Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over laatste sets kerndoelen m.b.t. de leergebieden mens en maatschappij, mens en natuur, moderne vreemde talen, kunst en cultuur en bewegen en sport, door het landelijk expertisecentrum voor het curriculum (SLO) (Kamerstuk 31293-847)
31 293 Primair Onderwijs
31 289
Voortgezet Onderwijs
Nr. 867
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 3 februari 2026
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en
opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
over de brief van 21 november 2025 over laatste sets kerndoelen m.b.t. de leergebieden
mens en maatschappij, mens en natuur, moderne vreemde talen, kunst en cultuur en bewegen
en sport, door het landelijk expertisecentrum voor het curriculum (SLO) (Kamerstuk
31 293, nr. 847).
De vragen en opmerkingen zijn op 17 december 2025 aan de Staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 3 februari 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Bromet
Adjunct-griffier van de commissie, Easton
Inhoud
I
Vragen en opmerkingen uit de fracties
2
Inbreng van de leden van de D66-fractie
2
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
2
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
2
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
3
Inbreng van de leden van de JA21-fractie
3
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
6
Inbreng van de leden van de DENK-fractie
7
Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie
7
II
Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
7
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de laatste set
kerndoelen. Deze leden steunen deze herziening en vragen het kabinet zoveel mogelijk
snelheid te maken. Zij hebben geen inhoudelijke vragen.
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de laatste
sets kerndoelen m.b.t. de leergebieden mens en maatschappij, mens en natuur, moderne
vreemde talen, kunst en cultuur en bewegen en sport, door het landelijk expertisecentrum
voor het curriculum (SLO) en hebben geen verdere vragen.
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
laatste sets kerndoelen m.b.t. de leergebieden mens en maatschappij, mens en natuur,
moderne vreemde talen, kunst en cultuur en bewegen en sport, door het landelijk expertisecentrum
voor het curriculum (SLO) en de begeleidende brief. Deze leden zijn blij dat er, na
een jarenlang traject dat niet altijd even voorspoedig verliep, nu een geactualiseerd
curriculum ligt. Tevens zijn zij positief over het aannemen van de Wet herziening
wettelijke grondslagen kerndoelen, dat met enkele amendementen in hun ogen positief
is verbeterd. Deze leden hebben nog enkele vragen over de daadwerkelijk implementatie
van de kerndoelen.
In eerdere Kamerbrief is de Staatssecretaris uitgebreid ingegaan op de implementatiefase
van het nieuwe curriculum.1 Hij beschreef dat de implementatieaanpak is opgebouwd rond vijf pijlers, te weten:
curriculumbewustzijn en professionalisering, leermiddelen, toetsen, communicatie en
monitoring. Wat betreft de pijler curriculumbewustzijn en professionalisering baart
het de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog steeds zorgen dat de implementatie
van het nieuwe curriculum door onderwijsprofessionals moet gebeuren in de standaard
16 uur per jaar professionaliseringstijd die zij hebben. Deze leden vragen zich af
of dit wel genoeg tijd is voor de implementatie van het nieuwe curriculum. Heeft de
Staatssecretaris overwogen om onderwijsprofessionals méér tijd te geven om zich het
nieuwe curriculum eigen te maken? Deze leden vrezen dat de schaarse professionaliseringstijd
de komende jaren dan vooral wordt gebruikt voor het doorvoeren van het nieuwe curriculum,
maar dat professionalisering op andere belangrijke terreinen stil komt te liggen.
Kan de Staatssecretaris deze zorgen wegnemen door bijvoorbeeld te overwegen meer tijd
en middelen vrij te maken voor de implementatie van het curriculum?
De Staatssecretaris schrijft verder in zijn brief over het nieuwe systeem van periodiek
onderhoud van het curriculum. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen dat het
belangrijk is dat de volgende wijziging van het curriculum meer regulier en voorspelbaar
plaatsvindt en niet weer twintig jaar op zich laat wachten. Dat dit niet expliciet
is opgenomen in de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen baarde deze leden
zorgen, maar dit is gelukkig nog via amendementen toegevoegd.2 Deze leden vragen zich af of de Staatssecretaris inzicht kan geven in hoe hij uitvoering
gaat geven aan deze amendementen en hoe dit een plek krijgt in de onderhoudskalender
die SLO op dit moment aan het ontwikkelen is.
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief met de laatste sets
nieuwe kerndoelen en danken de Staatssecretaris hiervoor. Deze leden steunen een spoedige
implementatie van de nieuwe kerndoelen die tot stand zijn gekomen na intensief overleg
met het onderwijsveld. Deze leden steunen het voorstel om de besluiten over de nieuwe
kerndoelen onderhavig te maken aan een voorhangprocedure, zodat de parlementaire betrokkenheid
goed gewaarborgd is.
De leden van de CDA-fractie hebben nog een enkele vraag over het vervolg. Deze leden
vragen wanneer de Staatssecretaris naar verwachting de concept-besluiten met de Kamer
zal delen. Zij vragen ook wanneer het plan voor de implementatie met de Kamer wordt
gedeeld, omdat het belangrijk is dat leraren, leerlingen en schoolleiders goed worden
ondersteund hierbij. Deze leden vragen tot slot wanneer de functionele kerndoelen
voor de leergebieden mens en maatschappij, mens en natuur, moderne vreemde talen,
kunst en cultuur en bewegen en sport zullen volgen voor de leerlingen in het gespecialiseerd
onderwijs.
Inbreng van leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de laatste sets kerndoelen en
hebben nog een aantal opmerkingen en zorgen.
De Staatssecretaris geeft aan dat hiermee is voldaan aan de motie Soepboer om het
aantal kerndoelen te beperken.3 Vindt hij dat dit nu afdoende is gebeurd, ook om het gevreesde overladenheidsgevoel
te mitigeren? Wat is, nu de laatste sets kerndoelen beschikbaar zijn, het resultaat
als de vorige kerndoelen met de huidige worden vergeleken?
Vraag 7 van de feitelijke vragen over de brief van 6 maart 2024 inzake de conceptkerndoelen
burgerschap en digitale geletterdheid luidt «welke delen van het bestaande lesprogramma
worden verarmd als gevolg van de nieuwe kerndoelen?»4 Het antwoord is dat dit nu niet goed te zeggen is omdat nog niet alle kerndoelen
zijn opgeleverd waardoor oud en nieuw nog niet te vergelijken zijn. Hoe zit dat nu?
Welke delen van het bestaande lesprogramma worden verarmd of beperkt als gevolg van
de nieuwe kerndoelen? Welke delen van het bestaande lesprogramma worden verzwaard
als gevolg van de nieuwe kerndoelen?
Hoeveel tijd zijn scholen en kinderen nu kwijt aan het leren van deze kerndoelen en
hoeveel vrije ruimte is er dan nog over per kerndoel, en in hoeverre verschilt dat
per school?
Hoe verhoudt de systematiek van deze kerndoelen, de formulering, de mate van precisie
en de inhoudelijke omvang van deze kerndoelen zich tot de wettelijk verplichte leerstof
voor dezelfde leeftijden in België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk? Welke analyses
bestaan daarvan?
Welke onderwijskundige overtuigingen of filosofieën liggen ten grondslag aan deze
kerndoelen? De leden van de JA21-fractie krijgen de indruk dat SLO, de stichting die
belast is met het opstellen van de kerndoelen, sterk wordt beïnvloed door vormen van
sociaal-constructivisme waarbij bijvoorbeeld minder de lesstof en meer de ervaringen
van de leerling centraal staan, waarbij leren een coöperatief proces is en kennis
voortdurend zou veranderen. Hoe ziet de Staatssecretaris dat?
In de inleiding van het definitief concept Functionele kerndoelen burgerschap staat
bijvoorbeeld dat «leerlingen kennis nodig hebben om de betekenis van de basiswaarden
van de democratische rechtsstaat in hun directe leefomgeving toe te passen. Over het
algemeen geldt dat deze leerlingen het beste leren als kennis wordt verbonden met
alledaagse situaties en ermee geoefend wordt in realistische contexten en praktijkvakken.»5 De leden van de JA21-fractie vrezen dat met deze aanpak reguliere en toetsbare kennis
over besluitvorming, grondrechten en de oorsprong van onze democratie in de knel komen.
