Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Nader verslag
35 423 Wijziging van de Postwet 2009 in verband met de wijziging van de toegangsregulering van postvervoerders tot een landelijk netwerk voor postaanbieding, de borging van de continuïteit van de universele postdienst, de flexibilisering van de eisen aan de universele postdienst en de bescherming van de arbeidspositie van postbezorgers
Nr. 14 NADER VERSLAG
De vaste commissie voor Economische Zaken heeft na kennisneming van de nota van wijziging
nog behoefte nadere vragen en opmerkingen aan de regering voor te leggen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen
afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit
wetsvoorstel voldoende voorbereid.
I. ALGEMEEN
De leden van de D66-fractie vragen op welke wijze de regering een bredere maatschappelijke
visie op de postmarkt wil ontwikkelen, waarbij niet alleen gekeken wordt naar economisch
rendement, maar waar meer nog gekeken wordt naar sociale impact, werkgelegenheid en
innovatie.
De leden van de PVV-fractie hebben, mede vanwege actuele gebeurtenissen zoals een
rechterlijke uitspraak1 en het onderzoek van de Autoriteit Consument en Markt (ACM), de volgende vragen
aan de regering.
De leden van de PVV-fractie wijzen op eerdere moties die vragen om veranderingen in
de Postwet 2009 en op een uitspraak van de rechter in december jl.,2 waarin werd gezegd dat de fusie van postbedrijven zou leiden tot een ongewenst monopolie.
Deze leden vragen ook of de regering van oordeel is dat de voorgestelde wetswijziging
genoeg bescherming biedt voor de toegang tot het postnetwerk, of dat dit beter en
duidelijker in de wet moet worden vastgelegd.
De leden van de PVV-fractie vragen ook hoe de regering de uitspraken van de rechter
in december jl. en september jl.3 uitlegt. De rechter gaf daarin aan dat er geen direct gevaar was voor het voortbestaan
van de postdienst, ook niet als PostNL geen extra subsidie zou krijgen. De leden van
de PVV-fractie vragen hoe deze rechterlijke uitspraken zich verhouden tot het standpunt
van PostNL, waarin wordt gesteld dat het uitvoeren van de postdienst kan leiden tot
verliezen.
De leden van de PVV-fractie merken voorts op dat de ACM op dit moment niet genoeg
middelen heeft om de financiële administratie van PostNL goed te controleren. Zij
vragen wat de regering doet om dit te verbeteren. Wat is de stand van zaken inzake
de uitvoering van de motie-Van Meetelen?4 Ook vragen zij of de regering bereid is om de rol van de ACM expliciet te versterken
in de wet.
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast naar de laatste ontwikkelingen rondom
PostNL, dat heeft aangegeven zich mogelijk terug te trekken uit de uitvoering van
de universele postdienst (UPD). Zij vragen welke signalen de regering hierover heeft
ontvangen en hoe deze ontwikkelingen worden gevolgd. Ook vragen zij of de regering
in gesprek is met andere postbedrijven die deze taak eventueel zouden kunnen overnemen.
De leden van de PVV-fractie vragen tenslotte of de regering inmiddels met regionale
postbedrijven spreekt over het behouden van de toegang tot het postnetwerk. Zij willen
weten hoe de regering voorkomt dat deze bedrijven door de aflopende contracten met
PostNL in de knel komen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het
voorliggende wetsvoorstel tot wijziging van de Postwet 2009 en de nota van wijziging.
Deze leden hebben in het schriftelijk overleg over het ACM-onderzoek naar de postmarkt
van september jl. al veel vragen gesteld over de postmarkt en de wijziging van de
Postwet 2009 en zij danken de regering voor de beantwoording van deze vragen.5 Deze leden hebben op dit moment geen aanvullende vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en de nota van
wijziging en hebben nog enkele vragen.
Met betrekking tot regionale en perifere gebieden hechten de leden van de BBB-fractie
groot belang aan het behoud van een volwaardige postdienst in landelijke gebieden
en vragen hoe wordt voorkomen dat deze gebieden onevenredig worden geraakt.
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de regering de financiële houdbaarheid van
de UPD beoordeelt in het licht van de CBb-uitspraken waarin geen overtuigend bewijs
voor acute financiële nood is vastgesteld.
1. Hoofdlijnen van het voorstel
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat een consortium de wettelijke bezorgtaak
van PostNL wil overnemen. Deze leden vragen of dat met het wetsvoorstel dat nu voorligt
mogelijk is.
