Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 295 Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en enkele andere wetten met het oog op een integrale en gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek en de daarvoor benodigde gegevensverwerking (Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein)
Nr. 8
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 18 februari 2026
INHOUDSOPGAVE
blz.
I.
INLEIDING
1
1.
Algemeen
2
2.
Huidige praktijk rondom de integrale aanpak van meervoudige problematiek
31
3.
Knelpunten bij het realiseren van een integrale aanpak
46
4.
Voorgestelde regeling met betrekking tot de gecoördineerde aanpak van meervoudige
problematiek en de verwerking van persoonsgegevens
48
5.
OGGZ en meldpunten – aanleiding en uitgangspunten
114
6.
Verhouding tot hoger recht en nationale regelgeving
128
7.
Gegevensbescherming effectenbeoordeling (DPIA)
129
8.
Regeldruk en financiële gevolgen
135
9.
Toezicht
139
10.
Advies Autoriteit Persoonsgegevens
140
11.
Overige consultatiereacties
142
12.
Inwerkingtreding
145
13.
Artikelsgewijze toelichting
145
II.
Bijlage lijst partijen amvb
162
I. INLEIDING
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van 14 maart 2023 inzake het
wetsvoorstel tot wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en enkele
andere wetten met het oog op een integrale en gecoördineerde aanpak bij meervoudige
problematiek en de daarvoor benodigde gegevensverwerking (Wet aanpak meervoudige problematiek
sociaal domein (Wams)). Dit wetsvoorstel kan een belangrijke bijdrage leveren aan
het beter en tijdiger helpen van mensen en gezinnen met meervoudige problematiek.
Dit draagt bij aan de uitvoering van het adagium «één gezin, één plan, één regisseur»,
dat tot nu toe niet altijd goed uitvoerbaar blijkt, en het draagt bij aan betere samenwerking
tussen hulpverleners, zodat die hulp elkaar versterkt en de (multi-)problemen van
mensen eerder en beter kunnen worden gesignaleerd, aangepakt of opgelost.
Het wetsvoorstel draagt ook bij aan de versterking van de aanpak van verward en onbegrepen
gedrag, in het bijzonder aan het verhelpen van een deel van de knelpunten op het gebied
van gegevensuitwisseling. Over de bredere opgave op dit terrein en de daarvoor benodigde
interdepartementale aanpak1 wordt gerapporteerd in de halfjaarlijkse voortgangsbrieven verward/onbegrepen gedrag.
In de beantwoording van uw vragen zeg ik u een invoeringstoets toe waar de effecten
van het wetsvoorstel op deze aanpak onderdeel van kunnen uitmaken.
Ik dank de leden van de VVD-fractie, D66-fractie, PVV-fractie, CDA-fractie, SP-fractie,
PvdA-fractie, GroenLinks-fractie, ChristenUnie-fractie, SGP-fractie en de BBB-fractie
voor hun bijdragen. Sindsdien is er heel wat gebeurd. Na de val van het kabinet in
de zomer van 2023, heeft de Tweede Kamer dit wetsvoorstel controversieel verklaard.
In de vergadering van de vaste Kamercommissie voor VWS van 4 september 2024, heeft
de Tweede Kamer aangegeven de nota naar aanleiding van het verslag af te wachten.
Bij brief van 1 juli 20252 heb ik de Kamer geïnformeerd over de afronding van de nota naar aanleiding van het
verslag en de vraagstukken die daarbij speelden. Ik ben verheugd u deze nota naar
aanleiding van het verslag nu aan te bieden.
De toenmalige commissie heeft aangegeven dat, onder het voorbehoud dat de gestelde
vragen voldoende zijn beantwoord, de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende
voorbereid wordt geacht. Graag beantwoord ik de door deze leden gestelde vragen en
hoop dat daarmee de thans zittende leden van uw Kamer ook voldoende zijn voorbereid
om de behandeling van dit wetsvoorstel voort te kunnen zetten.
Bij de beantwoording is de volgorde van het verslag aangehouden. De vragen zijn in
een cursief lettertype geplaatst. De beantwoording van de vragen staat in gewone typografie.
Naar aanleiding van door de leden van de fracties van de PVV, GroenLinks, PvdA, D66,
BBB, CDA, SP, en SGP gestelde vragen, bied ik tevens een nota van wijziging aan. Daarin
worden ook een aantal wetstechnische omissies hersteld. De belangrijkste wijzigingen
betreffen het toevoegen van een definitie van ernstige meervoudige problematiek, het
aanpassen van de bepaling voor het verwerken van persoonsgegevens door professionals
met een beroepsgeheim en een duidelijker afbakening in de bepalingen over verdere
verwerking van gegevens voor wat betreft interventies. Een aantal fracties had vragen
over de partijen die kunnen deelnemen aan een onderzoek of een gecoördineerde aanpak
op grond van dit wetsvoorstel. Om u daarover te informeren is de lijst die onderdeel
zal zijn van de amvb bij deze wet, als bijlage aan deze nota n.a.v. het verslag toegevoegd.
De concept-amvb zelf zal naar verwachting op korte termijn gereed zijn om de internetconsultatie
te starten.
1. ALGEMEEN
1.
De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre de hier voorgestelde wijzigingen wel
of niet doorslaggevend zullen zijn in het wegnemen van belemmeringen om te komen tot
een aanpak van integrale ondersteuning?
De gemeentelijke uitvoeringspraktijk is sinds 2015 geleidelijk ingespeeld op de gedecentraliseerde
wetten. Inmiddels is ook duidelijk dat de groep cliënten met (ernstige) meervoudige
problematiek klein is, maar dat verhoudingsgewijs een groot deel van de uitgaven in
het sociaal domein naar deze groep gaat. Dit wetsvoorstel beoogt tegemoet te komen
aan knelpunten in de wetgeving rond de verwerking van gegevens, zodat gemeenten meer
ruimte krijgen bij de aanpak van meervoudige problematiek en de benodigde afstemming
en samenwerking met andere partijen. Hiermee wordt ook gestreefd naar het verminderen
van de handelingsverlegenheid van professionals. Het wetsvoorstel geeft hiervoor de
benodigde handvatten als het gaat om criteria en bevoegdheden, zodat goede afstemming
tussen betrokken partijen mogelijk is om goede hulp te kunnen bieden terwijl de verwerking
van persoonsgegevens daarbij duidelijk is ingekaderd. De regering verwacht dat dit
wetsvoorstel een substantiële bijdrage kan leveren aan de verdere ontwikkeling van
het integraal werken in het sociaal domein en het zo beter kunnen helpen van mensen
met meervoudige problematiek.
2.
De leden van de VVD-fractie lezen dat het wetsvoorstel niets regelt ten aanzien van
vroegsignalering en vragen of de regering voornemens is hiervoor op korte termijn
nog aanvullende voorstellen te doen.
De Wams kenmerkt zich door de casuïstische aanpak waarbij zoveel mogelijk in samenspraak
met cliënten wordt bekeken hoe zij het beste geholpen kunnen worden in geval van meervoudige
problematiek. Dit is een andere systematiek dan het verzamelen van gegevens door het
koppelen van databestanden om op basis daarvan mensen actief te benaderen in het kader
van vroegsignalering. Op het gebied van vroegsignalering bestaan al mogelijkheden.
Gemeenten bieden op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening inwoners actief
hulp naar aanleiding van signalen over betalingsachterstanden die woningverhuurders,
zorgverzekeraars, CAK, energieleveranciers en drinkwaterleveranciers aan de gemeente
verstrekken3.
3.
De leden van de D66-fractie vragen de regering om nogmaals te onderbouwen wat het
noodzakelijk maakt dat verschillende onderdelen (gecoördineerde aanpak bij meervoudige
problematiek in sociaal domein én de oggz terug te brengen binnen de Wmo 2015) in
één wetsvoorstel worden gevat.
Gemeenten kunnen gecoördineerde en integrale ondersteuning bij meervoudige problematiek
alleen bieden indien cliënten bereid zijn die te aanvaarden. Er zijn kwetsbare personen
die níet zelfstandig om hulp vragen of die hulp juist mijden, terwijl hun omstandigheden
daar wel om vragen. Het benaderen en begeleiden van deze doelgroep naar de juiste
ondersteuning is openbare geestelijke gezondheidszorg (oggz). Oggz gaat dus in sommige
gevallen vooraf aan het kunnen bieden van hulp met een gecoördineerde aanpak en is
daarmee een belangrijke bouwsteen voor de hulp aan een deel van de mensen met meervoudige
problematiek.
Oggz is een onderdeel van maatschappelijke ondersteuning. In de Wmo 2015 is de oggz-taak
van gemeenten, anders dan in de Wmo (2007), niet geëxpliciteerd. Naar aanleiding van
signalen van het Schakelteam personen met verward gedrag over onduidelijkheid in de
verantwoordelijkheidsverdeling voor zorg en ondersteuning voor deze doelgroep, heeft
de Staatssecretaris van VWS, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid en
de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, in reactie op de eindrapportage van het Schakelteam
Personen met Verward Gedrag, er in september 2018 op gewezen dat openbare geestelijke
gezondheidszorg en bemoeizorg nog steeds gemeentelijke taken zijn op grond van de
Wmo 20154. Toch bleven vragen hierover tijdens het opstellen van dit wetsvoorstel terugkomen.
Zo heeft GGD GHOR Nederland aangegeven dat het ontbreken van een expliciete wettelijke
grondslag voor de oggz een belemmering vormt voor de uitvoering van hun werkzaamheden
en de daarvoor benodigde verwerking van persoonsgegevens. De regering meent dat de
belemmeringen waar door de praktijk op wordt gewezen om mensen die zorg mijden toe
te leiden naar zorg of ondersteuning, met het weer opnemen van het begrip oggz in
de wet, samen met het stellen van regels over gegevensverwerking bij het uitvoeren
van de oggz-taak, worden ondervangen en dat het passend is dat in dit wetsvoorstel
op te nemen gelet op de samenhang met (complexe) meervoudige problematiek. Daarbij
hoort ook het expliciteren van de taak van de meldpunten zodat AVG-conform, in het
kader van de doelbinding van de gegevensverwerking, op basis van een wettelijke grondslag
persoonsgegevens kunnen worden verwerkt door de meldpunten in het kader van de oggz-taak.
4.
In het huidige wetsvoorstel worden de aanpalende domeinen slechts in abstracte termen
beschreven. De leden van de D66-fractie vragen de regering om een conceptversie van
deze AMvB voorafgaand aan de wetsbehandeling met de Kamer te delen.
In de amvb zal een lijst worden opgenomen met beoogde partijen die deel kunnen nemen
aan een onderzoek naar meervoudige problematiek en aan een gecoördineerde aanpak en
op basis van welke wettelijke taak zij dat kunnen doen. Een concept van deze lijst
voeg ik als bijlage onderaan deze nota naar aanleiding van het verslag toe. De concept-amvb
die met veldpartijen, waaronder gemeenten, UVW, SVB en CIZ, is voorbereid, zal op
korte termijn via een internetconsulatie openbaar worden gemaakt.
5.
De leden van de D66-fractie vragen de regering waarom in het huidige voorstel een
uitvoeringstoets (waarin de impact op cliënten, zorgaanbieders en hulpverleners voorafgaand
aan inwerkingtreding wordt onderzocht) én een invoeringstoets (een evaluatie één jaar
na de invoering) ontbreekt. Deze leden zijn ervan overtuigd dat dergelijke instrumenten
noodzakelijk zijn voor een goede afweging.
De aspecten van de uitvoerbaarheid van het voorstel hebben aandacht gehad in de verschillende
toetsen op de gevolgen van het wetsvoorstel. Zo heeft de VNG een impactanalyse gedaan,
waarvan de uitvoerbaarheid nadrukkelijk een onderdeel is. Het Adviescollege toetsing
regeldruk (ATR) heeft de regeldrukgevolgen voor burgers en bedrijven beoordeeld (zie
paragraaf 8 van de memorie van toelichting) en er is een DPIA uitgevoerd (zie paragraaf
7 van de memorie van toelichting). In artikel IX van het wetsvoorstel is een evaluatiebepaling
opgenomen die voorziet in een evaluatie na vijf jaar. Ik wil toezeggen dat een invoeringstoets
na een jaar wordt uitgevoerd, met daarin specifiek aandacht voor de effecten van deze
wet voor cliënten, zorgaanbieders en hulpverleners.
6.
De leden van de PVV-fractie vragen waarom het begrip oggz, dat nu wordt teruggebracht
in de Wmo 2015, eerder uit de wet was verwijderd?
Onder de Wmo 2007 werden concrete prestatievelden benoemd, waaronder de oggz. Die
prestatievelden omschreven samen het begrip «maatschappelijke ondersteuning» en bepaalden
daarmee de reikwijdte van de wet. In de aanloop naar de Wmo 2015 constateerde de regering
dat deze omschrijvingen zeer ongelijksoortig waren en bij nader inzien ook niet voldoende
concreet. Het systeem van de prestatievelden is vervolgens in de Wmo 2015 vervangen
door de bredere categorieën zelfredzaamheid, participatie en hulp bij psychosociale
problemen. Onder die brede categorieën kunnen gemeenten meer verschillende arrangementen
en voorzieningen in hun gemeente aanbieden en combineren. Zo wordt huishoudelijke
hulp als voorziening ook niet bij name genoemd, maar valt die net als oggz onder maatschappelijke
ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Tijdens de parlementaire behandeling van de
Wmo 2015 heeft de regering verschillende malen bevestigd en toegelicht dat met deze
wijziging niet werd beoogd een wijziging in taken en verantwoordelijkheden aan te
brengen en dat de oggz een gemeentelijke taak als onderdeel van maatschappelijke ondersteuning
zou blijven.
7.
De regering geeft aan dat dit wetsvoorstel voor een heel kleine doelgroep (4 procent)
noodzakelijk is. De leden van de PVV-fractie vragen hoe groot de regering het deel
van deze doelgroep acht dat geen toestemming zal verlenen voor het delen van hun privacygegevens
in het kader van dit wetsvoorstel? Genoemde leden ontvangen in dit kader graag een
concreet antwoord van de regering.
Voor het beantwoorden van deze vraag van de leden van de PVV-fractie ga ik eerst graag
in op het al dan niet verlenen van toestemming om gegevens te delen. In 2016 heeft
de AP al geconstateerd dat toestemming vaak niet als grondslag voor de gegevensverwerking
kan worden gebruikt door gemeenten, omdat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie
tussen de gemeente en burgers met een hulpvraag, waardoor deze toestemming niet geacht
kan worden in vrijheid te zijn gegeven. Om die reden voorziet dit wetsvoorstel in
taakbepalingen die de wettelijke grondslag vormen voor de noodzakelijke gegevensverwerking.
Dit zijn de bepalingen die in het wetsvoorstel worden voorgesteld in de nieuwe paragraaf
3a van hoofdstuk 2 van de Wmo 2015. In de bepalingen, die de Wams toevoegt aan hoofdstuk
5 van de Wmo 2015, wordt vervolgens voorzien in wettelijke bevoegdheden om voor een
onderzoek op basis van de hulpvraag en de eventueel daaruit voortvloeiende gecoördineerde
aanpak, de noodzakelijke gegevens te verwerken.
Naar aanleiding van een hulpvraag wordt in samenspraak met de cliënt de reikwijdte
van een onderzoek naar mogelijke meervoudige problematiek bepaald. Alleen binnen die
reikwijdte mogen de noodzakelijke gegevens worden verwerkt. Voor zover gegevens van zorgverleners met een medisch beroepsgeheim
nodig zijn, blijft het geven van expliciete toestemming door de cliënt het leidende
principe. Deze systematiek zal voor de grootste groep van mensen met meervoudige problematiek
van toepassing zijn, namelijk de mensen die zelf met een probleem of een hulpvraag
naar de gemeente komen.
Het wetsvoorstel bevat ook de mogelijkheid om bij ernstige meervoudige problematiek
op verzoek van een betrokken professional te onderzoeken of iemand gecoördineerde
hulp kan krijgen. Het gaat dan om mensen die geen hulp kunnen of durven vragen of
bewust zorg mijden. Voor deze groep geldt net als voor de mensen die zelf met een
hulpvraag komen, dat het wetsvoorstel voorziet in wettelijke grondslagen om de noodzakelijke
gegevens te kunnen verwerken. Ook is in het wetsvoorstel bepaald dat deze mensen zo
veel mogelijk bij het onderzoek worden betrokken, en dat zij net als iedereen, uiteindelijk
alleen een gecoördineerde aanpak krijgen, als zij daarmee instemmen.
Voor wat betreft de cijfers het volgende.
In paragraaf 2.1 van de memorie van toelichting is een percentage genoemd van circa
4% van de inwoners dat grotere moeilijkheden ondervindt en gedurende kortere of langere
tijd ondersteuning nodig heeft5. Deze groep kampt met verschillende problemen tegelijk die vaker chronisch en met
elkaar verweven zijn, en die soms intergenerationeel worden overgedragen. Volgens
het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) maakt circa 10% van de bevolking gebruik
van één of meerdere voorzieningen uit het sociaal domein6. In de periode 2015–2019 is vooral een stijging te zien in het gebruik van voorzieningen
op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdzorg, zo blijkt uit de publicatie «Voorzieningen
in 3D» van SCP. Uit de stapelingsmonitor van het CBS blijkt dat het aantal huishoudens
dat gebruik maakt van twee of meer voorzieningen in de loop van de jaren redelijk
gelijk is gebleven.7 Hierbij moet worden aangetekend dat zowel het CBS als het SCP uitgaan van verschillende
en overlappende categorieën van regelingen. Ook wil het feit dat van meerdere voorzieningen
uit het sociaal domein gebruik wordt gemaakt niet zeggen dat er sprake is van meervoudige
samenhangende problematiek, waar de Wams zich op richt. Op basis van deze cijfers fluctueert het
percentage vermoedelijk binnen een bandbreedte van 1–10%.8
Het SCP zag ook een groter aandeel van huishoudens waarbinnen meerdere problemen zich
opstapelen. Het gaat daarbij in de meeste gevallen om combinaties van participatievoorzieningen
die mensen helpen bij het vinden en behouden van werk en maatschappelijke ondersteuning.
Ook de combinatie van jeugdhulp in combinatie met bijstand bij de ouders komt regelmatig
voor.
De Wams is gericht op alle cliënten met meervoudige problematiek. In het wetsvoorstel
is dat gedefinieerd als meerdere samenhangende problemen van een persoon of meerdere samenhangende problemen van gezinsleden die
betrekking hebben op verschillende aspecten van het sociaal domein, of op het sociaal
domein en aanpalende domeinen. De ernst speelt in deze definitie geen rol. Bij het
grootste deel van deze huishoudens is sprake van «gewone» meervoudige problematiek
en bij slechts een klein deel is sprake van ernstige meervoudige problematiek, waarbij
de cliënt niet altijd zelf met een hulpvraag komt. Vooral van deze laatste groep is
de omvang onzeker, omdat het gaat om kwetsbare mensen die niet altijd in beeld zijn
bij de gemeente, terwijl zij soms juist wel hulp nodig hebben.
8.
De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat ook gegevens van mensen
buiten de doelgroep van mensen met multiproblematiek gedeeld gaan worden?
In dit wetsvoorstel is bepaald welke verwerking van gegevens is toegestaan en welke
regels daarbij gelden. Gegevensverwerking die daaraan niet voldoet, is in strijd met
de wet. De regels in dit wetsvoorstel houden in dat gegevens alleen mogen worden verwerkt
voor zover noodzakelijk voor een onderzoek op grond van artikel 2.3a.1 en artikel 2.3a.4
en voor de gecoördineerde aanpak als deze volgt op het onderzoek. Alleen partijen
die meedoen aan de gecoördineerde aanpak kunnen gegevens ontvangen die noodzakelijk
zijn voor hun specifieke bijdrage. Een casusoverleg wordt alleen gevoerd als dit voor
het onderzoek of voor het afstemmen van de gecoördineerde aanpak noodzakelijk is.
Naast de cliënt (en/of diens vertegenwoordiger) worden enkel partijen betrokken van
wie het college of de coördinator vaststelt dat deelname, gezien de betrokkenheid
bij de problematiek van cliënt, noodzakelijk is (doelbinding). Alleen de deelnemers
aan het casusoverleg ontvangen informatie die nodig is voor de uitvoering van de eigen
taak en met instemming van verstrekker. Ten slotte regelt het wetsvoorstel in artikel 5.4.4
middels strikte doelbinding in welke gevallen verdere verwerking van gegevens is toegestaan.
9.
De leden van de PVV-fractie vragen ook hoe burgers in een kwetsbare positie worden
beschermd tegen onnodige uitwisseling van hun persoonlijke gegevens zonder hun toestemming.
De regering is het met de leden van de PVV-fractie eens dat geen onnodige gegevensuitwisseling
mag plaatsvinden. Om mensen goed te kunnen helpen is het wel nodig dat de noodzakelijke
gegevens verwerkt en eventueel uitgewisseld kunnen worden. Dat is wat dit wetsvoorstel
regelt. Mensen verkeren doorgaans in een situatie waarin ze afhankelijk zijn van de
gemeente voor hulp. Bij zo’n afhankelijkheid kan toestemming niet in vrijheid kan
worden gegeven. De wet moet daarom voorzien in regels waarin is vastgelegd in welke
situaties de noodzakelijke gegevens mogen worden verwerkt en welke regels daarbij
gelden. De hulpvraag van de cliënt is leidend en in samenspraak met de cliënt wordt
besproken welke problemen hij ervaart. Aan de hand hiervan wordt bepaald welke gegevens
noodzakelijk zijn. Het betrekken van andere partijen bij het onderzoek of het eventueel
houden van een casusoverleg, gebeurt ook in samenspraak met de cliënt (zie art. 2.3a.1,
zevende lid). Ook bij een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek, waarbij
de cliënt niet zelf om een onderzoek heeft gevraagd, is geregeld dat de cliënt of
zijn vertegenwoordiger zoveel mogelijk moet worden betrokken (art. 2.3a.4, derde lid).
In alle gevallen moet de gemeente ook wijzen op de beschikbaarheid van cliëntondersteuning
én geldt op grond van artikel 13 van de AVG een plicht om informatie te geven over
de gegevensverwerking. Als voor het onderzoek of de gecoördineerde aanpak op grond
van dit wetsvoorstel gegevens over de gezondheid noodzakelijk zijn afkomstig van een
partij met een beroepsgeheim, dan is en blijft het principe van het verlenen van toestemming
door de cliënt leidend. Met het voorstel tot wijziging van artikel 5.4.2, tweede lid,
van dit wetsvoorstel, zoals opgenomen in de nota van wijziging, wordt dit nog eens
extra benadrukt.
10.
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering met het uitwisselingen van gegevens
na een melding bij het meldpunt niet voorbij gaat aan het doel van deze wet enkel
burgers met een hulpvraag maatwerk te bieden? Is enkel een melding van derden niet
veel te kwetsbaar? Wat als die derde partij iemand wil pesten of anderszins dwarszitten?
Waarom wil de regering dat dit kan zonder tussenkomst van een rechter die waarheidsvinding
kan doen? Maakt de regering van mensen met een geestelijke aandoening zo geen tweederangsburgers?
Hoe verhoudt dit zich tot het gegeven dat voor eventuele voorzieningen die in het
kader van de integrale aanpak worden verstrekt, het noodzakelijk is dat de cliënt
deze zelf aanvaardt en wat is de slagingskans van een integrale aanpak als de persoon
die het betreft geen hulpvraag heeft of geen hulp accepteert?
De in dit wetsvoorstel voorgestelde regeling voor openbare geestelijke gezondheidszorg
en de meldpunten betreffen een codificatie van de bestaande werkwijze.
Ook regelt dit voorstel het onderzoek naar meervoudige problematiek en zo nodig daarop
volgend een gecoördineerde aanpak. Het wetsvoorstel voorziet zodoende niet in een
rechtstreekse koppeling tussen een melding bij het meldpunt en het uitvoeren van een
onderzoek naar meervoudige problematiek. Het doel van het meldpunt is niet om een
gecoördineerde aanpak te kunnen starten, het meldpunt kan hiertoe ook geen verzoek
indienen bij het college. Alleen een partij aan wie de melding is doorgezet kan een
onderbouwd verzoek doen op grond van artikel 2.3a.4 mits er sprake lijkt te zijn van
ernstige meervoudige problematiek volgens de in artikel 2.3a.4, eerste lid benoemde
criteria. Het slagen van de gecoördineerde aanpak bij (ernstige) meervoudige problematiek
is afhankelijk van de mate waarin het lukt de cliënt ervan te overtuigen dat zijn
situatie door het aanvaarden van die aanpak zal gaan verbeteren.
De inzet van gedwongen zorg is geregeld in de Wet verplichte ggz (Wvggz) en de Wet
zorg en dwang verstandelijk gehandicapten en psychogeriatrische cliënten (Wzd). Deze
wetten voorzien in de rechtsbescherming (rechterlijke toetsing) die nodig is bij gedwongen
zorg. Alle gemeenten beschikken inmiddels over een meldpunt niet-acuut, veelal ondergebracht
bij de GGD. De dienstverlening door deze meldpunten past in de ruime verantwoordelijkheid
voor oggz die gemeenten op grond van de Wmo 2015 hebben. Dit wetsvoorstel voorziet
in een wettelijke regeling ten behoeve van de verwerking van persoonsgegevens door
deze meldpunten.
Een wettelijke regeling is nodig om vast te leggen dat bij het meldpunt alleen gegevens
mogen worden verwerkt die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de in artikel 2.2.5
van het wetsvoorstel bedoelde triage. Meldpunten bieden mensen de mogelijkheid op
een laagdrempelige wijze lokaal een melding te doen als zij zien dat het niet goed
gaat met iemand. De zorgen van de leden van de PVV-fractie zijn begrijpelijk, maar
uit de al bestaande praktijk van de meldpunten blijkt, dat slechts zelden oneigenlijke
meldingen worden gedaan.
De beller heeft contact met een deskundige medewerker die een triage uitvoert en zo
beoordeelt wat de behoefte is. Om de triage te kunnen uitvoeren, moeten gegevens worden
verwerkt. Het voorgestelde artikel 5.5.1 regelt dat bij een melding aan het meldpunt
persoonsgegevens van de melder mogen worden verwerkt. Anonieme meldingen worden in
beginsel niet in behandeling genomen om te voorkomen dat het meldnummer oneigenlijk
gebruikt wordt door bijvoorbeeld personen die vijandig staan ten opzichte van de persoon
over wie zij melden of in een conflict verwikkeld zijn met de persoon over wie zij
melden. Bovendien leidt de melding mogelijk tot opvolging waarbij het wenselijk kan
zijn de melder op een later moment te kunnen benaderen voor aanvullende informatie.
De professional bij het meldpunt kan inschatten of een eventuele anonieme melding
toch in behandeling moet worden genomen. Een melder kan wel verzoeken om anoniem te
blijven als het gaat om terugkoppeling aan degene over wie de melding is gedaan. Professionals
kunnen niet anoniem blijven jegens degene over wie is gemeld.
De medewerkers van het meldpunt zijn professionals die beschikken over de expertise
om oneigenlijke meldingen te herkennen en daar adequaat mee om te gaan. Ze zijn getraind
om een goede triage uit te voeren en op basis daarvan een inschatting te maken van
wat nodig is, zodat iemand waar zorgen om zijn zo nodig geholpen kan worden. Soms
zal het voldoende zijn om de melder een luisterend oor te bieden of om een beknopt
advies te geven wat hij kan doen om de persoon waarover wordt gemeld te helpen of
ondersteunen. Deze fase van toeleiding naar mogelijke hulp of ondersteuning wordt
met de voorgestelde bepalingen van de nodige waarborgen voorzien, een rechterlijke
toetsing heeft dan geen toegevoegde waarde. Zo wordt in artikel 5.5.2 de wettelijke
grondslag geregeld om voor het uitvoeren van de triage de daarvoor noodzakelijke gegevens
te verwerken. Indien de melding daar aanleiding toe geeft, wordt die doorgezet naar
de voor de behandeling meest aangewezen partij. Aan deze partij mogen de daarvoor
noodzakelijke gegevens worden verstrekt. Dat kan bijvoorbeeld een medewerker van het
Wmo-loket binnen de gemeente zijn, een reeds betrokken jeugdhulpverlener, de afdeling
schuldhulpverlening of een medewerker van het lokale team. Ook kan de melding doorgeleid
worden naar een partij uit een aanpalend domein zoals de ggz. Waar mogelijk zal het
meldpunt eerst proberen zelf in contact te komen met de persoon over wie is gemeld.
Dat is geregeld in artikel 2.2.5, tweede lid.
De partij aan wie de melding is doorgezet, zal contact leggen met de persoon over
wie de melding is gedaan en bespreken of en hoe hij of zij het beste geholpen zou
kunnen worden.
Als op verzoek van een professional uiteindelijk wél een onderzoek wordt uitgevoerd,
en naar aanleiding van zo’n onderzoek een gecoördineerde aanpak wordt voorgesteld,
staat het de cliënt vrij de voorgestelde gecoördineerde aanpak en de daarin voorgestelde
diensten te aanvaarden.
11.
Welke knelpunten zullen ook na invoering van dit wetsvoorstel blijven bestaan, zo
vragen de leden van de PVV-fractie de regering.
Gemeenten onderschrijven het belang van integrale ondersteuning, maar ondervinden
in de praktijk op hoofdlijnen drie knelpunten ten aanzien in de samenwerking. Allereerst
de knelpunten in de gegevensuitwisseling (de wetten in het sociaal domein kennen verschillende
doelen en uitgangspunten), in de tweede plaats knelpunten rond financiering – sommige
gemeenten hanteren in de begrotingen financiële schotten tussen de verschillende voorzieningen
– en ten derde kan het zijn dat de benodigde samenwerking met derden (professionals,
uitvoeringsorganisaties, scholen etc.) stokt door uiteenlopende redenen. Het aantal
personen met meervoudige problematiek is weliswaar relatief klein, maar vraagt in
financiële en capacitaire zin veel van gemeenten. Voor het wegnemen van het eerstgenoemde
knelpunt dient dit wetsvoorstel: door duidelijke regels te stellen over de aanpak
van meervoudige problematiek en de daarvoor noodzakelijke verwerking van gegevens
en samenwerking met partijen, wordt een belangrijke stap gezet in het bevorderen van
integraal werken, samenwerking tussen betrokken partijen en het wegnemen van handelingsverlegenheid.
Hierdoor biedt dit wetvoorstel ook een belangrijke bijdrage aan het wegnemen van het
derde knelpunt; de verwachting is dat de samenwerking wordt verbeterd en handelingsverlegenheid
van betrokken partijen wordt teruggedrongen.
In 2019 bleek uit evaluatieonderzoek dat veel gemeenten het lastig vinden om integraal
werken te realiseren, ten eerste vanwege de inschatting dat afstemming met betrokken
derden veel opleidings- en overlegtijd zou kosten, ten tweede omdat het accent na
2015 eerst moest worden gelegd op goede implementatie van de wetten in de eigen uitvoeringsorganisatie
en ten derde omdat de wetgeving zelf integraliteit belemmerde doordat verantwoordelijkheden
onvoldoende waren afgebakend. Gemeenten onderschreven in dit evaluatieonderzoek wel
de meerwaarde van een integrale aanpak, maar stuitten op een weerbarstige praktijk,
vooral voor wat betreft de afstemming tussen de Wmo 2015 en de Jeugdwet enerzijds
en de Participatiewet anderzijds. Ongeveer een kwart van de gemeenten heeft lokale
teams waarbij er sprake is van één budget voor Wmo 2015 en Jeugdwet.9 Dit om samenhang tussen de domeinen te bereiken en korte lijnen in de dienstverlening
naar burgers te bewerkstelligen. Integrale financiering was nog beperkt ingevoerd:
uit hetzelfde evaluatieonderzoek bleek (peiling 2018) dat niet meer dan anderhalf
op de tien gemeenten een integraal budget voor het sociaal domein op de gemeentebegroting
had opgenomen. Ook bleek na verloop van tijd dat landelijke kaders gewenst zijn om
de nodigde afspraken in gang te zetten, of om schotten ten aanzien van financiering
en gegevensuitwisseling weg te nemen. De Wams is daar een uitvloeisel van, maar ook
bijvoorbeeld de wet met betrekking tot de uitbreiding en verdere uitwerking van de
bekostigingsmogelijkheden met middelen vanuit het Fonds langdurige zorg, beoogt ook
financiële schotten weg te nemen.10 Het doel van genoemd wetsvoorstel is om de samenwerking tussen de verschillende financiers
te stimuleren zodat (zorg)geld doelmatig kan worden ingezet in het sociaal domein
om zorgkosten te voorkomen. Met name zorgkantoren zouden meer ruimte hebben voor domein-overstijgende
initiatieven in het sociaal domein voor niet cliëntgebonden voorzieningen. Zie in
dat verband ook de Handreiking domeinoverstijgende activiteiten en aanspraken Zvw
van 12 september 2023 van het Zorginstituut Nederland.11
12.
Met het vastleggen van bepaalde (rand)voorwaarden voor de gecoördineerde aanpak, inclusief
de benodigde gegevensverwerking, beoogt de regering te voorzien in waarborgen die
passen bij de ingrijpende gegevensverwerkingen die het gevolg van dit wetsvoorstel
kunnen zijn. Welke randvoorwaarden betreffen dit? Welke waarborgen zijn er voor inwoners,
met en zonder hulpvraag, tegen een mogelijk te ruime gegevensverwerking?
De wettelijke grondslag voor het onderzoek naar meervoudige problematiek bij een hulpvraag
van de cliënt zelf, is opgenomen in artikel 2.3a.1. De hulpvraag van de cliënt is
leidend en in samenspraak met de cliënt wordt besproken welke problemen hij ervaart
en wordt onderzocht of er inderdaad sprake is van meervoudige problematiek die in
aanmerking komt voor een gecoördineerde aanpak. Na het onderzoek kan dan overeenkomstig
het bepaalde in artikel 2.3a.2 aan de client een gecoördineerde aanpak worden voorgesteld.
Het aanvaarden van de gecoördineerde aanpak en de voor die aanpak voorgestelde diensten
door de cliënt of diens vertegenwoordiger is dus vrijwillig. De wettelijke grondslag
voor een onderzoek naar meervoudige problematiek als een cliënt niet zelf om hulp
vraagt, is opgenomen in artikel 2.3a.4. De voorwaarden om zo’n onderzoek te starten
zijn streng. Het uitgangspunt is namelijk dat het al dan niet vragen van hulp een
eigen keuze is. Soms ziet een partij die betrokken is bij iemand met problemen, dat
door het mijden van hulp de problemen zich opstapelen, en dat het voor het verbeteren
van de situatie van deze persoon beter zou zijn als hij meer en vooral ook op elkaar
afgestemde hulp zou krijgen. Deze partij kan dan op grond van artikel 2.3a.4, eerste
lid, een verzoek doen aan het college om een onderzoek te starten. Dit verzoek moet
gemotiveerd worden aan de hand van de criteria voor ernstige meervoudige problematiek
zoals die zijn benoemd in artikel 2.3.a.4, eerste lid, en het college zal aan de hand
van die criteria toetsen of een onderzoek gestart kan worden vanwege een vermoeden
van ernstige meervoudige problematiek. De verzoekende partij zal ook moeten aangeven
waarom een gecoördineerde aanpak zal kunnen bijdragen aan het oplossen of verminderen
van de problematiek. Als een onderzoek wordt gestart wordt de cliënt daarover geïnformeerd
en zoveel als mogelijk bij het onderzoek betrokken (art. 2.3a.4, derde lid).
Het is van belang dat de verwerking van gegevens met passende waarborgen omkleed is.
Om die reden wordt in dit wetsvoorstel niet volstaan met het vastleggen van de specifieke
taken van het college, maar bevat het wetsvoorstel ook procedurele voorschriften die
de gegevensuitwisseling ten behoeve van (het onderzoek naar) de gecoördineerde aanpak
van meervoudige problematiek kanaliseren.
Door in dit wetsvoorstel meer dan louter taakbepalingen voor de gecoördineerde aanpak
op te nemen, streeft de regering ernaar de verwerking van gegevens met de nodige waarborgen
te omkleden. Zo wordt met de voorgeschreven procedure beoogd de gegevensverwerking
niet omvangrijker te laten zijn dan nodig. Een andere waarborg is dat de gegevensverzameling
ten behoeve van het onderzoek is losgekoppeld van de gegevensverzameling ten behoeve
van de coördinatie. De coördinator krijgt niet automatisch alle gegevens uit het onderzoek
naar meervoudige problematiek, maar alleen die gegevens die noodzakelijk zijn om de
gecoördineerde aanpak te kunnen uitvoeren.
Ook zijn criteria opgenomen waar een situatie aan moet voldoen voordat een onderzoek
kan worden gestart, en zijn procedurele waarborgen opgenomen voor de verwerking van
gegevens in een casusoverleg en het vastleggen en verspreiden van informatie.
Alleen partijen die worden genoemd in de amvb bij dit wetsvoorstel en die voldoen
aan de daarin gestelde beveiligingseisen kunnen deelnemen aan de gecoördineerde aanpak.
Hiermee wordt het college op wetsniveau concrete handvatten geboden voor het inrichten
van een zorgvuldige procedure in overeenstemming met de AVG en wordt ook voor partijen
en cliënten het handelingskader duidelijk. Gedurende het hele proces dient de cliënt
goed te worden geïnformeerd over o.a. zijn rechtspositie, de mogelijkheid om een onafhankelijk
cliëntondersteuner in te zetten, en een klacht in te dienen of de functionaris gegevensbescherming
van de gemeente of de gemeentelijke ombudsman te betrekken. Ook staat voor cliënten
de weg naar de AP en de Nationale ombudsman open. Het vraagt om kennis van de rechtspositie
van het gezin en goede gespreksvaardigheden van de professional om cliënten volledig
te informeren. Diverse richtlijnen geven professionals hierbij handvatten en kaders.
13.
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering met de nota naar aanleiding van
het verslag tevens een concept van de AMvB naar de Kamer kan sturen. Deze leden vragen
ook waarom de partijen die betrokken kunnen worden bij de gecoördineerde aanpak in
een AMvB worden opgenomen.
In de amvb zal een lijst worden opgenomen met beoogde partijen die deel kunnen nemen
aan een onderzoek naar meervoudige problematiek en aan een gecoördineerde aanpak en
op basis van welke wettelijke taak zij dat kunnen doen. Een concept van deze lijst
voeg ik als bijlage onderaan deze nota naar aanleiding van het verslag toe. De concept-amvb
die met veldpartijen, waaronder gemeenten, UVW, SVB en CIZ, is voorbereid, zal op
korte termijn via een internetconsulatie openbaar worden gemaakt.
Een regeling bij amvb geeft iets meer flexibiliteit als blijkt dat aanpassing nodig
is vanwege een te ruime of te enge verwijzing naar de taken van partijen. Daarbij
is het zo dat de kernelementen, namelijk de definitie van partij tezamen met de definitie
van aanpalende domeinen, in de wet staan, zodat de reikwijdte van het wetsvoorstel
voldoende duidelijk is en de delegatie concreet en begrensd is.
Zo is in de voorgestelde wijziging van artikel 1.1.1 is de definitie van partij opgenomen.
Het betreft alle instanties en mensen die kunnen worden betrokken bij een onderzoek
naar meervoudige problematiek en daarna bij een gecoördineerde aanpak. Die aanpak
ziet zowel op het sociale domein als op de aanpalende domeinen. Omdat aanpalende domeinen
potentieel een groot werkterrein beslaan, is het omwille van de rechtszekerheid van
cliënten maar ook voor de potentiële partijen zelf noodzakelijk om duidelijk af te
bakenen welke partijen op grond van welke taken betrokken kunnen worden bij het onderzoek
en de gecoördineerde aanpak. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft dit ook in zijn
advies aangegeven.
14.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering van mening is dat de doelstelling
van de Jeugdwet, één gezin, één plan en één regisseur, tot nog toe niet goed gelukt
is, en of het niet zo is dat wat dit wetsvoorstel wil regelen wat betreft samenwerken
en integraal werken eigenlijk al kan binnen de huidige Wmo 2015.
De regering is inderdaad van mening dat deze doelstelling nog niet overal goed uit
de verf is gekomen en dat het wetsvoorstel een belangrijke bijdrage levert aan het
realiseren hiervan. Een van de belangrijkste doelen van de decentralisatie van verschillende
taken naar het gemeentebestuur per 2015 – en de totstandkoming van de Wmo 2015, de
Jeugdwet en de Participatiewet – was om burgers passende ondersteuning te kunnen bieden
bij het behouden en vergroten van hun zelfredzaamheid en participatie. Dit vergt een
brede blik op de persoonlijke omstandigheden van haar inwoners en hun sociale omgeving
en brengt met zich mee dat zij integrale ondersteuning bieden indachtig het adagium
«één gezin, één-plan, één regisseur» die ten grondslag lag aan de decentralisaties
van 2015. Integrale ondersteuning betekent dat bij diverse problematiek waar nodig
verschillende domeinen worden betrokken op het gebied van werk en inkomen, gezondheid,
zorg, schulden, veiligheid, huisvesting en onderwijs. Gaandeweg bleek dat zich toch
belangrijke knelpunten op het gebied van met name gegevensverwerking voordoen. Als
gevolg daarvan ervaren gemeenten belemmeringen in het realiseren van een gecoördineerde
aanpak en het leveren van maatwerk aan burgers bij wie meervoudige problematiek speelt.
Die komen er in het algemeen op neer dat het huidige wettelijke kader onvoldoende
basis biedt om gegevens te kunnen verwerken om vast te stellen of eventueel sprake
is van meervoudige problematiek, dan wel de mogelijkheid uitvoering te kunnen geven
aan een daadwerkelijke gecoördineerde aanpak daarvan. Omdat burgers in een kwetsbare
positie vaak juist afhankelijk zijn van hulp uit het sociaal domein, heeft de AP in
2016 al geconstateerd dat toestemming in het sociaal domein geen juiste grondslag
is voor de verwerking van persoonsgegevens.12
Deze situatie heeft bijgedragen aan handelingsverlegenheid bij organisaties en professionals
om informatie te delen, ook in gevallen waarin dit, gezien de aard van de problematiek,
wel geboden is. De regering acht de huidige situatie van onduidelijkheid over de wettelijke
grondslagen van een gecoördineerde aanpak onwenselijk en wil met dit wetsvoorstel
die duidelijkheid geven en zo betere ondersteuning van burgers met meervoudige problematiek
mogelijk maken.
15.
De leden van de CDA-fractie lezen het wetsvoorstel zo dat de regering bij de aanpak
van meervoudige problematiek een gecoördineerde aanpak belangrijker vindt dan gemeentelijke
beleidsvrijheid, en vragen de regering hierop reflecteren. Omdat dit wetsvoorstel
veel verder gaat dan het onderling (organisaties/gemeenten) kunnen verstrekken van
gegevens, zo stelt ook de Afdeling, leiden deze leden hieruit af dat de regering «verder
ingrijpen» voor de aanpak van multiproblematiek noodzakelijk vindt.
Dit wetsvoorstel sluit aan bij de bedoeling van de wetten van het sociaal domein,
namelijk het bieden van maatwerk en het integraal werken. Het oplossen van problemen
staat voorop, zodat mensen in kwetsbare situaties niet tussen wal en schip vallen.
In dit wetsvoorstel is met het oog op de gedecentraliseerde verhoudingen gestreefd
naar minimale inkleuring van de werkwijze van het college. Aangezien het wetsvoorstel
niet alleen de grondslagen beoogt te regelen voor gegevensverwerking, maar ook inwoners
waarborgen biedt tegen een mogelijk te ruime gegevensverwerking, heeft het voorstel
zich niet volledig beperkt tot de «wat» vraag («wat moet of mag het college doen»),
maar richt het zich in beperkte mate, ook op de «hoe» vraag mede gezien de handelingsverlegenheid
bij gemeenten. Het wetsvoorstel geeft namelijk nadere invulling aan uit de AVG voortvloeiende
verplichtingen inzake gegevensverwerking. Zou uitsluitend de «wat» vraag zijn beantwoord,
dan zouden de waarborgen van de AVG alleen in abstracte zin geboden kunnen worden.
De regering beoogt met dit wetsvoorstel gemeenten, en de partners met wie zij werken,
voldoende houvast te bieden bij de gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek
én burgers het vertrouwen te bieden dat gemeenten zorgvuldig en daadkrachtig kunnen
optreden. Daartoe krijgt het college op wetsniveau concrete handvatten voor het inrichten
van een zorgvuldige procedure die bedoeld is te bewerkstelligen dat alleen de noodzakelijke
gegevens worden verwerkt en gegevens niet onnodig verspreid worden onder partijen
die betrokken zijn bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of bij een gecoördineerde
aanpak. De aandacht kan dan gaan naar de inhoud van de problematiek en de mogelijke
oplossingen waarbij gemeenten binnen de gegeven kaders veel vrijheid hebben hoe ze
invulling geven aan deze wet. Het gaat dus niet om het inperken van de gemeentelijke
beleidsvrijheid voor de aanpak van multiproblematiek, maar om het bieden van kaders
en handelingsperspectief om mensen met meervoudige problematiek beter te kunnen helpen
binnen de kaders van het eigen gemeentelijke beleid.
16.
De leden van de CDA-fractie constateren dat dit wetsvoorstel de administratieve lastendruk
voor zowel gemeenten als zorgaanbieders zal vergroten. Dit kan gezien de aanwezigheid
van een meervoudige problematiek noodzakelijk en proportioneel zijn. Kan de regering
aangeven hoe zij dit weegt en toelichten hoe zij het regelen van een aanpak van onderzoek,
casusoverleg en een gecoördineerde aanpak noodzakelijk vindt, zeker in relatie tot
het probleem van arbeidskrapte in de zorg en de alsmaar toenemende administratieve
lastendruk?
Kan de regering aangeven hoe groot zij de groep verwacht die onder de reikwijdte van
dit wetsvoorstel gaat vallen? Mensen met een lichamelijke beperking ervaren problemen
op verschillende sociale domeinen. Is er dan sprake van een meervoudige problematiek?
De leden van de CDA-fractie denken dat dit niet zo is. Deelt de regering dit standpunt?
Wat betreft de werkbaarheid van het wetsvoorstel in de praktijk verwacht het Adviescollege
Toetsing Regeldruk (ATR) dat de lasten voor burgers afnemen en de uitvoerbaarheid
voor gemeenten toeneemt, hetgeen bijdraagt aan een efficiëntere en effectievere uitvoeringspraktijk.
Daarbij merkt ATR op dat hoewel de wettelijke basis een belangrijke randvoorwaarde
is, er nog andere inspanningen nodig zijn om de gecoördineerde aanpak te realiseren,
zoals het koppelen van informatiesystemen, het aanpassen van logistieke processen
en het opbouwen van een vertrouwensrelatie met de burger. Dit zal tot veranderingen
in de praktijk leiden. ATR adviseert om het instrument «klantreis» te gebruiken bij
de inrichting en invulling van organisatie, systemen en processen in het kader van
de gecoördineerde aanpak. Tot slot bevestigt ATR dat dit wetsvoorstel geen nieuwe
verplichtingen voor burgers creëert en dat de regeldruk voor hen zal afnemen. Vermoedelijk
geldt dit ook voor professionals in de praktijk. Het meedoen aan de gecoördineerde
aanpak en de daarvoor noodzakelijke afstemming betekent op dat vlak wel inzet, maar
is onontkoombaar en zal uiteindelijk kunnen leiden tot betere en ook efficiëntere
hulp. Hierdoor kan de werkdruk voor professionals ook weer afnemen.
De omvang van de potentiële doelgroep waarop het wetsvoorstel betrekking heeft, ligt
naar schatting tussen de 1 en 10%.13 Exacte cijfers zijn hiervan niet bekend omdat deze cijfers gaan over het hebben van
meerdere problemen waarbij niet vaststaat of het ook om samenhangende problemen gaat.
Binnen deze potentiële doelgroep van de Wams zal bij het grootste deel sprake zijn
van meervoudige problematiek (niet zijnde de in het wetsvoorstel eveneens gedefinieerde
ernstige meervoudige problematiek) en vindt het onderzoek in samenspraak met de cliënt
plaats. Bij een klein deel is sprake van ernstige meervoudige problematiek, waarbij
de cliënt niet altijd zelf hulp vraagt. Het gaat daarbij in ieder geval om een groep
die kleiner is dan de genoemde 4%. Het gaat dan potentieel om enkele tienduizenden
gevallen.14
Uit de definitie van meervoudige problematiek in dit wetsvoorstel blijkt dat het moet
gaan om samenhangende problemen. Zoals de leden van de CDA-fractie opmerken is het
dus niet zo, dat als iemand met een lichamelijke beperking problemen heeft in verschillende
sociale domeinen of aanpalende domeinen er meteen sprake is van meervoudige problematiek.
Iemand met een auditieve beperking kan bijvoorbeeld gebruikmaken van tolkvoorzieningen
en een Wajong uitkering krijgen, maar dat is geen meervoudige problematiek als bedoeld
in dit wetsvoorstel, waarvoor een gecoördineerde aanpak nodig is.15 Natuurlijk zijn ook gevallen denkbaar waarin iemand met een lichamelijke beperking
wel degelijk te kampen heeft met meervoudige problematiek. De gecoördineerde aanpak
van de Wams is ten dienste van de burger om problemen te kunnen oplossen die vanwege
hun samenhang van invloed zijn op elkaar. Dat wordt per geval in samenspraak met de
burger onderzocht naar aanleiding van een hulpvraag.
17.
De leden van de SP-fractie lezen dat de Afdeling heeft geadviseerd om «het voorstel
te beperken tot voor de gegevensverwerking noodzakelijke grondslagen en de overige
onderdelen te schrappen». Kan de regering uiteenzetten waarom zij dit advies van de
Afdeling naast zich neerlegt en toch in de wet vastlegt hoe de gecoördineerde aanpak
dient te worden vormgegeven?
Dit wetsvoorstel sluit aan bij de bedoeling van de wetten van het sociaal domein,
namelijk het bieden van maatwerk en het integraal werken. Het oplossen van problemen
staat voorop, zodat mensen in kwetsbare situaties niet tussen wal en schip vallen.
De praktijk bij gemeenten en andere betrokken partijen vraagt om een duidelijk kader
dat handelingsperspectief biedt.
In dit wetsvoorstel is met het oog op de gedecentraliseerde verhoudingen gestreefd
naar minimale inkleuring van de werkwijze van het college. Aangezien het wetsvoorstel
niet alleen de grondslagen beoogt te regelen voor gegevensverwerking, maar ook inwoners
waarborgen biedt tegen een mogelijk te ruime gegevensverwerking, heeft het voorstel
zich niet volledig beperkt tot de «wat» vraag («wat moet of mag het college doen»),
maar richt het zich in beperkte mate, ook op de «hoe» vraag. Het wetsvoorstel geeft
namelijk nadere invulling aan uit de AVG voortvloeiende verplichtingen inzake gegevensverwerking.
Zou uitsluitend de «wat» vraag zijn beantwoord, dan zouden de waarborgen van de AVG
alleen in abstracte zin geboden kunnen worden. De regering beoogt met dit wetsvoorstel
gemeenten, en de partners met wie zij werken, voldoende houvast te bieden bij de gecoördineerde
aanpak van meervoudige problematiek én burgers het vertrouwen te bieden dat gemeenten
zorgvuldig en daadkrachtig kunnen optreden. Daartoe krijgt het college op wetsniveau
concrete handvatten voor het inrichten van een zorgvuldige procedure die bedoeld is
te bewerkstelligen dat alleen de noodzakelijke gegevens worden verwerkt en gegevens
niet onnodig verspreid worden onder partijen die betrokken zijn bij een onderzoek
naar meervoudige problematiek of bij een gecoördineerde aanpak. De aandacht kan dan
gaan naar de inhoud van de problematiek en de mogelijke oplossingen waarbij gemeenten
binnen de gegeven kaders veel vrijheid hebben hoe ze invulling geven aan deze wet.
Gemeenten hebben die kaders nodig om hun werk goed te kunnen doen.
18.
De leden van de SP-fractie vragen de regering welke risico’s er zijn verbonden aan
het delen van gegevens van cliënten met meer partijen. Hoe worden de privacy van de
cliënt en de veiligheid van diens gegevens bijvoorbeeld gewaarborgd?
Het delen van persoonsgegevens brengt altijd risico op onrechtmatig gebruik met zich
mee. Gezien de aard van dit wetsvoorstel is een gegevensbeschermingseffect-beoordeling
(DPIA) uitgevoerd op het wetsvoorstel en op de verwachte uitvoeringspraktijk, en ook
de AP heeft advies uitgebracht.
Op verschillende manieren worden de risico’s in het wetsvoorstel ingedamd. Zo bevat
het wetsvoorstel kaders waar de gegevensverwerking aan moet voldoen, zoals het beginsel
van samenspraak met de cliënt bij het onderzoek en het noodzakelijkheidscriterium
dat zowel geldt ten aanzien van de te betrekken partijen als ten aanzien van de gegevens
die met partijen worden gedeeld. Daarnaast levert het wetsvoorstel een verbetering
op in de rechtspositie van de cliënt doordat duidelijk wordt vastgelegd waar de verantwoordelijkheid
ligt voor de gegevensverwerking bij een gecoördineerde aanpak waarbij meerdere partijen
zijn betrokken. Op grond van dit wetsvoorstel worden gegevens alleen verwerkt voor
zover noodzakelijk voor een onderzoek naar meervoudige problematiek. Als naar aanleiding
van dat onderzoek een gecoördineerde aanpak start, regelt het wetsvoorstel dat ook
in die fase alleen de voor die coördinatie noodzakelijke gegevens mogen worden verwerkt.
Ook is in het wetsvoorstel vastgelegd in hoeverre en onder welke voorwaarden betrokken
partijen gegevens verstrekken voor een onderzoek naar meervoudige problematiek en
dat zij alleen gegevens mogen ontvangen die noodzakelijk kunnen zijn voor hun bijdrage
aan een onderzoek of aan de gecoördineerde aanpak. Als het gaat om gegevens over de
gezondheid die van betrokken hulpverleners worden gevraagd, blijft expliciete toestemming
van de cliënt daarbij het leidende principe.
Op grond van de AVG zijn verwerkingsverantwoordelijken verplicht tot het treffen van
«passende technische en organisatorische maatregelen om een op het risico afgestemd
beveiligingsniveau te waarborgen». Iedere partij die betrokken kan zijn bij een onderzoek
naar meervoudige problematiek of bij een gecoördineerde aanpak is verwerkingsverantwoordelijke
voor de verwerking van persoonsgegevens die hoort bij zijn eigen taakuitoefening.
Voor een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens is het cruciaal dat de verwerking
van gegevens plaatsvindt door middel van adequaat ingerichte ICT-systemen, conform
het vereiste van privacy by design. De ontwikkeling van de ICT-systemen ten behoeve van de integrale en gecoördineerde
aanpak bij meervoudige problematiek wordt door de gemeenten gezamenlijk opgepakt.
Cliënten moeten kunnen vertrouwen op het zorgvuldig en veilig gebruik van hun gegevens
door de betrokken partijen. Daarom kunnen op grond van artikel 5.4.6 bij amvb technische
en organisatorische eisen worden gesteld die zijn gericht op de beveiliging van de
verwerking van gegevens. Aan deze amvb wordt invulling gegeven. Zo worden eisen gesteld
aan betrokken partijen op het gebied van informatiebeveiliging bij onder andere het
verzenden en het opslaan van informatie. De betrokken partijen zullen in principe
ook nu al aan de gestelde eisen moeten kunnen voldoen. De concept-amvb zal op korte
termijn in internetconsultatie gaan.
De functionaris gegevensbescherming en de Autoriteit persoonsgegevens houden toezicht
op de verwerking van gegevens door de betrokken partijen. Tegen schendingen van de
AVG staat formele rechtsbescherming open.
19.
De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom zij ervoor kiest om in dit wetsvoorstel
een grondslag te regelen voor zowel ondersteuning aan cliënten met meervoudige problematiek
op verzoek van de cliënt, als voor ondersteuning in situaties waarbij dit niet op
verzoek van de cliënt gebeurt. Waarom is er niet voor gekozen hiervoor twee verschillende
wettelijke grondslagen te creëren?
Dit wetsvoorstel creëert voor beide situaties een afzonderlijke wettelijke grondslag.
De wettelijke grondslag voor het onderzoek naar meervoudige problematiek bij een hulpvraag
van de cliënt zelf, is opgenomen in artikel 2.3a.1. De hulpvraag van de cliënt is
leidend en in samenspraak met de cliënt wordt besproken welke problemen hij ervaart
en wordt onderzocht of er inderdaad sprake is van meervoudige problematiek die in
aanmerking komt voor een gecoördineerde aanpak. Na het onderzoek kan dan overeenkomstig
het bepaalde in artikel 2.3a.2 aan de client een gecoördineerde aanpak worden voorgesteld.
Het is aan de cliënt om te beslissen of hij de gecoördineerde aanpak en de diensten
die daarbij worden geboden aanvaardt.
De wettelijke grondslag voor een onderzoek naar meervoudige problematiek in geval
een cliënt niet zelf om hulp vraagt, is opgenomen in artikel 2.3a.4. De voorwaarden
om zo’n onderzoek te kunnen starten zijn streng. De partij die om een onderzoek vraagt
moet een gemotiveerd verzoek doen over het vermoeden dat er sprake is van ernstige
meervoudige problematiek aan de hand van de criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid.
Bij een ongemotiveerd of niet goed gemotiveerd verzoek, zal het college geen onderzoek
starten. Het college toetst daarvoor het verzoek ook aan de criteria van artikel 2.3a.4,
eerste lid. De verzoekende partij zal in zijn motivering bijvoorbeeld moeten aangeven
wat er al geprobeerd is en waarom het nodig is om te proberen met andere partijen
tot een gecoördineerde aanpak te komen. Als een onderzoek wordt gestart wordt de cliënt
daarover geïnformeerd en zoveel als mogelijk bij het onderzoek betrokken (art. 2.3a.4,
derde lid).
Op deze manier geeft dit wetsvoorstel twee verschillende wettelijke grondslagen om
een onderzoek te starten. In beide gevallen kan de uitkomst van het onderzoek zijn
dat een gecoördineerde aanpak wordt voorgesteld. In beide situaties is de aanvaarding
van de gecoördineerde aanpak en van de diensten die onderdeel uitmaken van die aanpak
vrijwillig. Die aanpak zal bestaan uit meerdere vormen van hulp en ondersteuning,
afspraken en in sommige gevallen worden ook niet vrijwillige interventies, zoals bijvoorbeeld
reclassering of een kinderbeschermingsmaatregel, in de gecoördineerde aanpak betrokken.
Het slagen van de gecoördineerde aanpak bij ernstige meervoudige problematiek is afhankelijk
van de mate waarin het lukt de cliënt ervan te overtuigen dat zijn situatie door het
aanvaarden van de hulp zal gaan verbeteren. De meerwaarde van beide wettelijke grondslagen
zit daarmee in de mogelijkheid om met diverse bij de cliënt betrokken partijen tot
een gezamenlijke gecoördineerde aanpak te kunnen komen zodat zinvolle hulp kan worden
opgestart die elkaar niet «in de weg zit» of tegenwerkt. Gezien de duidelijke samenhang
tussen de twee verschillende wettelijke grondslagen en dezelfde waarborgen die nodig
zijn voor een zorgvuldige verwerking van gegevens, het houden van een casusoverleg
en het bieden van een gecoördineerde aanpak, is dit samen in één wetsvoorstel geregeld.
20.
De leden van de SP-fractie constateren dat het wetsvoorstel niet voorziet in de mogelijkheid
om de persoonsgegevens uit het onderzoek of de coördinatie aan een andere gemeente
over te dragen. Waarom is hier niet voor gekozen en wat gebeurt er als een cliënt
verhuist naar een andere gemeente?
Gegevens over de lopende gecoördineerde aanpak, over eerder verstrekte diensten uit
het sociaal domein of van een lopend onderzoek naar meervoudige problematiek kunnen
worden verstrekt aan de nieuwe gemeente bij verhuizing. Hier is geen nadere wettelijke
regeling voor nodig omdat beide colleges op grond van de wet bevoegd zijn de gegevens
te verwerken. Toch stel ik voor bij nota van wijziging hiervoor in artikel 5.4.4 een
expliciete grondslag op te nemen, omwille van de duidelijkheid en omdat een expliciete
grondslag voor de overdracht van gegevens bij een verhuizing zal bijdragen aan snellere
en betere hulp voor cliënten die verhuizen. Artikel 2.6.1 van de Wmo 2015 bepaalt
dat de colleges met elkaar samen werken indien dat voor een doeltreffende en doelmatige
uitvoering van deze wet aangewezen is. Dat geldt dus ook voor de regels van dit wetsvoorstel
die in de Wmo 2015 zullen worden opgenomen. Colleges zullen ook in het kader van de
aanpak van meervoudige problematiek, zoals voorgesteld in de Wams, soms moeten samenwerken.
Bij een verhuizing kan ervoor worden gekozen om de gecoördineerde aanpak af te maken
in de nieuwe woonplaats met zo nodig andere partijen. Een en ander hangt af van de
aard van de problematiek af, of die afhankelijk is van lokale voorzieningen of niet.
Soms zal het beter zijn om bij het college van de nieuwe gemeente opnieuw hulp te
vragen.
In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is geregeld dat de gemeente ervoor kan
kiezen in bijzondere omstandigheden schuldhulpverlening te geven aan een persoon die
geen inwoner is (artikel 3, vijfde lid, Wgs). Als iemand loonkostensubsidie ontvangt
op grond van de Participatiewet en verhuist, blijft de loonkostensubsidie doorlopen
gedurende de dienstbetrekking (artikel 10d, tiende lid, Participatiewet).
21.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering wanneer duidelijk werd dat deze wetgeving
noodzakelijk is en welke signalen daarop wezen. Deze leden vragen de regering tevens
waarom deze regelgeving nu wordt voorgelegd. Zijn de problemen in gegevensuitwisseling
recent toegenomen?
Dit wetsvoorstel is al een aantal jaren in voorbereiding in overleg met gemeenten
en andere betrokken organisaties binnen en buiten het sociaal domein. Voorafgaand
aan de inwerkingtreding van de decentralisatiewetten constateerde het toenmalige kabinet
dat de (beoogde) wettelijke kaders voldoende ruimte zouden bieden voor de noodzakelijke
gegevensdeling en borging van de privacy; een nieuw juridisch kader werd toen dan
ook niet nodig geacht. Het kabinet sprak ook de bereidheid uit dit standpunt opnieuw
te bezien als gemeenten in de praktijk niet met de wet- en regelgeving uit de voeten
zouden kunnen. Gaandeweg bleek dat zich inderdaad toch belangrijke knelpunten op het
gebied van gegevensverwerking voordeden. Als gevolg daarvan ervaren gemeenten belemmeringen
in het realiseren van een gecoördineerde aanpak en het leveren van maatwerk aan burgers
bij wie meervoudige problematiek speelt. Die komen er in het algemeen op neer dat
het huidige wettelijke kader onvoldoende basis biedt om gegevens te kunnen verwerken
om vast te stellen of eventueel sprake is van meervoudige problematiek, dan wel de
mogelijkheid uitvoering te kunnen geven aan een daadwerkelijke gecoördineerde aanpak
daarvan.
Ook heeft de Autoriteit Persoonsgegevens in 2016 al geconstateerd dat toestemming
in het sociaal domein geen juiste grondslag is voor de verwerking van persoonsgegevens.
Omdat er doorgaans sprake is van situaties waarin de betrokkenen afhankelijk zijn
van de gemeente voor hulp als zij het niet zelf of met hulp van hun omgeving redden,
kan toestemming niet in vrijheid worden gegeven.
Deze situatie heeft bijgedragen aan handelingsverlegenheid bij organisaties, professionals
en gemeenten om informatie te delen, ook in gevallen waarin dit, gezien de aard van
de problematiek, wel geboden is. De huidige situatie van onduidelijkheid over de wettelijke
grondslagen van een gecoördineerde aanpak is onwenselijk in het licht van tijdige
en goede en beter op elkaar afgestemde hulp voor mensen met meervoudige problematiek.
Met dit wetsvoorstel wil ik die duidelijkheid geven en zo betere ondersteuning van
burgers met meervoudige problematiek mogelijk maken. Uit onderzoek van het Sociaal
Cultureel planbureau blijkt dat circa 10% van de bevolking een stapeling van problemen
heeft en te weinig eigen kracht (hulpbronnen) om zelf deze problemen aan te pakken.16 Dit is de groep die potentieel te kampen heeft met meervoudige problematiek als gedefinieerd
in dit wetsvoorstel. Er is op dat vlak geen grote toe- of afname te zien. De geconstateerde
problemen op het gebied van gegevensverwerking zijn daarbij onveranderd. De Wams is
nodig om de gegevensuitwisseling te verbeteren en duidelijk wettelijk in te kaderen,
zodat het beter mogelijk wordt om voor mensen met meervoudige problematiek te helpen
om hun problemen te verminderen of weg te nemen.
22.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering wat op dit moment de wettelijke basis
is voor het overdragen van gegevens tussen gemeenten bij een zogenaamde warme overdracht
van een persoon of gezin met een meervoudige hulpvraag en wat dit wetsvoorstel daarin
precies verandert. In hoeverre zijn gemeenten op dit moment verplicht voor een warme
overdracht te zorgen en te voorkomen dat iemand in een nieuwe gemeente weer opnieuw
het hele traject van de beoordeling van de zorg/hulpvraag moet doorlopen?
Artikel 2.6.1 van de Wmo 2015 bepaalt dat de colleges met elkaar samen werken indien
dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van deze wet aangewezen is. Dat
geldt ook bij eventuele samenwerking in het kader van de aanpak van meervoudige problematiek.
Gegevens over de lopende gecoördineerde aanpak, over eerder verstrekte diensten uit
het sociaal domein of van een lopend onderzoek naar meervoudige problematiek kunnen
worden verstrekt aan de nieuwe gemeente bij verhuizing. Hier is geen nadere wettelijke
regeling voor nodig omdat beide colleges op grond van de wet bevoegd zijn de gegevens
te verwerken. Toch stel ik voor bij nota van wijziging hiervoor in artikel 5.4.4 een
expliciete grondslag op te nemen, omwille van de duidelijkheid en omdat een expliciete
grondslag voor de overdracht van gegevens bij een verhuizing zal bijdragen aan snellere
en betere hulp voor cliënten die verhuizen. Artikel 2.6.1 van de Wmo 2015 bepaalt
dat de colleges met elkaar samen werken indien dat voor een doeltreffende en doelmatige
uitvoering van deze wet aangewezen is. Dat geldt dus ook voor de regels van dit wetsvoorstel
als die in de Wmo 2015 worden opgenomen. Colleges zullen ook in het kader van de aanpak
van meervoudige problematiek, zoals voorgesteld in de Wams, soms moeten samenwerken.
Bij een verhuizing kan ervoor worden gekozen om de gecoördineerde aanpak af te maken
in de nieuwe woonplaats met zo nodig andere partijen. Een en ander hangt af van de
aard van de problematiek af, of die afhankelijk is van lokale voorzieningen of niet.
Soms zal het beter zijn om bij het college van de nieuwe gemeente opnieuw hulp te
vragen.
In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is geregeld dat de gemeente ervoor kan
kiezen in bijzondere omstandigheden schuldhulpverlening te geven aan een persoon die
geen inwoner is (artikel 3, vijfde lid, Wgs). Als iemand loonkostensubsidie ontvangt
op grond van de Participatiewet en verhuist, blijft de loonkostensubsidie doorlopen
gedurende de dienstbetrekking (artikel 10d, tiende lid, Participatiewet).
23.
De leden van de PvdA-fractie vragen hoe groot de groep mensen is die meervoudige problematiek
hebben. Zij nemen aan dat een nieuwe en meer precieze schatting voorhanden is sinds
de schatting die is gebaseerd op gegevens uit 2017. Zij vragen de regering hoe deze
mensen zijn verdeeld over de verschillende gemeenten. Zij vragen de regering ook of
de financiële en capacitaire belasting voor de verschillende gemeenten nader kan worden
toegelicht.
In paragraaf 2.1 van de memorie van toelichting is een percentage genoemd van circa
4% van de inwoners dat grotere moeilijkheden ondervindt en gedurende kortere of langere
tijd ondersteuning nodig heeft17. Deze groep kampt met verschillende problemen tegelijk die vaker chronisch en met
elkaar verweven zijn, en die soms intergenerationeel worden overgedragen. Volgens
het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) maakt circa 10% van de bevolking gebruik
van één of meerdere voorzieningen uit het sociaal domein18. In de periode 2015–2019 is vooral een stijging te zien in het gebruik van voorzieningen
op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdzorg, zo blijkt uit de publicatie «Voorzieningen
in 3D» van SCP. Uit de stapelingsmonitor van het CBS19 blijkt dat het aantal huishoudens dat gebruik maakt van twee of meer voorzieningen
in de loop van de jaren redelijk gelijk is gebleven. Hierbij moet worden aangetekend
dat zowel het CBS als het SCP uitgaan van verschillende en overlappende categorieën
van regelingen. Ook wil het feit dat van meerdere voorzieningen uit het sociaal domein
gebruik wordt gemaakt niet zeggen dat er sprake is van meervoudige samenhangende problematiek, waar de Wams zich op richt. Op basis van deze cijfers fluctueert het
percentage vermoedelijk binnen een bandbreedte van 1–10%.20
Het SCP zag ook een groter aandeel van huishoudens waarbinnen meerdere problemen zich
opstapelen. Het gaat daarbij in de meeste gevallen om combinaties van participatievoorzieningen
die mensen helpen bij het vinden en behouden van werk en maatschappelijke ondersteuning.
Ook de combinatie van jeugdhulp in combinatie met bijstand bij de ouders komt regelmatig
voor.
De Wams is gericht op alle cliënten met meervoudige problematiek. In het wetsvoorstel
is dat gedefinieerd als meerdere samenhangende problemen van een persoon of meerdere samenhangende problemen van gezinsleden die
betrekking hebben op verschillende aspecten van het sociaal domein, of op het sociaal
domein en aanpalende domeinen. De ernst speelt in deze definitie geen rol. Bij het
grootste deel van deze huishoudens is sprake van «gewone» meervoudige problematiek
en bij slechts een klein deel is sprake van ernstige meervoudige problematiek, waarbij
de cliënt niet altijd zelf met een hulpvraag komt. Vooral van deze laatste groep is
de omvang onzeker, omdat het gaat om kwetsbare mensen die niet altijd in beeld zijn
bij de gemeente, terwijl zij soms juist wel hulp nodig hebben.
Voor de capacitaire en financiële gevolgen van dit wetsvoorstel voor gemeenten heeft
de VNG een uitvoeringstoets opgesteld. Door het ontbreken van een wettelijke grondslag
hebben gemeenten tot nu toe nog onvoldoende vorm kunnen geven aan een integrale aanpak.
Uit de uitvoeringstoets van de VNG (de impactanalyse) blijkt dat er geen sprake is
van structurele uitvoeringskosten en dat de eenmalige implementatiekosten zoals beschreven
in de rapportage betrekking hebben op het bredere vraagstuk van het versterken van
de uitvoeringskracht van gemeenten in het sociaal domein. Hiervoor is door het Rijk
in 2021 45 miljoen voor gemeenten via het Gemeentefonds ter beschikking gesteld. De
uitvoeringstoets leidt hiermee niet tot een financiële claim van gemeenten. Het Rijk
biedt met de VNG ondersteuning zoals regiobijeenkomsten, handreikingen, (communicatie)tools
en andere hulpmiddelen.
24.
De leden van de PvdA-fractie lezen dat uit onderzoek uit 2018 blijkt dat niet meer
dan anderhalf op de tien gemeenten een integraal budget voor het sociaal domein op
de gemeentebegroting had. Hoe ligt dat nu, in 2023?
In de huidige vragenlijst van het periodieke 3D onderzoek begrotingen gemeenten van
het Ministerie van BZK is geen vraag meer opgenomen over integraal budget sociaal
domein. Er is wel een vraag opgenomen of de verwachte uitgaven voor de sociaal domein
taken hoger, ongeveer gelijk of lager uitvallen dan de rijksmiddelen daarvoor. Een
behoorlijke groep gemeenten (40%) geeft aan dat die vraag lastig is te beantwoorden
sinds een groot deel van de middelen via Algemene Uitkeringen lopen. In de beginjaren
hadden veel gemeenten het uitgangspunt van budgettaire neutraliteit (waarbij ook naar
de budgetten binnen het sociaal domein werd gekeken), maar dat is nu overwegend losgelaten.
Net als bij andere beleidsvelden wordt geraamd vanuit wat beleidsmatig nodig is.
25.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering waarop de verwachting dat met dit
wetsvoorstel een substantiële bijdrage wordt geleverd aan de verdere ontwikkeling
van integraal werken is gebaseerd. Zij vragen of kan worden aangegeven welke knelpunten
wel en welke niet met dit wetsvoorstel worden opgelost in de dagelijkse praktijk.
Dit wetsvoorstel komt tegemoet aan specifieke knelpunten op het gebied van domeinoverstijgende
gegevensverwerking die in de weg staan aan het kunnen doen van onderzoek naar meervoudige
problematiek en het uitvoeren van een gecoördineerde aanpak. Gebleken is dat daar
de belangrijkste knelpunten liggen om te komen tot een integrale aanpak bij meervoudige
problematiek. Vandaar de verwachting dat dit wetsvoorstel een substantiële bijdrage
zal leveren aan het integraal werken.
De meeste gemeenten onderschrijven het belang van integrale ondersteuning, maar in
de praktijk is dit nog lang niet overal gerealiseerd. De oorzaken daarvoor zijn divers:
knelpunten in de gegevensuitwisseling, sommige gemeenten hanteren in de begrotingen
financiële schotten tussen de verschillende voorzieningen en ook kan het zijn dat
de benodigde samenwerking met derden (professionals, uitvoeringsorganisaties, scholen
etc.) stokt door uiteenlopende redenen.