Dan een aantal vragen en opmerkingen over de kerndoelen kunst en cultuur.6 Pagina 10 stelt: «met kunst geven mensen vorm en betekenis aan hun eigen ervaring
en aan die van anderen.» Steeds wordt benadrukt dat leerlingen met kunst leren om
betekenis te «geven» aan onderwerpen, «thema’s en de wereld om ons heen.» Er zijn
ook andere manieren om kunst en cultuur te begrijpen: als een diepere vorm van kennis
over de condition humaine, een licht vanuit een hogere wereld die het dagelijkse leven laadt met een bijzondere,
morele betekenis; en dus niet zozeer als iets waarmee een individu een eigen betekenis
«geeft», maar waar het juist gaat om het «herkennen» ervan. In hoeverre bieden deze
kerndoelen ruimte voor een meer klassieke benadering van de betekenis van kunst? Waarom
komt het woord «schoonheid» niet voor in deze kerndoelen?
De kerndoelen leggen veel nadruk op wat kinderen individueel moeten ervaren en waarbij
ze vervolgens moeten reflecteren op ervaringen en het «eigen artistiek vermogen onderzoeken».
Wat als een school kinderen vooral wil leren tekenen of schilderen, of muziek maken?
Niet zozeer om hun unieke eigen ervaringen uit te drukken, maar om te leren over de
objectieve wereld om hen heen?
Op pagina 29 van de toelichting wordt verwezen naar de Code Diversiteit en Inclusie
en de gedragscode die gericht is op diversiteit. Volgens de leden van de JA21-fractie
is deze code sterk ideologisch gekleurd op grond van nog altijd omstreden theorieën,
zoals intersectionalisme. Waarom wordt naar deze code verwezen en op welke manier
is deze weerspiegeld in de kerndoelen? Als scholen daarmee willen werken en die uitgangspunten
hanteren is dat één ding, maar in hoeverre worden scholen die hun visie op kunst berusten
op andere overtuigingen hiermee gedwongen deze visie toe te passen?
Zo staat in de toelichting tevens dat «de huidige onderwijspraktijk in de kunstvakken
gaat over het algemeen uit van een westers perspectief op kunst. De nieuwe kerndoelen
moeten «meerstemmigheid» mogelijk maken en borgen dat het aanbod breder, meer divers
en inclusiever wordt (Ros, 2021, 2023). Het mondiale perspectief maakt het toekomstig
onderwijs relevanter en rijker (Hermanussen, 2022).» Ook hierbij zetten de leden van
de JA21-fractie grote vraagtekens. Wat mist er dan precies in de huidige kerndoelen
dat nu gaat veranderen? Vindt de Staatssecretaris dat de huidige onderwijspraktijk
minder moet uitgaan van een Westers perspectief? Waarom? Is de Staatssecretaris van
mening dat Nederland zich in «het Westen» bevindt, en dat het dus logisch is dat kunstonderwijs
hier uitgaat van een westers perspectief, en niet van zeg, een Zuid-Aziatisch perspectief?
Wat als scholen willen uitgaan bij hun kunstonderwijs van een Westers perspectief?
In hoeverre zou dat dan in strijd zijn met deze kerndoelen zoals hier geformuleerd?
De gedachte lijkt te zijn dat het hanteren van een Westers perspectief geen recht
zou doen aan de «diversiteit» van de samenleving, omdat er veel mensen wonen met een
migratieachtergrond uit niet-Westerse landen. Volgens de leden van de JA21-fractie
wonen deze mensen nu echter in het Westen en maken onderdeel uit van het Westen, en
is het juist zaak dat alle kinderen kennismaken met die Westerse beschavingstraditie.
Hoe ziet de Staatssecretaris dit?
«Het mondiale perspectief maakt het toekomstig onderwijs relevanter en rijker», staat
op pagina 29 van de toelichting. Deelt de Staatssecretaris die opvatting? Dreigt hier
niet opnieuw een «gevoel van overladenheid» bij leraren als zij de taak krijgen kunst
en cultuur uit alle windstreken aan bod te laten komen?
Dan een aantal vragen en opmerkingen over de kerndoelen moderne vreemde talen.7 Wat zijn de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de vorige kerndoelen moderne
vreemde talen?
In kerndoel 36 staat: «de leerling ontwikkelt zich als taal- en cultuurbewuste gebruiker
van de Engelse taal». Waarom moet dit onderdeel zijn van de kerndoelen? Is het niet
beter om je bij de kerndoelen te beperken tot het daadwerkelijk leren van die taal?
Bij onderdeel B van kerndoel 36 staat: «de leerling verkent culturele aspecten en
culturele diversiteit in fictie en non-fictie». Waarom wordt dat hier zo gesteld?
Waarom wordt diversiteit ook hier benadrukt, in plaats het kerndoel te beperken tot
taalbeheersing, waarbij dergelijke aspecten als het ware in het kielzog daarvan meekomen,
afhankelijk van wat wordt gelezen? Dit is toch geen kerndoel antropologie? Vindt de
Staatssecretaris het tot de kerndoelen behoren bij vreemde talen, dat leerlingen stereotyperingen
leren herkennen?
Dan een aantal vragen en opmerkingen over de kerndoelen burgerschap.8 In welke mate worden de kerndoelen van het burgerschapsonderwijs eenzijdig gericht
op toetsbaarheid van burgerschapskennis? In welke mate zal het gaan om niet-toetsbare
elementen, de zogenoemde «attitudes» enerzijds en anderzijds de toetsbare kennis?
Welke plaats heeft kennis over de Grondwet – dus niet het algemene belang van de Grondwet
– gekregen in deze kerndoelen? Welke artikelen komen aan bod?
Dan een aantal vragen en opmerkingen over de kerndoelen mens en maatschappij.9 De kerndoelen 24 tot 27 zijn allemaal gericht op wat leerlingen moeten onderzoeken
en verkennen, van «vraagstukken over mens en samenleving, tot geografische verschijnselen,
en historische verschijnselen». Is het niet belangrijk dat kerndoelen gericht zijn
op wat kinderen concreter moeten leren en weten?
Als voorbeeld van de overladenheid die de oude kerndoelen zouden oproepen werd wel
verwezen naar het oude kerndoel waarin stond dat kinderen leren over de tijd van wereldoorlogen
en waarbij wordt toegevoegd «de wereldoorlogen en de holocaust», omdat dit te weinig
richting zou geven en leraren dan niet weten of ze twintig of honderd aspecten moeten
belichten. Maar in de nieuwe kerndoelen staat de Tweede Wereldoorlog niet in de doelzinnen,
maar alleen in de kolom «het gaat hierbij om», als uitwerking van de doelzinnen «de
leerling beschrijft historische ontwikkelingen» en «de leerling legt verbanden tussen
historische ontwikkelingen en gebeurtenissen in het heden en verkent betekenissen
die mensen geven aan het verleden». Betekent dit dat leren over de Tweede Wereldoorlog
strikt genomen niet tot de kerndoelen behoort en scholen er ook voor kunnen kiezen
om hier geen les over te geven?
Dan een aantal vragen en opmerkingen over de kerndoelen digitale geletterdheid.10 De leden van de JA21-fractie steunen de keuze om voor de functionele kerndoelen programmeren
niet op te nemen, maar deze leden lijkt het niet verstandig om programmeren wel op
te nemen in de definitieve kerndoelen voor het primair onderwijs en de onderbouw van
het voortgezet onderwijs, zeker met de opkomst van kunstmatige intelligentie die het
schrijven van code overneemt. Het zou scholen uiteraard vrij moeten staan om dit te
onderwijzen als zij daar behoefte aan hebben, maar, zeker gezien het belang om overladenheid
te voorkomen en te kunnen focussen op de basisvaardigheden, lijkt het niet nodig om
programmeren op deze manier op te nemen. Waarom denkt de Staatssecretaris dat dit
moet worden opgenomen als verplicht kerndoel? Hoeveel scholen beschikken over docenten
met de expertise om leerlingen te leren programmeren?
Inbreng van leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stukken over de laatste sets
kerndoelen m.b.t. de leergebieden mens en maatschappij, mens en natuur, moderne vreemde
talen, kunst en cultuur en bewegen en sport, door het landelijk expertisecentrum voor
het curriculum (SLO). Deze leden hebben de volgende vraag aan de Staatssecretaris.
