Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. het Verslag Raad Algemene Zaken van 17 november 2025 (Kamerstuk 21501-02-3292)
21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken
Nr. 3312
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 12 december 2025
De vaste commissie voor Europese Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de brief van 21 november 2025 over het
Verslag Raad Algemene Zaken van 17 november 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3292) en over de brief van 3 december 2025 over de Geannoteerde Agenda Raad Algemene Zaken
16 december 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3298).
De vragen en opmerkingen zijn op 8 december 2025 aan de Minister van Buitenlandse
Zaken voorgelegd. Bij brief van 12 december 2025 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Erkens
De griffier van de commissie, Blom
Inhoudsopgave
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie en reactie van de bewindspersoon
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie en reactie van de bewindspersoon
6
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie en reactie van de bewindspersoon
9
Vragen en opmerkingen van de GroenLinks-PvdA-fractie en reactie van de bewindspersoon
15
Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie en reactie van de bewindspersoon
18
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie en reactie van de bewindspersoon
19
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie en reactie van de bewindspersoon
21
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie en reactie van de bewindspersoon
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de Raad Algemene Zaken (RAZ). Deze leden hebben hier nog enkele vragen
over.
De leden van de D66-fractie lezen in de agenda dat de bijeenkomst in Lviv mede wordt
georganiseerd omdat door de blokkade van één lidstaat geen formele stappen kunnen
worden gezet in het toetredingsproces van Oekraïne. Deze leden waarderen de houding
van het kabinet en onderstrepen het grote belang van een voorspoedige toetreding van
Oekraïne tot de Unie, maar wijzen de Minister erop dat inmiddels in meerdere lidstaten
sprake is van een anti-Oekraïne agenda.
De leden van de D66-fractie vragen de Minister wat de verwachte houding is van lidstaten
zoals Hongarije, Slowakije en Tsjechië ten aanzien van de voortgang van het Oekraïense
toetredingsproces tijdens de RAZ en de Europese Raad, maar ook tijdens de bijeenkomst
in Lviv. Welke inzet kiest Nederland richting lidstaten waar de steun voor de Oekraïense
toetreding en steun voor Oekraïne in bredere zin onder druk staat?
1. Antwoord van het kabinet:
Het toetredingsproces is een op merites gebaseerd proces. De voortgang van elke kandidaat-lidstaat
wordt door lidstaten beoordeeld, met als uitgangspunt de voortgangsrapportages van
de Commissie. De Raad stelt de gemeenschappelijke positie van de EU vast voor bepaalde
aspecten van de toetredingsonderhandelingen, zoals het openen van een Cluster. De
Raad beslist daarbij met unanimiteit. Het kabinet kan niet ingaan op de positie van
individuele lidstaten zoals Slowakije en Tsjechië. Van Hongarije is bekend dat het
de opening van Cluster 1 met Oekraïne blokkeert. Dergelijke oneigenlijke bilaterale
blokkades zijn onwenselijk en schaden de geloofwaardigheid van het uitbreidingsproces.
Deze boodschap heeft het kabinet meerdere malen in EU-verband overgebracht. Het kabinet
stelt zich constructief op in de discussies binnen de Raad en tussen lidstaten over
manieren waarop met de Hongaarse blokkade kan worden omgegaan. Tegelijkertijd benadrukt
het kabinet dat de uitbreidingsmethodologie en besluitvormingsprocedures in stand
moeten worden gehouden. Dit betekent dat er geen formele besluitvormingsstappen overgeslagen
kunnen worden en dat unanimiteit bij besluitvorming een vereiste blijft.
Het kabinetsstandpunt is gericht op het onderstrepen van het EU-perspectief van Oekraïne
en tegelijkertijd aangeven dat concrete resultaten van onder andere rechtsstaathervormingen
en anti-corruptiemaatregelen essentieel zijn voor voortgang op het EU-pad. De leden
van de D66-fractie hebben hier begrip voor en benadrukken het belang van een democratische
rechtsstaat. Deze leden vragen of de Minister, met het oog op de Europese vrede en
veiligheid, van plan is om te kijken naar opties voor versnelde toetreding van Oekraïne
op bepaalde beleidsgebieden of in specifieke sectoren van de Unie.
2. Antwoord van het kabinet:
De positie van het kabinet ten aanzien van geleidelijke integratie is dat dit overwogen
kan worden als dit in het belang is van Nederland, de EU en de kandidaat-lidstaat,
en als de integriteit van de interne markt en interne veiligheid gewaarborgd blijven.
Integratie in delen van de interne markt dient vooraf te worden gegaan door overname,
implementatie en handhaving van relevante onderdelen van het EU-acquis en moet gepaard
gaan met hervormingen en respect voor de rechtsstaat. Geleidelijke integratie kan
(potentiële) kandidaat-lidstaten perspectief bieden voorafgaand aan EU-lidmaatschap
en deze belangrijke buurlanden sterker aan de EU binden. Dit geldt ook voor Oekraïne.
Daarnaast wijzen de leden van de D66-fractie op het MATRA-programma dat (potentiële)
kandidaat-lidstaten en landen van het Oostelijk Partnerschap ondersteunt bij de versterking
van hun rechtsstaat en democratie. Dit is een cruciaal instrument om de gevraagde
hervormingen in Oekraïne te faciliteren. Deze leden benadrukken het belang van dit
programma en maken zich zorgen over de forse bezuinigingen. Deze leden vragen de Minister
wat het huidige budget is dat naar dit programma gaat, en beoordeelt de Minister dit
als voldoende gezien de urgentie en het belang van de EU-toetreding van Oekraïne en
andere kandidaat-lidstaten in die regio?
3. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet onderschrijft het grote belang van het Nederlands Fonds voor Regionale
Partnerschappen (NFRP) MATRA-programma. Het is al jarenlang een waardevol instrument
voor de versterking van democratie en rechtsstaat in (potentieel) kandidaat-lidstaten
en landen van het Oostelijk Partnerschap. Tegelijkertijd is er ook uitvoering gegeven
aan de bezuinigingen op non-ODA middelen: het totale MATRA-budget zal aanzienlijk
dalen van circa EUR 13.4 mln. in 2025 naar EUR 7.4 mln. in 2027. Conform motie Piri
c.s.1 is onderzocht of er ruimte is op de begrotingsposten waar vaak onderuitputting is
om het NFRP, inclusief MATRA en het Politieke Partijen Programma in 2026 en 2027 budgettair
onverminderd ten opzichte van 2025 voort te zetten. Dit is niet het geval. De taakstellingen
volgend uit het hoofdlijnenakkoord dwingen het ministerie om scherpe keuzes te maken.
Bij de invulling van de bezuinigingen zijn alle non-ODA programmabudgetten gekort.
Voor MATRA, net als het Mensenrechtenfonds, is geprobeerd deze deels te ontzien maar
gezien de omvang van deze budgetten in het totaalbeeld van non-ODA bleek het niet
mogelijk om deze ongemoeid te laten. Daarnaast is er gesneden in budgetten waar historisch
gezien vaak onderuitputting was om aan de taakstellingen te voldoen. Hierdoor is er
op dit moment geen extra ruimte om uitvoering te geven aan deze motie door gebruik
te maken van onderuitputting. Mocht uw Kamer het wenselijk achten om toch de bezuiniging
op het NFRP terug te draaien, dan zal dit ten koste gaan van een ander programmabudget
binnen de BZ-begroting, en dan zullen we het gesprek hierover met de Kamer aangaan.
Aan Oekraïne biedt Nederland, in overeenstemming met de motie Paternotte/Veldkamp2 en Van Campen/Paternotte3, bilaterale steun bij het voldoen aan de Kopenhagencriteria en het EU-acquis. Deze
steun wordt onder meer via het NFRP MATRA-programma gegeven en richt zich met name
op hervormingen van de rechtsstaat. Het MATRA-budget voor Oekraïne is bij de bezuinigingen
zoveel mogelijk ontzien en waar mogelijk zelfs opgehoogd. Daarnaast heeft het kabinet
EUR 3 mln. extra vrijgemaakt voor projecten in Oekraïne op het gebied van democratie
en rechtsstaat voor 2026. Nederland blijft zich zodoende inzetten voor het versterken
van de democratie en rechtsstaat in kandidaat-lidstaten, waaronder Oekraïne.
De leden van de D66-fractie onderstrepen het belang van de herstelinvesteringsleningen
aan Oekraïne en zijn positief over de doorbraak over het gebruik van de opbrengsten
van de bevroren Russische tegoeden. Is de Minister bereid om tijdens de aanstaande
RAZ en de Europese Raad geen enkele financieringsmogelijkheid voor de steun aan Oekraïne
te blokkeren?
4. Antwoord van het kabinet:
Duidelijk is dat Oekraïne op korte termijn meer steun nodig heeft, zowel militair
als financieel om maatschappelijk en economisch op de been te blijven. Het IMF schat
deze noden op EUR 135 mld. voor 2026–2027. De Commissie heeft op 3 december jl. wetsvoorstellen
gedeeld voor twee opties: de herstellening op basis van de geïmmobiliseerde Russische
Centrale Banktegoeden; en EU-leningen op basis van gemeenschappelijke uitgifte van
schuld door de EU. Het is van belang dat de Europese Raad in december een politiek
akkoord op hoofdlijnen bereikt over de financiering van steun, ook met oog op de definitieve
besluitvorming over het nieuwe IMF-programma. Dit vindt uiterlijk in januari plaats
en vereist overtuigend zicht op financiële steun vanuit de EU. Het kabinet acht het
Commissievoorstel voor herstelleningen de meest kansrijke optie en geeft hieraan de
voorkeur. Echter sluit het kabinet, gezien de urgente noden van Oekraïne, ook de andere
door de Commissie voorgestelde opties niet op voorhand uit. Uw Kamer zal op korte
termijn nader worden geïnformeerd over de appreciatie van de Commissievoorstellen.
In de geannoteerde agenda hebben de leden van de D66-fractie kennisgenomen van de
derde bespreking over het volgend Meerjarig Financieel Kader (MFK) tijdens de aanstaande
RAZ.
De leden van de D66-fractie benadrukken, gegeven de huidige situatie van een demissionair
kabinet en de veranderde politieke samenstelling van de Tweede Kamer, dat het van
belang is dat het kabinet terughoudendheid betracht bij het vastleggen van lange termijnposities.
Deze leden vragen de Minister wat de concrete, inhoudelijke positie van het kabinet
over het volgende MFK is, en is de Minister het met deze leden eens dat het kabinet
zich in deze fase van de onderhandelingen een constructieve, neutrale positie moet
aanmeten die alle onderhandelingsopties openhoudt voor de nieuw te vormen coalitie?
5. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet zet in op een moderne en toekomstbestendige EU-begroting. Dit betekent
dat de nieuwe begroting meer gericht moet worden op het versterken van het Europese
concurrentievermogen met als fundament een sterke, interne markt en inzet op onderzoek
en innovatie, een stevig asiel en migratiebeleid, en veiligheid en defensie. Daarnaast
zet het kabinet in op een beperking van de stijging van de Nederlandse afdrachten
aan de EU in lijn met de budgettaire afspraken uit het Hoofdlijnenakkoord.
