijd in de praktijk
lokaal verschillend is. Daarnaast is de druk van vergunninghouders op de wachttijden
ook afhankelijk van de asielinstroom en deze is grillig. Het is wel aannemelijk dat
de wachttijd voor overige woningzoekenden die nu ingeschreven staan bij woonruimteverdeelsystemen
zal dalen, maar in welke mate is niet precies te zeggen.
105. Zij vragen welke definitie van wachttijd daarbij wordt gehanteerd en op basis van
welke gegevens en aannames deze verwachting is bepaald.
Wachttijd wordt hier opgevat als de inschrijftijd die nodig is voordat een ingeschreven
woningzoekende in aanmerking komt voor een woning op basis van het betreffende woonruimteverdeelsysteem.
Volgens het rapport «Stand van de woonruimteverdeling» dat is opgeleverd bij het IBO
huurbeleid van 2025 is in verreweg de meeste woonruimteverdeelsystemen de verhouding
tussen het aantal zoekenden en het aantal verhuringen in de afgelopen jaren gedaald.
Een verbod op voorrang voor vergunninghouders betekent dat vergunninghouders meer
gestimuleerd worden om ook huisvesting buiten de sociale huursector te vinden. Het
gaat echter niet alleen om het reduceren van de wachttijd voor overige woningzoekenden,
maar ook om eerlijkere verdeling bij de toewijzing van een woonruimte.
106. Zij vragen in hoeverre de verwachte effecten op wachttijden per regio of gemeente
verschillen.
Wachttijden verschillen per woonruimteverdeelsysteem, dus een impact van dit wetsvoorstel
op de wachttijd zal altijd lokaal verschillend zijn. In welke mate, is echter moeilijk
te bepalen, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2.
Huisvesting in particuliere woonruimte
107. De leden van de D66-fractie lezen in de MvT dat de regering inzet op snelle arbeidsmarktparticipatie
van vergunninghouders om huisvesting in een particuliere woonruimte te bevorderen.
Kan de regering uiteenzetten wat de mate van arbeidsparticipatie van vergunninghouders
is, uitgesplitst naar verblijf in opvang tegenover verblijf in andere huisvesting.
Het verschil in arbeidsmarktdeelname tussen vergunninghouders in de opvang en vergunninghouders
gevestigd in een gemeente is relatief beperkt. Volgens het dashboard statistiek Wet
Inburgering van het CBS werkt in de opvang 26% van de vergunninghouders versus 27%
van de vergunninghouders die gevestigd zijn in een gemeente. Dit geldt voor de cohorten
2022, 2023 en 2024. Een groot deel van de vergunninghouders (zowel in opvang als bij
vestiging in gemeente) werkt in deeltijd. Er is wel een opvallend verschil tussen
mannen en vrouwen. Van de vrouwelijke vergunninghouders in de opvang werkt slechts
zes procent versus veertien procent na vestiging in een gemeente.
108. Zijn er extra hordes voor de arbeidsparticipatie van vergunninghouders als zij verblijven
in opvang ten opzichte van verblijf in andere huisvesting?
Het kabinet vindt het belangrijk dat inburgeraars al vroeg, het liefst in de asielopvang,
starten met hun integratie in Nederland en kennis opdoen van onze taal en cultuur.
Tegelijkertijd beschikken inburgeraars die nog in de COA-opvang verblijven niet over
dezelfde randvoorwaarden als inburgeraars die al in een eigen woning wonen. Dit kan
het volgen van het inburgeringstraject bemoeilijken. Door de mogelijkheid te bieden
om de inburgeringstermijn voor deze groep te verlengen, stimuleert de Staatssecretaris
Participatie en Integratie dat mensen zo vroeg mogelijk starten met hun inburgeringstraject.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen erop dat de gemiddelde huurprijs voor
een woning in de vrije sector in 2025 is gestegen naar € 1.781 per maand. In verschillende
steden liggen de prijzen nog hoger, zoals in Amsterdam: € 2.163 per maand.
109. Deze leden vragen de regering waarom zij het realistisch acht dat vergunninghouders,
die pas zeer recentelijk kunnen deelnemen op de Nederlandse arbeidsmarkt, dergelijke
bedragen kunnen opbrengen. Zij vragen de regering deze verwachting te staven met cijfers.
Het is niet aannemelijk dat een vergunninghouder die in Nederland op de woningmarkt
start dit doet in een gemiddelde huurwoning in de vrije sector. Als de huurprijs van
een gemiddelde zelfstandige woning te hoog is, ligt het voor de hand om te zoeken
naar een goedkopere, mogelijke onzelfstandige huurwoning. Dit geldt ook voor Nederlanders
met een beperkt inkomen die op de wachtlijst staan voor een sociale huurwoning.
110. Verder vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie de regering hoe groot de voorraad
betaalbare particuliere huurwoningen op dit moment is, dat wil zeggen, woningen die
betaalbaar zijn bij een minimum inkomen.
Zie het antwoord op vraag 92.
111. Hoeveel woningzoekenden zijn op dit moment op zoek naar een dergelijke betaalbare
particuliere huurwoning?
Zie het antwoord op vraag 92.
Huisvesting via eigen netwerk
De leden van de D66-fractie lezen dat de regering het aannemelijk vindt dat een deel
van de vergunninghouders beschikt over een sociaal netwerk in Nederland. De regering
wijst vervolgens op de eigen verantwoordelijkheid om huisvesting in het eigen netwerk
te vinden.
112. Kan de regering toelichten of er zicht is op de omvang van dit sociale netwerk? Zo
ja, kan de regering aangeven welk deel van dit netwerk geschikte huisvesting heeft
om woonruimte te bieden aan vergunninghouders?
Zie het antwoord op vraag 53.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen erop dat vergunninghouders hun huis
en haard hebben moeten verlaten als gevolg van oorlog of vervolging, en zich in een
uiterst kwetsbare positie bevinden en vaak geen netwerk hebben waar ze op terug kunnen
vallen.
113. Voorts vragen deze leden waarop – op welke cijfers, gemiddelden, en welke feiten –
de regering de stelling baseert dat vergunninghouders een toereikend sociaal netwerk
hebben waarop zij aanspraak kunnen maken.
Zie het antwoord op vraag 53.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen op uitspraken van de Amsterdamse Federatie
van Woningcorporaties (AFWC), de Nederlandse Orde van Advocaten (NoVA), een aantal
gemeenten (waaronder Rotterdam), en verschillende corporaties, die allemaal stellen
dat vergunninghouders geen toereikend sociaal netwerk hebben en mede vanwege hun taalachterstand
niet zelfstandig een woonruimte kunnen vinden.
114. Hoe gaat de regering ervoor zorgen dat vergunninghouders ondanks deze achterstand
binnen korte tijd een netwerk opbouwen zodat ze daarop terug kunnen vallen voor hun
huisvesting? Welke acties worden daartoe ondernomen?
Zie het antwoord op vraag 53.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen er voorts op dat er in de Tweede Kamer
vaak is gesproken over de ETHOS-definitie van dakloosheid, die breed gedragen wordt
door experts en door de leden van deze fractie en andere fracties, die tijdelijk verblijf
bij familie of vrienden als dakloosheid definieert. Maar zelfs bij het hanteren van
een nauwere definitie van dakloosheid, zoals de definitie van Wolf et al. die ook
door de Nederlandse regering is gehanteerd, wordt verblijf «op niet-structurele basis
bij vrienden, kennissen of familie» als dakloos gedefinieerd.
115. Deze leden vragen de regering waarom zij het te verantwoorden vindt dat zij feitelijk
vergunninghouders tot dakloosheid veroordeelt.
Dakloosheid komt helaas voor onder allerlei verschillende groepen, niet alleen onder
vergunninghouders. Het kabinet zet zich met het Nationaal Actieplan Dakloosheid in
om dakloosheid te voorkomen en tegen te gaan voor alle dakloze mensen die rechtmatig
in Nederland verblijven. Het kabinet vindt het van belang om de situatie van vergunninghouders
zo snel mogelijk te normaliseren ten opzichte van andere woningzoekenden.
Hoewel het niet volledig uit te sluiten is dat het risico op dakloosheid toeneemt,
deelt het kabinet de constatering niet dat zij vergunninghouders tot dakloosheid zou
veroordelen. Ook onder andere woningzoekenden komt dakloosheid helaas voor. Hierbij
wijst het kabinet naar de maatregelen uit het samenhangend pakket, zie hiervoor het
antwoord op vraag 53.
116.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering te reageren op de vrees
van Dakloosheid Voorbij!, dat het voorstel zal leiden tot meer dakloosheid onder vergunninghouders,
aangezien zij zich in een ongunstige positie op de woningmarkt bevinden en zonder
de (mogelijkheid van) urgentie niet meer aan een woning kunnen komen.
Het kabinet is van mening dat vergunninghouders primair zelf verantwoordelijk zijn
voor het voorzien in huisvesting. Het kabinet verwacht dan ook dat een grote groep
van de vergunninghouders in staat is om zelf in huisvesting te voorzien wanneer zij
niet meer met voorrang een sociale huurwoning krijgen aangeboden. Het is echter niet
volledig uit te sluiten dat het risico op dakloosheid toeneemt, verder wordt verwezen
naar het antwoord op vraag 53.
117. Hoeveel meer daklozen verwacht de regering door dit wetsvoorstel?
Het kabinet verwacht niet dat dat het geval is, maar kan het niet volledig uitsluiten.
Verder wordt verwezen naar het antwoord op vraag 53.
118. Zijn hier in aanloop en voorbereiding van het wetsvoorstel schattingen over gemaakt?
Zo ja, wat zijn die schattingen? Zo niet, waarom zijn die schattingen niet gemaakt?
In de voorbereiding van het wetsvoorstel is geen inschatting gemaakt van de mogelijke
toename van het aantal dakloze mensen. Zie het antwoord op vraag 116.
119. Hoe verhoudt dit wetsvoorstel zich tot de eigen ambitie van de regering via het Nationaal
Actieplan Dakloosheid en de ondertekende Verklaring van Lissabon om in 2030 geen dakloze
mensen meer te hebben? Is de regering het met deze leden eens dat dit wetsvoorstel
haaks op deze ambitie staat?
Het kabinet verwacht dat de maatregelen die worden genomen in het kader van het samenhangend
pakket zullen leiden tot voldoende toegang tot huisvesting ondanks het vervallen van
de mogelijkheid tot voorrang. Daarmee staat het wetsvoorstel niet haaks staat op de
ambities uit het Nationaal Actieplan Dakloosheid.
Huisvesting via werk
120. De leden van de D66-fractie vragen de regering verder in te gaan op de spanning tussen
het ontzorgen van werkgevers ter bevordering van de arbeidsparticipatie van vergunninghouders
enerzijds en het plan om werkgevers een rol te laten spelen bij huisvesting anderzijds.
De inzet is erop gericht om werkgevers een rol te laten spelen bij huisvesting is
op vrijwillige basis, zie ook het antwoord op vraag 123. Werkgevers kunnen kiezen
om dit wel of niet te doen. Voor het sneller aan het werk helpen van vergunninghouders
is het van belang om werkgevers te ontzorgen. Het kabinet werkt hieraan door de arbeidsparticipatie
van vergunninghouders te bevorderen. Dit gebeurt op allerlei manieren, zoals subsidies
voor werkgevers (Subsidie ondersteuning werkgevers inzet statushouders (SOWIS)), taal
op de werkvloer en bevorderen van flexibel taalaanbod waardoor werken en inburgeren
beter gecombineerd kunnen worden. In de Actieagenda Integratie en Open en Vrije Samenleving
wordt breed ingegaan op de ingezette acties.
121. Heeft de regering werkgeversorganisaties over dit plan gesproken? Zo ja, wat is de
opvatting van werkgeversorganisaties over dit plan?
Het kabinet heeft specifiek ten aanzien van dit wetsvoorstel niet gesproken met werkgeversorganisaties
en zij hebben ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om erop te reageren in
de openbare consultatie. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelenheid voert los
hiervan uiteraard geregeld overleg met werkgeversorganisaties zoals AWVN, VNO-NCW
en sectorale werkgeversorganisaties en werkt via het programma Voor een Inclusieve
Arbeidsmarkt (VIA) samen met hen aan het ontzorgen van werkgevers.
122. De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering parallel aan dit wetsvoorstel
werkt aan aanpassingen in het huurrecht gericht op het tegengaan van misbruik van
short-stay-constructies bij arbeidsmigranten en het versterken van huurbescherming
bij aan werkgevers gekoppelde huisvesting. Indien wordt gekozen voor invoering van
een verbod op voorrang voor vergunninghouders, vragen deze leden hoe dit verbod zich
in de praktijk verhoudt tot deze voorgenomen huurrechtelijke aanpassingen.
Het normeren van kort-duur-contracten zonder huurbescherming tot een maximale duur
van 30 nachten, is nodig om het oneigenlijk gebruik van deze uitzonderingsroute te
voorkomen en daarmee de huurbescherming te verbeteren. Het kabinet ziet dit dan ook
als twee verschillende vraagstukken. Bij het verhuren van een sociale huurwoningen
door een corporaties is er nooit sprake van een contract «naar zijn aard van kort
duur» waar de voorgenomen normering van 30 nachten betrekking op heeft.
123. Zij vragen of de regering verwacht dat deze aanpassingen gevolgen hebben voor de beschikbaarheid
en inzet van huisvesting via werkgevers en wat dit betekent voor de positie van vergunninghouders
op de woningmarkt.
Het kabinet ziet werk een mogelijke rol spelen bij huisvesting van vergunninghouders.
Zo zouden vergunninghouders ook bemiddeld kunnen worden naar huisvesting door hun
werkgever. Dit is echter geen verplichting voor werkgevers. Zowel nu, als na inwerkingtreding
van het verbod op voorrang. Het kabinet verwacht niet dat werkgevers minder in huisvesting
zullen voorzien door de voorgenomen aanpassingen. In de memorie van toelichting bij
het wetsvoorstel dat strekt tot het normeren van kort-duur-contracten zullen de gevolgen
van de aanpassingen in kaart worden gebracht. Naar verwachting wordt de uitwerking
van deze maatregelen begin 2026 in internetconsultatie gebracht.
124. De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre verschuivingen worden verwacht tussen
reguliere woonruimte, tijdelijke huisvesting en aan werkgevers gekoppelde woonvormen
als gevolg van de combinatie van deze maatregelen. Deze leden vragen op basis van
welke aannames deze verwachtingen zijn gebaseerd.
Het kabinet verwacht geen verschuivingen tussen reguliere woonruimte, tijdelijke huisvesting
en aan werkgevers gekoppelde woonvormen als gevolg van de combinatie van deze maatregelen.
Daarnaast verwijst het kabinet naar het antwoord op vraag 123.
2.3.2. Mogelijkheden huisvesting door gemeenten
125. Indien wordt gekozen voor invoering van een verbod op voorrang, vragen de leden van
de CDA-fractie welke uitvoeringshandvatten gemeenten krijgen om vast te stellen of
een toewijzingsbesluit in overeenstemming is met het verbod.
Voor gemeenten geldt dat zij, na inwerkingtreding van dit verbod, niet langer voorrang
kunnen verlenen aan vergunninghouders op grond van het feit dat ze vergunninghouders
zijn, met uitzondering voor onzelfstandige woonruimte in het eerste jaar na inwerkingtreding
van het verbod op voorrang. Om te bepalen of een concrete toewijzing in overeenstemming
is met de wettelijke bepaling kunnen zij hiervoor in de eerste plaats dit wetsvoorstel
en de daarbij behorende memorie van toelichting raadplegen.
126. Deze leden vragen hoe wordt geborgd dat gemeenten het verbod op een consistente wijze
toepassen, ondanks verschillen in huisvestingsverordeningen en uitvoeringspraktijken.
Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal dit verbod gelden voor alle gemeentes
in Nederland. Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten dat hun huisvestingsverordeningen
en uitvoeringspraktijk in lijn hiermee in lijn zal zijn. Indien een gemeente het verbod
niet (consistent) toepast, dan kan dit de inzet van het instrumentarium van het interbestuurlijk
toezicht ten gevolge hebben.