De leden van de BBB-fractie zijn blij dat het amendement van het lid Ceder, Boomsma
en Van der Plas over voorhang van de algemene maatregelen van bestuur waarmee kerndoelen
worden vastgesteld is aangenomen.11 Hoe gaat de Staatssecretaris invulling geven aan dit amendement? Welke stukken worden
bij de voorhangprocedure aan de Kamer overgelegd, hoe wordt de vierwekentermijn bewaakt
en geldt deze procedure ook bij toekomstige wijzigingen in het kader van periodiek
onderhoud?
Inbreng van de leden van de DENK-fractie
De leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de herziening van de kerndoelen
en hebben daarbij enkele vragen. Deze leden zien in de voorstellen aanknopingspunten
voor een samenhangende benadering van planetaire gezondheid, welzijn en welvaart,
maar herkennen dit nog onvoldoende als expliciet duidend en verbindend kader. Kan
de Staatssecretaris toelichten op welke wijze, binnen de bestaande structuur, de samenhang
in de doelen en uitwerkingen duidelijker gemaakt kan worden?
Daarnaast vragen de leden van de DENK-fractie waarom bij enkele vo-kerndoelen niet
explicieter is gekozen voor hogere-orde leerdoelen die leerlingen helpen om de impact
van menselijk handelen op natuur, klimaat en welvaart te analyseren en om na te denken
over mogelijke oplossingsrichtingen. Kan de Staatssecretaris aangeven waarom hiervoor
niet nadrukkelijker is gekozen en hoe dit binnen de huidige kerndoelenstructuur toch
voldoende kan worden geborgd?
Tot slot vragen de leden van de DENK-fractie hoe de Staatssecretaris deze keuzes beoordeelt
in het licht van de wettelijke burgerschapsopdracht. Acht hij de voorgestelde kerndoelen
toereikend om leerlingen voldoende houvast te geven bij het duiden en wegen van actuele
vraagstukken rond klimaat, natuur, welvaart en mondiale ongelijkheid? Zo ja, op welke
wijze wordt dit in de verdere uitwerking gewaarborgd?
Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de laatste sets kerndoelen.
Deze leden hebben nog een enkele vraag over het proces bij de totstandkoming van de
kerndoelen.
De leden van de ChristenUnie-fractie herinneren zich dat de Staatssecretaris in het
debat over de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen heeft gezegd dat de
keuzes bij de ontwikkeling van kerndoelen zijn afgestemd met een brede advieskring,
inclusief de vakverenigingen. Deze leden merken op dat kritiek uit het veld rondom
het ontbreken van aandacht voor duurzaamheid in de kerndoelen zich er juist op richt
dat de kerndoelen niet recht doen aan de adviezen, waarbij wordt gesteld dat ná afstemming
nog allerlei wijzigingen zijn aangebracht. De Staatssecretaris is deze kritiek ongetwijfeld
ook ter ore gekomen. Kan de Staatssecretaris reflecteren op deze kritiek en uiteenzetten
op welke manier er, specifiek als het gaat over de aandacht voor duurzaamheid, recht
is gedaan aan de adviezen uit het onderwijsveld?
II Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Mijn dank gaat naar de leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
voor hun inbreng in de gestelde vragen. Hieronder ga ik in op de vragen van leden
van de GroenLinks-PvdA-fractie, CDA-fractie, JA21-fractie, BBB-fractie, DENK-fractie
en de ChristenUnie-fractie.
GroenLinks-PvdA-fractie
In eerdere Kamerbrief is de Staatssecretaris uitgebreid ingegaan op de implementatiefase
van het nieuwe curriculum.12 Hij beschreef dat de implementatieaanpak is opgebouwd rond vijf pijlers, te weten:
curriculumbewustzijn en professionalisering, leermiddelen, toetsen, communicatie en
monitoring. Wat betreft de pijler curriculumbewustzijn en professionalisering baart
het de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog steeds zorgen dat de implementatie
van het nieuwe curriculum door onderwijsprofessionals moet gebeuren in de standaard
16 uur per jaar professionaliseringstijd die zij hebben. Deze leden vragen zich af
of dit wel genoeg tijd is voor de implementatie van het nieuwe curriculum. Heeft de
Staatssecretaris overwogen om onderwijsprofessionals méér tijd te geven om zich het
nieuwe curriculum eigen te maken? Deze leden vrezen dat de schaarse professionaliseringstijd
de komende jaren dan vooral wordt gebruikt voor het doorvoeren van het nieuwe curriculum,
maar dat professionalisering op andere belangrijke terreinen stil komt te liggen.
Kan de Staatssecretaris deze zorgen wegnemen door bijvoorbeeld te overwegen meer tijd
en middelen vrij te maken voor de implementatie van het curriculum?
Ik (h)erken het belang dat leraren voldoende beschikbare professionaliseringstijd
hebben voor zowel de implementatie van het nieuwe curriculum als op andere terreinen.
Daarbij onderschat ik niet dat er in het kader van de curriculumimplementatie veel
van scholen en onderwijsprofessionals wordt gevraagd. Om die reden is er bewust voor
gekozen om scholen en onderwijsprofessionals voldoende tijd te geven voor de invoering
van de herziene kerndoelen op school. Vanaf 1 augustus 2031 wordt van alle scholen
verwacht dat met de herziene kerndoelen wordt gewerkt. Daarbij roepen we scholen op
om zo snel mogelijk te starten met deze invoering en al vanaf dit jaar na te denken
over wat ervoor nodig is om met deze herziene kerndoelen te werken. Dit biedt tijd
voor zowel scholen als onderwijsprofessionals om zich hiervoor te professionaliseren
naast de gewenste professionalisering op andere terreinen.
Daarnaast is in de cao voor het voortgezet onderwijs de afspraak gemaakt dat leraren
jaarlijks recht hebben op 16 uur voor professionalisering gericht op het curriculum
en basisvaardigheden. Deze uren komen boven op de al bestaande professionaliseringsuren
voor onderwijsprofessionals. In het primair onderwijs is er een teambudget voor scholing,
waarover binnen de schoolteams en in afstemming met schoolbesturen afspraken gemaakt
worden over de professionele ontwikkeling in het kader van de curriculumontwikkeling.
De invoering van het geactualiseerde curriculum kan hierbij gekoppeld worden aan andere
ontwikkelopgaven, zoals het versterken van de basisvaardigheden. Zodoende blijft er
ruimte voor scholen en onderwijsprofessionals om zich breder te professionaliseren.
De komende jaren wordt er op ingezet dat onderwijsprofessionals, schoolleiders en
schoolbesturen zo goed mogelijk ondersteund worden bij de implementatie van het geactualiseerde
curriculum. Zo worden onder andere regionale bijeenkomsten en leernetwerken georganiseerd,
wordt door SLO voorbeeldmateriaal beschikbaar gesteld, waaronder leerlijnen en wordt
er ondersteuning geboden door vak- en beroepsverenigingen. Hier is in totaal € 50
mln. beschikbaar gesteld tot en met 2031. Daarnaast monitor ik de implementatie, de
ondersteuning en de voortgang hiervan.
De Staatssecretaris schrijft verder in zijn brief over het nieuwe systeem van periodiek
onderhoud van het curriculum. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen dat het
belangrijk is dat de volgende wijziging van het curriculum meer regulier en voorspelbaar
plaatsvindt en niet weer twintig jaar op zich laat wachten. Dat dit niet expliciet
is opgenomen in de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen baarde deze leden
zorgen, maar dit is gelukkig nog via amendementen toegevoegd.13 Deze leden vragen zich af of de Staatssecretaris inzicht kan geven in hoe hij uitvoering
gaat geven aan deze amendementen en hoe dit een plek krijgt in de onderhoudskalender
die SLO op dit moment aan het ontwikkelen is.