Dit wetsvoorstel biedt een duidelijk wettelijk kader over wat kan en mag met persoonsgegevens,
en geeft een kader voor samenwerking tussen de diverse partijen binnen en het buiten
het sociaal domein.
Het aantal personen met meervoudige problematiek is weliswaar relatief klein (zie
antwoord op vraag 23), maar vraagt in financiële en capacitaire zin veel van gemeenten.
Evaluatieonderzoek uit 2019 wees uit dat veel gemeenten het lastig vinden om integraal
werken te realiseren, ten eerste vanwege de inschatting dat afstemming met betrokken
derden veel opleidings- en overlegtijd zou kosten, ten tweede omdat het accent na
2015 eerst moest worden gelegd op goede implementatie van de wetten in de eigen uitvoeringsorganisatie
en ten derde omdat de wetgeving zelf integraliteit belemmerde doordat verantwoordelijkheden
onvoldoende waren afgebakend. Gemeenten onderschreven in dit evaluatieonderzoek wel
de meerwaarde van een integrale aanpak, maar stuitten op een weerbarstige praktijk,
vooral voor wat betreft de afstemming tussen de Wmo 2015 en de Jeugdwet enerzijds
en de Participatiewet anderzijds. Ongeveer een kwart van de gemeenten heeft lokale
teams waarbij er sprake is van één budget voor Wmo 2015 en Jeugdwet.21 Dit om samenhang tussen de domeinen te bereiken en korte lijnen in de dienstverlening
naar burgers te bewerkstelligen. Integrale financiering was nog beperkt ingevoerd:
uit hetzelfde evaluatieonderzoek bleek (peiling 2018) dat niet meer dan anderhalf
op de tien gemeenten een integraal budget voor het sociaal domein op de gemeentebegroting
had opgenomen.
Na verloop van tijd bleek dat landelijke kaders gewenst zijn om de nodigde afspraken
in gang te zetten, of om schotten ten aanzien van financiering en gegevensuitwisseling
weg te nemen. De Wams is daar een uitvloeisel van, maar ook bijvoorbeeld het de wet
met betrekking tot de uitbreiding en verdere uitwerking van de bekostigingsmogelijkheden
met middelen vanuit het Fonds langdurige zorg, beoogt ook financiële schotten weg
te nemen.22 Het doel van genoemd wetsvoorstel is om de samenwerking tussen de verschillende financiers
te stimuleren zodat (zorg)geld doelmatig kan worden ingezet in het sociaal domein
om zorgkosten te voorkomen. Met name zorgkantoren zouden meer ruimte hebben voor domein-overstijgende
initiatieven in het sociaal domein voor niet cliëntgebonden voorzieningen. Zie in
dat verband ook de «Handreiking domeinoverstijgende activiteiten en aanspraken Zvw»
van het Zorginstituut Nederland (2023).23
26.
De leden van de PvdA-fractie kunnen zich vinden in het weer opnemen van oggz in de
Wmo 2015 en vragen of een overzicht kan worden gegeven worden van gemeentes die op
dit moment een speciaal meldpunt oggz of meldpunt niet-acute zorg hebben en van de
bestaande regionale meldpunten.
Alle gemeenten beschikken inmiddels (peiling voorjaar 2021) over een lokaal of regionaal
meldpunt voor niet-acute meldingen. Gemeenten informeren inwoners via hun website
bij welke verschillende meldpunten inwoners terecht kunnen. Daarnaast beschikt ook
elke gemeente over de oggz-functie. Het Schakelteam Personen met Verward gedrag heeft
in 2018 geadviseerd specifieke ondersteuning te bieden aan «24/7 advies- en meldpunten
voor niet acute meldingen» door het openstellen van een landelijk nummer voor eenieder,
burgers en professionals, die zich zorgen maakt over een ander of over zichzelf. Dit
landelijk nummer is in 2020 gerealiseerd (landelijk meldpuntzorgwekkendgedrag.nl,
te bereiken via 0800-1205) en draagt bij aan goede bereikbaarheid van de al bestaande
gemeentelijke en regionale advies- en meldpunten.
27.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering waarom een regeling voor vroegsignalering
niet ook is opgenomen in dit wetsvoorstel. Gemeenten zouden toch bij uitstek in staat
moeten zijn gezinnen met meervoudige problematiek in een heel vroeg stadium op het
spoor te komen, zodat erger kan worden voorkomen? Hoe zou dit alsnog in dit wetsvoorstel
kunnen worden vormgegeven?
Dit wetsvoorstel is bedoeld om mensen met meervoudige problematiek beter en eerder
te kunnen helpen door het mogelijk maken van onderzoek en het aanbieden van een gecoördineerde
aanpak waarin de hulp en ondersteuning goed op elkaar is afgestemd. Voor die taken
zijn in het wetvoorstel bepalingen opgenomen om de verwerking van de noodzakelijke
gegevens van wettelijke grondslagen te voorzien volgens het principe dat zo min mogelijk
gegevens worden verwerkt en dat de noodzakelijke gegevens alleen met betrokken partijen
worden gedeeld voor zover zij die nodig hebben voor hun bijdrage aan de gecoördineerde
aanpak.
Bij vroegsignalering worden juist op grotere schaal gegevens verzameld en geanalyseerd
om daaruit conclusies te kunnen trekken. De daarvoor noodzakelijke koppeling van data
van diverse partijen en de wettelijke en technische waarborgen die nodig zijn, vergt
hele andere wetgeving, waarbij vooraf geanalyseerd moet worden of zo’n zware inbreuk
op de privacy in verhouding staat tot het te bereiken doel en niet onnodig mensen
zal stigmatiseren.
Er zijn in het kader van vroegsignalering wel afzonderlijke arrangementen als het
gaat om de schuldhulpverlening. Gemeenten beschikken over de grondslag om aan inwoners
actief hulp aan te bieden naar aanleiding van signalen over betalingsachterstanden
die woningverhuurders, zorgverzekeraars, CAK, energieleveranciers en drinkwaterleveranciers
aan de gemeente verstrekken24.
28.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering wat het in de praktijk zal betekenen
dat het college geen doorzettingsmacht heeft, maar dat de coördinerende taak alleen
ziet op afstemming en samenhang bij planning en uitvoering van taken. In hoeverre
zou dit in de praktijk tot problemen kunnen leiden en over welke problemen gaat het
dan?
Het ontbreken van een mogelijkheid om bijvoorbeeld in te kunnen grijpen bij stagnatie
in het proces dat moet leiden tot passende zorg en ondersteuning, is naar verwachting
niet problematisch. De Wams maakt betere samenwerking mogelijk waardoor problemen
in de uitvoering van de diverse bij een cliënt betrokken partijen kunnen worden voorkomen.
Daarbij is het van belang dat deze partijen een verantwoordelijkheid voelen om samen
te werken. De wettelijke taak voor het college om onder andere te zorgen voor coördinatie
kan daaraan zeker bijdragen. Zo kan het college zorg dragen voor afstemming en samenhang
bij de planning en uitvoering van taken. Als knelpunten worden ervaren in de gecoördineerde
aanpak, kan de coördinator een casusoverleg beleggen, om dit met de betrokken partijen
te bespreken.
29.
De leden van de GroenLinks-fractie lezen op verschillende plekken in het wetsvoorstel
dat het aantal personen met meervoudige problematiek relatief klein is: het gaat om
1–4 procent van de huishoudens.
Kan de regering dit beeld iets meer inkleuren? Wat voor situaties spelen bij deze
huishoudens? Over welke meervoudige problematiek spreken we vooral bij deze 1–4 procent
huishoudens? Is de zwaarte en inhoud van deze problematiek veranderd sinds de decentralisaties
van 2015?
In paragraaf 2.1 van de memorie van toelichting is een percentage genoemd van circa
4% van de inwoners dat grotere moeilijkheden ondervindt en gedurende kortere of langere
tijd ondersteuning nodig heeft25. Deze groep kampt met verschillende problemen tegelijk die vaker chronisch en met
elkaar verweven zijn, en die soms intergenerationeel worden overgedragen. Volgens
het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP; 2020) maakt circa 10% van de bevolking gebruik
van één of meerdere voorzieningen uit het sociaal domein26. In de periode 2015–2019 is vooral een stijging te zien in het gebruik van voorzieningen
op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdzorg, zo blijkt uit de publicatie «Voorzieningen
in 3D» van SCP. Uit de stapelingsmonitor van het CBS blijkt dat het aantal huishoudens
dat gebruik maakt van twee of meer voorzieningen in de loop van de jaren redelijk
gelijk is gebleven.27 Hierbij moet worden aangetekend dat zowel het CBS als het
SCP uitgaan van verschillende en overlappende categorieën van regelingen. Ook wil
het feit dat van meerdere voorzieningen uit het sociaal domein gebruik wordt gemaakt
niet zeggen dat er sprake is van meervoudige samenhangende problematiek, waar de Wams zich op richt. Op basis van deze cijfers fluctueert het
percentage vermoedelijk binnen een bandbreedte van 1–10%.28
Het SCP zag ook een groter aandeel van huishoudens waarbinnen meerdere problemen zich
opstapelen. Het gaat daarbij in de meeste gevallen om combinaties van participatievoorzieningen
die mensen helpen bij het vinden en behouden van werk en maatschappelijke ondersteuning.
Ook de combinatie van jeugdhulp in combinatie met bijstand bij de ouders komt regelmatig
voor.
De Wams is gericht op alle cliënten met meervoudige problematiek. In het wetsvoorstel
is dat gedefinieerd als meerdere samenhangende problemen van een persoon of meerdere samenhangende problemen van gezinsleden die
betrekking hebben op verschillende aspecten van het sociaal domein, of op het sociaal
domein en aanpalende domeinen. De ernst speelt in deze definitie geen rol. Bij het
grootste deel van deze huishoudens is sprake van «gewone» meervoudige problematiek
en bij slechts een klein deel is sprake van ernstige meervoudige problematiek, waarbij
de cliënt niet altijd zelf met een hulpvraag komt. Vooral van deze laatste groep is
de omvang onzeker, omdat het gaat om kwetsbare mensen die niet altijd in beeld zijn
bij de gemeente, terwijl zij soms juist wel hulp nodig hebben.
30.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering hoe ten tijde van de invoering
van de decentralisaties in 2015 over deze aanpak van meervoudige problematiek in het
sociaal domein werd gedacht. Werden de verschillen in doelen en uitgangspunten van
de verschillende wetten, knelpunten in gegevensuitwisseling en financiële schotten
in begrotingen tussen de verschillende domeinen niet van tevoren gezien als mogelijke
problemen voor een integrale aanpak van meervoudige problematiek? Zo ja, is daar destijds
voldoende aandacht en tijd aan gegeven? Dit wetsvoorstel zal niet alle knelpunten
oplossen, maar specifiek knelpunten in de privacywetgeving zal aanpakken. Op welke
manier wil de regering de andere knelpunten aanpakken, zoals hierboven beschreven
(verschillende doelen en uitgangspunten van de wetten in het sociaal domein, financiële
schotten in begrotingen tussen de verschillende voorzieningen of de benodigde samenwerking
met derden)?
Met de decentralisatie van verantwoordelijkheden op de terreinen van jeugd, maatschappelijke
ondersteuning en (arbeids)participatie, namen de mogelijkheden van gemeenten toe om
voor hun inwoners tot een – op de eventueel bredere problematiek gebaseerd – geïntegreerd
aanbod te komen. De gemeente is de spil als het gaat om wonen, werk, inkomen, hulp-
en ondersteuning. Doel van de decentralisaties was te komen tot een zo goed mogelijk
op elkaar afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan ondersteuning
van zelfredzaamheid en participatie, beschermd wonen of opvang dichtbij de burger
(lokaal maatwerk). Onder het adagium: één gezin, één plan en één regisseur, was de
gedachte dat de gemeente beter kan beoordelen of het mogelijk en wenselijk is om eventueel
te treffen voorzieningen in samenhang aan te pakken, zodat de betrokkene of het huishouden
beter kan worden geholpen29. Gemeenten maken daartoe afspraken met partijen als zorgaanbieders en zorgverzekeraars
en kunnen ook samenwerking zoeken met partijen op het gebied van de zorg, jeugdhulp,
onderwijs, wonen, welzijn, werk en inkomen. De knelpunten werden gaandeweg duidelijk.
Gemeenten hadden na de decentralisaties tijd nodig om hun organisatie en werkwijzen
in te richten en het paste de regering om terughoudend te zijn in het opnieuw ingrijpen
in het stelsel. De Raad van State gaf dit ook aan in de Vierde periodieke beschouwing
over interbestuurlijke verhoudingen na de decentralisaties in het sociale en fysieke
domein30.
Gebleken is dat het vaak niet goed mogelijk is de samenwerking en afstemming te realiseren
die nodig is om de burger die kampt met meervoudige problematiek integraal te ondersteunen,
omdat gegevens die in het kader van één van de sociaal domeinwetten zijn verwerkt,
vanwege de AVG-eis van de doelbinding, niet konden worden gebruikt om tot samenwerking
en afstemming met andere domeinen te komen. Ook bleek na verloop van tijd dat landelijke
kaders gewenst zijn om de nodigde afspraken in gang te zetten, of om schotten ten
aanzien van financiering en gegevensuitwisseling weg te nemen. Dit wetsvoorstel is
daar een uitvloeisel van, maar ook bijvoorbeeld het wetsvoorstel met betrekking tot
de uitbreiding en verdere uitwerking van de bekostigingsmogelijkheden met middelen
vanuit het Fonds langdurige zorg, dat op 16 januari 2024 bij uw Kamer is ingediend,
beoogt ook financiële schotten weg te nemen.31 Het doel van genoemd wetsvoorstel is om de samenwerking tussen de verschillende financiers
te stimuleren zodat (zorg)geld doelmatig kan worden ingezet in het sociaal domein
om zorgkosten te voorkomen. Met name zorgkantoren zouden meer ruimte hebben voor domein-overstijgende
initiatieven in het sociaal domein voor niet cliëntgebonden voorzieningen. Zie in
dat verband ook de «Handreiking domeinoverstijgende activiteiten en aanspraken Zvw»
van het Zorginstituut Nederland (2023).32 Ongeveer een kwart van de gemeenten heeft lokale teams waarbij er sprake is van één
budget voor Wmo 2015 en Jeugdwet en verschillende gemeenten hebben woonzorgvisies
gemaakt.33 Zo worden steeds stappen gezet om tot een betere integrale aanpak te komen.
Dit wetsvoorstel lost de knelpunten rond integraal werken op: door duidelijk regels
over de aanpak van meervoudige problematiek en de daarvoor noodzakelijke verwerking
van gegevens en samenwerking met partijen, wordt een belangrijke stap gezet in de
ontwikkeling van het integraal werken.
31.
De leden van de GroenLinks-fractie zijn benieuwd waarom er destijds gekozen is om
oggz-zorg niet meer expliciet in de Wmo 2015 te benoemen? Zeker nu dit weer gerepareerd
wordt via deze wet, doet de vraag zich voor waarom er destijds voor gekozen is en
of dat zorgvuldig is gedaan.
De oggz maakt al vele jaren onderdeel uit van de gemeentelijke verantwoordelijkheden
in het kader van de maatschappelijke ondersteuning zoals bedoeld in de Wmo (2007)
en de Wmo 2015. Onder de Wmo 2007 werden concrete prestatievelden benoemd. Deze zijn
in de Wmo 2015 losgelaten voor de bredere categorieën zelfredzaamheid en participatie.
Op deze manier werden gemeenten gestimuleerd verschillende arrangementen en voorzieningen
in hun gemeente aan te bieden en te combineren. Zo wordt huishoudelijke hulp als voorziening
ook niet expliciet in de wet genoemd, maar valt die wel degelijk onder de Wmo 2015.
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wmo 2015 heeft de regering verschillende
malen bevestigd en toegelicht dat met deze wijziging niet werd beoogd een wijziging
in taken en verantwoordelijkheden aan te brengen en dat de oggz een gemeentelijke
taak als onderdeel van maatschappelijke ondersteuning zou blijven. Hoewel het niet
meer expliciet noemen van de oggz in de Wmo van 2015 dus een bewuste en zorgvuldige
keuze was, bleven hier dit in de jaren daarna vragen over komen.
Naar aanleiding van signalen van het Schakelteam personen met verward gedrag over
onduidelijkheid in de verantwoordelijkheidsverdeling voor zorg en ondersteuning voor
deze doelgroep, heeft de regering gemeenten er in september 2018 nogmaals op gewezen
dat openbare geestelijke gezondheidszorg en bemoeizorg nog steeds gemeentelijke taken
zijn op grond van de Wmo 2015.
De GGD GHOR Nederland heeft in aanloop naar dit wetsvoorstel aangegeven dat het ontbreken
van een expliciete wettelijke grondslag voor de oggz een belemmering vormt voor de
uitvoering van hun werkzaamheden en de daarvoor benodigde verwerking van persoonsgegevens.
Om te voorzien in een wettelijke grondslag voor de verwerking van gegevens die noodzakelijk
is voor de oggz-taak, is het nodig die taak in de wet te expliciteren. De gegevens
die voor de oggz worden verwerkt, zijn meestal niet van de cliënt zelf verkregen,
maar bijvoorbeeld van de politie, of de woningcorporatie, omdat het vaak mensen betreft
die zorg mijden. Met de voorgestelde regeling kan het college ook ten aanzien van
mensen met wie zij bemoeienis heeft, maar aan wie nog geen voorziening is verstrekt,
persoonsgegevens verwerken.
32.
De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat de regering constateert dat de decentralisaties
in het sociaal domein nog niet alles hebben gebracht wat ervan werd gehoopt. Genoemde
leden vinden dat een understatement. De regering schrijft dat de aanname dat door
de verantwoordelijkheid voor zorg en ondersteuning over te dragen aan gemeenten de
integrale ondersteuning goedkoper, minder complex, toegankelijker en daarmee beter
zou worden, deels te optimistisch is gebleken. Ook de gewenste integrale dienstverlening
komt nog onvoldoende van de grond, met name aan kwetsbare burgers. Deze leden onderschrijven
deze conclusies van de regering en zijn benieuwd hoe de regering zelf terugkijkt op
de invoering van de decentralisaties in 2015?
Op 1 januari 2015 vond in Nederland een omvangrijke stelselwijziging plaats in het
sociaal domein. De Participatiewet, de Jeugdwet en de Wmo 2015 werden op die datum
ingevoerd. Hiermee werd de uitvoering van het sociaal domein gedecentraliseerd; de
verantwoordelijkheid voor het gehele domein kwam bij gemeenten te liggen. Doel van
deze decentralisaties was om ondersteuning en zorg dichter bij de burger te organiseren,
om zo meer maatwerk te kunnen leveren en kosten te besparen. De verwachting was dat
op grond van de gedecentraliseerde wetten verbindingen gelegd konden worden tussen
zorggebieden in het sociaal domein, om zo beleid effectiever te kunnen laten zijn.34
Gemeenten hebben veel werk verzet om de uitvoering van de diverse wetten goed in hun
uitvoeringsorganisatie te implementeren. Juist op het gemeentelijk niveau komen veel
zaken samen: het onderwijs, de afspraken met woningcorporaties, jeugdhulp, de schuldhulpverlening
en werk en inkomen. Ook vindt er samenwerking plaats tussen bijvoorbeeld zorgverzekeraars
en gemeenten. Doel achter de decentralisatie was de mogelijkheid om op deze terreinen
het beleid op lokaal niveau af te kunnen stemmen. Juridische en organisatorische schotten
op het gebied van gegevensuitwisseling en bekostiging staan daaraan soms in de weg.
Dit neemt niet weg dat partijen elkaar beter weten te vinden dan voorheen35 en dat veel gemeenten onder andere zijn gaan samenwerken in lokale teams. Met wetsvoorstellen
zoals de Wams, het wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet dat in voorbereiding is, het wetsvoorstel
tot uitbreiding en verdere uitwerking van de bekostigingsmogelijkheden met middelen
vanuit het Fonds langdurige zorg36 en het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting37, wordt de integraliteit die was bedoeld met de decentralisaties rond 2015, verder
bevorderd.
Achteraf gezien blijkt de totale transformatie opgave meer tijd te kosten dan Rijk
en gemeenten destijds hebben ingeschat38. Dit wetsvoorstel werkt toe naar meer integraliteit en het dichterbij brengen van
de doelen die in 2015 waren gesteld.39, Hetzelfde geldt voor andere initiatieven, zoals de uitbreiding van de bekostigingsmogelijkheden
met middelen vanuit het Fonds langdurige zorg 40 en de Verzamelwet gegevensverwerking VWS IIb, om de grondslagen voor gegevensverwerking
op het terrein van de Jeugdwet, Wlz en Wmo te verbeteren.41 Met het programma Participatiewet in Balans wil de regering vertrouwen en de menselijke
maat verankeren in de (uitvoering van de) Participatiewet. De wijziging van de Participatiewet
(Participatiewet in Balans spoor 1) laat onder meer de ondersteuning beter aansluiten
op de mogelijkheden en omstandigheden van de betrokkenen en geeft de uitvoerend professional
meer handelingsruimte.42
De regering streeft er met gemeenten naar om de dienstverlening aan (kwetsbare) inwoners
te verbeteren. De versterking van de dienstverlening is in de kabinetsreactie op de
Toeslagenaffaire als volgt vormgegeven (actielijn 4): «Versterken dienstverlening
bij alle onderdelen van de overheid: de overheid moet toegankelijk zijn. Het kabinet
wil dat de dienstverlening eenvoudig is. Dat het makkelijk is om nadere informatie
en uitleg te krijgen. En dat het helder is hoe je, indien gewenst, in bezwaar of beroep
kunt gaan tegen beslissingen van de overheid.» Naast de actielijnen als genoemd in
de kabinetsreactie op de toeslagenaffaire, werken het Rijk, gemeenten en andere partijen
samen in verschillende programma’s aan concrete oplossingen zoals in het Programma
Werk aan Uitvoering en Professionals voor Maatwerk Multiproblematiek.43
33.
Is zij het met hen eens dat het bijvoorbeeld een slecht idee was om deze decentralisaties
in te voeren met een bezuiniging?
In de aanloop naar de decentralisaties is in overleg met de VNG een inschatting gemaakt
van de benodigde financiële middelen voor een gedecentraliseerd stelsel van jeugdhulp
en maatschappelijke ondersteuning. Hierin werden efficiëntiewinsten verondersteld
op de middellange termijn. Achteraf gezien blijkt de totale transformatie opgave meer
tijd te kosten dan Rijk en gemeenten destijds hebben ingeschat. Dat neemt niet weg
dat de decentralisaties destijds zorgvuldig zijn voorbereid.
34.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen in hoeverre onderdeel van het probleem is
dat het sociaal domein landelijk ook onder verschillende ministeries is ondergebracht,
met eigen budgetten en ambtenaren?
Nee, dat is geen gesignaleerd probleem bij de aanpak van meervoudige problematiek
in het sociaal domein. De diverse betrokken ministeries werken goed samen.
35.
Zou meer integraal werken ook niet landelijk moeten worden nagestreefd, in plaats
van dit probleem enkel op gemeentelijk niveau neer te leggen? De leden van de GroenLinks-fractie
ontvangen graag een reflectie van de regering hierop.
Juist op het gemeentelijk niveau komen veel zaken samen, het onderwijs, de afspraken
met woningcorporaties, jeugdhulp, de schuldhulpverlening en werk en inkomen. Allebei
is aan de orde: gemeenten en Rijk werken samen evenals ministeries onderling samenwerken
en er vindt bijvoorbeeld ook samenwerking plaats tussen zorgverzekeraars en gemeenten.
Het sociaal domein behelst een brede opgave, waarbij een integrale aanpak, ook vanuit
het Rijk, van belang is. In de beleidsontwikkeling is het van belang dat er tussen
departementen én tussen medeoverheden sprake is van zorgvuldige voorbereiding van
beleid, zoals het kabinet onderschrijft in de actieagenda sterk bestuur en de Code
Interbestuurlijke Verhoudingen.44 Ook bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel en de verdere implementatie is zo’n
zorgvuldig proces gevolgd. Om te kunnen komen tot een integrale aanpak is afstemming
een noodzakelijke voorwaarde. Daarom zijn er nu wetsvoorstellen in voorbereiding,
zoals de Wams en de Wet versterking regie volkshuisvesting, die de integraliteit verder
bevorderen. Daarnaast is in het IZA afgesproken dat zorg en ondersteuning voor mensen
met een psychische kwetsbaarheid verbeterd en versterkt moet worden en dat dit te
realiseren is als er sprake is van een goede onderlinge samenwerking is tussen het
sociale domein, huisartsenzorg en ggz. In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord45 zijn aanvullende afspraken gemaakt op het snijvlak van het sociaal en medisch domein.
Zorgverzekeraars, gemeenten en aanbieders van zorg en ondersteuning hebben landelijke
afspraken gemaakt over concrete «basisfunctionaliteiten» (het wat) op de thema’s kansrijk
opgroeien, gezonde leefstijl, mentale gezondheid, vitaal ouder worden en gezondheidsachterstanden
verminderen. Basisfunctionaliteiten zijn uiterlijk in 2030 in elke regio of gemeente
ingevuld en beschikbaar voor inwoners. Lokale teams kunnen hierbij verschillende vormen
van dienstverlening en activiteiten vanuit het sociale domein bieden, waarmee mensen
hun sociale basis kunnen versterken als zij extra hulp nodig hebben op gebied van
bijvoorbeeld wonen, werk(arbeidsparticipatie), gezondheid, schulden (armoede), sociale
contacten, veiligheid en dergelijke. Veel van deze taken zijn al sinds jaar en dag
bij de gemeenten belegd. In het AZWA is afgesproken dat lokale teams goed aansluiten
op hechte wijkverbanden en de jeugdgezondheidszorg.
36.
De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat de regering ernaar streeft om de dienstverlening
aan kwetsbare inwoners te verbeteren. Is de regering het met de leden van de GroenLinks-fractie
eens dat cliëntondersteuning een belangrijke rol speelt bij de toegang tot zorg en
ondersteuning voor kwetsbare burgers en een coördinerende rol vervult door het zorgdragen
voor afstemming en samenhang bij de planning en uitvoeren van taken? Is de regering
bereid om te onderzoeken of 1 loket voor cliëntondersteuning voor zowel de Wmo 2015
als de Wet langdurige zorg (Wlz) mogelijk is, zodat de cliënt geen last heeft van
de schotten in de wetgeving en domeinoverstijgend geholpen wordt in de zoektocht naar
de juiste hulp? Zo ja, op welke termijn kan zo’n onderzoek plaatsvinden? Zo nee, hoe
wil de regering dan domeinoverstijgend werken voor cliëntondersteuning mogelijk maken?
Domeinoverstijgend werken bij cliëntondersteuning is mogelijk. Er is een knip tussen
cliëntondersteuning op grond van de Wmo 2015 en de Wet langdurige zorg en dat kan
voor cliënten onwenselijk zijn. In een wijziging van de Wet langdurige zorg46 is een bepaling opgenomen die zorgkantoren de mogelijkheid biedt om voorafgaand aan
het indicatiebesluit onafhankelijke cliëntondersteuning te bieden. Deze bepaling is
op 1 januari 2024 in werking getreden.47 Deze mogelijkheid wordt nog niet structureel benut48. Op een aantal plekken is er sprake van een gezamenlijke inkoop van cliëntondersteuning
door zorgkantoren en gemeente, waardoor de overgang makkelijker wordt. Hiernaast kan
in de huidige situatie voor een belangrijk deel onafhankelijke cliëntondersteuning
op grond van de Wmo 2015 al voorzien in ondersteuning voor mensen met meervoudige
problematiek. De omschrijving van cliëntondersteuning is «levensbreed». Artikel 1.1.1.
van de Wmo 2015 definieert cliëntondersteuning als: «Onafhankelijke ondersteuning
met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken
van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke
dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg,
zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.»
37.
De leden van de SGP-fractie vragen zich vooral af of met dit voorstel recht wordt
gedaan aan de decentralisatie van het sociaal domein en of het wetsvoorstel niet te
ruim is vormgegeven, waardoor onvoldoende waarborgen zijn ingebouwd om de persoonlijke
levenssfeer te beschermen.
De Afdeling Advisering van de Raad van State geeft aan dat uitgangspunt bij de decentralisaties
in het sociale domein moet zijn dat de wetgever in de wet de «wat»-vraag formuleert,
maar niet de «hoe»-vraag. De regering onderschrijft dit uitgangspunt. Ten aanzien
van dit wetsvoorstel ben ik van mening dat het vanwege de vereiste zorgvuldigheid
van de gegevensverwerking en het wegnemen van handelingsverlegenheid bij betrokken
professionals nodig is om duidelijke procedures in deze wet op te nemen, juist ook
als waarborg ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Daarmee wordt gewaarborgd
dat de verwerking van persoonsgegevens per stap in het proces beperkt wordt tot datgene
wat noodzakelijk is voor het doel van de verwerking, door eisen te stellen aan de
verwerkte gegevens en aan de partijen die daar een rol bij hebben. De procedures geven
ook meer duidelijkheid over de wijze van samenwerken en de gegevensverwerking daarbij,
waardoor handelingsverlegenheid wordt tegengegaan. Hiermee wordt voorkomen dat te
weinig gegevens worden gedeeld uit angst de regels te overtreden. Met het oog op de
gedecentraliseerde verhoudingen gaat dit wetsvoorstel niet om het inperken van de
gemeentelijke beleidsvrijheid voor de aanpak van multiproblematiek, maar om het bieden
van kaders en handelingsperspectief om mensen met meervoudige problematiek beter te
kunnen helpen binnen de kaders van het eigen gemeentelijke beleid.
Als de gegevensverwerking slechts in abstracto geregeld zou worden (door de Afdeling
aangeduid met het «wat») is de noodzakelijke zorgvuldigheid minder goed gewaarborgd
en zou de handelingsverlegenheid onvoldoende worden weggenomen. Door meer het «hoe»
te regelen wordt voor het college, betrokken partijen en ook cliënten het handelingskader
duidelijk. Daarmee komt de focus te liggen op de problematiek en het verlenen van
onderling afgestemde hulp en wordt juridisering van de verhoudingen met betrokkenen
door onenigheden over de werkwijze vermeden. De in dit wetsvoorstel voorgestelde regels
voor onderzoek naar meervoudige problematiek en uitvoering van een gecoördineerde
aanpak geven gemeenten het raamwerk en de bevoegdheden om binnen het sociaal domein,
te weten jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en schuldhulpverlening,
met aanpalende terreinen zoals de inburgering, zorg, onderwijs en welzijn mensen beter
te kunnen helpen. Voor gemeenten biedt de voorgestelde aanpak een titel en comfort
om te handelen in het kader van meervoudige problematiek en samen te werken met andere
betrokken partijen.
38.
De leden van de SGP-fractie lezen dat gemeenten op wetsniveau «concrete handvatten»
krijgt voor het inrichten van een zorgvuldige procedure. Klopt het dat deze handvatten
in feite verplichtingen zijn?
Met het wetsvoorstel wordt beoogd gemeenten, en de partners met wie zij werkt, houvast
te bieden bij de gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek én burgers het
vertrouwen te bieden dat gemeenten zorgvuldig en daadkrachtig kunnen optreden. Het
biedt cliënten meer rechtszekerheid. De concrete handvatten in dit wetsvoorstel, zoals
het onderzoek naar meervoudige problematiek en het aanstellen van een coördinator
in geval van een gecoördineerde aanpak, zijn inderdaad verplicht van aard. Dat wil
zeggen: als er vermoedelijk sprake is van meervoudige problematiek, moet het onderzoek aan de
genoemde eisen voldoen, als er een gecoördineerde aanpak wordt gevolgd, moet een coördinator worden aangesteld
om dat in goede banen te leiden en te zorgen voor een zorgvuldige gegevensverwerking,
als een casusoverleg nodig wordt geacht, moet dat – eveneens met het oog op een zorgvuldige
gegevensverwerking – worden gedaan op de voorgeschreven wijze. Die verplichtingen
zijn nodig op grond van de AVG.
39.
De leden van de SGP-fractie lezen dat het wetsvoorstel géén regeling voor vroegsignalering
treft. Hoe verhoudt zich dit tot het wettelijk verankeren van het meldpunt?
Dit wetsvoorstel verankert – naast de regels voor onderzoek bij meervoudige problematiek
en een gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek – de taak voor gemeenten
om zorg te dragen voor een meldpunt voor inwoners en professionals die zich zorgen
maken over iemand in hun omgeving.
Alle gemeenten beschikken inmiddels over een dergelijk meldpunt, veelal is dat ondergebracht
bij de GGD. De dienstverlening uit hoofde van deze meldpunten past in de ruime verantwoordelijkheid
voor oggz die gemeenten hebben. Dit wetsvoorstel voorziet in een expliciete regeling
ten behoeve van de verwerking van persoonsgegevens door deze meldpunten. Bij meldpunten
kunnen mensen terecht die concrete signalen hebben dat het niet goed gaat met mensen
in hun omgeving. De professionals die werkzaam zijn bij het meldpunt kunnen adviseren
en indien nodig mensen doorgeleiden naar hulp en ondersteuning. Hierbij vindt alleen
de noodzakelijke gegevensverwerking plaats. Je zou het uitten van zorgen om mensen
in je omgeving vroegsignalering kunnen noemen, maar doorgaans wordt daar iets anders
onder verstaan. Namelijk het op grotere schaal verzamelen en analyseren van gegevens
om daaruit conclusies te kunnen trekken.
De daarvoor noodzakelijke koppeling van data van diverse partijen en de wettelijke
en technische waarborgen die nodig zijn, vergt hele andere wetgeving, waarbij vooraf
geanalyseerd moet worden of zo’n zware inbreuk op de privacy in verhouding staat tot
het te bereiken doel en niet onnodig mensen zal stigmatiseren. Vroegsignalering van
schulden is wel al mogelijk gemaakt in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening Gemeenten
beschikken over de grondslag om aan inwoners actief hulp aan te bieden naar aanleiding
van signalen over betalingsachterstanden die woningverhuurders, zorgverzekeraars,
CAK, energieleveranciers en drinkwaterleveranciers aan de gemeente verstrekken49.
2. HUIDIGE PRAKTIJK RONDOM DE INTEGRALE AANPAK VAN MEERVOUDIGE PROBLEMATIEK
40.
De leden van de VVD-fractie lezen dat om de gegevensuitwisseling ten behoeve van de
samenwerking in het Zorg- en Veiligheidshuis van een expliciete wettelijke basis te
voorzien het Wetsvoorstel gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (WGS) voorligt
in de Eerste Kamer. Dit wetsvoorstel is reeds in 2020 door de Tweede Kamer aangenomen
en is nog niet behandeld door de Eerste Kamer. Kan de regering toelichten wat er op
dit moment niet kan nu de WGS vooralsnog niet aangenomen is en welke consequenties
dit heeft?
De Eerste Kamer heeft op 18 juni 2024 ingestemd met het wetsvoorstel gegevensverwerking
door samenwerkingsverbanden (WGS),waarna de wet op 1 maart 2025 in werking is getreden50.
Volledigheidshalve wil ik wijzen op artikel VIII van dit wetsvoorstel. Daarin wordt
voorzien in een samenloopregeling met de WGS bij de inwerkingtreding van de Wams.
Hierdoor kan het college zorgen voor de nodige aansluiting tussen een onderzoek naar
meervoudige problematiek en eventuele behandeling in een Zorg- en veiligheidshuis,
of voor aanmelding bij een Zorg- en veiligheidshuis als tijdens een onderzoek op grond
van de Wams of tijdens een gecoördineerde aanpak blijkt dat dat gelet op de problematiek
passend is.
41.
Gemeenten organiseren de toegang tot zorg en ondersteuning veelal in de vorm van sociale
(wijk)teams. Uit onderzoek van Movisie (2020) blijkt dat 83 procent van de gemeenten
met dergelijke teams werkt. De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan
toelichten waarom dit getal niet 100 procent is. Zijn er ergens «blinde vlekken» als
het gaat om toegang tot zorg en ondersteuning in gemeenten? Weten inwoners deze teams
te vinden?
Zoals vermeld in paragraaf 2.2 van de memorie van toelichting geven gemeenten op verschillende
wijze vorm aan de toegang tot hulp uit het sociaal domein, onder andere in de vorm
van de lokale teams (met brede of smalle taken), lokale teams gericht op jeugd of
in specifieke doelgroep gerichte (casus)overleggen en samenwerkingsverbanden. Ook
hebben veel gemeenten de toegangsloketten voor diverse vormen van ondersteuning geïntegreerd,
zodat burgers sneller en integraler ondersteuning kan worden geboden. Sommige taken
in het sociaal domein kunnen door gemeenten ook belegd worden bij andere organisaties,
zoals een lokale welzijnsorganisatie. Het is de beleidsvrijheid van gemeenten hoe
ze de taken in het sociaal domein goed willen organiseren. Het werken met lokale teams
wordt dus niet voorgeschreven in wetgeving. De meeste gemeenten hebben lokale teams
ingericht voor met name wijken en buurten waar sprake is van veel kwetsbare huishoudens
die niet altijd zelf de weg vinden om passende ondersteuning te krijgen. Het werken
met lokale teams kan dan helpen om sneller en beter contact te krijgen met deze kwetsbare
huishoudens en passende oplossingen te vinden. Er is op landelijk niveau géén zicht
op de mate waarin inwoners deze teams goed weten te bereiken, maar gemeenten geven
over het algemeen aan goede ervaringen te hebben met het werken van lokale teams.
Dit blijkt onder meer uit de hoge werkdruk bij lokale teams.
42.
De leden van de D66-fractie constateren op basis van de geschetste huidige praktijk
dat er inderdaad veel nut en noodzaak kan zijn voor een goede integrale aanpak van
meervoudige problematiek. Zij wijzen daarentegen ook op de grote diversiteit die er
bestaat in de mensen die te maken krijgen met deze wet.
Kan de regering ingaan op de afwegingen die gemaakt zijn om de balans te zoeken tussen
one-size-fits-all-regelgeving en maatwerk en welke andere keuzes daarin gemaakt hadden
kunnen worden?
Inderdaad kunnen veel verschillende mensen met diverse problematiek, te maken krijgen
met dit wetsvoorstel. Daarom is de Wams juist ingericht om maatwerk binnen de gegeven
regels mogelijk te maken. Mede naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering
van de Raad van State is overwogen of op bepaalde punten volstaan kan worden met meer
algemene regels die alleen voorzien in wettelijke taken en grondslagen voor gegevensverwerking.
De regering is echter van mening dat het zowel met het oog op zorgvuldigheid bij de
gegevensverwerking, als op het wegnemen van handelingsverlegenheid bij betrokken professionals
nodig is om ook duidelijke procedures in deze wet op te nemen. Die procedures zijn
het raamwerk om juist per persoon maatwerk te kunnen leveren. Daarmee wordt gewaarborgd
dat de verwerking van persoonsgegevens per stap in het proces beperkt wordt tot datgene
wat noodzakelijk is voor het doel van de verwerking, door eisen te stellen aan de
verwerkte gegevens en aan de partijen die daar een rol bij hebben. De procedures geven
ook meer duidelijkheid over de wijze van samenwerken en de gegevensverwerking daarbij,
waardoor handelingsverlegenheid wordt tegengegaan. Door deze duidelijkheid komt de
focus te liggen op de individuele problematiek en het kunnen verlenen van op elkaar
afgestemde hulp. De regering verwacht hiermee te voorzien in een «fits-all»-regeling
waarvan de «size» zich juist aanpast aan de burger en de problematiek waar hij mee
kampt.
43.
De leden van de D66-fractie vragen de regering daarnaast hoe het uitgangspunt dat
deze wet geen kader biedt voor gedwongen hulpverlening zich verhoudt tot de jeugdbeschermingsketen
die ook onderdeel kan vormen van de aanpak van meervoudige problematiek in een gezin.
Biedt deze wet dan toch geen kader voor gedwongen hulpverlening, indien gedeelde informatie
op basis van deze wet gebruikt wordt in het kader van opgelegde kinderbeschermingsmaatregelen
zoals ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing? Hoe wordt voorkomen dat ouders of
kinderen geen gegevens delen bij hulpverleners uit angst dat deze informatie wordt
gebruikt bij onderzoek ten behoeve van kinderbeschermingsmaatregelen?
Met het uitgangspunt van vrijwilligheid wordt gedoeld op het feit dat het wetsvoorstel
geen (nieuwe) mogelijkheden biedt voor het inzetten van hulpverlening zonder toestemming
of instemming van betrokkenen. Terecht wijzen de leden van de D66-fractie erop dat
gedwongen hulpverlening op grond van andere – reeds bestaande – wetten wel onderdeel
kan vormen van de gecoördineerde aanpak. Ook interventies als een ondertoezichtstelling
of uithuisplaatsing op grond van de Jeugdwet, kunnen onderdeel zijn van een gecoördineerde
aanpak. Voor wat betreft de jeugdbeschermingsketen geldt in de huidige situatie al
dat professionals (ongeacht het domein waarin zij werkzaam zijn) die beschikken over
feiten en omstandigheden met betrekking tot een onder toezicht gestelde minderjarige,
diens verzorging en opvoeding of de ouder of voogd, deze informatie aan de gecertificeerde
instelling kunnen verstrekken voor zover dat noodzakelijk kan worden geacht voor de
uitvoering van de ondertoezichtstelling (artikel 7.3.11, vierde lid, Jeugdwet). Desgevraagd
zijn zij daartoe verplicht. Deze verstrekking kan zonder toestemming van het gezin
plaatsvinden en indien nodig met doorbreking van een geheimhoudingsplicht. Professionals
maken – gesteund door richtlijnen en werkinstructies – zelf de afweging of en in hoeverre
gegevensverstrekking in de gegeven situatie noodzakelijk is. Het wetsvoorstel verruimt
de bestaande mogelijkheden hierin niet, maar biedt wel een wettelijk kader voor de
afstemming tussen verschillende domeinen ten behoeve van een de gecoördineerde aanpak.
Bijvoorbeeld in gevallen waarin het oplossen van de schulden en het vinden van een
geschikte woonruimte kan bijdragen aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging
van kinderen in het gezin, zou een gecoördineerde aanpak kunnen worden voorgesteld
waar een kinderbeschermingsmaatregel onderdeel van is. De gecoördineerde aanpak als
geheel kan alleen worden uitgevoerd als de betrokkenen daarmee instemmen.
44.
De leden van de D66-fractie merken op dat de werkwijze binnen de jeugdbescherming
in delen van het land met proeftuinen reeds anders wordt vormgegeven om te werken
aan een beter stelsel. Kan de regering aangeven welke proeftuinen overeenkomen met
het geschetste beeld in de memorie van toelichting?
Eén van de uitgangspunten van het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming (hierna:
Toekomstscenario) is de brede gezinsgerichte aanpak. We werken toe naar integrale
ondersteuning van gezinnen en huishoudens, met een centrale rol voor stevige lokale
teams om onveilige situaties te voorkomen of te bestrijden. Omdat problemen van de
ouders vaak onderliggend zijn aan zorgen over de veiligheid en ontwikkelingsmogelijkheden
van een kind, is een brede blik noodzakelijk wil de bescherming van en hulp aan het
kind effectief zijn. Bij een brede gezinsgerichte aanpak wordt bekeken welke hulp
en steun nodig is voor het gehele gezin, inclusief, of juist met nadruk op, de ouder(s).
In de proeftuinen worden verschillende werkwijzen beproefd en wordt onderzocht wat
er binnen de verschillende regio’s voor nodig is om dit in praktijk te brengen. Ontwikkelingen
in proeftuinen zijn onder meer: Gezinnen en huishoudens voelen zich gehoord en gezien
en hebben meer regie. Dit leidt tot betere samenwerking met professionals en wat nodig
is om tot oplossingen te komen. Professionals ervaren meer werkplezier, kortere lijnen
in de samenwerking en sneller kunnen schakelen met verschillende expertises. Dit leidt
tot onder andere betere contacten met het gezin of huishouden. Vooralsnog is het met
de inrichting van de huidige proeftuinen lastig om het maatschappelijk effect van
de werkwijze in de proeftuinen op landelijk niveau integraal in beeld te brengen.
Resultaten en effecten moeten worden beschouwd binnen zowel de landelijke als de lokale
context waarbinnen de proeftuinen actief zijn. In maart 2025 heeft het Verwey Jonker
Instituut een tussenrapportage51 opgeleverd met daarin een voorlopig beeld van de effecten van de werkwijzen in de
proeftuinen eind 2024. Eind 2026 wordt de eindrapportage opgeleverd. Het doel is om
steeds beter grip te krijgen op welke interventies daadwerkelijk bijdragen aan een
effectievere aanpak van complexe problematiek voor gezinnen en huishoudens in kwetsbare
situaties. De lessen vanuit de proeftuinen en de voortgang van het Toekomstscenario
worden met belangstelling gevolgd.
45.
In hoeverre is het wetsvoorstel gebaseerd op en toepasbaar voor de werking van het
jeugdbeschermingsstelsel op basis van het toekomstscenario? En in hoeverre is het
gebaseerd op en toepasbaar voor de huidige praktijk?
Het Toekomstscenario richt zich op kinderen, gezinnen en huishoudens waar sprake is
van onveiligheid. Deze onveiligheid wordt veelal veroorzaakt door problematiek op
diverse leefgebieden. Een structurele oplossing voor deze gezinnen en huishoudens
vraagt om een integrale aanpak waarbij samenhangende hulp en steun wordt georganiseerd.
Hierbij is van belang dat de inzet van partners uit de verschillende sociale domeinen
op elkaar is afgestemd. De Wams zal voor het Toekomstscenario toepasbaar zijn.
Waar mogelijk is bij de uitwerking van de Wams aansluiting gezocht bij de bestaande
praktijk, bijvoorbeeld in de regeling ten aanzien van het casusoverleg. Verder geldt
dat de Wams ruimte laat voor verschillende varianten in de uitvoeringspraktijk. Gemeenten
verschillen nu nog in de wijze waarop zij de geldende regels rond gegevensverwerking
in het sociaal domein hebben geïnterpreteerd en daarmee vorm hebben gegeven aan de
gegevensuitwisseling voor een gecoördineerde aanpak. Het wetsvoorstel beoogt de knelpunten
in de regels over gegevensverwerking op te lossen zodat de bestaande aanpak kan worden
verbeterd of beter wordt ondersteund. Voor gemeenten waar de aanpak van meervoudige
problematiek nog niet of beperkt van de grond is gekomen vormt het wetsvoorstel een
startpunt.
46.
De leden van de D66-fractie merken daarnaast op dat de memorie van toelichting stelt
dat te allen tijde voor ouders en kinderen duidelijk moet zijn of hulp in het vrijwillige
kader of in het gedwongen kader wordt ingezet. Vindt de regering dat aan dit uitgangspunt
wordt voldaan op dit moment en zo ja, op welke gronden? Indien niet aan dit uitgangspunt
wordt voldaan, welke invloed zou dat volgens de regering moeten hebben op de afwegingen
die gemaakt zijn ten behoeve van dit wetsvoorstel?
Aan dit uitgangspunt voldoet het wetsvoorstel; in diverse artikelen is vastgelegd
dat cliënten worden betrokken en geïnformeerd. Professionals dienen de jeugdige en
ouders volledig te informeren over in welk kader de hulp geboden wordt. Dit vraagt
om adequate (gespreks)vaardigheden van de professional om jeugdigen en ouders volledig
te informeren en te ondersteunen, zonder daarbij druk uit te oefenen. Diverse richtlijnen
geven professionals daartoe handvatten en kaders. Het voorgaande neemt niet weg dat
informatievoorziening kan worden verbeterd. Daarom wordt in samenwerking met ouders,
jongeren en professionals nu gewerkt aan een eenduidige vorm van voorlichtingsmateriaal
voor ouders en jongeren. Het adviesrapport: «Inhoudelijke communicatie ouders en jeugdigen
versterken op het snijvlak van het vrijwillige en gedwongen kader» – dat dient als
basis van dit voorlichtingsmateriaal – is in de voortgangsbrief Jeugd van 26 juni
2024 aan uw Kamer aangeboden.52 Naar verwachting zal het informatiemateriaal in de zomer van dit jaar gereed zijn.
Bij het ontwikkelen van het voorlichtings- en informatiemateriaal worden ervaringsdeskundige
ouders en jeugdigen betrokken, zodat het materiaal aansluit bij de behoeften van de
doelgroep. Daarnaast worden ook professionals betrokken, zij hebben een belangrijke
rol in de verspreiding van het voorlichtings- en informatiemateriaal.
47.
De leden van de PVV-fractie zijn geen voorstander van dwang en drang om noodzakelijke
begeleiding en zorg- en hulpverlening te realiseren of te ondersteunen. Deze leden
vinden rechtsbescherming een belangrijk punt van aandacht, vooral in het vrijwillige
kader. Hoe wordt voorkomen dat op basis van dit wetsvoorstel juist meer dwang en drang
maatregelen ingezet gaan worden op mensen zonder veroordeling of rechterlijke machtiging?
Wanneer een cliënt zelf een hulpvraag bij het college neerlegt is de hulpvraag van
de cliënt leidend en wordt in samenspraak met de cliënt besproken welke problemen
er worden ervaren en onderzocht. Met «samenspraak» wordt bedoeld dat actieve betrokkenheid
van de cliënt wordt nagestreefd. De medewerker die namens het college het gesprek
voert met de cliënt, geeft uitleg en motiveert waarom hij bepaalde vragen stelt en
waarom hij bepaalde partijen bij het onderzoek en de eventuele gecoördineerde aanpak
wil betrekken. Als er verschil van inzicht is tussen betrokkene(n) en het college
over de reikwijdte van het onderzoek, dan mag het college vanzelfsprekend aangeven
wat de consequenties kunnen zijn van een beperking van de reikwijdte. De mogelijkheden
om iemand met meervoudige problematiek echt goed te helpen worden dan mogelijk beperkter.
Idealiter komen zij samen tot een oplossing. Lukt dat niet, dan is de wens van de
cliënt leidend en wordt het onderzoek beperkt tot de hulpvraag en tot de domeinen
en partijen die de cliënt in het onderzoek willen laten betrekken. Ook kan de cliënt
aangeven bepaalde hulpverlening niet te willen. Op dat moment kunnen het college en
de betrokken hulpverleners de cliënt proberen te motiveren voor het accepteren van
hulpverlening, bijvoorbeeld door de cliënt beter te informeren, zorgen weg te nemen
of het hulpaanbod bij te stellen. Gedwongen hulpverlening is alleen mogelijk indien
voldaan is aan de daarvoor geldende wettelijke criteria en de daarbij geldende rechtsbescherming.
In het sociaal domein kan het dan gaan om interventies als de inzet van gesloten jeugdhulp,
kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering. Ook voor eventuele gedwongen zorg
op grond van de Wet verplichte ggz of de Wet zorg en dwang moeten die kaders worden
gevolgd. Daar doet dit wetsvoorstel niets af.
Als een professional een verzoek doet voor een onderzoek in verband met ernstige meervoudig
problematiek kan het college een onderzoek zonder (directe) medewerking van de cliënt
instellen. Daarbij moet het college er naar streven het onderzoek en de gecoördineerde
aanpak zoveel mogelijk in overleg met de cliënt(en) tot stand te laten komen, door
de cliënt zo mogelijk bij de uitvoering van het onderzoek te betrekken. De cliënt
en zijn vertegenwoordiger of mantelzorger moeten sowieso over het onderzoek worden
geïnformeerd en moeten worden gewezen op de mogelijkheid om cliëntondersteuning te
krijgen (zie artikel 2.3a.4, derde lid). Indien ten behoeve van dit onderzoek een
casusoverleg wordt gehouden, moeten de cliënt en zijn vertegenwoordiger worden uitgenodigd,
tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten (zie artikel 5.4.3, eerste lid,
laatste volzin). Als de conclusie van het onderzoek is dat een gecoördineerde aanpak
zou helpen om de problematiek te verminderen of op te lossen, kan die gecoördineerde
aanpak bij ernstige meervoudige problematiek uiteindelijk alleen slagen als de cliënt
het voorstel voor hulp of zorg in het kader van die gecoördineerde aanpak aanvaardt.
De cliënt kan daartoe – behoudens de hierboven genoemde vormen van gedwongen hulp
en opgelegde interventies (bijv. reclassering) – niet worden gedwongen.
De bedoeling van een onderzoek op grond van artikel 2.3a.4 is dat de problemen gezamenlijk
in kaart kunnen worden gebracht en het bieden van hulp op elkaar kan worden afgestemd.
Met de inzet van een gecoördineerde aanpak kan dan worden voorkomen dat de meervoudige
problematiek nog ernstiger wordt. Om in dit wetsvoorstel beter tot uitdrukking te
brengen dat van het opleggen van een gecoördineerde aanpak echt geen sprake kan zijn,
wordt bij nota van wijziging voorgesteld in de aanhef van artikel 2.3a.2, tweede lid,
expliciet te benoemen dat het college een voorstel voor een gecoördineerde aanpak doet.
Gedurende het hele proces dient de cliënt goed te worden geïnformeerd over o.a. zijn
rechtspositie, de mogelijkheid om een onafhankelijke cliëntondersteuner in te zetten
en een klacht in te dienen. Het vraagt om kennis van de rechtspositie van cliënten,
hun vertegenwoordigers en gezinnen, en goede gespreksvaardigheden van de professional
om cliënten volledig te informeren. Diverse richtlijnen geven professionals hierbij
handvatten en kaders.
48.
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering bereid is om de juridische kaders
voor een vrijwillige gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek en bemoeizorg
apart van elkaar te regelen, in nauw overleg met het veld?
Zoals toegelicht bij de vorige vraag, is een gecoördineerde aanpak op grond van de
Wams is altijd vrijwillig. Alleen als de cliënt instemt met de gecoördineerde aanpak,
gaat die van start. Om tot een voorstel voor een gecoördineerde aanpak te komen, wordt
een onderzoek gedaan. Voor het doen van een onderzoek naar meervoudige problematiek
creëert dit wetsvoorstel twee verschillende wettelijke grondslagen, namelijk een onderzoek
na een hulpvraag van de cliënt of een onderzoek op verzoek van een betrokken professional.
Hoe dat in zijn werk gaat is bij de vorige vraag uiteengezet.
De wettelijke grondslag voor het onderzoek naar meervoudige problematiek bij een hulpvraag
van de cliënt zelf, is opgenomen in artikel 2.3a.1. De wettelijke grondslag voor een
onderzoek naar meervoudige problematiek in geval een cliënt niet zelf om hulp vraagt,
een vorm van bemoeizorg, is opgenomen in artikel 2.3a.4. De voorwaarden om zo’n onderzoek
te kunnen starten zijn streng. De partij die om een onderzoek vraagt moet een gemotiveerd
verzoek doen over het vermoeden dat er sprake is van ernstige meervoudige problematiek
aan de hand van de criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid. Bij een ongemotiveerd
of niet goed gemotiveerd verzoek, zal het college geen onderzoek starten. Het college
toetst daarvoor het verzoek ook aan de criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid. De
verzoekende partij zal in zijn motivering bijvoorbeeld moeten aangeven wat er al geprobeerd
is en waarom het nodig is om te proberen met andere partijen tot een gecoördineerde
aanpak te komen.
Op deze manier geeft dit wetsvoorstel twee verschillende wettelijke grondslagen om
een onderzoek te starten. Zoals hierboven gezegd is de aanvaarding van de gecoördineerde
aanpak en van de diensten die onderdeel uitmaken van die aanpak na beide onderzoeken
vrijwillig. Het is aan de cliënt om te beslissen of hij de gecoördineerde aanpak en
de diensten die daarbij worden geboden aanvaardt. Die aanpak zal kunnen bestaan uit
meerdere vormen van hulp en ondersteuning, afspraken en in sommige gevallen worden
ook niet vrijwillige interventies, zoals bijvoorbeeld reclassering of een kinderbeschermingsmaatregel.
Het slagen van de gecoördineerde aanpak bij ernstige meervoudige problematiek is afhankelijk
van de mate waarin het lukt de cliënt ervan te overtuigen dat zijn situatie door het
aanvaarden van de hulp zal gaan verbeteren.
De meerwaarde van beide wettelijke grondslagen zit daarmee in de mogelijkheid om met
diverse bij de cliënt betrokken partijen tot een gezamenlijke gecoördineerde aanpak
te kunnen komen zodat zinvolle hulp kan worden opgestart die elkaar niet «in de weg
zit» of tegenwerkt.
Gezien de duidelijke samenhang tussen de twee verschillende wettelijke grondslagen
en dezelfde waarborgen die nodig zijn voor een zorgvuldige verwerking van gegevens,
het houden van een casusoverleg en het bieden van een gecoördineerde aanpak, is dit
samen in één wetsvoorstel geregeld.
Een andere vorm van bemoeizorg in dit wetsvoorstel is de oggz. Er zijn kwetsbare mensen
die níet zelfstandig om hulp vragen of die hulp juist mijden, terwijl ze in hun omstandigheden
eigenlijk wel hulp nodig hebben. Het benaderen en begeleiden van deze doelgroep naar
de juiste ondersteuning valt onder openbare geestelijke gezondheidszorg. In de Wmo
2015 is de oggz-taak van gemeenten, anders dan in de Wmo (2007), niet geëxpliciteerd.
Naar aanleiding van signalen van het Schakelteam personen met verward gedrag over
onduidelijkheid in de verantwoordelijkheidsverdeling voor zorg en ondersteuning voor
deze doelgroep, heeft de regering gemeenten er in september 2018 op gewezen dat openbare
geestelijke gezondheidszorg en bemoeizorg nog steeds gemeentelijke taken zijn op grond
van de Wmo 2015. Toch bleven vragen hierover tijdens het opstellen van dit wetsvoorstel
terugkomen. Zo heeft GGD GHOR Nederland aangegeven dat het ontbreken van een expliciete
wettelijke grondslag voor de oggz een belemmering vormt voor de uitvoering van hun
werkzaamheden en de daarvoor benodigde verwerking van persoonsgegevens. De regering
vindt het gelet op de samenhang met (complexe) meervoudige problematiek passend om
het begrip oggz met voorliggende wetsvoorstel weer op te nemen in de wet, gekoppeld
aan het stellen van regels over gegevensverwerking bij meldpunten niet-acuut. De regering
meent dat de belemmeringen die in de praktijk zijn gevoeld om mensen die zorg mijden
toe te leiden naar zorg of ondersteuning, met de voorgestelde wijzigingen worden ondervangen.
Daarbij hoort ook het expliciteren van de taak van de meldpunten zodat AVG-conform,
in het kader van de doelbinding van de gegevensverwerking, op basis van een wettelijke
grondslag persoonsgegevens kunnen worden verwerkt door de meldpunten in het kader
van de oggz-taak.
Een ander aspect van bemoeizorg dat in dit wetsvoorstel wordt geregeld, is de mogelijkheid
een onderzoek te starten naar ernstige meervoudige problematiek om zo te kunnen komen
tot een gecoördineerde aanpak met als doel nog ernstiger situaties te kunnen voorkomen.
De systematiek hiervan is bij de voorgaande vraag toegelicht. De regering meent dat
deze regeling alsmede het expliciteren van de oggz-taak en daarbij de passende waarborgen
voor noodzakelijke en proportionele gegevensverwerking, passen in dit wetsvoorstel
als onderdeel van de gemeentelijke taak van maatschappelijke ondersteuning, en met
de noodzakelijke waarborgen zijn omkleed.
49.
Wat voegt deze wet toe in relatie tot de WGS, vragen de leden van de PVV-fractie?
Het grote verschil met de Wams is enerzijds dat bij een aanpak door een Zorg- en Veiligheidshuizen
(ZVH), zoals geregeld in de WGS, altijd strafrechtelijke of veiligheidsproblematiek
een rol speelt en dat daarbij niet altijd problemen op het gebied van het sociaal
domein hoeven te spelen, en anderzijds dat een ZVH een vast samenwerkingsverband is
waarbinnen gezamenlijk gegevens worden verwerkt.
De WGS regelt verschillende samenwerkingsverbanden voor gegevensuitwisseling, waaronder
een regeling voor de Zorg- en Veiligheidshuizen (ZVH). In een samenwerkingsverband
zit een vaste groep deelnemende partijen die gezamenlijk gegevens verwerken voor een
bij of krachtens deze wet vastgestelde doelstelling van zwaarwegend algemeen belang.
Het doel van een ZVH zoals vastgelegd in de WGS is gegevensverwerking voor de noodzakelijke
werkzaamheden van de deelnemende partijen op het terrein van strafrechtelijke en bestuursrechtelijke
handhaving alsmede begeleiding en zorg- en hulpverlening in het belang van het voorkomen,
verminderen en bestrijden van criminaliteit en ernstige overlast en het voorkomen
en verminderen van onveilige situaties voor personen of binnen een gebied. De Wams
richt zich op de aanpak van meervoudige problematiek die in ieder geval (deels) moet
spelen op het sociaal domein. Centraal staat een probleem of hulpvraag waarbij mensen
waarschijnlijk met hulp uit het sociaal domein kunnen worden geholpen. In de meeste
gevallen gaat het in de Wams om cliënten of gezinnen die zelf hulp vragen en komt
een onderzoek naar meervoudige problematiek en het starten van een gecoördineerde
aanpak in samenspraak met de cliënten tot stand. Een gecoördineerde aanpak op grond
van de Wams wordt altijd ingezet vanuit het sociaal domein waarbij zo nodig aanpalende
domeinen kunnen worden betrokken. Anders dan in de WGS wordt in de Wams per casus
beoordeeld en besproken welke partijen bij het onderzoek of de gecoördineerde aanpak
worden betrokken en is per fase in het proces afgebakend welke partijen noodzakelijke
gegevens verstrekken en welke partijen over gegevens kunnen beschikken.
De Wams voorziet ook in de mogelijkheid een onderzoek te starten bij ernstige meervoudige
problematiek, waarbij het vaak mensen betreft die zorg mijden of maar gedeeltelijk
aanvaarden. Voordat het college zo’n onderzoek start, moet het eerst beoordelen of
vermoedelijk sprake is van ernstige meervoudige problematiek volgens de criteria van
art. 2.3a.4, eerste lid. Dan kan blijken dat al een ZVH-traject loopt, maar ook later
tijdens een onderzoek op grond van de Wams of tijdens een gecoördineerde aanpak kan
blijken dat afstemming met het ZVH nodig is. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat voor
een gezin een gecoördineerde aanpak loopt terwijl voor één van de gezinsleden ook
een ZVH-traject loopt. Artikel VIII van de Wams voorziet voor dit soort omstandigheden
in een samenloopregeling met de WGS. In sommige gevallen zal een gecoördineerde aanpak
bij ernstige meervoudige problematiek op grond van de Wams, mogelijk kunnen voorkomen
dat een ZVH-traject nodig is, omdat het lukt problemen op het terrein van openbare
orde en veiligheid te voorkomen.
50.
De leden van de PVV-fractie delen de bevinding dat het adagium één gezin, één plan,
één regisseur die ten grondslag lag aan de decentralisaties van 2015 in de praktijk
niet van de grond is gekomen. Na zeven jaar is de zorg niet beter, niet goedkoper
en niet dichterbij de burger. Deze leden vragen zich af of er wel al sprake is van
een goede implementatie van de wetten in de eigen uitvoeringsorganisatie van gemeenten
na de decentralisatie in 2015 en ontvangen graag een reactie van de regering.
Gemeenten hebben veel werk verzet om de uitvoering van de diverse wetten goed in hun
uitvoeringsorganisatie te implementeren. Juist op het gemeentelijk niveau komen veel
zaken samen: het onderwijs, de afspraken met woningcorporaties, jeugdhulp, de schuldhulpverlening
en werk en inkomen. Ook vindt er samenwerking plaats tussen bijvoorbeeld zorgverzekeraars
en gemeenten. Doel achter de decentralisatie was de mogelijkheid om op deze terreinen
het beleid op lokaal niveau af te kunnen stemmen. Juridische en organisatorische schotten
op het gebied van gegevensuitwisseling en bekostiging staan daarbij soms in de weg.
Dit neemt niet weg dat partijen elkaar beter weten te vinden dan voorheen53 en dat veel gemeenten onder andere zijn gaan samenwerken in lokale teams.
Met wetsvoorstellen zoals de Wams, de wet met betrekking tot de uitbreiding en verdere
uitwerking van de bekostigingsmogelijkheden met middelen vanuit het Fonds langdurige
zorg54 en het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting55, wordt de integraliteit die was bedoeld met de decentralisaties rond 2015, verder
bevorderd.
Lokale teams kunnen hierbij verschillende vormen van dienstverlening en activiteiten
vanuit het sociale domein bieden, waarmee mensen hun sociale basis kunnen versterken
als zij extra hulp nodig hebben op gebied van bijvoorbeeld wonen, werk (arbeidsparticipatie),
gezondheid, schulden (armoede), sociale contacten, veiligheid en dergelijke. De integraliteit
van één gezin, één plan en één regisseur is nog altijd het leidende adagium, en met
de Wams kan een belangrijke stap worden gezet om tot een goede uitvoering daarvan
te komen. In het rapport van de Staatscommissie rechtsstaat wordt de Wams ook genoemd
als voorbeeld om invulling te geven en aan betere dienstverlening.56
Al met al is de implementatie van de wetten in de eigen uitvoeringsorganisatie van
gemeenten, uitzonderingen daargelaten zoals het niet op orde zijn van voldoende clientondersteuning,57 redelijk goed verlopen, maar er zijn nog stappen te zetten om burgers daadwerkelijk
van goede en zo nodig integrale hulp te voorzien. Dit wetsvoorstel zal daaraan bijdragen
waarbij een goede implementatie in de gemeentelijke organisatie van belang is. Specifiek
voor de Wams zijn middelen gereserveerd voor de uitvoering. In 2021 is hiervoor 45 miljoen
voor gemeenten via het Gemeentefonds ter beschikking gesteld. Door middel van handreikingen
en voorbeelden van werkprocessen zullen gemeenten en aanpalende organisaties worden
ondersteund in de implementatie van de Wams.
Binnen het project Dwars door domeinen werken Divosa, gemeenten en het Ministerie
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) aan het oplossen van knelpunten
bij domeinoverstijgende dienstverlening aan kwetsbare inwoners. De opgedane kennis
uit dit lerend stelsel worden in de vorm van bouwstenen voor integrale dienstverlening
gedeeld met andere gemeenten.58
51.
De leden van de PVV-fractie vragen of gemeenten genoeg (financiële) ruimte hebben
om deze wet uit te voeren.
De verschillende toetsen op de gevolgen van het wetsvoorstel laten zien dat het wetsvoorstel
voldoende uitvoerbaar wordt geacht. De uitgangspunten van de decentralisaties worden
onderschreven, namelijk dat deze mede als doel hadden te kunnen komen tot een integrale
en gecoördineerde aanpak. Het wetsvoorstel heeft dat doel slechts geëxpliciteerd.
Daarmee is er volgens de regering geen sprake van een uitbreiding van de gemeentelijke
taken. Voor de organisatorische en financiële gevolgen van dit wetsvoorstel voor gemeenten
heeft de VNG een uitvoeringstoets opgesteld (de impactanalyse). Daarin stelt de VNG
dat er geen sprake is van structurele uitvoeringskosten en dat de eenmalige implementatiekosten,
zoals beschreven in de uitvoeringstoets betrekking hebben op het bredere vraagstuk
van het versterken van de uitvoeringskracht van gemeenten in het sociaal domein. Hiervoor
is tussen 2021 en 2023 door het Rijk eenmalig 45 miljoen voor gemeenten via het Gemeentefonds
ter beschikking gesteld. De uitvoeringstoets leidt hiermee niet tot een financiële
claim van de gemeenten.
52.
De leden van de PVV-fractie constateren dat niet elke gemeente met sociale wijkteams
werkt. Is het de bedoeling dat elke gemeente met de uitvoering van dit wetsvoorstel
met sociale (wijk)teams gaat werken? Waarom heeft nog niet elke gemeente een sociaal
(wijk)team?
Gemeenten zijn niet wettelijk verplicht om te voorzien in een lokaal team, ook wel
buurtteam of sociaal (wijk)team genoemd. Dit wetsvoorstel stelt geen regels over het
instellen van een lokaal team. Sinds de decentralisaties in 2015 heeft de meerderheid
van de gemeenten (ruim 80%) een of meerdere lokale teams georganiseerd. Er zijn op
dit moment diverse verschijningsvormen van lokale teams, waarbij de mate van deskundigheid
en organisatorische afstand tot de gemeente verschilt en het takenpakket varieert.59
Gemeenten hebben zich gecommitteerd aan het realiseren van stevige lokale teams. In
het richtinggevend kader «toegang, lokale teams en integrale dienstverlening»60, vastgesteld door de VNG en gemeenten, zijn de kenmerken van de lokale teams vastgelegd.
Het convenant stevige lokale teams (ondertekening verwacht begin 2026) bevat afspraken met de belangrijkste partijen
(ministeries, gemeenten, brancheorganisaties, beroepsverenigingen en cliëntenorganisaties)
over wat er nodig is om de lokale teams te laten slagen.
Ook is het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet in voorbereiding dat deze beweging ondersteund
door voor te schrijven dat iedere gemeente beschikt over een stevig lokaal team voor
het uitvoeren van een aantal taken. Het streven is dit wetsvoorstel dit voorjaar in
consultatie te brengen.
53.
De leden van de GroenLinks-fractie lezen in deze paragraaf hoe de sociale wijkteams
tot nu toe functioneren. Genoemde leden vragen de regering hoe deze sociale wijkteams
en dit wetsvoorstel zich gaan verhouden tot de afspraken uit het Integraal Zorgakkoord
(IZA)? Ook in het IZA wordt namelijk gesproken van domeinoverstijgende samenwerking
in het sociaal domein, door bijvoorbeeld het opzetten van mentale gezondheidscentra
in gemeenten. Kan de regering de verhouding en samenhang van dit wetsvoorstel tot
het IZA uitleggen en de specifiek de plek van mentale gezondheidscentra?
In het IZA is afgesproken dat zorg en ondersteuning voor mensen met een psychische
kwetsbaarheid verbeterd en versterkt moet worden en dat dit te realiseren is als er
sprake is van een goede onderlinge samenwerking is tussen het sociale domein, huisartsenzorg
en ggz. Het IZA focust niet zozeer op samenwerking binnen het sociaal domein, maar
vooral tussen het sociaal domein en delen van de curatieve zorg. Vanuit het IZA wordt
daarnaast ingezet op het verbeteren van de toegankelijkheid van de ggz en het reduceren
van de wachttijd. De afgelopen jaren is ook toegewerkt naar mentale gezondheidsnetwerken
waarin door ggz-professionals (onder andere) verkennende gesprekken worden gevoerd
in samenwerking met het sociaal domein. Deze netwerken worden ingericht op een manier
die past bij de regio. Inmiddels hebben alle regio’s een goedgekeurd transformatieplan,
en kan dus ook in de laatste regio’s een start worden gemaakt met de implementatie
van deze mentale gezondheidsnetwerken. Voorliggend wetsvoorstel staat los van deze
uitwerking. Veelal zal de huisarts verwijzen naar een verkennend gesprek, waarbij
de specifieke situatie van de cliënt centraal staat (leefwereld, eigen netwerk relaties
en herstel). Bij zo’n gesprek is een professional uit de ggz, het sociaal domein en
ervaringsdeskundige aanwezig. Het doel is laagdrempelige mentale hulp te bieden in
de wijk vanuit een brede samenwerking met huisarts, ggz en het sociale domein.
De ontwikkeling is opgepakt door het landelijke programma Mentale gezondheidsnetwerken
waarin 11 partijen samenwerken om de afspraken uit het IZA verder vorm te geven61. Hoe een mentaal gezondheidsnetwerk wordt gepositioneerd ten opzichte van een lokaal
team, hangt van de lokale en regionale situatie af. Het is aan de gemeenten en de
betrokken partijen om hier op een goede manier vorm aan te geven. Lokale teams kunnen
hierbij verschillende vormen van dienstverlening en activiteiten vanuit het sociale
domein bieden, waarmee mensen hun sociale basis kunnen versterken als zij extra hulp
nodig hebben op gebied van bijvoorbeeld wonen, werk(arbeidsparticipatie), gezondheid,
schulden (armoede), sociale contacten, veiligheid en dergelijke. In het Aanvullend
Zorg- en Welzijnsakkoord62 zijn aanvullende afspraken gemaakt op het snijvlak van het sociaal en medisch domein.
Zorgverzekeraars, gemeenten en aanbieders van zorg en ondersteuning hebben landelijke
afspraken gemaakt over concrete «basisfunctionaliteiten» (het wat) op de thema’s kansrijk
opgroeien, gezonde leefstijl, mentale gezondheid, vitaal ouder worden en gezondheidsachterstanden
verminderen. Basisfunctionaliteiten zijn uiterlijk in 2030 in elke regio of gemeente
ingevuld en beschikbaar voor inwoners.
De Wams maakt het mogelijk om bij samenhangende problematiek bij een cliënt in het
zorg- en sociaal domein een gecoördineerde aanpak te initiëren, dat geldt dus ook
voor mensen met ggz-problematiek. De laagdrempeligheid, de betrokkenheid van de gemeente
en de instrumenten die de Wams biedt, versterken de gewenste integrale aanpak van
problemen. Anderzijds is het zo dat mensen die aankloppen bij een lokaal team omdat
zij hulp zoeken niet altijd te kampen hebben met psychische of mentale problemen.
Voor de praktijk zal hier een goede en elkaar versterkende samenwerking moeten worden
ontwikkeld.
54.
De leden van de GroenLinks-fractie lezen in de paragraaf over de Jeugdbeschermingstafel
(JBT) dat gesproken wordt over het eventueel inzetten van preventieve (vrijwillige)
jeugdbescherming. Er is veel kritiek over dit «drang» kader, met name als het gaat
om «vrijwillige uithuisplaatsingen». Kan de regering verduidelijken wat bedoeld wordt
in deze paragraaf onder vrijwillige jeugdbescherming en de kanttekeningen en risico’s
hieromtrent meenemen, met name rondom de rechtsbescherming van jongeren en ouders
op dit vlak?