1.1 Aanleiding wetsvoorstel
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel, de memorie
van toelichting, de nota naar aanleiding van het verslag en de nota van wijziging.
Deze leden erkennen dat de postmarkt structureel verandert en dat de daling van fysieke
postvolumes gevolgen heeft voor de houdbaarheid van de universele postdienst.
1.2 Beschikbaarheid en betaalbaarheid UPD
De leden van de D66-fractie vragen hoe de regering waarborgt dat ook in een krimpende
postmarkt iedereen toegang houdt tot betrouwbare en betaalbare postdiensten, met name
in dunbevolkte of kwetsbare regio’s. Zij vragen wat het standpunt is van de regering
ten aanzien van specifieke doelgroepen zoals slechtzienden en blinden die afhankelijk
zijn van braillepost. Wat is hier de toegestane kwaliteitsnorm en wat is de limiet,
zodat deze mensen actief kunnen blijven deelnemen aan de samenleving?
De leden van de D66-fractie vragen voorts in hoeverre de regering verwacht dat de
voorgestelde kwaliteitsnormen (zoals D+2 en mogelijk D+3) aansluiten bij de maatschappelijke
behoefte en bij internationale trends. Hoe wordt voorkomen dat hierdoor essentiële
post, zoals medische en rouwpost, te laat aankomt?
De leden van de VVD-fractie vragen of al bekend is wanneer de Europese Postrichtlijn
wordt gewijzigd. Zij vragen wat hiervan de gevolgen zouden zijn voor het nu voorliggende
wetsvoorstel.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de ACM stelt dat het verlagen van het kwaliteitspercentage
naar 90% bij D+2 en 92% bij D+3 niet het belang van gebruikers en de maatschappij
dient. Deze leden vragen waarom voor dit lage percentage is gekozen, terwijl in landen
als Portugal en Slovenië het percentage veel hoger is.
De leden van de VVD-fractie vragen tenslotte wat in de afgelopen jaren het bezorgkwaliteitspercentage
van de UPD door PostNL is geweest. Deze leden vragen daarnaast of er nog sancties
openstaan voor het niet behalen van de doelstellingen in het verleden.
De leden van de BBB-fractie benadrukken met betrekking tot de maatschappelijke functie
van de UPD dat deze een maatschappelijke basisvoorziening is die van belang blijft
voor burgers en bedrijven, met name in landelijke en perifere gebieden. Deze leden
vragen de regering hoe zij waarborgt dat toegankelijkheid en bereikbaarheid van de
UPD behouden blijven voor alle regio’s, ook wanneer verdere flexibilisering wordt
doorgevoerd.
De leden van de BBB-fractie constateren dat het wetsvoorstel flexibiliteit beoogt
om de UPD uitvoerbaar te houden. Zij vragen hoe wordt geborgd dat deze flexibiliteit
niet leidt tot sluipende afbouw van wettelijke waarborgen.
2. Marktordening en toegangsregulering
De leden van de D66-fractie vragen wat het standpunt is van de regering met betrekking
tot de ontstane situatie van een ongereguleerd privaat monopolie. Zij vragen tevens
wat het standpunt is betreffende het Europese regelgevingskader dat ziet op regelmatige
aanbesteding van de UPD, en de Postwet 2009 herziet op het faciliteren van een efficiënte
aanbesteding van de uitvoering van de UPD, teneinde de economische waarde van die
uitvoeringsplicht door middel van concurrentie om de markt beter vast te kunnen stellen.
Deze leden vragen of de regering erkent dat het ontbreken van wettelijke kwaliteitsnormen
voor de markt voor zakelijke gebruikers leidt tot onwenselijke afhankelijkheid van
een monopolist met beperkte prikkels om het servicekader te handhaven.
De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering om de ACM een marktanalyse te laten
uitvoeren, op basis waarvan passende verplichtingen opgelegd kunnen worden aan PostNL.
Op welke termijn zal de uitkomst van deze marktanalyse beschikbaar zijn? Hoe verwacht
de regering de aflopende toegangsovereenkomsten te kunnen opvangen zolang de marktanalyse
nog niet beschikbaar is? Kunnen de toegangsovereenkomsten, tegen de huidige tarieven,
verlengd worden totdat de marktanalyse beschikbaar is?