Aan de genoemde amendementen geef ik uitvoering doordat SLO in de onderhoudskalender
vastlegt dat vijf jaar na de oplevering van de eerste kerndoelen een tussenevaluatie
plaatsvindt. In dezelfde periode wordt beoogd dat de Onderwijsraad een advies uitbrengt
over het functioneren en de actualiteit van het curriculum. Deze tussenevaluatie en
het advies vormen samen de basis voor eventuele bijsturing. Tien jaar na de oplevering
van de eerste kerndoelen is een moment voorzien waarop, indien daartoe aanleiding
is, een nieuw wet- en regelgevingstraject kan starten voor herziening van de kerndoelen.
Daarmee wordt geborgd dat curriculumontwikkeling structureel, zorgvuldig en tijdig
plaatsvindt. Dit is een terugkerende cyclus. De onderhoudskalender wordt naar verwachting
in het eerste kwartaal van 2026 gepubliceerd op de website van SLO.
CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben nog een enkele vraag over het vervolg. Deze leden
vragen wanneer de Staatssecretaris naar verwachting de concept-besluiten met de Kamer
zal delen.
Het ontwerpbesluit voor de kerndoelen Nederlands en rekenen en wiskunde is recent
aan beide Kamers gezonden. Het ontwerpbesluit waarin de kerndoelen voor de overige
leergebieden zijn opgenomen, volgt naar verwachting in Q4 van 2026.
Zij vragen ook wanneer het plan voor de implementatie met de Kamer wordt gedeeld,
omdat het belangrijk is dat leraren, leerlingen en schoolleiders goed worden ondersteund
hierbij.
Op 1 september jl. is uw Kamer geïnformeerd over de implementatie van het geactualiseerde
curriculum, de implementatieaanpak in de verschillende fases en op welke wijze scholen
hierbij ondersteund worden.14 De komende jaren wordt samen met betrokken partijen gewerkt aan een uitvoeringsgerichte
aanpak die bestaat uit activiteiten op het gebied van curriculumbewustzijn, professionalisering,
leermiddelen, toetsing, communicatie en monitoring.
Deze leden vragen tot slot wanneer de functionele kerndoelen voor de leergebieden
mens en maatschappij, mens en natuur, moderne vreemde talen, kunst en cultuur en bewegen
en sport zullen volgen voor de leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs.
Naar verwachting worden de functionele kerndoelen voor de leergebieden mensen en maatschappij,
mens en natuur, moderne vreemde talen, kunst en cultuur en bewegen en sport gepubliceerd
in het najaar van 2029.
JA21-fractie
De Staatssecretaris geeft aan dat met deze laatste set kerndoelen is voldaan aan de
motie Soepboer om het aantal kerndoelen te beperken.15 Vindt hij dat dit nu afdoende is gebeurd, ook om het gevreesde overladenheidsgevoel
te mitigeren? Wat is, nu de laatste sets kerndoelen beschikbaar zijn, het resultaat
als de vorige kerndoelen met de huidige worden vergeleken?
Een gevoel van overladenheid kan vele oorzaken hebben, zowel binnen een curriculum
(weinig richtinggevende kerndoelen) als buiten het curriculum (het lerarentekort).
De motie Soepboer zag toe op het terugdringen van overladenheid binnen het curriculum
en droeg op om het aantal kerndoelen te verminderen door het terug te brengen naar
de kern, met een focus op lezen, schrijven en rekenen, meer samenhang aan te brengen
en met behoud van concrete uitwerkingen. Daar is SLO goed in geslaagd: het aantal
kerndoelen is verminderd van 58 naar 40 (po) en van 58 naar 45 (vo). Er is een logischere
onderverdeling en hiërarchie gemaakt door verschillende kerndoelen samen te voegen.
Ook zijn er scherpe keuzes gemaakt in de inhoud van de kerndoelen. SLO heeft daarmee
uitvoering gegeven aan de zorg van uw Kamer om de overladenheid terug te dringen.
Het is nu zaak dat deze focus ook wordt doorgevoerd in de vertaling van kerndoelen
naar onderwijs. Dit zal worden meegenomen in het implementatietraject.
Vraag 7 van de feitelijke vragen over de brief van 6 maart 2024 inzake de conceptkerndoelen
burgerschap en digitale geletterdheid luidt «welke delen van het bestaande lesprogramma
worden verarmd als gevolg van de nieuwe kerndoelen?»16 Het antwoord is dat dit nu niet goed te zeggen is omdat nog niet alle kerndoelen
zijn opgeleverd waardoor oud en nieuw nog niet te vergelijken zijn. Hoe zit dat nu?
Welke delen van het bestaande lesprogramma worden verarmd of beperkt als gevolg van
de nieuwe kerndoelen? Welke delen van het bestaande lesprogramma worden verzwaard
als gevolg van de nieuwe kerndoelen?
Dit is lastig te zeggen. Dat komt door het hoge abstractieniveau van de oude kerndoelen.
Leerlingen moesten bijvoorbeeld iets leren over het concept «consumptie». Maar wat
valt daar wel en niet onder? Dat werd uiteindelijk in leermiddelen bepaald en die
verschillen van school tot school. De nieuwe kerndoelen zijn concreter. Zo wordt een
concept als «consumptie» nu uitgewerkt in kennis over markten, marktvormen, (internationale)
handel, fiscale maatregelen, (niet-)rationele keuzes, financiële overzichten, en ontvangsten,
uitgaven, bezittingen en schulden bij huishoudens. Er zullen scholen zijn die die
aspecten al aanbieden en er zullen scholen zijn die daar slechts een deel van aanbieden,
of die juist meer deden dan dat. Er zijn per leergebied wel aspecten aan te wijzen
die voor veel scholen bekend of onbekend zullen zijn, dat is namelijk bevraagd in
de fase van beproeven. SLO zal de scholen hierover informeren tijdens de implementatieperiode.
Maar daar heeft een specifieke school niet genoeg aan, zij zal zelf moeten bekijken
hoeveel impact de nieuwe kerndoelen op haar situatie heeft. SLO biedt materialen,
zoals teamgidsen, waarbij scholen vanuit verschillende perspectieven hun curriculum
als team onder de loep kunnen nemen.
Hoeveel tijd zijn scholen en kinderen nu kwijt aan het leren van deze kerndoelen en
hoeveel vrije ruimte is er dan nog over per kerndoel, en in hoeverre verschilt dat
per school?
SLO heeft in het «kader ontwerpruimte kerndoelen» een verdeling van de tijd voor de
verschillende leergebieden beschreven, met ruimte voor extra instructietijd en schooleigen
keuzes. Dit model is gebruikt om de ontwikkelaars een richtlijn te geven voor de omvang
van hun vak, maar scholen bepalen zelf hoeveel tijd zij besteden aan ieder leergebied.
Het is daarom niet eenvoudig om uitspraken te doen over hoe veel tijd scholen en kinderen
kwijt zijn aan het leren van de kerndoelen. Een ander probleem is hoe je de tijd afbakent.
Bijvoorbeeld, wanneer is een leerling bezig met «taalonderwijs»? Uiteraard kun je
onderscheid maken tussen spelling- en grammaticalessen, maar ook als leerlingen voor
geschiedenis een opstel schrijven, zijn ze bezig met taal. Verder geldt:
– Hoeveel tijd leerlingen daadwerkelijk besteden aan de kerndoelen, kan sterk verschillen
tussen scholen en leerlingen. Sommige leerlingen hebben immers weinig tijd nodig om
aan de kerndoelen te voldoen, andere leerlingen hebben meer tijd nodig.
– Voor het basisonderwijs geldt dat ongeveer de helft van de onderwijstijd wordt toegekend
voor onderwijs in taal en rekenen. In het voortgezet onderwijs neemt dat af omdat
leerlingen dan niet meer «leren om te lezen/rekenen», maar «lezen/rekenen om te leren
(in andere vakken)».
– In de tabel op pagina 7 van de bijlage bij het kader ontwerpruimte is te zien dat
de «overige» ruimte ongeveer 10–20% is.17 Dat is niet geheel hetzelfde als vrije ruimte, omdat scholen een deel van die vrije
ruimte dus al hebben ingevuld voor bijvoorbeeld verlengde instructie. Oftewel: sommige
leerlingen hebben meer tijd nodig voor het behalen van de kerndoelen, daar wordt dan
verlengde instructie voor gegeven.