Met vrijwillige jeugdbescherming is bedoeld dat de expertise van een medewerker van
een gecertificeerde instelling (GI) wordt ingezet met instemming van de jeugdige en
ouders. De rol en de positie van de GI’s in het voorkomen van kinderbeschermingsmaatregelen
en uithuisplaatsingen kan verschillen per gemeente of regio al naar gelang de gemeentelijke
visie en aanwezige structuren voor zorg en hulp. De inzet van de expertise van GI’s
kent verschillende verschijningsvormen, bijvoorbeeld met een apart traject waarin
de GI de regie voert over de hulpverlening aan gezinnen of door middel van een consulterende
rol op afroep richting de lokale teams om hun kennis en expertise in te zetten.
Ouders en jongeren moeten weten wat hun rechten en plichten zijn als zij te maken
hebben met jeugdzorg op het snijvlak van het vrijwillig en gedwongen kader. Een goede
informatiepositie versterkt de rechtspositie. In overleg met ouders, jongeren en professionals
wordt daarom gewerkt aan een eenduidige vorm van voorlichtingsmateriaal waarin wordt
uitgelegd wat de rechten en plichten zijn en hoe zij deze kunnen bespreken met hun
hulpverlener. Het adviesrapport – dat dient als basis van dit voorlichtingsmateriaal
– is in de voortgangsbrief Jeugd van 26 juni 2024 aan uw Kamer aangeboden.63 Naar verwachting zal het informatiemateriaal in de zomer van dit jaar gereed zijn.
55.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of het wetsvoorstel slechts
gericht is op mensen met een bepaalde mate van complexiteit van de meervoudige problematiek,
of dat alle vormen van meervoudige problematiek, ook de weinig complexe, in aanmerking
komen voor het verwerken van gegevens tussen domeinen.
Het gaat niet zozeer om de complexiteit van de meervoudige problematiek maar om de
vraag of er sprake is van de samenhang van de verschillende problemen. In artikel 1.1.1.
wordt meervoudige problematiek als volgt gedefinieerd: meerdere samenhangende problemen
van een persoon of meerdere samenhangende problemen van gezinsleden die betrekking
hebben op verschillende aspecten van het sociaal domein, of het sociaal domein en
aanpalende domeinen. Het kan zijn dat een cliënt of een gezin van meerdere diensten
in het sociaal domein gebruik maakt, maar de achterliggende problemen geen samenhang
hebben. Bijvoorbeeld als de vader een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet
en de dochter jeugdhulp krijgt vanwege haar ADHD. Dan is er in principe geen sprake
van meervoudige problematiek. Maar bij iemand die een uitkering heeft en in een sociaal
isolement komt en daardoor ook moeite heeft om weer aan werk te komen, is mogelijk
wel sprake van meervoudige problematiek en heeft die persoon baat bij een gecoördineerde
aanpak op zowel het terrein van de Participatiewet als maatschappelijke ondersteuning.
56.
De leden van de SGP-fractie maken uit de memorie van toelichting op dat dit wetsvoorstel
zich richt op de 4 procent van de inwoners van gemeenten die kortere of langere tijd
ondersteuning nodig heeft. Zij kampen met verschillende problemen tegelijk die vaker
chronisch en met elkaar verweven zijn, en die soms intergenerationeel worden overgedragen.
Welke waarborgen biedt dit wetsvoorstel dat het instrumentarium van deze wet óók gaat
worden ingezet voor de veel grotere groep burgers die gebruik maakt van voorzieningen
in het sociaal domein? Hoe is meervoudige problematiek afgebakend?
Deze 4% vormt niet de volledige doelgroep waarop dit wetsvoorstel zich richt. Het
wetsvoorstel is gericht op cliënten met meervoudige problematiek dat in het wetsvoorstel
gedefinieerd is als: meerdere samenhangende problemen van een persoon of meerdere samenhangende problemen van gezinsleden die
betrekking hebben op verschillende aspecten van het sociaal domein, of op het sociaal
domein en aanpalende domeinen.
In paragraaf 2.1 van de memorie van toelichting is een percentage genoemd van circa
4% van de inwoners dat grotere moeilijkheden ondervindt en gedurende kortere of langere
tijd ondersteuning nodig heeft64. Deze groep kampt met verschillende problemen tegelijk die vaker chronisch en met
elkaar verweven zijn, en die soms intergenerationeel worden overgedragen. Volgens
het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) maakt circa 10% van de bevolking gebruik
van één of meerdere voorzieningen uit het sociaal domein65. In de periode 2015–2019 is vooral een stijging te zien in het gebruik van voorzieningen
op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdzorg, zo blijkt uit de publicatie «Voorzieningen
in 3D» van SCP. Uit de stapelingsmonitor van het CBS blijkt dat het aantal huishoudens
dat gebruik maakt van twee of meer voorzieningen in de loop van de jaren redelijk
gelijk is gebleven66 Hierbij moet worden aangetekend dat zowel het CBS als het SCP uitgaan van verschillende
en overlappende categorieën van regelingen. Ook wil het feit dat van meerdere voorzieningen
uit het sociaal domein gebruik wordt gemaakt niet zeggen dat er sprake is van meervoudige
samenhangende problematiek, waar de Wams zich op richt. Op basis van deze cijfers fluctueert het
percentage vermoedelijk binnen een bandbreedte van 1–10%.67
Het SCP zag ook een groter aandeel van huishoudens waarbinnen meerdere problemen zich
opstapelen. Het gaat daarbij in de meeste gevallen om combinaties van participatievoorzieningen
die mensen helpen bij het vinden en behouden van werk en maatschappelijke ondersteuning.
Ook de combinatie van jeugdhulp in combinatie met bijstand bij de ouders komt regelmatig
voor.
De Wams is gericht op alle cliënten met meervoudige problematiek. In het wetsvoorstel
is dat gedefinieerd als meerdere samenhangende problemen van een persoon of meerdere samenhangende problemen van gezinsleden die
betrekking hebben op verschillende aspecten van het sociaal domein, of op het sociaal
domein en aanpalende domeinen. De ernst speelt in deze definitie geen rol. Bij het
grootste deel van deze huishoudens is sprake van «gewone» meervoudige problematiek
en bij slechts een klein deel is sprake van ernstige meervoudige problematiek, waarbij
de cliënt niet altijd zelf met een hulpvraag komt. Vooral van deze laatste groep is
de omvang onzeker, omdat het gaat om kwetsbare mensen die niet altijd in beeld zijn
bij de gemeente, terwijl zij soms juist wel hulp nodig hebben.
De waarborgen voor een te brede inzet zijn vastgelegd in artikel 2.3a.1, eerste lid.
In de eerste plaats moet er blijken – uit het gesprek met de cliënt – dat er mogelijk
sprake is van meervoudige problematiek. Als iemand met een enkelvoudige hulpvraag
komt en aangeeft verder geen hulp nodig te hebben voor andere problemen, dan dient
die hulpvraag volgens de gewone procedure van de desbetreffende wet uit het sociaal
domein te worden behandeld. Als blijkt dat er mogelijk meer samenhangende problemen
spelen, dan geldt op grond van artikel 2.3a.1 dat samenspraak met de cliënt bepalend
is voor de reikwijdte van een onderzoek naar meervoudige problematiek. In de eerste
plaats wordt in samenspraak de hulpvraag in kaart gebracht. De medewerker die namens
het college het gesprek voert met de cliënt, geeft uitleg en motiveert waarom hij
bepaalde vragen stelt. De cliënt kan aangeven dat hij bepaalde problemen echt niet
in het onderzoek wil betrekken en de medewerker kan uitleggen waarom het goed is de
problemen in samenhang te onderzoeken. Als een cliënt bijvoorbeeld met een hulpvraag
komt vanwege zijn schulden en in het gesprek blijkt dat hij ook kampt met een verslaving,
dan mag de medewerker aangeven wat de consequenties kunnen zijn als hij de verslavingsproblematiek
niet in het onderzoek wil betrekken. Uiteindelijk is de wens van de cliënt leidend
en wordt het onderzoek beperkt tot de hulpvraag en tot de domeinen en partijen die
de cliënt wel in het onderzoek willen laten betrekken. Artikel 2.3a.1, vierde lid,
en artikel 2.3a.4, tweede lid, bepalen daarbij waarop het onderzoek betrekking mag
hebben. Daarbij gelden de waarborgen voor het verwerken van gegevens op grond van
het bepaalde in de artikelen 5.4.1, 5.4.2 en 5.4.3. Gegevensverwerking is alleen is
toegestaan voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van het onderzoek. Dat
betekent dat per gegeven en per partij die bij het onderzoek betrokken wordt, moet
kunnen worden onderbouwd waarom dat noodzakelijk is. Niet altijd zal de uitkomst van
het onderzoek zijn dat ook een gecoördineerde aanpak nodig is. Artikel 2.3a.2 bepaalt
in welke gevallen het college in ieder geval een gecoördineerde aanpak moet aanbieden.
Een gecoördineerde aanpak kan alleen worden gestart als de client dat ook wil.
Gezien al deze waarborgen valt niet te verwachten dat de Wams breder wordt ingezet.
57.
De regering geeft aan dat vanwege de decentralisatie de wijze waarop gemeenten het
sociaal domein vormgeven verschilt. Daarmee varieert ook de integrale aanpak van meervoudige
problematiek in de praktijk. Doorkruist dit wetsvoorstel met een voorgestelde verplichtende
regeling voor meervoudige problematiek niet het decentrale karakter van het sociaal
domein, zo vragen de leden van de SGP-fractie de regering. In hoeverre is het verschil
tussen gemeenten problematisch?
Bij decentralisatie hoort dat er verschillen kunnen zijn tussen gemeenten. Accenten
in beleid, de manier waarop de gemeentelijke organisatie is ingericht, of bijvoorbeeld
welke algemene voorzieningen beschikbaar zijn. Dit wetsvoorstel doorkruist dit decentralisatieprincipe
niet. Het bieden van integrale ondersteuning was al een uitgangspunt van de decentralisaties
in 2015. Zoals is toegelicht in paragraaf 1.2 van de memorie van toelichting, zijn
sindsdien diverse knelpunten gebleken waardoor die integrale benadering vaak niet
goed van de grond komt. Dit wetsvoorstel voorziet in expliciete wettelijke grondslagen
voor gegevensverwerking ten behoeve van een gecoördineerde aanpak van meervoudige
problematiek, een van de belangrijkste knelpunten die na de decentralisaties is gesignaleerd.
Met het oog op zorgvuldigheid en het wegnemen van handelingsverlegenheid is het nodig
om beginselen als noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit in deze wet
uit te werken. Dit betekent dat niet enkel wordt voorzien in wettelijke taken en grondslagen
voor de gegevensverwerking, maar voor zover nodig ook procedures zijn opgenomen. Daarmee
wordt gewaarborgd dat per stap in het proces alleen de noodzakelijke partijen alleen
de noodzakelijke informatie verwerken (dus niet te veel informatie verwerken) en wordt
handelingsverlegenheid weggenomen (voorkomen dat te weinig informatie wordt gedeeld
uit angst de regels te overtreden). Aan de gemeentelijke beleidsvrijheid omtrent de
inrichting en organisatie van het sociaal domein, wordt met de voorgestelde regels
voor de aanpak van meervoudige problematiek niets afgedaan. Het streven naar de integrale
dienstverlening vraagt waarschijnlijk wel om aanpassingen op het gebied van (gemeentelijke)
organisatie, competenties en de samenwerking tussen de verschillende domeinen. De
dienstverlening kan alleen worden verbeterd als gemeenten, uitvoeringsorganisaties
en de Rijksoverheid samenwerken, samen leren van de uitvoeringspraktijk én verbeteringen
doorvoeren. Het implementatietraject ondersteunt gemeenten hierbij, waarbij rekening
wordt gehouden met de mate waarin gemeenten al vertrouwd zijn met de integrale aanpak.
68
3. KNELPUNTEN BIJ HET REALISEREN VAN EEN INTEGRALE AANPAK
58.
De leden van de D66-fractie beamen dat er veel potentieel schuilt in een integrale
aanpak bij meervoudige problematiek. Echter, het ontbreekt in dit wetsvoorstel aan
enige begrenzing. Beslaat dit wetsvoorstel alles binnen het sociaal domein en al het
aangrenzende (zoals woonoverlast, schuldenaanpak, et cetera)? En hoe verhoudt dit
wetsvoorstel zich met bestaand beleid binnen de aanpalende domeinen (zoals de brede
schuldenaanpak)? Wordt bij iedere aanpassing in bestaand beleid ook op doelmatigheid
en proportionaliteit getoetst?
Het kunnen bieden van een integrale aanpak bij meervoudige problematiek heeft inderdaad
veel potentieel. De zorg van deze leden dat het in dit wetsvoorstel ontbreekt aan
enige begrenzing, kan de regering wegnemen. Blijkens de definitie van meervoudige
problematiek (zie artikel 1.1.1 in het wetsvoorstel) moet er altijd problematiek op
het sociaal domein spelen. Alleen dan kan een gecoördineerde aanpak worden overwogen.
Ook zijn de aanpalende domeinen gedefinieerd. Daarnaast is het leidende principe dat
de reikwijdte van het onderzoek wordt bepaald in gesprek met de cliënt. Bij een onderzoek
naar meervoudige problematiek gaat het – in samenspraak met de cliënt – om de problemen
die bij hem spelen. Ook deze casuïstische aanpak vormt aldus een belangrijke begrenzing.
Verder worden de partijen die potentieel kunnen deelnemen aan een onderzoek naar meervoudige
problematiek en de gecoördineerde aanpak bij amvb aangewezen in een limitatieve lijst.
In deze lijst worden de organisaties opgenomen met de taak die relevant is ten aanzien
van de gecoördineerde aanpak. Hierbij speelt doelmatigheid en proportionaliteit uiteraard
een belangrijke rol. De conceptlijst is als bijlage onderaan deze nota naar aanleiding
van het verslag toegevoegd.
De Wams biedt een procedure om tot een gecoördineerde aanpak te komen en uit te voeren,
maar tornt niet aan de bevoegdheidsuitoefening van de daarbij betrokken partijen.
Dit wetsvoorstel doet daarmee dan ook niets af aan bestaand beleid zoals de brede
schuldenaanpak. Door het kunnen bieden van een integrale aanpak, kan de effectiviteit
van bestaand beleid juist worden verbeterd.
Voor aanpassingen op bestaand beleid moeten uiteraard de daarvoor afgesproken toetsen
worden gedaan en de nieuwe regelgeving en aanpassing van de limitatieve lijst worden
openbaar geconsulteerd.
59.
De leden van de PVV-fractie vragen waarom sommige gemeente blijkbaar wel voldoende
mogelijkheden hebben om een gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek tot
stand te brengen? Welke gemeenten ondervinden geen problemen?
Momenteel is de gecoördineerde aanpak zoals die wordt voorgesteld in de Wams niet
mogelijk. Het wetsvoorstel geeft de benodigde regels voor de verwerking van persoonsgegevens
die nodig zijn om een onderzoek te kunnen doen naar meervoudige problematiek en daarop
volgend een gecoördineerde aanpak te kunnen bieden. In die zin hebben alle gemeenten
onvoldoende mogelijkheden om integraal te werken. Op basis van representatief onderzoek69 in 2019 over het sociaal domein – waarin de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening
ontbrak – bleek dat driekwart (76%) van de gemeenten het beleid op de drie terreinen
van de decentralisaties ten minste deels op elkaar afstemt, hoewel dat meestal om
twee van de drie terreinen (Jeugdwet, Participatiewet en de Wet maatschappelijke ondersteuning
2015) gaat. Ruim een derde (36%) van de onderzochte gemeenten geeft aan afstemming
te hebben tussen alle drie de terreinen, en bijna 40% afstemming tussen twee terreinen,
waarbij afstemming tussen de Jeugdwet en de Participatiewet het minst vaak voorkomt.
De afstemming in de uitvoering is volgens de helft van de gemeenten nog in ontwikkeling
(36%) of ze geven aan dat het wel de wens is, maar dat het nog moet worden ontwikkeld
(11%). Minder dan een derde (27%) geeft aan in de uitvoering afstemming te hebben
op alle drie de terreinen van het sociaal domein. In de enquête is niet specifiek
aangeven wat integraal werken in de uitvoering precies inhoudt. Uit verdiepende interviews
blijkt dat gemeenten nog zoekende zijn naar hoe ze de samenhang tussen de drie domeinen
het beste kunnen vormgeven.70 Volgens de impact-analyse van de VNG, die is meegezonden naar uw Kamer, hebben de
meeste gemeenten tot nu toe de juridische risico’s van gegevens delen zwaar laten
wegen. Integraal werken zoals in dit wetsvoorstel wordt geregeld, komt daarom nergens
echt van de grond. Voor de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zullen gemeenten
organisatorische aanpassingen moeten doen om te waarborgen dat een onderzoek naar
meervoudige problematiek en een gecoördineerde aanpak conform de regels voor de verwerking
van persoonsgegevens, gebeurt.
Specifiek voor de Wams zijn middelen gereserveerd voor de uitvoering. In 2021 is hiervoor
45 miljoen voor gemeenten via het Gemeentefonds ter beschikking gesteld. Door middel
van handreikingen en voorbeelden van werkprocessen zullen gemeenten en aanpalende
organisaties worden ondersteund in de implementatie van de Wams.
Binnen het project Dwars door domeinen werken Divosa, gemeenten en het Ministerie
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) aan het oplossen van knelpunten
bij domeinoverstijgende dienstverlening aan kwetsbare inwoners. De opgedane kennis
uit dit lerend stelsel worden in de vorm van bouwstenen voor integrale dienstverlening
gedeeld met andere gemeenten.71
60.
De leden van de PVV-fractie vragen of
het gebruik van vormen van data-analyse met dit wetsvoorstel mogelijk wordt gemaakt?
Kan de regering deze vraag beantwoorden met «ja» of «nee»?
Nee, dit wetsvoorstel maakt hetgebruik van vormen van data-analyse niet mogelijk.
4. VOORGESTELDE REGELING MET BETREKKING TOT DE GECOÖRDINEERDE AANPAK VAN MEERVOUDIGE
PROBLEMATIEK EN VERWERKING VAN PERSOONSGEGEVENS
61.
De leden van de VVD-fractie vragen of door de gedetailleerde beschrijving van definities,
taken en proces er nog ruimte is voor de eigenstandige professionele afweging van
de betreffende onderzoeker en/of hulpverlener om af te wijken van deze kaders.
Er blijft zeker ruimte voor de eigen, professionele afweging van de hulpverleners.
De definities, taken en het proces geven de noodzakelijke duidelijkheid waarmee handelingsverlegenheid
kan worden voorkomen. Binnen de gegeven kaders heeft de onderzoeker alle ruimte voor
zijn professionele afweging op basis van de hulpvraag te maken en een voorstel te
doen voor een gecoördineerde aanpak. Het wetsvoorstel beoogt de wettelijke taak van
een integrale en gecoördineerde aanpak van meervoudige samenhangende problematiek
op het sociaal domein en aanpalende domeinen voor gemeenten te verankeren en van de
benodigde waarborgen te voorzien, in het bijzonder voor wat betreft de verwerking
van persoonsgegevens. Dit moet eraan bijdragen dat inwoners die zich tot de gemeenten
wenden met een ondersteuningsbehoefte beter geholpen kunnen worden, en dat professionals
die al betrokken zijn bij een cliënt waar nodig kunnen komen tot een gecoördineerde
aanpak. Met het oog op zorgvuldigheid en op het wegnemen van handelingsverlegenheid
zijn de beginselen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit in dit
wetsvoorstel uitgewerkt door niet alleen te voorzien in wettelijke taken en grondslagen
voor de gegevensverwerking, maar ook bepaalde procedures te regelen. Daarmee wordt
gewaarborgd dat per stap in het proces alleen de noodzakelijke partijen alleen de
noodzakelijke informatie verwerken (dus niet te veel informatie verwerken) en wordt
handelingsverlegenheid weggenomen (voorkomen dat te weinig informatie wordt gedeeld
uit angst de regels te overtreden). Juist een duidelijke afbakening van taken en processen
geeft voor betrokkenen houvast om daarbinnen de nodige eigenstandige professionele
afwegingen te kunnen maken. Dit wetsvoorstel gaat niet over de inhoud van de te geven
hulp en ondersteuning, maar over het proces om tot een succesvolle gezamenlijke aanpak
te komen bij meervoudige problematiek. Dit maakt juist een casuïstische aanpak mogelijk,
waardoor per cliënt heel goed kan worden bekeken wat voor die ene persoon of het desbetreffende
gezin nodig is.
62.
De leden van de VVD-fractie vragen of de situatie dat een gezinslid instemt met een
onderzoek en daarmee als cliënt zal deelnemen aan het onderzoek, ook geldt in geval
dat gezinslid minderjarig is.
Er is geen speciale regeling omtrent meebeslissen of zelf beslissen door minderjarigen
opgenomen. De normale regels omtrent gezagsuitoefening bij minderjarigen zoals opgenomen
in boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zijn dus van toepassing. In de praktijk zal dit
betekenen dat in overleg met de gezinsleden en afhankelijk van de problematiek die
er speelt, wordt bepaald wie als cliënt zal deelnemen aan het onderzoek. Dit betekent
dat als een gezin om jeugdhulp vraagt en er is aanleiding om een onderzoek naar meervoudige
problematiek te starten, dat de ouders elk hun instemming moeten geven om als cliënt
te worden betrokken in het onderzoek. Als zij dat niet willen, is in zo’n geval een
onderzoek naar meervoudige problematiek niet mogelijk.
In geval het onderzoek leidt tot voorstellen voor het verlenen van hulp of diensten
ten aanzien van de minderjarige, gelden daarbij de bestaande wettelijke regels met
betrekking tot instemming met die hulp. Als een voorstel tot jeugdhulp wordt gedaan
gelden zodoende de regels van artikel 7.3.4 en 7.3.5 van de Jeugdwet. Dit betekent
dat een kind vanaf 16 jaar zelf beslist of het jeugdhulp wil ontvangen en een kind
tussen de 12 en 16 jaar samen met zijn ouders beslist. Logischerwijs wordt in het
licht van deze wettelijke regeling bij het starten van een onderzoek het kind vanaf
die leeftijd ook betrokken bij de vraag of het deelneemt aan het onderzoek naar meervoudige
problematiek.
63.
De leden van de VVD-fractie vragen naar de consequenties indien een onderzoek naar
meervoudige problematiek langer duurt dan de termijn van zes weken.
Met de termijn van zes weken is aangesloten bij de termijn voor een onderzoek naar
de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste
lid, van de Wmo 2015. Als gedurende het onderzoek blijkt dat de casus ingewikkeld
is en de termijn van zes weken vermoedelijk niet gehaald kan worden, zal het college
de cliënt hierover tijdig moeten informeren. Dit staat niet in de wet maar volgt uit
goede omgangsnormen. In artikel 2.3a.2 is geregeld dat het college de cliënt uiteindelijk
informeert over de uitkomsten en conclusies van het onderzoek, en indien van toepassing,
over de gecoördineerde aanpak. Het college moet daarbij aangeven hoe de cliënt de
voorgestelde diensten uit het sociale domein kan verkrijgen. Vanaf dat moment gelden
de termijn voor de te nemen beschikkingen op grond van de diverse wetten uit het sociaal
domein en de mogelijkheid om tegen die beschikkingen in bezwaar te gaan. In het voorgestelde
artikel 2.3.5, tweede lid, wordt geregeld dat als een maatwerkvoorziening deel uitmaakt
van de voorgestelde gecoördineerde aanpak, de beschikking binnen twee weken na het
informeren over de uitkomsten van het onderzoek wordt gegeven indien de cliënt instemt
met het verstrekken van de maatwerkvoorziening.
64.
De leden van de VVD-fractie vragen de regering hoe het vaststellen van de hulpvraag
door een medewerker van de gemeente in de praktijk uit zal werken. Welke medewerkers
van de gemeente zullen de intakes verrichten en worden er handleidingen, trainingen
of richtlijnen samengesteld om de intake op een juiste manier uit te voeren?
Gemeenten hebben beleidsvrijheid in het sociaal domein om te bepalen welke personen
hiervoor worden ingezet. Inwoners kunnen in hun gemeente veelal terecht bij de lokale
teams, de lokale (jeugd)teams, de loketten Werk en Inkomen en andere loketten. Door
middel van handreikingen en voorbeelden van werkprocessen zullen gemeenten en aanpalende
organisaties worden ondersteund in de implementatie van de Wams.
Binnen het project Dwars door domeinen werken Divosa, gemeenten en het Ministerie
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) aan het oplossen van knelpunten
bij domeinoverstijgende dienstverlening aan kwetsbare inwoners. De opgedane kennis
uit dit lerend stelsel worden in de vorm van bouwstenen voor integrale dienstverlening
gedeeld met andere gemeenten.72
65.
Wat wordt bedoeld met «consequenties» in het volgende citaat, vragen de leden van
de VVD-fractie: «als er verschil van inzicht is tussen betrokkene(n) en het college
over de reikwijdte van het onderzoek, dan mag het college vanzelfsprekend aangeven
wat de consequenties kunnen zijn van een beperkte reikwijdte.»
Een onderzoek in samenspraak betekent dat de wens van de cliënt leidend is, maar dat
degene die het onderzoek doet vanuit zijn professionaliteit wel aangeeft wat de invloed
is op de effectiviteit van de te verlenen hulp en het daadwerkelijk kunnen oplossen
van de problemen. Dat hoort bij goed hulpverlenerschap. Aan cliënt wordt dus uitgelegd
wat de eventuele nadelen of beperkingen kunnen zijn van het niet (kunnen) onderzoeken
van bepaalde problematiek. De problematiek die niet wordt meegenomen in het onderzoek,
kan dan niet worden opgelost in samenhang met de problemen die de cliënt wel wil bespreken.
In het uiteindelijke voorstel voor een gecoördineerde aanpak kan zodoende dan ook
geen rekening worden gehouden met deze problemen. De wel geboden diensten of voorzieningen
zijn dan niet afgestemd op de niet onderzochte problemen. Hoe dan ook is samenspraak
het leidende principe als iemand met een hulpvraag komt: in gesprek met de cliënt
wordt de reikwijdte van het onderzoek bepaald.
66.
De leden van de VVD-fractie vragen of het bij ernstige problematiek ook altijd moet
gaan om meervoudige problematiek.
Dat is inderdaad het geval. In het voorgestelde artikel 2.3a.4, eerste lid, is geregeld
onder welke voorwaarden een onderzoek op grond van dat artikel gestart kan worden.
In onderdeel a staat dat er een vermoeden moet zijn dat er sprake is van voortdurende
of terugkerende meervoudige problematiek. In artikel 1.1.1, wordt gedefinieerd wat onder meervoudige problematiek
wordt verstaan.
Omdat het begrip ernstige meervoudige problematiek regelmatig in het wetsvoorstel
wordt gebruikt en het wenselijk is zoveel mogelijk duidelijkheid te geven over wat
ernstige meervoudige problematiek is, wordt bij nota van wijziging voorgesteld om
in artikel 1.1.1 een definitie op te nemen die verwijst naar de criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid, onderdeel a.
67.
In vervolg hierop vragen genoemde leden wat wordt bedoeld met de zinsnede «zo nodig
zonder dat de persoon over wie het gaat instemt met dit onderzoek», ook in het licht
van het advies van de Afdeling op dit punt.
De Afdeling wijst erop dat gelet op het ingrijpende karakter van een onderzoek zonder
toestemming, het onwenselijk zou zijn als te makkelijk tussen de verschillende mogelijkheden
om een onderzoek te starten kan worden geschakeld. De Afdeling gaat hier in op het
feit dat het niet zo zou moeten zijn dat in geval een cliënt afhoudend staat tegenover
hulp en geen verzoek om hulp bij het college wil doen, de professional dan maar zelf
een verzoek indient.
Met een onderzoek zonder toestemming wordt gedoeld op een onderzoek naar ernstige
meervoudige problematiek. In artikel 2.3a.4, eerste lid, zijn de voorwaarden opgenomen
waaraan het college moet toetsen of na een gemotiveerd verzoek van een partij een
onderzoek zal worden gestart zonder een hulpvraag van de desbetreffende cliënt. In
het nader rapport is toegelicht dat deze voorwaarden dermate streng zijn dat van zomaar
schakelen van een onderzoek op verzoek van een cliënt naar een onderzoek waarmee een
cliënt niet vooraf heeft ingestemd, geen sprake kan zijn. De door de leden van de
VVD-fractie aangehaalde zinsnede moet worden gelezen in de context van toetsing aan
de criteria voor ernstige meervoudige problematiek, zoals die worden genoemd in artikel 2.3a.4,
eerste lid. Alleen als aan die voorwaarden wordt voldaan, kan een onderzoek worden
gestart zonder voorafgaande instemming. Wel gelden dan verschillende regels over het
informeren en betrekken van de cliënt.
Zodra het college op basis van de voorwaarden van artikel 2.3a.4, eerste lid, heeft
vastgesteld dat een onderzoek wordt gestart, wordt de cliënt en indien van toepassing
diens vertegenwoordiger en mantelzorger daarover geïnformeerd en zo mogelijk ook betrokken
bij het onderzoek. Tevens wordt gewezen op de mogelijkheid van cliëntondersteuning.
Dit is geregeld in artikel 2.3a.4, derde lid.
68.
De betrokken professional die een verzoek doet voor een onderzoek naar ernstige meervoudige
problematiek moet bij indiening elementen a en b uit artikel 2.3a.4, eerste lid, aannemelijk
maken of onderbouwen, waarbij met betrekking tot bijkomende omstandigheden (sub 1
en 2) ten minste één van beide situaties aannemelijk dient te worden gemaakt. De leden
van de VVD-fractie vragen of van het onderbouwen of het aannemelijk maken van elementen
a en b een voorbeeldcasus kan worden omschreven? Wat moet de betrokken professional
aan kunnen leveren en wie toetst of houdt toezicht op de kwaliteit van het verzoek
en de onderbouwing?
De toetsing of een verzoek tot een onderzoek voldoet aan de vereisten gebeurt door
het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente waar het verzoek aan is
gedaan. Op grond van de Wmo 2015 is het toezicht op de taakuitoefening door het college
belegd bij gemeentelijke toezichthouders op grond van hoofdstuk 6 van die wet. De
betrokken professional mag in de onderbouwing van het verzoek alleen die informatie
opnemen, die relevant en noodzakelijk is om het college in staat te stellen de beoordeling
op grond van de criteria in artikel 2.3a.4 te doen. Per criterium van artikel 2.3a.4,
eerste lid, moet de partij die een verzoek indient bij het college een onderbouwing
geven.
Het verwerken en verstrekken van de noodzakelijke gegevens ten behoeve van een onderzoek
naar (ernstige) meervoudige problematiek, is geregeld in de artikelen 5.4.1 en 5.4.2
van het wetsvoorstel. Naar aanleiding van deze vraag van de leden van de VVD-fractie,
stel ik voor bij nota van wijziging in deze artikelen ook duidelijke grondslagen op
te nemen om noodzakelijke gegevens te verstrekken voor het doen van een gemotiveerd
verzoek aan het college en voor het college om dit verzoek aan de hand van de noodzakelijke
gegevens te kunnen beoordelen.
Ter illustratie geef ik hier zes voorbeeldcasus waarbij sprake is van mogelijke ernstige
meervoudige problematiek. De eerst vier casus voldoen aan de vereisten van artikel 2.3a.4
om te komen tot een onderzoek. De vijfde en zesde casus zijn voorbeelden van een verzoek
dat niet leidt tot een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek.
Voorbeeldcasus 1 – Huiselijk geweld
Een man meldt zich bij de gemeente voor huishoudelijke hulp op grond van de Wmo 2015.
Een Wmo-consulent voert een keukentafelgesprek. De woning is ernstig vervuild en er
is stankoverlast. De cliënt geeft aan dat de buren hierover klagen bij de woningcorporatie
en hij vertelt dat de woningcorporatie heeft gedreigd met een huisuitzetting vanwege
flinke huurachterstanden. Hij geeft aan dat zijn inkomsten komen uit een uitkering
op basis van de Participatiewet en de AOW-uitkering van zijn inwonende vader. De vader
oogt hulpbehoevend en komt niet goed uit zijn woorden. Op de vraag of de vader hulp
krijgt – mogelijk heeft hij recht op een Wlz-indicatie voor zorg – antwoordt de man
dat hij zijn vader helpt en er verder niets nodig is. Dan komt er ook een kind binnen
en de Wmo-consulent constateert dat het kind er onverzorgd uitziet en blauwe plekken
heeft. Op de vraag waarom het kind niet op school is, komt een ontwijkend antwoord.
De cliënt zegt nu echt genoeg te hebben van het bezoek en geeft aan echt alleen huishoudelijke
hulp (Wmo 2015) te willen vragen en géén behoefte te hebben aan verdere ondersteuning.
De Wmo-consulent doet op grond van de meldcode een melding bij Veilig Thuis omdat
hij van mening is dat sprake is van een onveilige situatie voor zowel het kind als
de vader van de betrokkene. Uit het onderzoek van Veilig Thuis blijkt dat de vader
door de betrokkene mogelijk financieel wordt uitgebuit, vermoedelijk voor het afbetalen
van schulden. Veilig Thuis constateert verder dat het kind wordt verwaarloosd. Dat
komt mogelijk doordat de betrokkene vanwege de zorgen om schulden en ruzie met buren
onvoldoende aan het opvoeden van zijn zoon toe komt. Op basis van deze bevindingen
dient Veilig Thuis een verzoek in bij het college op grond van artikel 2.3a.4 voor
een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek. Het college toetst dit verzoek
aan de criteria voor ernstige meervoudige problematiek:
− Er is sprake van meervoudige problematiek (mogelijk huiselijk geweld, aanvraag huishoudelijke
hulp, inkomsten uit een uitkering op grond van de Participatiewet, schuldenproblematiek,
vervuiling, overlast voor de buurt, het niet voldoen aan de leerplicht en mogelijk
noodzaak tot het bieden van jeugdhulp). Betrokkene accepteert geen hulp voor het oplossen
van die problematiek en een lage kwaliteit van leven en welzijn van het gezin lijkt
aan de orde.
− De omgeving van betrokkene ervaart overlast of problemen (art. 2.3a.4, eerste lid,
onderdeel a, onder 1):De buurt ervaart stankoverlast door de woningvervuiling. De
vader en het kind van de man lijken ook in de problemen te zitten door het gedrag
van de man.
− De veiligheid van personen is in het geding (art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel a,
onder 2): Veilig Thuis heeft vastgesteld dat in deze situatie de veiligheid van zowel
de vader als de zoon van de man in gevaar is.
− Een gecoördineerde aanpak kan helpen bij het oplossen of verminderen van de problematiek
(art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel b). Veilig Thuis heeft geconstateerd dat de uitbuiting
van vader en de verwaarlozing van zoon (waarschijnlijk) samenhangen met de schuldenproblematiek,
de woningvervuiling en de verstoorde relatie met de buurt en de woningcorporatie.
In het onderzoek op grond van art. 2.3a.4, tweede lid, kan het college onderzoeken
welke hulpverlening loopt of heeft gelopen, of de man of zijn vader bekend zijn bij
schuldhulpverlening en of er eerder zorg vanuit de Wmo of de Wlz aan vader is verleend.
Bij de woningcorporatie kan worden geïnformeerd over de situatie en bij de wijkagent
over de overlast voor de buurt, en met de GGD kan contact worden gelegd in verband
met de woningvervuiling. Jeugdhulpverlening en leerplicht kunnen worden betrokken
in verband met de zorg voor het kind. Het college kan een casusoverleg beleggen met
betrokken partijen om gezamenlijk tot een goed beeld te komen voor dit onderzoek en
de betrokken cliënten worden daarin zoveel als mogelijk meegenomen en uitgenodigd
voor het gesprek. Ook wordt cliëntondersteuning aangeboden (art. 2.3a.4, derde lid).
Op basis van het onderzoek kan het college een gecoördineerde aanpak voorstellen waarin
de hulp en activiteiten van de diverse partijen op elkaar zijn afgestemd. Dit biedt
de mogelijkheid om toe te werken naar duurzame oplossingen voor dit gezin. De gecoördineerde
aanpak en de daarin voorgestelde hulp kan alleen worden gestart als de cliënten de
gecoördineerde aanpak aanvaarden. Eventuele interventies die onderdeel zijn van de
voorgestelde gecoördineerde aanpak kunnen wel worden ingezet zonder instemming van
de cliënt. In deze casus zou het dan kunnen gaan om verplichte jeugdhulp, inzet van
de leerplichtambtenaar en Veilig Thuis en een beroep op de Wet aanpak woonoverlast
(art. 151d Gemeentewet).
Voorbeeldcasus 2 – Woonoverlast
Een mevrouw woont op een galerijflat. Ze is alcoholverslaafd en zorgt al jaren regelmatig
voor veel geluidsoverlast. Ze gooit lege flessen en vuilniszakken vanaf de galerij
naar beneden of staat op de galerij tegen buren te schreeuwen. Als mevrouw niet te
dronken is, is ze zachtaardig en behulpzaam. De buren hebben regelmatig hun zorgen
geuit en geklaagd bij de woningcorporatie en bij de wijkagent over de overlast en
onveiligheid als ze spullen naar beneden gooit. De buren willen graag dat ze geholpen
wordt. De woningcorporatie ziet regelmatig een vertraagde huurbetaling en vermoedt
schulden. Daarnaast vermoedt de woningcorporatie op basis van de contacten met mevrouw
dat er sprake is van LVB-problematiek. De vrouw weigert pertinent op suggesties van
de woningcorporatie om meer hulp te vragen en ze geeft aan geen behoefte te hebben
aan hulp. Na aanhoudende klachten, oplopende huurachterstand en weigeringen van mevrouw,
verzoekt de woningcorporatie het college om een onderzoek op grond van art. 2.3a.4,
eerste lid. Het college toetst dit verzoek aan de criteria voor ernstige meervoudige
problematiek:
− Er is sprake van meervoudige problematiek die al langere tijd aanhoudt (verslavingsproblematiek,
vermoeden van schuldenproblematiek, vermoeden van LVB, overlast voor de buurt).
− De vrouw accepteert geen hulp voor het oplossen van die problematiek.
− De omgeving van de vrouw ervaart voortdurend en steeds terugkerende overlast (art.
2.3a.4, eerste lid, onderdeel a, onder 1): de geluidsoverlast, de vervuiling van de
omgeving en het geschreeuw tegen buren. De veiligheid van personen lijkt niet direct
in het geding, hoewel het naar beneden gooien van afval soms gevaarlijke situaties
kan opleveren. Aan het vereiste van onderdeel 2 is niet met zekerheid voldaan, maar
het is voldoende dat aan één van beide criteria wordt voldaan.
− Een gecoördineerde aanpak kan bijdragen aan het oplossen of verminderen van de problematiek
(art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel b). De inzet van schuldhulpverlening samen met
de inzet van verslavingszorg kan wellicht het alcoholgebruik van mevrouw terugdringen,
waardoor vermoedelijk ook de overlast die zij in de buurt veroorzaakt zal afnemen.
In een onderzoek op grond van art. 2.3a.4, tweede lid, kan het college nagaan of mevrouw
bekend is bij schuldhulpverlening, bij verslavingszorg of bij maatschappelijk werk
(Wmo 2015). De gemeente kan de wijkagent vragen naar de overlast en wat mogelijk kan
bijdragen om die overlast te beperken. Ook kan het college in overleg treden met de
huisarts in verband met het vermoeden van de licht verstandelijke beperking en de
vraag hoe deze mevrouw het beste benaderd kan worden om haar succesvol te kunnen helpen.
Op grond van artikel 5.4.2, tweede lid, zoals dat nu in de nota van wijziging is geformuleerd,
zal de huisarts alleen met toestemming van vrouw met het college overleggen. Omdat
de huisarts zijn patiënt goed kent, kan hij in deze casus mogelijk bijdragen aan het
aanvaarden van hulp. Op grond van artikel 5.4.3, kan het college in het kader van
het onderzoek ook een casusoverleg houden waarvoor de wijkagent, een deskundige van
verslavingszorg, de schuldhulpverlening en maatschappelijk werk worden uitgenodigd
om te bespreken welke hulp zou kunnen worden ingezet. Ook de huisarts zou – na toestemming
– kunnen deelnemen. Naar aanleiding van het onderzoek kan het college vrijwillige
hulp (verslavingszorg, schuldhulpverlening, huishoudelijke hulp en begeleiding) aanbieden
en een gecoördineerde aanpak organiseren zodat ook de huisarts en de wijkagent betrokken
kunnen blijven en zo nodig extra hulp en ondersteuning kunnen bieden.
Voorbeeldcasus 3 – Verward en onbegrepen gedrag
Een volwassen jongeman vertoont met enige regelmaat psychotisch gedrag. Hij heeft
dan hallucinaties en wanen. Hij gebruikt regelmatig softdrugs, die de wanen verergeren.
In zijn wanen vlucht hij vaak het nabijgelegen bos in, waar hij dan in een tent slaapt
«om zich te verschuilen voor zijn buren die achter hem aan zitten». In het bos schreeuwt
hij naar wandelaars die hiervan schrikken en dit melden bij de wijkagent. De wijkagent
heeft een goede relatie met de man en kan hem regelmatig kalmeren en weer overreden
naar huis terug te gaan. De man is in behandeling bij de GGZ en krijgt medicatie.
Als hij zijn medicatie neemt en niet blowt heeft hij minder last van zijn psychoses.
De wijkagent gaat regelmatig bij hem langs om te kijken of alles nog goed gaat en
probeert hem te bewegen meer hulp te vragen, bijvoorbeeld individuele begeleiding
of hulp voor zijn drugsverslaving. De man wil liever geen hulp vragen omdat hij, zoals
hij dat zelf zegt «dat niet kan overzien», maar zegt wel graag een andere woonplek
te willen «om verlost te zijn van zijn enge buren». De man neemt geen initiatief.
De man is bij de gemeente bekend omdat hij een uitkering op grond van de Participatiewet
ontvangt. De wijkagent verzoekt het college om een onderzoek op grond van art. 2.3a.4,
eerste lid. Het college toetst dit verzoek aan de criteria voor ernstige meervoudige
problematiek:
− Er is sprake van meervoudige problematiek (GGZ-problematiek, middelengebruik, overlast,
een uitkering op grond van de Participatiewet) en de situatie leidt tot een lage kwaliteit
van leven en welzijn van de man.
− De man vraagt geen hulp voor het oplossen van die problematiek.
− De omgeving van de man ervaart voortdurend en steeds terugkerende overlast (art. 2.3a.4,
eerste lid, onderdeel a, onder 1): de buren ervaren overlast omdat de man hen wantrouwt
en soms bedreigt, de wandelaars in het bos ervaren overlast omdat zij schrikken van
het gedrag van de man.
− De veiligheid en gezondheid van de jongeman zelf is in gevaar. (art. 2.3a.4, eerste
lid, onderdeel a, onder 2). – Een gecoördineerde aanpak kan helpen bij het oplossen
of verminderen van de problematiek (art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel b). De inzet
van individuele begeleiding kan de jongeman helpen om regelmatig zijn medicatie te
nemen en niet te blowen. Een nieuwe prikkelvrije woning (eventueel begeleid wonen)
kan helpen in het terugdringen van de wanen en zijn angst voor de omgeving.
In het onderzoek op grond van art. 2.3a.4, tweede lid, kan het college nagaan of de
jongeman bekend is bij verslavingszorg. De gemeente kan een overleg organiseren met
de wijkagent en de GGZ over de beste oplossing voor de jongeman. De gemeente kan overleggen
met een woningcorporatie over een passende woning of met maatschappelijke zorg over
begeleid wonen.
De GGZ-hulpverlener zal op grond van toestemming van de man kunnen overleggen over
de situatie en de inzet van hulp. De GGZ-hulpverlener zal dan geen informatie verstrekken
over de diagnose, de behandeling of de medicatie, omdat dat voor het vinden van een
passende woonruimte geen noodzakelijke gegevens zijn. De GGZ-hulpverlener kan wel
een advies geven over waar een goede, prikkelvrije woonomgeving voor deze cliënt aan
moet voldoen en waaraan persoonlijke begeleiding van de man moet voldoen.
Zonder toestemming kan de GGZ-hulpverlener enkel informatie delen als hij in een «conflict
van plichten» komt; gewetensnood als men zich aan de geheimhoudingsplicht houdt, terwijl
een ander concreet belang zwaarder weegt en omdat hij met het doorbreken van de zwijgplicht
een ernstig nadeel voor de patiënt of voor een andere persoon kan voorkomen73.
Voorbeeldcasus 4: Veiligheidsplan gespecialiseerd team bij Huiselijk geweld
De politie heeft bij Veilig Thuis een melding huiselijk geweld gedaan. De buren hadden
de politie gebeld naar aanleiding van het zoveelste incident bij de man en vrouw.
Er zijn eerder meldingen geweest, die na een veiligheidsbeoordeling door Veilig Thuis
in overleg met het paar steeds niet zijn doorgezet. Zij gaven aan zelf hulp te willen
zoeken om hun problemen op te lossen en herhaling te voorkomen. De laatste keer heeft
Veilig Thuis de melding overgedragen aan het lokale team van de gemeente met de vraag
een veiligheidsplan op te stellen. Een veiligheidsplan wordt opgesteld met de mensen
die het betreft en betrokken professionals en waar mogelijk met het informele sociale
netwerk van deze mensen en is gericht op het werken aan duurzame veiligheid in situaties
van Huiselijk Geweld, gebaseerd op de visie «Gefaseerd samenwerken aan veiligheid»74 van het programma Geweld hoort nergens thuis. De uitvoering van het veiligheidsplan
is vastgelopen omdat een aantal van de bij de hulpverlening betrokken partijen geen
toestemming kreeg van het paar om gegevens te delen ten behoeve van het veiligheidsplan.
Daardoor komt de samenwerking tussen betrokken partijen om tot een verbetering van
de veiligheidssituatie te komen, niet van de grond.
Naar aanleiding van de melding door de politie is Veilig Thuis opnieuw een onderzoek
gestart. Het onderzoek van Veilig Thuis wijst uit dat er veel meer speelt dan bij
de eerdere meldingen boven kwam. Er sprake is van problemen op meerdere gebieden,
namelijk werk, schulden, psychische problematiek, en bovenmatig drankgebruik. De problemen
leiden tot stress tussen de man en de vrouw. De frustraties lopen regelmatig hoog
op. En als beiden hebben gedronken escaleert de situatie. Er wordt gegooid met flessen
en de vrouw wordt ernstig mishandeld. Zij weigert echter aangifte te doen. Om de eerste
directe veiligheid te waarborgen stelt Veilig Thuis veiligheidsvoorwaarden op en omdat
Veilig Thuis weet dat de man en vrouw eerdere keren geen toestemming verleenden aan
zorgverleners om informatie te delen ten behoeve van het veiligheidsplan, doet Veilig
Thuis een beroep op de bevoegdheid van het college op grond van artikel 2.3a.4 van
de Wams. Veilig Thuis moet bij dit verzoek onderbouwen dat mogelijk sprake is van
ernstige meervoudige problematiek en het college toetst het verzoek aan deze criteria:
− Er is sprake van voortdurende meervoudige problematiek (schulden, werk, psychische
problematiek, bovenmatig drankgebruik).
− Betrokken lijken steeds hulp te accepteren, maar verlenen vervolgens geen medewerking
om tot een veiligheidsplan te komen dat moet bijdragen aan duurzame veiligheid. Dit
is een terugkerend patroon.
− Er zijn geen meldingen van overlast door de buurt, maar de buren hebben meerdere keren
de politie gebeld bij incidenten tussen de man en de vrouw.
− De veiligheid en gezondheid van met name de vrouw is in gevaar. (art. 2.3a.4, eerste
lid, onderdeel a, onder 2)
− Een gecoördineerde aanpak kan helpen bij het oplossen of verminderen van de problematiek
(art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel b). Door de gecoördineerde aanpak wordt het mogelijk
om activiteiten van de hulpverlening beter op elkaar af te stemmen en periodiek een
risicoanalyse te maken.
Op basis van artikel 2.3a.4, tweede lid, gaat het team complexe casuïstiek en huiselijk
geweld namens het college een onderzoek doen. Een medewerker zoekt contact met het
paar, informeert hen over de stappen die het team gaat zetten en welke partijen daarbij
worden betrokken. Er wordt met de betrokken partijen een casusoverleg gehouden om
tot een voorstel voor een gecoördineerde aanpak te komen waar het veiligheidsplan
onderdeel van is. De man en vrouw worden uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn. Het
voorstel voor de gecoördineerde aanpak bevat het plan voor het op elkaar afstemmen
van de betrokken hulpverlening. Ook worden afspraken gemaakt over terugvalsignalen
en hoe daarbij te handelen.
Voorbeeldcasus 5 – Sociaal isolement
Een man leidt een teruggetrokken bestaan en heeft een bijstandsuitkering. Hij is een
stevige drinker. De woningcorporatie vermoedt schulden, maar de man wil daar niets
over zeggen. De huur en het gas-water-licht worden soms iets te laat, maar uiteindelijk
altijd wel betaald. De man keert zich af van de maatschappij en wil zo min mogelijk
met de overheid te maken hebben. Er is vervuiling in het huis, maar niet zo ernstig
dat de buurt er last van heeft. Zijn volwassen kinderen zijn erg bezorgd over hun
vader, maar krijgen niet meer goed contact met hem en hebben de woningcorporatie gevraagd
om wat extra op hem te letten. Ook mensen in de buurt hebben aangeboden hem te willen
helpen, maar de man weigert dat stelselmatig. De man bemoeit zich niet met zijn omgeving,
hij veroorzaakt geen overlast, en hij eist dat de omgeving hem ook met rust laat.
Daarom doet hij soms boos tegen mensen die hem proberen te helpen en sommige kinderen
in de buurt zijn bang van hem. De woningcorporatie doet op basis van de zorgen over
de man een verzoek aan het college om een onderzoek te doen op grond van art. 2.3a.4,
eerste lid. Het college toetst dit verzoek aan de criteria voor ernstige meervoudige
problematiek:
− Er is sprake van meervoudige problematiek (Participatiewet, vereenzaming, alcoholgebruik,
vervuiling, mogelijk schulden).
− Betrokkene accepteert geen hulp voor het oplossen van die problematiek.
− Er is geen sprake van langdurige hinder of overlast voor de omgeving. Aan het vereiste
van art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel a, onder 1, is dus niet voldaan.
− Er is ook geen direct risico voor de veiligheid van de man of zijn omgeving. Aan het
vereiste van art. art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel a, onder 2, is dus ook niet voldaan.
De eenzaamheid en het sociaal isolement is door de man zelf verkozen.
− Hoewel een gecoördineerde aanpak wellicht kan helpen bij het oplossen of verminderen
van de problematiek (art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel b), leidt de toetsing aan
de overige criteria voor ernstige meervoudige problematiek ertoe, dat het college
na de toetsing van het verzoek van de woningcorporatie geen grond ziet voor een onderzoek
naar ernstige meervoudige problematiek omdat aan onderdeel 1 of onderdeel 2 van art.
2.3a.4, eerste lid niet wordt voldaan.
Voorbeeldcasus 6 – Complexe gezinsproblematiek
In een gezin, waarvan de moeder is overleden, probeert een vader naast zijn drukke
baan te zorgen voor zijn twee minderjarige kinderen en een meerderjarige zoon. Betrokken
hulpverleners zien aanhoudende problemen. De Leerplichtambtenaar is betrokken omdat
er sprake is van structureel schoolverzuim van de twee minderjarige kinderen. Voor
deze kinderen is ook jeugdhulp ingezet. Veilig Thuis is betrokken omdat er meldingen
zijn gedaan door de buren van vermoedens van kindermishandeling. Tegen de oudste zoon
loopt een politieonderzoek vanwege mogelijke betrokkenheid bij criminele activiteiten.
De vader accepteert hulp, maar heeft wel duidelijke ideeën over welke hulp wel of
niet nodig is en is het niet altijd eens met hetgeen het lokale team nodig acht. Hij
bezoekt af en toe een psycholoog. Naar aanleiding van een melding bij Veilig Thuis
heeft de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek gedaan naar de noodzaak van een
kinderbeschermingsmaatregel. De Raad komt tot de conclusie dat er op dit moment geen
reden is om aan te nemen dat de veiligheid van de minderjarige kinderen in het geding
is. Een van de betrokken jeugdhulpverleners maakt zich toch zorgen over de kinderen
en de thuissituatie en vindt het nodig dat er een gecoördineerde aanpak komt. De jeugdhulpverlener
doet daarom een gemotiveerd verzoek bij het college op grond van art. 2.3a.4, eerste
lid. Het college toetst dit verzoek aan de criteria voor ernstige meervoudige problematiek.
Ondanks dat er in deze casus veel aan de hand is, concludeert het college dat er geen
grond is voor een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek:
− Er is wel sprake van meervoudige problematiek (opvoedproblemen, jeugdhulp, schoolverzuim,
vermoeden van criminaliserend gedrag door de zoon, psychische problematiek).
− De vader accepteert alleen hulp die hij zelf nodig vindt.
− Er is geen langdurige overlast of hinder voor de omgeving. Aan art. art. 2.3a.4, eerste
lid, onderdeel a, onder 1, is niet voldaan.
− De jeugdhulpverlener signaleert risico’s voor de veiligheid van de minderjarige kinderen,
maar Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming zijn betrokken en zien op dit
moment geen reden om verder in te grijpen. Er zijn op dit moment geen nieuwe of nog
niet geadresseerde veiligheidsrisico’s voor leden in het gezin. Aan art. art. 2.3a.4,
eerste lid, onderdeel a, onder 2, is niet voldaan.
− Een gecoördineerde aanpak zou wellicht kunnen helpen om de problemen in het gezin
beter op te lossen, maar niet op basis van een onderzoek als bedoeld in art. 2.3a.4,
omdat aan art. 2.3a.4, eerste lid, onderdeel a, onder 1 en 2 allebei niet is voldaan.
Wel kan de gemeente contact zoeken met de vader om met hem te bespreken of hij open
staat voor een gecoördineerde aanpak op grond van art. 2.3a.1. Dat onderzoek wordt
dan gedaan in samenspraak met de vader en de kinderen aan de hand van hun eigen hulpvragen.
Als de vader dit niet wil zal de in gang gezette hulpverlening los van elkaar doorlopen.
Indien er indicaties zijn dat de situatie verslechtert, of als zich bijvoorbeeld een
geweldsincident voordoet, kunnen Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming
opnieuw ingeschakeld worden. Zij zullen daarin de eerdere meldingen betrekken, en
kunnen indien nodig alsnog een beroep doen op het college om tot een gecoördineerde
aanpak te komen.
69.
Kan toegelicht worden wat er gebeurt indien de cliënt niet instemt met een gecoördineerde
aanpak, vragen de leden van de VVD-fractie.
In artikel 2.3a.2, eerste lid is geregeld dat de cliënt wordt geïnformeerd over de
uitkomsten van het onderzoek en de voorgestelde gecoördineerde aanpak. Dit geldt zowel
in de situatie dat een onderzoek naar meervoudige problematiek is gedaan in samenspraak
met de cliënt (art. 2.3a.1) als in geval een onderzoek is gedaan naar ernstige meervoudige
problematiek (art. 2.3a.4) waarbij het van de situatie afhangt in hoeverre het is
gelukt om de cliënt bij het onderzoek te betrekken.
Voor alle in de het voorstel voor een gecoördineerde aanpak voorgestelde hulp en diensten
geldt dat het de keuze van de cliënt is die al dan niet te aanvaarden. Het kan ook
zijn dat bepaalde interventies onderdeel zijn van de gecoördineerde aanpak. Het gaat
dan om op hulp gerichte maar niet vrijwillige maatregelen als kinderbeschermingsmaatregelen,
(jeugd)reclassering, of inburgering. Als dat het geval is zal soms meer geduld en
uitleg nodig zijn waarom het goed en zinvol is voor het slagen van de hulp, dat die
interventies deel uit maken van de voorgestelde aanpak. Als een cliënt slechts een
deel van de voorgestelde aanpak aanvaardt heeft dat uiteraard gevolgen voor de gecoördineerde
aanpak. Die kan dan niet of slechts ten dele van de grond komen. Als het onderzoek
naar de meervoudige problematiek goed in samenspraak met de cliënt wordt uitgevoerd,
zouden de conclusies van het onderzoek en het voorstel voor de gecoördineerde aanpak
geen verrassingen hoeven te bevatten. Op verzoek van de cliënt kunnen gaandeweg aanpassingen
worden gedaan. Het zal van het gemeentelijk beleid afhangen hoe met dergelijke situaties
wordt omgegaan en tot een passend hulpaanbod wordt gekomen.
Voor een gecoördineerde aanpak op basis van een onderzoek naar ernstige meervoudige
problematiek naar aanleiding van een verzoek van een betrokken partij, kan aanvaarding
van de voorgestelde hulp lastiger liggen. De cliënt heeft in eerste instantie meestal
niet om hulp gevraagd. Hier zullen de betrokken professionals op basis van de situatie
en de persoon die het betreft moeten inschatten hoe en op welk moment de cliënt bij
het onderzoek wordt betrokken en hoe hij uiteindelijk overtuigd kan worden in zijn
belang de voorgestelde hulp te aanvaarden. De conclusie van het onderzoek naar ernstige
meervoudige problematiek kan ook zijn dat, vanwege de omstandigheden van de cliënt,
het inzetten op een gecoördineerde aanpak geen kans van slagen heeft.
70.
De leden van de VVD-fractie vragen nader toe te lichten dat in geval een van de betrokkenen
bij de cliënt zorg wil dragen voor de coördinatie er geen sprake is van een gecoördineerde
aanpak waarvoor het college verwerkingsverantwoordelijke is, en daarbij in te gaan
hoe het hulptraject er in zo’n geval in de praktijk uitziet.
In sommige situaties is de cliënt, of zijn vertegenwoordiger of mantelzorger goed
in staat zelf de coördinatie op zich te nemen. Te denken valt dan aan ouders van een
meervoudig gehandicapt kind, of de mantelzorger van iemand die dementerend is. De
cliënt en zijn naasten zijn voldoende geholpen doordat tijdens het onderzoek de problematiek
duidelijker is geworden alsmede hoe de verschillende diensten die hij nodig heeft
op elkaar kunnen worden afgestemd.
Op grond van artikel 2.3a.3, tweede lid, kunnen een cliënt, of een vertegenwoordiger
van de cliënt in zo’n geval kenbaar maken dat zij zelf of een betrokken gezinslid
of mantelzorger zorg willen dragen voor de coördinatie van de diensten die naar aanleiding
van het onderzoek worden voorgesteld. Als het college tot de conclusie komt dat coördinatie
«onder eigen regie» kan plaatsvinden en niet zal leiden tot nieuwe problemen, dan
volgt geen gecoördineerde aanpak onder verantwoordelijkheid van het college. Het college
wijst in zo’n geval dan ook geen coördinator aan, zoals bepaald in artikel 2.3a.3,
derde lid. De coördinatie «onder eigen regie» houdt namelijk in dat de cliënt, vertegenwoordiger
of mantelzorger, zelf zorgt voor de benodigde afstemming met betrokken partijen, op
basis van de op grond van artikel 2.3a.2, eerste lid, door het college verstrekte
informatie. De verwerking van gegevens door de cliënt, vertegenwoordiger of mantelzorger
die zelf coördineert, valt binnen het privédomein. De AVG is dan niet van toepassing.
Daarom kan in zo’n geval geen sprake zijn van een gecoördineerde aanpak waarvoor het
college verantwoordelijkheid draagt. De bij de hulpverlening betrokken professionals
dienen uiteraard altijd te werken volgens de voor hun geldende regels voor verwerking
van persoonsgegevens.
71.
Bij de leden van de VVD-fractie blijven zorgen over de vertrouwelijkheid en geheimhouding
in de professionele hulpverleningsrelatie. Het gaat dan met name om die beroepen (maatschappelijk
werkers, sociaal werkers etc.) waarbij het beroepsgeheim niet wettelijk geregeld is,
maar de plicht tot geheimhouding wel degelijk essentieel is in de verhouding met de
cliënt. Hoe garandeert de regering de vertrouwelijke positie en de autonome afwegingen
van deze professionals? Deze leden vragen de regering ook nadrukkelijk in te gaan
op de positie van deze professionals als zij feitelijk in dienst zijn van de gemeente
(«het college») en de belangentegenstelling en dilemma’s die hierdoor zou kunnen ontstaan.
De regering is het met de leden van de VVD-fractie eens dat de vertrouwelijkheid en
geheimhouding binnen de professionele hulpverleningsrelatie van essentieel belang
zijn.
Als het college op grond van artikel 5.4.2, eerste lid, vraagt om gegevens te verstrekken
voor een onderzoek naar meervoudige problematiek, zal het college moeten aangeven
waarom die gegevens noodzakelijk zijn. Voor het verstrekken van gegevens die niet
noodzakelijk zijn, is sowieso geen grondslag. De verstrekkende partij moet daarom
ook zelf die noodzaak beoordelen. De uitkomst van die beoordeling kan bijvoorbeeld
zijn dat er wel noodzaak is om enige gegevens te verstrekken, maar niet alle gegevens
die het college vraagt. Daarnaast toetst iedere partij aan wie op grond van artikel 5.4.2,
eerste lid, gegevens worden gevraagd, of er geen zwaarwegende redenen zijn die zich
tegen verstrekking verzetten. Dit kan de vertrouwensrelatie met de cliënt zijn, bijvoorbeeld
als de hulpverlener van oordeel is dat de net opgebouwde vertrouwensrelatie met de
cliënt onder druk zou komen te staan en de hulpverlening daardoor (weer) zou kunnen
vastlopen. Dit wetsvoorstel biedt zodoende ook voldoende waarborgen aan partijen die
werken op basis van een beroepscode. Het zal vaak voldoende zijn om de informatie
te verstrekken dat de cliënt bij een bepaalde hulpverlener komt, zonder dat iets bekend
wordt gemaakt over de inhoudelijke reden dat de cliënt deze hulpverlener bezoekt.
Deze zogenaamde «dat» informatie kan relevant zijn voor het onderzoek naar meervoudige
problematiek, terwijl meer inhoudelijk informatie (zogenaamde «wat» informatie) vaak
niet of in slechts zeer beperkte mate noodzakelijk is.
Een ander punt dat de leden van de VVD-fractie hier opwerpen, is het zogenaamde «pettenvraagstuk».
Dat is niet nieuw naar aanleiding van de Wams maar speelt ook nu al bij de uitvoering
van de wetten in het sociaal domein. Toeleiding naar zorg of ondersteuning en het
verlenen van bepaalde zorg of ondersteuning is bij veel gemeenten belegd bij een lokaal
team. Het vraagstuk hoe beide rollen goed en op de juiste manier van elkaar gescheiden
te vervullen, wordt uiteengezet in een handreiking over het pettenvraagstuk75. Hieraan hebben beroepsorganisaties van professionals in het sociaal domein meegewerkt.
Voor professionals die feitelijk in dienst zijn van gemeenten is het met name van
belang dat zij weten welke rol en taak (toeleiding naar hulp namens het college of
feitelijke hulpverlening) zij uitoefenen en hoe dat zich verhoudt tot een eventueel
beroepsgeheim. Alleen dan kunnen zij weten wat er wel en niet kan en mag met betrekking
tot het verwerken en uitwisselen van persoonsgegevens. Betrokken organisaties zoals
gemeente, wijkteamorganisatie en aanbieders moeten goede afspraken maken over de taken
die zij bij de professional neerleggen en de betekenis daarvan voor de gegevensverwerking.
De genoemde handreiking over het «pettenvraagstuk» geeft wijkteamorganisaties inzicht
in de keuzes die zij kunnen maken en de consequenties van die keuzes voor de gegevensverwerking.
72.
De leden van de VVD-fractie lezen dat het in zeer beperkte gevallen niet mogelijk
of wenselijk zal zijn om toestemming van een cliënt te verkrijgen terwijl het doorbreken
van de geheimhoudingsplicht wel noodzakelijk is. Hiertoe is een aparte regeling opgenomen
in het wetsvoorstel. De leden van de VVD-fractie vragen de regering waarom de huidige
wettelijke kaders rondom geheimhoudingsplicht niet volstaan.
Het beroepsgeheim is in het kader van toegankelijkheid van zorg een groot goed. De
bepalingen in de Wams over gegevensverwerking zijn zo ingericht, dat zowel de partij
die bepaalde gegevens vraagt, als de partij die die gegevens verstrekt, moet kunnen
onderbouwen dat het om noodzakelijke gegevens gaat.
Professionals zijn nauw betrokken bij hun cliënten en kunnen zodoende vaak heel goed
een inschatting maken van de situatie. Professionals zijn zich ook zeer bewust van
de vertrouwensband die ze met een cliënt hebben en van de eisen die het beroepsgeheim
aan hen stelt. Het college mag op grond van artikel 5.4.2 vragen om gegevens die onder
het beroepsgeheim vallen, maar moet de noodzakelijkheid van die gegevens kunnen onderbouwen.
Het is niet voldoende als het college vraagt gegevens te verstrekken, omdat die nodig
zijn voor een onderzoek naar meervoudige problematiek, die vraag is veel te breed.
De onderbouwing van de noodzaak moet gaan over specifieke gegevens betrekking hebbend
op een specifieke casus.
De professional heeft de plicht om bij een verzoek om informatie een volledig eigen
afweging te maken of en zo ja welke gegevens verstrekt zouden moeten worden. Die toets
op noodzakelijkheid geldt ook als de cliënt toestemming geeft om gegevens te verstrekken.
Het (medisch) beroepsgeheim is van groot belang voor de vrije toegankelijkheid van
zorg. Omdat de regels rond het beroepsgeheim boven elke twijfel verheven moeten zijn,
en de nu in het wetsvoorstel opgenomen bepaling daarover te veel vragen oproept, stel
ik bij nota van wijziging een nieuw artikel 5.4.2, tweede lid, voor. De nieuwe tekst
van dit artikel is gebaseerd op artikel 2.29, tweede lid, van de Wet gegevensverwerking
door samenwerkingsverbanden, die van toepassing is voor het delen van gegevens in
Zorg- en Veiligheidshuizen. In dat artikel is wel de uitzondering opgenomen om zonder
toestemming of wettelijke plicht gegevens te verstrekken op grond van goed hulpverlenerschap.
Aangezien de Afdeling advisering van de Raad van State in het advies over de Wams
heeft geoordeeld dat dit een criterium is dat zorgverleners onvoldoende houvast biedt,
stel ik voor die uitzonderingsgrond niet op te nemen in artikel 5.4.2, tweede lid.
Het streven is verder dat de diverse beroepsorganisaties door middel van voorlichting
en het zo nodig aanpassen van richtlijnen en handreikingen aan professionals handvatten
gaan bieden voor het handelen bij een verzoek om gegevens in verband met een onderzoek
naar meervoudige problematiek. Daarbij moet aandacht zijn voor de mogelijkheden om
beroep te doen op een vertegenwoordiger, en bij een vraag om gegevens bij ernstige
meervoudige problematiek, hoe en met welke collegiale toetsing een goede inschatting
kan worden gemaakt van de situatie en als gegevens worden verstrekt, op het inzetten
op zo minimaal mogelijk verstrekken van gegevens. Gemeenschappelijke kaders kunnen
een individuele hulpverlener helpen om in een specifieke casus tot een afweging te
komen. Ditzelfde geldt voor medewerkers van een lokaal team die namens het college
onderzoek doen. Ook hier kunnen gemeenschappelijke kaders helpen om tot een bij de
casus passend informatieverzoek te komen.
73.
Is het niet verstandig is om nu al tenminste centraal de uitwisselingsstandaard (dataset)
van gegevens vast te leggen, vragen de leden van de VVD-fractie. De verplichting tot
een vast format voorkomt uitwisselingsproblemen in de toekomst. Mocht een vast format
al zijn vastgelegd, dan vernemen deze leden graag op welke wijze dat plaatsvindt.
Artikel 5.4.6 van het wetsvoorstel bevat een grondslag om bij of krachtens amvb regels
te kunnen stellen over de technische standaarden en beveiligingseisen voor de verwerking
van persoonsgegevens in het kader van het onderzoek naar meervoudige problematiek
en de gecoördineerde aanpak. In de concept amvb worden op grond hiervan normen voorgeschreven.
Deze concept amvb zal op korte termijn in internetconsultatie gaan. Een vast format
of dataset zal hierin niet worden geregeld, en dat ligt ook niet in de rede. Kenmerkend
voor de aanpak zoals die in de Wams wordt voorgesteld is de volledig casuïstische
benadering. Per geval en per stap in het proces wordt vastgesteld welke gegevens noodzakelijk
zijn. Een vast format kan in de praktijk gaan leiden tot een invuloefening waarbij
meer gegevens worden verwerkt dan noodzakelijk. Zoals in paragraaf 4.1 van de memorie
van toelichting – onder verwijzing naar het rapport van de AP over de zelfredzaamheidsmatrix
– is dat nu juist niet de bedoeling.
74.
Er wordt gesteld dat een college bij een melding niet direct een breed onderzoek mag
starten (niet op «fishing expedition»). De leden van de D66-fractie constateren dat
deze aanpak zich derhalve niet leent voor vroegsignalering en vragen de regering waarom
hiervoor is gekozen.
Dit wetsvoorstel regelt nadrukkelijk dat alleen de voor de hulpvraag noodzakelijke
gegevens worden verwerkt en dat die verwerking proportioneel is. Het leidende principe
bij een onderzoek naar meervoudige problematiek op basis van het voorgestelde artikel 2.3a.1,
is de samenspraak met de cliënt, en indien aan de orde ook met de vertegenwoordiger
en de mantelzorger. Het principe van samenspraak houdt in dat alleen voor de problemen
die de cliënt in het onderzoek wil betrekken, gegevens kunnen worden verzameld. Hierop
duidt de opmerking in de memorie van toelichting dat naar aanleiding van een hulpvraag
geen «fishing expedition» kan worden gehouden, oftewel dat allerlei gegevensbestanden
worden doorgelicht die niets met de hulpvraag te maken hebben. Voor een dergelijke
ruime gegevensverwerking is geen grondslag. Op grond van de AVG moet je je beperken
tot de gegevens die noodzakelijk zijn voor het doel. In de memorie van toelichting
wordt in dit kader ook verwezen naar het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens
naar het gebruik van zogenaamde zelfredzaamheidsmatrices en een rapport van de gemeentelijke
Ombudsman Rotterdam (p. 91 van de memorie van toelichting).
Overigens is een zogenaamde «fishing expedition» naar aanleiding van een hulpvraag
iets anders dan vroegsignalering. Bij vroegsignalering is er geen hulpvraag, maar
wordt het bijvoorbeeld door het koppelen van databestanden mogelijk om te constateren
dat iemand misschien in de problemen gaat komen. De Wams is gericht op het helpen
van mensen met concrete hulpvragen of hulpbehoeften en voorziet daarom niet in grondslagen
voor het koppelen van databestanden,- maar in grondslagen voor de verwerking van gegevens
voor zover dat voor de betreffende casus noodzakelijk en proportioneel is. Overigens
heeft de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening een vroegsignaleringsregeling voor
het tijdig signaleren van huurachterstanden76. Mensen die schulden hebben, hebben vaak meerdere problemen. Via deze vroegsignalering
kunnen mensen worden gewezen op de mogelijkheden om hulp te vragen bij de gemeente.
Bij mogelijke meervoudige problematiek kunnen deze mensen dan verder worden geholpen
met een onderzoek naar die problematiek en een gecoördineerde aanpak.
75.
De leden van de D66-fractie vragen of proactief toezicht op deze «fishing expeditions»
ook wordt belegd bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
Zoals toegelicht bij de vorige vraag, zijn «fishing expeditions» op grond van de Wams
niet toegestaan. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houdt hier toezicht op. De taken
en bevoegdheden van de AP zijn geregeld in de Uitvoeringswet Algemene verordening
gegevensbescherming (UAVG). De toezichthoudende taak van de AP ziet zowel op toezicht
op naleving van de AVG als op de naleving van het bepaalde bij of krachtens wetten
waarin de verwerking van persoonsgegevens is geregeld. Binnen de kaders van de AVG
en de UAVG geeft de AP als onafhankelijke autoriteit zelf invulling aan zijn toezichthoudende
taak.
76.
De leden van de D66-fractie constateren dat meervoudige problematiek wel in de memorie
van toelichting wordt gedefinieerd, maar «ernstige meervoudige problematiek» niet
verder wordt gespecificeerd en vraagt hierover duidelijkheid te verschaffen.
De regering is het met de leden van de D66-fractie eens dat het wenselijk is om duidelijkheid
te verschaffen voer het begrip «ernstige meervoudige problematiek».
Van het begrip «meervoudige problematiek» geeft het wetsvoorstel in artikel 1.1.1.
een definitie. Van dit begrip is goed een materiele omschrijving te geven. Bij «ernstige»
meervoudige problematiek ligt dat anders. Of de situatie zodanig ernstig is dat een
onderzoek zonder hulpvraag van de cliënt gerechtvaardigd is, moet worden gewogen aan
de hand van de omstandigheden van het geval. In het voorgestelde artikel 2.3a.4, eerste
lid, zijn daarom de voorwaarden opgenomen waaraan de concrete omstandigheden getoetst
moeten worden. Een bij de cliënt betrokken professional kan bij het college een verzoek
doen om een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek te starten indien hij
vermoedt:
a. dat sprake is van voortdurende of terugkerende meervoudige problematiek waarvoor de
persoon of personen die het betreft geen of selectief hulp vragen of accepteren of
de hulp die wel wordt aanvaard niet effectief lijkt, terwijl vanwege de aard of complexiteit
van de problemen maatschappelijke teloorgang of een lage kwaliteit van leven en welzijn
dreigt of al aan de orde is, en
(1) in de omgeving van deze persoon of personen wordt gedurende langere tijd of telkens
opnieuw overlast, hinder of problemen ervaren, of
(2) de veiligheid van personen of goederen is in het geding; en
b. dat een gecoördineerde aanpak kan bijdragen aan het oplossen of verminderen van de
problematiek.