De leden van de PVV-fractie willen voorts weten of de regering zichzelf verantwoordelijk
acht voor het creëren van een bredere bezorgmarkt, waarin meerdere bedrijven actief
kunnen zijn. Indien dat het geval is, vragen zij de regering uit te leggen hoe men
dat van plan is. Waarom was de regering dan eerder van plan om de toegang tot het
netwerk van PostNL te beperken, en wat betekent dit voor de verdere wijziging van
de Postwet 2009?
De leden van de BBB-fractie constateren dat het voorgestelde toegangskader voor regionale
postvervoerders tijdelijk en versoberd van aard is. Zij vragen hoe wordt voorkomen
dat regionale aanbieders structureel worden verdrongen.
De leden van de BBB-fractie vragen voorts hoe de afbouw in de voorgestelde wijzigingen
in de toegangsregulering zich verhoudt tot eerder door de Kamer aangenomen moties
over toegang voor regionale postvervoerders.
De leden van de BBB-fractie vragen tevens of de regering het risico onderkent dat
verdere concentratie de afhankelijkheid van één marktpartij vergroot.
2.1 Huidige toegangsregulering
De leden van de VVD-fractie vragen of er gevolgen zijn, en zo ja, wat deze gevolgen
dan zijn, van de recente uitspraak van de rechter dat de overname van Sandd door PostNL
niet had mogen gebeuren. Kan het wetsvoorstel, zoals dat nu voorligt, verder behandeld
worden?
De leden van de BBB-fractie merken op dat de postmarkt inmiddels sterk geconcentreerd
is. Zij wijzen erop dat recente uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven
(CBb) hebben bevestigd dat de ACM terecht heeft geoordeeld dat de fusie tussen PostNL
en Sandd tot significante mededingingsproblemen leidt.
De leden van de BBB-fractie vragen de regering hoe deze juridische realiteit wordt
betrokken bij een wetsvoorstel dat feitelijk uitgaat van een geconsolideerde marktstructuur.
De leden van de BBB-fractie vragen tenslotte hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot
het mededingingsrechtelijk oordeel van de ACM en de bevestiging daarvan door het CBb.
2.2 Nieuwe toegangsregulering
De leden van de VVD-fractie merken op dat de mogelijkheid voor nieuwe toetreders in
de Postwet 2009 wordt beperkt, terwijl de ACM dit wel adviseert. Deze leden vragen
wat de reden hiervoor is. Deze leden vragen tevens hoe er voor nieuwe toetreders met
het huidige wetsvoorstel wel een rendabele toetreding kan worden georganiseerd.
De leden van de VVD-fractie vragen tenslotte, met alle nieuwe actualiteiten zoals
potentiële nieuwe toetreders of het consortium dat de UPD wil overnemen in gedachten,
hoe er door de regering naar het Deens model van de post wordt gekeken.
2.3 Eindgebruikersbescherming
De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat de ACM kritiek heeft op het voorliggende
wetsvoorstel, omdat dit volgens de ACM onvoldoende bescherming biedt voor de eindgebruikers
en onvoldoende bijdraagt aan de ontwikkeling van de brede bezorgmarkt. Zij vragen
hoe de regering deze kritiek meeneemt in de verdere behandeling en aanpassing van
het wetsvoorstel en welke concrete stappen daarbij worden gezet.
De leden van de VVD-fractie vragen op welke manier de ACM onderscheid kan maken in
toegerekende kosten als er in de postzak van de bezorger zowel UPD als niet-UPD post
zit.
3. Toekomstbestendige UPD
De leden van de BBB-fractie hebben met betrekking tot de wettelijke grondslag met
bijzondere aandacht kennisgenomen van de voorgestelde delegatie van de reikwijdte
van de UPD naar lagere regelgeving. Deze ledenwijzen erop dat de Afdeling advisering
van de Raad van State eerder heeft aangegeven dat essentiële kenmerken van de UPD
op wetsniveau moeten worden vastgelegd. Zij vragen hoe de regering deze delegatie
hiermee verenigbaar acht.
De leden van de BBB-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat aanpassingen in bezorgfrequentie
ten koste gaan van betrouwbaarheid.
4. Bescherming postbezorgers
De leden van de D66-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat de versobering van de UPD
leidt tot onevenredig inkomensverlies en baanonzekerheid voor duizenden postbezorgers.
Hoe wordt geborgd dat ook medewerkers met een afstand tot de arbeidsmarkt toegang
houden tot fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en werkzekerheid?