Het kabinet heeft in de kabinetsappreciatie van de Commissievoorstellen inzake het
Meerjarig Financieel Kader (MFK) en het Eigenmiddelenbesluit (EMB)4 aangegeven dat het MFK een essentieel onderdeel vormt van het instrumentarium van
de EU om Europese doelstellingen te verwezenlijken en aan Europees beleid uitvoering
te geven. Bovendien zijn het MFK en het EMB niet controversieel verklaard door de
Kamer. Daarom zet het kabinet zich actief in tijdens de onderhandelingen over het
MFK, in nauwe afstemming met uw Kamer. Tegelijkertijd zijn de onderhandelingen over
het volgend MFK een lang proces waarbij naar verwachting pas laat in het proces de
belangrijkste knopen doorgehakt zullen worden.
Bij eerdere RAZ-vergaderingen bleek Nederland aan te schuiven bij een informele bijeenkomst
met een duidelijke politieke signatuur die gevolgen heeft voor de diplomatieke positie
en perceptie van Nederland voor de komende jaren. De leden vragen de Minister of hij
kan toezeggen dit niet opnieuw te doen.
6. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet probeert altijd op Europese dossiers zo nauw mogelijk op te trekken met
andere lidstaten ten behoeve van een zo goed mogelijk onderhandelingsresultaat. Dit
geldt ook voor het MFK waar het kabinet samenkomt met andere lidstaten in wisselende
samenstellingen om de hierboven genoemde inzet te bereiken.
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de bespreking van het herfstpakket
van het Europees Semester, dat onder meer de beoordeling van de ontwerpbegrotingsplannen
van de eurolanden voor 2026 en de beoordeling van buitensporige tekorten omvat. Met
het oog op het toezicht op de overheidsfinanciën vragen deze leden de Minister wat
de huidige inschatting van het kabinet is over de budgettaire positie van Nederland
in relatie tot de criteria van het Stabiliteits- en Groeipact. Verwacht het kabinet
dat de beoordeling in het kader van het Europees Semester op de lange termijn ertoe
zal leiden dat Nederland zelf te maken krijgt met aangescherpt toezicht vanuit de
Europese Commissie en/of de Raad?
7. Antwoord van het kabinet:
Elk jaar dienen de lidstaten van de eurozone uiterlijk op 15 oktober hun ontwerpbegroting
(draft budgetary plan, DBP) in bij de Commissie. In dit document leggen lidstaten uit hoe zij, binnen de
Europese begrotingsregels, hun nationale begrotingsdoelen willen realiseren. De Europese
Commissie constateert op basis van deze ontwerpbegroting dat Nederland in 2025 en
2026 zowel het jaarlijkse als het cumulatieve uitgavenplafond overschrijdt. Deze overschrijding
betekent dat Nederland op de middellange termijn het risico loopt de normen van 3%
voor het tekort en 60% voor de overheidsschuld te overschrijden. Zolang Nederland
onder deze referentiewaarden blijft, kunnen geen handhavingsmaatregelen worden opgelegd.
Nederland voldoet op dit moment aan deze Europese normen, met een schuld ruim onder
de 60% en een tekort onder de 3%.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie en reactie van de bewindspersoon
De leden van de PVV-fractie constateren dat op de agenda van de Raad Algemene Zaken
d.d. 16 december 2025 ter bespreking het Meerjarig Financieel Kader (MFK) staat. Lidstaten
krijgen straks via nieuwe Nationale en Regionale Partnerschap Plannen (NRPP) geld,
mits ze doen wat de Commissie wil («alignment with EU priorities»), en de Europese
Commissie wil een flexibiliteitspercentage van 25% waardoor (democratische) controle
op de uitgaven wordt bemoeilijkt, terwijl er al geen positief rapport van de Europese
Rekenkamer te vinden is.
De leden van de PVV-fractie constateren voorts dat het Eigenmiddelenbesluit (EMB)
onderdeel is van de MFK-onderhandelingen. De Europese Commissie wil nieuwe belastingen
gaan heffen ter hoogte van 58 miljard per jaar: ETS1, CBAM, e-waste, tabak, CORE,
en die gaan – als ze worden ingevoerd – per 1 januari 2028 uiteraard de prijzen opdrijven
voor de Nederlandse consument. Ondertussen doet de Europese Commissie niets, maar
dan ook helemaal niets, om migratie te beperken en duidt het Werkprogramma van de
Europese Commissie voor 2026 niet op enig gevoel van urgentie om de buitengrenzen
daadwerkelijk te bewaken en te zorgen dat de massa-immigratie wordt gestopt. Waar
de Europese Commissie dan weer wél prioriteringsruimte voor heeft, is het EU-Uitbreidingsprogramma
en rechtsstaatdialogen met lidstaten.
De leden van de PVV-fractie hebben de volgende vragen aan de Minister:
1. Deelt de Minister de analyse van de leden van de PVV-fractie dat de NRPP’s buitensporig
veel invloed en macht bij de Europese Commissie leggen? Zo nee, hoe ziet de Minister
dat?
8. Antwoord van het kabinet:
In het voorstel voor de NRPP’s ligt de hoofdverantwoordelijkheid bij de lidstaten
zelf. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor de opzet, financiële uitwerking en uitvoering
van het plan, inclusief de monitoring daarvan. Daarnaast is er ruimte om te sturen
op inhoudelijke prioriteiten door inzet van de niet-gealloceerde middelen in de nationale
NRP-enveloppen. Binnen de NRPP’s richt de Commissie zich voornamelijk op het doen
van aanbevelingen, het toetsen aan de wettelijke kaders, de monitoring van de voortgang
op in de plannen gestelde doelen (onder andere ten aanzien van landspecifieke aanbevelingen)
en het bewaken van de aansluiting op bredere EU-doelstellingen. Het kabinet is daarom
niet van mening dat te veel invloed en macht bij de Europese Commissie komt te liggen
bij de NRPP’s.
2. Deelt de Minister de analyse van de leden van de PVV-fractie dat het flexibiliteitspercentage
van 25% de toch al lekke EU-geldmand nóg oncontroleerbaarder maakt en vindt de Minister
ook dat Nederland nooit akkoord moet gaan met het verder verbloemen van de financiële
onkunde van de Europese Commissie?