Beide elementen (a en b) moeten bij de indiening van een verzoek worden onderbouwd,
waarbij er met betrekking tot de bijkomende omstandigheden (sub 1 en 2) ten minste
één van beide situaties aannemelijk dient te worden gemaakt. Onderdeel a bevat de
elementen voor de afweging of mogelijk sprake is van ernstige meervoudige problematiek.
Het is lastig om op basis van deze criteria een begripsomschrijving van «ernstige
meervoudige problematiek» te geven. Omdat het begrip toch regelmatig wordt gebruikt
en het wenselijk is zoveel mogelijk duidelijkheid te geven over wat ernstige meervoudige
problematiek is, wordt bij nota van wijziging voorgesteld om in artikel 1.1.1 een
definitie op te nemen die verwijst naar de criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid,
onderdeel a.
77.
De memorie van toelichting stelt dat verzamelde gegevens kunnen worden hergebruikt
(verder worden verwerkt) zolang dit noodzakelijk is. De leden van de D66-fractie twijfelen
over de noodzakelijkheid hiervan en vragen de regering om dit concreter te maken en
deze noodzakelijkheid te onderbouwen.
De door de leden van de D66-fractie bedoelde zinsnede staat op pagina 26 van de memorie
van toelichting waar in een aantal punten kort wordt weergegeven wat de regeling voor
wat betreft de verwerking van persoonsgegevens behelst. Er staat dat het wetsvoorstel
de mogelijkheid biedt om persoonsgegevens waarover het college al beschikt uit hoofde
van zijn sociaal domeintaken verder te verwerken indien dat noodzakelijk is, niet zolang dit noodzakelijk is. Voor de bewaartermijn van gegevens is in artikel 5.4.5 een regeling
opgenomen. Verderop in de memorie van toelichting wordt de verwerking en waar nodig
verdere verwerking van persoonsgegevens nader toegelicht en onderbouwd.
De regels met betrekking tot de gegevensverwerking zijn in dit wetsvoorstel zo vormgegeven
dat de verwerking niet omvangrijker is dan nodig. Zo is de gegevensverwerking ten
behoeve van het onderzoek losgekoppeld van de gegevensverwerking ten behoeve van de
coördinatie, zijn criteria en indicatoren opgenomen waar een situatie aan moet voldoen
voordat een onderzoek kan worden gestart, en zijn waarborgen opgenomen ten aanzien
van het casusoverleg en het vastleggen en verspreiden van informatie. Hiermee wordt
het college op wetsniveau concrete handvatten geboden voor het inrichten van een zorgvuldige
procedure in overeenstemming met de AVG en wordt ook voor partijen en cliënten het
handelingskader duidelijk. Op die manier wordt invulling gegeven aan de eisen die
de AVG stelt aan noodzakelijkheid en proportionaliteit. In paragraaf 6.2.2 van de
memorie van toelichting wordt uitvoerig ingegaan op de wijze waarop het wetsvoorstel
voldoet aan de eisen die de AVG aan de verwerking van persoonsgegevens stelt en in
paragraaf en 6.2.3 wordt nader onderbouwd hoe aan de proportionaliteits- en subsidiariteitseis
wordt voldaan.
Voor wat betreft verdere verwerking van gegevens zijn in het wetsvoorstel een aantal
bepalingen opgenomen.
Ten behoeve van onderzoek naar meervoudige problematiek is het noodzakelijk in kaart
te brengen welke dienstverlening reeds op het sociaal domein of aanpalende domeinen
wordt ontvangen of in het verleden is ontvangen en of, en zo ja, welke interventies
uit deze domeinen ten aanzien van de cliënt of zijn gezinsleden worden ingezet of
in het verleden zijn ingezet. Daarbij blijft ook voor het verder verwerken van beschikbare
gegevens de noodzakelijkheidseis overeind. Het enkele feit dat een onderzoek als bedoeld
in artikel 2.3a.1, vierde lid, of artikel 2.3a.4, tweede lid, wordt uitgevoerd, vormt
geen grondslag om alle bij het college beschikbare gegevens ten behoeve van dit onderzoek
te verwerken. Bij een onderzoek op grond van artikel 2.3a.1, eerste lid, geldt dat
het onderzoek slechts zover reikt als in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld.
Verwerking van gegevens in het kader van onderzoeken op grond van artikel 2.3a.4,
is gericht op de ernstige problematiek waarvoor een oplossing wordt gezocht. Dit betekent
dat in het concrete geval onderbouwd moet kunnen worden dat inzicht in bepaalde gegevens
daaraan bij kan dragen.
Gegevens die het college heeft verwerkt voor een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3a.1,
vierde lid, of artikel 2.3a.4, tweede lid, kunnen op grond van artikel 5.4.4, eerste
lid, ook worden verwerkt voor de verdere uitvoering van deze wet, waaronder het voorstellen
van een gecoördineerde aanpak, maar ook het verstrekken van een maatwerkvoorziening.
Niet in alle gevallen zal de conclusie van het onderzoek zijn dat een gecoördineerde
aanpak nodig is, bijvoorbeeld omdat er in het sociaal domein bij nader inzien toch
slechts sprake is van enkelvoudige problematiek en coördinatie met aanpalende terreinen
niet noodzakelijk wordt bevonden, of omdat er geen sprake is van samenhang tussen
de wenselijke dienstverlening op het sociaal domein die een gecoördineerde aanpak
nodig maakt. In die gevallen kan het wel nodig zijn om op grond van een wet uit het
sociaal domein of de WI 2021 een bepaalde dienst te verstrekken of een interventie
in te zetten. Voor de uitvoering van de desbetreffende wet uit het sociale domein,
kunnen dan de gegevens worden gebruikt die in eerste instantie werden verwerkt voor
het onderzoek. Dit wordt zo geregeld omdat de verwerking van die gegevens noodzakelijk
is om de desbetreffende dienst uit het sociaal domein te kunnen verstrekken en het
voor de dienstverlening aan de cliënt wel zo prettig is als hij de daarvoor benodigde
gegevens niet opnieuw hoeft te verstrekken.
78.
Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie of het met dit wetsvoorstel straks mogelijk
wordt dat gegevens die zijn verzameld in het kader van een gecoördineerde aanpak worden
gebruikt voor aanpalende domeinen, bijvoorbeeld voor fraudebestrijding of schuldenaanpak.
Hoe wordt deze zekerheid geborgd binnen dit wetsvoorstel, en is hierbij als optie
overwogen om los van de noodzakelijkheid een maximale bewaartermijn te hanteren?
Voor de beantwoording van deze vraag is het goed om eerst stil te staan bij wat in
dit wetsvoorstel wordt verstaan onder «aanpalende domeinen» en «gecoördineerde aanpak».
In het voorgestelde artikel 1.1.1 zijn de volgende definities opgenomen:
− Gecoördineerde aanpak: een aanpak waarbij de dienstverlening en interventies van het college en partijen
in het sociaal domein en zo nodig aanpalende domeinen, zo goed mogelijk op elkaar
zijn afgestemd en zo nodig worden bijgesteld, om zodoende de problemen van de cliënt
en betrokken gezinsleden binnen deze domeinen te verminderen of op te lossen en hen
te ondersteunen bij het verbeteren van de zelfredzaamheid en participatie;
− Aanpalende domeinen: publieke gezondheidszorg, geneeskundige zorg, langdurige zorg, geestelijke gezondheidszorg,
onderwijs, welzijn, wonen anders dan beschermd wonen op grond van deze wet, werk of
ander inkomen, met uitzondering van inkomen op grond van de Participatiewet, inburgering,
en openbare orde en veiligheid. Partijen die een dienst verrichten uit een aanpalend
domein mogen persoonsgegevens verwerken als dat noodzakelijk is om bij te kunnen dragen
aan het onderzoek naar meervoudige problematiek (artikel 5.4.2, zesde lid), voor de
bespreking in en het doel van het casusoverleg (artikel 5.4.3, eerste lid), voor de
uitoefening van de eigen taken in het kader van de gecoördineerde aanpak (artikel 5.4.3,
vierde lid) en voor de bijdrage aan de gecoördineerde aanpak (5.4.4, vijfde lid).
De leden van de D66-fractie noemen twee voorbeelden: fraudebestrijding en schuldhulpverlening.
Fraudebestrijding is geen aanpalend domein, zoals gedefinieerd in artikel 1.1.1. Het
wetsvoorstel bevat geen grondslag om voor dat doel gegevens verder te verwerken. Schuldhulpverlening
is onderdeel van het sociaal domein zoals gedefinieerd in artikel 1.1.1 van dit wetsvoorstel.
Als schuldhulpverlening wordt overwogen, kunnen de noodzakelijke persoonsgegevens
worden gebruikt om schulphulp te geven (artikel 2.3a.1, zesde lid en 5.4.4, eerste
lid). De Wams staat voor dat doel het verder verwerken toe, zodat cliënten (en betrokken
partijen) niet opnieuw gegevens voor schuldhulpverlening hoeven te verstrekken. De
leden van de D66-fractie vragen verder hoe is geborgd in het wetsvoorstel dat persoonsgegevens
voor aanpalende domeinen worden gebruikt. Dat is geborgd door in lijn met de AVG expliciet
in het wetsvoorstel te regelen welke verwerkingen van persoonsgegevens zijn toegestaan
en door welke partijen. De maximale bewaartermijn van de gegevens na een onderzoek
of na een gecoördineerde aanpak, is twee jaar na afronding. Dit is vastgelegd in artikel 5.4.5
van het wetsvoorstel.
79.
Kan de regering ook verduidelijken wat er gebeurt als een cliënt verhuist van de ene
gemeente naar de andere? Er lijkt in dit wetsvoorstel geen ruimte om een onderzoek
en gecoördineerde aanpak van het ene college naar het andere over te dragen. De leden
van de D66-fractie vragen de regering of hiervoor bijvoorbeeld een samenloopregeling
kan worden overwogen. Zeker in gevallen wanneer het ene college verantwoordelijk is
voor beschermd wonen van een cliënt en een ander college voor Wmo 2015-ondersteuning
is dit relevant. Kan daarbij ook nader ingegaan worden op de precieze verantwoordelijkheden
indien taken belegd zijn bij (verschillende) samenwerkingsverbanden, gemeenschappelijke
regelingen of centrumgemeenten? Blijven de verantwoordelijkheden dan altijd bij het
college waar de persoon woont en hoe verhoudt zich dat tot de verantwoordelijkheden
en bevoegdheden van andere gemeenten die betrokken zijn binnen de taakuitvoering?
Artikel 2.6.1 van de Wmo 2015 bepaalt dat de colleges met elkaar samenwerken indien
dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van deze wet aangewezen is. Dat
geldt dus ook voor de regels van de Wams die in de Wmo 2015 worden opgenomen.
Het college dat verantwoordelijk is voor de gecoördineerde aanpak kan bijvoorbeeld
via een centrumgemeente opvang en beschermd wonen regelen, zoals ook genoemd door
de leden van de D66-fractie. Deze voorzieningen hoeven niet per se in elke gemeente
ter plaatse te worden geboden. Gemeenten werken hiertoe samen op grond van het eerder
genoemde artikel 2.6.1 van de Wmo 2015.
Binnen de context van de Wams is dat niet anders. Gemeenten zijn op grond van de Wmo
2015 verantwoordelijk voor hun eigen ingezetenen. Artikel 1.2.1 Wmo 2015 bepaalt tevens
dat elke gemeente aan daarvoor in aanmerking komende personen (die zich tot de gemeente
hebben gewend en een positieve beslissing op hun aanvraag hebben gekregen) opvang
en beschermd wonen moet verstrekken.
In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is geregeld dat de gemeente ervoor kan
kiezen in bijzondere omstandigheden schuldhulpverlening te geven aan een persoon die
geen inwoner is (artikel 3, vijfde lid, Wgs). Als iemand loonkostensubsidie ontvangt
op grond van de Participatiewet en verhuist, blijft de loonkostensubsidie doorlopen
gedurende de dienstbetrekking (artikel 10d, tiende lid, Participatiewet). Colleges
zullen dus ook in het kader van de aanpak van meervoudige problematiek, zoals voorgesteld
in de Wams, soms moeten samenwerken.
Een verhuizing hoeft niet te betekenen dat de gecoördineerde aanpak vervalt. In overleg
met het college van de gemeente waar naartoe wordt verhuisd, kan worden gekozen om
de gecoördineerde aanpak af te maken met andere partijen. Een en ander hangt af van
de omstandigheden, de aard van de problematiek en of sprake is van afhankelijkheid
van lokale voorzieningen of niet. Soms zal het beter zijn om bij het college van de
nieuwe gemeente opnieuw hulp te vragen. Gegevens over de lopende gecoördineerde aanpak
of eerder verstrekte diensten uit het sociaal domein kunnen worden verstrekt aan de
nieuwe gemeente, op basis van het feit dat beide colleges dezelfde wettelijke bevoegdheden
hebben. Om te voorkomen dat hierover onduidelijkheid zou ontstaan, stel ik naar aanleiding
van deze vraag bij nota van wijziging voor om de overdracht van gegevens expliciet
te regelen in artikel 5.4.4.
Artikel 30 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr) biedt het college
de mogelijkheid om bevoegdheden aan een gemeenschappelijke regeling over te dragen77. Artikel 8c van de Participatiewet bevat daarover een expliciete bepaling. Artikel 30
van de Wgr biedt relatief veel ruimte om bevoegdheden over te dragen; er zijn slechts
enkele bevoegdheden genoemd die niet kunnen worden overgedragen (bijvoorbeeld bepaalde vormen van belastingheffing). Indien
het in de praktijk wenselijk wordt gevonden om de bevoegdheden uit dit wetsvoorstel
aan een gemeenschappelijke regeling over te dragen, is dit dus mogelijk. Dat vergt
dan wel een actieve overdracht van de bevoegdheid. Gemeenten die werken met een gemeenschappelijke
regeling voor één of meer wetten uit het sociaal domein, zullen zelf moeten beoordelen
en regelen, of en hoe de regeling van de Wams hierin wordt opgenomen. Het bestuur
van de gemeenschappelijke regeling wordt in de concept amvb bij de Wams aangewezen
als partij die kan deelnemen aan onderzoeken naar meervoudige problematiek en de gecoördineerde
aanpak.
Dit conceptlijst met partijen is als bijlage bij deze nota naar aanleiding van het
verslag gevoegd. De concept amvb gaat naar verwachting binnenkort in consultatie.
80.
Met dit wetsvoorstel wordt een doorbreking van het beroepsgeheim mogelijk gemaakt.
In de memorie van toelichting wordt beschreven dat dit zoveel mogelijk met toestemming
van de cliënt gebeurt, maar dat dit in zeer beperkte gevallen niet mogelijk zal zijn.
De leden van de D66-fractie vragen de regering te reflecteren op de stelling dat het
gegeven dat gegevens die nu onder het beroepsgeheim vallen straks met gemeenten of
andere partijen gedeeld kunnen worden, mogelijk zorgt voor het mijden van zorg door
een kwetsbare doelgroep.
Het medisch beroepsgeheim beschermt onder meer een algemeen belang, namelijk de vrije
toegang tot de gezondheidszorg. Het beroepsgeheim is ervoor bedoeld dat iedereen de
hulp van een zorgverlener kan inroepen, zonder angst dat gevoelige informatie beschikbaar
komt bij derden. Ook heeft het beroepsgeheim tot doel dat het maatschappelijke risico
op zorgmijders en op patiënten die zorgverleners niet alle relevante informatie durven
te geven, zo klein mogelijk blijft. Het beroepsgeheim is er dus voor individuen, maar
ook voor de maatschappij in zijn geheel en richt zich op de relatie van patiënten
met individuele beroepsbeoefenaren.
Het beroepsgeheim is niet absoluut. Hoewel grote terughoudendheid met betrekking tot
het doorbreken van het beroepsgeheim noodzakelijk is, kunnen andere belangen soms
prevaleren. Zo bestaan er diverse wettelijke doorbrekingsgronden voor het beroepsgeheim.
Bijvoorbeeld voor het melden van bepaalde infectieziekten bij de GGD of voor het verstrekken
van gegevens aan zorgverzekeraars voor declaraties of controle. Een ander voorbeeld
is artikel 7.3.1, vierde lid, van de Jeugdwet op grond waarvan professionals met een
beroepsgeheim kortgezegd informatie over een onder toezicht gestelde minderjarige
die noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling aan de GI moeten
verstrekken. In artikel 5.2.6 van de Wmo 2015 is geregeld dat inlichtingen, die noodzakelijk
kunnen worden geacht om een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling te
beëindigen of een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken door professionals met
een beroepsgeheim, aan Veilig Thuis kunnen worden verstrekt.
Het is moeilijk vast te stellen of deze gronden voor de doorbreking van het beroepsgeheim
bijdragen aan zorgmijdend gedrag. Voor al deze wettelijke verstrekkingsgronden is
een zorgvuldige afweging gemaakt dat in die situaties het beroepsgeheim niet altijd
onverkort kan gelden.
De regering is het met de leden van de D66-fractie eens dat bij iedere doorbrekingsgrond
zorgvuldig moet worden afgewogen of verstrekking zonder toestemming van de cliënt
in verhouding staat tot het risico van extra zorgmijdend gedrag. De voorgestelde regeling
van artikel 2.3a.4 voor onderzoek bij ernstige meervoudige problematiek is er juist
op gericht om deze mensen eerder en beter te kunnen helpen. Het mijden van zorg is
vaak niet een heel bewuste keuze. Vaker gaat het om mensen die de grip zijn kwijtgeraakt,
de problemen niet meer overzien en van daaruit zich terug hebben getrokken. Om deze
mensen te kunnen helpen is een zorgvuldige benadering nodig waarbij de afweging of
in de specifieke situatie van een bepaalde persoon het noodzakelijk is om ten behoeve
van een onderzoek naar meervoudige problematiek gegevens te verstrekken, en zo ja,
welke gegevens dan noodzakelijk zijn, bij de zorgprofessional ligt. Daarbij staat
het vragen van uitdrukkelijke toestemming altijd voorop, zo mogelijk ook in overleg
met de vertegenwoordiger van een cliënt. Zorgvuldigheid is geboden omdat juist bij
mensen met ernstige meervoudige problematiek het risico op zorg mijden groot is. Gelet
op de diverse bezwaren die zijn geuit bij de gronden in artikel 5.4.2, tweede lid,
om toch gegevens te kunnen verstrekken zonder toestemming in geval van ernstige meervoudige
problematiek, en het grote belang dat ik hecht aan het medisch beroepsgeheim, stel
ik bij nota van wijziging een nieuwe bepaling voor. Voor deze nieuwe formulering van
artikel 5.4.2, tweede lid, is aangesloten bij de formulering zoals die is opgenomen
in artikel 2.29, tweede lid, van de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden78, die van toepassing is voor het delen van gegevens in Zorg- en Veiligheidshuizen.
In dat artikel is wel de uitzondering opgenomen om zonder toestemming of wettelijke
plicht gegevens te verstrekken op grond van goed hulpverlenerschap. Aangezien de Afdeling
advisering van de Raad van State in het advies over de Wams heeft geoordeeld dat dit
een criterium is dat zorgverleners onvoldoende houvast biedt, stel ik voor die uitzonderingsgrond
niet op te nemen in artikel 5.4.2, tweede lid.
81.
De leden van de D66-fractie vragen de regering of er onderbouwd kan worden waarom
het huidige juridische kader voor het verstrekken van gegevens aan een derde door
zorgverleners met een beroepsgeheim op dit moment niet toereikend genoeg is? In hoeverre
draagt dit onderdeel (artikel 5.4.2) mee aan de rechtmatigheid en doelmatigheid van
deze wet? In een eerdere versie van dit wetsvoorstel werd beargumenteerd dat verstrekking
van gegevens zonder uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene als dit naar het
oordeel van de verstrekkende partij noodzakelijk was uit het oogpunt van «goed hulpverlenerschap».
De leden van de D66-fractie vragen de regering om deze redenatie (artikel 5.4.2 lid
2) verder te expliciteren.
Het medisch beroepsgeheim is een groot goed uit het oogpunt van de vrije toegankelijkheid
van zorg. Ook in dit wetsvoorstel staat het vragen van toestemming voor doorbreking
van het beroepsgeheim centraal. Dit moet volstrekt duidelijk zijn. In het antwoord
op de vorige vraag heb ik aangegeven bij nota van wijziging een nieuwe formulering
van artikel 5.4.2, tweede lid, voor te stellen.
In deze formulering is volstrekt duidelijk dat bij de eventuele verstrekking van gegevens,
verstrekking op basis van uitdrukkelijke toestemming voorop staat tenzij verstrekking
op basis van een wettelijk voorschrift van toepassing is, zoals artikel 7.4.0, tweede
en derde lid, van de Jeugdwet of artikel 5.2.2 van de Wmo 2015.
Bij een onderzoek naar meervoudige problematiek, of ernstige meervoudige problematiek,
zullen noodzakelijke gegevens van een zorgverlener of jeugdhulpverlener dus ofwel
na toestemming van de cliënt kunnen worden verstrekt, ofwel op basis van een wettelijke
verstrekkingsgrond. Als de cliënt een vertegenwoordiger heeft, kan aan de vertegenwoordiger
toestemming worden gevraagd. Als toestemming wordt gegeven, is het nog steeds de afweging
van de professional of het in het belang van de cliënt is om gegevens te verstrekken
én welke gegevens dan noodzakelijk zijn voor het onderzoek door het college.
De casuïstische en gefaseerde aanpak van de Wams dragen samen met de bepalingen waarin
de voorwaarden voor gegevensverwerking zijn opgenomen, bij aan de rechtmatigheid en
doelmatigheid van dit wetsvoorstel. Artikel 5.4.2, tweede lid, is hier een klein maar
belangrijk onderdeel van, omdat voor iedereen duidelijk moet zijn onder welke voorwaarden
hulpverleners met een wettelijk beroepsgeheim, gegevens over hun cliënt kunnen delen.
Dit vergroot zowel de rechtmatigheid als doelmatigheid om goede en gecoördineerde
hulp op gang te kunnen brengen.
De Afdeling advisering van de Raad van State oordeelde in zijn advies dat enkel het
criterium van goed hulpverlenerschap om te beoordelen of het beroepsgeheim zou kunnen
worden doorbroken, aan hulpverleners onvoldoende houvast geeft. Het nu bij nota van
wijziging voorgestelde artikel 5.4.2, tweede lid, maakt het niet mogelijk dat gegevens
zonder toestemming worden verstrekt, enkel op het oordeel dat verstrekking noodzakelijk
is uit het oogpunt van goed hulpverlenerschap. Vanwege het grote belang van het medisch
beroepsgeheim, stel ik ook geen andere criteria voor om het beroepsgeheim te kunnen
doorbreken.
82.
Binnen het wetsvoorstel wordt de coördinator verschillende belangrijke taken toebedeeld,
zoals het initiëren en verslagleggen van een casus-overleg. In hoeverre worden hier
middelen aan gekoppeld als de coördinator niet werkzaam is binnen de gemeente?
Gemeenten hebben diverse mogelijkheden om een coördinator te faciliteren. Voor de
implementatie van de Wams worden handreikingen en voorbeelden van werkprocessen aangeboden.
Gemeenten kunnen de hieraan verbonden materialen aan coördinatoren beschikbaar stellen.
Ook kunnen gemeenten een beveiligde ICT-omgeving bieden voor het uitoefenen van de
coördinatie- taken. Bij de implementatie van het voorstel wordt bij gemeenten in meer
detail hoe een en ander lokaal het beste kan worden ingericht. Specifiek voor de Wams
zijn middelen gereserveerd voor de uitvoering. In 2021 is hiervoor 45 miljoen voor
gemeenten via het Gemeentefonds ter beschikking gesteld. Door middel van handreikingen
en voorbeelden van werkprocessen zullen gemeenten en aanpalende organisaties worden
ondersteund in de implementatie van de Wams.
Binnen het project Dwars door domeinen werken Divosa, gemeenten en het Ministerie
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) aan het oplossen van knelpunten
bij domeinoverstijgende dienstverlening aan kwetsbare inwoners. De opgedane kennis
uit dit lerend stelsel worden in de vorm van bouwstenen voor integrale dienstverlening
gedeeld met andere gemeenten.79
83.
De leden van de D66-fractie vragen of een «partij» (of individu) ook mag weigeren
om als coördinator te worden aangesteld?
Het college is op grond van het voorgestelde artikel 2.3a.3, eerste lid, verantwoordelijk
voor het aanstellen van een coördinator die deze taak naar behoren kan vervullen.
Daarbij past niet aan iemand deze taak toe te delen die er niet toe bereid is.
84.
De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe de onafhankelijkheid van de coördinator
geborgd blijft wanneer de coördinator mogelijk werkzaam is bij een belanghebbende
partij?
De coördinator is niet degene die bepaalt voor welke hulp en ondersteuning iemand
in aanmerking komt. De optimale zorg- en hulpverlening wordt door het college met
de betrokken partijen besproken bij het onderzoek naar meervoudige problematiek. De
uitkomst daarvan is een voorstel voor een gecoördineerde aanpak op basis waarvan de
cliënten en de betrokken partijen verder kunnen werken. Bij de start van de gecoördineerde
aanpak wordt een coördinator aangewezen. De coördinator monitort de voortgang van
de afgesproken diensten, hulp en eventuele interventies, stelt vast of nadere afstemming
nodig is en maakt daarover zo nodig afspraken tussen betrokken partijen. Deze coördinerende
taak zal niet perse beter worden vervuld door iemand die verder niet is betrokken
bij de hulpverlening. Een medewerker van het lokale team of een hulpverlener die al
betrokken is bij de cliënt of het gezin, kent de mensen en de problematiek goed en
hebben vaak al het vertrouwen van de cliënt. Dit maakt het voor veel cliënten prettiger
en overzichtelijker dan dat ze te maken krijgen met een voor hen onbekende coördinator.
De coördinator oefent zijn taak uit in samenspraak met de cliënt en eventueel de vertegenwoordiger
van de cliënt en handelt daarbij in het belang van goede hulpverlening aan de cliënt.
Als er knelpunten zijn in de gecoördineerde aanpak, stelt de coördinator het college
daarvan op de hoogte. Het kader voor het professioneel handelen van de coördinator
is vastgelegd in artikel 2.3a.3, derde tot en met vijfde lid.
85.
De leden van de D66-fractie constateren dat in de paragraaf 4.5 van de memorie van
toelichting wordt vermeld dat de burgemeester gegevens die zijn verzameld in het kader
van een onderzoek kan gebruiken voor taken in het kader van bijvoorbeeld de openbare
orde, zoals wanneer er ernstig overlast wordt gemeld door een wijkagent. Genoemde
leden vragen de regering in hoeverre deze bepaling in overeenstemming is met de AVG,
aangezien gegevens voor andere doeleinden worden gebruikt dan waarvoor ze zijn verzameld.
De aangehaalde paragraaf betreft een toelichting op de aanpalende domeinen en hoe
partijen uit deze domeinen betrokken kunnen zijn bij een onderzoek naar meervoudige
problematiek, hoe zij kunnen verzoeken om een onderzoek bij mogelijk ernstige meervoudige
problematiek en hoe zij deel kunnen zijn van het verlenen van diensten of het doen
van interventies als onderdeel van een gecoördineerde aanpak. In die context wordt
in de desbetreffende paragraaf de wijkagent genoemd die zorgen of overlast meldt bij
het college naar aanleiding van herhaalde bemoeienis met een huishouden.
De verwerking en verstrekking van persoonsgegevens wordt in overeenstemming met het
bepaalde in de AVG, in het wetsvoorstel geregeld in hoofdstuk 5 paragraaf 4. Welke
verwerking en verstrekking van gegevens uit het onderzoek zijn toegestaan voor de
fase van de gecoördineerde aanpak of wanneer verdere verwerking is toegestaan als
er geen gecoördineerde aanpak komt, is geregeld in artikel 5.4.4.
Artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, geeft de grondslag om de gegevens uit een
onderzoek naar meervoudige problematiek verder te verwerken voor het verstrekken van
diensten uit het sociaal domein en artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel b, geeft een
grondslag voor het verstrekken van de gegevens uit het onderzoek naar meervoudige
problematiek voor de uitoefening van bepaalde specifieke taken die bij wet aan de
burgemeester zijn toebedeeld.
Niet in alle gevallen zal de conclusie van het onderzoek zal zijn dat een gecoördineerde
aanpak nodig is, bijvoorbeeld omdat er in het sociaal domein bij nader inzien toch
slechts sprake is van enkelvoudige problematiek, of omdat er geen sprake is van samenhang
tussen de wenselijke dienstverlening op het sociaal domein en eventueel aanpalende
domeinen, die een gecoördineerde aanpak nodig maakt. In die gevallen, maar ook als
het wel tot een gecoördineerde aanpak komt, is het noodzakelijk dat het college de
gegevens uit het onderzoek verder mag verwerken om op grond van een wet uit het sociaal
domein of de WI 2021 een bepaalde dienst te verstrekken, of op grond van de Jeugdwet
of de WI 2021 een noodzakelijke interventie te doen. Dit is ook efficiënt en prettig
voor de cliënt die dan niet telkens op nieuw de relevante gegevens hoeft te verstrekken.
In een enkel geval kan het ook nodig zijn dat aan de burgemeester gegevens worden
verstrekt ten behoeve van het handhaven van de openbare orde of in het kader van een
crisismaatregel op grond van de Wet verplichte ggz of een crisisaanpak in het kader
van de Wzd. Dit kan als aanpalend domein onderdeel zijn van een gecoördineerde aanpak,
maar soms zal het gelet op de omstandigheden ook passend zijn dat de burgemeester
een bevoegdheid inzet, terwijl geen gecoördineerde aanpak tot stand komt. Voor doelen
die niet worden genoemd in artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel b, mogen geen gegevens
worden verstrekt.
Ook bij verdere verwerking die op grond van artikel 5.4.4 eerste lid, is toegestaan,
geldt de eis dat de verwerking van die gegevens noodzakelijk moet zijn. Dat betekent
dat het college alleen gegevens uit het onderzoek aan de burgemeester mag verstrekken
als hier de reële noodzaak tot het nemen van een crisismaatregel of handhaving van
de openbare orde lijkt te zijn. Of de burgemeester daadwerkelijk een van zijn genoemde
bevoegdheden inzet, is ter beoordeling van de burgemeester zelf. Op grond van artikel 6,
aanhef en vierde lid, AVG is dit mogelijk ter waarborging van een van de in artikel 23,
eerste lid, AVG bedoelde doelstellingen, in dit geval de bescherming van de betrokkene
of van de rechten en vrijheden van anderen (onderdeel i).
86.
De AVG voorziet de betrokkenen van rechten (zoals het recht op inzage, recht op correctie,
recht op wissing en recht op verzet). In sommige gevallen wordt besloten om de betrokkene
niet op de hoogte te stellen van een onderzoek ofwel aanpak. De leden van de D66-fractie
vragen de regering of deze geheimhouding het resultaat ten goede komt, als er ook
een onderzoek gestart kan worden waar de betrokkene niet mee hoeft in te stemmen.
Het klopt inderdaad dat betrokkenen (cliënten) rechten hebben op grond van de AVG
en daarover geïnformeerd dienen te worden. Het wetsvoorstel maakt een onderzoek naar
ernstige meervoudige problematiek mogelijk. Met dit onderzoek stemt de betrokkene
inderdaad niet vooraf in.
Maar ook bij dit onderzoek, op grond van artikel 2.3a.4, wordt de cliënt en, indien
deze er zijn, zo nodig hun vertegenwoordigers en mantelzorgers over het uitvoeren
van een onderzoek op de hoogte gesteld. Artikel 2.3a.4, derde lid, regelt daarnaast
dat de cliënt zo mogelijk bij het uitvoeren van het onderzoek betrokken wordt. Betrokkenheid
is dus het uitgangspunt maar er zijn situaties denkbaar dat die betrokkenheid het
onderzoek niet ten goede zal komen, bijvoorbeeld als het gaat om iemand waarvan bekend
is dat hij tot dusver alle hulp weigert, of als het iemand betreft die erg verward
is. In dat laatste geval kan mogelijk wel een vertegenwoordiger of mantelzorger worden
betrokken. Bij een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek is dus zeker geen
sprake van geheimhouding en kan een client of zijn vertegenwoordiger de rechten die
op grond van de AVG gelden, blijven uitoefenen.
Het onderzoek naar (ernstige) meervoudige problematiek moet worden onderscheiden van
de mogelijk daarop volgende gecoördineerde aanpak. De gecoördineerde aanpak bestaat
uit op elkaar afgestemde diensten, hulp en interventies. Een gecoördineerde aanpak
kan alleen worden gestart als de cliënt de voorgestelde aanpak met de daarin opgenomen
hulp, diensten en interventies, aanvaardt. Het belang van een onderzoek bij ernstige
meervoudige problematiek is vooral gelegen in de mogelijkheid dat diverse bij de cliënt
betrokken of nog te betrekken partijen met elkaar tot een betere afstemming kunnen
komen van hun inzet naar de cliënt toe en voorkomen wordt dat partijen afzonderlijk
van elkaar acties ondernemen die daardoor minder effectief zijn of elkaar zelfs tegenwerken.
Partijen kunnen dan ook afspraken maken wie de cliënt als eerste benadert en welke
partijen bijvoorbeeld eerst even pas op de plaats moeten maken. Ook kunnen de betrokken
partijen een casusoverleg voeren als blijkt dat de cliënt maar een deel van de voorgestelde
hulp aanvaard om zo verder af te stemmen wat dit betekent voor de inzet van de verschillende
partijen. Dit alles met als doel de problemen van de cliënt te verminderen en zo mogelijk
op te lossen.
87.
De leden van de D66-fractie vragen de regering in hoeverre de coördinator berust is
op de rol van verwerkingsverantwoordelijke en of deze verantwoordelijkheid weer terugvalt
onder het college wanneer de coördinator de gecoördineerde aanpak terug overdraagt.
De regels voor verwerking van persoonsgegevens door een coördinator, zijn vastgelegd
in het voorgestelde artikel 5.4.4, tweede tot en met vijfde lid. De partij of het
college waarvoor de coördinator werkzaam is, is verwerkingsverantwoordelijke. De verwerkingsverantwoordelijke
moet zorgen dat gegevens worden verwerkt in een systeem dat voldoet aan de beveiligingseisen
en waarin dossiers met betrekking tot de inhoud van hulpverlening en met betrekking
tot de coördinatie van elkaar gescheiden zijn. De organisatie waar de coördinator
werkzaam is – of dat nu de gemeente is of een hulpverlenende partij – moet ook voor
andere taken dan de coördinatietaken zijn toegerust om te voldoen aan de eisen die
rusten op een verwerkingsverantwoordelijke op grond van de AVG. Iemand die optreedt
als coördinator zal dus ook al uit ander hoofde toegerust moeten zijn op de rol van
verwerkingsverantwoordelijke.
Als de gecoördineerde aanpak wordt beëindigd worden alle gegevens die zijn verwerkt
bij de uitoefening van de coördinatietaak op grond van artikel 5.4.4, zevende lid,
overgedragen aan het college. Vanaf dat moment is het college conform de AVG weer
verwerkingsverantwoordelijke.
88.
In het kader van «één gezin, één plan, één regisseur», waarbij het onderzoek naar
gecoördineerde aanpak zich niet alleen moet kunnen uitstrekken naar de problematiek
van de cliënt, maar ook naar eventuele problemen bij diens gezinsleden, vragen de
leden van de PVV-fractie de regering of elke van de gezinsleden toestemming moeten
geven voor het onderzoek en het delen van gegevens.
Het is inderdaad zo dat bij meervoudige problematiek de problemen betrekking kunnen
hebben op meer dan één van de gezinsleden. De regels voor de verwerking van persoonsgegevens
in de fase van een onderzoek naar meervoudige problematiek en in de fase van een gecoördineerde
aanpak in de Wams gelden voor alle cliënten die betrokken zijn in het onderzoek. In
de definitie van cliënt zoals die is opgenomen in dit wetsvoorstel staat dat een gezinslid
die ermee instemt dat een onderzoek op grond van artikel 2.3a.1 ook hem betreft, als
cliënt wordt aangemerkt. Het onderzoek kan op die manier meerdere mensen binnen een
gezin betreffen, waarbij dan op elk van die personen de in dit wetsvoorstel opgenomen
regels voor de verwerking van persoonsgegevens gelden.
Voor wat betreft minderjarigen is geen speciale regeling omtrent meebeslissen of zelf
beslissen opgenomen en gelden de normale regels omtrent gezagsuitoefening bij minderjarigen
zoals opgenomen in boek 1 van het BW. In de praktijk zal dit betekenen dat in overleg
met de gezinsleden en afhankelijk van de problematiek die er speelt, wordt bepaald
wie als cliënt zal deelnemen aan het onderzoek. Als het onderzoek leidt tot voorstellen
voor het verlenen van hulp of diensten ten aanzien van een minderjarige, gelden daarbij
de bestaande wettelijke regels met betrekking tot instemming met die hulp. Als een
voorstel tot jeugdhulp wordt gedaan gelden zodoende de regels van artikel 7.3.4 en
7.3.5 van de Jeugdwet. Dit betekent dat een kind vanaf 16 jaar zelf beslist of het
jeugdhulp wil ontvangen en een kind tussen de 12 en 16 jaar samen met zijn ouders
beslist.
89.
Wat is de definitie van ernstige problematiek, vragen de leden van de PVV-fractie,
en waarom is deze definitie niet in dit wetsvoorstel opgenomen?
Het is lastig om een definitie te geven van «ernstige» meervoudige problematiek, omdat
het gaat om een beoordeling op basis van de omstandigheden. Naar aanleiding van de
vraag van de leden van de PVV-fractie, stel ik bij nota van wijziging voor toch een
definitie op te nemen waarin wordt verwezen naar de criteria voor ernstige meervoudige
problematiek die zijn opgenomen in artikel 2.3a.4, eerste lid.
Het begrip «meervoudige problematiek» wordt in artikel 1.1.1. gedefinieerd. Van dit
begrip is goed een materiele omschrijving te geven. Of de situatie zodanig ernstig
is dat een onderzoek zonder hulpvraag van de cliënt gerechtvaardigd is, moet worden
gewogen aan de hand van de omstandigheden van het geval. In het voorgestelde artikel 2.3a.4,
eerste lid, zijn daarom de voorwaarden opgenomen waaraan de concrete omstandigheden
getoetst moeten worden. Een bij de cliënt betrokken professional kan bij het college
een verzoek doen om een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek te starten
indien hij vermoedt:
a. dat sprake is van voortdurende of terugkerende meervoudige problematiek waarvoor de
persoon of personen die het betreft geen of selectief hulp vragen of accepteren of
de hulp die wel wordt aanvaard niet effectief lijkt, terwijl vanwege de aard of complexiteit
van de problemen maatschappelijke teloorgang of een lage kwaliteit van leven en welzijn
dreigt of al aan de orde is, en
(1) in de omgeving van deze persoon of personen wordt gedurende langere tijd of telkens
opnieuw overlast, hinder of problemen ervaren, of
(2) de veiligheid van personen of goederen is in het geding; en
b. dat een gecoördineerde aanpak kan bijdragen aan het oplossen of verminderen van de
problematiek.
Beide elementen (a. en b.) moeten bij een verzoek worden onderbouwd, waarbij er met
betrekking tot de bijkomende omstandigheden (sub 1 en 2) ten minste één van beide
situaties aannemelijk dient te worden gemaakt. Op basis van onderdeel a wordt bepaald
of sprake is van (waarschijnlijk) ernstige meervoudige problematiek. Het is lastig
om op basis van deze criteria een begripsomschrijving van «ernstige meervoudige problematiek»
te geven, maar een definitie in artikel 1.1.1 die naar deze criteria verwijst, maakt
in ieder geval duidelijk dat niet «zomaar» kan worden bepaald of meervoudige problematiek
ernstig is.
90.
Bij ernstige problematiek is het mogelijk een onderzoek in te stellen zonder toestemming.
De leden van de PVV-fractie vragen op welke manier het delen van gegevens bij ernstige
problematiek op dit moment geregeld is. Op welke manier is het delen van gegevens
bij ernstige problematiek na invoering van de WGS geregeld? Op welke manier is het
delen van gegevens geregeld in het gedwongen kader zoals gesloten jeugdhulp, jeugdbeschermingsmaatregelen,
jeugdreclassering, verplichte ggz en zorg en dwang op dit moment geregeld?
Het verwerken en eventueel delen van gegevens bij ernstige problematiek is op dit
moment in verschillende materiewetten geregeld. Hierdoor is het niet altijd goed mogelijk
om af te stemmen met andere partijen om zo escalatie van de problematiek te kunnen
voorkomen.
De Wvggz en de Wzd bevatten de regels voor het geven van verplichte zorg. In deze
wetten is geregeld dat bij de gedwongen zorg betrokken partijen die in beide wetten
specifiek genoemd worden, zoals de zorgverantwoordelijke en de burgemeester, elkaar
limitatief opgesomde persoonsgegevens verstrekken ter uitvoering van hun taken op
grond van die wetten. Afhankelijk van de taak kan het gaan om gegevens over de gezondheid,
politiegegevens, of strafvorderlijke en justitiële gegevens. Ook bieden deze wetten
een grondslag aan betrokken partijen om gegevens aan elkaar te verstrekken voor zover
dat strikt noodzakelijk is ter voorkoming of beperking van ernstig nadeel en voor
zover dit hoort bij de uitoefening van ieders taak op grond van deze wetten. Verder
is in zowel de Wvggz als de Wzd opgenomen dat de zorgaanbieder eens in de zes maanden
een digitaal overzicht van registratiegegevens en een analyse daarvan over de verleende
verplichte zorg aan de IGJ ter beschikking stelt ten behoeve van het toezicht. Ten
slotte is in de Wvggz opgenomen dat de officier van justitie, het college van burgemeester
en wethouders en de geneesheer-directeur periodiek regio-overleg voeren over het aanbod
van verplichte zorg.
In de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden80 (WGS) wordt onder meer de gegevensdeling geregeld door Zorg- en Veiligheidshuizen
waar wordt samengewerkt tussen partijen die betrokken zijn bij strafrechtelijke en
bestuursrechtelijke handhaving, en begeleiding en zorg- en hulpverlening. Een Zorg-
en Veiligheidshuis is gericht op het voorkomen, verminderen en bestrijden van criminaliteit
en ernstige overlast en het voorkomen en verminderen van onveilige situaties voor
personen of binnen een gebied. De WGS stelt de Zorg- en Veiligheidshuizen in als samenwerkingsverband
waarbinnen – volgens de regels zoals de WGS die stelt – door de deelnemers gezamenlijk
gegevens worden verwerkt, om een zo compleet beeld te krijgen en tot een multidisciplinaire
aanpak te komen. In de WGS is vastgelegd wie de deelnemers aan het samenwerkingsverband
zijn.
In artikel 7.4.0 van de Jeugdwet is de verstrekking van gegevens ten behoeve van het
doen van onderzoek door de raad voor de kinderbescherming of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen
of jeugdreclassering geregeld. Daarbij regelt paragraaf 7.3 van de Jeugdwet voor jeugdhulpverleners
en medewerkers van gecertificeerde instellingen (GI’s) de regels voor gegevensverwerking.
In de Jeugdwet is verder geregeld dat derden die beroepshalve beschikken over inlichtingen
inzake feiten en omstandigheden over een onder toezicht gestelde minderjarige verplicht
zijn om de inlichtingen die noodzakelijk kunnen worden geacht voor de uitvoering van
de ondertoezichtstelling desgevraagd aan de GI te verstrekken. Daarnaast hebben zij
de mogelijkheid om deze inlichtingen op eigen initiatief te verstrekken zonder toestemming
en indien nodig met doorbreking van een geheimhoudingsplicht. In de Jeugdwet is ook
geregeld dat medewerkers van GI’s inlichtingen over een jeugdige of ouder kunnen verstrekken
aan degenen die rechtstreeks zijn betrokken bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel
of jeugdreclassering.
Met de Wet rechtspositie gesloten jeugdhulp81 is in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet geregeld dat de jeugdhulpaanbieder eens per zes
maanden een rapportage verstrekt over de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen
aan de GI indien deze ten aanzien van de jeugdige een kinderbeschermingsmaatregel
uitvoert, alsmede aan de ouders indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld
of aan de pleegouders. Verder is geregeld dat de jeugdhulpaanbieder diezelfde partijen
informeert over een overplaatsing, een insluiting, de maatregel dat een jeugdige verplicht
wordt deel te nemen aan een jeugdhulpprogramma of dat de jeugdige verplicht wordt
geneeskundige behandelingen te ondergaan. Tevens verstrekt de jeugdhulpaanbieder de
afschriften van beslissingen over vrijheidsbeperkende maatregelen die zijn genomen
in verband met een noodsituatie, voorafgaand aan de evaluatie van het hulpverleningsplan.
Voorafgaand aan het informeren is in principe de toestemming van de jeugdige vereist
indien deze ouder is dan 16 jaar, tenzij het informatie betreft voor de GI die noodzakelijk
is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
91.
De leden van de PVV-fractie vragen wat dit wetsvoorstel betekent voor de stukken die
de burgemeester in de procedure van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
(Wvggz) en Wet zorg en dwang (Wzd) heeft verkregen, zoals de medische verklaring van
een onafhankelijk psychiater, en waarvoor in de Wvggz en Wzd bepalingen zijn opgenomen
met betrekking tot het gebruik daarvan? Is het hergebruik van deze gegevens voor een
gecoördineerde aanpak wel verenigbaar met het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen?
In het voorgestelde artikel 5.4.2, vierde lid, is bepaald welke gegevens de burgemeester
mag verstrekken aan het college ten behoeve van een onderzoek naar meervoudige problematiek
of ernstige meervoudige problematiek. De in dat artikellid genoemde artikelen van
de Wvggz betreffen alleen artikelen die betrekking hebben op het nemen van een crisismaatregel,
een bevoegdheid van de burgemeester zelf. Voor de Wzd geldt hetzelfde, het betreft
de artikelen over opname en verblijf in crisissituaties, eveneens een bevoegdheid
van de burgemeester.
Op grond van artikel 8:34 Wvggz en artikel 18c, vierde lid, van de Wzd, rust op de
burgemeester een geheimhoudingsplicht tenzij enig ander wettelijk voorschrift hem
tot mededeling verplicht. Het voorgestelde artikel 5.4.2, vierde lid, betreft zo’n
wettelijk voorschrift waarbij de burgemeester beoordeelt in hoeverre die verstrekking
noodzakelijk is voor de uitvoering van het onderzoek naar meervoudige problematiek
op grond van artikel 2.3a.1 of artikel 2.3a.4. Op grond van dit artikel 5.4.2, vierde
lid – en de Wams als geheel – is het dus niet toegestaan dat de burgemeester gegevens
verstrekt uit de medische verklaring van de psychiater. De burgemeester kan in het
kader van de Wams alleen iets zeggen over een te nemen of genomen crisismaatregel.
Voor een goede uitvoering van een onderzoek naar meervoudige problematiek, ernstige
meervoudige problematiek en de gecoördineerde aanpak, regelt he wetsvoorstel dat bepaalde
in artikel 5.4.1, 5.4.2 en 5.4.4. bedoelde gegevens die eerder zijn verzameld voor
een niet verenigbaar doel kunnen worden verwerkt. Op grond van artikel 6, aanhef en
vierde lid, AVG is dit slechts mogelijk ter waarborging van een van de in artikel 23,
eerste lid, AVG bedoelde doelstellingen. In dit geval gaat het om de bescherming van
de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen (onderdeel i).
92.
De leden van de PVV-fractie vragen
hoe wordt voorkomen dat professionals onder druk gezet worden om onder het mom van
het voorkomen of beperken van ernstige meervoudige problematiek van de cliënt of zijn
gezinsleden (medische) gegevens te verstrekken zonder toestemming van de cliënt.
Het medisch beroepsgeheim is in het kader van toegankelijkheid van zorg een groot
goed. De regering begrijpt daarom de zorg van de leden van de PVV-fractie. De bepalingen
in de Wams over gegevensverwerking zijn zo ingericht dat zowel de partij die bepaalde
gegevens vraagt, als de partij die die gegevens verstrekt, moet kunnen onderbouwen
dat het om noodzakelijke gegevens gaat. Professionals zijn nauw betrokken bij hun
cliënten en kunnen zodoende vaak heel goed een inschatting maken van de situatie.
Professionals zijn zich ook zeer bewust van de vertrouwensband die ze met een cliënt
hebben en van de eisen die het beroepsgeheim aan hen stelt. Het college mag op grond
van artikel 5.4.2 vragen om gegevens die onder het beroepsgeheim vallen, maar moet
de noodzakelijkheid van die gegevens kunnen onderbouwen. Het is niet voldoende als
het college vraagt gegevens te verstrekken omdat die nodig zijn voor een onderzoek
naar meervoudige problematiek, die vraag is veel te breed. De onderbouwing van de
noodzaak moet gaan over specifieke gegevens in deze specifieke casus.
Gelet op het belang van het medisch beroepsgeheim voor de vrije toegankelijkheid van
zorg, heeft de professional de plicht om bij een verzoek om informatie een volledig
eigen afweging te maken of en zo ja welke gegevens verstrekt zouden moeten worden.
Die toets op noodzakelijkheid geldt ook als de cliënt toestemming geeft om gegevens
te verstrekken. Het (medisch) beroepsgeheim is van groot belang voor de vrije toegankelijkheid
van zorg. Omdat de regels rond het beroepsgeheim boven elke twijfel verheven moeten
zijn, en de nu in het wetsvoorstel opgenomen bepaling daarover teveel vragen oproept,
stel ik bij nota van wijziging een nieuw artikel 5.4.2, tweede lid, voor. De nieuwe
tekst van dit artikel is gebaseerd op artikel 2.29, tweede lid, van de Wet gegevensverwerking
door samenwerkingsverbanden82, die van toepassing is voor het delen van gegevens in Zorg- en Veiligheidshuizen.
In dat artikel is wel de uitzondering opgenomen om zonder toestemming of wettelijke
plicht gegevens te verstrekken op grond van goed hulpverlenerschap. Aangezien de Afdeling
advisering van de Raad van State in het advies over de Wams heeft geoordeeld dat dit
een criterium is dat zorgverleners onvoldoende houvast biedt, stel ik voor die uitzonderingsgrond
niet op te nemen in artikel 5.4.2, tweede lid.
Het streven is verder dat de diverse beroepsorganisaties door middel van voorlichting
en het zo nodig aanpassen van beroepscodes aan professionals handvatten gaan bieden
voor het handelen bij een verzoek om gegevens in verband met een onderzoek naar meervoudige
problematiek. Daarbij moet aandacht zijn voor de mogelijkheden om beroep te doen op
een vertegenwoordiger, en bij een vraag om gegevens bij ernstige meervoudige problematiek,
hoe en met welke collegiale toetsing een goede inschatting kan worden gemaakt van
de situatie en als gegevens worden verstrekt, op het inzetten op zo minimaal mogelijk
verstrekken van gegevens. Gemeenschappelijke kaders kunnen een individuele hulpverlener
helpen om in een specifieke casus tot een afweging te komen. Dit zelfde geldt voor
medewerkers van een lokaal team die namens het college onderzoek doen. Ook hier kunnen
gemeenschappelijke kaders helpen om tot een bij de casus passend informatieverzoek
te komen.
93.
Is de regering bereid het wetsvoorstel zo aan te passen dat zorgverleners niet zonder
toestemming van de cliënt (medische) gegevens mag verstrekken?, vragen de leden van
de PVV-fractie. Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op de voorgaande vraag heb toegelicht, stel ik voor de formulering
van artikel 5.4.2, tweede lid, zo aan te passen dat volstrekt duidelijk is dat het
vragen van toestemming aan de cliënt leidend is. De in artikel 5.4.2, tweede lid,
genoemde beroepsgeheimen zijn wettelijk vastgelegd om de vrije toegang tot de gezondheidszorg
en de jeugdhulp te waarborgen. Het wettelijk (medisch) beroepsgeheim betekent dat
de hulpverlener dient te zwijgen over al hetgeen hij over de patiënt weet. Ik ben
het met de leden van de PVV-fractie eens, dat grote terughoudendheid met betrekking
tot het doorbreken van het beroepsgeheim noodzakelijk is. Daarom is de bij nota van
wijziging voorgestelde bepaling zo ingericht dat doorbreking van het beroepsgeheim
alleen mogelijk is met toestemming van de patiënt of op grond vaneen wettelijke doorbrekingsgrond,
zoals artikel 7.4.0, tweede lid, van de Jeugdwet of artikel 5.2.2, onderdeel a, van
de Wmo 2015. Op grond van deze wettelijke bepalingen geldt in sommige gevallen voor
partijen een wettelijke plicht om bepaalde gegevens te verstrekken.
Het voorgaande betekent dat een wettelijke bepaling die énkel verstrekking op basis
van toestemming mogelijk maakt, niet past in het stelsel van geldende wettelijke verstrekkingsgronden.
Bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of naar ernstige meervoudige problematiek
zullen noodzakelijke gegevens van een zorgverlener of jeugdhulpverlener dus ofwel
na toestemming van de cliënt kunnen worden verstrekt, ofwel op basis van een wettelijke
verstrekkingsgrond. Als de cliënt een vertegenwoordiger heeft, kan aan de vertegenwoordiger
toestemming worden gevraagd. Als toestemming wordt gegeven, is het nog steeds de afweging
van de professional of het in het belang van de cliënt is om gegevens te verstrekken
én welke gegevens dan noodzakelijk zijn voor het onderzoek door het college.
94.
De leden van de PVV-fractie
vragen wanneer het belang dat de informatie geheim blijft precies zwaarder weegt dan
het beperken van ernstige meervoudige problemen? Wie bepaalt de mate van beperken
van de problematiek?
Waarom voldoet het huidige juridisch kader voor het verstrekken van gegevens aan een
derde, zoals het college van B&W, door zorgverleners met een beroepsgeheim niet voor
de integrale aanpak?
De kern van een belangenafweging is dat die altijd afhangt van de specifieke omstandigheden
van het geval, en dat bij een verzoek om gegevens waarop een geheimhoudingsplicht
rust die belangenafweging altijd wordt gemaakt door de hulpverlener op wie de geheimhoudingsplicht
rust. Het is dus niet in zijn algemeenheid te zeggen wanneer het belang van het beperken
van ernstige meervoudige problematiek precies zwaarder zou wegen dan het belang dat
wordt beschermd door het beroepsgeheim.
Het doel van een onderzoek naar meervoudige problematiek of ernstige meervoudige problematiek
is de cliënt, en eventueel het betrokken gezin, beter te kunnen helpen, zodat de problemen
worden verminderd of opgelost. Zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 92 stel
ik voor artikel 5.4.2, tweede lid, bij nota van wijziging aan te passen zodat in geval
van een medisch beroepsgeheim bij verstrekking van gegevens het huidige juridische
kader van toepassing is. Voor de vrije toegang tot zorg en de vertrouwensband tussen
arts en patiënt, weegt het beroepsgeheim altijd zwaar. Dat neemt niet weg dat een
zorgverlener in het belang van zijn cliënt die te kampen heeft met (ernstige) meervoudige
problematiek, zoveel mogelijk zijn medewerking aan een onderzoek en een eventueel
daarop volgende gecoördineerde aanpak, zou moeten verlenen. Door hierover met de cliënt
in gesprek te gaan, zal in veel gevallen toestemming worden verleend om de daarvoor
noodzakelijke gegevens te verstrekken.
95.
De leden van de PVV-fractie vragen waarom dit wetsvoorstel hulpverleners die op basis
van een beroepscode een geheimhoudingsplicht hebben, uitsluit?
Op grond van het voorgestelde artikel 5.4.2, eerste lid, hoeft geen enkele partij
«zomaar» gegevens te verstrekken. Bij ieder verzoek van het college om gegevens te
verstrekken voor een onderzoek naar meervoudige problematiek, zal het college moeten
aangeven waarom die gegevens noodzakelijk zijn. Er is geen grondslag voor het verstrekken
van gegevens die niet noodzakelijk zijn. Iedere partij aan wie het college op grond
van artikel 5.4.2, eerste lid, om informatie vraagt, moet daarom ook zelf die noodzaak
beoordelen. De uitkomst van die beoordeling kan bijvoorbeeld zijn dat er wel noodzaak
is om enige gegevens te verstrekken, maar niet alle gegevens die het college vraagt.
Dit wetsvoorstel biedt zodoende ook voldoende waarborgen aan partijen die werken op
basis van een beroepscode.
Het zal vaak voldoende zijn om de informatie te verstrekken dat de cliënt bij een
bepaalde hulpverlener komt, zonder dat iets bekend wordt gemaakt over de inhoudelijke
reden dat de cliënt deze hulpverlener bezoekt. Deze zogenaamde «dat» informatie kan
relevant zijn voor het onderzoek naar meervoudige problematiek, terwijl meer inhoudelijk
informatie uit het dossier, (zogenaamde «wat» informatie) vaak niet of in slechts
zeer beperkte mate noodzakelijk is.
96.
Op welke grondslag uit artikel 6 van de AVG kan een zorgverlener met een beroepsgeheim
zich beroepen als hij of zij zonder toestemming van de cliënt op basis van artikel 5.4.2
(bijzondere) persoonsgegevens aan het college B&W verstrekt?
Voor verstrekking van gegevens over de gezondheid zonder toestemming van de cliënt
kunnen verschillende grondslagen uit artikel 6 AVG van toepassing zijn. Zo kan de
verstrekking op grond van artikel 6, eerste lid, onder b, plaatsvinden, bijvoorbeeld
in het geval de zorgverlener van oordeel is dat de verstrekking nodig is in het kader
van de behandelovereenkomst. Artikel 6, eerste lid, onderdeel c, AVG geldt voor zover
toepassing wordt gegeven aan de wettelijke verplichting van artikel 5.4.2, eerste
lid. Als er sprake is van een situatie waarin de vitale belangen van de cliënt of
iemand andere moeten worden beschermd, geldt artikel 6, eerste lid, onderdeel d. Tot
slot kan de verstrekking door een zorgverlener ook plaatsvinden op grond van artikel 6,
eerste lid, onderdeel f (gerechtvaardigd belang).83
97.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering hoe duidelijk is wie de verantwoordelijkheid
draagt. Dit wetsvoorstel laat immers de mogelijkheid open dat het college bepaalde
taken uitbesteed, bijvoorbeeld aan een wijkteamorganisatie.
De in dit wetsvoorstel voorgestelde regels worden onderdeel van de Wmo 2015 en het
college van burgemeester en wethouders draagt op grond van die wet de verantwoordelijkheid
voor de uitvoering. Het valt binnen de gemeentelijke beleidsvrijheid hoe de uitvoering
van de Wmo 2015 alsmede de andere wetten uit het sociaal domein binnen de gemeentelijke
organisatie in de praktijk wordt geregeld. Dit wetsvoorstel brengt daar geen verandering
in. Veel gemeenten werken nu ook al met lokale (wijk) teams als eerste aanspreekpunt
voor mensen met hulpvragen.
98.
Waarom wordt inburgering gezien als een bijzonder onderdeel van dit wetsvoorstel,
zo vragen de leden van de PVV-fractie de regering. Waarom is gekozen voor een spiegelbepaling
in de Wet Inburgering 2021? Wordt de groep van nieuwkomers in Nederland niet al voldoende
ondersteund, daar waar er sprake is van een samenloop van hulpvragen rondom bijvoorbeeld,
welzijn, wonen, werk, inkomen, zorg- en ondersteuning en inburgering?
De spiegelbepaling is niet bedoeld voor meer hulp, maar voor het kunnen afstemmen
tussen betrokken partijen van in te zetten hulp. Dit is effectiever en voorkomt onnodige
inzet van hulp.
Vaak is bij inburgering ook andere ondersteuning nodig. De spiegelbepaling in de Wet
inburgering 2021 zorgt ervoor dat de gecoördineerde aanpak uit het wetsvoorstel wordt
gevolgd bij een samenloop van hulpvragen die blijkt bij een brede intake op grond
van de Wet inburgering. De spiegelbepaling verplicht het college een onderzoek te
starten voor inburgeringsplichtigen en hun gezinsleden op grond van artikel 2.3a.4,
tweede tot en met zevende lid, van het wetsvoorstel. Hiermee wordt de samenwerking
en gegevensuitwisseling tussen hulpverleners bij inburgering gefaciliteerd.
99.
Wanneer is er nu wel of niet sprake van een meervoudige problematiek, zo vragen de
leden van de CDA-fractie de regering. Gaat het om gezinnen/burgers waarbij twee problemen
in twee verschillende domeinen spelen of moeten genoemde leden dit anders zien? Hoe
bakent de regering in dit wetsvoorstel de doelgroep af?
Het wetsvoorstel bevat een definitie van meervoudige problematiek: meerdere samenhangende
problemen van een persoon of meerdere samenhangende problemen van gezinsleden die
betrekking hebben op verschillende aspecten van het sociaal domein, of het sociaal
domein en aanpalende domeinen. Het gaat dus inderdaad om ten minste twee samenhangende
problemen die spelen in verschillende domeinen. Dit kunnen twee problemen op verschillende
terreinen van het sociaal domein zijn, of één probleem op het sociaal domein en daarnaast
één probleem op een aanpalend domein.
Wat tot het sociaal domein behoort en wat tot de aanpalende domeinen, is ook opgenomen
in artikel 1.1.1 van het wetsvoorstel. Deze definities tezamen met de artikelen in
de verschillende sociaal domein wetten die toegang geven tot de in dit wetsvoorstel
voorgestelde procedure voor onderzoek naar meervoudige problematiek, bakenen de doelgroep
af. Daarbij is het inderdaad zo dat deze optelsom van problemen ook meerdere gezinsleden
kan betreffen. Per gezinslid hoeft het dan «maar» om één probleem te gaan. Als een
onderzoek naar meervoudige problematiek wordt gestart, moet er wel een vermoeden zijn
dat er samenhang is tussen problemen die spelen. Als een kind uit het gezin bijvoorbeeld
hulp in verband met dyslexie op grond van de Jeugdwet nodig heeft en de moeder uit
het gezin een beroep doet op de Participatiewet, en de moeder geeft daarbij aan dat
er verder geen problemen spelen, dan is er op dat moment geen aanleiding op een onderzoek
naar meervoudige problematiek te starten.
Als er wel een onderzoek wordt gedaan (omdat er aanwijzingen zijn dat het gaat om
samenhangende problemen) kan uiteindelijk uit het onderzoek toch blijken dat er geen
sprake is van samenhangende problemen. Er volgt dan geen voorstel voor een gecoördineerde
aanpak. Wel wordt aan de cliënten vertelt welke afzonderlijke diensten of hulp ze
kunnen krijgen. Dit is geregeld in artikel 2.3a.2 van het wetsvoorstel.
100.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe bij de uitvoering van dit wetsvoorstel rekening
wordt gehouden met mensen met een lichte verstandelijke beperking of mensen die laaggeletterd
zijn?
De Wmo 2015 voorziet in mogelijkheden om burgers ondersteuning te bieden in de vorm
van cliëntondersteuning. Doordat dit wetsvoorstel een wijziging van de Wmo 2015 is,
zal de gratis clientondersteuning ook beschikbaar zijn bij een onderzoek naar meervoudige
problematiek. In zowel artikel 2.3a.1, vijfde lid, als in artikel 2.3a.4, derde lid,
is geregeld dat de gratis cliëntondersteuning bij de start van het onderzoek wordt
aangeboden.
Daarnaast is in 2023 een leernetwerk «LVB-vriendelijke gemeente» opgestart. Dit netwerk
draagt bij aan meer toepasbare kennis over effectief beleid voor mensen met LVB. Het
leernetwerk is bedoeld voor professionals van gemeenten die direct of indirect in
contact staan met inwoners met een LVB. Dit zal ook gelden voor medewerkers die met
de Wams-procedures gaan werken. Daarnaast zijn er cursussen voor het signaleren van
en omgaan met laaggeletterdheid voor lokale teams. Bij het contact van deze doelgroepen
met de overheid is extra aandacht noodzakelijk. Dit geldt ook voor de uitvoering van
de Wams.
101.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe het werkt binnen deze wet als de cliënt een
verzoek doet om onderzoek te doen naar een meervoudige problematiek en in eerste instantie
actief betrokken is, maar halverwege de onderzoeksfase «afhaakt». Genoemde leden kunnen
zich voorstellen dat dit in praktijk regelmatig voor kan komen. Maakt deze wet het
dan mogelijk dat je «overstapt» naar de andere optie (2), namelijk, een verzoek door
een partij (organisatie)? Of moet dat gezien worden als een «losstaand» verzoek? En
ook dan kan de cliënt vervolgens toch hulp weigeren?
De twee manieren waarop een onderzoek naar meervoudige problematiek kan starten verschillen
dusdanig van elkaar dat van zomaar schakelen tussen de twee mogelijke onderzoeken,
geen sprake kan zijn. In het grootste deel van de gevallen zal een onderzoek aanvangen
naar aanleiding van een hulpvraag van een cliënt. Dit is een onderzoek op grond van
artikel 2.3a.1 van het wetsvoorstel. Zoals uit dit artikel en de toelichting daarop
blijkt, betreft dit een onderzoek in samenspraak met de cliënt. Dit betekent dat als
de cliënt aangeeft een bepaalde hulpvraag of een bepaald domein niet in het onderzoek
te willen betrekken, het onderzoek daar niet over zal gaan. Degene die dit namens
het college met de cliënt bespreekt, kan wel aangeven wat daarvan de eventuele nadelen
of beperkingen zijn, maar de samenspraak behelst dat een onderzoek binnen de grenzen
blijft die de cliënt aangeeft.
Het is natuurlijk denkbaar dat een cliënt gedurende het onderzoek afhaakt. Deels zal
dit te voorkomen te zijn door het geven van een duidelijk uitleg over het proces en
de termijnen.
In geval een cliënt toch afhaakt, kan niet zomaar worden overgeschakeld naar een onderzoek
op grond van artikel 2.3a.4 omdat de cliënt niet meer mee wilde werken. De cliënt
heeft immers zelf een verzoek om hulp gedaan, en kan ook zelf beslissen die toch niet
door te zetten.
Een onderzoek op grond van artikel 2.3a.4, kan alleen worden ingezet als – vermoedelijk
– sprake is van ernstige meervoudige problematiek. Artikel 2.3a.4, eerste lid, stelt
de voorwaarden waaraan het college het verzoek van een partij moet toetsen, alvorens
een dergelijk onderzoek te starten. Het betreft de criteria om vast te stellen of
er mogelijk sprake is van ernstige meervoudige problematiek. Het moet concreet gaan
om:
− voortdurende of terugkerende meervoudige problematiek waarvoor de persoon of personen
die het betreft geen of selectief hulp vragen of accepteren of de hulp die wel wordt
aanvaard niet effectief lijkt, terwijl vanwege de aard of complexiteit van de problemen
maatschappelijke teloorgang of een lage kwaliteit van leven en welzijn dreigt of al
aan de orde is,
− aanvullend daarop moet ofwel sprake zijn van de situatie dat in de omgeving van deze
persoon of personen gedurende langere tijd of telkens opnieuw problemen, hinder of
overlast wordt ervaren, ofwel dat de veiligheid van deze persoon of andere personen
of goederen in het geding is, en
− ten slotte moet de gecoördineerde aanpak ook kunnen bijdragen aan een oplossing of
het verminderen van de problemen.
Omdat een verzoek tot een onderzoek op grond van artikel 2.3a.4 moet voldoen aan deze
criteria, wordt gewaarborgd dat niet zomaar een onderzoek kan worden gestart op grond
van artikel 2.3a.4 nadat de cliënt heeft aangegeven zelf niet meer mee te willen werken
aan een onderzoek naar meervoudige problematiek op grond van artikel 2.3a.1. Uit de
voorwaarden van artikel 2.3a.4, eerste lid, blijkt, dat er nogal wat aan de hand moet
zijn alvorens een onderzoek wordt gestart zonder hulpvraag van de cliënt. Van «zomaar»
overstappen naar een onderzoek zonder medewerking van de client op grond van artikel 2.3a.4
als deze cliënt heeft aangegeven niet verder te willen met een onderzoek op grond
van artikel 2.3a.1, kan dus geen sprake zijn.
Ten slotte geldt bij beide onderzoek – dus met hulpvraag of bij ernstige meervoudige
problematiek zonder hulpvraag – dat de voorgestelde gecoördineerde aanpak alleen kan
worden gestart als de cliënt uiteindelijk de voorgestelde hulp en diensten en de voorgestelde
gecoördineerde aanpak aanvaardt. Een cliënt mag altijd geheel of gedeeltelijk het
voorstel weigeren. Alleen interventies die ook los van de Wams op grond van de wet
mogelijk zijn, bijvoorbeeld reclassering of verplichte jeugdhulp, of gedwongen zorg
op grond van de Wvggz of de Wzd, kunnen – volgens de bij die wetten gestelde regels
– worden opgelegd.
102.
De leden van de CDA-fractie lezen de toelichting bij de wet zo dat er in meerdere
gevallen sprake kan zijn van een onderzoek naar multiproblematiek. Bij de start van
het traject, het zogenaamde keukentafelgesprek, en later als gaandeweg blijkt dat
er meer hulp nodig is of dat er bepaalde zorgen of vermoedens zijn dat er meer aan
de hand is. Klopt dat?
Er kan inderdaad in verschillende situaties een onderzoek naar meervoudige problematiek
worden gestart. Ten eerste als iemand een verzoek doet om een dienst uit het sociaal
domein en bij of naar aanleiding van dat verzoek blijkt dat er mogelijk sprake is
van meervoudige problematiek (art. 2.3a.1, eerste lid). In samenspraak met de cliënt
wordt zo’n onderzoek gestart en wordt bepaald welke problemen in het onderzoek worden
betrokken.
Ten tweede kan een cliënt die al één of meerdere diensten uit het sociaal domein ontvangt,
en daarbij eventueel ook diensten uit aanpalende domeinen een verzoek doen tot het
uitvoeren van een onderzoek naar meervoudige problematiek, ten behoeve van een gecoördineerde
aanpak (art. 2.3a.1, tweede lid). Hierbij gaat het om de situatie dat iemand al hulp
ontvangt, maar zijn problemen niet goed worden opgelost omdat de verschillende diensten
niet goed op elkaar zijn afgestemd. Tijdens dit onderzoek kan ook blijken dat er meer
of andere hulp nodig is dan de cliënt tot nu toe kreeg.
Ten derde kan een professional die al bij een cliënt betrokken is en die merkt dat
er meer problemen spelen of die merkt dat de diensten die de cliënt ontvangt niet
goed op elkaar afgestemd zijn, met deze cliënt het gesprek aangaan en de cliënt erop
wijzen dat hij bij de gemeente om een onderzoek naar meervoudige problematiek kan
vragen (eveneens art. 2.3a.1, tweede lid).
Ten slotte kan een betrokken professional die constateert dat er mogelijk sprake is
van ernstige meervoudige problematiek en waarbij gesprekken hierover met de cliënt
niet tot een hulpvraag van de cliënt hebben geleid, op grond van art. 2.3a.4, eerste
lid, bij het college een gemotiveerd verzoek doen om een onderzoek te starten naar
ernstige meervoudige problematiek. Als het college aan de hand van de in dat artikel genoemde
criteria vaststelt dat er inderdaad sprake lijkt te zijn van ernstige meervoudige
problematiek, kan vervolgens een onderzoek worden gestart. De cliënt wordt hiervan
op de hoogte gesteld en zo mogelijk bij het onderzoek betrokken (art. 2.3a.4, derde
lid).
103.
In het verlengde van de vorige vraag, vragen de leden van de CDA-fractie hoe de regering
wil voorkomen dat er bij ieder «niet pluis gevoel» een onderzoek naar meervoudige
problematiek wordt gestart? Is de regering niet bang dat uit handelingsverlegenheid
van professionals snel naar dit middel wordt gegrepen?
Voor drie van de vier hierboven genoemde mogelijkheden om een onderzoek naar meervoudige
problematiek te starten geldt dat dit in samenspraak met de cliënt gebeurt. Het «niet
pluis gevoel» zal de professional dus met de cliënt moeten bespreken, hij kan niet
zomaar een onderzoek starten. Samen wordt over mogelijke problemen gesproken en de
cliënt geeft zelf aan wat hij bij het onderzoek wil betrekken. Of dat hij geen onderzoek
wil en alleen met een bepaald probleem geholpen wil worden. Het is dus niet zo dat
de professional zelf kan bepalen dat er een onderzoek naar meervoudige problematiek
wordt gedaan en hoe breed dat onderzoek is.
Voor een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek, zal de professional in
een verzoek aan het college aan de hand van de criteria van art. 2.3a.4, eerste lid,
moeten onderbouwen dat er mogelijk sprake is van ernstige meervoudige problematiek.
Het college start alleen zo’n onderzoek als het na toetsing van die onderbouwing ook
van oordeel is dat een onderzoek nodig is.
104.
De leden van de CDA-fractie constateren dat het college kan afzien van het aanwijzen
van een coördinator, als de cliënt (of als die er zijn, zijn/haar vertegenwoordigers)
gezamenlijk kenbaar maken dat één van deze betrokkenen, een gezinslid of een mantelzorger
zorg wil dragen voor coördinatie. Hiermee wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt
van de Wmo 2015 dat de ondersteuningsbehoefte van de cliënt centraal staat. Deze leden
snappen het recht van zelfbeschikking en het centraal staan van de ondersteuningsbehoefte
van de cliënt, maar vragen de regering of dit bij de gecoördineerde aanpak van multiproblematiek
altijd verstandig is. Het probleem is toch juist dat er meerdere problemen spelen
in meerdere sociale domeinen waarbij de cliënt zelf, zijn familie en mantelzorgers
in vast zijn gelopen, niet verder mee komen of niet goed in beeld hebben hoe groot
de problematiek werkelijk is?