II. Nota van wijziging6
1. Jaarlijkse rapportage UPD
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de rapportageverplichting voor de uitvoerder
van de UPD in dit wetsvoorstel wordt vormgegeven. Daarbij vragen ze specifiek naar
frequentie en omvang van deze verplichting. Tevens vragen zij om een inschatting te
geven van de administratieve kosten (tijd en geld) en van de managementaandacht die
dit tot gevolg zal hebben.
2. Referentietarief
De leden van de CDA-fractie vragen hierbij hoeveel aanbieders op dit moment gebruik
maken van de referentietariefsystematiek en of de regering in kan gaan op de te verwachten
gevolgen voor de bedrijfsvoering van die bedrijven wanneer het referentietarief afgeschaft
zou worden. Deze leden vragen ook hoe de prijsontwikkeling van de referentietarieven
de afgelopen jaren is geweest in relatie tot de inflatie.
De leden van de CDA-fractie vragen tevens hoe het wetsvoorstel in de huidige vorm
zich verhoudt tot de aangenomen moties Thijssen7 en Vermeer/Kisteman.8
3. Sociale werkvoorziening
De leden van de CDA-fractie hechten veel waarde aan de rol die de post speelt in de
sociale werkvoorziening. Deze leden vragen de regering of de gevolgen van dit wetsvoorstel
in zijn huidige vorm voor de sociale werkvoorziening op een rij gezet kunnen worden.
4. Postbesluit 2009
De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering reeds een concept-Postbesluit
in internetconsultatie heeft gebracht waarin de overkomstduur verhoogd wordt naar
48 uur en per 1 juli 2027 naar 72 uur.9 Deze leden vragen hoe de keuze voor D+3 per 1 juli 2027 zich verhoudt tot de Kamerbrief
van 30 juni 2025,10 waarin een ingroeimodel naar D+3 wordt voorgesteld waar D+3 per 1 januari 2029 en
onder voorwaarden per 1 januari 2028 wordt genoemd. Ook vragen deze leden wat nu de
status is van het ingroeimodel uit de brief. Indien er nog steeds sprake is van een
voorgenomen ingroeimodel conform de brief van 30 juni jl., dan vragen deze leden wat
het eindjaar is waarop getoetst wordt of de gemiddelde 7% daling vanaf 2024 is ingezet.
Deze leden vragen voorts hoe de voorziene inwerkingtreding van dit concept-besluit
zich verhoudt tot de inwerkingtredingsdatum van het voorliggende wetsvoorstel. Kan
deze wijziging ook doorgevoerd worden als dit wetsvoorstel geen doorgang vindt? Deze
leden vragen in hoeverre deze versoepeling leidt tot een financieel toekomstbestendige
UPD.
Deze leden vragen ook of D+3 het voorgenomen eindstation is. Indien dat niet het geval
is, kan de regering dan aangeven of er een nog verdere verhoging van de overkomstduur
na bijvoorbeeld 2030 overwogen wordt.
5. Langetermijnvisie/ontwikkelingen
De leden van de CDA-fractie merken op dat dit wetsvoorstel geen inzicht biedt in de
houdbaarheid bij verder afnemende volumes. Deze leden lezen in de brief van het kabinet
over de «Toekomstige ontwikkeling van de Nederlandse postsector» van 30 juni jl. dat
in de tweede helft van het jaar een scherper toekomstbeeld na 2035 kan worden opgesteld
en dat een onderzoek over een effectief rendementsplafond wordt uitgevoerd. Wanneer
kan de Kamer deze informatie verwachten? Voorts vragen deze leden wat volgens de regering
het verwachte effect is van afnemende postvolumes op het baanaanbod van postbezorgers
en in hoeverre dit door natuurlijk verloop opgevangen zou kunnen worden.
De leden van de CDA-fractie missen in het wetsvoorstel een langetermijnvisie op de
toekomst van de UPD in Nederland. Welk perspectief heeft de regering op de marktordening
die in 2030–2040 van toepassing zou moeten zijn?
6. Postrichtlijn
De leden van de CDA-fractie hebben ook een aantal vragen over de Postrichtlijn. Voldoet
de huidige inrichting van de Nederlandse UPD en de bredere postmarkt in Nederland
aan de Europese Postrichtlijn? Kan de regering ook aangeven hoe het afschaffen van
het referentietarief zich verhoudt tot het principe uit de Europese Postrichtlijn
dat sprake moet zijn van non-discriminatoire voorwaarden voor toegang?