9. Antwoord van het kabinet:
Het voorgestelde flexibiliteitspercentage van 25% is primair bedoeld om te voorkomen
dat alle middelen al aan het begin van het MFK worden toebedeeld, waardoor er geen
middelen meer beschikbaar zijn op het moment dat nieuwe prioriteiten opkomen. Het
creëren van meer flexibiliteit in het MFK, onder meer met dit flexibiliteitspercentage,
draagt daarom juist bij aan een meer doelmatige besteding van het geld en maakt de
begroting niet oncontroleerbaar. Daarnaast blijft de Europese Rekenkamer de uitgaven
onder het MFK controleren, waaronder ook de uitgaven die onder het flexibiliteitspercentage
gebruikt worden.
3. Kan de Minister toezeggen dat Nederland niet akkoord zal gaan met (nieuwe) Europese
belastingen en zo nodig daarover haar veto zal uitspreken?
10. Antwoord van het kabinet:
Zoals aangegeven in de Kamerbrieven van 28 maart jl. en van 12 september jl. zal het
kabinet voorstellen voor nieuwe eigen middelen niet bij voorbaat omarmen en zal het
deze voorstellen op eigen merites beoordelen. Daarnaast heeft het kabinet een zeer
kritische houding ten aanzien van het voorgestelde nieuwe eigen middel dat gebaseerd
is op een afdracht die lidstaten zouden innen bij ondernemingen met een jaaromzet
van meer dan 100 miljoen euro, als bijdrage voor het mogen opereren op de interne
markt (CORE). Verder verwijst het kabinet naar het beoordelingskader voor nieuwe eigen
middelen dat is opgenomen in de brief van 12 september jl. waarbij wordt gekeken naar
het (netto)-effect op de Nederlandse afdrachten, de voorspelbaarheid, stabiliteit
en uitvoerbaarheid, en in hoeverre het nieuwe eigen middel aansluit bij Europese en
nationale beleidsdoelstellingen.
4. Wat is de Minister bereid te doen om de Europese Commissie ertoe te bewegen de
buitengrenzen eindelijk eens fatsoenlijk te dichten en de massa-immigratie te stoppen?
11. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet blijft benadrukken dat de volledige implementatie van het Asiel- en Migratiepact
(hierna: Pact) essentieel is. Het Pact bevat belangrijke elementen om de buitengrenzen
te versterken. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de invoering van de verplichte asielgrensprocedure,
de Eurodac-registratie en screening. Daarnaast zet het kabinet zich er in Europees
verband voor in, dat tekortkomingen in de implementatie van het Schengen-acquis met
betrekking tot de buitengrenzen geadresseerd worden.
5. Constaterende dat het uitbreidingsprogramma wordt geagendeerd voor een apart commissiedebat
over EU-uitbreiding, is de Minister bereid in aanloop daar naartoe een (uitgebreide)
kosten/baten-analyse te maken van EU-uitbreiding voor Nederland? Wat hebben eerdere
uitbreidingsbesluiten Nederland opgeleverd en wat hebben ze gekost, wat zijn de ramingen
voor nieuwe toetredingen en wat is het te verwachten effect op migratiestromen naar
Nederland vanuit nieuw toetredende landen?
12. Antwoord van het kabinet:
Er zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke gevolgen van EU-uitbreiding
voor Nederland. Zo heeft SEO Amsterdam Economics in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken onderzoek gedaan naar de economische
effecten van uitbreiding. De conclusie van het in februari 2025 gepubliceerde rapport
luidt dat de economische impact voor Nederland en de EU positief, maar macro-economisch
beperkt is.5 Het CPB publiceert naar verwachting op 11 december in opdracht van het Ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een studie, waarin de mogelijke effecten van
verdere EU-uitbreiding op de migratie van toetredende landen naar Nederland wordt
onderzocht. Verder publiceert de Commissie naar verwachting begin 2026 een mededeling
waarin ze de gevolgen van uitbreiding voor belangrijke beleidsterreinen evalueert.
Op basis daarvan zullen lidstaten analyseren welke hervormingen nodig zijn om nieuwe
lidstaten succesvol te absorberen, zonder dat dit ten koste gaat van het handelingsvermogen
van de Unie. Uw Kamer ontvangt een kabinetsappreciatie van deze mededeling volgens
de reguliere informatie-afspraken.
6. De Europese Commissie voert rechtsstaatdialogen met lidstaten van de Unie. Is het,
gezien de recente publicaties over wéér een corruptieschandaal bij de Europese instituties,
een idee om die gesprekken eens om te draaien? Wil de Minister namens Nederland daar
het voortouw in nemen? Zo nee, waarom niet?
13. Antwoord van het kabinet:
De berichtgeving rondom de European Diplomatic Academy (EUDA) is zorgwekkend. Het onderzoek door het Europees Openbaar Ministerie (EPPO)
in samenwerking met het Europees bureau voor fraudebestrijding (OLAF) naar mogelijke
belangenverstrengeling en corruptie met betrekking tot de aanbesteding rondom EUDA
loopt. Het kabinet onderstreept het belang van het waarborgen van integriteit, ook
om het vertrouwen van burgers in de EU-instellingen te behouden. Het is belangrijk
om daarover afspraken te maken tussen EU-instellingen. Het kabinet is dan ook voorstander
van het snel voltooien van het interinstitutioneel orgaan voor ethiek (Ethics Body). Het kabinet zet zich in om dit orgaan zo effectief mogelijk te maken, bijvoorbeeld
door te onderzoeken hoe het instellingen kan aansporen om anti-corruptietrainingen
aan te bieden.