Hoe verhoudt de systematiek van deze kerndoelen, de formulering, de mate van precisie
en de inhoudelijke omvang van deze kerndoelen zich tot de wettelijk verplichte leerstof
voor dezelfde leeftijden in België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk? Welke analyses
bestaan daarvan?
Bij de ontwikkeling van de kerndoelen heeft SLO goed gekeken naar wat omringende landen
doen en wat landen doen die goed scoren op basisvaardigheden. Deze analyse is lastig,
omdat andere landen vaak niet alleen een ander curriculum hebben, maar ook een ander
schoolsysteem. De keuzes die voor Nederland zijn gemaakt, sluiten aan bij recent onderzoek.18 In dit onderzoek wordt overigens ook geconcludeerd dat niet de kerndoelen zelf doorslaggevend
zijn voor goede leerresultaten, maar de randvoorwaarden tijdens implementatie, zoals
tijd, professionalisering en leermiddelen. Dit zijn precies de zaken waarop ik wil
gaan inzetten de komende jaren en waarover ik eerder ook schreef.19
Welke onderwijskundige overtuigingen of filosofieën liggen ten grondslag aan deze
kerndoelen? De leden van de JA21-fractie krijgen de indruk dat SLO, de stichting die
belast is met het opstellen van de kerndoelen, sterk wordt beïnvloed door vormen van
sociaal-constructivisme waarbij bijvoorbeeld minder de lesstof en meer de ervaringen
van de leerling centraal staan, waarbij leren een coöperatief proces is en kennis
voortdurend zou veranderen. Hoe ziet de Staatssecretaris dat?
Er liggen geen eenzijdige onderwijskundige overtuigingen of filosofieën onder deze
kerndoelen. De kerndoelen zijn met elke didactische aanpak – van directe instructie
tot sociaal constructivisme – aan te leren. Dit was ook nadrukkelijk de opdracht aan
SLO. In de werkopdracht – die met uw Kamer is gedeeld – stond expliciet: «De conceptkerndoelen doen recht aan de vrijheid van inrichting en de pedagogisch-didactische
vrijheid van de school, conform artikel 23, lid 2, van de Grondwet».20 Daar is SLO in geslaagd.
In de inleiding van het definitief concept Functionele kerndoelen burgerschap staat
bijvoorbeeld dat «leerlingen kennis nodig hebben om de betekenis van de basiswaarden
van de democratische rechtsstaat in hun directe leefomgeving toe te passen. Over het
algemeen geldt dat deze leerlingen het beste leren als kennis wordt verbonden met
alledaagse situaties en ermee geoefend wordt in realistische contexten en praktijkvakken.»21
De leden van de JA21-fractie vrezen dat met deze aanpak reguliere en toetsbare kennis
over besluitvorming, grondrechten en de oorsprong van onze democratie in de knel komen.
Het burgerschapsonderwijs is gebaseerd op de overtuiging dat alle leerlingen, passend
bij hun mogelijkheden, actief kunnen deelnemen aan de pluriforme, democratische Nederlandse
samenleving. Daarom komen de inhouden van de kerndoelen voor het po en het so, en
de onderbouw vo en het vso grotendeels met elkaar overeen, juist ook waar het kennis
over besluitvorming, grondrechten en de basiswaarden van de democratische rechtsstaat
betreft. De functionele kerndoelen zijn zodanig ontworpen dat ze aansluiten bij de
verschillende onderwijsbehoeften van de leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs.
In dit onderwijs worden zowel kennis, vaardigheden als ervaringen aangeboden, waarbij
de nadruk ligt op het ontwikkelen van een handelingsperspectief dat leerlingen niet
alleen binnen, maar ook buiten de school toepassen. Deze functionele kerndoelen zijn
in de fase van beproeven uitgebreid getoetst in de onderwijspraktijk. Ik heb daarmee
het vertrouwen dat kennis over de basiswaarden van de democratische rechtstaat direct
toe te passen is in alledaagse situaties en ook voor deze doelgroep in de praktijk
tot uitvoering gebracht kan worden.
Pagina 10 van de definitieve conceptkerndoelen kunst en cultuur stelt: «met kunst
geven mensen vorm en betekenis aan hun eigen ervaring en aan die van anderen.» Steeds
wordt benadrukt dat leerlingen met kunst leren om betekenis te «geven» aan onderwerpen,
«thema’s en de wereld om ons heen.» Er zijn ook andere manieren om kunst en cultuur
te begrijpen: als een diepere vorm van kennis over de condition humaine, een licht
vanuit een hogere wereld die het dagelijkse leven laadt met een bijzondere, morele
betekenis; en dus niet zozeer als iets waarmee een individu een eigen betekenis «geeft»,
maar waar het juist gaat om het «herkennen» ervan. In hoeverre bieden deze kerndoelen
ruimte voor een meer klassieke benadering van de betekenis van kunst? Waarom komt
het woord «schoonheid» niet voor in deze kerndoelen?
In de herziene kerndoelen is aandacht voor zowel de individuele ervaring van betekenisgeving
aan kunst en cultuur, als deelgenoot gemaakt worden van de bedoeling van kunst en
cultuur door de maker of de omgeving. Zie bijvoorbeeld kerndoel 37 po. De kerndoelen
zijn zo geformuleerd dat scholen/leraren er verschillende kanten mee op kunnen. Tijdens
het beproeven van de kerndoelen is ook gebleken dat verschillende type scholen hier
goed mee uit de voeten kunnen.
Het woord «schoonheid» is niet opgenomen in de kerndoelen omdat dit woord te limitatief
is, er zijn veel meer manieren waarop naar kunst en cultuur gekeken kan worden. Kerndoel
37 vraagt leerlingen om te reflecteren, waardoor het onvermijdelijk is dat schoonheid
behandeld wordt.
De kerndoelen over kunst en cultuur leggen veel nadruk op wat kinderen individueel
moeten ervaren en waarbij ze vervolgens moeten reflecteren op ervaringen en het «eigen
artistiek vermogen onderzoeken». Wat als een school kinderen vooral wil leren tekenen
of schilderen, of muziek maken? Niet zozeer om hun unieke eigen ervaringen uit te
drukken, maar om te leren over de objectieve wereld om hen heen?
In de herziene kerndoelen zijn beide aspecten opgenomen: zowel het maken van kunst
en beoefenen van cultuur als het reflecteren erop. Dat is in de huidige kerndoelen
ook al zo en betekent dus geen verandering voor scholen. Het maken van kunst heeft
een prominente plek in kerndoel 36. Bij dit kerndoel gaat het erom dat leerlingen
gebruik maken van technieken en vaardigheden bij het maken van individueel en gezamenlijk
werk. Daaronder valt ook leren tekenen, schilderen en muziek maken. Het is de keuze
van de school/leraar om te kiezen op welke onderdelen van de kerndoelen ze het accent
leggen en welke specifieke technieken en vaardigheden ze aanleren.
Op pagina 29 van de toelichting van de kerndoelen kunst en cultuur wordt verwezen
naar de Code Diversiteit en Inclusie en de gedragscode die gericht is op diversiteit.
Volgens de leden van de JA21-fractie is deze code sterk ideologisch gekleurd op grond
van nog altijd omstreden theorieën, zoals intersectionalisme. Waarom wordt naar deze
code verwezen en op welke manier is deze weerspiegeld in de kerndoelen? Als scholen
daarmee willen werken en die uitgangspunten hanteren is dat één ding, maar in hoeverre
worden scholen die hun visie op kunst berusten op andere overtuigingen hiermee gedwongen
deze visie toe te passen?
Die visie komt niet expliciet terug in de kerndoelen, want scholen moeten hier eigen
keuzes in kunnen maken. Alle visies zijn mogelijk met deze kerndoelen. Naar deze code
wordt verwezen omdat deze bron ter inspiratie is gebruikt voor het opstellen van de
karakteristiek en de kerndoelen. Het belangrijkste element hierin was dat kunstvakken
toegankelijk moeten zijn voor alle leerlingen en verschillende kunstzinnige uitingen
mogelijk moeten maken.
Zo staat in de toelichting van de kerndoelen kunst en cultuur tevens dat «de huidige
onderwijspraktijk in de kunstvakken gaat over het algemeen uit van een westers perspectief
op kunst. De nieuwe kerndoelen moeten «meerstemmigheid» mogelijk maken en borgen dat
het aanbod breder, meer divers en inclusiever wordt (Ros, 2021, 2023). Het mondiale
perspectief maakt het toekomstig onderwijs relevanter en rijker (Hermanussen, 2022).»