Kan de regering voorts aangeven hoe op dit moment artikel 11bis uit de Postverordening
geïmplementeerd is? Verder vragen deze leden ook om de huidige stand van zaken ten
aanzien van de herziening van de Postrichtlijn. Klopt het beeld van deze leden dat
voor een verlaging van het aantal bezorgdagen naar minder dan vijf een herziening
van de Postrichtlijn noodzakelijk is?
7. ACM
De leden van de CDA-fractie merken op dat uit de schriftelijke reacties van belangrijke
stakeholders verwarring blijkt over de vorm (en afbouw) van de tariefregulering. Kan de regering
kwalitatief en kwantitatief in beeld brengen wat het verschil is tussen «retail minus» (ACM), «kostprijs plus» (ook ACM) en «korting» (Ministerie)?
De leden van de CDA-fractie hebben een aantal vragen over het ACM-rapport waaraan
in de nota van wijziging wordt gerefereerd. Daarin lezen deze leden «dat pakketbezorgers
een concurrerend aanbod kunnen doen voor een D+1 prioriteitsdienst, brievenbuspakketjes,
aangetekende post en op termijn ook voor zwaardere poststukken.» Kan de regering aangeven
hoe zij dit advies gewogen heeft?
Voorts vragen deze leden of scenario 4 van de ACM analyse in 2029 tot een rendabel
bedrijfsresultaat (nEBIT) voor PostNL leidt. Met andere woorden, doet dit voorstel
wat het beoogt om de uitdaging op economische houdbaarheid van de uitvoerder te adresseren?
Wat zou het effect zijn in scenario 4 als deze gemiddelde daling wordt doorgetrokken
naar de periode 2030–2035? Dit zonder verdere aanpassingen aan betrouwbaarheid of
betaalbaarheid of operationele interventies van PostNL.
Deze leden vragen tevens met welke jaarlijkse gemiddelde daling van de brievenpostvolumes
voor 2025–2029 rekening wordt gehouden in de ACM scenario-analyses.
Deze leden krijgen ook graag inzicht in de sensitiviteit van de analyse voor de belangrijke
variabele van het postvolume. Wat zou het effect in scenario 4 in 2029 en in 2035
zijn als de brievenpostvolumes jaarlijks 25% harder stijgen of dalen?
De leden van de CDA-fractie vragen om een inschatting van het huidige betrouwbaarheidspercentage
in de zakelijke postmarkt. Kan de regering haar overweging delen op het niet opnemen
van een betrouwbaarheidsdoelstelling (van bijvoorbeeld minimaal 95%, zoals opgenomen
in de scenario’s 2 en 4 van de ACM) voor de zakelijke partijenpost?
De leden van de CDA-fractie vragen tenslotte om een reflectie van de regering op de
effectiviteit van de toezichthouder ACM, gegeven de voorwaarden die gesteld worden
in de Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken over het ex ante toezicht
op grond van de Postwet 2009.
De leden van de BBB-fractie wijzen op bevindingen van de ACM waaruit volgt dat betrouwbaarheid
en voorspelbaarheid voor gebruikers belangrijker zijn dan snelheid. Zij vragen hoe
deze gebruikersbehoeften leidend worden gemaakt bij toekomstige keuzes.
De leden van de BBB-fractie vragen waarom is gekozen voor niet-bindende aanwijzingen
terwijl de ACM aangeeft dit onvoldoende te achten.
De leden van de BBB-fractie vragen tevens waarom de ACM geen afdwingbaar recht heeft
op volledige inzage in de financiële gegevens van de UPD-uitvoerder.
8. Wijzigingen toegangsregels in nota van wijziging
De leden van de BBB-fractie constateren dat het volume fysieke post sterk is afgenomen
en dat deze trend zich naar verwachting voortzet. Zij merken daarbij op dat volumeafname
op zichzelf geen rechtvaardiging vormt voor het verlagen van de publieke waarborgen.
9. Consultatie van betrokken partijen
De leden van de BBB-fractie constateren dat de nota van wijziging niet is voorgelegd
voor internetconsultatie en vragen de regering waarom daarvan is afgezien.
De fungerend voorzitter van de commissie, Michon-Derkzen
Adjunct-griffier van de commissie, Krijger
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
I.J.M. Michon-Derkzen, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken -
Mede ondertekenaar
H.W. Krijger, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.