7. Volgens de voorzitter van de Europese Commissie wordt tijdens deze Raad ook gesproken
over garantstelling voor de Russische tegoeden. Kan de Minister toezeggen dat Nederland
niet garant zal staan voor de terugbetaling van Russische tegoeden, in welke vorm
dan ook?
14. Antwoord van het kabinet:
In EU-verband wordt op dit moment gesproken over twee mogelijke financieringsopties
voor steun aan Oekraïne, waarvan een de herstellening betreft op basis van de geïmmobiliseerde
Russische Centrale Banktegoeden. Hierbij stelt de Commissie een constructie voor waarbij
de relevante financiële instellingen de kasgelden op hun balans investeren in een
speciaal EU-schuldinstrument. De claim van de Russische centrale bank op de tegoeden
blijft daarbij in stand. EU-lidstaten geven in dit voorstel bilaterale garanties af
om zeker te stellen dat de Unie de financiële instellingen op elk moment kan terugbetalen
om aan verplichtingen jegens de Russische centrale bank te kunnen voldoen. Het kabinet
heeft begrip voor de noodzaak voor EU-lidstaten om bilaterale garanties af te geven,
zodat de Europese Unie de leningen aan de financiële instellingen altijd kan afbetalen.
Dit is van belang voor een technisch en financieel houdbare constructie. Uitgebreidere
appreciatie van de voorstellen komt uw Kamer op korte termijn toe.
Het kabinet acht het van groot belang dat tijdens de aankomende Europese Raad een
politiek akkoord wordt bereikt over een financieringsconstructie voor Oekraïne, gezien
de urgente noden van Oekraïne. Nederland ziet het voorstel van de Commissie voor herstelleningen
als de voorkeursoptie. Daarnaast is het politieke commitment van de Europese Raad
dat de tegoeden geïmmobiliseerd blijven tot Rusland de agressieoorlog beëindigt en
herstelbetalingen voldoet nog steeds van kracht.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie en reactie van de bewindspersoon
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Raad Algemene Zaken van 16 december 2025. Deze leden constateren dat
Europa zich bevindt in het meest onzekere geopolitieke klimaat van de afgelopen decennia.
De veiligheid van ons continent en ons land, onze economische weerbaarheid en de stabiliteit
van de orde staan onder druk. Tegen deze achtergrond achten deze leden het van groot
belang dat Nederland in Brussel consistent inzet op een sterke EU die daadwerkelijk
levert op veiligheid, groei, concurrentiekracht en het beschermen van onze strategische
belangen.
De leden van de VVD-fractie benadrukken dat het nieuwe MFK moet inspelen op het meest
onzekere geopolitieke klimaat in decennia. Dat betekent een duidelijke herprioritering:
meer middelen voor defensie, veiligheid, innovatie en economische concurrentiekracht,
en minder voor uitgaven die beperkt bijdragen aan Europese weerbaarheid. Zij vragen
het kabinet hoe zij deze verschuiving actief borgt in de onderhandelingen en welke
concrete Nederlandse voorstellen hiervoor worden ingebracht.
15. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet zet in op een moderne en toekomstbestendige EU-begroting, en steunt daarom
het voorstel van de Commissie om een groter deel van de EU-begroting te besteden aan
thema’s zoals concurrentievermogen, veiligheid en defensie, en asiel en migratie.
In de huidige fase van de onderhandelingen over het volgend MFK wordt echter nog niet
gesproken over de omvang van de verschillende pijlers en de verdeling van middelen.
Daarnaast hechten deze leden groot belang aan het continueren van de Nederlandse korting.
Zij vragen hoe het kabinet ervoor zorgt dat deze behouden blijft en wat de impact
voor de Nederlandse schatkist de komende jaren is indien dat niet lukt.
16. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet zet tijdens de onderhandelingen in op de samenwerking met de andere lidstaten
die in het huidige MFK een korting krijgen op de afdrachten (Duitsland, Oostenrijk,
Denemarken en Zweden) om opnieuw een korting op te nemen in het eigenmiddelenbesluit
voor de periode van het volgende MFK. Zoals ook is aangegeven in de brief van 12 september
jl. zou het geheel wegvallen van de Nederlandse korting leiden tot een tegenvaller
van ca. EUR 2 miljard per jaar voor de Nederlandse begroting, ingaande vanaf 2028.
De leden van de VVD-fractie constateren dat er tijdens deze Raad nader in wordt gegaan
op pijler 3 van het MFK (Global Europe). Deze leden erkennen dat een robuust extern beleid noodzakelijk is om de strategische
belangen van de EU te beschermen. Tegelijkertijd moet een fonds van € 182,9 miljard
wel gepaard gaan met duidelijke strategische doelstellingen. Hoe beoordeelt het kabinet
het ontbreken van zo’n bredere strategie? Erkent het kabinet het risico dat de huidige
inrichting van Global Europa ertoe kan leiden dat de Commissie haar bevoegdheden met
betrekking tot Europees Extern Beleid vergroot ten opzichte van de lidstaten? Welke
onderhandelingsruimte ziet het kabinet om de Commissie te bewegen om geen extra bevoegdheden
naar zich toe te trekken, en om de Commissie te bewegen om strategische doelstellingen
te koppelen aan pijler 3?
17. Antwoord van het kabinet:
De Commissie presenteert het Global Europe voorstel als een instrument ter bescherming
en bevordering van de strategische belangen van de EU in een context van toenemende
geopolitieke spanningen en geo-economische concurrentie. Het kabinet onderschrijft
het belang van een strategisch EU extern beleid. Het kabinet zet zich dan ook in om
tijdens de onderhandelingen duidelijke strategische kaders en doelstellingen voor
het instrument te verankeren. Daarbij hecht het kabinet aan een sterke rol voor de
Raad en lidstaten bij het bepalen van deze EU inzet. Daarom zet het kabinet tijdens
de onderhandelingen in op het verzekeren van een sterke rol voor de Raad en lidstaten,
onder meer via politieke sturing vooraf, zodat Nederland en overige lidstaten een
centrale rol krijgen bij de strategische prioritering van Global Europe.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven de noodzaak om zowel in Europees als in
nationaal verband grip te krijgen op migratie. Hierbij werkt de Europese pijler het
best als alle EU-lidstaten meedoen. Hoe beoordeelt het kabinet in dat kader de uitspraken
van regeringsleiders en Ministers van o.a. Polen, Hongarije en Slowakije dat zij (een
deel van) het Migratiepact niet uit zullen voeren? Welke stappen onderneemt het kabinet
om deze landen toch mee te laten doen aan het Migratiepact?
18. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet deelt dat het van groot belang is dat alle EU-lidstaten het Pact implementeren
om meer grip te krijgen op migratie. Het is een wettelijke verplichting voor lidstaten
om het Pact te implementeren. Het kabinet steunt de Commissie in haar monitorende
rol en blijft in gesprek met de Commissie en lidstaten over de volledige implementatie
van het Pact. Het kabinet benadrukt dat naleving door alle lidstaten noodzakelijk
is om de effectiviteit van het Pact te waarborgen.
De leden van de VVD-fractie constateren voorts dat er gesproken zal worden over het
Pact for the Mediterranean. Deze leden ondersteunen de noodzaak van strategische samenwerkingsverbanden met
landen rond de Middellandse Zee, maar maken zich wel zorgen om de extra mogelijkheden
die worden gecreëerd voor migranten om onder het Erasmus+ programma naar Europa te
komen als studiemigrant. Wat is het oordeel van het kabinet over deze uitbreiding
van het Erasmus+ programma?
19. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet staat positief tegenover het EU Pact for the Mediterranean (MedPact), zoals aan uw Kamer is toegelicht in het BNC-fiche.6 Het Erasmus + programma faciliteert nu al mobiliteit van studenten, docenten en onderzoekers
met landen uit de Middellandse Zeeregio. Wat betreft studenten aan hbo- of wo-instellingen
gaat dit met name om studiepuntmobiliteit (en niet om diplomamobiliteit), die van
tijdelijke aard is. In dat geval blijft een student ingeschreven staan aan de eigen
onderwijsinstelling. Dit neemt niet weg dat het voor Nederland belangrijk is dat EU-lidstaten
ruimte behouden voor een eigen invulling van deze aspecten van migratiebeleid. Daar
zal Nederland zich voor inzetten bij de uitwerking van het MedPact tot een actieplan.
In dat kader zal het kabinet aan de Europese Commissie vragen wat het versterken van
deze mobiliteit inhoudt en welke waarborgen gelden.
Acht het kabinet de kans reëel dat het Pact for the Mediterranean ertoe zal leiden dat het aantal asielaanvragen van studiemigranten in Nederland zal
toenemen? Indien ja, welke stappen onderneemt het kabinet om de uitbreiding van het
Erasmus+ programma als onderdeel van het Pact for the Mediterranean zoveel mogelijk
te voorkomen?
20. Antwoord van het kabinet:
Mobiliteit van studenten, docenten en onderzoekers met landen uit de Middellandse
Zeeregio wordt door het huidige Erasmus+ programma reeds gefaciliteerd. Allereerst
is het zo dat, wanneer een persoon een verblijfsvergunning op grond van een studiedoel
wil verkrijgen in Nederland, deze moet voldoen aan de gestelde voorwaarden. Wanneer
iemand daar aan voldoet, wordt daarmee aannemelijk dat iemand daadwerkelijk voor dit
doel – en dus niet voor een asielaanvraag – verblijf in Nederland wenst. Het kabinet
acht de kans daarom beperkt dat het Pact for the Mediterranean (MedPact) op zichzelf zal leiden tot een (sterke) toename van asielaanvragen van (voormalige)
studiemigranten in Nederland. Tegelijkertijd is het nog onvoldoende duidelijk wat
de Europese Commissie bedoelt met het versterken van deze mobiliteit. Het kabinet
zal de Europese Commissie dan ook vragen wat het versterken hiervan inhoudt. Het kabinet
zal zich er binnen de EU voor inzetten dat EU-lidstaten hun eigen ruimte behouden
voor invulling van migratie-gerelateerde aspecten van de uitvoering van het Pact for the Mediterranean. Zie verder het antwoord op vraag 19.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van het terugdringen van regeldruk
in de EU en steunen de inzet van het kabinet om onnodige verplichtingen te reduceren
en de implementatie van wetgeving te vereenvoudigen. Zij vragen echter hoe structureel
wordt voorkomen dat de Europese wetgevingscyclus, zowel bij de Commissie als bij het
Europees Parlement, blijft leiden tot een continue stapeling van nieuwe regels. Is
het kabinet bereid bespreekbaar te maken of instrumenten zoals sunset clauses, strengere
proportionaliteits- en effectiviteitstoetsen, systematische ex-ante impactanalyses
of «one in, one out»-mechanismen kunnen bijdragen aan het permanent beheersen van
regeldruk en het versterken van de concurrentiekracht van de EU? Is het kabinet dan
ook bereid concrete voorstellen op dit vlak in te brengen en hierop een coalition of the willing te vormen met andere lidstaten?
21. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet bepleit in Brussel dat er bij de vermindering van regeldruk niet alleen
gekeken wordt naar bestaande regelgeving, maar ook naar de totstandkoming van nieuwe
regelgeving. Instrumenten zoals horizonbepalingen, proportionaliteits- en effectiviteitstoetsen,
ex-ante impactanalyses en «one in, one out»-mechanismen kunnen hierbij helpen. Het kabinet vindt het positief dat deze instrumenten
reeds onderdeel zijn van de Betere Regelgeving Toolbox7 van de Commissie omdat deze kunnen bijdragen aan het permanent beheersen van regeldruk
en het versterken van de concurrentiekracht van de EU. Zowel in de Raadswerkgroep
Betere Regelgeving als tijdens besprekingen over concrete voorstellen voor EU-regelgeving,
zet Nederland zich er – waar mogelijk samen met andere lidstaten – voor in dat de
instrumenten daadwerkelijk worden ingezet.