Voorrang op basis van andere kenmerken
127. De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 10 van de MvT dat een gemeente maximaal
bij 50% van de afgegeven huisvestingsvergunningen per categorie van woonruimte voorrang
mag geven op basis van economisch en/of lokale binding. Deze leden willen de regering
vragen waarom ooit voor dit specifieke percentage is gekozen.
Vrijheid van vestiging is hét uitgangspunt voor de woonruimteverdeling in Nederland.
Het kabinet is van oordeel dat het een groot goed is dat de bewoners van Nederland
in hoofdzaak zelf kunnen kiezen waar en hoe ze willen wonen.32 Dit recht is ook in artikel 2, eerste lid van het Vierde Protocol bij het EVRM als
volgt vastgelegd: «Eenieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft,
heeft het recht binnen dat grondgebied zich vrijelijk te verplaatsen en er vrijelijk
zijn verblijfplaats te kiezen». Op basis van het derde en vierde lid kan deze vrijheid
van verplaatsing en vestiging worden beperkt indien dat bij wet is voorzien, noodzakelijk
en proportioneel is. Ook artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie (VWEU) garandeert de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een
lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat.
Indien de overheid regels stelt inzake woonruimteverdeling, wordt daarmee het recht
op vrijheid van vestiging beperkt. Er dienen dus zwaarwegende redenen te zijn voor
de overheid om hierop in te willen grijpen, zoals dat er bij schaarste sprake is van
onevenwichtige en onrechtvaardige effecten.
Op basis van artikel 14 van de Huisvestingswet 2014 is het mogelijk om bij het verlenen
van huisvestingsvergunningen voorrang te geven aan woningzoekenden met economische
of maatschappelijke binding aan de woningmarktregio, de gemeente of een tot de gemeente
behorende kern. Het voorrang geven bij het verlenen van een huisvestingsvergunning
aan woningzoekenden met een economische of maatschappelijke binding kan alleen indien
er schaarste is die onrechtvaardige of onevenwichtige effecten tot gevolg heeft.33
Door het verlenen van voorrang aan woningzoekenden met maatschappelijke of economische
binding, wordt het voor woningzoekenden zonder binding moeilijker om woonruimte te
vinden in de gemeente en wordt dus hun recht op vrijheid van vestiging beperkt. Het
geven van voorrang bij de verlening van huisvestingsvergunningen aan woningzoekenden
met een economische of sociale binding mag niet tot gevolg hebben dat er geen reële
huisvestingsmogelijkheden meer zijn voor woningzoekenden die geen maatschappelijke
of economische binding hebben.
Het verlenen van voorrang aan woningzoekenden met sociale of economische binding lost
het probleem van de schaarste aan woonruimte niet op. Gemeenten met uitbreidingsmogelijkheden
moeten in eerste instantie maatregelen treffen om de woningvoorraad uit te breiden,
zodat op langere termijn de schaarste structureel wordt opgelost. In deze gemeenten
kan het voorrang geven aan bepaalde woningzoekenden met een maatschappelijke of economische
binding een tijdelijke oplossing bieden in afwachting van de uitbreiding van de woningvoorraad34. Voor gemeenten met uitbreidingsmogelijkheden wordt het kunnen stellen van bindingseisen
daarom beperkt tot een deel van één of meer aangewezen categorieën van woonruimte.
Dat gedeelte dient afhankelijk van de schaarste aan de aangewezen categorieën van
woonruimte vastgesteld te worden door de gemeenteraad. Er is voor gekozen om gemeenten
de mogelijkheid te geven om voor maximaal 50% van de in de huisvestingsverordening
één of meer aangewezen categorieën van woonruimte bindingseisen te stellen. Op deze
wijze is ten minste de helft van de vergunningplichtige voorraad beschikbaar voor
huishoudens zonder maatschappelijke of economische binding, evenals de woningen die
niet onder het vergunningstelsel vallen35. Een hoger percentage is alleen toegestaan indien er geen of zeer beperkte mogelijkheden
voor nieuwbouw zijn, zoals op de Waddeneilanden.
128. Indien wordt gekozen voor invoering van een verbod, vragen de leden van de CDA-fractie
hoe uitzonderingen in de praktijk zouden moeten worden toegepast.
In dit wetsvoorstel is voorzien in één tijdelijke uitzondering, namelijk voor onzelfstandige
woonruimte. Eén jaar na inwerkingtreding zal deze uitzondering komen te vervallen.
Hierna zal het ook voor dat type woonruimte verboden zijn om voorrang te verlenen
op grond van het feit dat een woningzoekende vergunninghouder is. Er zijn dus geen
uitzonderingen mogelijk. Voor vergunninghouders zal wel gelden dat zij nog altijd
voorrang kunnen krijgen op andere gronden, net zoals andere woningzoekenden.
129. Deze leden vragen welke beoordelingsruimte gemeenten daarbij hebben en welke kaders
gelden om een zorgvuldige en gelijke toepassing te waarborgen.
Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 128 voorziet het wetsvoorstel niet in de mogelijkheid
voor gemeenten om uitzonderingen te maken op het verbod op voorrang, met uitzondering
van een tijdelijke uitzondering voor onzelfstandige woonruimte. Er is hierbij dan
ook geen sprake van beoordelingsruimte. Wel behouden gemeenteraden in algemene zin
de bevoegdheid om te bepalen dat voor bepaalde categorieën woonruimte voorrang wordt
gegeven aan door de gemeenteraad vast te stellen categorieën woningzoekenden met uitzondering
van vergunninghouders op de grond dat ze vergunninghouder zijn. Hierbij hebben zij
een ruime beoordelingsruimte.
130. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering welk deel van de vergunninghouders
zij verwacht dat er voorrang op basis van andere kenmerken zal krijgen.
Het kabinet heeft hierover geen cijfers beschikbaar.
2.3.3. Tijdelijke uitzondering op het verbod op voorrang voor vergunninghouders voor
onzelfstandige woonruimte
De leden van de D66-fractie lezen dat de regering de tijdelijke uitzondering voor
onzelfstandige woonruimte ziet als manier om minder zelfredzame vergunninghouders
te ondersteunen.
131. Is de regering van mening dat deze ondersteuning over na afloop van de tijdelijke
uitzondering niet meer nodig is? Zo ja, waarom is deze ondersteuning nu wel gerechtvaardigd
en na afloop van de tijdelijke uitzondering niet? Zo nee, welke maatregelen is de
regering voornemens te nemen om op alternatieve wijze ondersteuning te bieden voor
minder zelfredzame vergunninghouders?
Zie het antwoord op vraag 9 en 53.
132. Kan de regering voor deze leden toelichten wat de verwachte groei van onzelfstandige
woonruimte tijdens de duur van de tijdelijke uitzondering is?
Zie het antwoord op vraag 22.
133. Hoe verhoudt deze groei zich tot de huisvestingsopgave van alleenstaande en alleenstaande
vergunninghouders?
Zie het antwoord op vraag 53.
134. Gezien het feit dat de regering maatschappelijke binding als alternatieve urgentiecategorie
noemt, kan de regering bij deze toelichting expliciet ingaan op de verhouding tussen
de groei in woonruimte en huisvestingsopgave in de verschillende afzonderlijke gemeenten?
Het kabinet heeft geen cijfers beschikbaar over de mogelijkheid tot maatschappelijke
binding en de verhouding tussen de groei in woonruimte en huisvestingsopgave in de
verschillende afzonderlijke gemeenten.
135. De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 11 van de MvT dat de regering heeft
gekozen voor een uitzondering op het verbod op voorrang met een termijn van één jaar
na inwerkingtreding van de wet, omdat die termijn aansluit bij de tijd die nodig wordt
geacht om voldoende onzelfstandige woonruimte toe te voegen aan de woningvoorraad.
Deze leden zouden de regering willen vragen waar deze schatting op is gebaseerd en
of deze schatting nog actueel is.
Zie het antwoord op vraag 9.
136. De leden van de SGP-fractie vragen de regering hoe realistisch het is dat één jaar
na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel gemeenten voldoende onzelfstandige woonruimten
gerealiseerd hebben.
Zie het antwoord op vraag 9.
137. Hoewel deze leden voorstander zijn van het, zo nodig, huisvesten van vergunninghouders
in onzelfstandige woonruimten, moeten deze ruimten wel beschikbaar zijn. Hoe worden
gemeenten hierin geholpen, zowel financieel als op andere terreinen?
Op financieel terrein worden gemeenten geholpen met het realiseren van onzelfstandige
woonruimten via verschillende regelingen (SFT+ en HAR+), zoals genoemd en beschreven
in het antwoord op vraag 42. Daarnaast zet het kabinet in op betere informatievoorziening
voor gemeenten, door het ontwikkelen van factsheets, handreikingen en het organiseren
van (online) bijeenkomsten en werkbezoeken.
Doorstroomlocaties
De leden van de D66-fractie constateren dat de regering inzet op doorstroomlocaties
om meer vergunninghouders te kunnen huisvesten, maar dat de plannen uit dit wetsvoorstel
in combinatie met het tijdelijke karakter van financiering via de Bekostigingsregeling
huisvesting vergunninghouders in doorstroomlocaties tot grote problemen kunnen leiden.
138. Deze leden vragen bij wie de regering van plan is de financiële risico’s van de inzet
op doorstroomlocaties neer te leggen? Is de regering bereid deze risico’s weg te nemen
bij gemeenten?
De bekostigingsregeling voor doorstroomlocaties loopt tot 31 december 2028. In 2026
kunnen gemeenten nog subsidieaanvragen doen. Zoals aangekondigd in de brief van 26 september
2025 zal de doelgroepflexibele regeling voor opvang en tijdelijke huisvesting het
mogelijk maken voor gemeenten om locaties te realiseren met een financieringsduur
van 5 jaar. Op basis van de ervaringen met de bekostigingsregeling voor doorstroomlocaties,
is de doelgroepflexibele regeling verbeterd. De nieuwe regeling neemt de grootste
financiële risico’s weg bij gemeenten: zo worden de daadwerkelijk gemaakte locatiegebondenkosten
vergoed, wordt de normvergoeding voor uitvoeringskosten twee jaar in plaats van een
jaar doorbetaald zodat een gemeente meer tijd heeft passende definitieve woonruimte
te vinden, en kan een gemeente voor vijf jaar in plaats van drie jaar verplichtingen
aangaan.
139. De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 12 van de MvT dat doorstroomlocaties
specifiek zijn ontwikkeld voor vergunninghouders en inmiddels ook andere spoedzoekers
en starters, om hun leven op te kunnen starten. Deze leden willen de regering vragen
sinds wanneer doorstroomlocaties ook beschikbaar zijn voor andere spoedzoekers en
starters.
De woonruimten die worden gerealiseerd met de Bekostigingsregeling huisvesting vergunninghouders
in doorstroomlocaties zijn uitsluitend inzetbaar voor vergunninghouders. Wel ziet
het kabinet dat gemeenten ervoor kiezen om binnen eenzelfde project ook woningen voor
bijvoorbeeld andere spoedzoekers en starters te realiseren, maar hiervoor ontvangen
gemeente dus geen vergoeding in het kader van de Bekostigingsregeling huisvesting
vergunninghouders.
140. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering of zij de cijfers kan bevestigen
dat vanaf volgend jaar, 1 januari 2026, de helft van de COA-bewoners, statushouder
is.
Op 2 februari 2026 was ongeveer 23% van de COA-bewoners vergunninghouder.36
Of volgend jaar de helft van de COA-bewoners vergunninghouder is niet met zekerheid
te zeggen en hangt onder andere af van de asielinstroom, het inwilligingspercentage,
het aantal nareizigers en de mate van uitstroom uit de COA-opvang naar huisvesting
in gemeenten. Volgens de Meerjaren Productie Prognose (MPP) van 2025 bestaat er wel
een risico dat het percentage COA-bewoners dat vergunninghouders is op kan lopen bij
gelijkblijvende trend.
141. Als deze mensen niet kunnen uitstromen met behulp van voorrang op een sociale woning,
vragen zij de regering naar hun raming van de verdere toename van het aandeel vergunninghouders
in COA-locaties als gevolg van deze maatregel.
Het effect van het onderhavige wetsvoorstel op de bezetting van de opvang is niet
bekend. Zoals ook in antwoord op vraag 9 aangegeven, is de verwachting dat een grote
groep van de vergunninghouders in staat is om zelf in huisvesting te voorzien wanneer
zij niet meer met voorrang een sociale huurwoning krijgen aangeboden. Daarnaast is
het de verwachting dat het aantal asielzoekers sterk zal afnemen door de voorgenomen
maatregelen uit de wetsvoorstellen inzake het tweestatenstelsel en de asielnoodmaatregelen,
alsmede de maatregelen uit het Europese asiel- en migratiepact.
142. Als deze mensen niet meer kunnen uitstromen naar een met voorrang toegewezen sociale
woning, hoe gaat de regering dan wel zorgen dat zij uitstromen zodat de druk op de
asielopvang vermindert?
Zie het antwoord op vraag 9.
143. Hoeveel doorstroomlocaties zijn nodig om dit in goede banen te leiden?
Zie het antwoord op vraag 9 en 53.
144. Hoe gaat de regering voor deze doorstroomlocaties zorgen? Maakt de regering extra
geld vrij voor doorstroomlocaties om de effecten van deze onverstandige voorliggende
maatregel te mitigeren? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de Bekostigingsregeling huisvesting vergunninghouders in doorstroomlocaties
kan voor maximaal 8.500 te realiseren doorstroomplekken voor de jaren 2024, 2025,
2026, 2027 en 2028 aan het college van burgemeesters en wethouders van een doorstroomgemeente
een uitkering worden verstrekt.37 Daarvan hebben gemeenten er tot nu toe circa 1.400 gerealiseerd. Gedurende 2026 kunnen
gemeenten nog van deze regeling gebruik maken. De financiering loopt tot maximaal
31 december 2028. Zodra de eerder aangekondigde doelgroepflexibele regeling voor opvang
en tijdelijke huisvesting van kracht wordt, kunnen gemeenten gebruik maken van deze
verbeterde regeling om huisvestingslocaties voor vergunninghouders te realiseren.
Deze zal zo spoedig mogelijk na budgettaire besluitvorming bij voorjaarsnota in werking
treden. Ook kunnen gemeenten met behulp van de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen
(SFT+) opstartwoningen (laten) realiseren.
145. Hoe verwacht de regering dat gemeenten de extra kosten voor het realiseren van tijdelijke
huisvestingslocaties kunnen opbrengen nu zij door deze regering al te maken hebben
gekregen met een aankomend ravijnjaar?
Het kabinet ondersteunt gemeenten in deze opgave door middel van de genoemde financiële
regelingen in vraag 42.
2.4. Reikwijdte van het voorstel
Vergunninghouders
146. De leden van de JA21-fractie vragen, met betrekking tot artikel I, onderdeel A, waarin
artikel 12, vierde lid, van de Huisvestingswet 2014 wordt gewijzigd, hoe het verbod
op het aanwijzen van vergunninghouders als urgentiecategorie zich verhoudt tot situaties
waarin gemeenten criteria formuleren die in de praktijk grotendeels of uitsluitend
vergunninghouders betreffen. Kan de regering verduidelijken hoe wordt voorkomen dat
het verbod op voorrang in de praktijk wordt omzeild?
Zie het antwoord op vraag 79.
Aantallen met voorrang gehuisveste vergunninghouders
147. De leden van de D66-fractie lezen dat de regering meerdere berekeningen over de aantallen
aan vergunninghouders toegewezen corporatiewoningen aandraagt ter onderbouwing van
de noodzaak van deze wet. Daarbij uit de regering op de ene berekening kritiek, terwijl
de andere als feit wordt gepresenteerd. Kan de regering zelf een berekening maken
van de aantallen aan vergunninghouders toegewezen corporatiewoningen op basis van
de meest recente cijfers?
Het kabinet is gedetailleerde cijfers over de aantallen aan vergunninghouders toegewezen
woningen verder aan het ontwikkelen. Het CBS rapporteert hier inmiddels ook twee jaar
over. De laatste keer was in november 2025.38
148. De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 13 van de MvT dat de regering concludeert
dat de benadering van Van de Beek meer recht doet aan de ervaren verdringing op de
sociale huurmarkt. Deze leden willen de regering vragen of de cijfers van Van de Beek
standaard worden meegenomen in beleidsstukken.