De leden van de CDA-fractie merken terecht op dat in veel gevallen van meervoudige
problematiek het inderdaad verstandig zal zijn een professionele coördinator aan te
wijzen. De regeling om een van de betrokkenen of een gezinslid of een mantelzorger
zelf de coördinatie te laten uitvoeren is bedoeld voor situaties waarin deze mensen
goed in staat zijn zelf de coördinatie op zich te nemen. De cliënt is dan voldoende
geholpen doordat tijdens het onderzoek de problematiek duidelijker is geworden en
duidelijker is geworden hoe de verschillende diensten die hij nodig heeft op elkaar
kunnen worden afgestemd. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de ouders van een gehandicapt
kind of een kind dat mantelzorger is voor zijn beginnend dementerende vader. Het gaat
om een beperkte groep die geholpen is bij een onderzoek en daarop volgend de juiste
afspraken om tot een goed afgestemde aanpak te komen, maar daarna prima in staat is
om zelf weer de regie te pakken. Bij een verzoek om zelf te coördineren, wijst het
college enkel geen coördinator aan indien het aannemelijk is dat de persoon die gaat
coördineren in staat is om voor de benodigde afstemming te zorgen (art. 2.3a.3, tweede
lid).
105.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nog eens kan toelichten waarom zij
vindt dat een mantelzorger of een familielid zorg kan dragen voor de coördinatie?
En hoe werkt dit dan in relatie tot het inzien en verstrekken van gegevens. Is een
mantelzorger of familielid hier gemachtigd voor (uitgezonderd bij minderjarigen)?
Ziet de regering het probleem dat de coördinatie door familieleden of mantelzorgers
juist zorgt voor meer of andere problemen?
Zoals bij het antwoord op de voorgaande vraag is aangegeven, gaat het om uitzonderingsgevallen
waarin een mantelzorger of familielid zelf de coördinatie op zich kan nemen. Of dat
kan zal echt van de specifieke casus en daarbij betrokkenen afhangen. De inschatting
van het college moet zijn dat coördinatie «onder eigen regie» succesvol kan zijn en
naar verwachting niet zal leiden tot nieuwe problemen. Er komt in dat geval namelijk
geen gecoördineerde aanpak onder verantwoordelijkheid van het college alsmede geen
coördinator, met de in art. 2.3a.3, derde lid bedoelde wettelijke taken. De coördinatie
«onder eigen regie» houdt namelijk in dat de cliënt, vertegenwoordiger of mantelzorger,
zelf zorgt voor de benodigde afstemming met betrokken partijen, op basis van de op
grond van artikel 2.3a.2, eerste lid, door het college verstrekte informatie. Voor
deze informatie en het inzien of verstrekken van andere relevante gegevens geldt wat
hierbij ook in andere situaties geldt: ofwel de cliënt geeft hiervoor toestemming
aan de desbetreffende persoon ofwel de cliënt heeft een wettelijk vertegenwoordiger
die hierover namens de cliënt beslist.
106.
De regering stelt verder dat de coördinatortaken en hulpverleningstaken van elkaar
gescheiden moeten worden uitgeoefend. Hoe ziet de regering dit in praktijk voor zich,
zo vragen de leden van de CDA-fractie. Moeten dat twee verschillende personen zijn?
En zo ja, is dat bij de arbeidskrapte en werkdruk in de zorg, ook bij gemeenten, wel
realistisch?
De scheiding van de coördinatortaken en hulpverleningstaken betekent niet dat deze
taken niet bij één persoon belegd mogen worden. In de praktijk zal het juist vaak
iemand zijn die beide taken uitoefent. De scheiding van deze taken is vooral van belang
voor de gegevensverwerking. In het sociaal domein komt het nu ook al vaak voor – bijvoorbeeld
in lokale teams – dat de daar werkzame professionals zowel zorgen voor de toeleiding
naar zorg als voor het verlenen van zorg. In het traject Uitwisseling persoonsgegevens
en privacy (UPP) als onderdeel van het programma Sociaal Domein is in de periode 2018–2021
in samenwerking met privacy officers van gemeenten een aantal handreikingen opgesteld
voor gemeenten en medewerkers die werkzaam zijn in het sociaal domein of lokale teams.
Een van die handreikingen gaat over het zogenaamde pettenvraagstuk waarop deze vraag
doelt84. De medewerker moet zich bewust zijn van welke «pet» hij op een bepaald moment op
heeft; voor verschillende rollen gelden verschillende regels als het gaat om het verwerken
van persoonsgegevens. De gemeente, de bij het lokale team betrokken organisaties en
andere partijen die bij de coördinatie betrokken zijn, moeten hierover afspraken met
elkaar maken en zorgen dat de medewerkers hierover voldoende training krijgen. De
genoemde handreiking helpt hierbij.
107.
Begrijpen de leden van de CDA-fractie het goed dat bij het kunnen doorbreken van het
medisch beroepsgeheim er een criterium – vanwege de onderhavige wet – is toegevoegd?
Namelijk het criterium om te toetsen of de situatie noopt tot verstrekken zonder toestemming
van de betrokkene om ernstige meervoudige problematiek te voorkomen of te beperken?
Eigenlijk is er een afweging toegevoegd die de zorgprofessional mee moet wegen om
al of niet het medisch beroepsgeheim te doorbreken.
Het doel van een onderzoek naar meervoudige problematiek of ernstige meervoudige problematiek
is de cliënt, en eventueel het betrokken gezin, beter te kunnen helpen, zodat de problemen
worden verminderd of opgelost. Voor de vrije toegang tot zorg en de vertrouwensband
tussen arts en patiënt, weegt het beroepsgeheim altijd zwaar. Het vragen van toestemming
om gegevens te delen is en blijft daarom voorop staan. Een zorgverlener zal in het
belang van zijn cliënt die te kampen heeft met (ernstige) meervoudige problematiek,
zoveel mogelijk zijn medewerking aan een onderzoek en een eventueel daaropvolgende
gecoördineerde aanpak, moeten verlenen. Door hierover met de cliënt in gesprek te
gaan, zal in veel gevallen toestemming worden verleend om de daarvoor noodzakelijke
gegevens te verstrekken.
Professionals zijn zich zeer bewust van de vertrouwensband die ze met een cliënt hebben
en van de eisen die het beroepsgeheim aan hen stelt. Het college mag op grond van
artikel 5.4.2 vragen om gegevens die onder het beroepsgeheim vallen, maar moet de
noodzakelijkheid van die gegevens kunnen onderbouwen. Het is niet voldoende als het
college vraagt gegevens te verstrekken, omdat die nodig zijn voor een onderzoek naar
meervoudige problematiek, die vraag is veel te breed. De onderbouwing van de noodzaak
moet gaan over specifieke gegevens betrekking hebbend op een specifieke casus.
De professional heeft de plicht om bij een verzoek om informatie een volledig eigen
afweging te maken of en zo ja welke gegevens verstrekt zouden moeten worden. Die toets
op noodzakelijkheid geldt ook als de cliënt toestemming geeft om gegevens te verstrekken.
Het (medisch) beroepsgeheim is van groot belang voor de vrije toegankelijkheid van
zorg. Omdat de regels rond het beroepsgeheim boven elke twijfel verheven moeten zijn,
en de nu in het wetsvoorstel opgenomen criteria om eventueel gegevens te verstrekken
zonder toestemming bij ernstige meervoudige problematiek, te veel vragen oproepen,
stel ik bij nota van wijziging een nieuw artikel 5.4.2, tweede lid, voor. De nieuwe
tekst van dit artikel is gebaseerd op artikel 2.29, tweede lid, van de Wet gegevensverwerking
door samenwerkingsverbanden, die van toepassing is voor het delen van gegevens in
Zorg- en Veiligheidshuizen. In dat artikel is wel de uitzondering opgenomen om zonder
toestemming of wettelijke plicht gegevens te verstrekken op grond van goed hulpverlenerschap.
Aangezien de Afdeling advisering van de Raad van State in het advies over de Wams
heeft geoordeeld dat dit een criterium is dat zorgverleners onvoldoende houvast biedt,
stel ik voor die uitzonderingsgrond niet op te nemen in artikel 5.4.2, tweede lid.
Het streven is verder dat de diverse beroepsorganisaties door middel van voorlichting
en het zo nodig aanpassen van richtlijnen en handreikingen aan professionals handvatten
gaan bieden voor het handelen bij een verzoek om gegevens in verband met een onderzoek
naar meervoudige problematiek. Daarbij moet aandacht zijn voor de mogelijkheden om
beroep te doen op een vertegenwoordiger, en bij een vraag om gegevens bij ernstige
meervoudige problematiek, hoe en met welke collegiale toetsing een goede inschatting
kan worden gemaakt van de situatie en als gegevens worden verstrekt, op het inzetten
op zo minimaal mogelijk verstrekken van gegevens. Gemeenschappelijke kaders kunnen
een individuele hulpverlener helpen om in een specifieke casus tot een afweging te
komen. Ditzelfde geldt voor medewerkers van een lokaal team die namens het college
onderzoek doen. Ook hier kunnen gemeenschappelijke kaders helpen om tot een bij de
casus passend informatieverzoek te komen.
108.
Het is misschien noodzakelijk tussentijds een casusoverleg met betrokken partijen
te houden. Tijdens een casusoverleg bespreken betrokken professionals, bij voorkeur
in aanwezigheid van de cliënt(en), de verschillende aspecten van de problemen van
de cliënt(en). Kunnen de leden van de CDA-fractie dit vergelijken met de zogenaamde
zorgplanbespreking met ouderen en mantelzorgers in het verpleeghuis?
De overeenkomst tussen een casusoverleg op grond van de Wams gedurende de gecoördineerde
aanpak en een zorgplanbespreking met een cliënt en mantelzorgers in een verpleeghuis
is dat de betrokken partijen en professionals met de betrokkenen om tafel gaan zitten
en bespreken wat de cliënt nodig heeft en wat er aangepast moet worden in de hulp-
en zorgverlening. Een verschil is dat een zorgplanbespreking waarschijnlijk veel zorginhoudelijker
zal zijn, dus op het niveau van medicatie, voeding en dagbesteding. Bij een casusoverleg
op grond van de Wams gaat het om de inbreng van en samenwerking tussen verschillende
bij de hulpverlening betrokken partijen, waarbij die partijen ieder een eigen taak
en expertise hebben. Het gaat dan vooral om de onderlinge afstemming: wie doet wat
en wanneer zodat de hulp en eventuele interventies elkaar versterken in plaats van
tegenwerken. Bij een casusoverleg zal over het algemeen niet over de concrete zorginhoud
worden gesproken omdat dat niet noodzakelijk is voor de afstemming van de samenwerking
tussen betrokken partijen.
109.
Het is de leden van de CDA-fractie (nog) onduidelijk wie een casusoverleg kan initiëren.
Denkt de regering niet dat dit kan leiden tot een (nog) groter «vergadercircus»? Dit
omdat bij iedere casus onderzocht moet worden wie waarvoor verantwoordelijk is en
indien noodzakelijk, de coördinatie op zich gaat nemen?
De aanpak van meervoudige problematiek op grond van de Wams, is onderverdeeld in twee
fases. In beide fases kan er een casusoverleg worden gehouden.
De eerste fase is de fase van het onderzoek naar mogelijke meervoudige problematiek
door het college. In artikel 2.3a.1, zevende lid, en artikel 2.3a.4, vierde lid is
geregeld dat ten behoeve van dat onderzoek door het college een casusoverleg kan worden
gehouden. Het college kan op grond van artikel 5.4.3, eerste lid, partijen uitnodigen
voor dat casusoverleg. Het gaat dan om partijen waarvan het college heeft vastgesteld
dat deelname van de desbetreffende partij noodzakelijk is gelet op het onderzoek naar
de meervoudige problematiek in die specifieke casus.
De tweede fase is de fase van de gecoördineerde aanpak. Als er een gecoördineerde
aanpak wordt gestart, wijst het college daarvoor op grond van artikel 2.3a.3, eerste
lid, een coördinator aan. Tijdens de gecoördineerde aanpak zorgt de coördinator voor
de afstemming tussen de cliënt of cliënten, en indien deze er is een vertegenwoordiger
van een cliënt, en bij de gecoördineerde aanpak betrokken partijen. Als de coördinator
– in samenspraak met de cliënt – van oordeel is dat het tijdens de gecoördineerde
aanpak op enig moment nodig is om voor de afstemming tussen de betrokken partijen
een casusoverleg te houden, gelden daarvoor de regels van artikel 5.4.3. Dit zijn
dezelfde regels als voor het houden van een casusoverleg door het college in de onderzoeksfase.
Deze regels hebben betrekking op de gegevensverwerking in het casusoverleg en eventuele
verdere verwerking van gegevens uit dat casusoverleg door betrokken partijen.
In beide fases geldt dat een casusoverleg niet verplicht is en alleen zal worden gehouden
als het college of tijdens de gecoördineerde aanpak de coördinator – in samenspraak
met de cliënt – van oordeel is dat een casusoverleg zinvol is voor een goede afstemming
tussen betrokken partijen. Gelet op deze opzet van de Wams, verwacht ik niet dat er
een vergadercircus op gang komt.
110.
De leden van de CDA-fractie vragen waarom niet in de wet is opgenomen maar bij AmvB
bepaald (artikel 2.3a.5) welke partijen vanuit de aanpalende domeinen bij een onderzoek
naar de mogelijke coördinatie kunnen worden betrokken en voor welke taken zij kunnen
worden betrokken?
De reden is dat een regeling bij amvb iets meer flexibiliteit geeft als blijkt dat
aanpassing nodig is vanwege een te ruime of te enge verwijzing naar partijen of de
taken van partijen. Daarbij is het zo dat de kernelementen, namelijk de definitie
van partij tezamen met de definitie van aanpalende domeinen, in de wet staan, zodat
de reikwijdte van het wetsvoorstel voldoende duidelijk is en de delegatie concreet
en begrensd is.
In de voorgestelde wijziging van artikel 1.1.1 is de definitie van partij opgenomen.
Het betreft alle instanties en mensen die kunnen worden betrokken bij een onderzoek
naar meervoudige problematiek en daarna bij een gecoördineerde aanpak. Die aanpak
ziet zowel op het sociale domein als op de aanpalende domeinen. Omdat aanpalende domeinen
potentieel een groot werkterrein beslaan, is het omwille van de rechtszekerheid van
cliënten maar ook voor de potentiële partijen zelf noodzakelijk om duidelijk af te
bakenen welke partijen op grond van welke taken betrokken kunnen worden bij het onderzoek
en de gecoördineerde aanpak. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft dit ook in zijn
advies aangegeven.
Bij deze nota naar aanleiding van het verslag, is als bijlage de conceptlijst toegevoegd.
De concept amvb zal op korte termijn in internetconsultatie gaan.
111.
Het college is verwerkingsverantwoordelijke indien de coördinator een gemeenteambtenaar
is. Indien een organisatie of een medewerker van een organisatie coördinator is, is
die partij verwerkingsverantwoordelijk. Deelt de regering het punt van de leden van
de CDA-fractie dat dit in praktijk voor cliënten heel ingewikkeld kan zijn? Als aan
alle meervoudige probleemburgers maatwerk geleverd moet worden, moet ieder keer bepaald
worden wie er coördinator is van de gecoördineerde aanpak en verantwoordelijk is om
de gegevens te verwerken. Waarom is dit niet middels de wet bij een partij neergelegd?
De regering is het met de leden van de CDA-fractie eens dat het voor mensen met meervoudige
problematiek duidelijk moet zijn bij wie ze terecht kunnen. Daarom hebben deze mensen
of gezinnen tijdens de gecoördineerde aanpak één aanspreekpunt, de door het college
aangewezen coördinator. Het zou voor cliënten juist niet duidelijk zijn als ze met
vragen over de gegevensverwerking weer ergens anders moeten zijn. Aan cliënten moet
bij de start van de gecoördineerde aanpak worden uitgelegd wat zij van de coördinator
kunnen verwachten, wat zijn taken en verantwoordelijkheden zijn, ook ten aanzien van
gegevensverwerking én bij wie zij terecht kunnen bij vragen of klachten. Juridisch
en praktisch wordt het ook ingewikkeld als het college verwerkingsverantwoordelijke
zou zijn voor de verwerking van gegevens door een coördinator die bij een andere partij
in dienst is.
112.
Gezien het feit dat wetstechnisch geregeld is dat zowel een gemeente als een organisatie
verwerkingsverantwoordelijke kan zijn, vragen deze leden de regering of dit uitvoeringstechnisch
niet tot heel veel verschillende manieren van gegevenswerking kan leiden. Is de regering
voornemens hier in lagere regelgeving wat over vast te leggen? Zo nee, is de regering
niet bang dat dit leidt tot een administratieve chaos? Hoe moeten systemen onderling
informatie uitwisselen als iedere organisatie en gemeente met andere soorten computersystemen
of data-uitwisselingsystemen werken? De regering is het toch met de leden van de CDA-fractie
eens dat dit de onderlinge samenwerking, afstemming en gegevensuitwisseling niet bevordert?
Door de systematiek van de Wams waarbij geen grootschalige gegevensuitwisseling plaatsvindt,
is de regering niet bang dat er een administratieve chaos zal ontstaan. De Wams is
ingericht op het goed samenwerken van partijen die betrokken zijn bij een cliënt met
meervoudige problematiek. Daarbij is de gegevensverwerking ingericht op het zo min
mogelijk delen van gegevens en vindt geen grootschalige uitwisseling van gegevens
of het opzetten van één groot gezamenlijk dossier plaats. Om onnodige verwerking van
gegevens te beperken is de Wams ook gefaseerd ingericht.
In de eerste fase, het onderzoek naar meervoudige problematiek, verwerkt het college
de gegevens die daarvoor nodig zijn en is dus verwerkingsverantwoordelijke. In deze
fase bepaalt het college ook voor welke diensten uit het sociaal domein de cliënt
in aanmerking komt.
In de tweede fase, de gecoördineerde aanpak, wordt een coördinator aangewezen. De
coördinator is vanaf dat moment het aanspreekpunt voor de cliënt en vanaf dat moment
tot aan het beëindigen van de gecoördineerde aanpak, is de organisatie waar de coördinator
werkt, verwerkingsverantwoordelijke. In art. 5.4.4, derde lid, is geregeld dat de
coördinator van het college de voor zijn taak noodzakelijke gegevens ontvangt. Er
zijn dus nooit tegelijkertijd voor dezelfde gegevens, twee verwerkingsverantwoordelijken.
Daar waar het praktische aanspreekpunt is voor de cliënt in een bepaalde fase, ligt
ook de verwerkingsverantwoordelijkheid.
Een andere vraag is of gegevens op verschillende manieren verwerkt zullen worden.
Dat kan inderdaad. Betrokken organisaties en gemeenten blijven met hun eigen systemen
werken, en die kunnen verschillend zijn. De Wams regelt daar niets voor omdat het
geen wetsvoorstel is dat structurele en grootschalige gegevensuitwisseling mogelijk
maakt. Werkwijzen en processen op grond van diverse wetten blijven ongemoeid. De taken
die in het wetsvoorstel aan de coördinator zijn toebedeeld, worden in de praktijk
ook wel aangeduid als procesregie. Artikel 5.4.4 regelt dat de coördinator gegevens
kan verwerken voor zover noodzakelijk voor het uitvoeren van zijn taken, dat de betrokken
partijen gegevens verstrekken aan de coördinator, dat de coördinator gegevens verstrekt
aan partijen voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van taken door die partij,
en dat hij na afronding van de gecoördineerde aanpak alle gegevens die zijn verwerkt
ten behoeve van de coördinatietaak overdraagt aan het college. Met het beëindigen
van de coördinatietaken en het overdragen van de gegevens eindigt de verwerkingsverantwoordelijkheid
van de coördinerende partij.
113.
De leden van de SP-fractie constateren dat het wetsvoorstel regelt dat er per AMvB
moet worden vastgesteld welke instanties als partij worden aangewezen waarmee gegevens
mogen worden gedeeld op basis van deze wet. Heeft de regering momenteel al een lijst
met welke instanties hiervoor zouden worden aangewezen? Zo ja, zou de regering deze
lijst of concept-AMvB alvast met de Kamer kunnen delen, zodat deze kan worden betrokken
bij de wetsbehandeling?
De concept-lijst met beoogde partijen die deel kunnen nemen aan een onderzoek naar
meervoudige problematiek en aan een gecoördineerde aanpak is gereed en als bijlage
aan deze nota naar aanleiding van het verslag toegevoegd. De concept-amvb die met
veldpartijen, waaronder gemeenten, UVW, SVB en CIZ, is voorbereid, zal op korte termijn
via een internetconsulatie openbaar worden gemaakt.
114.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering welke eisen gesteld worden aan een
coördinator en hoe ervoor gezorgd wordt dat er optimale coördinatie plaatsvindt als
gekozen wordt voor een gezinslid of mantelzorger als coördinator. De taken die bij
de procesregie behoren vergen bepaalde vaardigheden. Hoe wordt voorkomen dat een coördinator
wordt aangesteld die onvoldoende functioneert? En heeft iedere gemeente voldoende
mensen beschikbaar voor een coördinatiefunctie?
De regering is het met de leden van de PvdA-fractie eens dat het belangrijk is dat
de coördinatietaken worden belegd bij iemand die die taken goed kan uitvoeren. In
artikel 2.3a.3, derde lid, wordt bepaald dat de coördinator zorgt draagt voor afstemming
tussen de cliënt of cliënten, en indien deze er is een vertegenwoordiger van een cliënt,
en bij de gecoördineerde aanpak betrokken partijen. Als het nodig is kan ten behoeve
van de afstemming een casusoverleg worden belegd. Inderdaad vergt dit bepaalde vaardigheden.
Over het algemeen beschikken professionals die in lokale teams werken en hulpverleners
hierover. Het is de verantwoordelijkheid van het college om een persoon als coördinator
aan te wijzen die geschikt is voor de cliënt of gezin waar het om gaat. Verder valt
het binnen de beleidsvrijheid van de gemeente om bepaalde functie-eisen te stellen.
De coördinator heeft als taak het monitoren van de voortgang van de uitvoering van
de gecoördineerde aanpak, het afstemmen met de bij de gecoördineerde aanpak betrokken
partijen, en zo nodig het maken van afspraken tussen betrokken partijen, bijvoorbeeld
bij signalen dat de uitvoering van de gecoördineerde aanpak op belemmeringen stuit.
Hoeveel tijd dat kost zal afhangen van de casus en het aantal partijen dat is betrokken
bij de gecoördineerde aanpak. De regering verwacht dat er voldoende geschikte coördinatoren
zullen zijn, omdat zij die taak veelal zullen vervullen naast het werk als hulpverlener
of medewerker van het lokale team. Een coördinator is de spin in het web bij een gecoördineerde
aanpak, maar zal dat over het algemeen goed naast het gewone werk kunnen doen.
De regeling van artikel 2.3a.3, tweede lid, maakt het ook mogelijk dat géén coördinator
wordt aangewezen. De regeling om een van de betrokkenen of een gezinslid of een mantelzorger
zelf de coördinatie te laten uitvoeren is bedoeld voor situaties waarin deze mensen
goed in staat zijn zelf de coördinatie op zich te nemen. De cliënt is dan voldoende
geholpen doordat tijdens het onderzoek de problematiek duidelijker is geworden en
duidelijker is geworden hoe de verschillende diensten die hij nodig heeft op elkaar
kunnen worden afgestemd. Het gaat om een beperkte groep waarbij te denken valt aan
de ouders van een gehandicapt kind of een familielid die zorgt voor zijn hulpbehoevende
moeder. Het moet voor het college aannemelijk zijn dat deze mensen dat in de gegeven
situatie inderdaad goed zelf kunnen. Anders zal het college zelf een coördinator moeten
aanwijzen (art. 2.3a.3, tweede lid).
115.
De leden van de PvdA-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat de coördinatie wordt afgeschoven
op de cliënt of iemand uit diens omgeving. Waarom wordt wel de mogelijkheid geboden
dat iemand die als hulpverlener is betrokken tevens de coördinatiefunctie op zich
neemt? Zou het in gevallen van meervoudige problematiek niet beter zijn juist voor
een onafhankelijke coördinator te kiezen om te komen tot optimale zorg- en hulpverlening?
Het college is op grond van het voorgestelde artikel 2.3a.3, eerste lid, verantwoordelijk
om een coördinator aan te wijzen, die de in dit artikel benoemde coördinatietaken
naar behoren uit kan voeren. De mogelijkheid dat een gezinslid, vertegenwoordiger
of mantelzorger zelf zal zorgdragen voor coördinatie, bestaat op grond van artikel 2.3a.3,
tweede lid, alleen als deze betrokkenen die wens gezamenlijk kenbaar maken én het
voor het college aannemelijk is dat de beoogde persoon hiertoe in staat is, en aangeeft
dit te willen doen. In veel gevallen van meervoudige problematiek gaat het echter
om kwetsbare mensen die hulp nodig hebben en geen netwerk om zich heen hebben die
hen daarbij goed kan helpen. Voor deze mensen zal het college een coördinator moeten
aanwijzen.
Zoals bij de vorige vraag al is aangegeven zal deze coördinator vaak een medewerker
van het lokale team of een hulpverlener zijn die al betrokken is bij de cliënt of
het gezin. Zij kennen de mensen en de problematiek goed en hebben vaak al het vertrouwen
van de cliënt. Dit maakt het voor veel cliënten prettiger en overzichtelijker. Een
onafhankelijke coördinator voegt daaraan niets toe. De optimale zorg- en hulpverlening
wordt met de betrokken partijen afgestemd op basis van de afspraken in de gecoördineerde
aanpak. De coördinator heeft daarbij de regie door het monitoren van de voortgang
van de afgesproken diensten, hulp en eventuele interventies, vaststellen dat nadere
afstemming nodig is en zo nodig het maken van afspraken tussen betrokken partijen.
Het is dan een voordeel als de coördinator kennis heeft van de casus. Onafhankelijkheid
is geen noodzakelijkheid, omdat de coördinator een verbinder is en geen bevoegdheden
kan uitoefenen die berusten bij de betrokken partijen.
116.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering hoe ervoor gezorgd wordt dat de coördinatiefunctie
alleen kan worden uitgevoerd door iemand die daartoe bereid is en of en hoe dit in
het wetsvoorstel kan worden vastgelegd.
Het college is verantwoordelijk voor de gecoördineerde aanpak en zodoende ook voor
het aanwijzen van een coördinator die deze taak naar behoren kan vervullen. Daarbij
past niet aan iemand deze taak toe te delen die daar niet toe bereid is. Dit verder
vastleggen in regels voegt gelet op deze verantwoordelijkheid niets toe.
117.
Hoe wordt voorkomen dat de coördinatiefunctie en de behandelfunctie worden vermengd
en een partij twee verschillende functies uitoefent in één casus, vragen de leden
van de PvdA-fractie.
Het vraagstuk waar de leden van de PvdA-fractie in deze vraag op doelen, is niet nieuw.
In het sociaal domein komt het vaak voor – bijvoorbeeld in lokale teams – dat de daar
werkzame professionals zowel zorgen voor de toeleiding naar zorg als voor het verlenen
van zorg. In het traject Uitwisseling persoonsgegevens en privacy (UPP) als onderdeel
van het programma Sociaal Domein is in de periode 2018–2021 in samenwerking met privacy
officers van gemeenten een aantal handreikingen opgesteld voor gemeenten en medewerkers
die werkzaam zijn in het sociaal domein of lokale teams. Een van die handreikingen
gaat over het zogenaamde pettenvraagstuk. De medewerker moet zich bewust zijn van
welke «pet» hij op een bepaald moment op heeft; voor verschillende rollen gelden verschillende
regels als het gaat om het verwerken van persoonsgegevens. De gemeente, de bij het
lokale team betrokken organisaties en andere partijen die bij de coördinatie betrokken
zijn, moeten hierover afspraken met elkaar maken. De genoemde handreiking helpt hierbij.
Zoals bij de voorgaande vragen is toegelicht, is het voor een cliënt vaak fijn als
de coördinator iemand is die ook vanuit de hulpverlening betrokken is. En professionals
zijn heel goed in staat hun rollen uit elkaar te houden, en dit ook begrijpelijk te
maken voor de betrokken cliënt.
118.
De leden van de PvdA-fractie vragen hoe een dossier over de coördinatie van een casus
wordt aangelegd en bewaard.
De regels voor verwerking van persoonsgegevens door een coördinator, zijn vastgelegd
in artikel 5.4.4, tweede tot en met vijfde lid. De aangewezen coördinator krijgt van
het college de gegevens die noodzakelijk zijn om de coördinatietaken uit te voeren.
De partij of het college waarvoor de coördinator werkzaam is, is verwerkingsverantwoordelijke
en moet zorgen voor een verwerkingssysteem dat voldoet aan de beveiligingseisen en
waarin dossiers met betrekking tot de inhoud van hulpverlening en met betrekking tot
de coördinatie van elkaar gescheiden zijn. Als de gecoördineerde aanpak wordt beëindigd,
worden de gegevens op grond van artikel 5.4.5, tweede lid, twee jaar door het college
bewaard.
119.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering verder naar de impact van het voorliggende
wetsvoorstel op het beroepsgeheim en de vertrouwensrelatie tussen zorgverlener en
patiënt/cliënt en vinden een uitvoeringstoets van de gevolgen bij cliënten, zorgaanbieders
en hulpverleners noodzakelijk. Deze leden vragen de regering waarom er niet voor wordt
gekozen een uitvoeringstoets te doen.
Bij het opstellen van het voorstel is een impact-analyse uitgevoerd door de VNG en
zijn cliënten en zorgkoepels betrokken. In artikel IX van het wetsvoorstel is een
evaluatiebepaling opgenomen die voorziet in een evaluatie na vijf jaar. Ik wil toezeggen
dat een invoeringstoets na een jaar wordt uitgevoerd, met daarin specifiek aandacht
voor de effecten van deze wet voor cliënten, zorgaanbieders en hulpverleners.
120.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering ook waarom er – ondanks de oproep
van de KNMG in 2020 hiertoe – niet voor is gekozen om in het wetsvoorstel vast te
leggen dat (medische) gegevens, die worden verstrekt door een zorgverlener met een
beroepsgeheim worden gedeeld, alleen mogen worden verwerkt door of onder verantwoordelijkheid
van iemand van de gemeente die ook een beroepsgeheim heeft. Hoe kan anders worden
gewaarborgd dat de gegevens worden gebruikt door iemand die over voldoende kennis
beschikt om deze juist te interpreteren?
Een onderzoek naar meervoudige problematiek heeft tot doel een goed beeld te krijgen
van de problemen die spelen en de samenhang daartussen zodat op basis daarvan een
goed voorstel voor een gecoördineerde aanpak kan worden gedaan. De Wams geeft grondslagen
voor de verwerking van gegevens, in elke fase slechts voor zover die verwerking noodzakelijk
is. Bij gegevens over de gezondheid die noodzakelijk zijn voor het onderzoek naar
meervoudige problematiek of voor de gecoördineerde aanpak, gaat het om beperkte gegevens.
Hierbij moet bedacht worden dat bijvoorbeeld het gegeven dat een cliënt slecht ter
been is al een medisch gegeven is dat zeer relevant kan zijn voor de aanpak van de
meervoudige problematiek van deze cliënt. De medische oorzaak daarvan is echter geen
noodzakelijk gegeven voor het onderzoek. Belangrijk is dat in de Wams de gegevensverwerking
is beperkt tot die gegevens die in een concrete casus noodzakelijk zijn gelet op het
doel van het onderzoek. Medische gegevens uitvragen terwijl die niet relevant zijn,
is niet toegestaan. De zorgverlener die gegevens verstrekt, zal eveneens de noodzaak
van verstrekking moeten vaststellen en zo nodig de betekenis daarvan moeten duiden.
Professionals maken – gesteund door richtlijnen en werkinstructies – zelf de afweging
of en in hoeverre informatieverstrekking noodzakelijk kan worden geacht. Veelal zullen
echter medische gegevens die alleen een verpleegkundige of een arts kan interpreteren,
zoals onderzoeksuitslagen, medicatieoverzichten, niet relevant zijn voor het onderzoek
naar meervoudige problematiek.
Ten slotte geldt voor wat betreft de vertrouwelijkheid van gegevens, dat personen
die namens het college een onderzoek naar meervoudige problematiek doen, op grond
van art. 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht tot geheimhouding verplicht zijn.
121.
De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre gemeenten vanuit de Participatiewet
verplicht zijn begeleiding te bieden aan kwetsbare schoolverlaters en hoe daarop wordt
toegezien.
Opgrond vande Participatiewetkan het college jongeren zonder startkwalificatie ondersteunen
bijleer-werktrajecten.Daarnaast hebben gemeenten op grond van de Participatiewet de
taak om een verordening te maken met het beleidvoor de ondersteuning van jongeren.De
gemeenteraad controleert het werk van het college. De wet van school naar duurzaam
werk85 voorziet in een structurele rol voor gemeenten om jongeren die dit nodig hebben te
begeleiden naar werk. Hierin werken gemeenten nauw samen met onderwijsinstellingen
en het Doorstroompunt (RMC), met name gericht op jongeren uit het praktijk- en voorgezet
speciaal onderwijs, het mbo en voortijdig schoolverlaters. Partijen worden op verschillende
manieren gestimuleerd om samen te werken en te zorgen voor doorlopende begeleiding.
De gemeente heeft vooral een rol bij jongeren die, ondanks de inspanningen van onderwijsinstellingen
of het Doorstroompunt (RMC), nog geen werk hebben gevonden. Vaak komt dit door de
aanwezigheid van meerdere gestapelde problemen. Op grond van de Wams kan de gemeente
– in samenspraak met de jongere – een onderzoek doen naar die meervoudige problematiek
en eventueel een gecoördineerde aanpak starten. Op basis van signalen van bijvoorbeeld
onderwijsinstellingen of het Doorstroompunt (RMC) gaan gemeenten in gesprek met jongeren
en bekijken op basis van de situatie of en hoe intensief een jongere ondersteuning
nodig heeft.
122.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering in hoeverre woningcorporaties hun
wettelijke taak om te investeren in onder meer het realiseren van wonen met zorg voor
mensen met een zorg en/of ondersteuningsbehoefte, daadwerkelijk voldoende uitvoeren.
Deze leden zijn het eens met de regering dat corporaties oog moeten hebben voor minder
conventionele wijzen van huisvesting als aanvulling op de reguliere woningvoorraad.
Zij vragen haar daarom in hoeverre regels deze onconventionele oplossingen in de weg
staan en aan welke oplossingen dan concreet kan worden gedacht. Zij vragen de regering
ook hoe woningcorporaties nu investeren in sociaal beheer in de wijken en of dat overal
in voldoende mate gebeurt.
In de Nationale Prestatieafspraken (NPA) voor de volkshuisvesting86, tussen de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Aedes (koepel
voor woningcorporaties), de Woonbond (koepel voor huurders) en de VNG, zijn afspraken
gemaakt over de realisatie van woningen voor wonen en zorg door woningcorporaties,
ter uitvoering van het «Programma wonen en zorg voor ouderen». In de NPA zijn afspraken
gemaakt voor het aantal te realiseren geclusterde woonvormen en voor zorggeschikte
woningen voor mensen met een specifieke zorgbehoefte. Corporaties maken hun voornemens
kenbaar op grond van artikel 44, eerste lid, onder a, van de Woningwet en artikel 19
(met bijlage 5) van de Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting (Rtiv) door
middel van de Prospectieve informatie (dPi). De verantwoording maken corporaties kenbaar
door middel van de Verantwoordingsinformatie (dVi) – artikel 36a, vierde lid, van
de Woningwet en artikel 16 (met bijlage 3) van de Rtiv. Via de dPi en de dVi wordt
inzicht verkregen of individuele woningcorporaties en tevens alle woningcorporaties
gezamenlijk voldoen aan de afspraken hierover en de vraag of hiervoor mogelijk aanvullende
inspanningen nodig zijn. Bij minder conventionele wijzen van huisvesting gaat het
om alle vormen van tijdelijke woningen, waaronder ook het ombouwen van bestaand vastgoed
dat eerder niet als woning is verhuurd. Op grond van hun volkshuisvestelijke taken,
kunnen corporaties belangrijke bijdragen leveren aan de leefbaarheid in wijken en
buurten met corporatiebezit. Dat hangt samen met het gegeven dat van corporaties wordt
verwacht dat ze verschillende doelgroepen huisvesten. Onderdeel van de leefbaarheidstaak
is dat corporaties daarom kunnen investeren in sociaal beheer door de inzet van een
huismeester, naast andere investeringen. De investeringen in leefbaarheid door woningcorporaties
waren tot 1 januari 2022 mogelijk tot een gemaximeerd bedrag per woning. Sinds die
datum wordt die eis niet meer gesteld en kunnen corporaties daarin een eigen afweging
maken en zo nodig meer maatwerk leveren.
123.
De leden van de GroenLinks-fractie lezen in deze paragraaf van de memorie van toelichting
dat het ook mogelijk is voor het college om een onderzoek in te stellen wegens «ernstige
problematiek», zonder dat de persoon over wie het gaat instemt met dit onderzoek.
Eerder in het wetsvoorstel was echter te lezen dat de wet niet gestoeld is op dwang,
omdat gedwongen zorg en gedwongen hulp niet geregeld worden in deze wet. Kan de regering
uitleggen hoe deze twee dingen samengaan?
Het klopt inderdaad dat het wetsvoorstel geen kader biedt voor gedwongen hulpverlening.
Indien mogelijk gedwongen zorg noodzakelijk is, zijn de reguliere kaders aan de orde,
zoals de Wvggz, de Wzd en de regelgeving rondom kinderbeschermingsmaatregelen in het
BW en de Jeugdwet.
Dit wetsvoorstel voorziet wel in de mogelijkheid dat een professional een gemotiveerd
verzoek doet bij het college voor het instellen van een onderzoek naar ernstige meervoudige
problematiek. Een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek kan – binnen de
voorwaarden van artikel 2.3a.4 – worden gestart zonder dat de persoon over wie het
gaat vooraf instemt met dit onderzoek. Bij dit soort ernstige meervoudige problematiek
kan het zinvol zijn dat het college een onderzoek kan starten om te komen tot een
gecoördineerde aanpak zonder dat de persoon of gezin die het betreft met een hulpvraag
is gekomen. In artikel 2.3a.4, derde lid, is geregeld dat cliënten over het onderzoek
worden geïnformeerd en zo mogelijk ook bij het onderzoek worden betrokken. Het onderzoek
kan leiden tot een voorstel voor een gecoördineerde aanpak waarin de geboden en de
te bieden hulp beter op elkaar is afgestemd met als doel dat de ernstige problematiek
verminderd of oplost. Maar uiteindelijk zal de gecoördineerde aanpak alleen kunnen
worden uitgevoerd als de cliënt daarmee instemt Bij de diensten die deel uitmaken
van die gecoördineerde aanpak gaat het immers om vrijwillige hulp. Gedwongen hulpverlening
kan onderdeel kan zijn van de gecoördineerde aanpak, maar alleen als die is opgelegd
op grond van de hierboven genoemde wettelijke kaders. Bijvoorbeeld iemand die gedwongen
zorg krijgt op grond van de Wvggz, die middels een gecoördineerde aanpak verder wordt
geholpen naar begeleid wonen, schuldhulpverlening krijgt en wordt begeleid richting
werk om zo meer structuur te krijgen in zijn leven om daarmee te voorkomen dat hij
na afloop van de gedwongen zorg opnieuw afglijdt in een situatie van ernstige problematiek.
Ook kunnen bepaalde interventies, zoals reclassering, deel zijn van een gecoördineerde
aanpak.
124.
De leden van de GroenLinks-fractie hebben begrepen dat het er bij het veld moeite
is dat in dit wetsvoorstel mogelijkheden worden opgenomen voor toeleiding naar een
gecoördineerde aanpak door de gemeente zonder de wens en/of bereidheid van de burger
of zijn gezin. Het wetsvoorstel lijkt daarmee een juridisch kader te bieden voor samenwerking
ten behoeve van «bemoeizorg». Volgens deze verschillende veldpartijen bevinden burgers
die in aanmerking komen voor bemoeizorg zich in een andere, zeer kwetsbare positie
en vergt dat extra waarborgen tegen onnodige inbreuken op hun privéleven, die in overleg
met het veld moeten worden vastgesteld. Hoe kijkt de regering hier tegenaan? Is de
regering eventueel voornemens om de juridische kaders voor een vrijwillig gecoördineerde
aanpak van meervoudige problematiek en bemoeizorg apart van elkaar te regelen, in
nauw overleg met het veld?
De regering is het ermee eens dat mensen die zich in een zeer kwetsbare positie bevinden
goed moeten worden beschermd en geholpen. Dat vergt duidelijke wettelijke kaders voor
bemoeizorg én de noodzakelijke waarborgen tegen onnodige inbreuken op hun privéleven.
Zorg mijden mag, maar kwetsbare mensen maken hierin uit onmacht, angst of onvermogen
niet altijd een weloverwogen keuze. Deze mensen verdienen hulp, en bij voorkeur niet
pas als de situatie volledig uit de hand is gelopen.
Het gaat dan om kwetsbare personen die níet zelfstandig om hulp vragen of die hulp
juist mijden, terwijl hun omstandigheden daar wel om vragen. Het benaderen en begeleiden
van deze doelgroep naar de juiste ondersteuning is openbare geestelijke gezondheidszorg
(oggz). In de Wmo 2015 is de oggz-taak van gemeenten, anders dan in de Wmo (2007),
niet geëxpliciteerd. Naar aanleiding van signalen van het Schakelteam personen met
verward gedrag over onduidelijkheid in de verantwoordelijkheidsverdeling voor zorg
en ondersteuning voor deze doelgroep, heeft de regering gemeenten er in september
2018 op gewezen dat oggz nog steeds een gemeentelijke taak is op grond van de Wmo
2015. Toch bleven vragen hierover tijdens het opstellen van dit wetsvoorstel terugkomen.
Zo heeft GGD GHOR Nederland aangegeven dat het ontbreken van een expliciete wettelijke
grondslag voor de oggz een belemmering vormt voor de uitvoering van hun werkzaamheden
en de daarvoor benodigde verwerking van persoonsgegevens, zoals bij het meldpunt niet
acute zorg.
De regering vindt het gelet op de samenhang met (complexe) meervoudige problematiek
passend om het begrip oggz met dit wetsvoorstel weer op te nemen in de wet, gekoppeld
aan het stellen van regels over de daarvoor benodigde gegevensverwerking. De regering
meent dat de belemmeringen die in de praktijk zijn gevoeld om mensen die zorg mijden
toe te leiden naar zorg of ondersteuning, met de voorgestelde wijzigingen worden ondervangen.
Met het expliciteren van de taak van de meldpunten ontstaat ook een duidelijke wettelijke
basis voor het verwerken van persoonsgegevens door de meldpunten in het kader van
de oggz-taak.
Een ander aspect van bemoeizorg dat in dit wetsvoorstel wordt geregeld, is toegelicht
bij het antwoord op de vorige vraag, namelijk een onderzoek naar ernstige meervoudige
problematiek om zo te kunnen komen tot een gecoördineerde aanpak met als doel nog
ernstiger situaties te kunnen voorkomen. Een partij die een verzoek doet voor zo’n
onderzoek biedt vaak al hulp aan de betrokkene, of probeert dat. De in artikel 2.3a.4,
eerste lid opgenomen criteria om te beoordelen of er mogelijk sprake is van ernstige
meervoudige problematiek zijn zeer zwaar. Zowel de partij die zo’n verzoek indient
als het college dat het verzoek beoordeelt, kunnen daar niet lichtvaardig mee omgaan.
Hierin liggen voldoende waarborgen dat zo’n verzoek weloverwogen wordt ingezet. Als
zo’n onderzoek uiteindelijk wordt uitgevoerd, wordt de cliënt, zijn mantelzorger of
zijn vertegenwoordiger, daar zoveel mogelijk bij betrokken. Daarbij is ook cliëntondersteuning
mogelijk. Uiteindelijk kan het onderzoek leiden tot een voorstel voor een gecoördineerde
aanpak. Zoals is toegelicht bij de vorige vraag, kunnen de diensten die deel uitmaken
van die gecoördineerde aanpak alleen worden uitgevoerd als de cliënt de hulp aanvaard.
Gedwongen hulpverlening kan slechts onderdeel zijn van de gecoördineerde aanpak, als
die is opgelegd op grond van de daarvoor geldende wettelijke kaders van de Wvggz,
de Wzd of de Jeugdwet. Het staat iemand verder vrij niet geholpen te willen worden,
ook bij de inzet van bemoeizorg.
Naar aanleiding van de consultatie en het advies van de AP zijn de waarborgen van
artikel 2.3a.4, eerste lid, voor het starten van een onderzoek naar ernstige meervoudige
problematiek goed ingekaderd. De regering meent dat deze regeling alsmede het expliciteren
van de oggz-taak en bij alle taken de passende waarborgen voor noodzakelijke en proportionele
gegevensverwerking, passen in dit wetsvoorstel en met de noodzakelijke waarborgen
zijn omkleed.
125.
De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat veel organisaties waaronder de KNMG,
de Nederlandse ggz, het NIP, de NVO, BPSW, Valente, Sociaal Werk Nederland, VGN en
ActiZ zich zeer veel zorgen maken over de impact van dit wetsvoorstel op de praktijk
van zorgverleners, in het bijzonder op het beroepsgeheim en de vertrouwensrelatie
tussen zorgverlener en cliënt. Zijn deze zorgen bij de regering bekend? Zo ja, op
welke manier is er naar deze zorgen geluisterd en zijn deze zorgen meegenomen in het
wetsvoorstel?
Deze zorgen zijn bekend en daarover zijn gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers
van genoemde organisaties alsmede met vertegenwoordigers van de VNG en de GGD GHOR.
Enerzijds zijn er zorgen over gevolgen voor de vertrouwensrelatie tussen zorgverlener
en cliënt bij de door de leden van de GroenLinks-fractie genoemde partijen, anderzijds
zijn er zorgen over (te) laat ingrijpen en langs elkaar heen werken van zorgverleners
omdat het niet lukt tot de daarvoor noodzakelijke afstemming en samenwerking te komen,
bij de GGD GHOR en gemeenten.
Dit wetsvoorstel maakt het mogelijk om in het kader van meervoudige problematiek tot
een betere afstemming en samenwerking te komen. Professionals zijn zich daarbij zeer
bewust van de vertrouwensband die ze met een cliënt hebben en van de eisen die het
beroepsgeheim aan hen stelt. Het college mag op grond van artikel 5.4.2 vragen om
gegevens die onder het beroepsgeheim vallen, maar moet de noodzakelijkheid van die
gegevens kunnen onderbouwen. Het is niet voldoende als het college vraagt gegevens
te verstrekken, omdat die nodig zijn voor een onderzoek naar meervoudige problematiek,
die vraag is veel te breed. De onderbouwing van de noodzaak moet gaan over specifieke
gegevens betrekking hebbend op een specifieke casus. De professional heeft de plicht
om bij een verzoek om informatie een volledig eigen afweging te maken of en zo ja
welke gegevens verstrekt zouden moeten worden. Die toets op noodzakelijkheid geldt
ook als de cliënt toestemming geeft om gegevens te verstrekken.
Het (medisch) beroepsgeheim is van groot belang voor de vrije toegankelijkheid van
zorg. Omdat de regels rond het beroepsgeheim boven elke twijfel verheven moeten zijn,
en de nu in het wetsvoorstel opgenomen bepaling – ook na de bovengenoemde gesprekken
– te veel vragen oproept, stel ik bij nota van wijziging een nieuw artikel 5.4.2,
tweede lid, voor. De nieuwe tekst van dit artikel is gebaseerd op artikel 2.29, tweede
lid, van de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden, die van toepassing
is voor het delen van gegevens in Zorg- en Veiligheidshuizen. In artikel 2.29 WGS
is wel de uitzondering opgenomen om zonder toestemming of wettelijke plicht gegevens
te verstrekken op grond van goed hulpverlenerschap. Aangezien de Afdeling advisering
van de Raad van State in het advies over de Wams heeft geoordeeld dat dit een criterium
is dat zorgverleners onvoldoende houvast biedt, stel ik voor die uitzonderingsgrond
niet op te nemen in artikel 5.4.2, tweede lid.
Het streven is verder dat de diverse beroepsorganisaties door middel van voorlichting
en het zo nodig aanpassen van richtlijnen en handreikingen aan professionals handvatten
gaan bieden voor het handelen bij een verzoek om gegevens in verband met een onderzoek
naar meervoudige problematiek. Daarbij moet aandacht zijn voor de mogelijkheden om
beroep te doen op een vertegenwoordiger, en bij een vraag om gegevens bij ernstige
meervoudige problematiek, hoe en met welke collegiale toetsing een goede inschatting
kan worden gemaakt van de situatie en als gegevens worden verstrekt, op het inzetten
op zo minimaal mogelijk verstrekken van gegevens. Gemeenschappelijke kaders kunnen
een individuele hulpverlener helpen om in een specifieke casus tot een afweging te
komen. Ditzelfde geldt voor medewerkers van een lokaal team die namens het college
onderzoek doen. Ook hier kunnen gemeenschappelijke kaders helpen om tot een bij de
casus passend informatieverzoek te komen.
126.
De leden van de GroenLinks-fractie begrijpen dat bovengenoemde organisaties het huidige
juridisch kader voor het verstrekken van gegevens aan een derde, zoals het college
van B&W, door zorgverleners met een beroepsgeheim toereikend is voor een meer gecoördineerde
aanpak van meervoudige problematiek in het sociaal domein. Kan de regering hierop
reageren en uitgebreid motiveren waarom zij hier anders over denkt en waarom het nodig
is om dit kader aan te passen?
Zoals bij het antwoord op de voorgaande vraag is toegelicht, zal in het huidige juridisch
kader in het grootste deel van de gevallen van een onderzoek naar meervoudige problematiek
toereikend zijn. Zoals ik in het antwoord op de vorige vraag heb toegelicht, leidt
het voorstel van artikel 5.4.2, tweede lid, tot veel vragen, en ben ik van mening
dat de regels rond het beroepsgeheim zoals die nu gelden, boven elke twijfel verheven
moeten zijn. Daarom stel ik bij nota van wijziging voor art. 5.4.2, tweede lid, aan
te passen zodat het huidige wettelijk kader zonder uitzondering zal gelden.
127.
Genoemde leden constateren dat dit wetsvoorstel verschillende regels over gegevensverstrekking
introduceert voor hulpverleners zonder wettelijk erkend beroepsgeheim en hulpverleners
met wettelijk erkend beroepsgeheim. Klopt dit? Waarom is hiervoor gekozen?
De in artikel 5.4.2, tweede lid, genoemde beroepsgeheimen zijn wettelijk vastgelegd
vanwege het grote belang om de vrije toegang tot de gezondheidszorg en jeugdhulp te
waarborgen. Daarmee zijn de wettelijk geregelde beroepsgeheimen wezenlijk verschillend
van geheimhouding op grond van een beroepscode. Het bij nota van wijziging voorgestelde
artikel 5.4.2, tweede lid, noemt daarom, net als artikel 2.29 van de Wet gegevensverwerking
door samenwerkingsverbanden, alleen de wettelijk geregelde beroepsgeheimen. Daarmee
is het niet zo dat andere partijen die werken met een beroepsgeheim op basis van een
beroepscode «zomaar» gegevens moeten verstrekken. Bij ieder verzoek van het college
op grond van het voorgestelde artikel 5.4.2, eerste lid, om gegevens te verstrekken
voor een onderzoek naar meervoudige problematiek, zal het college moeten aangeven
waarom die gegevens noodzakelijk zijn. Er is geen grondslag voor het verstrekken van
gegevens die niet noodzakelijk zijn. Iedere partij aan wie het college op grond van
artikel 5.4.2, eerste lid, om informatie vraagt, moet daarom ook zelf die noodzaak
beoordelen. De uitkomst van die beoordeling kan bijvoorbeeld zijn dat er wel noodzaak
is om enige gegevens te verstrekken, maar niet alle gegevens die het college vraagt.
Dit wetsvoorstel biedt zodoende ook voldoende waarborgen aan partijen die werken op
basis van een beroepscode.
Het zal vaak voldoende zijn om de informatie te verstrekken dat de cliënt bij een
bepaalde hulpverlener komt, zonder dat iets bekend wordt gemaakt over de inhoudelijke
reden dat de cliënt deze hulpverlener bezoekt. Deze zogenaamde «dat» informatie kan
relevant zijn voor het onderzoek naar meervoudige problematiek, terwijl meer inhoudelijk
informatie uit het dossier, (zogenaamde «wat» informatie) vaak niet of in slechts
zeer beperkte mate noodzakelijk is.
128.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom de regering de term «ernstige meervoudige
problematiek» niet expliciet heeft opgenomen in een definitiebepaling en of deze term
nader kan worden uitgelegd en opgenomen in een definitiebepaling?
Van het begrip «ernstige meervoudige problematiek» in inderdaad geen definitie opgenomen.
Het begrip «meervoudige problematiek» wordt wel in artikel 1.1.1. gedefinieerd, omdat
daarvan een goede materiële omschrijving is te geven. Bij «ernstige» meervoudige problematiek
ligt dat anders, maar naar aanleiding van de vragen van diverse fracties over dit
begrip, stel ik bij nota van wijziging voor toch een definitie op te nemen.
Of de situatie zodanig ernstig is dat een onderzoek zonder hulpvraag van de cliënt
gerechtvaardigd is, moet worden gewogen aan de hand van de omstandigheden van het
geval. In het voorgestelde artikel 2.3a.4, eerste lid, zijn daarom de voorwaarden
opgenomen waaraan de concrete omstandigheden getoetst moeten worden. Een bij de cliënt
betrokken professional kan bij het college een verzoek doen om een onderzoek naar
ernstige meervoudige problematiek te starten indien hij vermoedt:
a. dat sprake is van voortdurende of terugkerende meervoudige problematiek waarvoor de
persoon of personen die het betreft geen of selectief hulp vragen of accepteren of
de hulp die wel wordt aanvaard niet effectief lijkt, terwijl vanwege de aard of complexiteit
van de problemen maatschappelijke teloorgang of een lage kwaliteit van leven en welzijn
dreigt of al aan de orde is, en
(1) in de omgeving van deze persoon of personen gedurende langere tijd of telkens opnieuw
overlast, hinder of problemen wordt ervaren, of
(2) de veiligheid van personen of goederen in het geding is; en
b. dat een gecoördineerde aanpak kan bijdragen aan het oplossen of verminderen van de
problematiek.
Beide elementen (a. en b.) moeten bij een verzoek worden onderbouwd, waarbij er met
betrekking tot de bijkomende omstandigheden (sub 1 en 2) ten minste één van beide
situaties aannemelijk dient te worden gemaakt. Op basis van onderdeel a wordt vastgesteld
of sprake is van (waarschijnlijk) ernstige meervoudige problematiek. De voorgestelde
definitie in artikel 1.1.1 verwijst naar de criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid,
onderdeel a.
129.
Kan de regering ook uitleggen waarom – in lijn met het advies van de Afdeling en raadpleging
van het veld/experts – niet is gekozen om de voorwaarde «gelet op zijn plicht om goede
hulp of zorg te verlenen» te schrappen uit artikel 5.4.2 lid 2 van het wetsvoorstel?
De Afdeling advisering van de Raad van State oordeelde in zijn advies dat enkel het
criterium van goed hulpverlenerschap om te beoordelen of het beroepsgeheim zou kunnen
worden doorbroken, aan hulpverleners onvoldoende houvast geeft, en dat in plaats daarvan
doelcriteria opgenomen zouden moeten worden. Op basis van dat advies werden in artikel 5.4.2,
tweede lid, doelcriteria opgenomen, namelijk toetsing aan de criteria voor ernstige
meervoudige problematiek. Ter aanvulling werd daarbij in art. 5.4.2, tweede lid, het
goed hulpverlenerschap als ijkpunt genoemd.
Deze formulering van artikel 5.4.2, tweede lid, heeft tot diverse vragen van verschillende
fracties heeft geleid. Nadere gesprekken met veldpartijen hebben daarnaast niet geleid
tot het formuleren van criteria die in de praktijk wel bruikbaar zouden zijn. Alles
overziend, stel ik bij nota van wijziging een nieuw artikel 5.4.2, tweede lid, voor
waarin de regels rond het verstrekken van informatie bij wettelijk geregelde beroepsgeheimen,
onveranderd blijven.
130.
De leden van de GroenLinks-fractie begrijpen dat een zorgverlener op basis van artikel 5.4.2
nadere voorwaarden kan stellen aan de verstrekking waaraan de gemeente zou moeten
voldoen. Aan welke andere door de verstrekkende partij te verstrekken voorwaarden
wordt gedacht in artikel 5.4.2? Gelden deze door de zorgverlener gestelde voorwaarden
ook als de gemeente de verstrekte gegevens voor haar eigen doeleinden gaat gebruiken?
Welke rechtsmiddelen hebben cliënt en zorgverlener als niet aan de gestelde voorwaarden
wordt voldaan? Zijn deze rechtsmiddelen opgenomen in de wet? Zo niet, waarom niet?
De mogelijkheid tot het stellen van nadere voorwaarden is in het wetsvoorstel opgenomen
naar aanleiding van de consultatiereactie van het openbaar ministerie en de reclasseringsorganisaties
(3RO). Hierbij is met name gedacht aan de situatie dat de te verstrekken gegevens
noodzakelijk zijn voor bijvoorbeeld het onderzoek naar meervoudige problematiek, maar
dat de verstrekkende partij als voorwaarde stelt dat hij moet instemmen met eventuele
verdere verwerking om zo zicht te houden op wat er met de gegevens gebeurt. Als het
om gegevens over de gezondheid gaat, kan het voor het onderzoek en de voor te stellen
gecoördineerde aanpak nodig zijn dat een zorgverlener bijvoorbeeld bevestigt dat de
cliënt rolstoelafhankelijk is vanwege een progressieve ziekte – en er dus geen verbetering
van de situatie meer zal zijn voor wat betreft zijn mobiliteit – maar dat de zorgverlener
als voorwaarde stelt dat andere partijen die betrokken zijn alleen vernemen dat de
cliënt rolstoelafhankelijk is, zodat die partijen de hulpverlening daarop kunnen afstemmen.
Op zich is dit al een situatie waarbij het vermelden van de oorzaak van rolstoelafhankelijkheid
voor andere betrokken partijen niet relevant en dus ook niet noodzakelijk is. Het
college moet al zelf bij iedere verwerking en verdere verwerking van gegevens beargumenteren
of die verwerking noodzakelijk is, maar het kan voor het college en de verstrekkende
partij behulpzaam zijn om hier bij voorbaat bij stil te staan, door te bespreken wat
voorwaarden voor verdere verwerking zijn.
Voorwaarden gelden voor zover een verstrekkende partij die stelt. Wanneer de gegevens
in strijd met deze voorwaarden worden verwerkt kan sprake zijn van een onrechtmatige
verwerking. De betrokkene kan de verwerkingsverantwoordelijke dan uiteraard verzoeken
om de gegevensverwerking te staken en de gegevens te wissen voor zover er niet is
voldaan aan de voorwaarden. Daarnaast is het mogelijk om een schadevergoeding te verzoeken
bij de bestuursrechter (bij claims tot 25.000 euro vanwege onrechtmatige verwerking
door een bestuursorgaan) of bij de civiele rechter. Verder kan er een klacht worden
ingediend bij de functionaris gegevensbescherming of de Autoriteit Persoonsgegevens.
Daarbij geldt als algemeen uitgangspunt dat de gestelde schade moet worden onderbouwd.
Volgens overweging 146 van de AVG moet een betrokkene volledige en daadwerkelijke
vergoeding van de door hem geleden schade ontvangen en moet daarbij worden uitgegaan
van een ruim schadebegrip. Dat betekent volgens jurisprudentie van de Afdeling echter
niet dat schending van de AVG per definitie tot schade leidt. Schade moet «reëel en
zeker» zijn geleden. De betrokkene moet aannemelijk maken dat hij in zijn eer of goede
naam of anderszins in zijn persoon is aangetast en moet de door hem geleden schade
met concrete gegevens onderbouwen.
131.
Genoemde leden vragen de regering ook waarom er niet gekozen is om in het wetsvoorstel
vast te leggen dat alleen een zorgverlener met een beroepsgeheim (een medisch adviseur)
kennis mag nemen van de verstrekte medische gegevens? Is de regering voornemens dit
alsnog op te nemen in het wetsvoorstel?
Om in een onderzoek naar meervoudige problematiek een goed beeld te krijgen van de
problemen die spelen en de samenhang daartussen, alsmede om op basis daarvan een goed
voorstel voor een gecoördineerde aanpak te kunnen doen, is het niet werkbaar als alleen
een medisch adviseur die gegevens kan verwerken. De Wams geeft grondslagen voor de
verwerking van gegevens, in elke fase slechts voor zover die verwerking noodzakelijk
is. De verstrekker van gegevens over de gezondheid stelt zelf die noodzakelijkheid
vast, en zal daarvoor in het grootste deel van de gevallen alleen verstrekken met
toestemming van de cliënt. Het gaat dan sowieso om beperkte gegevens en nooit om een
heel medisch dossier. Hierbij moet bedacht worden dat bijvoorbeeld het gegeven dat
een cliënt slecht ter been is al een medisch gegeven is dat zeer relevant kan zijn
voor de aanpak van de meervoudige problematiek van deze cliënt, zonder dat verder
iets bekend is over de medische oorzaak hiervan. Als alleen een medisch adviseur kennis
zou mogen nemen van gegevens over de gezondheid, zou dit in feite betekenen dat alleen
die adviseur een onderzoek naar meervoudige problematiek zou kunnen doen. Dat levert
geen werkbare situatie op en schiet het doel van een onderzoek naar meervoudige problematiek
voorbij. Belangrijk is dat in de Wams de gegevensverwerking is beperkt tot die gegevens
die in een concrete casus noodzakelijk zijn gelet op het doel van de verwerking. Medische
gegevens uitvragen terwijl die niet relevant zijn, is niet toegestaan.
132.
Kan de regering ook verhelderen op welke grondslag uit artikel 6 van de AVG een zorgverlener
met een beroepsgeheim zich kan beroepen als hij of zij zonder toestemming van de cliënt
op basis van artikel 5.4.2 bijzondere persoonsgegevens aan het college B&W verstrekt?
Voor verstrekking van gegevens over de gezondheid zonder toestemming van de cliënt
kunnen verschillende grondslagen uit artikel 6 AVG van toepassing zijn. Zo kan de
verstrekking op grond van artikel 6, eerste lid, onder b plaatsvinden, bijvoorbeeld
in het geval de zorgverlener van oordeel is dat de verstrekking nodig is in het kader
van de behandelovereenkomst. Artikel 6, eerste lid, onderdeel c, AVG geldt voor zover
toepassing wordt gegeven aan de wettelijke verplichting van artikel 5.4.2, eerste
lid. Als er sprake is van een situatie waarin de vitale belangen van de cliënt of
iemand andere moeten worden beschermd, geldt artikel 6, eerste lid, onderdeel d. Tot
slot kan de verstrekking door een zorgverlener ook plaatsvinden op grond van artikel 6,
eerste lid, onderdeel f (gerechtvaardigd belang).87
133.
De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat het college verwerkingsverantwoordelijke
is indien de coördinator een gemeenteambtenaar is. Indien een partij of een medewerker
van een partij coördinator is, is die partij verwerkingsverantwoordelijke. Over dat
laatste geval hebben genoemde leden nog wat vragen. Klopt het dat een hulpverlener
dus ook aangewezen kan worden als coördinator? Heeft de hulpverlener hier tijd voor
en krijgt hij hiervoor financiering? Zeker gezien het feit dat er nu al veel tekorten
zijn aan hulpverleners? Klopt het dat de hulpverlener dan los van het hulpverleningsdossier
ook nog een coördinatiedossier moet opstellen en bewaren? Is dit een gewenste situatie?
Is het een idee om een betere afbakening van de coördinatierol en inhoudelijke behandelrol
van een hulpverlener op te nemen in het wetsvoorstel? Is het nodig om bepalingen op
te nemen ten aanzien van het aanleggen en bewaren van het coördinatiedossier?
Inderdaad kan een hulpverlener ook worden aangewezen als coördinator. Dat kan voor
bepaalde cliënten zeker een gewenste situatie zijn, omdat deze hulpverlener al betrokken
is en deze persoon voor de cliënt een vertrouwd aanspreekpunt is. Als de aanpak van
meervoudige problematiek hierdoor beter kan verlopen, zal dit er ook toe kunnen leiden
dat de hulpverlening efficiënter wordt en wellicht eerder kan worden afgebouwd. De
verwachting is dan ook dan de coördinatietaak goed is in te passen naast een hulpverleningstaak.
Gemeenten zullen bij de inkoop van hulpverleningstaken ook aandacht moeten hebben
voor de uitvoering van coördinatietaken door hulpverleners. Bij de implementatie van
het wetsvoorstel zal daar aandacht voor zijn.
Het is aan het college om te bepalen welke persoon in een bepaalde casus geschikt
is als coördinator. De coördinator heeft als taak het monitoren van de voortgang van
de uitvoering van de gecoördineerde aanpak, het afstemmen met de bij de gecoördineerde
aanpak betrokken partijen, en zo nodig het maken van afspraken tussen betrokken partijen,
bijvoorbeeld bij signalen dat de uitvoering van de gecoördineerde aanpak op belemmeringen
stuit. Hoeveel tijd dat kost zal afhangen van de casus en het aantal partijen dat
is betrokken bij de gecoördineerde aanpak. Binnen de implementatie-aanpak van de Wams
zullen gemeenten en ketenpartners ondersteund worden bij het aanstellen van een coördinator
en het organiseren van een casusoverleg. De taken van de coördinator zijn vastgelegd
in artikel 2.3a.3, derde, vierde en vijfde lid, van het wetsvoorstel. Daarin staat
ook dat de coördinator de voortgang en afspraken vastlegt in een coördinatiedossier.
De regels voor verwerking van persoonsgegevens door een coördinator, zijn vastgelegd
in artikel 5.4.4, tweede tot en met vijfde lid. De partij of het college waarvoor
de coördinator werkzaam is, is verwerkingsverantwoordelijke en moet zorgen voor een
systeem dat voldoet aan de beveiligingseisen en waarin dossiers met betrekking tot
de inhoud van hulpverlening en met betrekking tot de coördinatie van elkaar gescheiden
zijn. Ook nu al moeten deze partijen en gemeenten voor de verwerking van gegevens
zijn toegerust op de noodzakelijke beveiliging en scheiding van diverse dossiers.
Met de voorgestelde bepalingen is de taak van een coördinator zodanig gereguleerd
dat die taak duidelijk is afgebakend ten opzichte van een eventuele rol als hulpverlener.
Dat verschillende taken bij één persoon worden belegd is overigens niet nieuw. In
het sociaal domein komt het bijvoorbeeld vaak voor – onder andere in lokale teams
– dat de daar werkzame professionals zowel zorgen voor de toeleiding naar zorg als
voor het verlenen van zorg. Ook dan moeten dossiers van elkaar zijn gescheiden. In
het traject Uitwisseling persoonsgegevens en privacy (UPP) als onderdeel van het programma
Sociaal Domein is in de periode 2018–2021 in samenwerking met privacy officers van
gemeenten een aantal handreikingen opgesteld voor gemeenten en medewerkers die werkzaam
zijn in het sociaal domein of lokale teams. Een van die handreikingen gaat over het
zogenaamde pettenvraagstuk waarop deze vraag doelt. De medewerker moet zich bewust
zijn van welke «pet» hij op een bepaald moment op heeft; voor verschillende rollen
gelden verschillende regels als het gaat om het verwerken van persoonsgegevens. Deze
verschillende rollen met verschillende bevoegdheden zijn in de wetgeving duidelijk
van elkaar afgebakend en in de praktijk zijn professionals erop getraind om hier bewust
mee om te gaan. In artikel 5.4.4, zevende lid, wordt geregeld dat de coördinator bij
beëindiging van de gecoördineerde aanpak, de gegevens die hij heeft verwerkt uit hoofde
van zijn coördinatietaak, overdraagt aan het college. Artikel 5.4.5, tweede lid, regelt
dat het college die gegevens vanaf dat moment twee jaar bewaart.
134.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen of uitsluitend partijen die daartoe bereid
zijn als coördinator kunnen worden benoemd? Zo ja, is dat vastgelegd in het wetsvoorstel?
Het college is op grond van het voorgestelde artikel 2.3a.3, eerste lid, verantwoordelijk
voor het aanstellen van een coördinator. Bij die verantwoordelijkheid hoort dat iemand
wordt aangewezen die deze taak naar behoren kan vervullen. Daarbij past logischerwijs
niet dat het college deze taak aan iemand toebedeelt die er niet toe bereid is.
135.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering ook wat er gebeurt als de cliënt
tijdens het onderzoek of coördinatie verhuist naar een andere gemeente. Worden de
persoonsgegevens dan overgedragen aan een ander college? Hoe gaat dit in zijn werk?
Klopt het dat het wetsvoorstel ook niet voorziet in een samenloopbepaling voor de
gecoördineerde aanpak als meerdere colleges verantwoordelijk zijn? Is een samenloopbepaling
overwogen?
Artikel 2.6.1 van de Wmo 2015 bepaalt dat de colleges met elkaar samen werken indien
dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van deze wet aangewezen is. Dat
geldt dus ook eventuele samenwerking in het kader van de aanpak van meervoudige problematiek,
zoals voorgesteld in dit wetsvoorstel, dat in onderdeel zal zijn van de Wmo 2015.
Bij een verhuizing kan ervoor gekozen worden om de gecoördineerde aanpak af te maken
in de nieuwe woonplaats met andere partijen. Een en ander hangt af van de aard van
de problematiek af, of die afhankelijk is van lokale voorzieningen of niet. Soms zal
het beter zijn om bij het college van de nieuwe gemeente opnieuw hulp te vragen. Gegevens
over de lopende gecoördineerde aanpak, over eerder verstrekte diensten uit het sociaal
domein of van een lopend onderzoek naar meervoudige problematiek kunnen worden verstrekt
aan de nieuwe gemeente. Beide colleges zijn op grond van de wet bevoegd de gegevens
te verwerken, daarom is er in principe geen aparte bepaling voor nodig. Toch stel
ik voor bij nota van wijziging hiervoor in artikel 5.4.4 een expliciete grondslag
op te nemen, omwille van de duidelijkheid en omdat een expliciete grondslag voor de
overdracht van gegevens bij een verhuizing zal bijdragen aan snellere en betere hulp
voor cliënten die verhuizen.
Verder geldt dat in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is geregeld dat de gemeente
ervoor kan kiezen in bijzondere omstandigheden schuldhulpverlening te geven aan een
persoon die geen inwoner is (artikel 3, vijfde lid, Wgs). Voorts is in de Participatiewet
geregeld dat als iemand loonkostensubsidie ontvangt op grond van de Participatiewet
en verhuist, de loonkostensubsidie gedurende de dienstbetrekking blijft doorlopen
(artikel 10d, tiende lid, Participatiewet).
136.
Deze leden vragen de regering ook wat er gebeurt met de coördinator na afloop van
de gecoördineerde aanpak. Blijft de coördinator na de overdracht van de gegevens verwerkingsverantwoordelijke
of draagt hij de gegevens over? Zo ja aan wie, en wie is dan verantwoordelijk?
Als de gecoördineerde aanpak wordt beëindigd vervalt ook de taak van de coördinator.
Hij draagt alle gegevens die zijn verwerkt bij de uitoefening van de coördinatietaak
op grond van artikel 5.4.4, zevende lid, over aan het college. De overgedragen gegevens
worden dan op grond van artikel 5.4.5, tweede lid, nog 2 jaar door het college bewaard.
Het college heeft de gegevens vanaf het moment van overdracht weer in beheer en is
zodoende verwerkingsverantwoordelijke.
137.
De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat de regering bij AMvB wil bepalen welke
partijen vanuit de aanpalende domeinen bij een onderzoek naar de mogelijke coördinatie
kunnen worden betrokken en voor welke taken zij kunnen worden betrokken. De regering
streeft ernaar deze AMvB tegelijkertijd met het wetsvoorstel in werking te laten treden.
Kan de regering met de nota naar aanleiding van het verslag tevens een concept van
deze AMvB naar de Kamer sturen?
In de amvb zal een lijst worden opgenomen met beoogde partijen die deel kunnen nemen
aan een onderzoek naar meervoudige problematiek en aan een gecoördineerde aanpak en
op basis van welke wettelijke taak zij dat kunnen doen. Een concept van deze lijst
voeg ik als bijlage onderaan deze nota naar aanleiding van het verslag toe. De concept-amvb
die met veldpartijen, waaronder gemeenten, UVW, SVB en CIZ, is voorbereid, zal op
korte termijn via een internetconsulatie openbaar worden gemaakt.
138.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering heeft overwogen om de partijen
die betrokken kunnen worden bij de gecoördineerde aanpak in de wet vast te leggen,
eventueel met de mogelijkheid om aanvullende partijen bij AmvB toe te voegen?
In het wetsvoorstel wordt in artikel 1.1.1 de definitie van partij opgenomen. Het
betreft alle instanties en mensen die kunnen worden betrokken bij een onderzoek naar
meervoudige problematiek en daarna bij een gecoördineerde aanpak. Die aanpak ziet
zowel op het sociale domein als op de aanpalende domeinen. Omdat aanpalende domeinen
potentieel een groot werkterrein beslaan, is het omwille van de rechtszekerheid van
cliënten maar ook voor de potentiële partijen zelf noodzakelijk om duidelijk af te
bakenen welke partijen op grond van welke taken betrokken kunnen worden bij het onderzoek
en de gecoördineerde aanpak. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft dit ook in zijn
advies aangegeven.
Een regeling bij amvb geeft iets meer flexibiliteit als blijkt dat aanpassing nodig
is vanwege een te ruime of te enge verwijzing naar de taken van partijen. Zoals de
leden van de GroenLinks-fractie suggereren, zou het mogelijk zijn om een deel van
de partijen wel te noemen in de wet en bij amvb een aanvullende lijst vast te stellen.
Dit komt de toegankelijkheid van de wetgeving echter niet ten goede. De bijlage voor
de amvb zoals die nu in concept is opgesteld, geeft een duidelijk overzicht van de
partijen en de bijbehorende taakafbakening. Daarbij is het zo dat de kernelementen,
namelijk de definitie van partij tezamen met de definitie van aanpalende domeinen,
in de wet staan, zodat de reikwijdte van het wetsvoorstel voldoende duidelijk is en
de delegatie concreet en begrensd is.
