Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Lahlah over steeds drukker wordende sinterklaasstichtingen door stijgende armoede
Vragen van het lid Lahlah (GroenLinks-PvdA) aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over steeds drukker wordende sinterklaasstichtingen door stijgende armoede (ingezonden 5 december 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Nobel (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen
21 januari 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Sinterklaasstichtingen hebben het steeds drukker, stijgende
armoede speelt rol»1?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de mening dat de ervaringen van sinterklaasstichtingen, die het ieder jaar
drukker krijgen en dit jaar zelfs een «stop» op het aantal verzoeken hebben om het
aantal aanvragen behapbaar te houden, haaks staan op de cijfers waaruit zou blijken
dat de kinderarmoede de afgelopen jaren meer dan gehalveerd is?
Antwoord 2
Ik deel de mening dat sinterklaasstichtingen de ontwikkeling van armoede anders kunnen
ervaren dan blijkt uit de cijfers.
Vraag 3
Hoe verklaart u dit verschil?
Antwoord 3
Ik zie een aantal mogelijke verklaringen voor dit verschil. Een eerste mogelijke verklaring
is dat de doelgroep van hulporganisaties groter is geworden. Een grotere doelgroep
kan enerzijds het gevolg zijn van een toename van het aantal mensen met een laag inkomen,
en anderzijds het gevolg zijn van ruimere voorwaarden bij hulporganisaties. Een tweede
mogelijke verklaring is dat de armoedeproblematiek onder de bestaande doelgroep groter
is geworden. Anders gezegd, dat de intensiteit van armoede groter is geworden. Een
derde mogelijke verklaring is dat hulporganisaties en de doelgroep elkaar beter weten
te vinden.
Vraag 4
Deelt u de zorg dat het feit dat ouders bij sinterklaasstichtingen steeds vaker om
basisvoorzieningen in plaats van om speelgoed voor hun kinderen vragen, mogelijk aantoont
dat de armoede in Nederland zich verdiept?
Antwoord 4
Het is zorgelijk dat er ouders in Nederland zijn die voor basisvoorzieningen aankloppen
bij fondsen en stichtingen. Voor een klein deel van de huishoudens zou dat kunnen
komen doordat de armoede zich verdiept, maar in algemene zin blijkt niet uit de cijfers
dat armoede in Nederland zich verdiept. Een recente analyse over de toereikendheid
van het sociaal minimum laat zien dat de inkomenspositie van veel huishoudens op sociaal
minimum in de afgelopen jaren is verbeterd. Deze analyse is voor de zomer van 2025
verzonden aan de Tweede Kamer, als bijlage bij de routekaart Hervormingsagenda Inkomensondersteuning.
De analyse laat zien dat het totale inkomen op sociaal minimum-niveau in principe
toereikend is voor minimaal noodzakelijke uitgaven, terwijl dat bij verschijning van
het rapport van de Commissie sociaal minimum in 2023 niet het geval was. Daaruit blijkt
dat de inkomenspositie van huishoudens op het sociaal minimum in de afgelopen jaren
is verbeterd, met name door verhogingen van het kindgebonden budget en de huurtoeslag.
Hoewel er voor sommige individuele huishoudens sprake kan zijn van verdieping van
armoede, blijkt niet uit de cijfers dat het aantal mensen in diepe armoede is toegenomen
(zie ook het antwoord op vraag 5). Het kabinet blijft zich inspannen voor het beter
bereiken van mensen en het voorkomen van hoge onvermijdelijke uitgaven.
Vraag 5
Zijn er cijfers van de afgelopen vijf jaar die dit aantonen en zo ja, kunt u deze
delen met de Kamer? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Antwoord 5
Het CPB heeft in de publicatie De armoede-intensiteit: een raming van de diepte van armoede een figuur opgenomen die de (verwachte) ontwikkeling van het aantal mensen in armoede
laat zien in de periode 2018–2026, uitgesplitst naar armoede-intensiteit (hieronder
toegevoegd). Dit figuur laat zien dat het aantal personen die diep in de armoede zitten
(dus een hoge armoede-intensiteit) afgelopen jaren ongeveer gelijk is gebleven.
Figuur: Ontwikkeling aantal personen in armoede, uitgesplitst naar armoede-intensiteit
Vraag 6
Deelt u de opvatting dat het voorzien van kinderen in hun basisbehoeften, zoals een
bril, warme kleding of menstruatieproducten, primair een taak is van de overheid en
niet van (sinterklaas)stichtingen en fondsen wanneer ouders hier financieel niet voor
kunnen zorgen? Waarom wel of niet?
Antwoord 6
Het Rijk heeft de kerntaak om te zorgen voor bestaanszekerheid en werkgelegenheid
en doet dit onder andere middels inkomensondersteuning, zoals kinderbijslag en kindgebonden
budget. Het kan zijn dat mensen door onzeker inkomen, hoge onvermijdbare uitgaven
of een ingrijpende gebeurtenis, zoals een scheiding, zich tijdelijk in een financieel
kwetsbare positie bevinden. De gemeente kan dan de inwoner ondersteunen. Ook zijn
er verschillende partijen in het maatschappelijk middenveld, zoals bijvoorbeeld de
kerken of particuliere fondsen, die mensen ondersteunen.
Vraag 7
Bent u op de hoogte van de gevolgen voor kinderen wanneer ouders niet voor hun basisvoorzieningen
kunnen betalen, zoals schaamte, kans op pesten en verminderde sociale interactie?2
Antwoord 7
Ja.
Vraag 8
Deelt u de opvatting dat elk kind een gelijke start verdient maar dat van een gelijke
start geen sprake is bij een gebrek aan basisvoorzieningen?