Dit kabinet zal de cijfers van de heer Van de Beek meenemen waar nodig.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen erop dat de regering onduidelijkheid
schept door de cijfers van het CBS te vergelijken met het cijfer van de heer Van de
Beek.
149. Deze leden vragen de regering te bevestigen dat deze cijfers verschillende dingen
meten. Die laatste meet het aantal betaalbare woningen dat beschikbaar kwam voor starters
met een laag inkomen die niet eerder zelf een sociale huurwoning hebben betrokken,
terwijl het cijfer van het CBS het percentage meet van alle vrijgekomen corporatiewoningen
die naar een huishouden gingen met een of meer vergunninghouders.
Het klopt dat het algemene toewijzingspercentage zoals gerapporteerd door het CBS
het percentage van alle vrijgekomen sociale huurwoningen toegewezen aan vergunninghouders
rapporteert. Dit betekent echter ook dat woningen toegewezen aan doorstromers binnen
de sociale huur meegerekend worden, terwijl in de discussie over dit onderwerp vaak
over de toegang tot de sociale huur gaat. Daarom is het ook van belang naar het toewijzingspercentage
aan starters in de sociale huur te kijken; daarmee wordt het concurrentie-effect op
starters weergegeven, hetgeen in deze discussie als relevant gegeven kan worden beschouwd.
In de laatste publicatie van de CBS-cijfers hierover, wordt dit percentage ook weergegeven.
Zij hechten eraan dat politieke discussies gevoerd moeten worden op basis van een
gemeenschappelijk gedeeld feitenkader. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten
er daarom aan dat discussies zich baseren op de berekeningen van het CBS, die komen
tot een percentage van 7% van alle sociale woningen, of 17% van de starterswoningen,
die aan vergunninghouders worden toegewezen.
150. De leden van de SGP-fractie hebben vragen over het percentage vrijkomende sociale
huurwoningen dat aan vergunninghouders wordt toegewezen. Hierover zijn verschillende
opvattingen. Kan de regering op basis van daadwerkelijke toewijzingscijfers, bijvoorbeeld
van woningcorporaties, hier zelf een inschatting van maken?
In de memorie van toelichting wordt op pagina 15 beschreven naar welke toewijzingspercentages
wordt gekeken door het kabinet.
151. Daarnaast vragen deze leden de regering of er ook sprake is van substantiële verschillen
tussen gemeenten.
Er zijn substantiële verschillen tussen provincies in de toewijzingspercentages.39 De gemeentelijke taakstelling wordt proportioneel aan het aantal inwoners van een
gemeente bepaald, maar bij invulling van de taakstelling betekent dit niet dat er
ook een proportioneel aantal woningen mee gemoeid is. Het is dus waarschijnlijk dat
er jaarlijks substantiële verschillen tussen gemeenten in toewijzingspercentages ontstaan.
152. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of zij kan verantwoorden hoe
de blijvende achterstand in de taakstelling te rijmen is met het verbieden van voorrang
van vergunninghouders.
De relatief hoge realisatie van de taakstelling van de afgelopen jaren, in combinatie
met de aanhoudende achterstand op de taakstelling, laat volgens mij zien dat de Nederlandse
woningmarkt op dit moment het aantal te huisvesten vergunninghouders niet kan bolwerken.
In deze tijden van grote schaarste van woningen en tegelijktijdig een grote vraag
ernaar, vindt de regering het noodzakelijk om die schaarse sociale huurwoningen eerlijker
te verdelen en daarom wordt voorgesteld de voorrang voor deze groep te verbieden.
153. Deze leden vragen de regering of het niet beter past om eerst de taakstelling op orde
te krijgen.
Zie het antwoord op vraag 152.
3. Verhouding tot hoger recht
3.1. Recht op Huisvesting (Grondwet en sociale grondrechten/EVRM)
154. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering of zij erkent dat mensen
die een verblijfsvergunning hebben gekregen en in Nederland mogen blijven, volgens
de regering volwaardig onderdeel uitmaken van de Nederlandse samenleving. Ze verzoeken
de regering te antwoorden met ja of nee.
Ja.
155. Zo ja, waarom maakt zij onderscheid tussen deze groep mensen, en andere groepen die
urgentie verdienen?
Artikel 12, eerste lid van de Huisvestingswet 2014 bepaalt dat de gemeenteraad in
de huisvestingsverordening kan bepalen dat voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden
waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is. Naast
de verplichte urgentiecategorieën, mantelzorgers en -ontvangers, personen die in een
blijf-van-mijn-lijfhuis verblijven, kan er onder meer ook sprake van «woningzoekenden
voor wie woonruimte dringend noodzakelijk is» bij woningzoekenden die door een brand
dakloos zijn geworden, mensen die een huwelijk of duurzame relatie beëindigen.40 Het moet dus gaan om woningzoekenden die geen andere optie op huisvesting hebben.
Zoals nader toegelicht bij de beantwoording van vraag 1 is het doel van dit verbod
het beëindigen van momenteel voorkomende situaties waarin vergunninghouders bevoordeeld
worden bij de toewijzing van een woning ten opzichte van andere woningzoekenden. Indien
vergunninghouders op basis van andere kenmerken in aanmerking komen voor urgentie,
kunnen zij hier net als andere woningzoekenden aanspraak op maken. Daarmee wordt hun
positie genormaliseerd.
156. Indien zij dit erkent, acht zij de huisvesting van deze mensen een zorg van de overheid?
Ja.
157. Zo ja, waarom bemoeilijkt zij met dit wetsvoorstel het huisvesten van deze mensen?
Zoals in deze nota naar aanleiding van het verslag bij de beantwoording van vraag
41 is aangegeven is het recht op huisvesting vastgelegd in de Grondwet en in internationale
verdragen en geldt het voor iedereen die zich in Nederland bevindt, ongeacht nationaliteit
of verblijfsstatus, dus ook voor vergunninghouders. Gelet op de grote aantal vergunninghouder
en de maatschappelijke acceptatie is het van belang om te voorkomen dat reguliere
woningzoekenden niet of slechts na zeer lange tijd een sociale huurwoning kunnen betrekken.
Daarom wordt de positie van vergunninghouders genormaliseerd met deze van ander woningzoekenden.
Daarnaast wordt voorzien in alternatieven voor de huisvesting van vergunninghouders,
zoals ook aangegeven in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen de bezwaren van onder andere de Afdeling
Advies van de Raad van State en het College van de Rechten van de Mens dat deze wet
indruist tegen het recht op huisvesting, met name omdat er geen adequate alternatieve
huisvesting is voor vergunninghouders, als zij minder goed terecht kunnen op de sociale
woningmarkt. Deze leden kunnen zich erin vinden dat het recht op huisvesting niet
betekent dat de overheid een huis voor iedereen moet garanderen, maar wel dat de overheid
speciale aandacht moet hebben voor groepen in kwetsbare posities, zoals dak- en thuislozen
en statushouders.
158. Zij vragen de regering dat als het wetsvoorstel in feite erop neer komt dat statushouders
langer in de asielopvang verblijven, de regering in het licht van het recht op huisvesting
haar rol dan heeft vervuld.
Met dit wetsvoorstel wordt niet beoogd dat vergunninghouders langer in de asielopvang
verblijven. Juist om de uitstroom uit de asielopvang te bevorderen, is er een overgangsregeling
voorzien in dit wetsvoorstel zodat er aan vergunninghouders voorrang gegeven kan worden
voor onzelfstandige woonruimten. Nadat de wetsvoorstellen waarin het asielbeleid wordt
aangescherpt van kracht worden, verwacht het kabinet een veel lager aantal vergunninghouders.
In antwoord op vraag 9 is uiteengezet wat het kabinet verwacht ten aanzien van de
huisvesting van deze groep.
159. Dat de regering wel een verplichting voelt ten aanzien van de huisvesting van statushouders,
blijkt uit de flankerende maatregelen die de regering neemt om geschikte huisvesting
voor statushouders te vergroten. Als deze flankerende maatregelen niet voldoende resultaat
opleveren, meent de regering dan aan het recht op huisvesting te voldoen, zo vragen
de leden van de ChristenUnie-fractie.
Het kabinet gaat ervan uit dat het aantal vergunninghouders in de toekomst sterk zal
dalen als gevolg van de wetsvoorstellen waarin het asielbeleid wordt aangescherpt.
Ook gaat het kabinet er vanuit dat de in de memorie van toelichting voorgestelde alternatieve
vormen van huisvesting naar verwachting afdoende zullen zijn. Om de groep vergunninghouders
die nu in de asielopvang verblijven sneller huisvesting te bieden, kunnen gemeenten
gedurende één jaar voorrang geven bij de toewijzing van onzelfstandige woonruimte
aan vergunninghouders.
Daarnaast is in het antwoord op vraag 9 uiteengezet wat het kabinet verwacht ten aanzien
van de huisvesting van deze groep, waarin ook is aangegeven dat het kabinet bereid
is om met uw Kamer in gesprek te gaan over het verschuiven van het moment van inwerkingtreding.
3.2. VN-Vluchtelingenverdrag, Kwalificatierichtlijn en Handvest van de Grondrechten
van de EU
160. De leden van de D66-fractie merken op dat andere EU-lidstaten ook gebonden zijn aan
het EVRM, het VN-Vluchtelingenverdrag, de Kwalificatierichtlijn en het Handvest van
de Grondrechten van de EU. Deze leden vragen de regering daarom uiteen te zetten in
welke andere EU-lidstaten een regeling vergelijkbaar met urgentie voor statushouders
van kracht is.
Er moet worden vastgesteld dat er grote verschillen zijn in de structuur van en de
vraag en aanbod op de woningmarkt, alsmede de wijze van regulering omtrent huisvesting
en wonen tussen de verschillende EU-landen.
Het European Migration Network Inform heeft in januari 2024 het rapport «Access to
autonomous housing in the context of international protection41» uitgebracht. Daarin is de wijze van huisvesting van vergunninghouders en de rol
die de overheid daarin speelt nader beschreven. Lidstaten waarvoor de informatie te
fragmentarisch, verouderd of onvergelijkbaar was, zijn buiten beschouwing gelaten.
Dit leidt ertoe dat niet over alle EU-landen wordt gerapporteerd. Hieronder wordt
een overzicht gegeven van de wijze waarop vergunninghouders huisvesting vinden in
23-EU-landen. De ontbrekende landen hebben meestal geen structureel huisvestingsbeleid,
zeer beperkte aantallen vergunninghouders en snelle uitstroom zonder overheidszorg.
België
Tijdens de asielopvang mogen asielzoekers zelf in hun huisvesting voorzien; anders
verblijven ze in opvang van Fedasil. Na erkenning van de status eindigt de opvang
in Fedasil-structuren in principe binnen 2 maanden, maar deze termijn kan worden verlengd
als de vergunninghouder nog geen huisvesting heeft gevonden. Gemeenten en OCMW’s ondersteunen
bij het vinden huisvesting via huurtoelagen, bemiddeling en begeleiding, maar de verantwoordelijkheid
voor het vinden van huisvesting ligt bij vergunninghouder. Er bestaat geen recht om
een woning toegewezen te krijgen.
Bulgarije
Bulgarije heeft geen georganiseerd beleid voor huisvesting van vergunninghouders.
Na statusverlening eindigt de opvang vrijwel direct. Vergunninghouders moeten volledig
zelfstandig huisvesting vinden, zonder structurele ondersteuning. Bulgarije maakt
wel gebruik van EU-middelen (AMIF) voor integratieprojecten, maar deze richten zich
niet specifiek op huisvesting.
Cyprus
Cyprus hanteert een marktmodel. Vergunninghouders krijgen formeel toegang tot de huurmarkt
en soms huurtoeslagen, maar moeten zelf een woning vinden. Door schaarste en hoge
huurprijzen is dit in de praktijk zeer moeilijk. Voor toegang tot sociale huisvesting
moeten vergunninghouders 12 maanden aaneengesloten in Cyprus hebben gewoond.
Denemarken
Denemarken hanteert een systeem van verplichte gemeentelijke huisvesting. Gemeenten
ontvangen vergunninghouders via een nationaal spreidingsysteem en moeten passende
woonruimte aanbieden. De overheid behoudt sterke regie en huisvesting is gekoppeld
aan taalcursussen en arbeidsmarktintegratie. Vergunninghouders worden niet geacht
zelfstandig de woningmarkt te betreden zonder institutionele ondersteuning.
Duitsland
Duitsland gebruikt een federaal spreidingssysteem, waarbij vergunninghouders worden
verdeeld over deelstaten en gemeenten volgens vaste verdeelsleutels. Gemeenten zijn
verantwoordelijk voor huisvesting en mogen zowel collectieve als individuele woonvormen
inzetten. Na verloop van tijd wordt zelfstandige huisvesting aangemoedigd, maar de
gemeente blijft verantwoordelijk voor begeleiding en toewijzing. Sommige deelstaten
(bijv. Brandenburg) hebben tijdelijke woonunits voor vergunninghouders.
Estland
De overheid ondersteunt via tijdelijke huisvesting en integratieprogramma’s, vaak
kleinschalig. Gemeenten spelen een rol, maar dat is beperkt. Vergunninghouders ontvangen
een eenmalige toelage (tot € 1.200) voor huurkosten (bijv. borg, voorschot) en hebben
toegang tot sociale huisvesting onder dezelfde voorwaarden als Estse burgers.
Finland
Finland werkt met vrijwillige, maar financieel gestimuleerde gemeentelijke opname.
Gemeenten die deelnemen ontvangen compensatie en zijn verantwoordelijk voor huisvesting
en integratie. In de praktijk betekent dit dat vergunninghouders via gemeenten worden
gehuisvest, meestal in sociale of gesubsidieerde woningen. Zelf zoeken is niet de
norm.
Frankrijk
Frankrijk werkt met een nationaal aangestuurd systeem dat lokaal wordt uitgevoerd.
Na statusverlening volgen veel vergunninghouders een overgangstraject in gespecialiseerde
voorzieningen, gericht op integratie en zelfstandigheid. De overheid, via prefecturen
en gemeenten, faciliteert huisvesting en begeleidt de overstap naar reguliere woningen.
Er zijn verschillende programma’s: HOPE-programma: Biedt 6 maanden tijdelijke huisvesting
en begeleiding (84% vindt daarna autonome huisvesting), HELIOS-programma: 12 maanden
huursubsidie en bemiddeling. Ook kunnen particulieren vergunninghouders huisvesten
met overheidssteun. Zelf zoeken zonder ondersteuning is niet het uitgangspunt.
Griekenland
In Griekenland eindigt overheidsopvang meestal kort na statusverlening. Vergunninghouders
worden geacht zelfstandig huisvesting te vinden, maar het HELIOS-programma biedt 12
maanden huursubsidie en bemiddeling. Door grote woningnood en discriminatie op de
private markt komen veel vergunninghouders in informele of precaire situaties terecht.
Hongarije
Hongarije kent een uiterst restrictief asielsysteem. Na statusverlening bestaat er
vrijwel geen overheidsrol meer in huisvesting. Vergunninghouders zijn volledig aangewezen
op eigen middelen of informele netwerken.
Ierland
Ierland kent een sterk marktgestuurd systeem. Na statusverlening moeten vergunninghouders
zelf huisvesting zoeken op de particuliere markt. Door woningnood verblijven vergunninghouders
gemiddeld 253 dagen in opvang na statusverlening. Vergunninghouders hebben recht op
huursubsidie (Housing Assistance Payment) en er zijn coördinatieplatforms voor lokale
huisvestingsondersteuning.
Italië
Italië heeft een gemengd systeem. Via gemeentelijke opvangprojecten (bijv. SIPROIMI/SAI)
kunnen vergunninghouders tijdelijk worden gehuisvest en begeleid (max. 12–18 maanden).
Daarna wordt zelfstandige huisvesting verwacht. Regionale verschillen zijn groot:
sommige regio’s (bijv. Lombardije) hanteren bindingseisen voor sociale huisvesting.