Ook hierbij zetten de leden van de JA21-fractie grote vraagtekens. Wat mist er dan
precies in de huidige kerndoelen dat nu gaat veranderen? Vindt de Staatssecretaris
dat de huidige onderwijspraktijk minder moet uitgaan van een Westers perspectief?
Waarom? Is de Staatssecretaris van mening dat Nederland zich in «het Westen» bevindt,
en dat het dus logisch is dat kunstonderwijs hier uitgaat van een westers perspectief,
en niet van zeg, een Zuid-Aziatisch perspectief? Wat als scholen willen uitgaan bij
hun kunstonderwijs van een Westers perspectief? In hoeverre zou dat dan in strijd
zijn met deze kerndoelen zoals hier geformuleerd?
Het kerndoelenteam, de advieskring en wetenschappers geven inderdaad aan dat de huidige
onderwijspraktijk over het algemeen uitgaat van een Westers perspectief op kunst en
cultuur. De herziene kerndoelen sporen aan om breder te kijken dan alleen de directe
omgeving, omdat de huidige en toekomstige generatie leerlingen opgroeien in een wereld
waarbij de aanraking met andere culturen steeds meer aan de orde van de dag is. Het
is daarom belangrijk dat leerlingen zich daartoe leren verhouden. De herziene kerndoelen
zijn ontwikkeld door het onderwijsveld zelf en zijn breed geconsulteerd bij verschillende
scholen. Uit de fase van beproeven blijkt dat scholen de ruimte binnen de kerndoelen
ervaren om meer vanuit verschillende perspectieven te werken, passend bij hun eigen
schoolvisie. Het Westerse perspectief hoort daar vanzelfsprekend ook bij, net zoals
nu al gebeurt. De kerndoelen bieden ruimte om hier als school eigen keuzes in te maken.
Zo zou een school met veel leerlingen met een Oekraïense achtergrond er bijvoorbeeld
voor kunnen kiezen om Nederlandse kunst en cultuur te vergelijken met Oekraïense kunst
en cultuur.
De gedachte lijkt te zijn dat in de kerndoelen kunst en cultuur het hanteren van een
Westers perspectief geen recht zou doen aan de «diversiteit» van de samenleving, omdat
er veel mensen wonen met een migratieachtergrond uit niet-Westerse landen. Volgens
de leden van de JA21-fractie wonen deze mensen nu echter in het Westen en maken onderdeel
uit van het Westen, en is het juist zaak dat alle kinderen kennismaken met die Westerse
beschavingstraditie. Hoe ziet de Staatssecretaris dit?
De Code Diversiteit is gebruikt als een van de vele bronnen om tot herziene kerndoelen
te komen. Het document heeft mede geïnspireerd om in kerndoel 35 en 37 (po) en 40
en 42 (vo), elementen op te nemen als «beschouwen van kunst van uiteenlopende makers»
en «verkennen van de invloed van tijd en plaats op het werk van de makers». De term
«Westers perspectief» komt hierin niet terug. Ik ben het met de leden van de fractie
van JA21 eens dat het zaak is dat alle leerlingen kennismaken met Westerse kunst en
cultuur. Dat doen leraren nu ook al en dat zal niet veranderen door de nieuwe kerndoelen.
Dat laat echter onverlet dat het ook zinvol en waardevol is om leerlingen een bredere
blik op kunst en cultuur te gunnen, zowel om recht te doen aan de diversiteit in de
samenleving, als om westerse kunst en cultuur in breder perspectief te leren zien.
«Het mondiale perspectief maakt het toekomstig onderwijs relevanter en rijker», staat
op pagina 29 van de toelichting van de kerndoelen kunst en cultuur. Deelt de Staatssecretaris
die opvatting? Dreigt hier niet opnieuw een «gevoel van overladenheid» bij leraren
als zij de taak krijgen kunst en cultuur uit alle windstreken aan bod te laten komen?
Uit de fase van beproeven blijkt dat scholen goed uit de voeten kunnen met deze kerndoelen.
Door slimme verbindingen te leggen, kost het behandelen van verschillende perspectieven
geen extra tijd. De kerndoelen schrijven niet voor om kunst en cultuur aan te bieden
uit alle windstreken, slechts om breder te kijken dan één perspectief en verder dan
de directe omgeving. Scholen kunnen vanuit hun professionele visie en schoolpopulatie
bekijken wat zij een passende en werkbare invulling vinden. Dat doen veel scholen
al, maar de nieuwe kerndoelen zijn een kans om hier opnieuw kritisch naar te kijken.
Wat zijn de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de vorige kerndoelen moderne
vreemde talen?
De herziene kerndoelen moderne vreemde talen richten zich op het betekenisvol en samenhangend
gebruiken van taal, in plaats van losse vaardigheden zoals lezen of schrijven. Minder
verkaveld dus, en meer samenhangend.
Naast Engels, zijn er ook doelen voor andere moderne vreemde talen ontwikkeld. Dat
was ook een nadrukkelijke wens van uw Kamer en de vakverenigingen. Er is hierbij meer
aandacht voor cultuur, meertaligheid en het taalleerproces (gebruiken van strategieën
om woorden, zinnen, gesprekken beter te begrijpen), zodat leerlingen beter leren communiceren
met mensen uit andere landen en in echte situaties.
Voor elke taal is een niveau in het Europees Referentiekader (ERK)22 voorgesteld om een duidelijke doorlopende leerlijn te creëren van po tot bovenbouw
vo. Ook zijn digitale vaardigheden, reflectie op eigen leren en inclusiviteit toegevoegd,
zodat de doelen voor meer leerlingen haalbaar zijn.
In kerndoel 36 staat: «de leerling ontwikkelt zich als taal- en cultuurbewuste gebruiker
van de Engelse taal». Waarom moet dit onderdeel zijn van de kerndoelen? Is het niet
beter om je bij de kerndoelen te beperken tot het daadwerkelijk leren van die taal?
Bij onderdeel B van kerndoel 36 staat: «de leerling verkent culturele aspecten en
culturele diversiteit in fictie en non-fictie». Waarom wordt dat hier zo gesteld?
Waarom wordt diversiteit ook hier benadrukt, in plaats het kerndoel te beperken tot
taalbeheersing, waarbij dergelijke aspecten als het ware in het kielzog daarvan meekomen,
afhankelijk van wat wordt gelezen? Dit is toch geen kerndoel antropologie? Vindt de
Staatssecretaris het tot de kerndoelen behoren bij vreemde talen, dat leerlingen stereotyperingen
leren herkennen?
De kerndoelen moderne vreemde talen beogen dat leerlingen leren communiceren in vreemde
talen. Het leren communiceren in vreemde talen omvat taalvaardigheden, taalbewustzijn
en interculturele communicatieve competentie. Deze drie elementen heb je in samenhang
nodig om de communicatie effectief te laten verlopen en te laten slagen. Om informatie
in een taal uit te kunnen wisselen, is het nodig om je te kunnen verbinden met mensen
uit andere culturen. Zelfs als leerlingen goed Frans spreken, zullen zij niet effectief
kunnen communiceren als zij bijvoorbeeld de taalkundige beleefdheidsnormen niet kennen.
Als zij iemand aanspreken met het informele «tu» (jij), in plaats van het formele
«vous» (u), dan kan dat het contact bemoeilijken, omdat dit als onbeleefd wordt gezien.
Zoals de toelichting bij de definitieve conceptkerndoelen benadrukt, is het leren
van losse woorden of grammatica dus niet voldoende. Taalvaardigheden en kennis van
cultuur en diversiteit (interculturele competentie) zijn sterk met elkaar verbonden.
Door culturele contexten te begrijpen en taal in context te gebruiken, kunnen leerlingen
teksten, situaties, woorden en uitdrukkingen beter interpreteren. Ook het herkennen
van stereotypering is een belangrijk onderdeel van interculturele competentie. Leerlingen
worden zich bewust van de stereotype beelden die zij kunnen hebben bij bepaalde talen
en culturen en ontwikkelen hier een genuanceerder beeld bij. Dit helpt hen om beter
en doelgerichter te kunnen communiceren in de vreemde talen.