139.
De leden van de Groenlinks-fractie vragen in de wet op te nemen dat gegevens die worden
verwerkt in het kader van de gecoördineerde aanpak niet gebruikt mogen worden voor
andere doeleinden, zoals fraudebestrijding en andere handhavingsverplichtingen.
In lijn met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) regelt het wetsvoorstel
expliciet welke verwerkingen van persoonsgegevens wel zijn toegestaan. Hieruit volgt
dat gegevensverwerking voor andere doelen niet zijn toegestaan. De verwerking van
persoonsgegevens is toegestaan voor het onderzoek naar meervoudige problematiek, dat
tot doel heeft de problemen van cliënten en hun gezin te verminderen of weg te nemen
(artikel 2.3a.1, vierde lid en 2.3a.4, tweede lid). De persoonsgegevens mogen verder
worden verwerkt voor zover dat noodzakelijk is voor de gecoördineerde aanpak en voor
het verkrijgen van diensten uit het sociaal domein (artikel 2.3a.2 en 5.4.4, eerste
lid). Door deze wettelijke grondslag voor verdere verwerking van noodzakelijke gegevens
hoeven cliënten en betrokken partijen de gegevens niet opnieuw te verstrekken. Dit
betekent dat voor de uitvoering van de desbetreffende wet uit het sociale domein,
de gegevens kunnen worden gebruikt die in eerste instantie werden verwerkt voor het
onderzoek, waarbij geldt dat de verwerking van die gegevens noodzakelijk moet zijn
om de desbetreffende dienst uit het sociaal domein te kunnen verstrekken.
Artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, geeft ook de grondslag om gegevens verder
te verwerken ten behoeve van interventies op grond van de Jeugdwet en de Wet inburgering
2021. Het gaat dan om een verzoek tot onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming,
het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel of het voldoen aan de inburgeringsplicht.
Bij nota van wijziging wordt voorgesteld artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, zo
aan te passen dat duidelijk is dat verdere verwerking van gegevens uit een onderzoek
naar meervoudige problematiek door het college is toegestaan ten behoeve van het verstrekken
van diensten op grond van de sociaaldomeinwetten en de Wet inburgering 2021 en daarnaast
alleen ten behoeve van de bovengenoemde interventies die ook onderdeel kunnen zijn
van een gecoördineerde aanpak.
Op grond van de AVG moet ook het verder verwerken van gegevens expliciet bij wet worden
geregeld, anders is verdere verwerking niet toegestaan. Op grond van artikel 5.4.4,
eerste lid, onderdeel b, van het wetsvoorstel kunnen gegevens verder worden verwerkt
voor enkele bevoegdheden van de burgermeester. Het is passend dat het college deze
gegevens – voor zover de noodzaak daartoe is gebleken uit het onderzoek als bedoeld
in artikel 2.3a.1, vierde lid, of artikel 2.3a.4, tweede lid – aan de burgemeester
kan verstrekken met het oog op zijn bevoegdheden in het kader van openbare orde en
veiligheid. Als deze grondslag voor gegevensverstrekking in de wet zou ontbreken,
zou de burgemeester niet over deze gegevens beschikken, terwijl op basis van een onderzoek
naar meervoudige problematiek is gebleken dat er mogelijk sprake is van een situatie
waarbij de veiligheid van de cliënt, zijn gezinsleden of anderen in de directe omgeving,
in het geding is. Als de situatie escaleert omdat de burgemeester geen maatregelen
nam, zou het achteraf vreemd zijn als blijkt dat het college wel van de situatie op
de hoogte was maar wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag de burgemeester
hiervan niet op de hoogte mocht stellen.
140.
Wat zijn de gevolgen als de gegevens toch gebruikt worden, bijvoorbeeld om een uitkering
in te trekken en terug te vorderen omdat de cliënt samen blijkt te wonen? Is zo’n
besluit onrechtmatig en vernietigbaar of blijft het besluit in stand? Is er dan recht
op een schadevergoeding?
De gegevens die worden verwerkt in een onderzoek naar meervoudige problematiek, mogen
verder worden verwerkt voor zover dat noodzakelijk is voor de gecoördineerde aanpak,
zoals die met de cliënt wordt afgesproken. Verdere verwerking is – zoals bij de bovenstaande
vraag is besproken – ook toegestaan om verdere uitvoering te geven aan diensten uit
de sociaal domeinwetten of de bovengenoemde interventies. Als de Participatiewet onderdeel
is van het onderzoek naar meervoudige problematiek (artikel 2.3a.1, vierde lid en
artikel 2.3a.4, tweede lid), kunnen gegevens beschikbaar komen waaruit blijkt dat
iemand mogelijk onterecht een uitkering ontvangt. De medewerker die het onderzoek
heeft uitgevoerd informeert de cliënt over de uitkomsten van het onderzoek naar meervoudige
problematiek (artikel 2.3a.2). Hierbij zal de medewerker ook het gesprek aangaan met
de cliënt over een mogelijke onterechte uitkering. De gecoördineerde aanpak heeft
tot doel de problemen van cliënten en hun gezin te verminderen of weg te nemen. Gelet
op dit doel, wordt met de cliënt besproken hoe een rechtmatige situatie kan worden
bereikt, zonder dat er nog grotere (financiële) problemen ontstaan.Gelet op dit doel,
en de grondslagen voor gegevensverwerking in dit wetsvoorstel, mag het college de
gegevens uit het onderzoek naar meervoudige problematiek niet gebruiken om een onterechte
uitkering aan te passen. De cliënt is ook niet verplicht om de voorgestelde gecoördineerde
aanpak en de daarin voorgestelde diensten te accepteren. Hij kan bijvoorbeeld niet
worden verplicht bijstand aan te vragen.
Los van de in dit wetsvoorstel voorgestelde gecoördineerde aanpak bij meervoudige
problematiek blijven gemeenten de Participatiewet uitvoeren en daar toezicht op houden.
Die wet bevat een inlichtingenplicht (art. 17, eerste lid). Dat betekent dat de belanghebbende
zelf moet melden als er feiten of omstandigheden zijn die van invloed kunnen zijn
op het recht op bijstand. Dat kunnen ook feiten of omstandigheden zijn die tijdens
het onderzoek of de gecoördineerde aanpak zijn gebleken.
De Wams verandert niets aan de bestaande bepalingen en kaders die gelden voor een
onrechtmatige overheidsdaad, en sluit toepassing hiervan niet uit. Dat geldt ook voor
de mogelijkheid van het recht op schadevergoeding van artikel 82 van de AVG. Een betrokkene
die meent dat een onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens schade heeft
veroorzaakt, kan hier een beroep op doen.
141.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering kan zorgdragen voor een regeling
die proportionele gegevensdeling aan de zorg- en veiligheidshuizen toelaat.
De Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden88 (WGS) regelt de gegevensverwerking door Zorg- en Veiligheidshuizen. Zorg- en Veiligheidshuizen
worden in die wet aangemerkt als samenwerkingsverband waarbinnen de aangewezen deelnemers
gegevens verstrekken en gezamenlijk verwerken. Artikel VIII van het voorliggende wetsvoorstel
voorziet in de benodigde samenloopregelingen. De voorgestelde bepalingen hebben tot
doel om waar nodig aansluiting en afstemming mogelijk te maken, zowel in de fase van
een onderzoek naar meervoudige problematiek als in de fase van de gecoördineerde aanpak,
zodat dubbel onderzoek, gebrekkige afstemming en onnodige verzameling en verspreiding
van gegevens kan worden voorkomen. Gegevensuitwisseling tussen beide trajecten vindt
slechts plaats voor zover de inhoud van de problematiek dat noodzakelijk maakt. De
samenloopbepalingen voorzien in de nodige wettelijke grondslagen voor de verwerking
van gegevens in dat kader.
142.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wat deze wetswijziging verandert
voor de werkwijze van professionals. Neemt deze wetswijziging alleen de handelingsverlegenheid
bij professionals weg, zodat zij gegevens over domeinen heen zullen uitwisselen, of
zorgt deze wetswijziging ook voor een andere manier van toegang tot hulp bij meervoudige
problematiek?
Deze wetswijziging zal vooral leiden tot beter op elkaar afgestemde en daarmee waarschijnlijk
ook betere hulp voor mensen met meervoudige problematiek. Deze mensen zullen op dezelfde
manier als nu met een hulpvraag bij de gemeente komen, maar als er mogelijk sprake
is van meervoudige problematiek geeft dit wetsvoorstel de regels en waarborgen voor
gegevensverwerking die nodig zijn om de beoogde hulp en voorzieningen goed op elkaar
af te stemmen. De duidelijk regels zullen de handelingsverlegenheid van professionals
kunnen verminderen omdat de Wams specifieke knelpunten op het gebied van gegevensverwerking
wegneemt die nu die in de weg staan aan het kunnen doen van onderzoek naar meervoudige
problematiek en het uitvoeren van een gecoördineerde aanpak.
143.
Deze leden vragen bovendien of deze wetswijziging beoogt om in de praktijk deze handelwijze
bij meervoudige problematiek te integreren in de standaardroute voor de Wmo 2015,
of beoogt de regering dat er in de praktijk een aparte aanmeld- en ondersteuningsroute
voor cliënten en gezinnen met meervoudige problematiek wordt opgezet? En als dit niet
beoogd wordt, ziet de regering wel de mogelijkheid of risico’s dat gemeenten dit in
de praktijk wel zo inrichten? Hoe wenselijk zou dat zijn, zo vragen de leden van de
ChristenUnie-fractie de regering.
Het wetsvoorstel bevat een nieuwe paragraaf die wordt toegevoegd aan hoofdstuk 2 van
de Wmo 2015. De nieuwe paragraaf voorziet in de procedure voor een onderzoek naar
meervoudige problematiek en indien nodig een gecoördineerde aanpak, en wordt ingevoegd
na paragraaf 3 waarin de gewone procedure voor de aanvraag van een maatwerkvoorziening
is opgenomen. Mensen kunnen met verschillende hulpvragen op het sociaal domein «binnen
komen» in de route voor een onderzoek naar meervoudige problematiek. Dit kan een aanvraag
zijn op grond van de Wmo 2015, maar het wetsvoorstel bevat in de artikelen II, V en
VI ook zogenaamde schakelbepalingen. Deze artikelen regelen dat als iemand aanklopt
met een probleemvraag op het terrein van de Jeugdwet, de Participatiewet of de Wet
gemeentelijke schuldhulpverlening (dit zijn tezamen met de Wmo 2015 de sociaal domein
wetten) en blijkt dat er mogelijk sprake is van meervoudige problematiek, een onderzoek
wordt gestart. De Wams voorziet dus niet in een aparte aanmeldroute. Aan de hand van
de hulpvraag en het gesprek met de cliënt zal blijken of er mogelijk sprake is van
meervoudige problematiek. In zo’n geval wordt – in samenspraak met de cliënt – een
onderzoek naar meervoudige problematiek gedaan, en volgt mogelijk een gecoördineerde
aanpak. Het is aan gemeenten zelf hoe ze een en ander praktisch inrichten. Het is
bijvoorbeeld mogelijk dat een gemeente professionals in dienst heeft die meer gespecialiseerd
zijn in onderzoek bij meervoudige problematiek. Een aparte aanmeldroute zou er niet
toe moeten leiden dat mensen die te kampen hebben met meervoudige problematiek niet
worden geholpen omdat ze zich niet op de juiste plaats hebben aangemeld. Het gesprek
met de cliënt over de hulpvraag moet leidend zijn om vast te stellen wat de juiste
route is.
144.
Voorziet het wetsvoorstel ook in de mogelijkheid om persoonsgegevens uit het onderzoek
of de coördinatie van het onderzoek aan een ander college over te dragen, als een
cliënt tijdens het onderzoek of coördinatie verhuist naar een andere gemeente? De
leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat het wel mogelijk is om een melding over
te dragen, maar zij interpreteren het wetsvoorstel nu zo dat bij verhuizing tijdens
het onderzoek of de coördinatie het college van de nieuwe gemeente een nieuw onderzoek
moet starten. Zij vragen wat de wenselijkheid is hiervan. Deze leden vragen de regering
bovendien hoe het wetsvoorstel werkt als meerdere colleges betrokken zijn, omdat bijvoorbeeld
het ene college verantwoordelijk is voor beschermd wonen en het andere voor Wmo 2015-ondersteuning.
Is een samenloopbepaling overwogen?
Artikel 2.6.1 van de Wmo 2015 bepaalt dat de colleges met elkaar samen werken indien
dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van deze wet aangewezen is. Dat
geldt dus ook eventuele samenwerking in het kader van de aanpak van meervoudige problematiek,
zoals voorgesteld in dit wetsvoorstel, dat in onderdeel zal zijn van de Wmo 2015.
Bij een verhuizing kan ervoor gekozen worden om de gecoördineerde aanpak af te maken
in de nieuwe woonplaats met andere partijen. Een en ander hangt af van de aard van
de problematiek af, of die afhankelijk is van lokale voorzieningen of niet. Soms zal
het beter zijn om bij het college van de nieuwe gemeente opnieuw hulp te vragen. Gegevens
over de lopende gecoördineerde aanpak, over eerder verstrekte diensten uit het sociaal
domein of van een lopend onderzoek naar meervoudige problematiek kunnen worden verstrekt
aan de nieuwe gemeente. Beide colleges zijn op grond van de wet bevoegd de gegevens
te verwerken, daarom is er in principe geen aparte bepaling voor nodig. Toch stel
ik voor bij nota van wijziging hiervoor in artikel 5.4.4 een expliciete grondslag
op te nemen, omwille van de duidelijkheid en omdat een expliciete grondslag voor de
overdracht van gegevens bij een verhuizing zal bijdragen aan snellere en betere hulp
voor cliënten die verhuizen.
Verder is in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening geregeld dat de gemeente ervoor
kan kiezen in bijzondere omstandigheden schuldhulpverlening te geven aan een persoon
die geen inwoner is (artikel 3, vijfde lid, Wgs). Voorts geldt voor de Participatiewet
dat als iemand loonkostensubsidie ontvangt op grond van de Participatiewet en verhuist,
de loonkostensubsidie gedurende de dienstbetrekking blijft doorlopen (artikel 10d,
tiende lid, Participatiewet).
145.
De leden van de ChristenUnie-fractie nemen de opmerking van de Afdeling serieus dat
het om een behoorlijk privacy-bewustzijn bij medewerkers vraagt om gegevens uit het
onderzoek niet voor andere doelen zoals de aanpak van fraude te gebruiken. Deze leden
vragen wat de gevolgen zijn als besluiten zijn gebaseerd op onjuist of onbevoegd verwerkte
gegevens. Zijn die besluiten dan onrechtmatig en vernietigbaar, of blijven deze besluiten
in stand? Is er recht op schadevergoeding op grond van artikel 82 van de AVG als het
besluit in stand wordt gehouden? Hoe werkt dit uit als het onderzoek aanleiding geeft
voor het vorderen van meer informatie op grond van een andere bevoegdheid, bijvoorbeeld
artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, en de intrekking en terugvordering
berust op de gevorderde gegevens? Hoe verhoudt de beperking van het hergebruik van
gegevens zich tot verplichtingen om fraude te melden, zoals opgenomen in het voorgenomen
artikel 2.3 van de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg?
Net als de leden van de ChristenUnie-fractie, neemt de regering deze opmerking van
de Afdeling over privacy-bewustzijn serieus. Dit onderwerp zal ook de nodige aandacht
krijgen bij implementatie van de Wams. Overigens neemt dit niet weg, dat dit ook onder
de huidige wetgeving speelt. Een medewerker moet zich bewust zijn welke taak hij heeft:
toeleiding naar hulp, hulpverlener of toezichthouder, en of gegevens vanuit die taak
rechtmatig zijn verwerkt.
Het onderzoek naar meervoudige problematiek heeft tot doel de problemen van cliënten
en hun gezin te verminderen of weg te nemen. Het onderzoek wordt in samenspraak met
de cliënt gedaan als de aanleiding een verzoek van de cliënt is (artikel 2.3a.1).
Als het onderzoek naar aanleiding van een verzoek van een partij wordt gedaan (alleen
in geval van ernstige meervoudige problematiek), wordt de cliënt geïnformeerd en zo
mogelijk betrokken (artikel 2.3a.4). Mensen zijn niet verplicht om dienstverlening
te accepteren die naar aanleiding van het onderzoek naar meervoudige problematiek
wordt voorgesteld.
Het wetsvoorstel verandert niets aan de voorwaarden voor inkomensondersteuning in
de Participatiewet en het toezicht daarop. Omdat hulpverlening en handhaving verschillende
taken zijn, zou de in de vraag geschetste situatie, dat het onderzoek naar meervoudige
problematiek aanleiding geeft tot het vorderen van meer informatie op grond van artikel 17
van de Participatiewet, zich niet voor moeten doen. Wat wel kan, is dat uit de gecoördineerde
aanpak feiten of omstandigheden blijken die de belanghebbende zelf moet melden op
grond van artikel 17 van de Participatiewet (inlichtingenplicht). Dat is aan de orde
als er feiten of omstandigheden zijn die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.
De Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz)89 regelt twee instrumenten: het waarschuwingsregister zorgfraude en het Informatieknooppunt
Zorgfraude (IKZ). Bij verstrekking aan het waarschuwingsregister moet er sprake zijn
van een gerechtvaardigde overtuiging van fraude. Dan bevindt een gemeente zich feitelijk
aan het einde van haar fraudeonderzoek en kan zij vaststellen dat er daadwerkelijk
sprake is van fraude en zal zij in de regel daar ook aangifte van doen.
Wat betreft het IKZ (artikel 2.4 Wbsrz) hebben instanties de verplichting om signalen
over een vermoeden van fraude aan het IKZ te verstrekken. Dit is informatie uit de
reguliere toezichts- en handhavingstaak en niet uit het onderzoek naar meervoudige
problematiek die het wetsvoorstel mogelijk maakt. De Wbsrz heeft in principe een eigenstandige
werking, maar het IKZ «draait» natuurlijk op de signalen die instanties bij hun reguliere
taakuitoefening opdoen. Overigens is in de Besluit bevorderen samenwerkingen rechtmatige
zorg (Bbsrz) ook vrij uitvoerig beschreven welke gegevens een gemeente daarvoor dient
te verstrekken.
146.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien nog wel meer terreinen waar verwerken van
persoonsgegevens tussen domeinen behulpzaam kan zijn voor goede hulpverlening aan
cliënten, bijvoorbeeld het niet-gebruik van regelingen beperken. In hoeverre kan deze
wetswijziging gebruikt worden om niet-gebruik tegen te gaan?
Met de leden van de ChristenUnie-fractie ben ik het eens dat het van belang is dat
niet-gebruik wordt tegengegaan. Dit wetsvoorstel kan daar zeker aan bijdragen. Als
een cliënt bij de gemeente aanklopt met een hulpvraag op één van de sociaal domeinwetten,
kan blijken dat er meer aan de hand is en in samenspraak met de cliënt een onderzoek
naar meervoudige problematiek worden gestart. Uit dit onderzoek kan naar voren komen
dat de cliënt inderdaad met meer geholpen kan worden dan alleen met de hulp die hij
aanvankelijk vroeg. Ook een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek op grond
van artikel 2.3a.4 kan bijdragen aan het tegengaan van niet-gebruik. Als de cliënt
die niet zelf met een hulpvraag kwam uiteindelijk bereid wordt gevonden de hulp van
de geboden gecoördineerde aanpak te aanvaarden, draagt dat bij aan het tegengaan van
niet-gebruik.
147.
De leden van de SGP-fractie constateren dat in deze paragraaf van de memorie van toelichting
gedetailleerd de procedure wordt toegelicht die wettelijk wordt verankerd. Zij vragen
de regering het advies van de Afdeling te heroverwegen om dit uit het wetsvoorstel
te schrappen, omdat dit geen recht doet aan de gedecentraliseerde verhoudingen.
Het advies van de Afdeling is aanleiding geweest om nog eens goed te kijken naar de
noodzaak van bepaalde procedurele regels. De Afdeling stelde daarbij de vooral regels
met betrekking tot de werkwijze van de coördinator, het casusoverleg en het meldpunt
ter discussie. Omdat het wetsvoorstel niet alleen de grondslagen voor gegevensverwerking
beoogt te regelen, maar ook beoogt inwoners waarborgen te bieden tegen een mogelijk
te ruime gegevensverwerking, is het niet goed mogelijk het voorstel volledig te beperken
tot de «wat» vraag («wat moet of mag het college doen»), maar richt het zich in beperkte
mate, ook op de «hoe» vraag, mede gezien de handelingsverlegenheid bij gemeenten.
Het wetsvoorstel geeft namelijk nadere invulling aan uit de AVG voortvloeiende verplichtingen
inzake gegevensverwerking. Zou uitsluitend de «wat» vraag zijn beantwoord, dan zouden
de waarborgen van de AVG alleen in abstracte zin geboden kunnen worden. De regering
beoogt met dit wetsvoorstel gemeenten, en de partners met wie zij werken, voldoende
houvast te bieden bij de gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek én burgers
het vertrouwen te bieden dat gemeenten zorgvuldig en daadkrachtig kunnen optreden.
Daartoe krijgt het college op wetsniveau concrete handvatten voor het inrichten van
een zorgvuldige procedure die bedoeld is te bewerkstelligen dat alleen de noodzakelijke
gegevens worden verwerkt en gegevens niet onnodig verspreid worden onder partijen
die betrokken zijn bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of bij een gecoördineerde
aanpak. Deze procedurele «kapstok» biedt de haakjes die nodig zijn om de verwerking
van gegevens duidelijk in te kaderen tot wat noodzakelijk is per stap in het proces.
Door duidelijkheid te bieden over bepaalde processtappen, kan de aandacht gaan naar
de inhoud van de problematiek en de mogelijke oplossingen waarbij gemeenten binnen
de gegeven kaders de vrijheid hebben hoe ze invulling geven aan deze wet. Het gaat
met dit wetsvoorstel dus niet om het inperken van de gemeentelijke beleidsvrijheid
voor de aanpak van meervoudige problematiek, maar om het bieden van kaders en handelingsperspectief
om mensen met meervoudige problematiek beter te kunnen helpen binnen de kaders van
het eigen gemeentelijke beleid.
De regering meent op deze manier met het wetsvoorstel enerzijds recht te doen aan
de decentrale verhoudingen en anderzijds gemeenten en betrokken partijen houvast te
geven zodat handelingsverlegenheid wordt voorkomen en de mensen met meervoudige problematiek
beter kunnen worden geholpen.
148.
Belangrijke elementen van het voorstel worden bij AmvB, zoals welke instanties als
«partij» als bedoeld in de voorgestelde wijziging van artikel 1.1.1. Wmo 2015 zullen
worden aangewezen. De leden van de SGP-fractie vragen of de regering met de nota naar
aanleiding van het verslag tevens een concept van deze AmvB naar de Kamer kan sturen.
In de amvb zal inderdaad een lijst worden opgenomen met beoogde partijen die deel
kunnen nemen aan een onderzoek naar meervoudige problematiek en aan een gecoördineerde
aanpak en op basis van welke wettelijke taak zij dat kunnen doen. Een concept van
deze lijst voeg ik als bijlage onderaan deze nota naar aanleiding van het verslag
toe. De concept-amvb die met veldpartijen, waaronder gemeenten, UVW, SVB en CIZ, is
voorbereid, zal op korte termijn via een internetconsulatie openbaar worden gemaakt.
149.
De leden van de SGP-fractie vragen of de regering, mede gelet op de leesbaarheid van
de wet en het belang van het primaat van de wetgever, overwogen om de partijen die
betrokken kunnen worden bij de gecoördineerde aanpak in de wet vast te leggen, eventueel
met de mogelijkheid om aanvullende partijen bij AmvB toe te voegen?
In de voorgestelde wijziging van artikel 1.1.1 is de definitie van partij opgenomen.
Het betreft alle instanties en mensen die kunnen worden betrokken bij een onderzoek
naar meervoudige problematiek en daarna zo nodig bij een gecoördineerde aanpak. Zowel
het onderzoek als de gecoördineerde aanpak kunnen betrekken hebben op het sociale
domein en op de aanpalende domeinen. Omdat aanpalende domeinen potentieel een groot
werkterrein beslaan, is het omwille van de rechtszekerheid van cliënten maar ook voor
de potentiële partijen zelf noodzakelijk om duidelijk af te bakenen welke partijen
op grond van welke taken betrokken kunnen worden bij het onderzoek en de gecoördineerde
aanpak. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft dit ook in zijn advies aangegeven.
Een regeling bij amvb geeft iets meer flexibiliteit als blijkt dat aanpassing nodig
is vanwege een te ruime of te enge verwijzing naar de taken van partijen. Zoals de
leden van de SGP-fractie suggereren, zou het mogelijk zijn om een deel van de partijen
wel te noemen in de wet en bij amvb een aanvullende lijst vast te stellen. Het is
echter de vraag of dit de toegankelijkheid van de wetgeving ten goede komt. Om duidelijkheid
te krijgen welke partijen betrokken kunnen worden, moet dan immers zowel de wet als
de amvb worden geraadpleegd.
De bijlage voor de amvb zoals die nu in concept is opgesteld, geeft een duidelijk
overzicht van de partijen en de bijbehorende taakafbakening. Daarbij is het zo dat
de kernelementen, namelijk de definitie van partij tezamen met de definitie van aanpalende
domeinen, op wetsniveau worden geregeld. Ik ben van mening dat, gelet op het primaat
van de wetgever, de reikwijdte van het wetsvoorstel voldoende duidelijk is en de delegatie
concreet en begrensd is.
150.
De leden van de SGP-fractie constateren dat het college en betrokken partijen de persoonsgegevens
uit het onderzoek niet voor een ander doel dan de gecoördineerde aanpak verder mogen
verwerken, bijvoorbeeld ter bestrijding van fraude. Zoals de Afdeling heeft opgemerkt
vergt dat bepaalde kennis en expertise van medewerkers. Hoe wordt zuiver handelen
in deze gewaarborgd en gecontroleerd? De leden van de SGP-fractie vragen de regering
wat de gevolgen zijn als de gegevens toch gebruikt worden, bijvoorbeeld om (met terugwerkende
kracht) een uitkering in te trekken en terug te vorderen omdat de cliënt samen blijkt
te wonen of verborgen vermogen heeft? Zijn deze besluiten onrechtmatig en vernietigbaar,
of blijven deze besluiten in stand? Bij dit laatste, is er dan recht op schadevergoeding
op grond van artikel 82 van de AVG? Hoe werkt dit uit als het onderzoek aanleiding
geeft voor het vorderen van meer informatie op grond van een andere bevoegdheid, bijvoorbeeld
artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet en de intrekking en terugvordering
berust op de gevorderde gegevens?
In lijn met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) regelt het wetsvoorstel
expliciet welke verwerkingen van persoonsgegevens wel zijn toegestaan. Hieruit volgt
dat gegevensverwerking voor andere doelen niet zijn toegestaan. De verwerking van
persoonsgegevens is toegestaan voor het onderzoek naar meervoudige problematiek, dat
tot doel heeft de problemen van cliënten en hun gezin te verminderen of weg te nemen
(artikel 2.3a.1, vierde lid en 2.3a.4, tweede lid). Het wetsvoorstel geeft grondslagen
zodat de persoonsgegevens verder mogen worden verwerkt voor de gecoördineerde aanpak
en om diensten in het sociaal domein te verkrijgen (artikel 2.3a.2 en 5.4.4, eerste
lid). Het belang van deze verdere verwerking van gegevens is dat cliënten (en betrokken
partijen) de gegevens niet opnieuw hoeven te verstrekken. De gegevens mogen ook verder
worden verwerkt voor enkele bevoegdheden van de burgermeester en specifieke interventies
die ingezet worden als de veiligheid van een cliënt of personen in de omgeving in
het geding zijn (artikel 5.4.4, eerste lid). Artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel
a, geeft ook de grondslag om gegevens verder te verwerken ten behoeve van interventies
op grond van de Jeugdwet en de Wet inburgering 2021. Het gaat dan om een verzoek tot
onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming, het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel
of het voldoen aan de inburgeringsplicht. Bij nota van wijziging wordt voorgesteld
artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, zo aan te passen dat duidelijk is dat verdere
verwerking van gegevens uit een onderzoek naar meervoudige problematiek door het college
is toegestaan ten behoeve van het verstrekken van diensten op grond van de sociaaldomeinwetten
en de Wet inburgering 2021 en daarnaast alleen ten behoeve van de bovengenoemde interventies
die ook onderdeel kunnen zijn van een gecoördineerde aanpak.
Op grond van de AVG moet ook het verder verwerken van gegevens expliciet bij wet worden
geregeld, anders is verdere verwerking niet toegestaan. Op grond van artikel 5.4.4,
eerste lid, onderdeel b, van het wetsvoorstel kunnen gegevens verder worden verwerkt
voor enkele bevoegdheden van de burgermeester. Het is passend dat het college deze
gegevens – voor zover de noodzaak daartoe is gebleken uit het onderzoek als bedoeld
in artikel 2.3a.1, vierde lid, of artikel 2.3a.4, tweede lid – aan de burgemeester
kan verstrekken met het oog op zijn bevoegdheden in het kader van openbare orde en
veiligheid.
Gemeenten en de andere betrokken partijen zijn gehouden volgens de privacyregels te
werken. Gemeenten moeten daarvoor beleid hebben over het omgaan met de verschillende
taken van toeleiding naar hulp, hulpverlener en toezichthouder en wat te doen als
deze taken conflicteren. Hiervoor is ook landelijke ondersteuning beschikbaar. In
het sociaal domein komt het vaak voor – bijvoorbeeld in lokale teams – dat de daar
werkzame professionals zowel zorgen voor de toeleiding naar zorg als voor het verlenen
van zorg. In het traject Uitwisseling persoonsgegevens en privacy (UPP) als onderdeel
van het programma Sociaal Domein is in de periode 2018–2021 in samenwerking met privacy
officers van gemeenten een aantal handreikingen opgesteld voor gemeenten en medewerkers
die werkzaam zijn in het sociaal domein of lokale teams. Een van die handreikingen
gaat over het zogenaamde pettenvraagstuk. De medewerker moet zich bewust zijn van
welke «pet» hij op een bepaald moment op heeft; voor verschillende rollen gelden verschillende
regels als het gaat om het verwerken van persoonsgegevens. De gemeente, de bij het
lokale team betrokken organisaties en andere partijen die bij de coördinatie betrokken
zijn, moeten hierover afspraken met elkaar maken. De genoemde handreiking helpt hierbij.
Om vast te stellen of een gecoördineerde aanpak behulpzaam kan zijn om de problemen
te verminderen of op te lossen, wordt onderzoek naar meervoudige problematiek gedaan
(artikel 2.3a.1, vierde lid en 2.3a.4, tweede lid). Dat onderzoek heeft tot doel de
problemen van cliënten en hun gezin te verminderen of weg te nemen. Als de Participatiewet
onderdeel is van het onderzoek naar meervoudige problematiek kunnen gegevens beschikbaar
komen waaruit blijkt dat iemand mogelijk onterecht een uitkering ontvangt. De medewerker
die het onderzoek heeft uitgevoerd informeert de cliënt over de uitkomsten van het
onderzoek naar meervoudige problematiek (artikel 2.3a.2). Hierbij zal de medewerker
ook het gesprek aangaan met de cliënt over een mogelijke onterechte uitkering. Zij
bespreken op welke manier een rechtmatige situatie kan worden bereikt op een manier
die bijdraagt aan het verminderen of wegnemen van de problemen van de cliënt. Dit
is passend bij het doel van de aanpak van meervoudige problematiek. Het college mag
de gegevens uit het onderzoek naar meervoudige problematiek niet gebruiken om de onterechte
uitkering aan te passen.
De Wams verandert niets aan de bestaande bepalingen en kaders die gelden voor een
onrechtmatige overheidsdaad, en sluit toepassing hiervan niet uit. Dat geldt ook voor
de mogelijkheid van het recht op schadevergoeding van artikel 82 van de AVG. Een betrokkene
die meent dat een onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens schade heeft
veroorzaakt, kan hier een beroep op doen.
Het onderzoek naar meervoudige problematiek wordt in samenspraak met de cliënt gedaan
als de aanleiding een verzoek van de cliënt is (artikel 2.3a.1). Als het onderzoek
naar aanleiding van een verzoek van een partij wordt gedaan, wordt de cliënt geïnformeerd
en zo mogelijk betrokken (artikel 2.3a.4). Mensen zijn niet verplicht de dienstverlening
vanuit de Participatiewet, die op basis van het onderzoek naar meervoudige problematiek
eventueel wordt voorgesteld, te accepteren. Het wetsvoorstel verandert niets aan de
voorwaarden voor inkomensondersteuning in de Participatiewet en het toezicht daarop.
Wat wel kan, is dat uit de gecoördineerde aanpak feiten of omstandigheden blijken
die de belanghebbende zelf moet melden op grond van artikel 17 van de Participatiewet
(inlichtingenplicht). Dat is aan de orde als er feiten of omstandigheden zijn die
van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.
151.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering tevens hoe de beperking van het hergebruik
van gegevens zich verhoudt tot verplichtingen om fraude te melden zoals opgenomen
in het voorgenomen artikel 2.3 van de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg?
Op grond van artikel 2.4 Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz)90 (voorheen artikel 2.3) hebben de daar genoemde instanties de verplichting om signalen
over een vermoeden van fraude aan het Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ) te verstrekken.
Dit is informatie uit de reguliere toezichts- en handhavingstaak en niet uit de gecoördineerde
aanpak die het wetsvoorstel mogelijk maakt. De Wbsrz heeft in principe een eigenstandige
werking, maar het IKZ functioneert op basis van de signalen die instanties bij hun
reguliere taakuitoefening opdoen. In het Besluit bevorderen samenwerking en rechtmatige
zorg is uitvoering beschreven welke gegevens een gemeente dient te verstrekken.
152.
Het college kan gegevens aan de burgemeester verstrekken in verband met zijn taken
op het gebied van de openbare orde, waaronder de sluitingsbevoegdheid op grond van
artikel 13b van de Opiumwet. De verstrekking van deze gegevens en de aanwending van
de openbare-orde-bevoegdheden door de burgemeester zijn niet geclausuleerd in artikel 5.4.4,
en hoeft dus niet gericht te zijn op de gecoördineerde aanpak. De leden van de SGP-fractie
vragen of de regering onderkent dat dit mogelijk nadelig aanpakt voor de cliënt? Wordt
in het kader van de «samenspraak» dit risico medegedeeld?
Het doel van een gecoördineerde aanpak is de problemen van de cliënt en betrokken
gezinsleden binnen het sociaal domein en eventuele aanpalende domeinen te verminderen
of op te lossen en hen te ondersteunen bij het verbeteren van de zelfredzaamheid en
participatie. Als iemand zelf met een hulpvraag aanklopt, wordt in samenspraak met
de cliënt gesproken over de reikwijdte van de hulpvraag. Het college is op grond van
artikel 5.4.1 bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de cliënt voor zover
die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een onderzoek naar meervoudige
problematiek. Er is geen grondslag voor het verwerken van gegevens die niets te maken
hebben met de reikwijdte van de hulpvraag en het onderzoek. Uiteraard moet aan de
cliënt vooraf worden uitgelegd dat ten behoeve van het onderzoek de noodzakelijke
gegevens worden verwerkt en welke gegevens dat kunnen zijn. Dit geldt ook voor een
onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek als bedoeld in artikel 2.3a.4, tweede
lid, dat kan worden gestart op verzoek van een bij de cliënt betrokken partij. Het
derde lid van dat artikel bepaalt dat het college de cliënt of cliënten en, indien
deze er zijn, zo nodig hun vertegenwoordigers en mantelzorgers informeert over het
uitvoeren van een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek en hen zo mogelijk
betrekt bij het uitvoeren van het onderzoek. Met name bij een onderzoek naar ernstige
meervoudige problematiek is voorstelbaar dat er problemen en gegevens naar voren komen
die raken aan de openbare orde en veiligheid. Het kan dan – juist ook in het kader
van het oplossen of verminderen van de problemen – gewenst zijn dat de burgemeester
een van de in artikel 5.4.4 genoemde bevoegdheden inzet. Als deze grondslag voor gegevensverstrekking
in de wet zou ontbreken, zou de burgemeester niet over deze gegevens beschikken, terwijl
op basis van een onderzoek naar meervoudige problematiek is gebleken dat er mogelijk
sprake is van een situatie waarbij de veiligheid van de cliënt, zijn gezinsleden of
anderen in de directe omgeving, in het geding is. Als de situatie escaleert omdat
de burgemeester geen maatregelen nam, zou het achteraf vreemd zijn als blijkt dat
het college wel van de situatie op de hoogte was maar wegens het ontbreken van een
wettelijke grondslag de burgemeester hiervan niet op de hoogte mocht stellen.
Aangezien het om discretionaire bevoegdheden van de burgemeester gaat, is de mogelijkheid
tot het inzetten van die bevoegdheden verder niet geclausuleerd. Ook wordt niet geclausuleerd
dat de bevoegdheden alleen in het kader van een gecoördineerde aanpak mogen worden
ingezet. Het kan voorkomen dat een onderzoek naar meervoudige problematiek uiteindelijk
niet leidt tot een gecoördineerde aanpak. Zeker bij ernstige meervoudige problematiek
zal het niet altijd lukken de cliënt te overtuigen daaraan mee te werken. De regering
is van mening dat een burgemeester in dit soort situaties overeenkomstig zijn bevoegdheden
de afweging moet kunnen maken, dat het ter bescherming van de openbare orde of de
veiligheid in de omgeving noodzakelijk is een in artikel 5.4.4 genoemde bevoegdheid
in te zetten. Hierbij weegt de burgemeester de mogelijk nadelige gevolgen voor de
persoon die de maatregel betreft af tegen de nadelige gevolgen voor zijn omgeving.
153.
Het mogelijk maken om tegen de wil van de cliënt de geheimhoudingsplicht te doorbreken,
weegt voor de leden van de SGP-fractie zwaar. De leden van de SGP-fractie constateren
dat in de memorie van toelichting gesproken wordt van «ernstige meervoudige problematiek
dan wel het voorkomen en beperken van de negatieve gevolgen daarvan». Hoe verhoudt
«ernstige meervoudige problematiek» zich tot «meervoudige problematiek» zoals gedefinieerd
in dit wetsvoorstel? Waarom is «ernstige meervoudige problematiek» niet gedefinieerd
in de wetstekst? Waar komt de omschrijving van ernstige meervoudige problematiek»
vandaan in de toelichting?
Het begrip «meervoudige problematiek» wordt in artikel 1.1.1. gedefinieerd. Van dit
begrip is goed een materiële omschrijving te geven. Bij «ernstige» meervoudige problematiek
ligt dat anders. Of de situatie zodanig ernstig is dat een onderzoek zonder hulpvraag
van de cliënt gerechtvaardigd is, moet worden gewogen aan de hand van de omstandigheden
van het geval. In het voorgestelde artikel 2.3a.4, eerste lid, zijn daarom de voorwaarden
opgenomen waaraan de concrete omstandigheden getoetst moeten worden. Een bij de cliënt
betrokken professional kan bij het college een verzoek doen om een onderzoek naar
ernstige meervoudige problematiek te starten indien hij vermoedt:
a. dat sprake is van voortdurende of terugkerende meervoudige problematiek waarvoor de
persoon of personen die het betreft geen of selectief hulp vragen of accepteren of
de hulp die wel wordt aanvaard niet effectief lijkt, terwijl vanwege de aard of complexiteit
van de problemen maatschappelijke teloorgang of een lage kwaliteit van leven en welzijn
dreigt of al aan de orde is, en
(1) in de omgeving van deze persoon of personen gedurende langere tijd of telkens opnieuw
overlast, hinder of problemen wordt ervaren, of
(2) de veiligheid van personen of goederen in het geding is; en
b. dat een gecoördineerde aanpak kan bijdragen aan het oplossen of verminderen van de
problematiek.
Beide elementen (a en b) moeten bij een verzoek worden onderbouwd, waarbij er met
betrekking tot de bijkomende omstandigheden (sub 1 en 2) ten minste één van beide
situaties aannemelijk dient te worden gemaakt. Op basis van onderdeel a wordt bepaald
of sprake is van (waarschijnlijk) ernstige meervoudige problematiek.
Het is lastig om op basis van deze criteria een begripsomschrijving van «ernstige
meervoudige problematiek» te geven, maar omdat het begrip toch regelmatig wordt gebruikt,
stel ik bij nota van wijziging voor om in artikel 1.1.1 een definitie op te nemen
die verwijst naar de criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid, onderdeel a.
154.
In het wetsvoorstel wordt aangegeven dat een gemeente zelf een onderzoek kan starten
in het kader van de gecoördineerde aanpak, ook als de persoon zelf niet om hulp vraagt.
Echter gaat dit wetsvoorstel niet over gedwongen hulp en moet het voorstel dan ook
wegblijven van bepalingen die daar een grondslag voor vormen.
Burgers die in aanmerking komen voor bemoeizorg zijn zeer kwetsbaar en dat vergt juist
extra waarborgen tegen onnodige inbreuken op hun privéleven. Het lid van de BBB-fractie
verzoekt dan ook om hiervoor, indien de regering dit noodzakelijk acht, een apart
traject te starten en dit apart te behandelen.
Het wetsvoorstel biedt inderdaad geen kader voor gedwongen hulpverlening. Indien mogelijk
gedwongen zorg noodzakelijk is, zijn de daarvoor toepasselijke wettelijke kaders aan
de orde, zoals de Wvggz en de Wzd. Ook kunnen kinderbeschermingsmaatregelen op grond
van het BW en de Jeugdwet worden genomen.
Dit wetsvoorstel voorziet alleen in de mogelijkheid om juist bij kwetsbare mensen
die hulp mijden, het bieden van zorg en hulp beter af te stemmen met behulp van een
gecoördineerde aanpak, zodat deze mensen beter geholpen kunnen worden. Daar staat
tegenover dat zolang het niet gaat om de bovengenoemde gedwongen zorg kaders, het
iemand vrij staat niet geholpen te willen worden. Een onderzoek naar ernstige meervoudige
problematiek kan dan ook niet zomaar worden gestart, artikel 2.3a.4 bevat daartoe
de nodige waarborgen. Op grond van artikel 2.3a.4, eerste lid, kan een bij de cliënt
betrokken professional bij het college een verzoek doen om een onderzoek naar ernstige
meervoudige problematiek te starten indien hij vermoedt:
a. dat sprake is van voortdurende of terugkerende meervoudige problematiek waarvoor de
persoon of personen die het betreft geen of selectief hulp vragen of accepteren of
de hulp die wel wordt aanvaard niet effectief lijkt, terwijl vanwege de aard of complexiteit
van de problemen maatschappelijke teloorgang of een lage kwaliteit van leven en welzijn
dreigt of al aan de orde is, en
(1) in de omgeving van deze persoon of personen gedurende langere tijd of telkens opnieuw
overlast, hinder of problemen worden ervaren, of
(2) de veiligheid van personen of goederen in het geding is; en
b. dat een gecoördineerde aanpak kan bijdragen aan het oplossen of verminderen van de
problematiek.
Beide elementen (a en b) moeten bij een verzoek worden onderbouwd, waarbij er met
betrekking tot de bijkomende omstandigheden (sub 1 en 2) ten minste één van beide
situaties aannemelijk dient te worden gemaakt. Uit deze voorwaarden blijkt dat de
enkele situatie dat iemand zorg mijdt geen reden kan en mag zijn om zonder zijn instemming
een onderzoek naar meervoudige problematiek te starten. Het gaat om situaties met
groot risico op verergering of escalatie van de problemen met mogelijk ernstige gevolgen
voor de gezondheid en/of veiligheid van de betrokkene en/of zijn omgeving wanneer
passende ondersteuning (waaronder de noodzakelijke afstemming en samenwerking) niet
of niet tijdig tot stand komt. Als het college na toetsing aan bovengenoemde criteria
tot de conclusie komt een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek te starten,
regelt artikel 2.3a.4, derde lid, dat cliënten en hun mantelzorger of vertegenwoordiger
over het onderzoek worden geïnformeerd en zo mogelijk ook bij het onderzoek worden
betrokken.
Als de uitkomst van het onderzoek is dat een gecoördineerde aanpak wordt voorgesteld,
gelden daarbij precies dezelfde regels als na een onderzoek naar meervoudige problematiek
waarbij de cliënt zelf om hulp heeft gevraagd. Dit betekent dat alleen een gecoördineerde
aanpak wordt gestart als de cliënt daarmee instemt. De diensten die deel uitmaken
van die gecoördineerde aanpak worden immers alleen uitgevoerd als de hulp wordt aanvaard.
Gedwongen hulpverlening zou alleen onderdeel kunnen zijn van de gecoördineerde aanpak,
als die is opgelegd op grond van de hierboven genoemde wettelijke kaders. Bijvoorbeeld
iemand die gedwongen zorg krijgt op grond van de Wvggz, die middels een gecoördineerde
aanpak verder wordt geholpen naar begeleid wonen, schuldhulpverlening krijgt en wordt
begeleid richting werk om zo meer structuur te krijgen in zijn leven om daarmee te
voorkomen dat hij na afloop van de gedwongen zorg opnieuw afglijdt in een situatie
van ernstige problematiek.
Naar aanleiding van de consultatie en het advies van de AP zijn de waarborgen van
artikel 2.3a.4, eerste lid, voor het starten van een onderzoek naar ernstige meervoudige
problematiek verder ingekaderd. De regering is van mening dat deze regeling past bij
het doel van dit wetsvoorstel om mensen met meervoudige problematiek beter te kunnen
helpen, en dat daarbij ook de regeling voor onderzoek bij ernstige meervoudige problematiek
met voldoende waarborgen is omkleed. Professionals krijgen hiermee een duidelijk kader
waarmee zij kwetsbare mensen eerder en beter kunnen helpen om zo erger te voorkomen.
5. OGGZ EN MELDPUNTEN – AANLEIDING EN UITGANGSPUNTEN
155.
De leden van de VVD-fractie vragen de regering hoe het weer in de wet opnemen van
de oggz met inachtneming van de AVG in de praktijk gaat.
Zoals in de inleiding van de memorie van toelichting onder 1.2 is toegelicht behoort
de openbare geestelijke gezondheidszorg (oggz) al vele jaren tot de gemeentelijke
taken. In de Wmo (2007) was deze taak opgenomen in een apart prestatieveld voor gemeenten.
In de Wmo 2015 is deze taak niet geëxpliciteerd. Aanhoudende vragen hierover, in de
aanloop naar dit wetsvoorstel, hebben de regering ertoe gebracht om voor te stellen
het begrip oggz weer op te nemen in de wet, gekoppeld aan het stellen van regels over
gegevensverwerking door de meldpunten niet-acuut, een onderdeel van de oggz. Er verandert
daarom niets aan de huidige taken van gemeenten voor de oggz en zij krijgen er ook
géén nieuwe taak bij. Wel geeft het wetsvoorstel voor een juiste toepassing van de
AVG, duidelijkheid over de regels bij gegevensverwerking in het geval er een melding
plaatsvindt bij een meldpunt. Bij de implementatie van de Wams zal de wijze zal aandacht
zijn voor de aanpak van deze gegevensverwerking in de praktijk.
156.
Ook vragen deze leden de regering wat de recente ervaringen zijn met het landelijk
meldpunt Zorgwekkend gedrag dat in 2020 ingesteld is. Hoe wordt dit meldpunt gemonitord?
Het landelijk meldpunt spreekt over niet acute zaken. Is ook duidelijk hoe dit meldpunt
acute zaken voorkomt? En hoe wordt in dit kader omgegaan met acute zaken vallend onder
de Wvggz?
Het landelijk meldpunt is sinds juli 2020 live en is in oktober 2020 officieel gelanceerd.
Sinds het voorjaar van 2021 zijn alle Nederlandse gemeenten aangesloten op het meldpunt,
via een lokaal (gemeentelijk) of regionaal (bijvoorbeeld via GGD) meldpunt niet-acuut.
GGD GHOR Nederland heeft vanaf 2018 tot februari 2023 alle lokale en regionale meldpunten
ondersteund, in opdracht van ZonMw en het Ministerie van VWS. De ondersteuning bestond
onder andere uit het faciliteren van kennisuitwisseling door het organiseren van bijeenkomsten
waarin landelijke ontwikkelingen zijn besproken en het onderlinge leren centraal stond.
Ook heeft de GGD GHOR Nederland een aantal handreikingen ontwikkeld en een kwaliteits-
en ontwikkelinstrument.
Vanaf 1 februari 2023 heeft een nieuwe externe partij het beheer van het Landelijk
Meldpunt Zorgwekkend gedrag overgenomen, als ook de ondersteunende rol voorde meldpunten
en het monitoren. Deze partij heeft, naast het technisch beheer van het landelijke
Meldpunt Zorgwekkend Gedrag, de opdracht om kennisdeling en kwaliteitsverbetering
van het functioneren van de lokale- en regionale meldpunten niet-acuut te faciliteren
en monitoren. Deze inzichten worden gebruikt voor het bevorderen van efficiëntie en
effectiviteit van de keten van het meldpunt. Dit moet ertoe leiden dat ieder meldpunt
doeltreffend kan handelen op basis van een melding.
De meldpunten niet-acuut zijn er voor eenieder met zorgen over zichzelf of over een
ander: een (psychisch) kwetsbaar persoon, zoals een buurman of familielid, iemand
die in de war lijkt of niet (meer) goed voor zichzelf zorgt. Een meldpunt niet-acuut
kan advies geven over wat diegene zelf kan doen of zorgen dat de juiste zorg of ondersteuning
tot stand komt. De meldpunten niet-acuut dragen op deze manier bij aan het tijdig
signaleren en het voorkomen van escalatie van problematiek.
Het meldpunt niet-acuut is niet bedoeld voor een acute crisissituatie. Familie of
omstanders kunnen in een acute crisissituatie de huisarts, de hulpverlener als de
persoon al zorg krijgt, of 112 bellen. In de praktijk komt het ook voor dat een melding
die aanvankelijk in behandeling is genomen als «melding niet-acuut» gaandeweg beschouwd
moet worden als een melding in het kader van de Wvggz. De uitkomst van het meldproces
«niet acuut» is dan dat de vervolgactie moet worden opgepakt in het kader van de Wvggz.
Juridisch gezien wordt de melding dan doorgeleid naar het meldpunt Wvggz, dat dan
alsnog een verkennend onderzoek kan starten.
157.
De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat triage bij dit meldpunt van essentieel
belang is. Hoe is de opleiding voor medewerkers hier werkzaam ingericht?
Het landelijk meldpunt schakelt het inkomende gesprek op basis van woonplaats door
naar een lokaal (gemeentelijk) of regionaal (bijvoorbeeld via GGD) meldpunt niet-acuut.
De eisen die worden gesteld aan het functieniveau en de benodigde competenties zijn
afhankelijk van de inrichting van het lokale- of regionale meldpunt niet-acuut. Het
is aan de meldpunten zelf – onder verantwoordelijkheid van het college – om opleidingen
aan te bieden aan medewerkers. In het kwaliteits- en ontwikkelinstrument91 staan competenties die passend zijn bij medewerkers van een meldpunt, zoals kennis
van gesprekstechnieken, de sociale kaart en triageren.
158.
De leden van de VVD-fractie vragen of er bij het maken van deze wet en het inrichten
van het landelijk meldpunt specifiek aandacht is besteed aan geweld tegen vrouwen?
Is hier bijvoorbeeld contact over geweest met Femmes For Freedom?
Het landelijk meldpunt heeft een generieke functie, iedereen die zich zorgen maakt
over zichzelf of over een ander: een (psychisch) kwetsbaar persoon, zoals een buurman
of familielid, iemand die in de war lijkt of niet (meer) goed voor zichzelf zorgt
kan het nummer bellen. Hierbij zijn specifieke doelgroepen of specifieke thema’s,
zoals geweld tegen vrouwen, niet in het bijzonder uitgelicht. Veilig Thuis is het
adviespunt en meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling.
159.
Genoemde leden lezen dat bij een melding bij het meldpunt in dit wetsvoorstel in beginsel
de persoon derhalve wordt geïnformeerd over het feit dat er een melding is gedaan.
Hoe wordt de persoon geïnformeerd en wat betekent «in beginsel derhalve» in dit geval?
Bedoeld wordt dat de persoon waar de melding over gaat (de gemelde) in beginsel wordt
geïnformeerd, waarbij «derhalve» betrekking heeft op de voorgaande zin dat het in
contact komen met de gemelde doorgaans de eerste stap zal zijn. Dit contact kan telefonisch
zijn of door middel van een huisbezoek.
In het voorgestelde artikel 2.2.5, tweede lid, onderdeel c, staat dat de persoon ten
aanzien van wie de melding is gedaan, of diens ouders of wettelijke vertegenwoordigers,
van de melding op de hoogte worden gesteld, tenzij hierdoor de hulpverlening aan deze
persoon belemmerd wordt of zou kunnen worden. «In beginsel» heeft betrekking op die
laatste zinsnede. Er zijn uitzonderingsgronden om af te zien van het informeren. Op
grond van artikel 41, eerste lid van de UAVG mag het informeren bijvoorbeeld achterwege
blijven als dit nodig is ter bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden
van anderen. In de praktijk kan worden gedacht aan een gemelde met zorgwekkend gedrag
met bijvoorbeeld een ernstige psychose gevoeligheid, suïcidaal gedrag of een ernstig
agressie regulatie probleem waarbij het in eerste instantie ter bescherming van de
betrokkene of de omgeving, beter is om het informeren uit te stellen. In een dergelijk
geval moet wel bepaald worden wanneer betrokkene wel geïnformeerd wordt. Het is aan
het meldpunt om in haar beleid inzichtelijk te maken in welke situaties ze gebruik
maakt van de uitzonderingsgronden en om eventueel afspraken met vaste partners te
maken over wie de gemelde op welke wijze informeert. Ook dient ieder meldpunt te zorgen
voor begrijpelijke informatie op de website en eventueel in een folder.
160.
Via dit wetsvoorstel wordt een nieuw meldpunt opgericht. Hoe worden inwoners van gemeenten
op de hoogte gebracht van de verschillende meldpunten en waar zij voor welke melding
naar toe kunnen bellen? De leden van de VVD-fractie menen dat het voor de overzichtelijkheid
beter is indien het meldpunt zoals voorgesteld in dit wetsvoorstel zoveel mogelijk
aansluit bij hetgeen regionaal al is geregeld. Deelt de regering deze mening en hoe
kan dit zoveel mogelijk bewerkstelligd worden?
Er wordt in het voorliggend wetsvoorstel geen nieuw meldpunt opgericht. Alle gemeenten
beschikken inmiddels (peiling voorjaar 2021) over een lokaal of regionaal meldpunt
voor niet-acute meldingen. Gemeenten informeren inwoners via hun website bij welke
verschillende meldpunten inwoners terecht kunnen. Gemeenten kunnen het landelijke
nummer (0800-1205) noemen waarmee mensen die bellen automatisch bij het lokale of
regionale meldpunt uitkomen of verwijzen naar de directe contactgegevens van het eigen
lokale of regionale meldpunt. Naar aanleiding van een advies van het Schakelteam Personen
met verward gedrag om een landelijk meldnummer in te richten voor personen met verward
gedrag, is in juli 2020 is het landelijk Meldpunt Zorgwekkend Gedrag van start gegaan,
met bovengenoemd telefoonnummer. Inmiddels zijn alle gemeenten met een lokaal- of
regionaal meldpunt aangesloten op het landelijke nummer.
In dit wetsvoorstel wordt de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor een «meldpunt
niet acuut» wettelijk verankerd en worden de regels voor de verwerking van persoonsgegevens
geëxpliciteerd. Een landelijk dekkend netwerk en de wettelijke verankering zorgen
voor een landelijke structuur die aansluit bij de regionale meldpunten.
161.
Gemeenten die voor de meldingen in het kader van de Wvggz organisatorisch wensen aan
te haken bij een meldpunt niet-acuut, of andersom, moeten zorgdragen voor een gescheiden
informatiehuishouding in verband met de eisen die uit de verschillende juridische
regimes voor gegevensverwerking voortvloeien. Hoe wordt erop toegezien dat deze informatiehuishouding
ook daadwerkelijk gescheiden wordt?
Gemeenten hanteren net als andere overheidsorganisaties de Baseline Informatiebeveiliging
Overheid (BIO). De BIO beschrijft het basisniveau voor informatiebeveiliging. Daarnaast
zijn alle overheidsorganisaties verplicht om een functionaris gegevensbescherming
te hebben.
Dit is iemand die binnen de organisatie toezicht houdt op de toepassing en naleving
van de privacyregels, ook wat betreft informatiehuishouding van deze twee meldpunten.
162.
Het wetsvoorstel stelt een meldpunt voor zorgwekkend gedrag voor. Binnen het huidige
voorstel staat dat, wanneer de inschatting is gemaakt dat dit de hulpverlening belemmert,
ervan af kan worden gezien om de betrokkene te informeren over de melding. De leden
van de D66-fractie vragen de regering een verheldering in welke gevallen dit leidt
tot een betere uitkomst voor de betrokkene. En is er een overkoepelende handhaving
die controleert of deze ruimte slechts wordt benut wanneer dit noodzakelijk is?
Op grond van artikel 41, eerste lid, van de UAVG mag het informeren achterwege blijven
als dit nodig is in uitzonderlijke gevallen waarbij het ter bescherming van de betrokkene
of zijn omgeving beter is om het informeren uit te stellen. Het is niet zo dat van
informeren van de betrokkene kan worden afgezien. Wel kan informeren onder omstandigheden
worden uitgesteld, bijvoorbeeld bij mensen met zorgwekkend gedrag zoals een ernstige
psychose gevoeligheid, suïcidaal gedrag of een ernstig agressie regulatie probleem.
In dergelijke gevallen kan de professional van het meldpunt op basis van de omstandigheden
de inschatting maken dat het beter is voor de betrokkene, of mogelijk voor anderen,
zoals gezinsleden van de betrokkene, dat hij op een later moment wordt geïnformeerd
over de melding. In de geschetste situaties zal het er dan vooral ook om gaan wie
dat informeren het beste kan doen en in welke setting. Het is aan de meldpunten zelf
om hier zorgvuldig mee om te gaan en daarbij de privacyregels na te leven. De functionaris
gegevensbescherming die iedere gemeente op grond van de AVG moet hebben houdt hier
toezicht op. De AP is de overkoepelende toezichthouder.
163.
Heeft de regering bij dit wetsvoorstel de verwijsindex overwogen als of in plaats
van een meldpunt voor professionals, zo vragen de leden van de PVV-fractie aan de
regering. Het doel van de verwijsindex is namelijk ook vroegtijdig signaleren en escalaties
voorkomen, bovendien is er in de verwijsindex een soort van alarmfunctie bij meerdere
meldingen door verschillende professionals/derden.
Nee, dat is niet overwogen. De verwijsindex is, zoals de leden van de PVV-fractie
ook constateren, een instrument voor vroegsignalering door professionals. Bij de meldpunten
niet-acuut kan iedereen terecht die zich zorgen maakt over iemand in zijn omgeving.
De taak van het meldpunt is – kort gezegd – het beoordelen van meldingen, de melder
handelingsperspectief bieden, bijvoorbeeld door een advies te geven, en mensen die
zorg of ondersteuning nodig lijken te hebben, door te geleiden naar een instantie
die passende ondersteuning kan bieden. De meldpunten bestaan ook al, de Wams voorziet
ze alleen van expliciete wettelijke kaders voor de verwerking van gegevens.
Op dit moment is in de Jeugdwet de verwijsindex risicojongeren opgenomen. In de Kamerbrief
van 28 september 202292 is aangekondigd dat wordt gewerkt aan het schrappen van de verwijsindex als wettelijke
verplichting, in reactie op de aangenomen motie van de leden Westerveld (GL) en Peters
(CDA)93.
164.
Hoe wordt een melding afgehandeld, zo vragen de leden van de PVV-fractie de regering
verder. Hoe wordt een melding bewaard? Wordt elke melding of advies bewaard? Hoeveel
meldingen zijn er de afgelopen vijf jaar binnengekomen bij respectievelijk de lokale
en/of regionale meldpunten? Hoe vaak is er naar aanleiding van een melding bij het
meldpunt een onderzoek gestart? Hoe vaak was dit met of zonder toestemming van de
cliënt? Hoeveel gemeenten hebben een eigen meldnummer?
Ieder meldpunt maakt met samenwerkingspartners zelf afspraken over de manier waarop
zij opvolging geven aan meldingen. Uit een inventarisatie van GGD GHOR Nederland in
202094 naar de aanwezigheid van een meldpunt en de werkwijze, komt naar voren dat aan twee
derde van de meldingen een vervolg wordt gegeven en een derde van de meldingen meteen
wordt afgehandeld omdat het geven van bijvoorbeeld een advies aan de melder hierin
voldoende was. Bij het vervolg geven aan een melding gaat het vaak om iemand toe leiden
naar passende zorg zoals een lokaal team, welzijnsorganisatie, schuldhulpverlening,
verslavingszorg of een ggz-aanbieder. Indien toe leiden naar zorg niet (meteen) lukt,
proberen oggz-professionals mensen die uit zichzelf geen hulp vragen of accepteren,
toe te leiden naar hulp.
Alle gemeenten in Nederland zijn aangesloten op een lokaal of regionaal meldpunt niet-acute
zorg. Deze lokale en/of regionale meldpunten hebben een eigen meldnummer. Het landelijk
meldpunt schakelt automatisch door naar deze lokale en/of regionale meldpunten. Er
is zicht op hoe vaak er via het landelijk meldpunt naar de lokale/regionale meldpunten
doorgeschakeld is. Tussen 1 juli 2020 en 1 januari 2026 zijn bijna 56.500 telefoongesprekken
doorgezet naar een lokaal of regionaal meldpunt niet-acuut. Inwoners of professionals
kunnen ook rechtstreeks contact opnemen met een lokaal en/of regionaal meldpunt. Het
is aan de lokale en regionale meldpunten om hun eigen registratie passend in te richten.
Er is daarom geen overzicht van het totaal aantal meldingen dat afgelopen vijf jaar
bij alle lokale en/of regionale meldpunten binnengekomen is, en hoe de verschillende
meldpunten vervolg heeft gegeven aan de meldingen die zij hebben ontvangen.
Het bewaren van een melddossier zal op grond van de AVG altijd een specifiek doel
moeten dienen. Op dit moment werken de meldpunten met de handreiking «Handvatten voor
de inrichting van een zorgvuldige en rechtmatige gegevensverwerking» waarin stappen
staan om tot een beleid te komen rond het bewaren van melddossiers in overeenstemming
met de AVG.
Dit wetsvoorstel voorziet in duidelijke wettelijke grondslagen voor de noodzakelijke
gegevensverwerking door de meldpunten. In hoofdstuk 5, paragraaf 5 van het wetsvoorstel
wordt geregeld welke persoonsgegevens verwerkt mogen worden ten behoeve van de uitvoering
van de taken van het meldpunt. Het college mag zowel van de melder als van degene
over wie wordt gemeld, persoonsgegevens verwerken, dat wil zeggen, voor zover meldingen
in behandeling worden genomen voor het uitvoeren van een triage. Gegevens die al eerder
zijn verwerkt, bijvoorbeeld bij een eerdere melding voor de aanvraag van een voorziening
op grond van de Wmo 2015 of bij de uitvoering van een van de andere wetten in het
sociaal domein, mag het college verder verwerken bij het uitvoeren van de triage.
Hiermee wordt onnodige regeldruk voor cliënten zoveel mogelijk tegengegaan. Als de
melding wordt doorgezet naar een andere partij, dan mag het college de noodzakelijke
gegevens verstrekken aan die partij; die heeft immers informatie nodig om de hulp
of ondersteuning te kunnen gaan bieden. In art. 5.5.4, van het wetsvoorstel wordt
geregeld dat het college een beschrijving van de melding en de uitkomst van de triage
in een melddossier bewaart gedurende ten minste zes maanden en niet langer dan een
jaar vanaf de dag van melding. Deze bewaartermijn maakt het mogelijk eventuele patronen
in herhaalde meldingen te herkennen zonder dat gegevens vervolgens onnodig lang bewaard
worden.
Is de gemelde een ingezetene van een andere gemeente, dan wordt de melder doorverwezen
en worden geen gegevens verwerkt.
165.
De leden van de PVV-fractie vragen wat er gebeurt als de cliënt tijdens het onderzoek
of coördinatie verhuist naar een andere gemeente. Anders dan voor meldingen bij het
meldpunt lijkt het voorstel niet in de mogelijkheid te voorzien om de persoonsgegevens
uit het onderzoek of de coördinatie aan een ander college over te dragen. Het wetsvoorstel
voorziet niet in een samenloopbepaling voor het gecoördineerde aanpak als er meerdere
colleges verantwoordelijk zijn, bijvoorbeeld het ene college voor beschermd wonen
en het andere voor de overige Wmo 2015-ondersteuning. Meerdere colleges kunnen onderzoek
starten en de gecoördineerde aanpak ter hand nemen. Is een samenloopbepaling overwogen?
Gegevens over de lopende gecoördineerde aanpak, over eerder verstrekte diensten uit
het sociaal domein of van een lopend onderzoek naar meervoudige problematiek kunnen
worden verstrekt aan de nieuwe gemeente bij verhuizing. Omdat beide colleges op grond
van de wet bevoegd zijn de gegevens te verwerken, is hier in principe geen wettelijke
regeling voor nodig. Toch stel ik voor bij nota van wijziging in artikel 5.4.4 een
expliciete grondslag op te nemen, omwille van de duidelijkheid en omdat een expliciete
grondslag voor de overdracht van gegevens bij een verhuizing zal bijdragen aan snellere
en betere hulp voor cliënten die verhuizen.
Artikel 2.6.1 van de Wmo 2015 bepaalt nu al dat de colleges met elkaar samen werken
indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van deze wet aangewezen
is. Dat geldt dus ook voor de regels van dit wetsvoorstel als die in de Wmo 2015 worden
opgenomen. Colleges zullen ook in het kader van de aanpak van meervoudige problematiek,
zoals voorgesteld in de Wams, soms moeten samenwerken. Bij een verhuizing kan ervoor
worden gekozen om de gecoördineerde aanpak af te maken in de nieuwe woonplaats met
andere partijen. Een en ander hangt af van de aard van de problematiek af, of die
afhankelijk is van lokale voorzieningen of niet. Soms zal het beter zijn om bij het
college van de nieuwe gemeente opnieuw hulp te vragen.
166.
In sommige gevallen is de uitvoering van een sociaaldomeinwet (volledig) overgedragen
aan een gemeenschappelijke regeling (zie bijvoorbeeld artikel 8c van de Participatiewet).
Kan het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regeling in die gevallen de bevoegdheden
uit de gecoördineerde aanpak aanwenden?
Het onderzoek naar meervoudige problematiek en de mogelijk daarop volgende gecoördineerde
aanpak zoals voorgesteld in de Wams, is een regeling die wordt opgenomen in de Wmo
2015. Artikel 30 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr) biedt het
college de mogelijkheid om bevoegdheden aan een gemeenschappelijke regeling over te
dragen95. Artikel 8c van de Participatiewet bevat daarover een expliciete bepaling. Artikel 30
van de Wgr biedt relatief veel ruimte om bevoegdheden over te dragen; er zijn slechts
enkele bevoegdheden genoemd die niet kunnen worden overgedragen (bijvoorbeeld bepaalde vormen van belastingheffing). Indien
het in de praktijk wenselijk wordt gevonden om de bevoegdheden uit de gecoördineerde
aanpak aan een gemeenschappelijke regeling over te dragen, is dit dus mogelijk. Dat
vergt dan wel een actieve overdracht van de bevoegdheid. Gemeenten die werken met
een gemeenschappelijke regeling voor één of meer wetten uit het sociaal domein, zullen
zelf moeten beoordelen en regelen, of en hoe de regeling van de Wams hierin wordt
opgenomen.
167.
De leden van de PPV-fractie vragen of
de regering kan aangegeven of gemeenten gegevens die bekend zijn uit autonome taken,
zoals het lokale minimabeleid, hergebruikt kunnen worden.
In artikel 5.4.1, derde lid, van het wetsvoorstel wordt bepaald welke gegevens kunnen
worden hergebruikt voor een onderzoek naar meervoudige problematiek. Als het minimabeleid
gaat om ondersteuning bij werk en inkomen, zoals eens stadspas of kindpakket, mag
een gemeente de gegevens hergebruiken omdat die gegevens verwerkt zijn ter uitvoering
van de Participatiewet of de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
168.
Kan de regering aangeven waarom er in artikel 5.4.1 naar de vervallen Wet op het voortgezet
onderwijs wordt verwezen en niet naar de Wet voortgezet onderwijs 2020?
De verwijzing in artikel 5.4.1 naar de vervallen Wet op het voortgezet onderwijs is
onjuist en is bij nota van wijziging vervangen door een juiste verwijzing naar de
Wet voortgezet onderwijs 2020.
169.
De leden van de CDA-fractie zijn positief gestemd dat de oggz weer expliciet in de
Wmo 2015 opgenomen gaat worden. Kan de regering toelichten waarom zij dit voornemens
is?
In de Wmo 2015 is de oggz-taak van gemeenten, anders dan in de Wmo (2007), niet geëxpliciteerd.
Naar aanleiding van signalen van het Schakelteam personen met verward gedrag over
onduidelijkheid in de verantwoordelijkheidsverdeling voor zorg en ondersteuning voor
deze doelgroep, heeft de regering gemeenten er in september 2018 op gewezen dat openbare
geestelijke gezondheidszorg en bemoeizorg nog steeds gemeentelijke taken zijn op grond
van de Wmo 2015. Toch bleven vragen hierover tijdens het opstellen van dit wetsvoorstel
terugkomen. Zo heeft GGD GHOR Nederland aangegeven dat het ontbreken van een expliciete
wettelijke grondslag voor de oggz een belemmering vormt voor de uitvoering van hun
werkzaamheden en de daarvoor benodigde verwerking van persoonsgegevens. De regering
vindt het gelet op de samenhang met (complexe) meervoudige problematiek passend om
voor te stellen het begrip oggz weer op te nemen in de wet, gekoppeld aan het stellen
van regels over gegevensverwerking. De regering meent dat de belemmeringen die in
de praktijk zijn gevoeld om mensen die zorg mijden toe te leiden naar zorg of ondersteuning,
met de voorgestelde wijzigingen worden ondervangen. Daarbij hoort ook het expliciteren
van de taak van de meldpunten zodat AVG-conform, in het kader van de doelbinding van
de gegevensverwerking, op basis van een expliciete wettelijke grondslag persoonsgegevens
kunnen worden verwerkt door de meldpunten in het kader van de oggz-taak.
170.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven hoe vaak er via het
landelijke meldpunt Zorgwekkend gedrag wordt gebeld.
Tussen 1 juli 2020 en 1 januari 2026 zijn er bijna 56.500 telefoongesprekken succesvol
vanuit het telefoonnummer van het landelijk meldpunt Zorgwekkend gedrag doorgezet
naar een lokaal of regionaal meldpunt niet-acuut.
171.
Leidt het hebben van een meldpunt vervolgens ook tot bemoeizorg bij zorgmijdende of
overlast gevende zorgmijders?
Gemeenten geven op verschillende manieren invulling aan bemoeizorg taken. Er zijn
daarom geen uniforme landelijke data over bemoeizorg, alsook geen informatie of het
hebben van een meldpunt tot bemoeizorg bij zorgmijdende en/of overlast gevende personen
leidt. Aannemelijk is dat als er meer gebruik gemaakt wordt van het meldpunt dit ook
tot meer bemoeizorg bij zorgmijders leidt.
172.
De leden van de CDA-fractie gaan ervan uit dat gemeenten deze meldpunten ook gezamenlijk
– regionaal – kunnen oppakken.
Ja, gemeenten kunnen de meldpunten ook regionaal organiseren. Veel gemeenten hebben
de meldpunten bijvoorbeeld ondergebracht bij de GGD, hetgeen veelal een regionale
organisatie is op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
173.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering in hoeverre er nu sprake van is dat
in voorliggend wetsvoorstel zowel vrijwillige gecoördineerde zorgverlening als gedwongen
zorg worden geregeld. Gemeenten krijgen immers wel de mogelijkheid om een onderzoek
te doen zonder dat daar een hulpvraag van de burger aan ten grondslag ligt. De eerdergenoemde
partijen in de zorg wijzen erop dat het wetsvoorstel óók een (juridisch) kader lijkt
te bieden voor samenwerking ten behoeve van de zogenoemde «bemoeizorg» en menen dat
voor het scheppen van een (juridisch) kader voor het uitwisselen van gegevens in het
kader van bemoeizorg in overleg met het veld een aparte regeling getroffen moet worden.
Deze leden vragen de regering om een uitgebreide reactie en argumentatie waarom niet
wordt gekozen voor aparte juridische kaders voor een vrijwillige gecoördineerde aanpak
van meervoudige problematiek en voor bemoeizorg.
Een gecoördineerde aanpak op grond van de Wams is altijd vrijwillig. Alleen als de
cliënt instemt met de gecoördineerde aanpak, gaat die van start. Om tot een voorstel
voor een gecoördineerde aanpak te komen, wordt een onderzoek gedaan. Voor het doen
van een onderzoek naar meervoudige problematiek creëert dit wetsvoorstel twee verschillende
wettelijke grondslagen, namelijk een onderzoek na een hulpvraag van de cliënt of een
onderzoek op verzoek van een betrokken professional.
De wettelijke grondslag voor het onderzoek naar meervoudige problematiek bij een hulpvraag
van de cliënt zelf, is opgenomen in artikel 2.3a.1. De wettelijke grondslag voor een
onderzoek naar meervoudige problematiek in geval een cliënt niet zelf om hulp vraagt,
een vorm van bemoeizorg, is opgenomen in artikel 2.3a.4. De voorwaarden om zo’n onderzoek
te kunnen starten zijn streng. De partij die om een onderzoek vraagt moet een gemotiveerd
verzoek doen over het vermoeden dat er sprake is van ernstige meervoudige problematiek
aan de hand van de criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid. Bij een ongemotiveerd
of niet goed gemotiveerd verzoek, zal het college geen onderzoek starten. Het college
toetst daarvoor het verzoek ook aan de criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid.