Kroatië
Vergunninghouders zonder voldoende financiële middelen kunnen twee jaar in een door
de staat beheerd appartement wonen; als dat niet mogelijk is, huurt het ministerie
een particulier appartement en betaalt de kosten.
Litouwen
Vergunninghouders krijgen ondersteuning via opvang en integratieprogramma’s. Doorstroom
naar autonome huisvesting is beperkt en sterk afhankelijk van lokale omstandigheden.
Er bestaat een eenmalige toelage voor huurkosten (borg, voorschot).
Luxemburg
Het Luxemburgs Rode Kruis biedt een garantiesysteem voor verhuurders (tot 2 maanden
huur) en een voorschot voor materiële schade (tot € 3.000). Het Ministerie van Volkshuisvesting
biedt reguliere ondersteuningsmechanismen. Vergunninghouders hebben toegang tot sociale
huisvesting onder dezelfde voorwaarden als Luxemburgse burgers.
Malta
Malta biedt beperkte tijdelijke opvang, vaak via NGO’s. Daarna moeten vergunninghouders
zelfstandig huisvesting vinden. Voor toegang tot sociale huisvesting geldt een wachttermijn
van 12 maanden. Financiële ondersteuning is beperkt tot huurtoelagen.
Nederland
In Nederland rust de verantwoordelijkheid voor huisvesting van vergunninghouders expliciet
bij de overheid. Na het verkrijgen van een verblijfsvergunning blijven vergunninghouders
doorgaans in de opvang van het COA totdat zij aan een gemeente zijn gekoppeld. Deze
koppeling gebeurt via een wettelijk vastgelegde taakstelling: elke gemeente is verplicht
een bepaald aantal vergunninghouders te huisvesten, meestal binnen de sociale huursector.
Zelf zoeken komt slechts marginaal voor en is geen structureel onderdeel van het systeem.
Oostenrijk
Oostenrijk kent een gelaagd systeem: federale opvang wordt na statusverlening overgedragen
aan deelstaten en vervolgens gemeenten. De verantwoordelijkheid voor huisvesting ligt
vooral op regionaal en lokaal niveau. Hoewel zelfstandige huisvesting wordt aangemoedigd,
blijft de overheid betrokken via toewijzing, begeleiding en financiële ondersteuning.
Vergunninghouders hebben toegang tot sociale huisvesting en huurtoelagen
Portugal
Portugal combineert staatskaders met uitvoering door maatschappelijke organisaties.
Het Institute of Housing and Urban Rehabilitation (IHRU) biedt bemiddeling en subsidies.
Vergunninghouders krijgen ook begeleiding bij huisvesting via lokale partners.
Slovenië
De overheid biedt tijdelijke huisvesting door middel van integratiehuizen waar vergunninghouders
12 maanden huisvesting en begeleiding krijgen. Daarna kunnen ze voor 2 jaar huurtoeslagen
ontvangen.
Spanje
Spanje werkt met een gefaseerd model. Na statusverlening krijgen vergunninghouders
eerst toegang tot tijdelijke opvang en integratieprogramma’s, vaak uitgevoerd door
NGO’s. Daarna moeten zij zelfstandig huisvesting vinden. Autonome regio’s hebben sterk
uiteenlopend beleid.
Tsjechië
Na statusverlening eindigt opvang. Vergunninghouders kunnen gebruikmaken van algemene
sociale voorzieningen en beperkte huisvestingsprogramma’s zoals de integratiehuizen
waar ze 18 maanden huisvesting en begeleiding kunnen krijgen.
Zweden
Zweden kent een uitgesproken collectief model. Gemeenten zijn wettelijk verplicht
om vergunninghouders te huisvesten die aan hen worden toegewezen. De staat verdeelt
vergunninghouders over gemeenten, ongeacht lokale woningmarktsituaties. Vergunninghouders
krijgen een woning toegewezen. Gemeenten ontvangen vergoeding voor huisvesting (2
jaar). Zelfstandig zoeken speelt geen centrale rol in de eerste fase.
Hoewel dus alle EU-lidstaten gebonden zijn aan het EVRM, het VN-Vluchtelingenverdrag,
de Kwalificatierichtlijn en het Handvest van de Grondrechten van de EU blijkt dat
de invulling van deze verplichtingen sterk verschilt per lidstaat. Het rapport laat
zien dat EU-lidstaten grofweg twee benaderingen hanteren voor huisvesting van vergunninghouders.
Enerzijds een collectief-publiek model waarbij de overheid (nationaal of lokaal) verantwoordelijk
is voor toewijzing van woonruimte. In bijvoorbeeld Nederland, Zweden en Duitsland
bestaat een gestructureerd systeem waarbij de overheid actief zorgdraagt voor de huisvesting
van vergunninghouders. Anderzijds een markt gestuurd model waarbij vergunninghouders
formele toegang tot de woningmarkt krijgen, maar in de praktijk zelf huisvesting moeten
vinden, vaak met beperkte ondersteuning. In bijvoorbeeld Ierland, Griekenland en Cyprus
is er beperkte ondersteuning en moeten vergunninghouders meestal op eigen initiatief
in huisvesting voorzien, met grote uitdagingen zoals woningnood, marktafhankelijkheid
en discriminatie.
Het grootste verschil tussen de deelnemende landen is dus het wel of niet toewijzen
van huisvesting aan vergunninghouders. In 11 van de 26 landen, waaronder Nederland,
wijst de overheid huisvesting in sommige of alle gevallen toe. In Nederland is deze
toewijzing voor onbepaalde tijd en zorgt de gemeente hiervoor. In 15 deelnemende landen
moet de vergunninghouder zelf op zoek naar huisvesting. Er zijn ook tussenvormen waarbij
de overheid bij een tekort aan woningen tijdelijke huisvesting toewijst of een toewijzing
doet voor bepaalde tijd. In Kroatië bijvoorbeeld is deze toewijzing voor een periode
van maximaal 2 jaar.
3.3. Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK)
161. De leden van de D66-fractie vragen de regering verder in te gaan op de situatie van
minderjarige vergunninghouders die gehuisvest worden door Nidos. Wat betekent het
verbod op urgentie voor de vergunninghouders die op hun achttiende verjaardag het
recht op opvang bij Nidos verliezen?
Met betrekking tot de opvang voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv) wordt
voorzien in begeleiding en opvang door stichting Nidos. De overgang naar volledig
zelfstandig leven bij het bereiken van de leeftijd van 18 is voor een amv niet altijd
een eenvoudige opgave. Daarom heeft de rijksoverheid het mogelijk gemaakt dat amv’s
die 18 jaar worden en dat willen tot maximaal 21 jaar in hun opvanggezin of de kleinschalige
opvang kunnen blijven wonen en worden begeleid in de vorm van verlengde opvang. Voormalige
amv’s kunnen verder gebruik maken van dezelfde huisvestingsopties die er zijn voor
andere meerderjarige alleenstaande of alleengaande vergunninghouders.
162. Welke maatregelen is de regering bereid te nemen voor deze groep?
Zie het antwoord op vraag 161.
163. Deze leden lezen dat de regering stelt dat het voorgestelde verbod op urgentie kan
leiden tot het langer verblijven van minderjarige kinderen in opvanglocaties. Kan
de regering aangeven wat de geschatte omvang van dit langere verblijf is?
Het kabinet heeft hierover geen gegevens beschikbaar.
164. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering hoe zij van plan is te
voorkomen dat dit verbod op voorrang ertoe leidt dat kinderen onbedoeld lang in (nood)opvanglocaties
verblijven, met alle blijvende en mogelijk onherstelbare risico’s van dien.
Het kabinet verwacht dat een deel van de groep vergunninghouders zelf in huisvesting
kan voorzien door een beroep te doen op het eigen netwerk, zie ook het antwoord op
vraag 9. De huisvestingsopties die de komende jaren extra worden gerealiseerd zullen
in veel gevallen niet passend zijn voor gezinnen met minderjarige kinderen. Deze gezinnen
moeten daarom vooral in de reguliere woningvoorraad huisvesting vinden. Dat kan mogelijk
wel gebeuren op grond van andere voorrangsgronden dan het feit dat ze vergunninghouder
zijn. Het kabinet is van mening dat gemeenten al verschillende instrumenten tot hun
beschikking hebben om dat voor elkaar te krijgen.
165. Kan de regering ook uitleggen op welke manier dit wetsvoorstel in lijn is met het
Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, dat Nederland heeft ondertekend.
Uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind vloeien verschillende
burgerlijke, politieke, sociale, economische en culturele rechten voor kinderen, en
(inspannings)verplichtingen voort voor de staten die dit verdrag hebben geratificeerd
– zoals Nederland – om deze rechten te eerbiedigen en waarborgen. Dit betekent dat
bij het ontwikkelen van wet- en regelgeving en beleid in Nederland rekening moet worden
gehouden met de rechten van kinderen op korte en op lange termijn. Hier is in de memorie
van toelichting bij dit wetsvoorstel aandacht aan besteed, in paragraaf 3.3.
166. Heeft de regering een kinderrechtentoets gedaan bij dit wetsvoorstel? Zo niet, waarom
niet?
De Kinderombudsman is in 2023 gestart met het vormgeven van een kinderrechtentoets
om het makkelijker te maken om beleid, wet- en regelgeving te toetsen aan het IVRK.
De kinderrechtentoets wordt momenteel getest bij een aantal specifieke beleidsopgaven
en wetgevingstrajecten op het terrein van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport, Justitie en Veiligheid, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.42 Dit wetsvoorstel maakt geen onderdeel uit van een van deze trajecten. Wel is er in
de memorie van toelichting aandacht besteed aan de kinderrechten in paragraaf 3.3,
aangezien uit het kinderrechtenverdrag voortvloeit dat bij het ontwikkelen van wet-
en regelgeving en beleid in Nederland rekening moet worden gehouden met de rechten
van kinderen op korte en op lange termijn.
3.4. Gelijke behandeling
167. De leden van de GroenLinks-PvdA fractie wijzen erop dat de Afdeling advisering van
de Raad van State heeft geconcludeerd dat het wetsvoorstel leidt tot ongelijke behandeling
in strijd met de Grondwet. Deze leden vragen de regering alsnog te reageren op het
advies van september 2025, omdat hier in de MvT niet op in wordt gegaan.
In het nader rapport is ingegaan op het advies van de Afdeling advisering van de Raad
van State ten aanzien van de verhouding van het wetsvoorstel met het gelijkheidsbeginsel.
In de beantwoording van vraag 1 in deze nota naar aanleiding van het verslag wordt
nader ingegaan op de juridische houdbaarheid van het wetsvoorstel in het licht van
het verbod op ongelijke behandeling.
168. Deze leden lezen dat de Afdeling advisering van de Raad constateert dat vergunninghouders
een ongelijke uitgangspositie hebben op de woningmarkt, en dat dit wetsvoorstel gemeenten
de mogelijkheid ontneemt om deze achterstand met een voorrangsregeling te compenseren.
Er is dus sprake van een ongelijke positie, constateren deze leden met de Raad van
State, en het verlenen van voorrang dient juist ter voorkoming van ongelijke behandeling.
De regering acht echter dat de situatie van vergunninghouders gelijkgesteld kan worden
aan de situatie van reguliere woningzoekenden. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
wijzen erop dat vergunninghouders in opvangcentra verblijven en in de MvT van de Huisvestingswet
2014 worden aangeduid als «technisch dakloos», terwijl reguliere woningzoekenden vaak
vanuit een thuissituatie wachttijd kunnen opbouwen. Waarom acht de regering deze onvergelijkbare
situaties aan elkaar gelijk?
In het antwoord op vraag 12 is meer toelichting gegeven bij hetgeen in de memorie
van toelichting bij de Huisvestingswet 2014 wordt verstaan onder «technisch dakloos».
In het antwoord op vraag 1 is aangegeven aan waarom het verbod op voorrang gerechtvaardigd
acht, en waarom het kabinet meent dat er een einde moet komen aan de huidige situaties
waarin vergunninghouders voorrang krijgen op andere woningzoekenden.
169. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering of zij het eens is met
deze leden dat een voorstel om, bijvoorbeeld, gemeenten te verbieden om voorrang te
verlenen aan alleenstaande moeders uit een gewelddadige thuissituatie, of chronisch
zieken, volstrekt onaanvaardbaar en in strijd met de Grondwet zou zijn. Zo ja, waarom
acht de regering dit wel verdedigbaar bij vergunninghouders? In welk opzicht verschillen
vergunninghouders van dit soort andere groepen urgent woningzoekenden?
Zie het antwoord op vraag 1
170. Het College voor de Rechten van de Mens concludeert tevens dat dit wetsvoorstel leidt
tot discriminatie in de zin van artikel 1 van de Grondwet. Waarom handelt de regering
in strijd met de Grondwet?
Zoals onder meer uiteengezet in het antwoord op vraag 1 en aangegeven in het nader
rapport, komt het kabinet tot een andere weging dan de Raad van State, hiermee komt
het kabinet tot de constatering dat dit wetsvoorstel niet in strijd is met de Grondwet.
171. Indien zij van mening is niet in strijd te handelen met de Grondwet, waarom denkt
zij de Grondwet beter te kunnen interpreteren dan de Raad van State en het College
voor de Rechten van de Mens?
In het antwoord op vraag 1 is toegelicht waarom het kabinet tot een andere weging
komt dan de Raad van State en het College voor de Rechten van de Mens.
172. Erkent de regering dat het advies van de Raad van State een zeer belangrijk onderdeel
is van de controles en waarborgen in het Nederlandse wetgevingsproces om zorg te dragen
voor gedegen wetgeving?
Ja.
173. Waarom zet zij een wetsvoorstel door dat de Raad strijdig met de Grondwet acht?
Zie het antwoord op vraag 1
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Afdeling advisering van de Raad van State
aandacht vraagt voor de verhouding van het wetsvoorstel tot grondrechten, waaronder
het recht op gelijke behandeling en het recht op huisvesting.
174. Indien wordt gekozen voor invoering van een verbod op voorrang voor vergunninghouders,
vragen deze leden hoe de regering waarborgt dat dit verbod in overeenstemming is met
deze grondrechten.
Zie het antwoord op vraag 1 en vraag 14.
175. Zij vragen hoe wordt gemotiveerd dat een onderscheid naar verblijfsstatus in de woonruimteverdeling
gerechtvaardigd is.
Zie het antwoord op vraag 1.
176. De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze is beoordeeld of het voorgestelde
verbod voldoet aan de eisen van objectieve rechtvaardiging, geschiktheid en noodzakelijkheid.
Zie het antwoord op vraag 1.
3.5. Richtlijn inzake het recht op gezinshereniging
177. De leden van de ChristenUnie-fractie maken zich zorgen dat het recht op gezinshereniging
wordt uitgekleed, als in de Wet invoering tweestatusstelsel adequate huisvesting voorwaardelijk
wordt gemaakt voor gezinshereniging, en daarnaast deze wet in werking treedt, waardoor
het vinden van adequate huisvesting bemoeilijkt wordt. Deze leden vragen de regering
hierop reflecteren.
De beperkingen die mogelijk voortvloeien uit invoering van het tweestatenstelsel zullen
tot gevolg hebben dat het voor bepaalde asielzoekers moeilijker wordt om een verzoek
tot gezinshereniging te doen. In de Wet invoering tweestatusstelsel wordt het huisvestingsvereiste
als voorwaarde gesteld voor de gezinshereniging van subsidiair beschermden. Met het
in dit wetsvoorstel voorgestelde verbod op voorrang voor vergunninghouders op de grond
dat ze vergunninghouder zijn, wordt enkel geregeld dat zij geen voorrang kunnen krijgen
bij de toewijzing van een zelfstandige sociale woning. Echter, een vergunninghouder
kan ook zonder die voorrang woonruimte vinden. Het kabinet vindt het de eigen verantwoordelijkheid
van een vergunninghouder om in passende huisvesting te voorzien, waarbij ook andere
woonvormen dan een zelfstandige sociale huurwoning passend kunnen zijn, zoals huisvesting
in een doorstroomlocatie of (onzelfstandige) kamerhuur.
4. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)
4.1. Gevolgen voor burgers
178. Vergunninghouders moeten volgens de regering zelf huisvesting vinden, maar de leden
van de GroenLinks-PvdA-fractie concludeerden al eerder in hun inbreng dat onvoldoende
duidelijk wordt waarom dit realistisch zou zijn. Het ligt volgens deze leden, zoals
de gemeenten ook verwachten, meer in de lijn der verwachting dat statushouders in
ondermaatse huisvesting, in de maatschappelijke opvang, of op straat belanden. Deelt
de regering die verwachting? Zo nee, waarop baseert de regering deze voorspelling?
Het kabinet deelt deze verwachting niet, zoals in het antwoord op vraag 9 en 53 staat
toegelicht.
179. Waarom denkt de regering beter overzicht van de gevolgen te hebben dan het lokaal
bestuur?
Gemeenten hebben het beste zicht op de actuele situatie van de woningmarkt in hun
gemeente. Met het voorgestelde verbod op voorrang wordt dit ook niet betwist. Wel
worden een aantal gemeenten die nu wel voorrang geven aan vergunninghouders door dit
verbod gestimuleerd om op andere wijze te voorzien in de huisvesting van vergunninghouders
die op basis van de taakstelling aan hen zijn toebedeeld. Daarbij verwacht het kabinet
ook van gemeenten dat ze een groter beroep doen op de zelfredzaamheid van vergunninghouders
en ook bereid zijn zich in te zetten voor de realisatie van de in de memorie van toelichting
bij dit wetsvoorstel beschreven alternatieve vormen van huisvesting voor vergunninghouders
die niet zelfstandig woonruimte kunnen vinden.
180. Ziet de regering in dat de maatschappelijke kosten vele male hoger zijn als statushouders
in de maatschappelijke opvang of op straat belanden?
Zie het antwoord op vraag op vraag 119.
181. Zou zij de extra uitgaven die hiervan het gevolg zijn, aan bijvoorbeeld noodopvang,
maatschappelijke opvang, en politiehandhaving, niet liever investeren in het bouwen
van nieuwe huizen?
Het kabinet verwacht niet dat zulke extra uitgaven aan de orde zijn.
182. De leden van de CDA-fractie constateren dat vergunninghouders in de huidige praktijk
relatief vaak in specifieke wijken worden gehuisvest. Indien wordt gekozen voor invoering
van een verbod op voorrang, vragen deze leden welke effecten de regering verwacht
voor de spreiding van vergunninghouders over wijken en gemeenten.
Het staat vergunninghouders in principe vrij om zich te vestigen waar zij dat willen.
Het kabinet heeft geen inzicht in het effect daarvan op specifieke wijken.
183. Zij vragen hoe wordt voorkomen dat de gevolgen van een eventueel verbod neerslaan
in een beperkt aantal wijken, met mogelijke effecten op leefbaarheid en sociale samenhang.
Het kabinet erkent het belang van leefbare en vitale wijken. Het kabinet verwacht
dat met invoering van het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting alle gemeenten
zich zullen inzetten om extra (sociale) woningen te realiseren en daarbij de leefbaarheid
van de wijken een belangrijk aandachtpunt is. Er zijn echter geen gegevens over hoe
vergunninghouders worden verspreid over de verschillende wijken van een gemeente.
Indien vergunninghouders zelf woonruimte moeten zoeken, zullen ze dat naar verwachting
niet alleen meer doen in bepaalde wijken met veel sociale huurwoningen, maar ook in
andere wijken waar bijvoorbeeld aan kamerverhuur wordt gedaan. Ook bij de realisatie
van alternatieve vormen van huisvesting voor vergunninghouders, zoals die in beschreven
staan in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel, is het de verwachting dat
gemeenten rekening houden met de leefbaarheid.
4.2. Gevolgen voor decentrale overheden
184. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat gemeenten aangeven dat het
voorgestelde verbod op voorrang hen het belangrijkste sturingsmechanisme ontneemt
om te voldoen aan de taakstelling voor huisvesting van statushouders. Waarom zadelt
de regering gemeenten (voorlopig nog) op met een taak om hen vervolgens de uitvoering
onmogelijk te maken?
Het kabinet is voornemens op de taakstelling af te schaffen. Dit is echter op korte
termijn niet realiseerbaar, zoals is toegelicht in het antwoord op vraag 40.
185. Waarom vindt de regering het gerechtvaardigd om de beleidsvrijheid voor gemeenten
op deze manier in te perken, door gemeenten niet langer toe te staan de afweging zelf
te maken of ze statushouders voorrang willen verlenen?
Zie het antwoord op vraag 71.
186. Wat verwacht de regering van de toezichtstaak van provincies, en hoe voorkomt zij
dat de interbestuurlijke verhoudingen tussen gemeenten, provincies en het rijk op
gespannen voet komen te staan?
Op grond van de Gemeentewet hebben gedeputeerde staten een toezichtstaak ten aanzien
van het college van burgemeesters en wethouders, de gemeenteraad en de burgemeester.
Het interbestuurlijk toezicht is alleen gericht op de uitvoering van wettelijke medebewindstaken. Deze toezichtstaak ziet hierom onder meer op de medebewindstaken die voor deze organen voortvloeien uit de Huisvestingswet 2014. Het is de verwachting
dat gemeenten, provincies en het rijk na inwerkingtreding van dit verbod zullen samenwerken
zoals dit ook het geval is ten aanzien van andere medebewindstaken.
187. Deze leden vragen zich af hoe gemeenten nog kunnen sturen op de uitstroom van vergunninghouders
in hun gemeente.
Het verbod betekent voor gemeenten dat zij op alternatieve wijze invulling zullen
moeten geven aan de taakstelling, voor zolang deze nog geldt. Het kabinet is van mening
dat gemeenten voldoende instrumenten hebben om dat te doen.
188. Kunnen vergunninghouders zich bijvoorbeeld na inwerkingtreding van dit voorliggende
wetsvoorstel inschrijven bij elke woningbouwvereniging naar keuze, ongeacht waar in
Nederland? Zo ja, wat betekent dit voor de uitvoering van de Wet inburgering en de
sturing van het lokaal bestuur op asiel?
Vergunninghouders hebben al de mogelijkheid om zich in te schrijven in een woonruimteverdeelsysteem
of een woningcorporatie. Dit wetsvoorstel brengt daar geen verandering in.
Zie daarnaast de beantwoording op vraag 42 voor de maatregelen die het kabinet neemt
om de huisvestingsmogelijkheden voor vergunninghouders uit te breiden
Met betrekking tot de uitvoering van de inburgering: zie hiervoor de beantwoording
van vraag 207 en 208
189. Is de regering het met deze leden eens dat het onwenselijk is als er een concentratie
van kwetsbare doelgroepen, zoals vergunninghouders, plaatsvindt in een specifieke
wijk of buurt omdat dit mogelijk kan leiden tot negatieve effecten voor de leefbaarheid
en daarnaast de inburgering kan bemoeilijken?
Het kabinet erkent dat het onwenselijk is wanneer kwetsbare groepen geconcentreerd
worden gehuisvest in een specifieke buurt of wijk. Dit kan leiden tot negatieve effecten
voor de leefbaarheid van wijken. Zie ook het antwoord op vraag 183.
190. Erkent de regering dat het verlies van regie van gemeenten op de huisvesting van vergunninghouders
juist het risico op dit probleem ernstig vergroot?
Zie het antwoord op vraag 183.
191. Verder vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hoe het verbod op voorrang voor
vergunninghouders zich verhoudt tot de recente plannen van de regering met betrekking
tot de 120.000 Oekraïners die in Nederland verblijven, voor wie de regering een speciale
vluchtelingenstatus in het leven wil roepen.
Het verbod op voorrang voor vergunninghouders heeft geen betrekking op Oekraïense
ontheemden die een speciale status kunnen krijgen. De ontheemde moet zijn lopende
asielaanvraag intrekken om deze speciale status te kunnen verkrijgen.43 Het voorgestelde verbod op voorrang is uitsluitend van toepassing op «vergunninghouders»
namelijk vreemdelingen die in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde
tijd heeft aangevraagd en als gevolg daarvan een verblijfsvergunning heeft ontvangen
en uitstromen uit de COA-opvang. Omdat ontheemden uit Oekraïne die een speciale status
krijgen omdat ze hun asielaanvraag hebben ingetrokken geen verblijfsvergunning asiel
krijgen, vallen zij niet onder de definitie van «vergunninghouder» in de zin van de
Huisvestingswet 2014. Het verbod op voorrang is daarom niet van toepassing op deze
groep. Het staat gemeenten dus vrij om ex-Oekraïense ontheemden met zo een speciale
status als urgent woningzoekenden aan te wijzen, indien zij daarvoor kiezen in hun
lokale beleid.
192. De leden van de CDA-fractie constateren dat de Raad van State waarschuwt dat invoering
van het verbod voordat de taakstelling is beëindigd, gemeenten in een structurele
spagaat kan brengen. Deze leden vragen welke concrete alternatieven gemeenten op korte
termijn hebben om aan de taakstelling te voldoen zonder gebruik te kunnen maken van
voorrang voor vergunninghouders. Zij vragen hoe is beoordeeld of deze alternatieven
in alle woningmarktregio’s uitvoerbaar zijn.
Het kabinet is voornemens om de taakstelling af te schaffen. In de tijd waarin de
taakstelling nog wel van kracht is, kunnen gemeenten gebruik maken van de in paragraaf
2.4 van de memorie van toelichting genoemde instrumenten om te voldoen aan hun taakstelling.
Voor bepaalde instrumenten zijn van rijkswege ook financieringsmogelijkheden beschikbaar,
deze staan toegelicht in het antwoord op vraag 42. Tot slot is, om de huidige uitstroom
van vergunninghouders uit het COA te faciliteren, een tijdelijke uitzondering opgenomen
in het wetsvoorstel. Deze tijdelijke uitzondering ziet op vergunninghouders die met
voorrang kunnen worden gehuisvest in onzelfstandige woonruimte op grond van het feit
dat ze vergunninghouder zijn.
193. De leden van de SP-fractie vragen hoe de regering voorkomt dat gemeenten en woningcorporaties
de grip verliezen op een evenwichtige spreiding van vergunninghouders over wijken
en gemeenten.
Zie het antwoord op vraag 183.
4.2.1. Gevolgen interbestuurlijk toezicht
194. De leden van de D66-fractie vragen de regering aan te geven wat de geplande datum
van inwerkingtreding van het schrappen van de taakstelling is.
Zie het antwoord op vraag 252.
195. Hoe verhoudt deze datum zich tot de fasering van dit wetsvoorstel?
Zie het antwoord op vraag 192.
196. Vervalt de taakstelling later of eerder dan het ontnemen van de mogelijkheid tot het
toekennen van urgentie aan vergunninghouders?
Zie het antwoord op vraag 9 en vraag 252.
197. Wat voor effecten heeft deze timing op de wettelijke taak van provincies en gemeenten?
Zie het antwoord op vraag 192.
198. Kan de regering uiteenzetten hoe zij gemeenten en provincies in staat stelt om te
blijven voldoen aan hun wettelijke taak?
Zie het antwoord op vraag 192.
De leden van de BBB-fractie constateren dat provincies straks toezicht moeten houden
op twee dingen: Ten eerste dat gemeenten hun taakstelling laten nakomen (wat versnelling
van huisvesting vraagt). Ten tweede dat gemeenten geen voorrang meer mogen geven aan
vergunninghouders. Volgens het IPO botst dit in de praktijk.
199. Deze leden vragen de regering hoe zij dit conflict voorkomt in de toezichtrol?
De taakstelling uit de Huisvestingswet 2014 houdt in dat gemeenten gehouden zijn elk
half jaar te voorzien in de huisvesting van een bepaald aantal vergunninghouders.
Het voornemen is om de taakstelling te schrappen. Gedurende de periode dat de taakstelling
nog van kracht is, kan het toezicht van gedeputeerde staten ten aanzien van de taakstelling
zich erop richten dat hieraan wordt voldaan, zonder dat er voorrang wordt verleend
aan vergunninghouders.
200. Daarnaast vragen zij de regering welke concrete instructies, indicatoren of meetpunten
provincies krijgen om te zorgen dat het verbod op voorrang niet leidt tot extra vertraging
in de uitstroom uit COA-locaties?
Het kabinet heeft geen concrete instructies, indicatoren of meetpunten voor provincies
om te zorgen dat het verbod op voorrang niet leidt tot vertraging in de uitstroom
uit COA-locaties.
4.2.2. Gevolgen taken en bevoegdheden gemeentebesturen
201. De leden van de CDA-fractie constateren dat de Raad van State benadrukt dat het beperken
van gemeentelijke beleidsvrijheid een zelfstandige en zwaarwegende rechtvaardiging
vereist. Deze leden vragen welke concrete rechtvaardiging de regering heeft voor het
specifiek beperken van deze bevoegdheid in dit wetsvoorstel.
Zie het antwoord op vraag 71.
202. Zij constateren dat de Raad van State kritisch is over de wijze waarop de uitvoeringsgevolgen
voor gemeenten zijn betrokken bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel. De leden
van de CDA-fractie vragen op welke wijze deze uitvoeringsgevolgen zijn beoordeeld
en waarom deze beoordeling niet inzichtelijker is uitgewerkt.
Uitvoeringsorganisaties hadden via de openbare consultatie de mogelijkheid om uitvoeringsgevolgen
kenbaar te maken. Gelijktijdig met de internetconsultatie is aan het COA gevraagd
om een uitvoeringstoets te doen. In hoofdstuk 9 van de memorie van toelichting bij
dit wetsvoorstel wordt hierop ingegaan.
203. De leden van de SGP-fractie constateren dat de taakstelling voor het huisvesten van
vergunninghouders voorlopig blijft bestaan. De kans is aanzienlijk dat gemeenten,
door het verbieden van urgentie voor deze groep, niet meer kunnen voldoen aan de taakstelling.
Zeker gezien het feit dat ook met de mogelijkheid tot voorrang de taakstelling vaak
niet wordt gehaald. Worden gemeenten hierdoor niet voor een onmogelijke opgave gesteld?
Zie het antwoord op vraag 192.
204. Welke consequenties kunnen gemeenten tegemoetzien als niet wordt voldaan aan de taakstelling?
Zie het antwoord op vraag 29.
205. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering dragend te motiveren waarom
de regering ervoor kiest de bevoegdheid bij gemeenten weg te halen om zelf te bepalen
of zij voorrang geven aan vergunninghouders. Welke praktijken die er momenteel zijn,
zijn de reden om aan de huidige gang van zaken een einde te maken?
Zie het antwoord op vraag 71.
4.3. Gevolgen inburgering
206. De leden van de D66-fractie constateren dat het wetsvoorstel ook gevolgen heeft voor
de inburgering van vergunninghouders. Kan de regering aangeven hoe zij zorgdraagt
voor het voorkomen van vertraging bij inburgering? Deze leden hebben ook enkele vragen
over de financiering van en verantwoordelijkheid voor inburgering. Gemeenten ontvangen
op dit moment financiering via de Specifieke uitkering inburgeringsvoorzieningen,
gebaseerd op een prognose van het aantal inburgeringsplichtige nieuwkomers.
Zie onderstaande beantwoording op vraag 207.
207. Hoe wordt de prognose vastgesteld als de huisvestingstaakstelling wordt afgeschaft,
zoals de regering voornemens is te doen?
Het kabinet erkent dat het onderhavige wetsvoorstel risico’s oplevert voor vertraging
in de inburgering van vergunninghouders en treft daarom maatregelen om dit te voorkomen.
Zo wordt ingezet op een zo vroeg mogelijke start van de inburgering, ook tijdens verblijf
in de COA-opvang, via voorinburgering en een vroege start door gemeenten. Om de wachttijd
in het azc zo goed mogelijk te benutten, wordt ook ingezet op flexibel taalonderwijs,
waaronder online en hybride lessen.
Daarnaast zijn stimulerende maatregelen getroffen, zoals de verlenging van de inburgeringstermijn
en de vergoeding van reiskosten bij de start van inburgering in de opvang. Ook wordt
vastgelegd dat bij nieuwe locaties randvoorwaarden, zoals studiefaciliteiten, worden
aangeboden.