Ik ben het daarom met het kerndoelenteam eens dat het hele palet aan taal- en culturele
vaardigheden nodig is om leerlingen voor te bereiden op communicatie in vreemde talen.
Dan een aantal vragen en opmerkingen over de kerndoelen burgerschap.23 In welke mate worden de kerndoelen van het burgerschapsonderwijs eenzijdig gericht
op toetsbaarheid van burgerschapskennis? In welke mate zal het gaan om niet-toetsbare
elementen, de zogenoemde «attitudes» enerzijds en anderzijds de toetsbare kennis?
De kerndoelen specificeren wat leerlingen moeten leren en ervaren, en hebben in dat
kader zowel aandacht voor zowel kennis als vaardigheden. De kerndoelen specificeren
niet hoe kennis en vaardigheden getoetst moet worden. Scholen kunnen zelf bepalen
wat zij daarin passend vinden. De kerndoelen zijn zo geformuleerd dat ze geen attitudes
bij leerlingen voorschrijven. Wel wordt van scholen gevraagd om leerlingen respect
voor de basiswaarden van de democratie bij te brengen, dat past bij wat de wettelijke
burgerschapsopdracht van scholen vraagt.
Welke plaats heeft kennis over de Grondwet – dus niet het algemene belang van de Grondwet
– gekregen in deze kerndoelen? Welke artikelen komen aan bod?
De kerndoelen verplichten dat scholen leerlingen onderwijzen in hoe de Grondwet, kinder-
en mensenrechten basiswaarden van de democratische rechtsstaat mogelijk maken en hoe
de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grondwet,
met elkaar op gespannen voet kunnen staan. De kerndoelen specificeren niet welke artikelen
van de Grondwet aan bod moeten komen.
De kerndoelen 24 tot 27 (mens en maatschappij) zijn allemaal gericht op wat leerlingen
moeten onderzoeken en verkennen, van «vraagstukken over mens en samenleving, tot geografische
verschijnselen, en historische verschijnselen». Is het niet belangrijk dat kerndoelen
gericht zijn op wat kinderen concreter moeten leren en weten?
Het is belangrijk dat leerlingen zowel kennis op doen, als om te weten hoe ze die
moeten toepassen in grotere vraagstukken. Enkel kennis hebben van het koloniaal verleden,
de Holocaust of klimaatverandering is niet genoeg. Om mee te draaien in de hedendaagse
samenleving moeten leerlingen deze kennis ook kunnen toepassen op actuele vraagstukken.
Daarnaast wordt kennis bij leerlingen ook beter aangeleerd door zich te verdiepen
in geografische en historische verschijnselen zoals bijvoorbeeld migratie, ongelijkheid
en verzuiling. Beide zijn belangrijk dus.
Als voorbeeld van de overladenheid die de oude kerndoelen zouden oproepen werd wel
verwezen naar het oude kerndoel waarin stond dat kinderen leren over de tijd van wereldoorlogen
en waarbij wordt toegevoegd «de wereldoorlogen en de holocaust», omdat dit te weinig
richting zou geven en leraren dan niet weten of ze twintig of honderd aspecten moeten
belichten. Maar in de nieuwe kerndoelen staat de Tweede Wereldoorlog niet in de doelzinnen,
maar alleen in de kolom «het gaat hierbij om», als uitwerking van de doelzinnen «de
leerling beschrijft historische ontwikkelingen» en «de leerling legt verbanden tussen
historische ontwikkelingen en gebeurtenissen in het heden en verkent betekenissen
die mensen geven aan het verleden». Betekent dit dat leren over de Tweede Wereldoorlog
strikt genomen niet tot de kerndoelen behoort en scholen er ook voor kunnen kiezen
om hier geen les over te geven?
De herziene kerndoelen hebben voor alle verschillende leergebieden een eenduidige
architectuur. Die bestaat uit verschillende onderdelen en alle onderdelen zijn verplicht.
Eerst wordt het kerndoel in algemene termen beschreven. Bij de conceptkerndoelen voor
mens en maatschappij luidt kerndoel 27 po bijvoorbeeld: «De leerling verkent historische
verschijnselen.» Vervolgens wordt dit kerndoel uitgewerkt in enkele doelzinnen. In
kerndoel 27 zijn dit er drie; doelzin A luidt: «De leerling beschrijft historische
ontwikkelingen aan de hand van gebeurtenissen, personen en voorwerpen.» Deze doelzinnen
worden vervolgens nader gespecificeerd en geconcretiseerd onder het kopje «Het gaat
hierbij om…». Bij doelzin A van kerndoel 27 worden daarvan zes opgesomd, waaronder
«ontwikkelingen uit de tijd van wereldoorlogen en mensenrechten: Tweede Wereldoorlog
en Holocaust, dekolonisatie, verdergaande samenwerking rond wereldproblemen, groeiende
welvaart en diversiteit, ontstaan van een informatiesamenleving». Al deze doelzinnen
en concretiseringen daarvan in de vorm van «Het gaat hierbij om…» maken integraal
deel uit van de kerndoelen en daarmee van de wettelijke opdracht aan scholen. Aangezien
de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust hier expliciet in genoemd worden, kunnen scholen
er dus niet voor kiezen om hier geen les over te geven.
De leden van de JA21-fractie steunen de keuze om voor de functionele kerndoelen programmeren
niet op te nemen, maar deze leden lijkt het niet verstandig om programmeren wel op
te nemen in de definitieve kerndoelen voor het primair onderwijs en de onderbouw van
het voortgezet onderwijs, zeker met de opkomst van kunstmatige intelligentie die het
schrijven van code overneemt. Het zou scholen uiteraard vrij moeten staan om dit te
onderwijzen als zij daar behoefte aan hebben, maar, zeker gezien het belang om overladenheid
te voorkomen en te kunnen focussen op de basisvaardigheden, lijkt het niet nodig om
programmeren op deze manier op te nemen. Waarom denkt de Staatssecretaris dat dit
moet worden opgenomen als verplicht kerndoel? Hoeveel scholen beschikken over docenten
met de expertise om leerlingen te leren programmeren?
De kerndoelen die te maken hebben met programmeren hebben een zwaartepunt dat ligt
bij computationele denkstrategieën, dat wil zeggen: gebruik maken van een computer
om problemen op te lossen. Het programmeren zelf is een belangrijk element, maar het
begrijpen van programmeerconcepten, invoer en uitvoer en het aanpakken en oplossen
van een probleem zijn onderliggende vaardigheden die belangrijk zullen blijven, met
of zonder komst van kunstmatige intelligentie.
De Monitor Digitalisering Onderwijs van 2025 laat zien dat leraren een ruime voldoende
geven aan hun beheersing van computationeel denken.24
BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie zijn blij dat het amendement van het lid Ceder, Boomsma
en Van der Plas over voorhang van de algemene maatregelen van bestuur waarmee kerndoelen
worden vastgesteld is aangenomen.25 Hoe gaat de Staatssecretaris invulling geven aan dit amendement? Welke stukken worden
bij de voorhangprocedure aan de Kamer overgelegd, hoe wordt de vierwekentermijn bewaakt
en geldt deze procedure ook bij toekomstige wijzigingen in het kader van periodiek
onderhoud?
Indien het wetsvoorstel ook door de Eerste Kamer wordt aangenomen, wordt in het vervolg
een ontwerpbesluit waarin herziene kerndoelen zijn opgenomen of waarin kerndoelen
worden gewijzigd enkel vastgesteld indien het betreffende besluit aan uw Kamer is
aangeboden in het kader van de voorhangprocedure. Dit biedt uw Kamer de mogelijkheid
om zich uit te spreken over het ontwerpbesluit voordat het aan de Afdeling advisering
van de Raad van State wordt voorgelegd.
Daarbij wordt het ontwerpbesluit vergezeld van een nota van toelichting aan uw Kamer
gezonden. In het kader van actieve openbaarmaking worden ook de beslisnota’s over
het ontwerpbesluit meegezonden aan uw Kamer. De voorbereidende documentatie, zoals
bijvoorbeeld de uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets, wordt eveneens op dat
moment openbaar gemaakt en is te vinden op de wetgevingskalender.