Antwoord 8
Ja.
Vraag 9
Wat heeft u gedaan met het rapport «Armoedestress voor kinderen en jongeren in Nederland:
basisvoorzieningen onder druk» van het Nationaal Fonds Kinderhulp dat in april aan
u is aangeboden?3
Antwoord 9
Ik heb kennisgenomen van de inzichten uit dit rapport. Kinderhulp signaleert met name
een stijging op het aantal aanvragen van basisvoorzieningen zoals brillen, beugels,
bed/kamerinrichting en persoonlijke hygiëne4. Het is nog onduidelijk wat hiervan precies de oorzaak is, maar zoals eerder genoemd
is een mogelijke verklaring dat gezinnen, inclusief werkenden met een laag inkomen,
organisaties als Kinderhulp ook beter weten te vinden. In de eerste helft van 2026
zal de inzet van de fondsen verenigd binnen het samenwerkingsverband SAM& geëvalueerd
worden.
Geen kind zou moeten opgroeien in armoede. Dit was al een belangrijk aandachtspunt
voor het kabinet en dat is het nog steeds. Op Rijksniveau zijn de afgelopen jaren
stappen gezet om ervoor te zorgen dat huishoudens op of rond het sociaal minimum meer
te besteden hebben.
Zo heeft het Rijk een aantal maatregelen genomen die het inkomen van mensen direct
verhogen. Er is bijvoorbeeld een extra belastingschijf geïntroduceerd met een verlaagd
tarief, waardoor mensen minder belasting betalen. Daarnaast wordt de arbeidskorting
vanaf 2026 aangepast, waardoor werkenden met een laag inkomen recht krijgen op meer
arbeidskorting. Het kindgebonden budget wordt in de jaren 2025–2028 stapsgewijs verhoogd,
bovenop reguliere indexatie. De afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in
de bijstand is bevroren in de jaren 2025–2027, waardoor de bijstand niet daalt in
deze jaren. Ook de huurtoeslag is vereenvoudigd en verhoogd. Vanaf 2026 krijgen de
laagste inkomens € 7,50 per maand extra huurtoeslag, en bovendien wordt de huurtoeslag
minder snel afgebouwd. Daarnaast krijgen ook huurders met een hogere huur en een lager
inkomen recht op huurtoeslag. En vanaf 2027 gaat het jeugdminimumloon omhoog voor
jongeren van 16 t/m 20 jaar.
Naast directe inkomensmaatregelen werkt het kabinet met het Nationaal Programma Armoede
en Schulden aan het voorkomen van armoede en het tegengaan van de langetermijneffecten
van armoede. Hierbij zet het kabinet in op de aanpak van kinderarmoede (voortzetten
schoolmaaltijden, financiële ondersteuning aan SAM&-partijen, start interdepartementale
aanpak om gezinnen in kwetsbare positie beter te ondersteunen), voorkomen van geldzorgen
door o.m. de subsidieregeling financiële educatie, inzet op beter bereiken van werkenden
met een laag inkomen en vereenvoudigen van (gemeentelijk) armoedebeleid.
Vraag 10
Welke lessen heeft u uit het rapport getrokken?
Antwoord 10
De ontwikkelingen van maatschappelijke organisaties en fondsen zoals Kinderhulp zijn
belangrijk om te volgen. Door vinger aan de pols te houden kunnen we tijdig schakelen
met fondsen en gemeenten over wat er nodig is om alle kinderen in Nederland goed te
kunnen blijven ondersteunen.
Vraag 11
Heeft u naar aanleiding van het rapport concrete stappen gezet om de kinderarmoede
in Nederland omlaag te brengen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 11
Geen kind zou moeten opgroeien in armoede. Dit was al een belangrijk aandachtspunt
voor het kabinet en dat is het nog steeds. Dit rapport sterkt mij in de overtuiging
dat we met onze inzet de goede weg in zijn geslagen en dat we dit door moeten zetten
zodat elk kind mee kan doen en zich kansrijk kan ontwikkelen.
Gelukkig is de financiële armoede onder gezinnen, en ook de kinderarmoede, in de laatste
vijf jaar meer dan gehalveerd. Door onder meer een hoger kindgebonden budget en een
hogere en vereenvoudigere huurtoeslag. Maar omdat het in deze gezinnen vaak niet enkel
om weinig geld gaat, hebben deze gezinnen ook tijdige hulp en ondersteuning nodig
vanuit meerdere aandachtsgebieden. Ik werk dan ook samen met verschillende ministeries,
en met gemeenten, ervaringsdeskundigen, kinderen, jongeren en andere partijen om te
komen tot een meer preventieve en integrale ondersteuning van gezinnen in een kwetsbare
positie. Daarnaast kunnen gezinnen die minder te besteden hebben ook ondersteuning
krijgen, via de gemeente of via school, voor bijvoorbeeld een lidmaatschap bij de
voetbalclub, of een fiets. En als je een lege maag hebt, is leren lastiger. Daarom
krijgen dagelijks ook 350.000 leerlingen een maaltijd van school.
Vraag 12
Welke maatregelen neemt u om de zorgwekkende stijging van 40% sinds 2021 in aanvragen
voor basisvoorzieningen voor kinderen als een warme jas, een bril of een bed om in
te slapen terug te dringen?
Antwoord 12
Op Rijksniveau zijn de afgelopen jaren stappen gezet om ervoor te zorgen dat huishoudens
op of rond het sociaal minimum meer te besteden hebben. Zie hiervoor de beantwoording
van vraag 9.
Vraag 13
Kunt u deze vragen los van elkaar beantwoorden?
Antwoord 13
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.N.J. Nobel, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.