De specifieke uitkering Wet inburgering 2021 (inburgeringsvoorzieningen) blijft vastgesteld
worden op basis van het werkelijke aantal inburgeraars in de gemeente per einde van
het jaar. Het gaat hierbij om inburgeraars die in de Basisregistratie Personen (BRP)
in de gemeente staan geregistreerd. Deze werkwijze blijft ongewijzigd. Omdat deze
informatie pas na afloop van het kalenderjaar bekend is, wordt de specifieke uitkering
vooraf voorlopig vastgesteld. De inschatting van de omvang en verdeling van de voorlopige
uitkering is onder andere gebaseerd op de huisvestingstaakstelling. Indien de taakstelling
wordt afgeschaft, dient de systematiek aangepast te worden. Hiervoor worden verschillende
opties overwogen, waaronder een alternatief om hierbij gebruik te maken van de meerjarige
productie prognose (MPP) van het Ministerie van Asiel en Migratie.
208. Bij wie komt de verantwoordelijkheid voor de inburgering te liggen als de statushouder
niet uitstroomt uit COA-opvang en ook niet wordt toegewezen aan een gemeente?
Zolang een vergunninghouder in de COA-opvang verblijft, niet uitgestroomd is naar
een woning en niet in de BRP van de gekoppelde gemeente is ingeschreven, start de
formele gemeentelijke verantwoordelijkheid voor inburgering niet. De Wet inburgering
2021 koppelt deze formele verantwoordelijkheid aan de BRP-inschrijving en huisvesting
in de gekoppelde gemeente. Tegelijkertijd kent de Wet inburgering 2021 expliciet de
ambitie van een zo vroeg mogelijke start van inburgering, namelijk vanaf het moment
van koppeling aan een gemeente, ook wanneer de vergunninghouder nog in de opvang verblijft.
Deze ambitie blijft onverkort van kracht.
209. Komt die verantwoordelijkheid dan bij de gemeente waarin de statushouders verblijft
in het azc?
Zij lezen dat de regering stelt dat het noodzakelijk is een ander aangrijppunt voor
de wet inburgering te vinden, wanneer de huisvestingstaakstelling wordt geschrapt.
De leden van de D66-fractie lezen ook meermaals dat de regering ervan uitgaat dat
de taakstelling op korte termijn zal worden geschrapt. Deze leden constateren echter
dat vervolgens geen voorstel voor een nieuw aangrijppunt wordt gedaan door de regering.
Zie ook het antwoord op vraag 208. Als de gemeentelijk taakstelling afgeschaft wordt,
heeft dit vergaande consequenties voor de Wet inburgering 2021. Daarom heeft de Staatssecretaris
Participatie en Integratie een wetswijziging voorbereid waarbij de BRP-inschrijving
na huisvesting bepalend wordt voor welke gemeente verantwoordelijk is voor het inburgeringstraject.
Zolang de inburgeringsplichtige in een azc verblijft, start de inburgeringstermijn
niet.
210. Kan de regering alsnog een voorstel doen gezien de door de regering zelf aangegeven
noodzaak hiervan?
Zie het antwoord op vraag 209.
211. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering of zij inziet dat, voor
het verbeteren van de problemen in de asielketen, het juist essentieel is dat mensen
vanaf de eerste dag kunnen meedoen en dat nieuwkomers snel inburgeren.
Het inburgeringsstelsel heeft de gevolgen ondervonden van de overvolle asielopvang
en het woningtekort. Veel vergunninghouders verbleven lange tijd in de opvang omdat
er onvoldoende woonruimte beschikbaar was in gemeenten. Omdat in veel gevallen de
inburgering pas start na huisvesting in de gemeente, heeft dit tot vertraging in individuele
inburgeringstrajecten geleid.
Het kabinet erkent dan dat het voor het verbeteren van de asielketen essentieel is
dat mensen zo snel als mogelijk mee kunnen doen en na statusverlening zo snel mogelijk
starten met inburgering.
Ook in de komende jaren zal het inburgeringsstelsel opereren binnen de bredere dynamiek
van maatschappelijke opgaven waarvoor wij staan. Veranderingen in de inrichting van
het asielstelsel en in de wijze hoe de huisvesting van vergunninghouders vorm wordt
gegeven, hebben gevolgen voor de manier waarop vergunninghouders kunnen inburgeren.
De Staatssecretaris Integratie en Participatie vindt het van belang te benadrukken
dat deze ontwikkelingen een snelle en volwaardige deelname van nieuwkomers in de Nederlandse
maatschappij niet mogen belemmeren. Dat hij zich hiervoor zal blijven inzetten, heeft
hij in een brief van 28 januari 2026 met uw Kamer gedeeld.44 Tevens heeft hij uw Kamer laten weten dat hij eraan hecht het stelsel voldoende tijd
te gunnen om zichzelf te bewijzen. Daarbij ziet hij dat het idee van een lerend en
adaptief stelsel zich in de praktijk bewijst, waarbij er op uitvoeringsniveau continu
wordt geleerd en bijgestuurd. Waar nodig zal hij bijsturen.
212. Zij vragen of de regering de mening deelt dat fatsoenlijke huisvesting daarbij hoort.
Zie het antwoord op vraag 14.
213. Hoe reageert de regering op het commentaar van de Vereniging Nederlandse Gemeenten
dat «de inburgering onuitvoerbaar wordt» door dit wetsvoorstel?
Het kabinet neemt het signaal van de VNG, COA en Vluchtelingenwerk Nederland serieus
dat het verbod op voorrang gevolgen kan hebben voor de uitvoerbaarheid van de inburgering.
Het kabinet erkent dat het verbod op voorrang kan leiden tot langere verblijfsduur
in de opvang en daarmee tot een tragere start van inburgering en participatie. Juist
daarom zet het kabinet in op mitigerende maatregelen, zoals het vergroten van de deelname
aan voorinburgering in de opvang, stimuleren van vroege start en het flexibiliseren
van het taalaanbod. Hiermee wordt beoogd dat de opvangtijd nuttig kan worden besteed,
ook wanneer huisvesting later plaatsvindt. Daarmee wil het kabinet ook voorkomen dat
vergunninghouders uit beeld raken, sociaal geïsoleerd raken of een achterstand oplopen
op de arbeidsmarkt, en blijft het uitgangspunt dat integratie zo vroeg mogelijk begint.
In dit kader heeft het kabinet kennisgenomen van de VNG-resolutie «Van wachtstand
naar werkstand. Een alternatief plan voor opvang en integratie», die wellicht zal
betrokken worden bij de verdere verkenning van mogelijke beleidsopties.
214. Hoe reageert de regering op het commentaar van het COA, dat «vergaande negatieve consequenties
voor de inburgering van vergunninghouders» voorziet, doordat een langer verblijf in
de opvang tot gevolg heeft dat inburgeringstrajecten niet plaatsvinden?
Zie antwoord op vraag 213.
215. Hoe reageert de regering op de bijdrage van Vluchtelingwerk Nederland, die een groot
risico zien dat vergunninghouders als gevolg van deze maatregel uit beeld raken bij
gemeenten die verantwoordelijk zijn voor de inburgering en de taakstelling voor huisvesting,
dat zij geïsoleerd raken van de samenleving en dat de positie van statushouders op
de arbeidsmarkt wordt verzwakt?
Zie antwoord vraag 213.
216. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering hoeveel extra budget zij uittrekt
om inburgering te versnellen en te verbeteren zoals zij beogen.
Er is op dit moment geen extra budget beschikbaar.
5. Uitvoering
217. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen op de bijdrage van het COA, die constateert
dat zij geen grip meer zal hebben op de uitstroom van vergunninghouders, dat het wetsvoorstel
zal leiden tot een fors langer verblijf in de asielopvang, een verslechtering van
de zelfstandigheid en taalbeheersing van asielzoekers, en tot mogelijk meer en grotere
opvanglocaties om dit op te vangen. Deze leden vragen de regering waarom een wetsvoorstel
doorzet dat volgens een van de meest belangrijke uitvoerders van het asielbeleid tot
zulke onwenselijke en negatieve gevolgen zal leiden?
Zie het antwoord op vraag 9 en 53.
218. Op welke manier zorgt het verbod volgens de regering op een verlaging van de druk
op de asielopvang, zoals ze in de MvT zeggen te beogen? Kan de regering dit feitelijk
onderbouwen?
De druk op de opvang kan worden verminderd door de bouw van extra (onzelfstandige)
woonplekken, hetgeen dit kabinet stimuleert via de in het antwoord op vraag 42 geschetste
regelingen. Op de realisatie hiervan wordt in antwoord op vraag 9 en 53 verder ingegaan.
219. Hoe reageert de regering op de VNG, die constateert dat het verbod op voorrang juist
leidt tot een hogere druk op de asielopvang omdat er minder uitstroom van vergunninghouders
zal plaatsvinden?
Zie het antwoord op vraag 9 en 53.
220. Is de regering van mening dat de VNG ongelijk heeft?
Zie het antwoord op vraag 9 en 53.
221. Voorziet de regering, zoals de experts en uitvoerders voorspellen, dat het voorstel
zal leiden tot meer dure (crisis)noodopvanglocaties en/of tijdelijk verblijf in hotels
of cruiseschepen?
Zie het antwoord op vraag 9 en 53.
222. Is de regering het met de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie eens dat deze hoge
uitgaven beter geïnvesteerd zouden kunnen worden in het daadwerkelijk aanpakken van
de woningnood?
Zie het antwoord op vraag 9 en 53.
223. Deze leden merken op dat de regering zelf in de MvT erkent dat de druk op de asielopvang
naar verwachting tijdelijk verhoogd zal worden omdat de uitstroom uit de opvang door
dit wetsvoorstel wordt bemoeilijkt. Welke concrete verhoging in aantal benodigde asielplekken
verwacht de regering als gevolg van dit verbod? Hoelang zal dit naar verwachting duren?
Hoe gaat de regering deze plekken realiseren?
Zie het antwoord op vraag 53. Er zijn, aanvullend daarop, geen cijfers beschikbaar
over eventuele extra benodigde asielplekken als gevolg van het wetsvoorstel.
De leden van de CDA-fractie constateren dat er al geruime tijd door de regering wordt
gesproken over doorstroomlocaties, opstartwoningen en vergelijkbare vormen van tijdelijke
of alternatieve huisvesting voor vergunninghouders. Deze leden constateren dat deze
begrippen ook in de toelichting bij het wetsvoorstel worden genoemd in relatie tot
de huisvesting van vergunninghouders.
224. Zij vragen welke van deze voorzieningen op dit moment daadwerkelijk zijn gerealiseerd
en in gebruik zijn genomen, uitgesplitst naar type voorziening en regio.
De HAR+ is in 2025 gebruikt voor het onzelfstandig huisvesten van 262 vergunninghouders
in 31 gemeenten.
Op dit moment (peildatum 12 februari) zijn er ca. 1.400 plekken in doorstroomlocaties
gerealiseerd, verdeeld over 39 doorstroomlocaties in 10 provincies. In de tabel hieronder
zijn deze locaties uitgesplitst per provincie.
Provincies
Gerealiseerde plekken
Gerealiseerde locaties
Noord-Holland
204
5
Zuid-Holland
72
1
Zeeland
13
2
Noord-Brabant
192
7
Utrecht
48
3
Flevoland
205
2
Groningen
0
0
Friesland
67
4
Drenthe
0
0
Gelderland
128
6
Overijssel
168
7
Limburg
320
2
Totaal
1.417
39
Zie voor opstartwoningen het antwoord op vraag 57.
225. Zij vragen tevens sinds wanneer deze voorzieningen beschikbaar zijn en voor hoeveel
vergunninghouders zij feitelijk huisvesting bieden.
Zie antwoord op vraag 57. Voor de SFT geldt dat 30% van de woningen aan vergunninghouders
of Oekraïense ontheemden moet worden toegewezen. Er is geen informatie beschikbaar
ten aanzien van om hoeveel vergunninghouders dit exact gaat.
Zie antwoord op vraag 224. De DSL en HAR+ regeling kunnen uitsluitend worden ingezet
voor de huisvesting van vergunninghouders.
226. De leden van de CDA-fractie vragen welke concrete besluiten inmiddels zijn genomen
over de verdere ontwikkeling van doorstroomlocaties en opstartwoningen, welke stappen
daarbij al zijn gezet en welke stappen nog moeten worden genomen voordat sprake is
van daadwerkelijke realisatie.
Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om doorstroomlocaties en opstartwoningen
te (laten) realiseren en exploiteren. Gemeenten kunnen daarvoor financiering ontvangen
van het Rijk.
Op 9 maart 2025 is de bekostigingsregeling huisvesting vergunninghouders in doorstroomlocaties
gepubliceerd. Op grond van deze regeling kan voor maximaal 8.500 te realiseren doorstroomplekken
voor de jaren 2024, 2025, 2026, 2027 en 2028 aan het college van burgemeesters en
wethouders van een doorstroomgemeente een uitkering worden verstrekt.45 Gedurende 2026 kunnen gemeenten nog gebruik maken van deze regeling, die loopt tot
31 december 2028.
Zie voor opstartwoningen het antwoord op vraag 57.
De SFT+ is per 19 januari 2026 inwerking getreden. Het kabinet streeft er naar de
doelgroepflexibele regeling van het Ministerie van Asiel en Migratie zo snel mogelijk
na budgettaire besluitvorming in werking te laten treden.
Het kabinet heeft verder een doelgroepflexibele regeling voor gemeentelijke opvang
en tijdelijke huisvesting uitgewerkt en inhoudelijk afgerond in afstemming met de
VNG. De beoogde inwerkingtreding van deze inhoudelijk afgeronde en afgestemde regeling
is 1 mei 2026, onder voorbehoud van definitieve financiële besluitvorming bij Voorjaarsnota
2026, zodat gemeenten in staat zijn om de regeling adequaat te kunnen uitvoeren. Zie
verder het antwoord op vraag 42.
227. Deze leden vragen welke financiële middelen tot op heden zijn gereserveerd voor de
ontwikkeling en realisatie van deze voorzieningen en welk deel daarvan inmiddels daadwerkelijk
is vastgelegd of ingezet.
Zie antwoord op vraag 57 voor de SFT.
Op dit moment zijn er circa 1400 plekken voor vergunninghouders in doorstroomlocaties
gerealiseerd. Voor de eerste helft van 2026 is de schatting op basis van het aantal
subsidieaanvragen dat daar zo’n 400 plekken voor vergunninghouders bij komen. In totaal
is voor deze 1800 plekken ca. € 100 miljoen gereserveerd, voor de gehele looptijd
van de betreffende locaties.
228. Zij vragen welke rol gemeenten volgens de regering hebben bij de totstandkoming en
exploitatie van doorstroomlocaties en opstartwoningen.
Er zijn verschillende manieren waarop gemeenten hier invulling aan kunnen geven. Voor
de meeste regelingen is de gemeente in ieder geval de aanvrager. Daarnaast kunnen
zij ook een rol vervullen bij de realisatie en exploitatie van doorstroomlocaties
en opstartwoningen. Bijvoorbeeld door vergunningverlening, beschikbaar stellen van
vastgoed, locatiebeheer en sociaal beheer.
229. Zij vragen tevens of hierover overleg met gemeenten heeft plaatsgevonden, en zo ja,
met welke gemeenten en met welke uitkomsten. Indien dit overleg nog niet heeft plaatsgevonden,
vragen de leden van de CDA-fractie wanneer dit overleg alsnog zal worden gevoerd.
Gemeenten worden op verschillende manieren betrokken bij de totstandkoming van regelingen.
Dit gebeurt op individuele basis met gemeenten en in samenwerking met de VNG. Bijvoorbeeld
door middel van internetconsulatie of in klankbordgroepen. Daarnaast vindt op casusniveau
het gesprek met gemeenten plaats wanneer zij overwegen om bijvoorbeeld een doorstroomlocatie
of flexlocatie te openen.
230. Deze leden vragen of gemeenten in dit overleg hebben aangegeven over voldoende capaciteit,
middelen en instrumenten te beschikken om deze voorzieningen te realiseren, en welke
knelpunten daarbij door gemeenten zijn benoemd.