De voorhangprocedure houdt in dat de voordracht aan de Koning ter verkrijging van
het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het ontwerpbesluit
niet eerder gebeurt dan vier weken nadat het ontwerpbesluit aan beide Kamers der Staten-Generaal
is overgelegd. Deze termijn is wettelijk verankerd. Indien meer dan een vierde deel
van die termijn binnen een recesperiode van uw Kamer valt, wordt conform afspraken
tussen de Staten-Generaal en de regering de termijn in beginsel zodanig verlengd dat
drie vierde deel daarvan buiten die recesperiode van uw Kamer valt. Deze procedure
geldt ook bij toekomstige wijzigingen in het kader van periodiek onderhoud.
DENK-fractie
De leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de herziening van de kerndoelen
en hebben daarbij enkele vragen. Deze leden zien in de voorstellen aanknopingspunten
voor een samenhangende benadering van planetaire gezondheid, welzijn en welvaart,
maar herkennen dit nog onvoldoende als expliciet duidend en verbindend kader. Kan
de Staatssecretaris toelichten op welke wijze, binnen de bestaande structuur, de samenhang
in de doelen en uitwerkingen duidelijker gemaakt kan worden?
Er zijn veel dwarsverbanden te leggen tussen de thema’s planetaire gezondheid, welzijn
en welvaart, ook met andere thema’s, zoals technologie, ethiek en bestuur. De mogelijkheden
om die in samenhang op te schrijven zijn vrijwel oneindig. De kerndoelenteams hadden
dus een uitdagende taak om daar keuzes in te maken en het te beperken tot de kern
van ieder leergebied, met zo min mogelijk dubbelingen tussen leergebieden. Uit de
fase van beproeven blijkt dat scholen met de voorgestelde structuur goed uit de voeten
kunnen. Het staat scholen vrij om samenhang op hun eigen manier vorm te geven, passend
bij eigen visie en context, zo lang alle elementen uit de kerndoelen maar terugkomen.
Om scholen hierbij te ondersteunen werkt SLO momenteel aan voorbeeldmatige leerlijnen
en uitwerkingen. In de leerlijnen worden inhouden uit de kerndoelen in een bepaalde
samenhang beschreven.
Daarnaast vragen de leden van de DENK-fractie waarom bij enkele vo-kerndoelen niet
explicieter is gekozen voor hogere-orde leerdoelen die leerlingen helpen om de impact
van menselijk handelen op natuur, klimaat en welvaart te analyseren en om na te denken
over mogelijke oplossingsrichtingen. Kan de Staatssecretaris aangeven waarom hiervoor
niet nadrukkelijker is gekozen en hoe dit binnen de huidige kerndoelenstructuur toch
voldoende kan worden geborgd?
Ik herken niet dat deze leerprocessen ontbreken. Deze zijn te vinden in de uitwerkingen
van de kerndoelen, bij de onderdelen van «het gaat hierbij om». Zie bijvoorbeeld kerndoel
25 (po): «onderzoeken van vraagstukken, zoals duurzame ontwikkeling» en «redeneren
over de samenleving van de toekomst». Dit is vrijwel niet in de klas te behandelen
zonder het over problemen en oplossingen te hebben. Dit komt terug in meerdere kerndoelen
in de leergebieden mens en maatschappij en mens en natuur, die over de invloed van
menselijk handelen gaan op natuur, klimaat en welvaart. Bovendien passen leerlingen
in deze contexten ook de denkwijzen van de beide leergebieden toe (zie kerndoel 24A
en 29B, vo), die hogere-orde denkvaardigheden bij uitstek stimuleren.
Tot slot vragen de leden van de DENK-fractie hoe de Staatssecretaris deze keuzes beoordeelt
in het licht van de wettelijke burgerschapsopdracht. Acht hij de voorgestelde kerndoelen
toereikend om leerlingen voldoende houvast te geven bij het duiden en wegen van actuele
vraagstukken rond klimaat, natuur, welvaart en mondiale ongelijkheid? Zo ja, op welke
wijze wordt dit in de verdere uitwerking gewaarborgd?
De wettelijke burgerschapsopdracht stelt geen inhoudelijke eisen aan het onderwijs
dat scholen geven in relatie tot klimaat, welvaart en mondiale ongelijkheid, maar
vraagt van scholen dat ze leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor de basiswaarden
van de democratische rechtsstaat en dat ze leerlingen helpen bij het ontwikkelen van
de sociale en maatschappelijke competenties die hen in staat stellen deel uit te maken
van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving. Daarbij
past het dat leerlingen verkennen wat hun rol is in relatie tot maatschappelijke vraagstukken
en hoe ze kunnen bijdragen aan het welzijn van anderen en van de natuur. Dit komt
ook terug in de kerndoelen burgerschap.
Ook het thema duurzaamheid komt expliciet terug in de kerndoelen burgerschap. Daarnaast
komt het thema duurzaamheid en thema’s als klimaat, welvaart en mondiale ongelijkheid
duidelijk terug in andere kerndoelen binnen mens en maatschappij en mens en natuur.
Uit de fase van beproeven bleek dat scholen hier voldoende houvast aan hebben. Scholen
die meer houvast willen, kunnen in de toekomst gebruik maken van uitgewerkte leerlijnen
en voorbeeldmatige uitwerkingen. Die is SLO momenteel aan het ontwikkelen.
ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie herinneren zich dat de Staatssecretaris in het
debat over de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen heeft gezegd dat de
keuzes bij de ontwikkeling van kerndoelen zijn afgestemd met een brede advieskring,
inclusief de vakverenigingen. Deze leden merken op dat kritiek uit het veld rondom
het ontbreken van aandacht voor duurzaamheid in de kerndoelen zich er juist op richt
dat de kerndoelen niet recht doen aan de adviezen, waarbij wordt gesteld dat ná afstemming
nog allerlei wijzigingen zijn aangebracht. De Staatssecretaris is deze kritiek ongetwijfeld
ook ter ore gekomen. Kan de Staatssecretaris reflecteren op deze kritiek en uiteenzetten
op welke manier er, specifiek als het gaat over de aandacht voor duurzaamheid, recht
is gedaan aan de adviezen uit het onderwijsveld?
Het onderwijsveld en maatschappelijk betrokken organisaties zijn zeer betrokken geweest
bij het opstellen, beproeven en aanscherpen van de kerndoelen. De definitieve kerndoelen
zijn met de advieskring van ieder leergebied besproken en er is uitgelegd wat er met
adviezen is gedaan. Niet iedere mening of ieder advies kan altijd volledig worden
overgenomen: je kunt simpelweg niet iedereen tevredenstellen. Daarnaast is onderwijstijd
ook beperkt en je zult soms keuzes moeten maken die pijn kunnen doen.
Het onderwerp duurzaamheid heeft een veel steviger plek gekregen in de nieuwe kerndoelen
dan voorheen: in verschillende leergebieden komt het expliciet terug en de overige
leergebieden bieden veel ruimte om duurzaamheid als onderwerp te gebruiken. Denk aan
het lezen van opiniestukken over klimaatverandering bij Nederlands.
Het beeld dat er na afstemming met het veld nog allerlei wijzigingen zouden zijn aangebracht
zonder afstemming herken ik niet. Er zijn bij de kerndoelen die een link hebben met
duurzaamheid (burgerschap, mens en maatschappij, en mens en natuur) drie momenten
met wijzigingen geweest nadat de eerste versie met de Tweede Kamer is gedeeld: 1)
het verwerken van inzichten uit de fase van beproeven 2) de motie Soepboer over het
verminderen van het aantal kerndoelen en 3) alleen bij de kerndoelen burgerschap een
aantal aanpassingen door het ministerie, om te zorgen voor consistentie tussen wat
er op het niveau van de wettelijke burgerschapsopdracht staat en in de kerndoelen.
Bij de eerste twee processen hebben de vakverenigingen en de advieskringen meegedacht.
Bij de derde stap zijn de vakverenigingen en advieskringen geïnformeerd, omdat het
hier een noodzakelijke stap betrof. Informatie over de aanpassingen van de kerndoelen
burgerschap zijn te vinden op de website van SLO.26
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
A.E.W. Easton, adjunct-griffier