Het wetsvoorstel geeft dus twee verschillende wettelijke grondslagen om een onderzoek
te starten bij meervoudige problematiek.
Zoals hierboven gezegd is de aanvaarding van de gecoördineerde aanpak en van de diensten
die onderdeel uitmaken van die aanpak na beide onderzoeken vrijwillig. Het is aan
de cliënt om te beslissen of hij de gecoördineerde aanpak en de diensten die daarbij
worden geboden aanvaardt. Die aanpak zal kunnen bestaan uit meerdere vormen van hulp
en ondersteuning, afspraken en in sommige gevallen worden ook niet vrijwillige interventies,
zoals bijvoorbeeld reclassering of een kinderbeschermingsmaatregel. Het slagen van
de gecoördineerde aanpak bij ernstige meervoudige problematiek is afhankelijk van
de mate waarin het lukt de cliënt ervan te overtuigen dat zijn situatie door het aanvaarden
van de hulp zal gaan verbeteren.
De meerwaarde van beide wettelijke grondslagen zit daarmee in de mogelijkheid om met
diverse bij de cliënt betrokken partijen tot een gezamenlijke gecoördineerde aanpak
te kunnen komen zodat zinvolle hulp kan worden opgestart die elkaar niet «in de weg
zit» of tegenwerkt.
Gezien de duidelijke samenhang tussen de twee verschillende wettelijke grondslagen
en dezelfde waarborgen die nodig zijn voor een zorgvuldige verwerking van gegevens,
het houden van een casusoverleg en het bieden van een gecoördineerde aanpak, is dit
samen in één wetsvoorstel geregeld.
Een andere vorm van bemoeizorg in dit wetsvoorstel is de oggz. Er zijn kwetsbare mensen
die níet zelfstandig om hulp vragen of die hulp juist mijden, terwijl ze in hun omstandigheden
eigenlijk wel hulp nodig hebben. Het benaderen en begeleiden van deze doelgroep naar
de juiste ondersteuning valt onder openbare geestelijke gezondheidszorg. In de Wmo
2015 is de oggz-taak van gemeenten, anders dan in de Wmo (2007), niet geëxpliciteerd.
Naar aanleiding van signalen van het Schakelteam personen met verward gedrag over
onduidelijkheid in de verantwoordelijkheidsverdeling voor zorg en ondersteuning voor
deze doelgroep, heeft de regering gemeenten er in september 2018 op gewezen dat openbare
geestelijke gezondheidszorg en bemoeizorg nog steeds gemeentelijke taken zijn op grond
van de Wmo 2015. Toch bleven vragen hierover tijdens het opstellen van dit wetsvoorstel
terugkomen. Zo heeft GGD GHOR Nederland aangegeven dat het ontbreken van een expliciete
wettelijke grondslag voor de oggz een belemmering vormt voor de uitvoering van hun
werkzaamheden en de daarvoor benodigde verwerking van persoonsgegevens. De regering
vindt het gelet op de samenhang met (complexe) meervoudige problematiek passend om
het begrip oggz met voorliggende wetsvoorstel weer op te nemen in de wet, gekoppeld
aan het stellen van regels over gegevensverwerking bij meldpunten niet-acuut. De regering
meent dat de belemmeringen die in de praktijk zijn gevoeld om mensen die zorg mijden
toe te leiden naar zorg of ondersteuning, met de voorgestelde wijzigingen worden ondervangen.
Daarbij hoort ook het expliciteren van de taak van de meldpunten zodat AVG-conform,
in het kader van de doelbinding van de gegevensverwerking, op basis van een wettelijke
grondslag persoonsgegevens kunnen worden verwerkt door de meldpunten in het kader
van de oggz-taak.
Het staat iemand uiteindelijk vrij niet geholpen te willen worden, ook bij de inzet
van bemoeizorg.
Gedwongen hulpverlening kan slechts onderdeel zijn van de gecoördineerde aanpak, als
die is opgelegd op grond van de daarvoor geldende wettelijke kaders van de Wvggz of
de Wzd. Ook kunnen kinderbeschermingsmaatregelen op grond van het Burgerlijk Wetboek
en de Jeugdwet worden genomen. Naar aanleiding van de consultatie en het advies van
de AP zijn de waarborgen van artikel 2.3a.4, eerste lid, voor het starten van een
onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek verder ingekaderd.
De regering meent dat zowel de regeling voor een onderzoek naar ernstige meervoudige
problematiek zonder hulpvraag van de cliënt als het expliciteren van de oggz-taak
en daarbij de passende waarborgen voor noodzakelijke en proportionele gegevensverwerking,
passen in dit wetsvoorstel als onderdeel van de gemeentelijke taak van maatschappelijke
ondersteuning, en met de noodzakelijke waarborgen zijn omkleed.
174.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering ook wanneer wordt gestart met het
landelijke netwerk van laagdrempelige steunpunten en wat in dit verband de in het
IZA opgenomen zin «Ook in zorg- en ondersteuningstrajecten blijft de eigen regie van
de inwoner uitgangspunt.» Betekent in relatie tot de eerdere uitspraak in het IZA:
«Door een betere samenwerking tussen huisarts, ggz en sociaal domein ervaart de cliënt
dat zijn/haar hulpvraag sneller op de juiste plek opgepakt en wordt onnodige instroom
in de ggz voorkomen.» Wat wordt precies verstaan onder eigen regie van de inwoner,
juist op het moment dat deze het risico loopt die eigen regie even niet te kunnen
nemen? En welke rol heeft de gemeente precies hierbij?
Omdat mensen met psychische klachten niet altijd de juiste ondersteuning en hulp krijgen,
is met ondertekening van het IZA in september 2022 onder andere ingezet op het verbeteren
van de samenwerking tussen sociaal domein, huisartsenzorg en ggz. Eén van de afspraken
is dat de komende vijf jaar wordt toegewerkt naar een landelijk dekkend netwerk van
laagdrempelige steunpunten voor mensen met psychische klachten en digitale lotgenotengroepen
(e-communities).96 Een eerste verkennend onderzoek liet zien dat er in het najaar van 2024 ongeveer
278 laagdrempelige steunpunten zijn97. Met het afsluiten van het AZWA zijn er aanvullende afspraken gemaakt over laagdrempelige
steunpunten. In dit akkoord zijn de laagdrempelige steunpunten opgenomen als één van
de basisfunctionaliteiten rondom mentale gezondheid. Dat betekent dat is afgesproken
dat uiterlijk in 2030 deze functionaliteit in elke regio of gemeente beschikbaar moet
zijn voor inwoners. Hiervoor is structurele financiering beschikbaar.
Met de eigen regie van de inwoner wordt bedoeld dat samen met iemand wordt gekeken
wat zijn of haar hulpvraag is. Gekeken wordt wat iemand zelf kan doen, wat een mogelijk
netwerk kan bijdragen en welke ondersteuning of eventueel zorg er daarnaast nodig
is. Ook is het juist in een kwetsbare positie belangrijk om invloed te hebben op je
zorg- of ondersteuningstraject. Iemand moet een keuze hebben in wat voor hem of haar
passende ondersteuning of zorg is. In een laagdrempelig steunpunt is ruimte voor maatschappelijk
en persoonlijk herstel op je eigen tempo en in wederkerigheid met anderen.
Op grond van de Wmo 2015 hebben gemeenten de opdracht om de zelfredzaamheid en participatie
van onder andere mensen met psychische of psychosociale problemen te ondersteunen
en daarbij gebruik te maken van hun eigen kracht. De Wams regelt in lijn daarmee dat
een eventueel onderzoek naar meervoudige problematiek en zo mogelijk daarop volgend
een gecoördineerde aanpak, in samenspraak met de cliënt wordt gedaan. Alleen in de
uitzonderlijke situatie van zorg mijden en bij vermoedelijke ernstige meervoudige
problematiek, voorziet de Wams in de met de noodzakelijke waarborgen omklede procedures
om iemand naar zorg toe te kunnen leiden. Ook dan blijft gelden dat de cliënt daar
zoveel mogelijk bij wordt betrokken.
175.
Wat is de verhouding tussen het in voorliggend wetsvoorstel beschreven meldpunt voor
signalen over gezondheid, welzijn, zelfredzaamheid of participatie van een inwoner
van een gemeente en de laagdrempelige steunpunten?
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering verder hoe en wanneer de regionale
samenwerkingsafspraken tot stand zullen komen, bijvoorbeeld ten aanzien van de mentale
gezondheidscentra, hoe de voortgang wordt bewaakt en welke rol het voorliggende wetsvoorstel
hierin speelt. Hoe wordt gemonitord of alle gemeenten voldoen aan de verplichting
voor een laagdrempelig meldpunt en hoe wordt gevolgd hoe effectief deze meldpunten
werken?
De meldpunten niet-acuut zijn er voor eenieder met zorgen over zichzelf of over een
ander: een (psychisch) kwetsbaar persoon, zoals een buurman of familielid, iemand
die in de war lijkt of niet (meer) goed voor zichzelf zorgt. De laagdrempelige steunpunten
zijn er voor de inwoners met psychische klachten, mensen kunnen daar bijvoorbeeld
binnen lopen voor een kop koffie en herstelgerichte activiteiten. Deze initiatieven
passen in de opdracht die gemeenten hebben vanuit de Wmo 2015 om zelfredzaamheid en
participatie van mensen met een beperking te ondersteunen en daarbij gebruik te maken
van hun eigen kracht.
Een van de afspraken uit het IZA is in de samenwerking tussen het sociaal domein,
huisartsen en de ggz te komen tot een landelijk dekkend netwerk van laagdrempelige
steunpunten voor mensen met psychische klachten, waaronder ook mensen met ernstige
psychische aandoeningen (EPA). In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord98 zijn aanvullende afspraken gemaakt op het snijvlak van het sociaal en medisch domein.
Zorgverzekeraars, gemeenten en aanbieders van zorg en ondersteuning hebben landelijke
afspraken gemaakt over concrete «basisfunctionaliteiten» (het wat) op de thema’s kansrijk
opgroeien, gezonde leefstijl, mentale gezondheid, vitaal ouder worden en gezondheidsachterstanden
verminderen. Met het afsluiten van het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord zijn er
aanvullende afspraken gemaakt over laagdrempelige steunpunten. In dit akkoord zijn
de laagdrempelige steunpunten opgenomen als één van de basisfunctionaliteiten rondom
mentale gezondheid. Dat betekent dat is afgesproken dat uiterlijk in 2030 deze functionaliteit
in elke regio of gemeente beschikbaar moet zijn voor inwoners. Hiermee is ook structurele
financiering beschikbaar gekomen.
Sinds de afsluiten van het IZA is er, onder leiding van de VNG, een werkgroep mee
aan de slag gegaan waar ook ZN, de Nederlandse ggz, Valente, Sociaal Werk Nederland,
de landelijke vereniging van zelfregie- en herstel en het Ministerie van VWS aan deelnemen.
Partijen koppelen periodiek – in samenhang met de monitoring van de uitkomstdoelen
in het IZA – de voortgang van de uitvoering van de afspraken terug in het Bestuurlijk
Overleg IZA. Door middel van deze terugkoppeling wordt zicht gehouden of het partijen
lukt om bovengenoemde afspraken tijdig te realiseren. Voor het AZWA wordt de monitoring
nog ingericht.
De afgelopen jaren is ook toegewerkt naar mentale gezondheidsnetwerken waarin door
ggz-professionals (onder andere) verkennende gesprekken worden gevoerd in samenwerking
met het sociaal domein. Deze netwerken worden ingericht op een manier die past bij
de regio. Inmiddels hebben alle regio’s een goedgekeurd transformatieplan, en kan
dus ook in de laatste regio’s een start worden gemaakt met de implementatie van deze
mentale gezondheidsnetwerken. Voorliggend wetsvoorstel staat los van deze uitwerking.
Alle gemeenten in Nederland zijn inmiddels met een lokaal of regionaal meldpunt niet-acute
zorg aangesloten op het landelijk meldpunt. De verantwoordelijkheid voor het monitoren
is toegekend aan een externe partij. Deze partij heeft per 1 februari 2023, naast
het technisch beheer van het landelijke Meldpunt Zorgwekkend Gedrag, de opdracht om
kennisdeling en kwaliteitsverbetering van het functioneren van de lokale- en regionale
meldpunten niet-acuut te faciliteren en monitoren. Dit draagt bij aan het bevorderen
van de efficiëntie en effectiviteit van de keten van het meldpunt.
176.
Dit wetsvoorstel verankert de taak voor gemeenten om zorg te dragen voor een meldpunt
voor inwoners en professionals die zich zorgen maken over iemand in hun omgeving.
De leden van de SGP-fractie maken uit de memorie van toelichting op dat alle gemeenten
inmiddels beschikken over een dergelijk meldpunt, veelal is dat ondergebracht bij
de GGD.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering waarom het dan nog nodig is dit meldpunt
wettelijk te verankeren? Wat zijn de ervaringen met deze meldpunten tot nu toe? Hoe
functioneert dit in de praktijk? Hoe vaak worden er meldingen gedaan en hoe vaak leidt
dit tot vervolgonderzoek of -acties? Wordt er ook weleens oneigenlijk gebruik gemaakt
van deze meldpunten en hoe wordt hiermee omgegaan?
Met het opnemen in de wet van de regionale meldpunten niet-acute zorg wordt een expliciete
wettelijke basis voor de benodigde gegevensverwerking door de meldpunten geregeld.
Het voorgestelde artikel 5.5.1 regelt dat het college bij een melding aan het meldpunt
persoonsgegevens van de melder mag verwerken en artikelen 5.5.2 en 5.5.3 regelen de
verwerking van gegevens die noodzakelijk zijn om naar aanleiding van de melding triage
te doen en de melding door te kunnen geleiden naar een partij de cliënt mogelijk kan
helpen. Artikel 5.5.4 regelt de bewaartermijn van voor de melding verwerkte gegevens.
Meldpunten registreren meldingen op verschillende manieren. Er is daarom geen zicht
op het totaal aantal meldingen dat afgelopen vijf jaar bij alle lokale of regionale
meldpunten binnengekomen is. Ieder meldpunt maakt met samenwerkingspartners zelf afspraken
over de manier waarop zij opvolging geven aan meldingen. Het landelijk meldpunt zorgwekkend
gedrag ontving in 2025 bijna 22.271 meldingen waarvan er 14.395 doorgezet naar een
lokaal of regionaal meldpunt niet-acuut.
Het landelijk nummer schakelt mensen namelijk door naar het lokale of regionale meldpunt.
De GGD GHOR Nederland heeft in 2020 vlak voor de lancering van het landelijke meldpunt
een inventarisatie gedaan onder gemeenten naar de aanwezigheid van een meldpunt en
de werkwijze.99 Uit deze inventarisatie komt naar voren dat aan twee derde van de meldingen een vervolg
wordt gegeven en één derde van de meldingen meteen wordt afgehandeld, omdat het geven
van bijvoorbeeld een advies aan de melder voldoende was. Bij het vervolg gaat het
vaak om iemand toe te leiden naar passende zorg zoals een lokaal team, welzijnsorganisatie,
schuldhulpverlening, verslavingszorg of een ggz-aanbieder. Indien dit niet meteen
lukt, proberen oggz-professionals mensen die uit zichzelf geen hulp vragen of accepteren,
toe te leiden naar hulp.
De medewerkers van het meldpunt beschikken over de expertise om adequaat om te gaan
met eventuele oneigenlijke meldingen. Desgevraagd100 geven de beheerders van het landelijk meldpunt aan dat de lokale meldpunten geen
signalen afgeven van oneigenlijk gebruik. Hetgeen niet uitsluit dat het niet voor
kan komen. De medewerkers zijn getraind om een goede triage uit te voeren en op basis
daarvan een inschatting te maken van wat nodig is. Het is daarnaast lastig om te bepalen
wat een onterechte melding is. In de praktijk komt het bijvoorbeeld voor dat een persoon
zich zorgen maakt over iemand, terwijl een professional van mening is dat de situatie
niet zorgelijk (genoeg) is om professionele hulp op te starten. Het is aan de meldpunten
zelf om hier beleid op te maken en te bepalen hoe hiermee wordt omgegaan, maar vooralsnog
zijn er geen signalen dat er oneigenlijk gebruik gemaakt wordt van het meldnummer.
Het meldpunt is een laagdrempelige voorziening: de beller heeft contact met een medewerker
die beoordeelt wat de behoefte is. Soms is een telefonisch advies voldoende, waarna
de beller zich gesterkt kan voelen in het benaderen van de persoon over wie hij zich
zorgen maakt. Is dat niet het geval, dan wordt voor passende opvolging gezorgd door
de melding naar de juiste partij door te geleiden. Anonieme meldingen worden niet
in behandeling genomen om te voorkomen dat het meldnummer oneigenlijk gebruikt kan
worden door bijvoorbeeld personen die vijandig staan ten opzichte van de persoon over
wie zij melden of in een conflict verwikkeld zijn met de persoon over wie zij melden.
Bovendien leidt de melding mogelijk tot opvolging waarbij het wenselijk kan zijn de
melder op een later moment te kunnen benaderen voor aanvullende informatie. Een melder
kan wel verzoeken om anoniem te blijven als het gaat om terugkoppeling aan degene
over wie de melding is gedaan. Professionals kunnen niet anoniem blijven jegens degene
over wie is gemeld.
177.
Kan de regering een overzicht geven van alle reeds bestaande meldpunten op het gebied
van zorg en veiligheid? Zijn dat alleen Veilig Thuis en Meldingen in het kader van
de Wvggz? Kan de regering aangeven hoe deze meldpunten functioneren? Worden deze weleens
geëvalueerd? Zijn deze meldpunten ook allemaal wettelijk voorgeschreven?
Gemeenten hebben de vrijheid om de meldpunten regionaal of lokaal in te richten op
een manier die in die regio het meest passend is binnen de structuren in het zorglandschap.
Hiervan is geen actueel overzicht. De 25 meldpunten Veilig Thuis zijn wettelijk voorgeschreven.
De Wvggz verplicht niet tot een meldpunt, maar tot een meldfunctie. Het staat de gemeente
vrij hoe dit wordt georganiseerd (al dan niet in combinatie met een ander meldpunt).
Bij de evaluatie van de Wvggz is gekeken naar de meldfunctie. Dit heeft niet geleid
tot aanbevelingen over de meldfunctie in het eindrapport. Wel is er een drietal aanbevelingen
gedaan over het verkennend onderzoek (nummers 52, 53 en 54) dat na een melding kan
volgen. Op deze aanbevelingen is gereageerd in de beleidsreactie op de wetsevaluatie.101 Het landelijk meldpunt niet-acuut is sinds juli 2020 live en is in oktober 2020 officieel
gelanceerd. Sinds het voorjaar van 2021 zijn alle Nederlandse gemeenten aangesloten
op het meldpunt, via een lokaal (gemeentelijk) of regionaal (bijvoorbeeld via GGD)
meldpunt niet-acuut.
GGD GHOR Nederland heeft vanaf 2018 tot februari 2023 alle lokale en regionale meldpunten
ondersteund, in opdracht van ZonMw en het Ministerie van VWS. De ondersteuning bestond
onder andere uit het faciliteren van kennisuitwisseling door het organiseren van bijeenkomsten
waarin landelijke ontwikkelingen zijn besproken en het onderlinge leren centraal stond.
Ook heeft de GGD GHOR Nederland een aantal handreikingen ontwikkeld en een kwaliteits-
en ontwikkelinstrument.
Sinds 1 februari 2023 heeft een nieuwe externe partij het beheer van het Landelijk
Meldpunt Zorgwekkend gedrag overgenomen en daarmee ook de ondersteunende rol richting
de meldpunten. Het monitoren is ook meegenomen in de opdracht die is toegekend aan
deze externe partij. Deze partij heeft, naast het technisch beheer van het landelijke
Meldpunt Zorgwekkend Gedrag, de opdracht om kennisdeling en kwaliteitsverbetering
van het functioneren van de lokale- en regionale meldpunten niet-acuut te faciliteren
en monitoren. Deze inzichten worden gebruikt voor het bevorderen van efficiëntie en
effectiviteit van de keten van het meldpunt. Dit moet er toe leiden dat ieder meldpunt
doeltreffend kan handelen op basis van een melding.
6. VERHOUDING TOT HOGER RECHT EN NATIONALE REGELGEVING
178.
In de paragraaf over transparantie en rechten van betrokkenen staat in de memorie
van toelichting wat cliënten kunnen doen indien er meer informatie wordt verwerkt
dan nodig, of indien een verwerking onrechtmatig is omdat bijvoorbeeld niet is voldaan
aan de criteria voor onderzoek naar een situatie waarin «ernstige problematiek» speelt.
De leden van de VVD-fractie vragen de regering wie toezicht houdt op het goed opvolgen
van criteria en welke veiligheidskleppen er ingebouwd zijn tegen het verwerken van
meer informatie dan nodig.
Dit wetsvoorstel biedt een kader om te zorgen dat gegevens van mensen worden gebruikt
voor de doeleinden waarvoor deze zijn bedoeld. Gegevens worden alleen verwerkt voor
zover noodzakelijk voor een onderzoek naar meervoudige problematiek. Als naar aanleiding
van dat onderzoek een gecoördineerde aanpak start, regelt het wetsvoorstel dat ook
in die fase alleen de voor die coördinatie noodzakelijke gegevens mogen worden verwerkt.
Een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek op grond van artikel 2.3a.4 kan
worden gestart zonder dat de cliënt met een hulpvraag is gekomen, maar ook deze cliënt
wordt zoveel als mogelijk bij het onderzoek betrokken. Voor beide typen onderzoek
geldt dat alleen noodzakelijke gegevens mogen worden verwerkt en dat alleen partijen
die meedoen in de op het onderzoek volgende gecoördineerde aanpak gegevens kunnen
ontvangen die noodzakelijk zijn voor hun specifieke bijdrage. Dit zijn dus wettelijk
vastgelegde «veiligheidskleppen».
Er zijn vervolgens verschillende manieren waarop een betrokkene onder de aandacht
kan brengen dat er meer gegevens worden verwerkt dan nodig. Zo kan diegene een klacht
indienen bij de gemeente op grond van de Algemene wet bestuursrecht of een klacht
indienen bij de toezichthouders op het gebied van de verwerking van gegevens: de functionaris
gegevensbescherming en de AP. Verder is er een formele rechtsingang op grond van de
AVG. Op grond daarvan kan de betrokkene het college verzoeken om bovenmatige gegevensverwerking
te staken en de gegevens te wissen voor zover er niet is voldaan aan de in dit wetsvoorstel
gestelde voorwaarden. Tegen een besluit naar aanleiding van een dergelijk verzoek
aan het college staat bezwaar en beroep open.
7. GEGEVENSBESCHERMING EFFECTENBEOORDELING (DPIA)
179.
De leden van de D66-fractie vragen de regering of er ook aspecten naar voren kwamen
uit de DPIA die hun weg níet hebben teruggevonden in de huidige wettekst en of de
regering die keuze kan onderbouwen.
Het onderhavige wetsvoorstel is voor wat betreft gegevensverwerking vrij algemeen
van aard, omdat de gecoördineerde aanpak betrekking heeft op gedecentraliseerde taken
waarbij sprake is van maatwerk in de uitvoering en waarbij het college ruimte heeft
om eigen keuzes te maken bij de inrichting van de gecoördineerde aanpak. Dit betekent
dat volgens de DPIA op de wetgeving de meeste risico’s omtrent de verwerking van persoonsgegevens
in de uitvoering liggen. De uit de DPIA voortvloeiende maatregelen zijn daarop gericht.
Met name is gewezen op de noodzaak dat medewerkers beschikken over de juiste kennis
en vaardigheden om op passende wijze uitvoering te geven aan de noodzakelijke gegevensverwerking.
Om deze risico’s verder in kaart te brengen is tevens bij een aantal gemeenten een
DPIA uitgevoerd op de risico’s in de verwachte uitvoeringspraktijk van de gecoördineerde
aanpak als onderdeel van de impactanalyse van de VNG. De DPIA op deze uitvoeringspraktijk
heeft geen aanvullende of meer concrete risico’s ten opzichte van de DPIA op de wetgeving
aan het licht gebracht. Het voornaamste risico is dat onduidelijkheid over de privacyregels
in de sociaal domeinwetten en de AVG ertoe kan leiden dat medewerkers te weinig of
juist te veel persoonsgegevens verwerken. Door een hoog verloop van personeel is de
kennis van (nieuwe medewerkers) op het gebied van privacyregels vaak onvoldoende.
Tevens is er door de (te) hoge werkdruk weinig tijd om te investeren in kennis op
het gebied van privacyregelgeving. De te hoge werkdruk wordt betrokken bij de actielijnen
versterken dienstverlening. Uit de DPIA’s blijkt de behoefte aan duidelijke communicatie
over het wetsvoorstel en ondersteuning (bijvoorbeeld in de vorm van handreikingen
of klantreizen) voor gemeenten, de betrokken partijen en cliënten en een actieve rol
hierbij van Rijk, VNG en andere betrokken partijen. Een concept Handreiking over de
centrale begrippen meervoudige problematiek en ernstige meervoudige problematiek is
al opgesteld door een werkgroep van gemeenten en andere betrokken partijen. De regering
draagt uiteraard zorg voor de landelijke implementatie van de Wams door middel van
communicatie, duidelijkheid over de kaders, randvoorwaarden en waarborgen bij de toepassing
van de Wams.
Overigens is ook op de bestaande uitvoeringspraktijk van de meldpunten een DPIA uitgevoerd
op basis van de werkwijzen van een tiental meldpunten die betrokken waren bij de handreiking
«Meldpunten niet-acuut». De uitkomsten van deze DPIA zijn verwoord in hoofdstuk 4
van die handreiking en geven inzicht in privacy-risico’s bij verschillende werkwijzen
en organisatiewijzen en schetst de maatregelen die door colleges genomen kunnen worden
om de kans op het optreden van die risico’s te verkleinen.
180.
De leden van de PVV-fractie lezen dat het college en betrokken partijen de persoonsgegevens
uit het onderzoek niet voor een ander doel dan de gecoördineerde aanpak verder mogen
verwerken, bijvoorbeeld ter bestrijding van fraude. Zoals de Afdeling heeft opgemerkt
vergt dat bepaalde kennis en expertise van medewerkers. Wat zijn de gevolgen als de
gegevens toch gebruikt worden, bijvoorbeeld om (met terugwerkende kracht) een uitkering
in te trekken en terug te vorderen, omdat de cliënt samen blijkt te wonen of verborgen
vermogen heeft? Zijn deze besluiten onrechtmatig en vernietigbaar, of blijven deze
besluiten in stand? Bij dit laatste, is er dan recht op schadevergoeding op grond
van artikel 82 van de AVG? Hoe werkt dit als het onderzoek aanleiding geeft voor het
vorderen van meer informatie op grond van een andere bevoegdheid, bijvoorbeeld artikel 17,
eerste lid, van de Participatiewet en de intrekking en terugvordering berust op de
gevorderde gegevens? Maakt het uit of het besluit ziet op uit het verleden of toekomstige
verstrekkingen? Immers, het beëindigen van fraude kan op termijn juist ook voordelen
voor de burger hebben. Hoe verhoudt de beperking van het hergebruik van gegevens zich
tot verplichtingen om fraude te melden, zoals opgenomen in het voorgenomen artikel 2.3
van de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg?
Het onderzoek naar meervoudige problematiek (artikel 2.3a.1, vierde lid en 2.3a.4,
tweede lid) heeft tot doel de problemen van cliënten en hun gezin te verminderen of
weg te nemen. Als de Participatiewet onderdeel uitmaakt van het onderzoek naar meervoudige
problematiek kunnen gegevens beschikbaar komen waaruit blijkt dat iemand mogelijk
onterecht een uitkering ontvangt. De medewerker die het onderzoek heeft uitgevoerd
informeert de cliënt over de uitkomsten van het onderzoek naar meervoudige problematiek
(artikel 2.3a.2). Hierbij zal de medewerker ook het gesprek aangaan met de cliënt
over een mogelijke onterechte uitkering. Zij bespreken op welke manier een rechtmatige
situatie kan worden bereikt en zoeken naar een oplossing die bijdraagt aan het verminderen
of wegnemen van de problemen van de cliënt. Daarbij merken de leden van de PVV-fractie
terecht op dat beëindiging van fraude op termijn juist voordelen kan hebben voor de
burger.
Het college mag de gegevens uit het onderzoek naar meervoudige problematiek niet gebruiken
om de onterechte uitkering aan te passen.
De cliënt is niet verplicht om de gecoördineerde aanpak en de daarin voorgestelde
diensten te accepteren. Hij kan bijvoorbeeld niet worden verplicht bijstand aan te
vragen. Los van de in dit wetsvoorstel voorgestelde gecoördineerde aanpak bij meervoudige
problematiek blijven gemeenten de Participatiewet uitvoeren en daar toezicht op houden.
Die wet bevat een inlichtingenplicht (artikel 17, eerste lid). Dat betekent dat de
belanghebbende zelf moet melden als er feiten of omstandigheden zijn die van invloed
kunnen zijn op het recht op bijstand. Dat kunnen ook feiten of omstandigheden zijn
die tijdens de gecoördineerde aanpak zijn gebleken.
De Wams verandert niets aan de bestaande bepalingen en kaders die gelden voor een
onrechtmatige overheidsdaad, en sluit toepassing hiervan niet uit. Dat geldt ook voor
de mogelijkheid van het recht op schadevergoeding van artikel 82 van de AVG. Een betrokkene
die meent dat een onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens schade heeft
veroorzaakt, kan hier een beroep op doen.
Het wetsvoorstel verandert niets aan de voorwaarden voor inkomensondersteuning in
de Participatiewet en het toezicht daarop. Deze worden heroverwogen in het wetsvoorstel
Participatiewet in balans.102 De leden van de PVV-fractie merken terecht op dat dit kennis en expertise van medewerkers
vraagt. Gemeenten hebben daarom beleid over hoe om te gaan met de verschillende rollen
van toeleiding naar hulp, hulpverlener en toezichthouder en wat te doen bij een conflict
van plichten. Hiervoor zijn ook landelijke handreikingen beschikbaar.
De Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz)103 regelt twee instrumenten: het waarschuwingsregister zorgfraude en het Informatieknooppunt
Zorgfraude (IKZ). Bij verstrekking aan het waarschuwingsregister moet er sprake zijn
van een gerechtvaardigde overtuiging van fraude. Dan bevindt een gemeente zich feitelijk
aan het einde van haar fraudeonderzoek en kan zij vaststellen dat er daadwerkelijk
sprake is van fraude en zal zij in de regel daar ook aangifte van doen.
Wat betreft het IKZ (artikel 2.4 Wbsrz) hebben instanties de verplichting om signalen
over een vermoeden van fraude aan het IKZ te verstrekken. Dit is informatie uit de
reguliere toezichts- en handhavingstaak en niet uit de gecoördineerde aanpak die het
wetsvoorstel mogelijk maakt. De Wbsrz heeft in principe een eigenstandige werking,
maar het IKZ «draait» natuurlijk op de signalen die instanties bij hun reguliere taakuitoefening
opdoen. Overigens is in de Besluit bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Bbsrz)
vrij uitvoering beschreven welke gegevens een gemeente dient te verstrekken.
181.
De leden van de PVV-fractie vragen wie er kan worden aangesproken op onrechtmatige
(verdere) verwerking als de coördinator een «partij» is, en het college dus niet verwerkingsverantwoordelijk
is?
In artikel 5.4.4, zesde lid, wordt inderdaad geregeld dat indien de coördinator een
partij is of een medewerker van een partij, die partij de verwerkingsverantwoordelijke
is. Dat is niet alleen logisch omdat de coördinator tijdens de gecoördineerde aanpak
degene is die de gegevens daarover verwerkt, maar het is ook duidelijk voor de cliënt.
Tijdens de gecoördineerde aanpak is de coördinator het aanspreekpunt voor de cliënt,
niet alleen over de aanpak zelf, maar ook over de verwerking van gegevens. Deze partij
kan dus ook worden aangesproken op onrechtmatige (verdere) verwerking.
182.
Het college kan gegevens aan de burgemeester verstrekken in verband met zijn taken
op het gebied van de openbare orde, waaronder de sluitingsbevoegdheid op grond van
artikel 13b van de Opiumwet. De verstrekking van deze gegevens en de aanwending van
de openbare-orde-bevoegdheden door de burgemeester zijn niet geclausuleerd in artikel 5.4.4,
en hoeft dus niet gericht te zijn op de gecoördineerde aanpak. Onderkent de regering
dat dit mogelijk nadelig aanpakt voor de cliënt? Wordt in het kader van de «samenspraak»
dit risico medegedeeld?
Het doel van een gecoördineerde aanpak is de problemen van de cliënt en betrokken
gezinsleden binnen het sociaal domein en eventuele aanpalende domeinen te verminderen
of op te lossen en hen te ondersteunen bij het verbeteren van de zelfredzaamheid en
participatie. Als iemand zelf met een hulpvraag aanklopt, wordt in samenspraak met
de cliënt gesproken over de reikwijdte van de hulpvraag. Het college is op grond van
artikel 5.4.1 bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de cliënt voor zover
die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een onderzoek naar meervoudige
problematiek. Er is dan ook geen grondslag voor het verwerken van gegevens die niets
te maken hebben met de reikwijdte van de hulpvraag en het onderzoek.
Uiteraard moet aan de cliënt vooraf worden uitgelegd dat ten behoeve van het onderzoek
de noodzakelijke gegevens worden verwerkt en welke gegevens dat kunnen zijn. Dit geldt
ook voor een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek als bedoeld in artikel 2.3a.4,
tweede lid, dat kan worden gestart op verzoek van een bij de cliënt betrokken partij.
Het derde lid van dat artikel bepaalt dat het college de cliënt of cliënten en, indien
deze er zijn, zo nodig hun vertegenwoordigers en mantelzorgers informeert over het
uitvoeren van een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek en hen zo mogelijk
betrekt bij het uitvoeren van het onderzoek. Vooral bij een onderzoek naar ernstige
meervoudige problematiek is voorstelbaar dat er problemen en gegevens naar voren komen
die raken aan de openbare orde en veiligheid. Het kan dan – juist ook in het kader
van het oplossen of verminderen van de problemen – gewenst zijn dat de burgemeester
één van de in artikel 5.4.4 genoemde bevoegdheden inzet. Aangezien het om discretionaire
bevoegdheden van de burgemeester gaat, is de mogelijkheid tot het inzetten van die
bevoegdheden verder niet geclausuleerd. Ook wordt niet geclausuleerd dat de bevoegdheden
alleen in het kader van een gecoördineerde aanpak mogen worden ingezet. Het kan voorkomen
dat een onderzoek naar meervoudige problematiek uiteindelijk niet leidt tot een gecoördineerde
aanpak. Zeker bij ernstige meervoudige problematiek zal het niet altijd lukken de
cliënt te overtuigen daaraan mee te werken. De regering is van mening dat een burgemeester
in dit soort situaties overeenkomstig zijn bevoegdheden de afweging moet kunnen maken,
dat het ter bescherming van de openbare orde of de veiligheid in de omgeving noodzakelijk
is de in artikel 5.4.4 genoemde bevoegdheden in te zetten. Hierbij weegt de burgemeester
de mogelijk nadelige gevolgen voor de persoon die de maatregel betreft en diens naasten
af tegen de nadelige gevolgen voor zijn omgeving.
183.
De DPIA stelt dat ten aanzien van deze wet de meeste risico’s liggen omtrent de verwerking
van persoonsgegevens en de daarbij passende maatregelen in de uitvoering, zo lezen
de leden van de CDA-fractie. Er is met name gewezen op de noodzaak dat medewerkers
beschikken over de juiste kennis en vaardigheden om op passende wijze uitvoering te
geven aan de noodzakelijke gegevensverwerking.
Dit delen de leden van het CDA-fractie, juist omdat het uitwisselen van privacygevoelige
gegevens – in deze wet – algemeen is geformuleerd. De gecoördineerde aanpak heeft
betrekking op gedecentraliseerde taken waarbij sprake is van maatwerk in de uitvoering
en waarbij het college ruimte heeft om eigen keuzes te maken bij de inrichting van
de gecoördineerde aanpak. Omdat deze wet qua gegevensuitwisseling in verband met coördinatie
bij meervoudige problematiek breed toegepast kan worden, vragen genoemde leden de
regering, gezien de arbeidskrapte, werkdruk en het verloop van medewerkers, hoe medewerkers
goed en tijdig op de hoogte zijn van de uitvoering van deze wet. Ziet de regering
het probleem dat de DPIA hier schetst? Voorziet zij geen problemen bij de uitvoering
van diverse deelnemers/organisaties aangaande informatiedeling, want dit kunnen bij
meervoudige problematiek wel een tiental organisaties zijn?
In de ondersteuning van gemeenten bij de implementatie zal hier aandacht aan worden
besteed met onder andere handreikingen en training. Er wordt ondersteuning geboden
vanuit verschillende programma’s waarin Rijk, gemeenten en andere partijen samenwerken
om knelpunten in de dienstverlening aan kwetsbare inwoners aan te pakken. Zo wordt
reeds op diverse plekken invulling gegeven aan het verbeteren van de kennis en deskundigheid
ten aanzien van privacy en gegevensverwerking bij samenwerking rond meervoudige problematiek.
Dit heeft onder andere geresulteerd in diverse trainingen, handreikingen en modelconvenanten
voor de omgang met persoonsgegevens bij meervoudige problematiek.
Voor de voorbereiding op de implementatie van dit wetsvoorstel zal worden aangesloten
bij de eigen verantwoordelijkheden van organisaties en de bestaande ondersteuning,
om deze waar nodig te stimuleren, om onderlinge verbindingen te leggen en om dubbel
werk te voorkomen. Gezien de diversiteit aan initiatieven wordt mede verkend hoe de
huidige netwerken versterkt kunnen worden en de opgeleverde producten vindbaar blijven,
door middel van een kennis- en expertise platform.
Gelet op deze investeringen in het borgen van privacy in de werkprocessen en in het
versterken van de kennis en vaardigheden van professionals, verwacht de regering dat
de risico’s zoals benoemd in de DPIA voldoende worden beperkt en dat de betrokken
partijen tijdig en adequaat zullen zijn toegerust om op zorgvuldige wijze uitvoering
te geven aan de Wams.
184.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering op welke manier structureel aandacht
zal worden besteed aan de wijze waarop de Wams zo goed mogelijk kan worden ingezet
ten behoeve van dienstverlening voor de inwoners. Hoe wordt controle hierop vormgegeven?
In de eerste plaats heeft de gemeenteraad de taak om te controleren of het college
de in de Wmo 2015 en de andere wetten van het sociaal domein opgenomen taken, voldoende
uitvoert en naleeft. Daarnaast heeft het college toezichthoudende ambtenaren aangewezen
(artikel 6.1 Wmo 2015). Zij houden toezicht op de naleving van de Wmo 2015, waaronder
de kwaliteit van de verleende ondersteuning. Ik ben als Staatssecretaris verantwoordelijk
voor het functioneren van het stelsel. Indien gemeenten onvoldoende uitvoering geven
aan hun taak, dan kan ik hen daarop aanspreken in het kader van het interbestuurlijk
toezicht.
185.
De leden van de PvdA-fractie vragen ook in hoeverre dit wetsvoorstel er aan gaat bijdragen
dat jongeren die niet werken of naar school gaan, een zorgvraag hebben of een strafbaar
feit hebben gepleegd, beter in beeld zijn en effectiever geholpen worden. Hoe draagt
dit wetsvoorstel bij aan een effectiever jeugdbeleid, zowel preventief als repressief?
Dit wetsvoorstel draagt op verschillende manieren bij aan een effectiever jeugdbeleid.
Met het wetsvoorstel wordt de gelijktijdige inzet van hulp uit andere domeinen in
geval van (ernstige) meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin
bevorderd. Het wetsvoorstel maakt het beter mogelijk om te onderzoeken of parallel
aan jeugdhulp ook hulp vanuit andere domeinen moet worden aangeboden (Participatiewet,
Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en domein wonen alsmede (volwassenen)zorg op
basis van de Wmo 2015, Zvw of Wlz) om de problemen gelijktijdig, integraal en bij
de bron aan te pakken. Verder draagt het voorstel bij aan de overgang van jeugdhulp
naar de volwassenzorg op 18-jarige leeftijd. Voor de groep jongeren die jeugdhulp
krijgen en 18 worden geldt dat deze de jeugdhulp (veelal) moet verlaten. Het vroegtijdig
aangaan van het gesprek over de toekomst, het zorgen voor een woning, voor werk of
opleiding, voor inkomen, voor verdere begeleiding en zorg als dit nodig en gewenst
is, maakt dat een jongere mét een toekomstperspectief de jeugdzorg kan verlaten. Hierbij
kan in samenspraak met de jongere worden ingezet op een gecoördineerde aanpak. Dit
voorkomt dat jongeren onnodig lang in de jeugdhulp blijven of dat ze dak- en thuisloos
raken als gevolg van een gat in opvang en begeleiding.
Omdat problemen van de ouders vaak onderliggend zijn aan zorgen over de veiligheid
en ontwikkelingsmogelijkheden van een kind, is bovendien een brede blik noodzakelijk
wil de bescherming van en hulp aan het kind effectief zijn. Bij een brede gezinsgerichte
aanpak wordt bekeken welke hulp en steun nodig is voor het gehele gezin, inclusief,
of juist met nadruk op, de ouders. Een onderzoek naar meervoudige problematiek en
een gecoördineerde aanpak, zoals de Wams regelt, is daar bij uitstek geschikt voor.
Verder is onderwijs vaak een eerste plaats waar problemen met jongeren worden gesignaleerd.
Betrokken professionals kunnen worden geconfronteerd met casuïstiek waarbij zij aanleiding
hebben om te vermoeden dat er sprake is van meervoudige problematiek. De problemen
op school kunnen samenhangen met problemen in de thuissituatie. Ook denkbaar is het
opstarten van een gecoördineerde aanpak vanuit de Jeugdwet bij een thuiszitter. Binnen
het onderwijsdomein zijn verschillende partijen betrokken. Op basis van de Leerplichtwet
1969 is het toezicht op de naleving van deze wet opgedragen aan de leerplichtambtenaar
van de gemeenten (het college). Ook voeren (contact)gemeenten op grond van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra
de regionale meld- en coördinatiefunctie (RMC) uit ten behoeve van het voorkomen en
bestrijden van voortijdig schoolverlaten. Deze partijen kunnen een verzoek doen bij
een vermoeden van ernstige meervoudige problematiek en als partij deelnemen aan een
gecoördineerde aanpak.
186.
Het lid van de BBB-fractie vraagt de regering te waarborgen dat gegevens die worden
verzameld in het kader van de gecoördineerde aanpak niet worden gebruikt voor andere
doeleinden, zoals fraudebestrijding.
Alleen de verwerking van persoonsgegevens die het wetsvoorstel expliciet regelt is
toegestaan. Hieruit volgt dat gegevensverwerking voor andere doelen niet is toegestaan.
De verwerking van persoonsgegevens wordt toegestaan voor het onderzoek naar meervoudige
problematiek, dat tot doel heeft de problemen van cliënten en hun gezin te verminderen
of weg te nemen (artikel 2.3a.1, vierde lid en 2.3a.4, tweede lid). De persoonsgegevens
mogen verder worden verwerkt voor de gecoördineerde aanpak en om diensten in het sociaal
domein te verkrijgen (artikel 2.3a.2 en 5.4.4, eerste lid). Het belang van deze verdere
verwerking is dat cliënten (en betrokken partijen) de gegevens niet opnieuw hoeven
te verstrekken. Artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, geeft ook de grondslag om
gegevens verder te verwerken ten behoeve van interventies op grond van de Jeugdwet
en de Wet inburgering 2021. Het gaat dan om een verzoek tot onderzoek bij de raad
voor de kinderbescherming, het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel of het
voldoen aan de inburgeringsplicht. Bij nota van wijziging stel ik voor om artikel 5.4.4,
eerste lid, onderdeel a, zo aan te passen dat duidelijk is dat verdere verwerking
van gegevens uit een onderzoek naar meervoudige problematiek door het college is toegestaan
ten behoeve van het verstrekken van diensten op grond van de sociaaldomeinwetten en
de Wet inburgering 2021 en daarnaast alleen ten behoeve van de bovengenoemde interventies
die ook onderdeel kunnen zijn van een gecoördineerde aanpak. De gegevens mogen ook
verder worden verwerkt voor enkele bevoegdheden van de burgermeester en specifieke
interventies die ingezet worden als de veiligheid van een cliënt of personen in de
omgeving in het geding zijn (artikel 5.4.4, eerste lid). Het gebruiken van gegevens
van de gecoördineerde aanpak voor fraudeopsporing is niet toegestaan op grond van
het wetsvoorstel.
8. REGELDRUK EN FINANCIËLE GEVOLGEN
187.
Bij de meeste gemeenten is nog aanzienlijke inspanningen nodig om tot de gewenste
integrale dienstverlening te komen.
De leden van de VVD-fractie vragen hoe er nu al voor wordt gezorgd dat deze gemeenten
snel een been bijtrekken als het om de integrale dienstverlening gaat.
Sommige gemeenten zijn al beter voorbereid op de Wams dan andere.104 Bij de implementatie wordt aandacht besteed aan de manier waarop de Wams zo goed
mogelijk kan worden ingezet ten behoeve van dienstverlening voor de inwoner. Het streven
naar integrale dienstverlening vraagt om aanpassingen op het gebied van (gemeentelijke)
organisatie, competenties en de samenwerking tussen de verschillende domeinen. De
dienstverlening kan alleen worden verbeterd als gemeenten, uitvoeringsorganisaties
en de Rijksoverheid samenwerken, samen leren van de uitvoeringspraktijk én verbeteringen
doorvoeren. Zoals vermeld in paragraaf 2.2. van de memorie van toelichting geven gemeenten
op verschillende wijze vorm aan integraal werken; onder andere in de vorm van lokale
teams (met brede of smalle taken), teams voor Werk en Inkomen, of op een specifieke
doelgroep gerichte (casus)overleggen en samenwerkingsverbanden.
188.
In de paragraaf over de gevolgen van regeldruk voor burgers lezen genoemde leden dat
de cijfers van het SCP uit 2017 worden genoemd. De leden van de VVD-fractie constateren
dat op pagina tien van de memorie van toelichting cijfers uit 2018 worden gebruikt.
Kan de regering toelichten waarom verschillende jaren zijn gebruikt?
Dat heeft een praktische reden. De cijfers zijn afkomstig uit twee verschillende SCP
rapporten. De regeldruktoets is in 2020/2021 uitgevoerd. Daarvoor is geput uit de
overall rapportage sociaal domein 2017 «Wisselend bewolkt»105. Vlak voor oplevering van de regeldruktoets is het rapport «Voorzieningen in 3D»106 gepubliceerd. De cijfers in die rapportage konden niet meer worden meegenomen in
de regeldruktoets, maar zijn waar mogelijk wel gebruikt om het meest actuele beeld
weer te geven in de memorie van toelichting.
189.
In de paragraaf regeldruk voor professionals staat dat in het kader van regeldruk
als uitgangspunt geldt dat partijen die gerekend worden tot de overheid, zoals gemeenten
en uitvoeringsorganisaties, hierbuiten vallen. Betekent dit dat de regeldruk voor
bijvoorbeeld GGD’en niet is berekend?
Het onderzoek ziet met name op het in kaart brengen van de impact voor burgers en
bedrijven. De impact voor gemeenten en uitvoeringsorganisaties is via uitvoeringstoetsen
in kaart gebracht. De term uitvoeringstoetsen werd hier gebruikt om uitvoeringsorganisaties
van de Rijksoverheid aan te duiden. In hoofdstuk 8 van de memorie van toelichting
worden deze organisaties bij name genoemd. Bij de berekening van de regeldruk voor
professionals zijn de GGD’en meegenomen. In de CBS-cijfers die zijn gebruikt voor
de analyse van SIRA-consulting worden de professionals die werken bij een GGD ook
meegenomen.107
190.
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering kan garanderen dat dit wetsvoorstel
niet zal zorgen voor een toename van administratielasten en regeldruk?
De gecoördineerde aanpak van de Wams maakt dat de burger minder vaak zijn verhaal
hoeft te doen, minder vaak dezelfde persoonsgegevens hoeft te delen en dat oplossingen
voor problemen integraal worden afgestemd. Professionals die zijn betrokken bij de
gecoördineerde aanpak hebben meer duidelijkheid over de vraag welke persoonsgegevens
zij kunnen verstrekken en welke zij tijdens het casusoverleg kunnen delen. Het wordt
voor hen duidelijker welke andere professionals betrokken zijn bij hun cliënt en wat
hun rol en inzet is; deze omstandigheden dragen eraan bij dat handelingsverlegenheid
en de administratielast kunnen afnemen.
De berekening van de regeldrukkosten is indicatief en gebaseerd op literatuuronderzoek
en de standaardtijdsbestedingen in het Handboek Meting Regeldrukkosten van het Ministerie
van EZK (2018). De conclusie die kan worden getrokken is dat het wetsvoorstel na invoering
een lastenverlichting betekent (de voorzichtige raming komt uit op een bedrag lastenverlichting
van ongeveer € 455.000,- per jaar voor burgers en ongeveer € 566.137,60 voor professionals).
191.
De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat dit wetsvoorstel uitmondt
in een vergadercircus. Is de regering bereid een uitvoeringstoets uit te voeren naar
de gevolgen bij cliënten, zorgaanbieder en hulpverleners?
Het college kan ten behoeve van een onderzoek naar meervoudige problematiek een casusoverleg
houden. Dat is dus niet de standaard procedure en de toegevoegde waarde zal afhangen
van de specifieke casus. Op grond van artikel 5.4.3, eerste lid, kan het college partijen
uitnodigen voor dat casusoverleg. Het gaat dan om partijen waarvan het college heeft
vastgesteld dat deelname van de desbetreffende partij noodzakelijk is gelet voor het
onderzoek naar de meervoudige problematiek in die specifieke casus. De Wams regelt
dus nadrukkelijk niet dat voor ieder onderzoek een casusoverleg moet worden gehouden
en ook niet dat bij ieder casusoverleg standaard dezelfde partijen worden uitgenodigd.
De tweede fase is de fase van de gecoördineerde aanpak. Als er een gecoördineerde
aanpak wordt gestart, wijst het college daarvoor op grond van artikel 2.3a.3, eerste
lid, een coördinator aan. Tijdens de gecoördineerde aanpak zorgt de coördinator voor
de afstemming tussen de cliënt of cliënten, en indien deze er is een vertegenwoordiger
van een cliënt, en bij de gecoördineerde aanpak betrokken partijen. Als de coördinator
– in samenspraak met de client – van oordeel is dat het tijdens de gecoördineerde
aanpak op enig moment nodig is om voor de afstemming tussen de betrokken partijen
een casusoverleg te houden, dan kan dat. Hiervoor gelden dezelfde regels als voor
het houden van een casusoverleg door het college in de onderzoeksfase. Deze regels
hebben betrekking op de gegevensverwerking in het casusoverleg en eventuele verdere
verwerking van gegevens uit dat casusoverleg door betrokken partijen.
In alle twee de fases geldt dat een casusoverleg niet verplicht is en alleen zal worden
gehouden als het college of tijdens de gecoördineerde aanpak de coördinator – in samenspraak
met de client – van oordeel is dat een casusoverleg zinvol is voor een goede afstemming
tussen betrokken partijen. De regering is daarom niet bang voor een vergadercircus.
Betere afstemming tussen betrokken partijen zal er toe bijdragen dat problemen van
cliënten eerder en beter kunnen worden opgelost.
Ik wil toezeggen dat een invoeringstoets na een jaar wordt uitgevoerd, met daarin
specifiek aandacht voor de effecten van deze wet voor cliënten, zorgaanbieders en
hulpverleners.
192.
De leden van de CDA-fractie begrijpen de uitvoeringstoetsen zo dat de diverse onderzoeksbureaus
en praktijkonderzoek aangeven dat extra kosten of extra administratieve lasten erg
samenhangt met hoe gemeenten dit nu georganiseerd hebben. Als er veel wordt samengewerkt,
overlegd wordt en er coördinatie is op de uitvoering van hulp bij meervoudige problemen
wordt deze wet gemakkelijk ingevoerd. En als de gevolgen van dit wetsvoorstel groot
zijn bij gemeenten waarbij integraal werken niet goed van de grond komt, dan zal dit
wetsvoorstel veel meer impact (administratieve lasten en financiële gevolgen) hebben.
Klopt dit, zo vragen de leden van de CDA-fractie de regering. Denkt de regering ook
niet dat dit wetsvoorstel meer financiële gevolgen heeft in kleinere gemeenten of
bij gemeenten die regionaal samenwerken op het terrein van de Wmo 2015? En dat hier
de efficiencywinst waar de regering over spreekt, zeer gering is?
Het klopt dat gemeenten verschillend georganiseerd zijn en daarmee hangt inderdaad
samen wat nodig is om dit wetsvoorstel te implementeren. Uit de uitvoeringstoets (de
impactanalyse van de VNG) blijkt dat er geen sprake is van structurele uitvoeringskosten
en dat de eenmalige implementatiekosten zoals beschreven in de rapportage betrekking
hebben op het bredere vraagstuk van het Voor de implementatie van de wet is in 2021
45 miljoen voor gemeenten via het Gemeentefonds ter beschikking gesteld. Ook blijkt
dat alle gemeenten een opgave hebben bij het aanpassen van de organisatie en de ICT-omgeving.
Er is wel meer kans dat grotere gemeenten zich makkelijker aanpassen.
193.
En ziet de regering het gevaar van veel meer vergaderen, zo vragen de leden van de
CDA-fractie.
Het college kan ten behoeve van een onderzoek naar meervoudige problematiek een casusoverleg
houden. Dat is dus niet de standaard procedure en de toegevoegde waarde zal afhangen
van de specifieke casus. Op grond van artikel 5.4.3, eerste lid, kan het college partijen
uitnodigen voor dat casusoverleg. Het gaat dan om partijen waarvan het college heeft
vastgesteld dat deelname van de desbetreffende partij noodzakelijk is gelet voor het
onderzoek naar de meervoudige problematiek in die specifieke casus. De Wams regelt
dus nadrukkelijk niet dat voor ieder onderzoek een casusoverleg moet worden gehouden
en ook niet dat bij ieder casusoverleg standaard dezelfde partijen worden uitgenodigd.
De tweede fase is de fase van de gecoördineerde aanpak. Als er een gecoördineerde
aanpak wordt gestart, wijst het college daarvoor op grond van artikel 2.3a.3, eerste
lid, een coördinator aan. Tijdens de gecoördineerde aanpak zorgt de coördinator voor
de afstemming tussen de cliënt of cliënten, en indien deze er is een vertegenwoordiger
van een cliënt, en bij de gecoördineerde aanpak betrokken partijen. Als de coördinator
– in samenspraak met de client – van oordeel is dat het tijdens de gecoördineerde
aanpak op enig moment nodig is om voor de afstemming tussen de betrokken partijen
een casusoverleg te houden, dan kan dat. Hiervoor gelden dezelfde regels als voor
het houden van een casusoverleg door het college in de onderzoeksfase.
In alle twee de fases geldt dat een casusoverleg niet verplicht is en alleen zal worden
gehouden als het college of tijdens de gecoördineerde aanpak de coördinator – in samenspraak
met de client – van oordeel is dat een casusoverleg zinvol is voor een goede afstemming
tussen betrokken partijen. De regering is daarom niet bang voor een vergadercircus.
Betere afstemming tussen betrokken partijen zal er toe bijdragen dat problemen van
cliënten eerder en beter kunnen worden opgelost.
194.
De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat in het wetsvoorstel niet is geregeld
hoe de partijen die betrokken worden bij de gecoördineerde aanpak worden gefinancierd.
Klopt dit? Betekent dit dat deze partijen de financiële last zelf moeten dragen? Is
dit bij betrokken gemeenteambtenaren ook zo? Zo niet, is het eerlijk om het bij de
een wel te regelen bij de ander niet? Is de regering voornemens om de noodzakelijke
financiering voor de uitvoering van dit wetsvoorstel te regelen? De leden van de GroenLinks-fractie
zijn ook benieuwd in hoeverre de financiële administratieve druk verhoogd wordt voor
partijen door dit wetsvoorstel. Levert dit niet weer opnieuw meer administratie op
voor partijen, bovenop alle regeldruk die er al is?
Het voorstel regelt de aanpak bij meervoudige problematiek door gemeenten. Hiervoor
hebben gemeenten middelen nodig voor de invoering, want de implementatie en invoering
vraagt wat van de gemeentelijke organisatie. Het gaat niet om structurele middelen,
omdat de hulpvraag juist kan afnemen door de gecoördineerde aanpak, doordat problemen
eerder gesignaleerd kunnen worden voordat ze ontsporen en betere samenwerking tussen
betrokken partijen mogelijk is. Dit geeft de VNG ook aan in haar impactanalyse. Partijen
die bij het onderzoek en de gecoördineerde aanpak kunnen worden betrokken, doen mee
vanuit hun eigen taak en expertise. Door aan de voorkant de hulpverlening beter op
elkaar af te stemmen, zal de hulpverlening effectiever kunnen zijn en eerder afgebouwd
kunnen worden Om een duidelijker beeld te krijgen van de gevolgen van het wetsvoorstel
voor de regeldruk van professionele hulpverleners, heeft de regering onderzoek laten
instellen door Sira Consulting. In haar verkenning constateert Sira Consulting dat
het wetsvoorstel na invoering een lastenverlichting met zich meebrengt van circa € 566.137,60
per jaar voor professionals. Deze berekening is indicatief en gebaseerd op literatuuronderzoek
en de standaardtijdsbestedingen in het Handboek Meting Regeldrukkosten.
195.
De leden van de SGP-fractie kunnen zich eigenlijk niet voorstellen dat dit wetsvoorstel
niet zal leiden tot een stijging van de uitgaven in het sociaal domein. Kan de regering
toezeggen dat gemeenten volledig gecompenseerd worden, indien er sprake is van een
(tijdelijke) stijging van de uitgaven ten gevolge voor de extra verplichtingen die
zij met dit wetsvoorstel opgelegd krijgen? Kan de regering toezeggen dat gemeenten
ten gevolge van dit wetsvoorstel in ieder geval niet gekort zullen worden op het budget
voor het sociaal domein?
Onderzoek leidt tot de conclusie dat dit wetsvoorstel aan de ene kant zal leiden tot
een beperkte stijging van de uitvoeringskosten vanwege de verschillende taken die
expliciet (wettelijk) – en dus niet langer vrijblijvend – worden geregeld waardoor
wordt verwacht dat meervoudige problematiek vaker zal worden herkend met als gevolg
dat inwoners meer hulpverlening zullen ontvangen van de gemeenten.108 Aan de andere kant wordt ook verwacht dat de uitvoering door de integrale dienstverlening
efficiënter kan worden, waardoor de uitvoeringskosten uiteindelijk lager uit zullen
vallen. Volgens de onderzoekers geeft de impactanalyse per saldo het beeld dat er
geen extra structurele middelen nodig zijn voor de uitvoering van de Wams. De onderzoekers
plaatsen enkele kanttekeningen bij de inschatting van de uitvoeringskosten (saldo
baten en kosten). Vanwege grote verschillen tussen gemeenten is het volgens de onderzoekers
niet goed mogelijk om hiervan een algemeen beeld te schetsen. Sommige gevolgen laten
zich lastig vangen in een financiële berekening, zoals het «substantiële voordeel»
dat de Wams tot meer duidelijkheid en daardoor in de praktijk tot minder discussie
tussen professionals leidt. Of potentiële baten laten zich niet goed vertalen naar
financieel tastbare baten. Zo zal de integrale werkwijze leiden tot additionele baten
voor de cliënt, voor de gemeente en voor de maatschappij, maar positieve effecten
treden vaak pas later in de toekomst op en hebben het karakter van vermeden kostenposten.
Er is geen sprake van een voornemen tot het korten van gemeenten ten gevolge van dit
wetsvoorstel. In de evaluatie zal de aanname worden getoetst dat dit wetsvoorstel
niet zal leidden tot structurele uitvoeringskosten.
9 TOEZICHT
196.
Op 30 januari 2023 ontving de Kamer de antwoorden109 op de vragen van de VVD-fractie inzake het «Rapport Wmo 2015-toezicht 2021». De leden
van de VVD-fractie vragen de regering in hoeverre de voorgenomen verbeteringen gerealiseerd
zijn voordat deze uitbreiding van het toezicht aan de orde is?
In de brief aan uw Kamer van 8 mei 2023110 bent u geïnformeerd over het beleidskader kwaliteitstoezicht Wmo 2015 waaraan samen
met gemeenten, de VNG, de GGD GHOR, de IGJ en Toezicht Sociaal Domein (TSD) is gewerkt.
In het beleidskader zijn verbetervoorstellen gedaan voor de taken, bevoegdheden en
verantwoordelijkheden van de Wmo-toezichthouder en gemeenten. Deze verbetermaatregelen
zijn enerzijds geland in een voorgenomen wijziging van de Wmo 2015, en anderzijds
in een stimuleringsprogramma waarmee gemeenten vooruitlopend op de wetswijziging al
extra stappen in de goede richting kunnen zetten en daarbij worden ondersteund. Zoals
uw Kamer in een brief van 7 oktober 2025111 is geïnformeerd, wordt de voorgenomen wetswijziging momenteel ambtelijk voorbereid.
De ontwikkeling en implementatie van het stimuleringsprogramma is gestart in januari
2025 en loopt tot en met december 2026.
Daarnaast staat de praktijk ook niet stil: onder regie van de VNG vinden er periodiek
landelijke bijeenkomsten plaats voor Wmo-toezichthouders, waarin ruimte is voor kennisdeling
en intervisie.
197.
Met onderhavig wetsvoorstel zijn naast de Wmo 2015 ook enkele andere wetten gemoeid.
Het toezicht bij deze wetten is op verschillende manieren belegd. Hoe wordt geborgd
dat eventuele signalen goed opgepakt worden door de desbetreffende toezichthouder
en dat signalen ook tussen toezichthouders goed gedeeld worden indien nodig?
Het wetsvoorstel wijzigt niets ten aanzien van de bestaande wijze waarop het toezicht
in het sociaal domein is georganiseerd en de mogelijkheden voor toezichthouders om
elkaar te voorzien van informatie.
198.
Wat betreft het toezicht op de Wmo 2015 zijn de leden van de CDA-fractie teleurgesteld
hoe de regering uiteenzet hoe het toezicht op de Wmo 2015 wetstechnisch georganiseerd
is. Deze leden zijn op de hoogte hiervan, maar het probleem bij het toezicht op de
Wmo 2015 is dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), maar ook de regering
en de Tweede Kamer, al meerdere jaren moet concluderen dat het toezicht in heel veel
gemeenten niet op orde is. De leden van het CDA-fractie willen dan graag ook een reflectie
van de regering op deze nieuwe wet, in relatie tot de stand van zaken betreffende
het verbeteren van het Wmo 2015-toezicht.
Bij de inwerkingtreding van de Wmo 2015 is door de wetgever de bewuste keuze gemaakt
om gemeenten zelf het toezicht te laten organiseren. Dit decentrale toezicht op de
kwaliteit past bij de beleidsruimte die individuele gemeenten hebben om zelf keuzes
te maken in de uitvoering van de Wmo 2015. De IGJ heeft de afgelopen jaren in haar
jaarlijkse rapportages geconstateerd dat het Wmo-toezicht zich niet overal voldoende
heeft ontwikkeld en dat de kwaliteit van het toezicht over het geheel genomen niet
voldoende is. Significant heeft daarop, in opdracht van VWS, een aantal aanbevelingen
gedaan voor het Wmo-toezicht. Van daaruit heeft VWS samen met gemeenten, de VNG, de
IGJ, GGD GHOR en Toezicht Sociaal Domein gewerkt aan een visie op goed toezicht in
de Wmo 2015 dat is vervat in een beleidskader. Hierover is uw Kamer in een brief op
8 mei 2023112 geïnformeerd. De voorgestelde verbetermaatregelen uit dat beleidskader worden uitgewerkt
in enerzijds een wetswijziging en anderzijds een stimuleringsprogramma. Zoals uw Kamer
in een brief van 7 oktober 2025113 is geïnformeerd, wordt de voorgenomen wetswijziging momenteel ambtelijk voorbereid.
De ontwikkeling en implementatie van het stimuleringsprogramma is gestart in januari
2025 en loopt tot en met december 2026.
10. ADVIES AUTORITEIT PERSOONSGEGEVENS
199.
De leden van de SP-fractie lezen dat het onderhavige wetsvoorstel redelijk wat wijzigingen
heeft ondergaan sinds deze aan de AP is voorgelegd. Heeft de regering nog aanvullend
contact gehad met de AP over de huidige versie?
Ja, de AP is via een informeel overleg in september 2022 op de hoogte gesteld over
onder andere de waarborgen die in het wetsvoorstel zijn opgenomen naar aanleiding
van het advies van de AP en de verwerking van het advies van de Raad van State. Zo
is naar aanleiding van het advies van de AP in het wetsvoorstel gespecificeerd onder
welke omstandigheden een partij het college een gemotiveerd verzoek kan doen voor
het instellen van een onderzoek wegens «ernstige problematiek» en is nader ingekaderd
onder welke voorwaarden het medisch beroepsgeheim doorbroken kan worden. Daarnaast
is op advies van de AP geregeld een grondslag opgenomen om bij amvb limitatief vast
te stellen welke partijen bij de gecoördineerde aanpak betrokken kunnen zijn.
200.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of de AP advies heeft gegeven
over de versie van het wetsvoorstel dat nu voorligt. Wat was dit advies? En als er
geen advies is uitgebracht of na het advies uit augustus 2020 geen overleg is geweest:
waarom is dit niet gebeurd? Ziet de regering nog aanleiding om alsnog advies te vragen?
De AP heeft op het gebruikelijke moment bij het tot stand komen van nieuwe wetgeving
geadviseerd, namelijk op het moment dat het voorstel ook is aangeboden voor internetconsultatie.
De AP is niet gevraagd om een advies over de versie van het wetsvoorstel dat nu voorligt.
Wel is de AP via een informeel overleg in september 2022 op de hoogte gesteld over
onder andere de waarborgen die in het wetsvoorstel zijn opgenomen naar aanleiding
van het advies van de AP en de verwerking van het advies van de Raad van State. Zo
is naar aanleiding van het advies van de AP in het wetsvoorstel gespecificeerd onder
welke omstandigheden een partij het college een gemotiveerd verzoek kan doen voor
het instellen van een onderzoek wegens «ernstige problematiek» en is nader ingekaderd
onder welke voorwaarden het medisch beroepsgeheim doorbroken kan worden. Voor dit
laatste onderwerp stel ik nu bij nota van wijziging een nieuwe bepaling voor. Daarnaast
is op advies van de AP geregeld een grondslag opgenomen om bij amvb limitatief vast
te stellen welke partijen bij de gecoördineerde aanpak betrokken kunnen zijn. Een
concept van deze lijst is als bijlage onderaan deze nota naar aanleiding van het verslag
toegevoegd. De regering ziet geen aanleiding om daarnaast opnieuw advies te vragen,
omdat het wetsvoorstel aan het advies van de AP is aangepast.
201.
Daarnaast adviseert de AP om de bevoegdheid om partijen bij AMvB toe te voegen dwingend
te formuleren. De leden van de SGP-fractie merken op dat de AP adviseert om de bevoegdheid
om partijen bij AMvB toe te voegen dwingend te formuleren en dat de regering de AP
op dit punt niet is gevolgd.
De AP heeft advies uitgebracht op de consultatieversie van de Wams. De delegatiebepaling
om bij amvb te bepalen welke partijen bij het onderzoek betrokken kunnen worden, en
op grond van welke taak zij betrokken worden, stond in die versie van het wetsvoorstel
in artikel 2.3a.1, derde lid, respectievelijk artikel 2.3a.4, derde lid. In het huidige
wetsvoorstel is de delegatiebepaling opgenomen in artikel 2.3a.5, en deze is conform
het advies van de AP dwingend geformuleerd.
202.
De leden van de SGP-fractie merken op dat het advies van de AP dateert uit augustus
2020. Het wetsvoorstel is sindsdien aanzienlijk veranderd. Het is op basis van de
memorie van toelichting niet duidelijk of hierbij overleg met de AP is gevoerd of
dat de regering aanvullend advies heeft overwogen. Kan de regering hier nader op ingaan,
zo vragen de leden van de SGP-fractie.
De AP heeft op het gebruikelijke moment bij het tot stand komen van nieuwe wetgeving
geadviseerd, namelijk op het moment dat het voorstel ook is aangeboden voor internetconsultatie.
De AP is niet gevraagd om een advies over de versie van het wetsvoorstel dat nu voorligt.
De AP is wel via een informeel overleg in september 2022 op de hoogte gesteld over
onder andere de waarborgen die in het wetsvoorstel zijn opgenomen naar aanleiding
van het advies van de AP en de verwerking van het advies van de Raad van State. Zo
is naar aanleiding van het advies van de AP in het wetsvoorstel gespecificeerd onder
welke omstandigheden een partij het college een gemotiveerd verzoek kan doen voor
het instellen van een onderzoek wegens «ernstige problematiek» en de condities waaronder
het medisch beroepsgeheim doorbroken kan worden. Daarnaast is op advies van de AP
een grondslag opgenomen om bij amvb limitatief vast te stellen welke partijen bij
de gecoördineerde aanpak betrokken kunnen zijn. De regering ziet geen aanleiding om
daarnaast opnieuw advies te vragen, omdat het wetsvoorstel aan het advies van de AP
is aanpast.
11. OVERIGE CONSULTATIEREACTIES
203.
In de paragraaf positie woningcorporaties in relatie tot domein wonen lezen de leden
van de VVD-fractie over de informele consultatie en de naar aanleiding daarvan opgenomen
paragraaf over het domein wonen. De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering
het belang van de wederzijdse gegevensuitwisseling nadrukkelijk onderkend. Als het
belang van (wederzijdse) gegevensuitwisseling met woningcorporaties zo duidelijk onderkend
wordt, wat gaat de regering dan doen om de uitwisseling met en verwerking van gegevens
door woningcorporaties te verbeteren? Is de regering bereid om hiervoor een wettelijke
basis te creëren?
Het vraagstuk rondom gegevensverwerking en -deling door woningcorporaties is belangrijk,
zodat woningcorporaties hun volkshuisvestelijke taken effectiever kunnen vervullen.
Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel om hiervoor een expliciete grondslag te bieden
in de Woningwet, zodat voor alle betrokkenen in de woningcorporatiesector duidelijkheid
wordt verschaft welke gegevens mogen worden verwerkt en welke gegevens mogen worden
gedeeld met andere (maatschappelijke) organisaties. De beleidsvoornemens hiervoor
zijn beschreven in een brief aan de Tweede Kamer van 10 november 2021.114 Tevens is in het kader van de voortgang van het programma «Een thuis voor iedereen»
de stand van zaken rond gegevensdeling weergegeven.115 Het concept wetsvoorstel gegevensdeling is in consultatie gebracht116.
204.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering waarom zij er niet voor gekozen heeft
om in het wetsvoorstel vast te leggen dat (medische) gegevens, verstrekt door een
zorgverlener met een beroepsgeheim, alleen mogen worden verwerkt door of onder verantwoordelijkheid
van een medisch adviseur van de gemeente, of iemand met een beroepsgeheim.
Om in een onderzoek naar meervoudige problematiek een goed beeld te krijgen van de
problemen die spelen en de samenhang daartussen alsmede om op basis daarvan een goed
voorstel voor een gecoördineerde aanpak te kunnen doen, is het niet werkbaar als alleen
iemand met medische kennis die gegevens kan verwerken. De Wams geeft grondslagen voor
de verwerking van gegevens, in elke fase slechts voor zover die verwerking noodzakelijk
is. Het college dat om gegevens verzoekt, zal die noodzakelijkheid moeten onderbouwen
en de verstrekkende zorgverlener zal zelf ook moeten beoordelen of de gevraagde gegevens
noodzakelijk zijn. Dit geldt altijd, ook indien de cliënt toestemming geeft om gegevens
te verstrekken. Het gaat zodoende bij een onderzoek naar meervoudige problematieke
om beperkte gegevens en nooit om een heel medisch dossier. Hierbij moet bedacht worden
dat bijvoorbeeld het gegeven dat een cliënt slecht ter been is op grond van de AVG
al een gegeven over de gezondheid is. Dat gegeven kan zeer relevant zijn voor de aanpak
van de meervoudige problematiek van deze cliënt, terwijl kennis over de medische oorzaak
hiervan niet relevant is.
Het onderzoek naar en de aanpak van meervoudige problematiek zou in veel gevallen
niet mogelijk zijn als alleen iemand die medisch onderlegd is kennis zou mogen nemen
van gegevens over de gezondheid. Belangrijk is dat in de Wams de gegevensverwerking
is beperkt tot die gegevens die in een concrete casus noodzakelijk zijn gelet op het
doel van de verwerking. Medische gegevens uitvragen terwijl die niet relevant zijn,
is niet toegestaan. De zorgverlener die gegevens verstrekt, zal eveneens de noodzaak
van verstrekking moeten vaststellen en zo nodig de betekenis daarvan moeten duiden.
Professionals maken – gesteund door richtlijnen en werkinstructies – zelf de afweging
of en in hoeverre informatieverstrekking noodzakelijk kan worden geacht. Veelal zullen
echter medische gegevens die alleen een verpleegkundige of een arts kan interpreteren,
zoals onderzoeksuitslagen, medicatieoverzichten of diagnoses, niet relevant zijn voor
het onderzoek naar meervoudige problematiek.
205.
De leden van de PvdA-fractie lezen dat de regering meent dat van de in het wetsvoorstel
voorgestelde maatregelen een zekere preventieve werking zal uitgaan. Kan dit nader
worden toegelicht?