Dit verschilt per situatie, maar deze knelpunten kunnen inderdaad zitten in onvoldoende
(financiële) middelen voor realisatie van een locatie en/of sociaal beheer. Zie het
antwoord op vraag 42 voor de manieren waarop het kabinet gemeenten probeert te ondersteunen
in deze opgave.
De leden van de JA21-fractie lezen in de MvT dat gemeenten in een voorbereidingsfase,
vooruitlopend op de inwerkingtreding van het verbod op voorrang, worden geacht achterstanden
in de taakstelling weg te werken.
231. Deze leden vragen de regering welke concrete bijdrage van het COA wordt verwacht in
deze fase, met name ten aanzien van het wegwerken van bestaande achterstanden en het
bevorderen van een meer gelijke uitgangspositie van vergunninghouders ten opzichte
van andere woningzoekenden.
Het kabinet verwacht dat het COA haar wettelijke taak blijft vervullen. De huisvesting
van vergunninghouders is een wettelijke taak van gemeenten. Zij zijn dus primair verantwoordelijk
voor het wegwerken van bestaande achterstanden en het bevorderen van een meer gelijke
uitgangspositie van vergunninghouders ten opzichte van andere woningzoekenden.
232. De leden van de JA21-fractie vragen de regering welke instrumenten of samenwerkingsafspraken
tussen het COA en gemeenten de regering noodzakelijk acht om te voorkomen dat gemeenten
in deze voorbereidingsfase onevenredig worden belast.
De inspanning die gemeenten moeten leveren is afhankelijk van de wettelijke taakstelling
en eventuele achterstand die ze daarop hebben en niet van eventuele samenwerkingsafspraken
met het COA.
6. Toezicht en handhaving
233. De leden van de JA21-fractie vragen de regering, met betrekking tot de mogelijkheid
van vernietiging van strijdige huisvestingsverordeningen, binnen welke termijn een
dergelijke vernietiging kan plaatsvinden en welk bestuursorgaan hierin primair optreedt.
In artikel 132 van de Grondwet is bepaald dat vernietiging van besluiten van de gemeenteraad
alleen kan geschieden bij koninklijk besluit wegens strijd met het recht of het algemeen
belang. Indien de burgemeester van de desbetreffende gemeente of het college van gedeputeerde
staten meent dat hiervan sprake is, dan kunnen zij hiervan een mededeling doen aan
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het wettelijk kader voor
vernietiging van besluiten van de gemeenteraad (zoals vaststelling van een verordening)
is neergelegd in de Gemeentewet. Het beleidskader is vervat in het Beleidskader schorsing
en vernietiging, waarin het bestuurlijk traject bij vernietiging wordt omschreven.46
Indien een besluit naar oordeel van de burgemeester in aanmerking komt voor vernietiging,
dan doet hij daarvan binnen twee dagen mededeling aan de Minister van Binnenlandse
Zaken, met tussenkomst van gedeputeerde staten. gedeputeerde staten zenden de stukken,
vergezeld van hun advies, binnen een week na de dagtekening van de mededeling van
de burgemeester aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toe.47 Indien de burgemeester geen mededeling doet, maar een besluit van de gemeenteraad
naar oordeel van de gedeputeerde staten niettemin voor vernietiging in aanmerking
komt, dan doen zij daarvan binnen tien dagen nadat het te hunner kennis is gekomen,
mededeling aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.48
Na ontvangst van de mededeling kunnen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(en eventueel de Minister die het aangaat, in een dergelijk geval de Minister van
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) beslissen over te gaan op het voordragen
van het besluit voor vernietiging.49 Een dergelijk besluit is niet aan termijnen gebonden.
7. Financiële gevolgen
234. De leden van de JA21-fractie wijzen de regering op de regeling HAR+, die loopt tot
1 januari 2026 en gemeenten ondersteunt bij uitstroom naar onzelfstandige woonruimte.
Deze leden vragen de regering waarom ervoor is gekozen deze regeling niet te verlengen
tot het einde van de implementatiefase, zodat gemeenten de bestaande taakstelling
beter kunnen afronden vóór volledige inwerkingtreding van het verbod op voorrang.
Zie hiervoor het antwoord op vraag 58.
235. Zij vragen de regering in hoeverre zij het risico aanwezig acht dat het aflopen van
de HAR+ vóór het einde van de implementatiefase leidt tot verminderde uitvoerbaarheid
voor gemeenten.
Het kabinet heeft verschillende financiële regelingen om gemeenten te ondersteunen
bij de huisvesting van vergunninghouders. Zie hiervoor het antwoord op vraag 42.
236. De leden van de SGP-fractie ontvangen graag een meer specifieke inschatting van de
financiële gevolgen van dit wetsvoorstel, als gevolg van het feit dat vergunninghouders
zich langer in de asielopvang bevinden. Gezien de hoge kosten van de opvang per vergunninghouder
per jaar kunnen deze kosten stevig oplopen. Voor een goed beeld van de financiële
gevolgen van het voorliggende wetsvoorstel, achten deze leden een meer specifieke
inschatting noodzakelijk.
Zoals beschreven in de memorie van toelichting heeft deze voorgestelde wetswijziging
mogelijk tot gevolg dat in eerste instantie de kosten van de asielopvang oplopen,
omdat het gemeenten mogelijk niet direct na inwerkintreding van het verbod op voorrang
lukt om vergunninghouders op andere wijze te huisvesten en omdat vergunninghouders
mogelijk niet direct zelfstandig huisvesting vinden, Hierdoor blijven vergunninghouders
mogelijk (tijdelijk) langer in de opvang, met mogelijk stijgende kosten tot gevolg.
Hieronder volgt een korte indicatie van de mogelijke financiële gevolgen. Een verblijf
in opvanglocaties van het COA kost tussen de € 75,– en € 150,– per dag per plek, oftewel
€ 27.375 – € 54.750 per jaar per vergunninghouder. Het kabinet verwacht dat de instroombeperkende
maatregelen ook een effect zullen hebben op het aantal vergunninghouders zal laten
afnemen. Het is op dit moment echter nog niet mogelijk om dit effect en het aantal
vergunninghouders te becijferen omdat dit door meerdere factoren wordt beïnvloed.
Dit heeft tot gevolg dat het niet mogelijk is voor het kabinet om in te schatten welke
mogelijke financiële gevolgen dit wetsvoorstel heeft.
8. Evaluatie
De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 21 van de MvT dat vijf jaar na inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel de doeltreffendheid en effecten van dit voorstel worden geëvalueerd
door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Een termijn van vijf
jaar zou voldoende zijn om ervaringen, inzichten en gegevens te hebben die nodig zijn
voor een gedegen beoordeling van de doeltreffendheid en de effecten van dit wetsvoorstel.
237. Deze leden willen de regering vragen of een termijn van twee of drie jaar ook voldoende
zou zijn om een gedegen beoordeling te kunnen geven.
In de aanwijzingen voor de regelgeving is opgenomen dat een evaluatietermijn van vijf
jaar in de rede ligt.50 Indien er aanleiding voor is kan er besloten worden om de evaluatie naar voren te
halen.
9. Advies en consultatie
238. De leden van de D66-fractie vragen de regering duidelijk weer te geven wat de omvang
en verhouding is van positieve en negatieve reacties op het wetsvoorstel, uitgesplitst
naar reacties van individuele burgers enerzijds en organisaties anderzijds.
Er wordt geconstateerd dat ca. 130 consultatiereacties te kwalificeren zijn als «positief»
ten aanzien van het wetsvoorstel en ca. 380 als «negatief». Hierbij zijn ca. 70 «negatieve»
reacties van organisaties en 180 van burgers. Van de «positieve» consultatiereacties
zijn ca. 5 geplaatst door niet-burgers.
239. Daarnaast vragen deze leden om, voor een vollediger beeld van de reacties, niet alleen
positieve reacties als citaten op te nemen, maar ook een gelijk aantal negatieve reacties
van burgers uit te lichten.
De reacties van burgers zijn meegenomen in de consultatieparagraaf. Daarnaast wordt
voor de reacties wordt verwezen naar de consultatiepagina op internetconsultatie.nl.
240. De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 22 van de MvT dat van de in totaal
375 binnengekomen reacties op de consulatie er 33 niet openbaar zijn. Deze leden zouden
de regering willen vragen waarom niet alle reacties openbaar zijn.
Via internetconsultatie.nl kunnen burgers, bedrijven, instellingen of andere organisaties
suggesties doen voor verbetering van wet- en regelgeving die in voorbereiding is.
Bij het indienen van een reactie is het mogelijk voor de indiener om aan te geven
dat de reactie niet openbaar is. Deze is dan alleen zichtbaar voor het betreffende
ministerie en kan op die wijze wel worden meegenomen in het consultatieproces.
9.1. Centraal orgaan opvang Asielzoekers
Uitvoerbaarheid in brede zin
De leden van de D66-fractie constateren dat er bij het COA grote zorgen leven over
de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel. Deze leden lezen dat de regering verwacht
dat het wetsvoorstel in combinatie met andere maatregelen afdoende zal zijn om de
druk op COA-locaties niet te vergroten.
241. Kan de regering garanderen dat de druk op COA-locaties niet toeneemt als gevolg van
dit wetsvoorstel? Zo nee, welke aanvullende maatregelen is de regering bereid te nemen
om de druk op COA-locaties te verminderen?
Zie het antwoord op vraag 9 en 51. Het kabinet kan geen garanties geven over ontwikkelingen
omtrent de druk op de COA opvanglocaties.
242. Het COA adviseert om meer inzicht te bieden in cijfermatige en financiële consequenties.
De leden van de D66-fractie vragen de regering te reageren op dit advies. Is dit advies
opgevolgd? Zo ja, welke consequenties zijn inzichtelijker gemaakt? Zo nee, waarom
is dit advies niet opgevolgd? En kan de regering in dat geval alsnog meer inzicht
bieden in de financiële gevolgen voor het COA als de uitstroom uit asielopvang afneemt
als gevolg van dit wetsvoorstel?
Zie het antwoord op vraag 236.
De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 24 van de MvT dat het COA aangeeft
dat verschillende onderzoeken laten zien dat hoe langer een vergunninghouder in de
opvang verblijft, hoe nadeliger de effecten zijn op onder meer de (mentale) gezondheid,
de financiële situatie, het volgen van onderwijs, de zelfstandigheid, de zelfredzaamheid,
de taalbeheersing, en de arbeidsmarktpositie van de vergunninghouder.
243. Deze leden zouden de regering willen vragen of er onderzoeken bekend zijn, al dan
niet vanuit het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, die zich
richten op de effecten op onder meer de (mentale) gezondheid, de financiële situatie
en de arbeidsmarktpositie van Nederlanders die vele jaren moeten wachten op een geschikt
huis.
Er zijn geen onderzoeken bekend die zich specifiek richten op negatieve effecten veroorzaakt
door de lange wachttijd in de sociale huur. Uit onderzoek gedaan in het kader van
het IBO Huursector blijkt wel dat vooral woningzoekende jongeren disproportioneel
last hebben van de lange wachttijden, omdat zij vaak slechts beperkt inschrijftijd
hebben op kunnen bouwen.51 De inschrijftijd is ook alleen bruikbaar in de regio waar de woningzoekende in ingeschreven.
De lange wachttijden beperken op die manier de mobiliteit van woningzoekenden in de
sociale huur, waardoor levenskeuzes moeten worden aangepast of uitgesteld. Dit is
in lijn met onderzoek van de SER52 waarin geconcludeerd wordt dat krapte op de woningmarkt, waaronder dus ook de lange
wachttijden in de sociale huur, betekenen dat vooral jongeren nadelige effecten ondervinden.
244. De leden van de ChristenUnie-fractie herkennen de zorgen van het COA ten aanzien van
de druk op de opvang die toeneemt door deze wet. De regering herkent deze zorgen ook,
zo blijkt uit de antwoorden. Deze leden vragen de regering voornemens is om vinger
aan de pols te houden ten aanzien van de capaciteit van het COA.
Ja.
Inburgering en participatie
245. De leden van de JA21-fractie verwijzen naar de constatering van de Afdeling dat de
inburgeringsplicht het voor vergunninghouders lastig kan maken om voltijds te werken.
Deze leden vragen de regering wat de Afdeling hiermee precies bedoelt en op welke
wijze de inburgeringsplicht in de praktijk een belemmering vormt voor het verkrijgen
van voltijds werk.
In de uitvoering vraagt de inburgeringsplicht van vergunninghouders een substantiële
tijdsinvestering, onder meer voor taallessen, examens, participatieactiviteiten en
begeleiding door de gemeente. Deze verplichtingen vinden veelal plaats tijdens reguliere
werktijden en kennen aanwezigheidseisen. Daardoor kan het voor vergunninghouders moeilijk
zijn om een voltijdsbaan te aanvaarden of te behouden, met name in de beginfase na
statusverlening. Het kabinet gaat ervan uit dat de Afdeling hier op doelt.
Aan de andere kant is inburgering voor vergunninghouders een investering in hun toekomst.
Zonder inburgering leren zij de taal niet en is de kans op een duurzame en passende
baan klein. Het kabinet onderkent dit spanningsveld. Daarom wordt ingezet op pilots
startbanen waar wordt gewerkt aan betere mogelijkheden om betaald werk en inburgering
te combineren. De Staatssecretaris Participatie en Integratie denkt bijvoorbeeld aan
het beter benutten van de mogelijkheden in het wetsvoorstel Participatiewet In Balans
om langer bijverdienen (vijftien procent boven op de uitkering) mogelijk te maken.
Ook denkt de Staatssecretaris aan het variëren van de verhouding tussen taallessen
en werk (o.a. flexibel taalonderwijs, een ingroeimodel of een andere volgorde van
taal en werk), taalles op de werkvloer en betere afspraken met vooral mkb werkgevers
over het combineren van werk en taal.
Ook voorschakeltrajecten, ontwikkelingspaden en vrijwilligerswerk dragen bij aan gelijktijdig
inburgeren en de Nederlandse taal leren. Daarnaast stimuleert de Staatssecretaris
Participatie en Integratie vergunninghouders om meer uren te gaan werken. Dit doet
hij door verlenging van de inburgeringstermijn voor inburgeraars die ten minste 24
uur per week werken gedurende minimaal zes aaneengesloten maanden tijdens de inburgeringstermijn
(ingangsdatum 1 april 2026). Daarnaast stimuleert de Staatssecretaris flexibel taalonderwijs,
wat het mogelijk maakt meer uren betaald werk te verrichten.
246. De leden van de JA21-fractie vragen hoe de regering deze constatering betrekt bij
de verwachting dat vergunninghouders in toenemende mate zelfstandig huisvesting zullen
vinden op de particuliere woningmarkt.
Zie het antwoord op vraag 109.
9.2. Overige reacties
9.2.1. Hoofdlijnen van het voorstel
Haalbaarheid van huisvesting vergunninghouders
De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 25 van de MvT dat mede naar aanleiding
van ontvangen reacties de regering in dit wetsvoorstel heeft voorzien in een gefaseerde
invoering door middel van een tijdelijke uitzondering op het verbod op voorrang voor
vergunninghouders voor onzelfstandige woonruimten.
247. Deze leden willen de regering vragen of een gefaseerde invoering in eerste instantie
dus niet aan de orde was en wat toen de argumenten waren om daarvan af te zien.
In de versie die op 17 februari 2025 in internetconsultatie is gegaan, zat inderdaad
nog geen tijdelijke uitzondering voor onzelfstandige woonruimte. Het kabinet heeft
dit toegevoegd om tegemoet te komen aan een aantal knelpunten in de uitvoering die
werden gesignaleerd in de ontvangen reacties.
Doorstroomlocaties
248. De leden van de SGP-fractie vragen de regering welke maatregelen zij neemt om de
uitstroom uit doorstroomlocaties te versnellen.
Zie hiervoor het antwoord op vraag 42.
249. En hoe wordt voorkomen dat doorstroomlocaties in de praktijk een verlengstuk worden
voor reguliere asielopvanglocaties?
Anders dan bij asielopvang, is er bij doorstroomlocaties sprake van (tijdelijke) huisvesting.
Op deze locaties wonen vergunninghouders die officieel verbonden zijn aan een specifieke
gemeente (gekoppeld) en daar ook zijn geregistreerd in het bevolkingsregister (ingeschreven).
Vanuit een doorstroomlocatie kunnen vergunninghouders sneller beginnen met participeren
en integreren in hun toekomstige woonplaats.
Samenhang met de taakstelling
De leden van de D66-fractie lezen dat de VNG, het IPO, verschillende gemeenten, de
Adviesraad Migratie, Movisie, de Woonbond, de NOvA en Vluchtingenwerk zorgen uiten
over de impact van dit wetsvoorstel op de uitvoerbaarheid van de taakstelling. Er
wordt zelfs gesteld dat de taakstelling onuitvoerbaar wordt.
250. De regering stelt dat zij van mening is dat gemeenten voldoende middelen hebben om
aan de taakstelling te voldoen. Kan de regering deze mening onderbouwen?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 42.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering voornemens is de taakstelling
voor huisvesting van vergunninghouders op termijn af te schaffen, maar dat deze zolang
zij geldt van kracht blijft.
251. Zij vragen de regering hoe deze overgangsfase bestuurlijk beheersbaar blijft, zodat
gemeenten niet langdurig moeten opereren binnen een deels tegenstrijdig kader.
Zie hiervoor het antwoord op vraag 42.
252. Deze leden vragen de regering waarom de taakstelling op korte termijn niet kan worden
afgeschaft vanwege de samenhang met de Wet inburgering 2021. Welke concrete bepalingen
in deze wet maken een eerdere afschaffing volgens de regering onmogelijk?
De taakstelling is verweven met de systematiek van de Wet inburgering 2021. Zonder
taakstelling ontbreekt de basis voor de uitvoering van deze wet. Concreet gaat het
om de volgende bepalingen en uitgangspunten in de Wet inburgering 2021:
Koppeling tussen huisvesting en gemeentelijke verantwoordelijkheid/regie: De wet gaat ervan uit dat een vergunninghouder op grond van de taakstelling aan een
gemeente wordt gekoppeld en door deze gemeente wordt gehuisvest. Die gemeente is vervolgens
verantwoordelijk voor de brede intake, het persoonlijk plan inburgering en participatie
en het inburgeringsaanbod. De taakstelling zorgt ook voor een spreiding van vergunninghouders
over het land en draagt hiermee bij aan de uitvoerbaarheid van de Wet inburgering
2021.
Financiering en verdeling van middelen: De uitkering aan gemeenten voor inburgering is gebaseerd op het aantal inburgeringsplichtigen
dat aan gemeenten wordt gekoppeld.53 Bij het afschaffen van de taakstelling ontbreekt een verdeelsleutel voor middelen
en capaciteit.
Omdat deze bepalingen gezamenlijk het fundament vormen van het huidige inburgeringsstelsel,
acht het kabinet een eerdere afschaffing van de taakstelling zonder voorafgaande wetswijziging
en alternatief koppelingsmechanisme niet uitvoerbaar. Daarom moeten aanpassing van
de Wet inburgering 2021 en afschaffing van de taakstelling zorgvuldig en in samenhang
plaatsvinden.
253. Zij vragen of wordt onderzocht of (delen van) de koppeling tussen de taakstelling
en de Wet inburgering 2021 tijdelijk losgelaten of aangepast kunnen worden, zodat
gemeenten eerder duidelijkheid krijgen en bestuurlijke spanning wordt verminderd.
Zie het antwoord op vraag 252.
9.2.2. Gevolgen van het wetsvoorstel
Uitstroom uit opvangcentra
De leden van de D66-fractie constateren dat de regering slechts een opsomming geeft
van de organisaties die zorgen hebben geuit over de gevolgen van het wetsvoorstel
op de uitstroom uit opvangcentra, maar in haar reactie slechts herhaalt dat zij het
aantal asielaanvragen wil verminderen en de tijdelijke uitzondering van een jaar noemt.
Deze leden merken op dat het mogelijke verminderen van de asielaanvragen geen impact
heeft op de verblijfsduur van vergunninghouders die op dit moment in opvangcentra
verblijven.
254. Zij vragen de regering daarom specifiek in te gaan op de afzonderlijke reacties van
de genoemde organisaties.
Het kabinet erkent dat het verminderen van toekomstige asielaanvragen geen directe
invloed heeft op de verblijfsduur van de vergunninghouders die nu in de opvang zitten.
In het antwoord op vraag 9 wordt uiteengezet op welke manieren het kabinet werkt aan
de uitstroom van vergunninghouders uit de opvang. De afzonderlijke reacties gaan uiteindelijk
allemaal over de uitstroom van vergunninghouders uit de asielopvang. Daarom is het
antwoord op de verschillende vragen gelijk.
255. Neemt de regering aanvullende maatregelen om tegemoet te komen aan de zorgen van deze
organisaties naast de tijdelijke uitzondering voor onzelfstandige woonruimtes?
Zie het antwoord op vraag 9.
Gevolgen voor inburgering en integratie
De leden van de D66-fractie lezen dat meerdere medeoverheden en organisaties wijzen
op het feit dat de inburgering door dit wetsvoorstel onder druk komt te staan. De
regering noemt in reactie dat zij werkt aan een samenhangend pakket van maatregelen.
256. Kan de regering uiteenzetten wat dit pakket van maatregelen inhoudt?
Hiervoor wordt verwezen naar de brief die op 11 juli 2025 aan uw Kamer is verstuurd,
waarin het samenhangend pakket wordt toegelicht.54
257. Treedt dit samenhangend pakket in werking voordat dit wetsvoorstel van kracht wordt?
Zo nee, welke maatregelen neemt de regering om te garanderen dat de inburgering van
vergunninghouders geen vertraging oploopt?
Het samenhangend pakket bestaat uit meerdere maatregelen die zijn gericht op het beter
benutten van de bestaande woningvoorraad en het toevoegen van, al dan niet tijdelijke,
(opstart)woningen voor meerdere doelgroepen, voldoende, betaalbare en flexibele opvangplekken
en stimuleringsmaatregelen voor participatie en integratie van vergunninghouders.
Verschillende maatregelen zijn inmiddels al van kracht, zoals beschreven in het antwoord
op vraag 42.
Langdurig verblijf van vergunninghouders in de opvang, door langdurig wachten op een
woning, belemmert inburgering en integratie van vergunninghouders. Door het creëren
van meer huisvestingsmogelijkheden (beter benutten van de bestaande woningvoorraad/
realiseren van doorstroomlocaties) en inzet van financiële regelingen zoals de doelgroep
flexibele regeling en uniformering van financiële regelingen op opvang en kortdurende
huisvesting (zoals HAR en DSL) wordt het makkelijker voor gemeenten om woningen te
transformeren. Het kabinet hoopt dat deze maatregelen ervoor zorgen dat vergunninghouders
sneller kunnen vestigen in de betreffende gemeenten.
Het kabinet erkent daarbij dat het wetsvoorstel risico’s oplevert voor vertraging
in de inburgering van vergunninghouders en treft daarom maatregelen om dit te voorkomen.
Zo wordt ingezet op een zo vroeg mogelijke start van inburgering, ook tijdens verblijf
in de COA-opvang, via voorinburgering en een vroege start door gemeenten. Om de wachttijd
in het azc zo goed mogelijk te benutten wordt ook ingezet op flexibel taalonderwijs,
waaronder online en hybride lessen.
Gevolgen voor leefbaarheid en kwetsbare wijken
258. De leden van de D66-fractie lezen dat Dakloosheid Voorbij!, de AFWC en meerdere gemeenten
waarschuwen voor toename van dakloosheid onder vergunninghouders. Deze leden merken
op dat de regering niet op deze organisaties en gemeenten reageert. Kan de regering
daar alsnog op reageren?
Het kabinet reageert wel degelijk op de door leden van de D66-fractie genoemde partijen
en verwijst voor de reactie naar de memorie van toelichting. Daarnaast verwijst zij
naar de beantwoording van vraag 53.
259. Hoe beoordeelt de regering de toename van het risico op dakloosheid met oog op het
Nationaal Actieplan Dakloosheid?
Het is niet volledig uit te sluiten is dat het risico op dakloosheid voor vergunninghouders
toeneemt. Echter, het kabinet is van mening dat het primair de eigen verantwoordelijkheid
is van vergunninghouders om in huisvesting te voorzien en ze verwacht dat een grote
groep van de vergunninghouders in staat is om zelf in huisvesting te voorzien wanneer
zij niet meer met voorrang een sociale huurwoning krijgen aangeboden. Ook vindt het
kabinet het belangrijk dat vergunninghouders zo spoedig mogelijk uitstromen uit de
asielopvang. Om deze reden zijn verschillende financiële regelingen onderdeel van
het samenhangend pakket. Verder wordt verwezen naar het antwoord op vraag 53.
Gevolgen voor gezinshereniging
De leden van de D66-fractie merken op dat de regering bij de onderbouwing van de maatregelen
in dit wetsvoorstel slechts verwijst naar de onderbouwing in het wetsvoorstel invoering
tweestatusstelsel. Deze leden constateren dat de zorgen die door verschillende organisaties
geuit worden voortkomen uit de combinatie van dit wetsvoorstel met het wetsvoorstel
invoering tweestatusstelsel.
260. Zij vragen de regering daarom alsnog te onderbouwen hoe zij dit wetsvoorstel onderbouwen
in het licht van hoger recht, gezien het effect op gezinshereniging.
Het voorliggende wetsvoorstel ziet niet op gezinshereniging en stelt daar ook geen
voorwaarden aan.
9.2.3. Verhouding tot hoger recht
Recht op huisvesting
261. De leden van de D66-fractie lezen dat de Woonbond specifieke punten rondom dakloosheid
heeft aangedragen in reactie op dit wetsvoorstel. Deze leden constateren dat de regering
niet reageert op deze punten van de Woonbond. Zij vragen de regering alsnog in te
gaan op de reactie van de Woonbond, en daarbij specifiek ook te reageren op de verwachtte
kosten van het onderbrengen van vergunninghouders in de daklozenopvang en de huidige
druk op de daklozenopvang in Nederland.
Zie hiervoor het antwoord op vraag 53.
Gelijke behandeling
262. De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 33 van de MvT dat de rechtvaardiging
van dit verbod volgens de regering is gelegen in het doel van het beëindigen van momenteel
voorkomende situaties van positieve discriminatie. Deze leden willen de regering vragen
of de regering niet al haar beleid (inclusief personeelsbeleid) zou moeten ontdoen
van alle eventueel aanwezige elementen die neigen naar positieve discriminatie. Is
de regering daarmee bezig?
Nee. In Nederland bestaat de wettelijke mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden
voorkeursbeleid toe te passen op basis van een aantal non-discriminatiegronden. Een
vorm van voorkeurbeleid is echter geen onderdeel van het Rijksbrede personeelsbeleid
binnen de rijksoverheid. Het uitgangspunt van het Rijksbrede personeelsbeleid is brede
werving en selectie, zodat er geen groepen bewust of onbewust worden bevooroordeeld.
9.2.4. Interbestuurlijke verhoudingen
263. De leden van de JA21-fractie merken op dat provincies toezicht houden op zowel het
verbod op voorrang als op de taakstelling zolang deze nog geldt. Deze leden vragen
de regering hoe zij voorkomt dat provincies worden geconfronteerd met tegenstrijdige
toezichtstaken, zoals ook door het IPO is benoemd.
Voor het antwoord wordt verwezen naar het antwoord op vraag 199.
264. Zij vragen de regering hoe het provinciale toezicht op het verbod op voorrang voor
vergunninghouders concreet wordt ingericht.
Ten aanzien van het toezicht op het verbod op voorrang zal het bestaande stelsel van
generiek interbestuurlijk toezicht gelden. Gedeputeerde staten kunnen bij de Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties melding maken van een verordening die
naar het oordeel van gedeputeerde staten voor vernietiging in aanmerking komt. Het
instrumentarium voor het toezicht op de naleving en handhaving wijzigt met dit wetsvoorstel
niet. Verder wordt verwezen naar het antwoord op vraag 186.
265. Op welke wijze wordt voorkomen dat provincies naast het bestaande toezicht op de huisvestingstaakstelling
worden belast met een afzonderlijk en parallel toezichtregime?
Gezien het feit dat het wetsvoorstel geen wijzigingen aanbrengt in het provinciaal
instrumentarium voor interbestuurlijk toezicht, en het college van gedeputeerde staten
reeds toezicht houdt op verschillende verplichtingen en bevoegdheden die volgen uit
de Huisvestingswet 2014. Hierom is er vooralsnog geen aanleiding om te menen dat provincies
worden belast met een afzonderlijk en parallel toezichtsregime.
Daarnaast wordt verwezen naar het antwoord op vraag 264.
266. Wordt gewerkt met één geïntegreerde toezichtstructuur en één uniforme informatiestroom
richting provincies, en zo ja, hoe wordt dit praktisch vormgegeven?
Bij de voorbereiding van de vaststelling of wijziging van een huisvestingsverordening
zijn gemeenten al verplicht om de gedeputeerde staten van de betreffende provincie
verplicht om advies te vragen.55 Het wetsvoorstel wijzigt deze bestaande verplichting niet. Verder wordt verwezen
naar het antwoord op vraag 264.
9.2.5. Overige reacties
De leden van de JA21-fractie merken op dat de regering aangeeft woningcorporaties
te ondersteunen bij het geschikt maken van bestaande woningen en gebouwen voor woningdelen.
267. Deze leden vragen de regering hoeveel onzelfstandige woonruimten voor woningdelen
inmiddels met deze ondersteuning zijn gerealiseerd of toegevoegd, hoeveel daarvan
feitelijk in gebruik zijn genomen en in hoeverre deze woonruimten bijdragen aan het
verminderen van de druk op de taakstelling.
Zie hiervoor het antwoord op vraag 224.
Consultatieperiode
268. De leden van de D66-fractie lezen dat de regering in reactie op de beperkte consultatieperiode
opmerkt dat deze maatregel reeds in het hoofdlijnenakkoord en regeerprogramma is aangekondigd.
Bedoelt de regering hiermee te zeggen dat organisaties op een niet uitgewerkt voorstel
hadden moeten reageren? Zo nee, waarom kiest de regering voor het opnemen van deze
passage in reactie op de beperkte consultatieperiode?
Het kabinet vindt het snel voortgang maken met deze maatregel van groot belang en
heeft daarom gekozen voor een kortere consultatieperiode. Organisaties konden niet
eerder reageren op het voorstel, maar waren wel op de hoogte dat dit voorstel er aan
kwam.
Overgangsrecht
269. De leden van de D66-fractie lezen dat de regering met dit wetsvoorstel volgens de
NOvA in strijd handelt met het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheid. Is de regering
van mening dat haar wens voor normalisering van de positie van vergunninghouders voorrang
heeft boven het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheid?
De NOvA heeft opgemerkt dat het wetsvoorstel niet voorziet in overgangsrecht, en acht
dit in strijd met het vertrouwensbeginsel en het beginsel van rechtszekerheid. Het
vertrouwensbeginsel en de rechtszekerheid zijn zeer belangrijke rechtsbeginselen.
In paragraaf 9.3.4 van de memorie van toelichting wordt aangegeven waarom de regering
het gerechtvaardigd acht in dit geval niet te voorzien in overgangsrecht.
10. Overgangsrecht en inwerkingtreding
270. Indien wordt gekozen voor invoering van een verbod, vragen de leden van de CDA-fractie
hoe wordt omgegaan met toewijzingsprocedures die vóór inwerkingtreding zijn gestart
maar nog niet zijn afgerond en welke waarborgen daarbij gelden voor de rechtszekerheid
van woningzoekenden en gemeenten.
Het wetsvoorstel voorziet niet in overgangsrecht. Dit betekent dat vanaf het moment
van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel het verbod op voorrang geldt voor zowel
de aanvragen die nog in behandeling zijn, als voor de aanvragen die worden gedaan
na inwerkingtreding van het verbod.
271. De leden van de JA21-fractie vragen de regering in hoeverre zij de beoogde inwerkingtredingsdatum
van 1 juli 2026 realistisch acht, gelet op het wetgevingstraject en de implementatie
die nog moet volgen.
Zie het antwoord op vraag 9.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
M.C.G. Keijzer
Ondertekenaars
M.C.G. Keijzer, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.