Van de in dit wetsvoorstel voorgestelde maatregelen zal een zekere preventieve werking
uitgaan, in die zin dat bij een vermoeden van meervoudige problematiek een onderzoek
kan worden ingesteld en een gecoördineerde aanpak kan worden ingezet, waardoor eventuele
problemen tijdig kunnen worden opgelost en eventuele verergering van problemen kan
worden voorkomen. Escalatie van problemen, met bijvoorbeeld voortijdig schoolverlaten,
een huisuitzetting of inzet van gedwongen zorg, kunnen zo mogelijk voorkomen worden.
Ook bij een vermoeden van ernstige meervoudige problematiek kunnen professionals de
gemeente verzoeken een onderzoek in te stellen dat kan leiden tot een gecoördineerde
aanpak. In deze gevallen kan mogelijk ook worden voorkomen dat de problemen nog erger
worden. Dit alles draagt bij aan preventie.
206.
Deze leden vragen waarom niet gekozen is om in dit wetsvoorstel ook een algemene regeling
voor vroegsignalering voor het sociaal domein en aanpalende domeinen op te nemen.
Waarom kiest de regering voor specifieke wetgeving? Welke specifieke wetgeving in
deze is er dan al en hoe verhouden verschillende regelingen zich tot elkaar?
Vroegsignalering wordt in dit wetsvoorstel inderdaad niet geregeld in de zin van het
koppelen van databestanden en het actief benaderen van mensen op basis van die verzamelde
gegevens. De Wams kenmerkt zich juist door de casuïstische aanpak waarbij zoveel mogelijk
in samenspraak met cliënten wordt bekeken hoe zij het beste geholpen kunnen worden
in geval van vermoedelijke meervoudige problematiek. Op 1 januari 2021 een wijziging
van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening in werking getreden, die wel voorziet
in vroegsignalering. Gemeenten beschikken nu over de grondslag om aan inwoners actief
hulp aan te bieden naar aanleiding van signalen over betalingsachterstanden die woningverhuurders,
zorgverzekeraars, CAK, energieleveranciers en drinkwaterleveranciers aan de gemeente
verstrekken117. Ook lopen experimenten met de vroegsignalering van schulden op basis van signalen
over gemeentelijke belastingschulden, hypotheekachterstanden en studieschulden118. Over de resultaten is de Kamer geïnformeerd in het kader van de Aanpak geldzorgen,
armoede en schulden van de Minister voor Armoede, Participatie en Pensioenen119.
De bovengenoemde regelingen voor vroegsignalering zijn vooral gericht op (het voorkomen
van) schulden. Schulden gaan vaak samen met andere problemen of leiden tot andere
problemen als de schulden zich opstapelen. De Wams is bij (het voorkomen van) deze
meervoudige problematiek een belangrijk instrument waarbij niet de focus ligt op het
oplossen van één probleem, maar op het zo nodig bieden van een gecoördineerde aanpak
die eraan kan bijdragen dat de cliënt weer «op de rit komt».
207.
Hoe wordt voorkomen, vragen de leden van de PvdA-fractie, dat iemand tussen de verschillende
regelingen valt en er geen gecoördineerde aanpak tot stand komt?
De regeling van de Wams is bij uitstek bedoeld om mensen niet tussen verschillende
regelingen te laten vallen. Als mensen bij de gemeente aankloppen met een probleem
op het sociaal domein zal in samenspraak worden besproken of er misschien nog andere
problemen spelen en of daarbij een dienst uit het sociaal domein of van aanpalende
domeinen behulpzaam zou kunnen zijn. Ook voor mensen met ernstige meervoudige problematiek
die zorg (deels) mijden en waarvan betrokken professionals het idee hebben dat deze
mensen met gecoördineerde hulp en hulp die ze tot dan toe niet kregen, beter geholpen
zouden kunnen worden, voorziet de Wams in een regeling.
Ook het meldpunt niet-acute zorg dat in de Wams een wettelijke basis krijgt, kan bijdragen
aan het krijgen van de juiste hulp. Door middel van het actieonderzoek bemoeizorg
van het Ministerie van VWS wordt meer zicht verkregen op welke wijze het zorg-, sociaal
en veiligheidsdomein op lokaal niveau met elkaar samenwerken en opvolging geven aan
bemoeizorgtaken naar aanleiding van een melding.120 Aannemelijk is dat als er meer gebruik gemaakt wordt van het meldpunt dit ook tot
meer bemoeizorg leidt en er vaker actief hulp wordt aangeboden.
208.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering waarom dit wetsvoorstel geen grondslag
biedt voor ruimere gegevensverwerking op het gebied van fraudebestrijding in de zorg.
Waarom is voor aparte wetgeving gekozen? Hoe verhoudt voorliggend wetsvoorstel zich
tot het wetsvoorstel dat beoogt fraude in de zorg aan te pakken? Kan hiervan een overzicht
gegeven worden?
Bij het doel van dit wetsvoorstel om mensen met meervoudige problematiek beter te
kunnen helpen om zodoende hun problemen te verminderen of weg te nemen, past niet
dat die wet tegelijk is bedoeld voor fraudebestrijding in de zorg. Mensen moeten erop
kunnen vertrouwen dat als zij hulp zoeken bij meervoudige problematiek, zij ook daadwerkelijk
geholpen zullen worden om hun problemen te verminderen of op te lossen. Een beeld
dat gegevens in hun nadeel kunnen worden gebruikt, zou mensen wellicht afhouden van
het vragen of accepteren van hulp of het wantrouwen aanwakkeren als handhaving en
hulpverlening samen komen.
Om fraude in de zorg te bestrijden worden andere instrumenten ingezet, geregeld in
de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg: het waarschuwingsregister zorgfraude
en het Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ). Bij verstrekking aan het waarschuwingsregister
moet er sprake zijn van een gerechtvaardigde overtuiging van fraude. Dan bevindt een
gemeente zich feitelijk aan het einde van haar fraudeonderzoek en kan zij vaststellen
dat er daadwerkelijk sprake is van fraude en zal zij in de regel daar ook aangifte
van doen. Dat is van een geheel andere aard dan de casusgerichte aanpak van de Wams
gericht op het verminderen of wegnemen van problemen van cliënten.
12. INWERKINGTREDING
209.
Is de regering voornemens een invoeringstoets te doen bij de Wams, zo vragen de leden
van de PVV-fractie.
De regering wil graag na een jaar een invoeringstoets uitvoeren om een beeld te krijgen
bij de werking van de wet. In de invoeringstoets wordt specifiek aandacht geschonken
aan de effecten van deze wet voor cliënten, zorgaanbieders en hulpverleners.
210.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering voornemens is een invoeringstoets
te doen bij dit wetsvoorstel.
De regering wil graag na een jaar een invoeringstoets invoeren om een beeld te krijgen
bij de werking van de wet. In de invoeringstoets wordt specifiek aandacht geschonken
aan de effecten van deze wet voor cliënten, zorgaanbieders en hulpverleners.
211.
De leden van de SGP-fractie zijn van oordeel dat gelet op de complexiteit van het
voorstel en de eventuele risico’s op het gebied bescherming van de persoonlijke levenssfeer,
een invoeringstoets verstandig lijkt. Zij vragen of de regering kan toezeggen om een
invoeringstoets te doen bij dit wetsvoorstel.
De regering wil graag na een jaar een invoeringstoets invoeren om een beeld te krijgen
bij de werking van de wet. In de invoeringstoets wordt specifiek aandacht geschonken
aan de effecten van deze wet voor cliënten, zorgaanbieders en hulpverleners.
13. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
212.
Gezien de complexiteit van deze wet vragen de leden van de D66-fractie of de regering
nogmaals kort en bondig kan samenvatten in welke gevallen (persoons)gegevens tegen
de wil van de betrokkene gedeeld kunnen worden en aan welke voorwaarden dan precies
voldaan moeten worden.
Dit wetsvoorstel regelt het onderzoek naar meervoudige problematiek in samenspraak
met de cliënt (art. 2.3a.1) en het onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek
naar aanleiding van een verzoek van een betrokken professional (art. 2.3a.4). Naar
aanleiding van beide typen onderzoek kan een gecoördineerde aanpak worden voorgesteld.
De gecoördineerde aanpak start in beide situaties alleen als de cliënt daarmee instemt.
Voor beide soorten onderzoek en voor de fase van de gecoördineerde aanpak, bevat het
wetsvoorstel wettelijke grondslagen voor de verwerking van gegevens. Daarbij geldt
steeds het principe dat alleen noodzakelijke gegevens mogen worden verwerkt.
Een onderzoek naar meervoudige problematiek op grond van artikel 2.3a.1, gebeurt in
samenspraak met de cliënt of zijn vertegenwoordiger. Omdat in samenspraak met de cliënt
de reikwijdte van het onderzoek wordt bepaald, valt de verwerking van de noodzakelijke
gegevens ook binnen die reikwijdte. Voor zover gegevens van zorgverleners met een
beroepsgeheim nodig zijn, kan die zorgverlener op grond van artikel 5.4.2, tweede
lid, bij dit onderzoek in samenspraak met de cliënt alleen gegevens verstrekken met
toestemming van de cliënt. Daarbij geldt dat als toestemming wordt gegeven, de professional
nog steeds zelf moet afwegen of het in het belang van de cliënt is om gegevens te
verstrekken én welke gegevens dan noodzakelijk zijn voor het onderzoek door het college.
Een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek op grond van artikel 2.3a.4 kan
worden gestart na een verzoek van een betrokken partij bij een vermoeden van ernstige
meervoudige problematiek. Het genoemde artikel regelt wat nodig is om zo’n vermoeden
te onderbouwen. Het college kan dan een onderzoek starten terwijl de cliënt niet zelf
om hulp heeft gevraagd. De cliënt wordt wel zo snel en zoveel mogelijk betrokken en
zo mogelijk wordt hierbij een beroep gedaan op de vertegenwoordiger van de cliënt
(art. 2.3a.4, derde lid). Omdat de betrokkene niet zelf om het onderzoek heeft gevraagd,
kan de verwerking van de noodzakelijke gegevens ook tegen de wil van de betrokkene
zijn. Bij een verzoek voor het starten van een onderzoek naar ernstige meervoudige
problematiek en bij het onderzoek zelf, worden gegevens verwerkt op basis van de wettelijke
grondslagen van artikel 5.4.1, 5.4.2 en 5.4.3 van het wetsvoorstel.
De professional die het verzoek doet moet onderbouwen waarom er mogelijk sprake is
van ernstige meervoudige problematiek. De criteria om vast te stellen of daar mogelijk
sprake van is, staan in artikel 2.3a.4, eerste lid. Als het college op basis van dit
verzoek een onderzoek start, kan het op grond van artikel 5.4.1, derde lid, nagaan
of op grond van de daar genoemde wettelijke taken al eerder diensten zijn verleend
of interventies zijn uitgevoerd. Op grond van artikel 5.4.2, kan het college aan andere
partijen gegevens vragen die noodzakelijk zijn voor het onderzoek. Soms kunnen ook
gegevens nodig zijn van hulpverleners met een beroepsgeheim. Ook bij een onderzoek
naar ernstige meervoudige problematiek, dat niet op initiatief van de betrokkene wordt
gestart, is het vragen van toestemming het uitgangspunt. De eerder opgenomen mogelijkheid
om zonder toestemming het beroepsgeheim te doorbreken op basis van een professionele
afweging is met de nota van wijziging komen te vervallen. Voor een toelichting op
het aangepaste artikel 5.4.2, tweede lid, wordt verwezen naar onderdeel J van de toelichting
bij de nota van wijziging.
Als het onderzoek is afgerond wordt de cliënt en indien die er is, zijn vertegenwoordiger
geïnformeerd over de uitkomsten en conclusies en wordt zo nodig een voorstel voor
een gecoördineerde aanpak gedaan. De gegevens van het onderzoek worden op grond van
artikel 5.4.5, eerste lid, nog twee jaar bewaard, ook in geval de cliënt aangeeft
geen enkele hulp te aanvaarden. De reden hiervan is, dat als de cliënt na een tijdje
van gedachten veranderd en toch hulp wil, niet het hele onderzoek opnieuw hoeft te
worden gedaan.
Het is mogelijk dat het onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek heeft uitgewezen
dat de openbare orde of veiligheid mogelijk in het geding is. Het college is bevoegd
op grond van artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel b, gegevens hierover aan de burgemeester
te verstrekken. De burgemeester kan dan beoordelen of hij op grond van de daar genoemde
bevoegdheden moet handelen.
Zowel in de fase van een onderzoek naar meervoudige problematiek of ernstige meervoudige
problematiek, als in de fase van de gecoördineerde aanpak, kan voor de afstemming
tussen betrokken partijen een casusoverleg worden gehouden. Artikel 5.4.3 geeft de
regels voor gegevensverwerking bij een casusoverleg en zijn gericht op het zo beperkt
mogelijk delen van gegevens. Bij een onderzoek in samenspraak met de cliënt en tijdens
de gecoördineerde aanpak, wordt een casusoverleg altijd gehouden in overleg met de
cliënt (art. 2.3a.1, zevende lid en art. 2.3a.3, derde lid), en kunnen de cliënt en
zijn vertegenwoordiger bij het overleg aanwezig zijn (art. 5.4.3, eerste lid).
Ten slotte regelt het wetsvoorstel ook de grondslagen voor gegevensverwerking door
meldpunten niet-acuut in het kader van de oggz-taak van gemeenten. Ook die grondslagen
zijn gericht op het zo beperkt mogelijk verwerken van gegevens van de persoon over
wie de melding gaat. Deze gegevens worden opgenomen in een melddossier waarvan de
bewaartermijn tussen de 6 maanden en één jaar is vastgesteld (art. 5.5.4). Deze termijn
is vastgesteld omdat na 1 jaar de informatie in veel gevallen niet meer relevant is.
Binnen het jaar kan de informatie wel relevant zijn, bijvoorbeeld omdat ten aanzien
van dezelfde persoon in korte tijd door verschillende mensen een melding wordt gedaan,
of ten aanzien van een bepaalde persoon verschillende type meldingen binnenkomen.
213.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de regering ervoor kiest om bij
AMvB te regelen welke instanties of personen als «partij» worden aangemerkt. Heeft
de regering nog overwogen om een aantal instanties, zoals het UWV, CAK en woningbouwcorporaties,
al wel in de wet vast te leggen? En heeft de regering overwogen bij AmvB de mogelijkheid
te bieden aanvullende partijen toe te voegen? Aangezien genoemde instanties al in
de memorie van toelichting worden genoemd, lijkt het deze leden terecht om ze al in
de wet op te nemen.
Zoals de leden van de ChristenUnie-fractie suggereren, zou het mogelijk zijn om een
deel van de partijen wel te noemen in de wet en bij amvb een aanvullende lijst vast
te stellen. Dit komt de toegankelijkheid van de wetgeving echter niet ten goede. De
bijlage van de concept amvb, waarvan een concept onderaan deze nota naar aanleiding
van het verslag is toegevoegd, geeft een duidelijk overzicht van de partijen en de
bijbehorende taakafbakening. Daarbij is het zo dat de kernelementen, namelijk de definitie
van partij tezamen met de definitie van aanpalende domeinen, in de wet staan. Zo is
de reikwijdte van het wetsvoorstel voldoende duidelijk en is de delegatie concreet
en begrensd.
214.
Artikel 5.4.1 biedt een grondslag voor verwerking van gegevens voor diverse wettelijke
kaders. Waarom zijn hierbij niet de volgende wetten opgenomen, zo vragen de leden
van de ChristenUnie-fractie: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers (IOAW), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (IOAZ), bepalingen uit de Gemeentewet inzake kwijtschelding
van belastingen, Afdeling 2.7 van de Wet hersteloperatie toeslagen, de bepalingen
over urgentie en bijzondere groepen uit de Huisvestingswet 2014?
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
(IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen
(IOAZ) zijn niet opgenomen in artikel 5.4.1, omdat de Participatiewet de gegevensverwerking
voor uitvoering van deze wetten al mogelijk maakt (onder meer artikel 7 Participatiewet).
Ook voor kwijtschelding van gemeentebelasting zijn voor de aanpak van meervoudige
problematiek geen aanvullende mogelijkheden nodig voor gegevensverwerking. Gemeenten
informeren hun inwoners over de mogelijkheid van kwijtschelding van gemeentebelastingen
en bieden dat aan inwoners aan met wie zij contact hebben bij uitvoering van de Participatiewet
en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Gemeenten mogen al gegevens verwerken
om te toetsen of iemand recht heeft op kwijtschelding.
In artikel 5.4.1 zijn geen nieuwe grondslagen opgenomen voor het college om persoonsgegevens
van de Dienst Toeslagen te verwerken voor de uitvoering van de Wet hersteloperatie
toeslagen, omdat de bestaande regelgeving voor het sociaal domein voldoende mogelijkheden
voor gegevensuitwisseling bevat, bijvoorbeeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
Op basis van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is overigens ook onder andere
een huurachterstand al een ingang voor vroegsignalering van schulden en hulp vanuit
de gemeente (Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening). Dit kan een aanleiding voor
een onderzoek naar meervoudige problematiek.
Bij alle in artikel 5.4.1, derde lid, genoemde wetten, betreft het bepalingen op grond
waarvan het college over gegevens zou kunnen beschikken die betrekking hebben op de
cliënt. Omdat het college op basis van de Huisvestingswet niet beschikt over gegevens
van cliënten, wordt deze wet niet genoemd in artikel 5.4.1 (de voor het onderzoek
te verwerken gegevens. Wonen is een aanpalend domein in de Wams. Een urgentieverklaring
voor een (corporatie)woning is veelal gekoppeld aan een hulpvraag die ligt binnen
het sociaal domein. Denk aan beschermd wonen of zaken die spelen rondom werk en inkomen
(schulden), jeugdhulp en afhankelijkheid van maatschappelijke ondersteuning om zelfstandig
te kunnen wonen. Woningcorporaties kunnen als partij deelnemen aan een onderzoek naar
meervoudige problematiek. In die hoedanigheid kunnen corporaties noodzakelijke gegevens
verstrekken. Als eenmaal een gecoördineerde aanpak is gestart, kunnen woningcorporaties
worden betrokken bij de uitvoering en kunnen zij vanuit hun bevoegdheden bijdragen
aan het verminderen of wegnemen van de geconstateerde problemen.
215.
Deze leden menen dat de regering per abuis in dit artikel verwijst naar de vervallen
Wet op het voortgezet onderwijs, in plaats van naar de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Die verwijzing is inderdaad niet correct en wordt bij nota van wijziging aangepast.
216.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering of zij goed begrijpen dat hulpverleners
zonder wettelijk erkend beroepsgeheim uitgesloten worden van de uitzondering als bedoeld
artikel 5.4.2 lid 2, alsmede artikel 5.4.3 lid 2 van de Wams? En dat dit ook geldt
voor hulpverleners die bijvoorbeeld op basis van een beroepscode een geheimhoudingsplicht
hebben? Kan de regering uitleggen waarom hier voor gekozen is?
De in artikel 5.4.2, tweede lid, genoemde beroepsgeheimen zijn wettelijk vastgelegd
om de vrije toegang tot de gezondheidszorg en jeugdhulp te waarborgen. Het betreft
artsen en hulpverleners waarop de WGBO en de Wet BIG van toepassing zijn en hulpverleners
waarop de Jeugdwet van toepassing is. Deze wettelijke kaders zijn niet van toepassing
op andere beroepsgroepen die een vertrouwelijke relatie met hun cliënten kunnen hebben,
zoals maatschappelijk werkers. Daarmee zijn de wettelijk geregelde beroepsgeheimen
wezenlijk verschillend van geheimhouding op grond van een beroepscode. De regeling
van artikel 5.4.2, tweede lid, maakt duidelijk dat deze wettelijke kaders onverkort
van toepassing zijn bij een onderzoek naar meervoudige problematiek.
Toch hoeven ook partijen die werken op basis van een beroepscode nooit «zomaar» gegevens
te verstrekken. Bij ieder verzoek van het college om gegevens te verstrekken voor
een onderzoek naar meervoudige problematiek, zal het college moeten aangeven waarom
die gegevens noodzakelijk zijn. Er is geen grondslag voor het verstrekken van gegevens
die niet noodzakelijk zijn. Iedere partij aan wie het college op grond van artikel 5.4.2,
eerste lid, om informatie vraagt, moet daarom ook zelf die noodzaak beoordelen. Dat
kan er toe leiden dat na overleg met het college minder gegevens worden verstrekt
dan initieel werden gevraagd. Dit wetsvoorstel biedt zodoende ook voldoende waarborgen
aan partijen die werken op basis van een beroepscode.
Het zal vaak voldoende zijn om de informatie te verstrekken dat de cliënt bij een
bepaalde hulpverlener komt, zonder dat iets bekend wordt gemaakt over de inhoudelijke
reden dat de cliënt deze hulpverlener bezoekt. Deze zogenaamde «dat» informatie kan
relevant zijn voor het onderzoek naar meervoudige problematiek, terwijl meer inhoudelijk
informatie uit het dossier, (zogenaamde «wat» informatie) vaak niet of in slechts
zeer beperkte mate noodzakelijk is.
217.
De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat hulpverleners die op basis van
een beroepscode werken over vergelijkbare gegevens kunnen beschikken als een hulpverlener
met een wettelijk erkend beroepsgeheim? En leidt dit ertoe dat er voor vergelijkbare
gegevens verschillende regels voor gegevensverstrekking geïntroduceerd worden?
De overeenkomst is dat het gaat om vertrouwelijke gegevens, maar zoals toegelicht
bij de vorige vraag, is er een reden waarom sommige beroepsgeheimen wettelijk zijn
geregeld. De in artikel 5.4.2, tweede lid, genoemde beroepsgeheimen zijn wettelijk
vastgelegd om de vrije toegang tot de gezondheidszorg en jeugdhulp te waarborgen.
Deze zorgverleners en hulpverleners werken anders dan hulpverleners met een beroepscode,
binnen de wettelijke kaders van de WGBO, de Wet BIG of de Jeugdwet. Zoals ook is toegelicht
bij de vorige vraag geldt voor iedere gegevensverstrekking dat alleen noodzakelijke
gegevens mogen worden verstrekt, en kan en moet een partij die verstrekt op grond
van artikel 5.4.1, eerste lid, ook de afweging maken of er geen zwaarwegende belangen
aan verstrekking in de weg staan.
218.
De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom de uitzondering op de verstrekkingsplicht
in artikel 5.4.2 lid 2 enkel geldt voor hulpverleners met een wettelijk erkend beroepsgeheim.
Waarom worden hulpverleners met een beroepsgeheim dat niet wettelijk is vastgelegd,
maar wel is vastgelegd in beroepscodes, hier niet ook van uitgezonderd?
De in artikel 5.4.2, tweede lid, genoemde beroepsgeheimen zijn wettelijk vastgelegd
om de vrije toegang tot de gezondheidszorg en jeugdhulp te waarborgen. Het betreft
artsen en hulpverleners waarop de WGBO en de Wet BIG van toepassing zijn en hulpverleners
waarop de Jeugdwet van toepassing is. Deze wettelijke kaders zijn niet van toepassing
op andere beroepsgroepen die een vertrouwelijke relatie met hun cliënten kunnen hebben,
zoals maatschappelijk werkers. Daarmee zijn de wettelijk geregelde beroepsgeheimen
wezenlijk verschillend van geheimhouding op grond van een beroepscode. De regeling
van artikel 5.4.2, tweede lid, zoals nu voorgesteld bij nota van wijziging, maakt
duidelijk dat deze wettelijke kaders onverkort van toepassing zijn bij een onderzoek
naar meervoudige problematiek.
Toch hoeven ook partijen die werken op basis van een beroepscode nooit «zomaar» gegevens
te verstrekken. Bij ieder verzoek van het college om gegevens te verstrekken voor
een onderzoek naar meervoudige problematiek, zal het college moeten aangeven waarom
die gegevens noodzakelijk zijn. Er is geen grondslag voor het verstrekken van gegevens
die niet noodzakelijk zijn. Iedere partij aan wie het college op grond van artikel 5.4.2,
eerste lid, om informatie vraagt, moet daarom ook zelf die noodzaak beoordelen. Dat
kan er toe leiden dat na overleg met het college minder gegevens worden verstrekt
dan initieel werden gevraagd. Dit wetsvoorstel biedt zodoende ook voldoende waarborgen
aan partijen die werken op basis van een beroepscode.
Het zal vaak voldoende zijn om de informatie te verstrekken dat de cliënt bij een
bepaalde hulpverlener komt, zonder dat iets bekend wordt gemaakt over de inhoudelijke
reden dat de cliënt deze hulpverlener bezoekt. Deze zogenaamde «dat» informatie kan
relevant zijn voor het onderzoek naar meervoudige problematiek, terwijl meer inhoudelijk
informatie uit het dossier, (zogenaamde «wat» informatie) vaak niet of in slechts
zeer beperkte mate noodzakelijk is.
219.
De leden van de SP-fractie lezen dat het «expliciet niet [is] toegestaan om de gegevens
uit het onderzoek te gebruiken voor andere doelen zoals de aanpak van fraude». Zij
vragen de regering hoe dit in praktijk zal gaan werken, op het moment dat gemeenteambtenaren
in het kader van de ondersteuning van een cliënt met meervoudige problematiek er bijvoorbeeld
achter komen dat deze samenwoont, maar de kostendelersnorm in de Participatiewet omzeilt.
Om vast te stellen of een gecoördineerde aanpak behulpzaam kan zijn om de problemen
te verminderen of op te lossen, kan een onderzoek naar meervoudige problematiek worden
gedaan (artikel 2.3a.1, vierde lid en 2.3a.4, tweede lid). Dat onderzoek heeft tot
doel de problemen van cliënten en hun gezin te verminderen of weg te nemen. Als de
Participatiewet onderdeel is van het onderzoek naar meervoudige problematiek kunnen
gegevens beschikbaar komen waaruit blijkt dat iemand mogelijk onterecht een uitkering
ontvangt. De medewerker die het onderzoek heeft uitgevoerd informeert de cliënt over
de uitkomsten van het onderzoek naar meervoudige problematiek (artikel 2.3a.2). Hierbij
zal de medewerker ook het gesprek aangaan met de cliënt over een mogelijke onterechte
uitkering. Zij bespreken op welke manier een rechtmatige situatie kan worden bereikt,
om te komen tot een oplossing die bijdraagt aan het verminderen of wegnemen van de
problemen van de cliënt. Het college mag de gegevens uit het onderzoek naar meervoudige
problematiek niet gebruiken om de onterechte uitkering aan te passen.
De cliënt is niet verplicht de dienstverlening, die naar aanleiding van het onderzoek
naar meervoudige problematiek wordt voorgesteld, te accepteren. Iemand is bijvoorbeeld
niet verplicht bijstand aan te vragen. Los van de in dit wetsvoorstel voorgestelde
gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek blijven gemeenten de Participatiewet
uitvoeren en daar toezicht op houden. Die wet bevat een inlichtingenplicht (art. 17,
eerste lid). Dat betekent dat de belanghebbende zelf moet melden als er feiten of
omstandigheden zijn die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Dat kunnen
ook feiten of omstandigheden zijn die tijdens de gecoördineerde aanpak zijn gebleken.
In lijn met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) regelt het wetsvoorstel
expliciet welke verwerkingen van persoonsgegevens wel zijn toegestaan. Hieruit volgt
dat gegevensverwerking voor andere doelen niet zijn toegestaan. De persoonsgegevens
uit het onderzoek mogen verder worden verwerkt voor zover dat noodzakelijk is voor
de gecoördineerde aanpak en voor het verkrijgen van diensten uit het sociaal domein
(artikel 2.3a.2 en 5.4.4, eerste lid). Door deze wettelijke grondslag voor verdere
verwerking van noodzakelijke gegevens hoeven cliënten en betrokken partijen de gegevens
niet opnieuw te verstrekken. Dit betekent dat voor de uitvoering van de desbetreffende
wet uit het sociale domein, de gegevens kunnen worden gebruikt die in eerste instantie
werden verwerkt voor het onderzoek, waarbij geldt dat de verwerking van die gegevens
noodzakelijk moet zijn om de desbetreffende dienst uit het sociaal domein te kunnen
verstrekken.
Artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, geeft ook de grondslag om gegevens verder
te verwerken ten behoeve van interventies op grond van de Jeugdwet en de Wet inburgering
2021. Het gaat dan om een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming,
het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel of het voldoen aan de inburgeringsplicht.
Bij nota van wijziging wordt voorgesteld artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, zo
aan te passen dat duidelijk is dat verdere verwerking van gegevens uit een onderzoek
naar meervoudige problematiek door het college is toegestaan ten behoeve van het verstrekken
van diensten op grond van de sociaaldomeinwetten en de Wet inburgering 2021 en daarnaast
alleen ten behoeve van de bovengenoemde interventies die ook onderdeel kunnen zijn
van een gecoördineerde aanpak.
Op grond van de AVG moet ook het verder verwerken van gegevens expliciet bij wet worden
geregeld, anders is verdere verwerking niet toegestaan.
220.
De leden van de SP-fractie constateren dat dit wetsvoorstel ook de mogelijkheid creëert
voor het college om gegevens aan de burgemeester te verstrekken in verband met zijn
taken op het gebied van de openbare orde, maar dat dit niet per se gericht hoeft te
zijn op de gecoördineerde aanpak. Waarom is gegevensdeling met de burgemeester niet
beperkt tot situaties waarin dit noodzakelijk is voor de ondersteuning van de cliënt
in verband met diens meervoudige problematiek?
Artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel b, geeft een grondslag voor het verstrekken van
de gegevens uit het onderzoek naar meervoudige problematiek voor de uitoefening van
bepaalde specifieke taken die bij wet aan de burgemeester zijn toebedeeld.
Het college is op grond van artikel 5.4.1 bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens
van de cliënt voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een
onderzoek naar meervoudige problematiek. Er is geen grondslag voor het verwerken van
gegevens die niets te maken hebben met de reikwijdte van de hulpvraag en het onderzoek.
Vooral bij een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek is voorstelbaar dat
er problemen en gegevens naar voren komen die raken aan de openbare orde en veiligheid.
Het kan dan – juist ook in het kader van het oplossen of verminderen van de problemen
– gewenst zijn dat de burgemeester één van de in artikel 5.4.4 genoemde bevoegdheden
inzet. Aangezien het om discretionaire bevoegdheden van de burgemeester gaat, is de
mogelijkheid tot het inzetten van die bevoegdheden verder niet geclausuleerd. Ook
wordt niet geclausuleerd dat de bevoegdheden alleen in het kader van een gecoördineerde
aanpak mogen worden ingezet. Het kan voorkomen dat een onderzoek naar meervoudige
problematiek uiteindelijk niet leidt tot een gecoördineerde aanpak. Zeker bij ernstige
meervoudige problematiek zal het niet altijd lukken de cliënt te overtuigen daaraan
mee te werken. De regering is van mening dat een burgemeester in dit soort situaties
overeenkomstig zijn bevoegdheden de afweging moet kunnen maken, dat het ter bescherming
van de openbare orde of de veiligheid in de omgeving noodzakelijk is de in artikel 5.4.4
genoemde bevoegdheden in te zetten. Hierbij weegt de burgemeester de mogelijk nadelige
gevolgen voor de persoon die de maatregel betreft af tegen de nadelige gevolgen voor
zijn omgeving. Als deze grondslag voor gegevensverstrekking in de wet zou ontbreken,
zou de burgemeester niet over deze gegevens beschikken, terwijl op basis van een onderzoek
naar meervoudige problematiek is gebleken dat er mogelijk sprake is van een situatie
waarbij de veiligheid van de cliënt, zijn gezinsleden of anderen in de directe omgeving,
in het geding is. Als de situatie escaleert omdat de burgemeester geen maatregelen
nam, zou het achteraf vreemd zijn als blijkt dat het college wel van de situatie op
de hoogte was maar wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag de burgemeester
hiervan niet op de hoogte mocht stellen.
221.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering wat de artikelen 5.4.2 en 5.4.3 toevoegen
aan het al bestaande juridisch kader, zoals dat geldt voor het door zorgverleners
verstrekken van gegevens aan derden voor een gecoördineerde aanpak van meervoudige
problematiek in het sociaal domein. Op welke wijze kan duidelijker worden opgenomen
dat zorgverleners met een beroepsgeheim alleen gegevens mogen delen als de cliënt
daarvoor toestemming heeft gegeven? Kunnen zorgverleners zonder beroepsgeheim, maar
met een beroepscode, ook een beroep doen op de uitzondering van artikel 5.4.2 lid
2?
Het (medisch) beroepsgeheim is een groot goed uit het oogpunt van de vrije toegankelijkheid
van zorg. Ook in dit wetsvoorstel staat het vragen van toestemming voor doorbreking
van het beroepsgeheim centraal. Dit moet volstrekt duidelijk zijn. Ik stel bij nota
van wijziging een nieuwe formulering van artikel 5.4.2, tweede lid, voor die duidelijk
maakt dat bij de eventuele verstrekking van gegevens, verstrekking op basis van uitdrukkelijke
toestemming voorop staat tenzij een wettelijk voorschrift voor verstrekking van toepassing
is, zoals artikel 7.4.0, tweede en derde lid, van de Jeugdwet of artikel 5.2.2 van
de Wmo 2015. Dit is in overeenstemming met het huidige wettelijk kader rond het verstrekken
van gegevens waarop een medisch beroepsgeheim rust.
Bij een onderzoek naar meervoudige problematiek, of ernstige meervoudige problematiek,
zullen noodzakelijke gegevens van een zorgverlener of jeugdhulpverlener dus ofwel
na toestemming van de cliënt kunnen worden verstrekt, ofwel op basis van een wettelijke
verstrekkingsgrond. Als de cliënt een vertegenwoordiger heeft, kan aan de vertegenwoordiger
toestemming worden gevraagd. Als toestemming wordt gegeven, is het nog steeds de afweging
van de professional of het in het belang van de cliënt is om gegevens te verstrekken
én welke gegevens dan noodzakelijk zijn voor het onderzoek door het college.
De Afdeling advisering van de Raad van State oordeelde in zijn advies dat enkel het
criterium van goed hulpverlenerschap om te beoordelen of het beroepsgeheim zou kunnen
worden doorbroken, aan hulpverleners onvoldoende houvast geeft. Het nu bij nota van
wijziging voorgestelde artikel 5.4.2, tweede lid, maakt het niet mogelijk dat gegevens
zonder toestemming worden verstrekt, enkel op het oordeel dat verstrekking noodzakelijk
is uit het oogpunt van goed hulpverlenerschap. Vanwege het grote belang van het (medisch)
beroepsgeheim, stel ik ook geen andere criteria voor om het beroepsgeheim te kunnen
doorbreken. Uit alle vragen is gebleken dat nieuwe criteria om het beroepsgeheim eventueel
zonder toestemming te doorbreken, leiden tot discussie, terwijl ik van mening ben
dat de regels rond de wettelijk geregelde beroepsgeheimen, boven elke twijfel verheven
moeten zijn.
Een zorgverlener zal in het belang van zijn cliënt die te kampen heeft met (ernstige)
meervoudige problematiek, zoveel mogelijk zijn medewerking aan een onderzoek en een
eventueel daaropvolgende gecoördineerde aanpak, moeten verlenen. Door hierover met
de cliënt in gesprek te gaan, zal in veel gevallen toestemming worden verleend om
de daarvoor noodzakelijke gegevens te verstrekken.
Professionals zijn zich zeer bewust van de vertrouwensband die ze met een cliënt hebben
en van de eisen die het beroepsgeheim aan hen stelt. Het college mag op grond van
artikel 5.4.2 vragen om gegevens die onder het beroepsgeheim vallen, maar moet de
noodzakelijkheid van die gegevens kunnen onderbouwen. Het is niet voldoende als het
college vraagt gegevens te verstrekken, omdat die nodig zijn voor een onderzoek naar
meervoudige problematiek, die vraag is veel te breed. De onderbouwing van de noodzaak
moet gaan over specifieke gegevens betrekking hebbend op een specifieke casus. De
professional heeft de plicht om bij een verzoek om informatie een volledig eigen afweging
te maken of en zo ja welke gegevens verstrekt zouden moeten worden. Die toets op noodzakelijkheid
geldt ook als de cliënt toestemming geeft om gegevens te verstrekken.
De in artikel 5.4.2, tweede lid, genoemde beroepsgeheimen zijn wettelijk vastgelegd
om de vrije toegang tot de gezondheidszorg en jeugdhulp te waarborgen. Het betreft
artsen en hulpverleners waarop de WGBO en de Wet BIG van toepassing zijn en hulpverleners
waarop de Jeugdwet van toepassing is. Deze wettelijke kaders zijn niet van toepassing
op andere beroepsgroepen die een vertrouwelijke relatie met hun cliënten kunnen hebben,
zoals maatschappelijk werkers. Daarmee zijn de wettelijk geregelde beroepsgeheimen
wezenlijk verschillend van geheimhouding op grond van een beroepscode. De regeling
van artikel 5.4.2, tweede lid, maakt duidelijk dat deze wettelijke kaders onverkort
van toepassing zijn bij een onderzoek naar meervoudige problematiek.
Op grond van het voorgestelde artikel 5.4.2, eerste lid, hoeven ook partijen zonder
wettelijk geregeld beroepsgeheim niet «zomaar» gegevens te verstrekken. Bij ieder
verzoek van het college om gegevens te verstrekken voor een onderzoek naar meervoudige
problematiek, zal het college moeten aangeven waarom die gegevens noodzakelijk zijn.
Er is geen grondslag voor het verstrekken van gegevens die niet noodzakelijk zijn.
Iedere partij aan wie het college op grond van artikel 5.4.2, eerste lid, om informatie
vraagt, moet daarom ook zelf die noodzaak beoordelen. Dat kan er toe leiden dat na
overleg met het college minder gegevens worden verstrekt dan initieel werden gevraagd.
Dit wetsvoorstel biedt zodoende ook voldoende waarborgen aan partijen die werken op
basis van een beroepscode.
Het zal vaak voldoende zijn om de informatie te verstrekken dat de cliënt bij een
bepaalde hulpverlener komt, zonder dat iets bekend wordt gemaakt over de inhoudelijke
reden dat de cliënt deze hulpverlener bezoekt. Deze zogenaamde «dat» informatie kan
relevant zijn voor het onderzoek naar meervoudige problematiek, terwijl meer inhoudelijk
informatie uit het dossier, (zogenaamde «wat» informatie) vaak niet of in slechts
zeer beperkte mate noodzakelijk is.
Het streven is verder dat de diverse beroepsorganisaties door middel van voorlichting
en het zo nodig aanpassen van richtlijnen en handreikingen aan professionals handvatten
gaan bieden voor het handelen bij een verzoek om gegevens in verband met een onderzoek
naar meervoudige problematiek. Daarbij moet aandacht zijn voor de mogelijkheden om
beroep te doen op een vertegenwoordiger, en bij een vraag om gegevens bij ernstige
meervoudige problematiek, hoe en met welke collegiale toetsing een goede inschatting
kan worden gemaakt van de situatie en als gegevens worden verstrekt, op het inzetten
op zo minimaal mogelijk verstrekken van gegevens. Gemeenschappelijke kaders kunnen
een individuele hulpverlener helpen om in een specifieke casus tot een afweging te
komen. Ditzelfde geldt voor medewerkers van een lokaal team die namens het college
onderzoek doen. Ook hier kunnen gemeenschappelijke kaders helpen om tot een bij de
casus passend informatieverzoek te komen.
222.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering in hoeverre het feit dat een zorgverlener
het beroepsgeheim onder voorwaarden mag doorbreken door een eigen afweging te maken
ertoe kan leiden dat mensen die zorg hard nodig hebben zich hieraan om deze reden
toch zullen onttrekken. Kan aangegeven worden waarom wordt gemeend dat een wettelijk
vastgelegde bevoegdheid noodzakelijk is en de bestaande doorbrekingsgrond van het
«conflict van plichten» onvoldoende is?
Het medisch beroepsgeheim beschermt een algemeen belang, namelijk de vrije toegang
tot de gezondheidszorg. Het beroepsgeheim is niet absoluut, maar juist om die vrije
toegang te waarborgen, is een grote terughoudendheid met betrekking tot het doorbreken
van het beroepsgeheim noodzakelijk. Soms kunnen echter andere belangen prevaleren
waarvoor wettelijk vastgelegde doorbrekingsgronden bestaan. Bijvoorbeeld artikel 7.3.1,
vierde lid, van de Jeugdwet op grond waarvan professionals met een beroepsgeheim kortgezegd
informatie over een onder toezicht gestelde minderjarige die noodzakelijk is voor
de uitvoering van de ondertoezichtstelling aan de gecertificeerde instelling moeten
verstrekken en artikel 5.2.6 van de Wmo 2015, waarin is geregeld dat professionals
met een beroepsgeheim inlichtingen die noodzakelijk kunnen worden geacht om een situatie
van huiselijk geweld of kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden
daarvan te onderzoeken, aan Veilig Thuis kunnen verstrekken.
Ik ben het ermee eens dat bij iedere doorbrekingsgrond zorgvuldig moet worden afgewogen
of verstrekking zonder toestemming van de cliënt in verhouding staat tot het risico
van extra zorgmijdend gedrag. De voorgestelde regeling van artikel 2.3a.4 voor onderzoek
bij ernstige meervoudige problematiek is er juist op gericht om deze mensen eerder
en beter te kunnen helpen. Het mijden van zorg is vaak niet een heel bewuste keuze.
Vaker gaat het om mensen die de grip zijn kwijtgeraakt, de problemen niet meer overzien
en van daaruit zich terug hebben getrokken. Om deze mensen te kunnen helpen is een
zorgvuldige benadering nodig waarbij de afweging of in de specifieke situatie van
een bepaalde persoon het noodzakelijk is om ten behoeve van een onderzoek naar meervoudige
problematiek gegevens te verstrekken, en zo ja, welke gegevens dan noodzakelijk zijn,
bij de zorgprofessional ligt. Daarbij staat het vragen van uitdrukkelijke toestemming
altijd voorop, zo mogelijk ook in overleg met de vertegenwoordiger van een cliënt.
Zorgvuldigheid is geboden omdat juist bij mensen met ernstige meervoudige problematiek
het risico op zorg mijden groot is. Gelet op de diverse bezwaren die zijn geuit bij
de gronden in artikel 5.4.2, tweede lid, om toch gegevens te kunnen verstrekken zonder
toestemming in geval van ernstige meervoudige problematiek, en het grote belang dat
ik hecht aan het medisch beroepsgeheim, stel ik bij nota van wijziging een nieuwe
bepaling voor. Voor deze nieuwe formulering van artikel 5.4.2, tweede lid, is aangesloten
bij de formulering zoals die is opgenomen in artikel 2.29, tweede lid, van de Wet
gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden121, die van toepassing is voor het delen van gegevens in Zorg- en Veiligheidshuizen.
In dat artikel is wel de uitzondering opgenomen om zonder toestemming of wettelijke
plicht gegevens te verstrekken op grond van goed hulpverlenerschap. Aangezien de Afdeling
advisering van de Raad van State in het advies over de Wams heeft geoordeeld dat dit
een criterium is dat zorgverleners onvoldoende houvast biedt, stel ik voor die uitzonderingsgrond
niet op te nemen in artikel 5.4.2, tweede lid.
Een hulpverlener zou in een uiterst geval een beroep kunnen doen op het niet wettelijk
geregelde leerstuk van conflict van plichten. Dit is echter alleen toepasbaar in situaties
waarin er sprake is van een reëel risico op ernstig gevaar voor de cliënt of een ander.
Het doel van een onderzoek naar ernstige meervoudige problematiek op grond van de
Wams is juist om met betrokken partijen te komen tot een aanpak om dat soort situaties
van ernstig gevaar te voorkomen door iemand eerder en beter te kunnen helpen.
223.
De leden van de PvdA-fractie vragen wanneer sprake is van «ernstige meervoudige problematiek»
en hoe zorgverleners hier een eenduidige invulling van kunnen hebben als de wettekst
daarvoor geen toelichting biedt. Waarom wordt deze term niet opgenomen in de definitiebepalingen?
Het begrip «meervoudige problematiek» wordt in artikel 1.1.1. gedefinieerd. Van dit
begrip is goed een materiële omschrijving te geven. Bij «ernstige» meervoudige problematiek
ligt dat anders. Of de situatie zodanig ernstig is dat een onderzoek zonder hulpvraag
van de cliënt gerechtvaardigd is, moet worden gewogen aan de hand van de omstandigheden
van het geval. In het voorgestelde artikel 2.3a.4, eerste lid, zijn daarom de voorwaarden
opgenomen waaraan de concrete omstandigheden getoetst moeten worden. Een bij de cliënt
betrokken professional kan bij het college een verzoek doen om een onderzoek naar
ernstige meervoudige problematiek te starten indien hij vermoedt:
a. dat sprake is van voortdurende of terugkerende meervoudige problematiek waarvoor de
persoon of personen die het betreft geen of selectief hulp vragen of accepteren of
de hulp die wel wordt aanvaard niet effectief lijkt, terwijl vanwege de aard of complexiteit
van de problemen maatschappelijke teloorgang of een lage kwaliteit van leven en welzijn
dreigt of al aan de orde is, en
(1) in de omgeving van deze persoon of personen wordt gedurende langere tijd of telkens
opnieuw overlast, hinder of problemen ervaren, of
(2) de veiligheid van personen of goederen is in het geding; en
b. dat een gecoördineerde aanpak kan bijdragen aan het oplossen of verminderen van de
problematiek.
Beide elementen (a. en b.) moeten bij een verzoek worden onderbouwd, waarbij er met
betrekking tot de bijkomende omstandigheden (sub 1 en 2) ten minste één van beide
situaties aannemelijk dient te worden gemaakt. Op basis van onderdeel a wordt bepaald
of sprake is van (waarschijnlijk) ernstige meervoudige problematiek. Het is lastig
om op basis van deze criteria een begripsomschrijving van «ernstige meervoudige problematiek»
te geven, maar omdat het begrip toch regelmatig wordt gebruikt, stel ik voor om bij
nota van wijziging in artikel 1.1.1 een definitie op te nemen die verwijst naar de
criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid, onderdeel a.
224.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering tevens hoe geregeld is dat de aan
een gemeente verstrekte gegevens niet verder mogen worden verwerkt. Welke voorwaarden
kan een zorgverlener stellen ingevolge artikel 5.4.2 en wat gebeurt er als aan die
voorwaarden niet wordt voldaan?
De Wams creëert een bevoegdheid voor het college om persoonsgegevens die aan het college
zijn verstrekt ten behoeve van het onderzoek door het college verder te kunnen verwerken
voor zover dat noodzakelijk is voor het verstrekken van diensten of interventies uit
de vier sociaal domein wetten en de WI 2021 (art. 5.4.4, eerste lid, onder a). Het
college is daarnaast ook bevoegd de noodzakelijke gegevens te verstrekken aan de coördinator,
voor zover hij die gegevens nodig heeft voor het uitoefenen van zijn coördinatietaak
(art. 5.4.4, derde lid) en aan de burgemeester voor de uitoefening door de burgemeester
van de genoemde taken (art. 5.4.4, eerste lid, onder b). Hierbuiten is verdere verwerking
niet toegestaan.
Indien gegevens worden verstrekt tijdens een casusoverleg gelden specifieke regels.
Deelnemers aan het casusoverleg mogen slechts persoonsgegevens uit dit overleg verder
verwerken indien deze gegevens noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de eigen
taken van deze partij in het kader van de gecoördineerde aanpak die voorkomt uit of
onderwerp was van het casusoverleg. Daarbij geldt dat partijen aan het eind van het
casusoverleg afspraken maken wie welke gegevens verwerkt en met welk doel en dat de
partij die gegevens heeft ingebracht moet instemmen met deze eventuele verdere verwerking,
om zo zicht te houden op wat er met de gegevens gebeurt (art. 5.4.3, derde lid). De
coördinator legt uitsluitend de afspraken vast die in het casusoverleg worden gemaakt
(wie doet wat en een beknopte toelichting). Deze afspraken worden niet automatisch
verspreid onder de partijen die aan het casusoverleg hebben deelgenomen (artikel 5.4.3,
vierde lid).
De mogelijkheid tot het stellen van nadere voorwaarden als gegevens worden verstrekt,
is in het wetsvoorstel opgenomen naar aanleiding van de consultatiereactie van het
OM en 3RO. Hierbij is met name gedacht aan de situatie dat de te verstrekken gegevens
noodzakelijk zijn voor bijvoorbeeld het onderzoek naar meervoudige problematiek, maar
dat de verstrekkende partij als voorwaarde stelt dat hij moet instemmen met eventuele
verdere verwerking om zo zicht te houden op wat er met de gegevens gebeurt. Als het
om gegevens over de gezondheid gaat, kan het voor het onderzoek en de voor te stellen
gecoördineerde aanpak nodig zijn dat een zorgverlener bijvoorbeeld bevestigt dat de
cliënt rolstoelafhankelijk is vanwege een progressieve ziekte – en er dus geen verbetering
van de situatie meer zal zijn voor wat betreft zijn mobiliteit – maar dat de zorgverlener
als voorwaarde stelt dat andere partijen die betrokken zijn alleen vernemen dat de
cliënt rolstoelafhankelijk is. Op zich is dit al een situatie waarbij het vermelden
van de oorzaak van rolstoelafhankelijkheid voor andere betrokken partijen waarschijnlijk
niet relevant en dus ook niet noodzakelijk is. Het college moet al zelf bij iedere
verwerking en verdere verwerking van gegevens beargumenteren of die verwerking noodzakelijk
is, maar het kan voor het college en de verstrekkende partij behulpzaam zijn om hier
bij voorbaat bij stil te staan, door te bespreken wat voorwaarden voor verdere verwerking
zijn.
Voorwaarden gelden voor zover een verstrekkende partij die stelt. Wanneer de gegevens
in strijd met deze voorwaarden worden verwerkt kan sprake zijn van een onrechtmatige
verwerking. De betrokkene kan de verwerkingsverantwoordelijke dan uiteraard verzoeken
om de gegevensverwerking te staken en de gegevens te wissen voor zover er niet is
voldaan aan de voorwaarden. Daarnaast is het mogelijk om een schadevergoeding te verzoeken
bij de bestuursrechter (bij claims tot 25.000 euro vanwege onrechtmatige verwerking
door een bestuursorgaan) of bij de civiele rechter. Verder kan er een klacht worden
ingediend bij de functionaris gegevensbescherming of de Autoriteit Persoonsgegevens.
Daarbij geldt als algemeen uitgangspunt dat de gestelde schade moet worden onderbouwd.
Volgens overweging 146 van de AVG moet een betrokkene volledige en daadwerkelijke
vergoeding van de door hem geleden schade ontvangen en moet daarbij worden uitgegaan
van een ruim schadebegrip. Dat betekent volgens jurisprudentie van de Afdeling echter
niet dat schending van de AVG per definitie tot schade leidt. Schade moet «reëel en
zeker» zijn geleden. De betrokkene moet aannemelijk maken dat hij in zijn eer of goede
naam of anderszins in zijn persoon is aangetast en moet de door hem geleden schade
met concrete gegevens onderbouwen.
225.
Kunnen door een zorgverlener aangeleverde gegevens ook worden gebruikt voor andere
doeleinden, zoals bijvoorbeeld fraudeopsporing? Zo ja, waarom wordt het gebruik niet
beperkt tot alleen de gecoördineerde zorg?
Nee, dat mag niet. In lijn met de AVG regelt het wetsvoorstel expliciet welke verwerkingen
van persoonsgegevens wel zijn toegestaan. Hieruit volgt dat gegevensverwerking voor
andere doelen op grond van dit wetsvoorstel niet zijn toegestaan. De verwerking van
persoonsgegevens is toegestaan voor het onderzoek naar meervoudige problematiek, dat
tot doel heeft de problemen van cliënten en hun gezin te verminderen of weg te nemen
(artikel 2.3a.1, vierde lid en 2.3a.4, tweede lid). De persoonsgegevens mogen verder
worden verwerkt voor de gecoördineerde aanpak en om diensten uit het sociaal domein
te verkrijgen (artikel 2.3a.2 en 5.4.4, eerste lid). Het belang van deze wettelijke
bevoegdheid tot verdere verwerking van gegevens uit het onderzoek is dat cliënten
(en betrokken partijen) de gegevens niet opnieuw hoeven te verstrekken. Artikel 5.4.4,
eerste lid, onderdeel a, geeft ook de grondslag om gegevens verder te verwerken ten
behoeve van interventies op grond van de Jeugdwet en de Wet inburgering 2021. Het
gaat dan om een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming, het uitvoeren
van een kinderbeschermingsmaatregel of het voldoen aan de inburgeringsplicht. Bij
nota van wijziging wordt voorgesteld artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, zo aan
te passen dat duidelijk is dat verdere verwerking van gegevens uit een onderzoek naar
meervoudige problematiek door het college is toegestaan ten behoeve van het verstrekken
van diensten op grond van de sociaaldomeinwetten en de Wet inburgering 2021 en daarnaast
alleen ten behoeve van de bovengenoemde interventies die ook onderdeel kunnen zijn
van een gecoördineerde aanpak.
De gegevens mogen ook verder worden verwerkt voor enkele bevoegdheden van de burgermeester
en specifieke interventies die ingezet worden als de veiligheid van een cliënt of
personen in de omgeving in het geding zijn (artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel b).
Het gebruiken van gegevens voor fraudeopsporing is niet toegestaan op grond van het
wetsvoorstel.
226.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering op welke grondslag uit artikel 6 van
de AVG een zorgverlener met een beroepsgeheim zich kan beroepen als hij of zij zonder
toestemming van de cliënt op basis van artikel 5.4.2 (bijzondere) persoonsgegevens
aan het college van B&W verstrekt.
Voor verstrekking van gegevens over de gezondheid zonder toestemming van de cliënt
kunnen verschillende grondslagen uit artikel 6 AVG van toepassing zijn. Zo kan de
verstrekking op grond van artikel 6, eerste lid, onder b plaatsvinden, bijvoorbeeld
in het geval de zorgverlener van oordeel is dat de verstrekking nodig is in het kader
van de behandelovereenkomst. Artikel 6, eerste lid, onderdeel c, AVG geldt voor zover
toepassing wordt gegeven aan de wettelijke verplichting van artikel 5.4.2, eerste
lid. Als er sprake is van een situatie waarin de vitale belangen van de cliënt of
iemand anders moeten worden beschermd, geldt artikel 6, eerste lid, onderdeel d. Tot
slot kan de verstrekking door een zorgverlener als bedoeld in artikel 5.4.2, tweede
lid, ook plaatsvinden op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel f (gerechtvaardigd
belang)122.
227.
De leden van de GroenLinks-fractie lezen in artikel 5.4.2 dat is bepaald dat gegevens
die aan de burgemeester zijn verstrekt in het kader van de Wvggz en de Wzd kunnen
worden hergebruikt. Wat betekent dit wetsvoorstel voor de stukken die de burgemeester
in de procedure van de Wvggz en de Wzd heeft verkregen, zoals de medische verklaring
van een onafhankelijk psychiater en waarvoor de in de Wvggz en de Wzd bepalingen zijn
opgenomen met betrekking tot het gebruik daarvan? Is het hergebruik van desbetreffende
gegevens voor een gecoördineerde aanpak wel verenigbaar met het doel waarvoor de gegevens
zijn verkregen?
In artikel 5.4.2, vierde lid, is bepaald welke gegevens de burgemeester mag verstrekken
aan het college ten behoeve van een onderzoek naar meervoudige problematiek of ernstige
meervoudige problematiek. De in dat artikellid genoemde artikelen van de Wvggz betreffen
alleen artikelen die betrekking hebben op het nemen van een crisismaatregel, een bevoegdheid
van de burgemeester zelf. Voor de Wzd geldt hetzelfde, het betreft de artikelen over
opname en verblijf in crisissituaties.
Op grond van artikel 8:34 Wvggz en artikel 18c, vierde lid van de Wzd, rust op de
burgemeester een geheimhoudingsplicht tenzij enig ander wettelijk voorschrift hem
tot mededeling verplicht. Dit artikel 5.4.2, vierde lid, van het wetsvoorstel betreft
zo’n wettelijk voorschrift waarbij de burgemeester beoordeelt in hoeverre die verstrekking
noodzakelijk is voor de uitvoering van het onderzoek naar meervoudige problematiek
op grond van artikel 2.3a.1 of artikel 2.3a.4. Op grond van dit vierde lid – en de
Wams als geheel – is het dus niet toegestaan dat de burgemeester gegevens verstrekt
uit de medische verklaring van de psychiater. De burgemeester kan in het kader van
de Wams alleen iets zeggen over een te nemen of genomen crisismaatregel.
Voor een goede uitvoering van een onderzoek naar meervoudige problematiek, ernstige
meervoudige problematiek en de gecoördineerde aanpak, regelt he wetsvoorstel dat bepaalde
in artikel 5.4.1, 5.4.2 en 5.4.4. bedoelde gegevens die eerder zijn verzameld voor
een niet verenigbaar doel kunnen worden verwerkt. Op grond van artikel 6, aanhef en
vierde lid, AVG is dit slechts mogelijk ter waarborging van een van de in artikel 23,
eerste lid, AVG bedoelde doelstellingen. In dit geval gaat het om de bescherming van
de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen (onderdeel i).
228.
Het lid van de BBB-fractie heeft moeite met de uitzonderingspositie rondom het begrip
«geheimhouding». Het principe van geheimhouding voor met name medische beroepen is
van groot belang voor de relatie tussen patiënt en zorgverlener. Hieraan tornen brengt
deze vertrouwelijkheid in gevaar. Een patiënt moet alles in vertrouwen kunnen zeggen
tegen een zorgverlener. Het lid van de BBB-fractie is dan ook van mening dat alleen
met toestemming van de patiënt deze geheimhouding geschonden kan worden. Is de regering
bereid om dit artikel zodanig aan te passen dat enkel bij toestemming van de betrokkene
zelf de geheimhoudingsplicht geschonden kan worden?
Ik ben het met de BBB-fractie eens dat het vragen van toestemming is voor doorbreking
van het beroepsgeheim altijd het uitgangspunt moet zijn. Ik stel voor de formulering
van artikel 5.4.2, tweede lid, bij nota van wijziging zo aan te passen dat volstrekt
duidelijk is dat het vragen van toestemming aan de cliënt leidend is. De in artikel 5.4.2,
tweede lid, genoemde beroepsgeheimen zijn wettelijk vastgelegd om de vrije toegang
tot de gezondheidszorg en de jeugdhulp te waarborgen. Het wettelijk (medisch) beroepsgeheim
betekent dat de hulpverlener dient te zwijgen over al hetgeen hij over de patiënt
weet. Ik ben van mening dat grote terughoudendheid met betrekking tot het doorbreken
van het beroepsgeheim noodzakelijk is. Daarom is de bij nota van wijziging voorgestelde
bepaling zo ingericht dat doorbreking van het beroepsgeheim alleen mogelijk is met
toestemming van de patiënt of op grond van een wettelijke doorbrekingsgrond. Bijvoorbeeld
de verstrekkingsplicht uit artikel 7.4.0, tweede lid, van de Jeugdwet. Dit artikellid
bevat een verstrekkingsplicht aan het college voor de in artikel 7.4.0, eerste lid,
van de Jeugdwet genoemde doelen. Met name onderdeel a (de toeleiding naar, advisering
over, bepaling van of het inzetten van een voorziening op het gebied van de jeugdhulp)
kan onderdeel zijn van een onderzoek op grond van de Wams. Deze wettelijke verstrekkingsplicht
uit artikel 7.4.0, tweede lid, is ook van toepassing is wanneer de taken als genoemd
in onderdeel a onderdeel zijn van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3a.1 of 2.3a.4.
Het voorgaande betekent dat een wettelijke bepaling die énkel verstrekking op basis
van toestemming mogelijk maakt, niet past in het stelsel van geldende wettelijke verstrekkingsgronden.
Bij een onderzoek naar meervoudige problematiek of naar ernstige meervoudige problematiek
zullen noodzakelijke gegevens van een zorgverlener of jeugdhulpverlener dus ofwel
na toestemming van de cliënt kunnen worden verstrekt, ofwel op basis van een wettelijke
verstrekkingsplicht of recht tot verstrekking. Als de cliënt een vertegenwoordiger
heeft, kan aan de vertegenwoordiger toestemming worden gevraagd. Als toestemming wordt
gegeven, is het nog steeds de afweging van de professional of het in het belang van
de cliënt is om gegevens te verstrekken én welke gegevens dan noodzakelijk zijn voor
het onderzoek door het college.
229.
Tenslotte doet de vraag zich voor welke afweging een hulpverlener kan maken die niet
onder een wettelijke geheimhoudingsplicht valt. Het is immers best mogelijk dat er
redenen zijn waarom men bepaalde informatie niet wil delen, zelfs in het belang van
de patiënt. Welke mogelijkheden zijn daarvoor?
Voor professionals die werken op basis van een beroepscode geldt dat bij een verzoek
van het college om gegevens te verstrekken op grond van artikel 5.4.2, eerste lid,
beoordeeld moet worden of en in hoeverre de gevraagde gegevens noodzakelijk zijn voor
het onderzoek. Die afweging moet de professional altijd zelf maken. Veel professionals
werken met richtlijnen of beroepscodes die ondersteuning geven bij de omgang met dit
soort vraagstukken, zoals bijvoorbeeld een collegiale toetsing. In artikel 5.4.2,
eerste lid, is ook vastgelegd dat een de partij die verstrekt op grond van artikel 5.4.1,
eerste lid, van het college een informatieverzoek heeft gekregen de afweging kan maken
of er geen zwaarwegende belangen aan verstrekking in de weg staan. Ten slotte is het
zo dat het vaak voldoende zal zijn om de informatie te verstrekken dat de cliënt bij
een bepaalde hulpverlener komt, zonder dat iets bekend wordt gemaakt over de inhoudelijke
reden dat de cliënt deze hulpverlener bezoekt. Deze zogenaamde «dat» informatie kan
relevant zijn voor het onderzoek naar meervoudige problematiek, terwijl meer inhoudelijk
informatie uit het dossier, (zogenaamde «wat» informatie) vaak niet of in slechts
zeer beperkte mate noodzakelijk is.
230.
In artikel 5.4.2. lid 2 sub a gaat het over de plicht op goede hulp of zorg. Het lid
van de BBB-fractie constateert dat de Afdeling hier eerder over heeft gezegd dat de
norm van goed hulpverlenerschap onvoldoende begrenzing kent. Het lid van de BBB-fractie
acht dit wel noodzakelijk. Kan de regering dit toelichten?
De Afdeling advisering van de Raad van State oordeelde in zijn advies dat enkel het
criterium van goed hulpverlenerschap om te beoordelen of het beroepsgeheim zou kunnen
worden doorbroken, aan hulpverleners onvoldoende houvast geeft, en dat in plaats daarvan
doelcriteria opgenomen zouden moeten worden. Op basis van dat advies zijn in artikel 5.4.2,
tweede lid, doelcriteria opgenomen waarbij het goed hulpverlenerschap enkel als ijkpunt
wordt genoemd.
Deze formulering van artikel 5.4.2, tweede lid, heeft tot diverse vragen van verschillende
fracties heeft geleid. Nadere gesprekken met veldpartijen hebben daarnaast niet geleid
tot het formuleren van criteria die in de praktijk wel bruikbaar zouden zijn. Alles
overziend, stel ik bij nota van wijziging een nieuw artikel 5.4.2, tweede lid, voor
waarin de regels rond het verstrekken van informatie bij wettelijk geregelde beroepsgeheimen,
onveranderd blijven.
231.
Het lid van de BBB-fractie vraagt de regering verder of aan artikel 5.4.2 een bepaling
toegevoegd kan worden die waarborgt dat gegevens bij de gemeente alleen verwerkt mogen
worden door of onder verantwoordelijkheid van iemand met een eigen beroepsgeheim.
Voorts is het lid van de BBB-fractie ook van mening dat degene die de gegevens bij
de gemeente ontvangt in staat moet zijn om deze juist te beoordelen. Kan de regering
toelichten hoe dit geregeld is?
Om in een onderzoek naar meervoudige problematiek een goed beeld te krijgen van de
problemen die spelen en de samenhang daartussen alsmede om op basis daarvan een goed
voorstel voor een gecoördineerde aanpak te kunnen doen, is het niet werkbaar als alleen
iemand met medische kennis die gegevens kan verwerken. De Wams geeft grondslagen voor
de verwerking van gegevens, in elke fase slechts voor zover die verwerking noodzakelijk
is. Het college dat om gegevens verzoekt, zal die noodzakelijkheid moeten onderbouwen
en de verstrekkende zorgverlener zal zelf ook moeten beoordelen of de gevraagde gegevens
noodzakelijk zijn. Dit geldt altijd, ook indien de cliënt toestemming geeft om gegevens
te verstrekken. Het gaat zodoende om beperkte gegevens en nooit om een heel medisch
dossier. Hierbij moet bedacht worden dat bijvoorbeeld het gegeven dat een cliënt slecht
ter been is al een medisch gegeven is dat zeer relevant kan zijn voor de aanpak van
de meervoudige problematiek van deze cliënt, zonder dat verder iets bekend is over
de medische oorzaak hiervan. Het onderzoek naar en de aanpak van meervoudige problematiek
zou in veel gevallen niet mogelijk zijn als alleen iemand die medisch onderlegd is
kennis zou mogen nemen van gegevens over de gezondheid. Belangrijk is dat in de Wams
de gegevensverwerking is beperkt tot die gegevens die in een concrete casus noodzakelijk
zijn gelet op het doel van de verwerking. Medische gegevens uitvragen terwijl die
niet relevant zijn, is niet toegestaan. De zorgverlener die gegevens verstrekt, zal
eveneens de noodzaak van verstrekking moeten vaststellen en zo nodig de betekenis
daarvan moeten duiden. Professionals maken – gesteund door richtlijnen en werkinstructies
– zelf de afweging of en in hoeverre informatieverstrekking noodzakelijk kan worden
geacht. Doorgaans zullen medische gegevens die alleen een verpleegkundige of een arts
kan interpreteren, zoals onderzoeksuitslagen, medicatieoverzichten, niet relevant
zijn voor het onderzoek naar meervoudige problematiek en ook niet voor een gecoördineerde
aanpak.
Overigens geldt voor een ieder die is betrokken bij de uitvoering van de taak van
een bestuursorgaan (zoals de uitvoering van een onderzoek op grond van artikel 2.3a.1
of 2.3a.4) en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke
karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden een verplichting tot geheimhouding
van die gegevens. Deze verplichting geldt behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift
hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit
(artikel 2:5 Awb). De verplichting geldt ook voor de coördinator. Ook de persoon die
deze rol uitvoert is immers betrokken bij de uitvoering van een taak van een bestuursorgaan:
namelijk het zorgdragen voor een gecoördineerde aanpak.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
N.J.F. Pouw-Verweij
II. Bijlage
Lijst partijen die kunnen worden betrokken bij een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3a.1,
vierde lid, dan wel artikel 2.3a.4, tweede lid, of bij een gecoördineerde aanpak als
bedoeld in artikel 2.3a.3 van de Wet aanpak meervoudige problematiek in het sociaal
domein op grond van hun in deze bijlage genoemde taken en bevoegdheden.
Partijen
De uitvoering van de taken of bevoegdheden
De burgemeester
Op het terrein van de handhaving van de openbare orde op grond van de artikelen 151d,
172, 172a, 172b, 174a en 176a van de Gemeentewet, artikel 13b van de Opiumwet of een
gemeentelijke verordening, bij of krachtens de uitvoering van de Wet tijdelijk huisverbod,
artikelen 7:1, 7:2, 8:16, vierde lid, 8:18, tiende lid, 8:19, negende lid, van de
Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de artikelen 29 tot en met 31 van de
Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten
Het college van burgemeester en wethouders
Op grond van artikel 2.2.5, van de wet, de artikelen 5:1, 5:2, eerste en tweede lid,
van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, de artikelen 2 tot en met 4 van
de Wet sociale werkvoorziening, hoofdstuk 5 van de Wet inburgering 2021, artikel 16
van de Leerplichtwet 1969, artikel 8.22 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 147
van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.3.2. van de Wet educatie en beroepsonderwijs
De gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD) genoemd in artikel 14, eerste en tweede lid,
van de Wet publieke gezondheid of een ander dan de GGD, als bedoeld in artikel 14,
vierde lid, van de Wet publieke gezondheid
Op grond van de artikelen 2, tweede lid, onder h en i, 5, tweede lid, onder c en d,
5a, 14, eerste en tweede lid, van de Wet publieke gezondheid, en de artikelen 3 tot
en met 7 van het Besluit publieke gezondheid.
Een beroepsbeoefenaar die in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen
in de individuele gezondheidszorg, staat ingeschreven
Op het terrein van de individuele gezondheidszorg die op grond van hoofdstuk III van
de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg wordt gerekend tot diens gebied
van deskundigheid
Een zorgverantwoordelijke als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel aa, van
de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
Op grond van de artikelen 5:13, derde lid, onderdeel c, en 5:14, eerste lid, onderdeel
h, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
Een geneesheer-directeur als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel i, van
de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
Op grond van de artikelen 5:17, vierde lid, onderdeel g, 8:17, achtste lid, en 8:18,
derde en elfde lid, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
Een zorgverantwoordelijke als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de
Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten
Op grond van de artikelen 5, tweede lid, 10, tweede lid, en 11a van de Wet zorg en
dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten
Een Wzd-functionaris als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van de Wet
zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten
Op grond van de artikelen 11a, tweede, derde en vijfde lid, 47, derde lid, en 48,
zesde lid, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte
cliënten
Een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen
zorg
Op het terrein van kraamzorg, als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit zorgverzekering
Een aanbieder als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning
2015
Het leveren van een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening als bedoeld in
artikel 1.1.1 van de wet
Een jeugdhulpaanbieder als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet
Het verlenen van jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet
Een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet
Op grond van de artikelen 3.2, eerste lid, en 3.5, eerste lid, van de Jeugdwet
Een aanbieder van preventie als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet
Op grond van artikel 1.1 van de Jeugdwet voor zover die aanbieder dit doet ter uitvoering
van het gemeentelijk beleid als bedoeld in artikel 2.1 van de Jeugdwet
Een Veilig Thuis-organisatie als bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, van de Wet
maatschappelijke ondersteuning 2015
Op grond van artikel 4.1.1 van de wet
Een zorgverzekeraar als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet
Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
Een zorgkantoor als bedoeld in artikel 4.2.4, tweede lid, van de Wet langdurige zorg
Op grond van de artikelen 4.2.1 en 4.2.2 van de Wet langdurige zorg
Het CIZ genoemd in artikel 7.1.1 van de Wet langdurige zorg
Op grond van artikel 7.1.2 van de Wet langdurige zorg
Het CAK genoemd in artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg
Op grond van artikel 6.1.2, onderdelen a, b, e en h, van de Wet langdurige zorg
Een andere instantie als bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, Wmo 2015
Op grond van artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet
De SVB genoemd in artikel 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Op grond van artikel 2.6.2, eerste lid, van de wet, artikel 3.3.3, zevende lid, van
de Wet langdurige zorg, artikel 8.1.8, eerste lid, van de Jeugdwet, artikel 6a.2,
eerste lid, van de Regeling zorgverzekering, artikel 34, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, artikel 47a van de Participatiewet
en taken en bevoegdheden op grond van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering
AOW
Het UWV genoemd in artikel 2 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Op grond van artikel 3a.1.1 van de wet, artikel 11 van de Wet sociale werkvoorziening
en hoofdstuk 5, paragraaf 5.1, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen
Toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Woningwet
Op grond van artikel 45 van de Woningwet
Het COA genoemd in artikel 2 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers
Op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de Wet Centraal Orgaan opvang
asielzoekers
Het Openbaar Ministerie
Op grond van artikel 124 van de Wet op de rechterlijke organisatie, de artikelen 5:3,
5:16, 5:17, eerste lid, 5:18, 5:19, 7:7, eerste lid, 8:1, eerste en derde lid, 8:17,
zevende lid, 8:18 derde en tiende lid, 8:19, derde lid, aanhef, van de Wet verplichte
geestelijke gezondheidszorg, de artikelen 28a, derde lid, aanhef, 28b, eerste lid,
van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten
en artikel 2.3 van de Wet forensische zorg
De politie
Op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012, de artikelen 5:3, 7:3, 8:1, vijfde
lid, 8:2, 8:10 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, de artikelen 28b,
tweede lid, en 33, derde tot en met zesde lid, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische
en verstandelijk gehandicapte cliënten
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)
Op grond van artikel 2 van de Penitentiaire Beginselenwet, artikel 2 van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen, artikel 2 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking
gestelden, artikel 2.2, tweede lid, jo. artikel 1.1 van de Wet forensische zorg en
artikel 2:7 van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen
Een erkende reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Reclasseringsregeling
1995
Op grond van hoofdstuk 3 van de Reclasseringsregeling 1995 en artikel 2:7 van het
Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen
De Raad voor de Kinderbescherming genoemd in artikel 238 van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek
Op grond van artikel 3.1, eerste en tweede lid, van de Jeugdwet, artikel 1:255 van
het Burgerlijk Wetboek, artikel 2:7 van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke
beslissingen en de artikelen 5, eerste lid, 6, 10 en 25 van de Wet opneming buitenlandse
kinderen ter adoptie
Halt genoemd in artikel 1 van de Regeling Halt 2022
Op grond van artikel 77e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht
Slachtofferhulp Nederland
Op grond van artikel 51aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering
Het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1.1
van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of
artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs
De verantwoordelijkheid voor het onderwijs op grond van de Wet op het primair onderwijs,
de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet op de expertisecentra of de Wet educatie
en beroepsonderwijs
Een samenwerkingsverband als bedoeld in de artikelen 1 en 18a, tweede lid, van de
Wet op het primair onderwijs, de artikelen 1.1 en 2.47, tweede lid, van de Wet voortgezet
onderwijs 2020 of artikel 1 van de Wet op de expertisecentra
Op grond van artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 2.47 van de
Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 28a van de Wet op de expertisecentra
Ondertekenaars
N.J.F. Pouw-Verweij, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.