De leden van de VVD-fractie hebben tevens kennisgenomen van het manifest The Constitution
of Innovation, dat pleit voor een heroriëntatie van de EU op haar kerntaken: minder
regelgeving en bureaucratie, en meer focus op de interne markt, innovatie en economische
groei. Gezien het belang dat deze leden hechten aan concurrentiekracht en innovatie,
vragen zij het kabinet of zij bekend is met dit manifest en in hoeverre zij elementen
daarvan onderschrijft. Zo ja, welke onderdelen acht het kabinet toepasbaar of de moeite
waard om verder te verkennen?
22. Antwoord van het kabinet:
Het manifest bevat een groot aantal vernieuwende ideeën voor het hervormen van de
EU. Een deel van deze ideeën maakt reeds onderdeel uit van de inzet van het kabinet
voor betere regelgeving en minder regeldruk. Andere voorstellen kunnen worden meegewogen
in de discussie over de toekomst van Europa en hervormingen die nodig zijn om de EU
slagvaardig, concurrerend en weerbaar te houden, ook in het licht van mogelijke EU-uitbreiding.
De leden van de VVD-fractie benadrukken dat het uitbreidingsproces geloofwaardig moet
blijven en dat toetreding tot de Europese Unie alleen mogelijk is wanneer kandidaat-lidstaten
voldoen aan de fundamentele Europese waarden, waaronder onafhankelijke rechtspraak,
persvrijheid en effectieve bestrijding van corruptie.
De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre bij beoordeling van kandidaat-lidstaten
expliciet wordt getoetst op kwetsbaarheid voor buitenlandse beïnvloeding, in het bijzonder
Russische politieke, economische of veiligheidsinvloeden. Kan het kabinet toelichten
welke instrumenten de EU inzet om dergelijke risico’s vroegtijdig te identificeren
en te mitigeren, zodat toekomstige lidstaten niet bijdragen aan verdere geopolitieke
instabiliteit en strategische besluiteloosheid binnen de Unie?
23. Antwoord van het kabinet:
EU-toetreding is een lang en complex proces, waarbij het overnemen van het EU-acquis
en voldoen aan alle vereisten, inclusief de Kopenhagencriteria, centraal staat. Er
zijn verschillende onderdelen van het EU-acquis die raken aan weerbaarheid en buitenlandse
beïnvloeding, en waarin gedurende het toetredingsproces aandacht voor is. Zo gaat
Cluster 6 (Externe betrekkingen) over de strategische oriëntatie van kandidaat-lidstaten,
en hun handels- en investeringsbeleid, waaronder de screening van buitenlandse directe investeringen. De horizontale aandacht die uitgaat naar corruptiebestrijding
bij EU-toetreding is eveneens relevant. Uiteindelijke toetreding is pas aan de orde
wanneer aan alle gestelde vereisten en normen is voldaan. De EU en Nederland kunnen
ook buiten de context van EU-toetreding ondersteuning bieden, zoals bijvoorbeeld het
geval is voor Moldavië om zich tegen Russische inmenging te beschermen.
Tot slot constateren de leden van de VVD-fractie dat de voortgang van met name Oekraïne
wordt belemmerd door de blokkade van één lidstaat. Zij vragen het kabinet welke diplomatieke
en institutionele opties worden verkend om deze specifieke blokkade minder ontwrichtend
te maken. Kan de blokkade van Hongarije bijvoorbeeld worden omzeild door Oekraïne
dezelfde rechten en plichten te geven als landen aangesloten bij de Europese Vrijhandelsassociatie,
en hoe beoordeelt het kabinet zo'n constructie?
24. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet is van mening dat de huidige blokkade van Hongarije op het EU toetredingsproces
van Oekraïne niet op merites is gebaseerd. Een dergelijke blokkade is zeer onwenselijk
aangezien dit de geloofwaardigheid van het uitbreidingsproces aantast. Het is belangrijk
hiervoor een oplossing te vinden zonder dat dit ten koste gaat van unanimiteitsbesluitvorming.
Conform de motie van Van Campen/Piri8 zet Nederland zich daarom zowel bilateraal als in EU verband in voor het opvoeren
van de druk op Hongarije. EU-toetreding is een lang en zorgvuldig proces van hervormen
en overname van EU-acquis. Voor mogelijkheden voor geleidelijke integratie, zie het
antwoord op vraag 1.
De leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over de schuldhoudbaarheid van een aanzienlijk
aantal Europese lidstaten, zeker nu hogere rentes de kwetsbaarheden in nationale begrotingen
zichtbaar maken. Zij vragen het kabinet hoe het Europees Semester kan worden versterkt
om ervoor te zorgen dat lidstaten hun begrotingsdiscipline daadwerkelijk verbeteren
en structurele hervormingen doorvoeren. In dit licht vragen deze leden het kabinet
of zij het eens zijn met de stelling dat instrumenten zoals Eurobonds de tucht van
de markt wegnemen die juist nodig is om lidstaten aan te zetten tot prudent begrotingsbeleid.
25. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet acht het van belang dat de schuldhoudbaarheid van Europese lidstaten wordt
gewaarborgd. Het voeren van goed begrotingsbeleid en het doorvoeren van structurele
hervormingen ter bevordering van economische groei is daarbij essentieel. Het Europees
Semester vervult hierbij een centrale rol. De naleving van de Europese begrotingsregels,
evenals de implementatie van hervormingen en investeringen, wordt door de Europese
Commissie gemonitord. Daartoe dienen alle lidstaten onder de herziene Europese begrotingsregels
een budgettair-structureel plan voor de middellange termijn (medium term fiscal structural plan, FSP) in. Ook dienen lidstaten binnen de eurozone elk jaar de ontwerpbegroting (draft budgetary plan) en een voortgangsrapportage (annual progress report) in bij de Europese Commissie. Bovendien onderzoekt de Europese Commissie elk half
jaar of lidstaten met een buitensporig tekort, effectief gevolg hebben gegeven aan
de Raadsaanbeveling om het buitensporig tekort te corrigeren. Deze systematische monitoring
stimuleert dat lidstaten tijdig maatregelen nemen als dat nodig is. Nederland blijft
zich inzetten op gedegen implementatie en effectieve handhaving van de Europese begrotingsregels.
Daarnaast is dit kabinet geen voorstander van het aangaan van gemeenschappelijke schulden
voor nieuwe Europese instrumenten.
De leden van de VVD-fractie vragen het kabinet in hoeverre bij het toetredingsproces
van Montenegro expliciet wordt getoetst op de aanwezigheid van buitenlandse invloeden,
waaronder Chinese investeringen en schuldfinanciering, Amerikaanse strategische belangen
en mogelijke Russische politieke of economische beïnvloeding. Kan het kabinet toelichten
welke instrumenten de Europese Commissie inzet om dergelijke risico’s systematisch
in kaart te brengen en te mitigeren?
26. Antwoord van het kabinet:
Zie ook het antwoord op vraag 23. Er zijn verschillende onderdelen van het EU-acquis
die raken aan weerbaarheid en buitenlandse beïnvloeding, en waar gedurende het toetredingsproces
aandacht voor is. Dat is ook het geval bij Montenegro. De Commissie en ook het kabinet
zien hier nauw op toe. Ook nadat hoofdstukken onder voorbehoud gesloten zijn, blijft
de Commissie de situatie monitoren.
Daarnaast vragen deze leden hoe de voortgang van Montenegro op het gebied van corruptiebestrijding,
rechtsstatelijke hervormingen en bestuurlijke integriteit wordt beoordeeld, en welke
voorwaarden Nederland noodzakelijk acht voordat hoofdstukken definitief kunnen worden
gesloten.
27. Antwoord van het kabinet:
Een hoofdstuk kan onder voorbehoud gesloten worden als er voldoende voortgang is in
de bredere rechtsstaatsituatie en een kandidaat-lidstaat voldoet aan de beleidsinhoudelijke closing benchmarks. De Commissie apprecieert de hervormingsvoortgang in Montenegro via het reguliere
uitbreidingsrapport. Hoewel het hervormingstempo op rechtsstaatsgebied het afgelopen
jaar wat is afgenomen, blijft Montenegro stappen zetten en is de Commissie ook dit
jaar positief. Van alle kandidaat-lidstaten heeft Montenegro de hoogste mate van voorbereiding
op het EU-lidmaatschap. Zo is er enige voortgang op corruptiebestrijding en het functioneren
van de rechtspraak. Implementatie en bestendiging van hervormingen blijft van belang,
zoals ook aangegeven in de kabinetsappreciatie. Het kabinet heeft gezien de bredere
rechtsstaatsituatie een kritisch-constructieve grondhouding ten aanzien van voorstellen
van de Commissie voor het onder voorbehoud sluiten van hoofdstukken. Wanneer de Commissie
vaststelt dat Montenegro ook aan de closing
benchmarks voldoet en het kabinet zich in die beoordeling kan vinden, steunt het kabinet
het onder voorbehoud sluiten van hoofdstukken. Dit is nu het geval voor de hoofdstukken
over vrij verkeer van kapitaal; recht van vestiging en vrij verrichten van diensten;
vennootschapsrecht; landbouw en plattelandsontwikkeling; en visserij. Met het onder
voorbehoud sluiten van deze hoofdstukken is het niet afgelopen. Definitieve sluiting
vindt pas plaats op het moment van toetreding. De Commissie blijft stappen monitoren
en bij achteruitgang is het besluit omkeerbaar.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie en reactie van de
bewindspersoon
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
de geannoteerde agenda van de Raad Algemene Zaken van 16 november. Zij hebben hier
nog vragen en opmerkingen bij.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Europese Raad tijdens de RAZ
zal worden voorbereid. Oekraïne wordt hier als eerste agendapunt genoemd. Deze leden
hebben in de brief van de Minister van Financiën (Kamerstuk 36 045, nr. 261) vernomen dat er aan de motie-Klaver c.s. om 2 miljard extra steun aan Oekraïne te
verwezenlijken deels dit jaar invulling wordt gegeven door aanspraak te maken op onderuitputting
op de begroting van het Ministerie van Defensie en het Ministerie van Buitenlandse
Zaken. Deze leden zijn positief over het feit dat er op korte termijn stappen worden
gezet zodat er in het eerste kwartaal van 2026 steun gerealiseerd kan worden. Tegelijkertijd
willen deze leden benadrukken dat het financieringsgat dat voor Oekraïne dreigt, groot
is en dat er met de toegezegde 700 miljoen nog geen recht wordt gedaan aan de motie
Klaver c.s., welke brede steun van de Kamer geniet. Op welke termijn kunnen zij verdere
invulling van deze motie verwachten? Is het kabinet het eens dat er op zo kort mogelijke
termijn extra steun nodig is? Wat is de omvang van het financieringsgat van Oekraïne
van volgend jaar?
28. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet wil voldoen aan de motie Klaver c.s.9 om geen ongewenste gaten te laten vallen in de militaire steun aan Oekraïne. Daarom
wil het kabinet in 2.025 EUR 700 mln. aanvullende steun vrijmaken voor Oekraïne, zodat
in 2026 een constante stroom aan militair materieel richting Oekraïne kan blijven
gaan. Het is aan een volgend kabinet om te bezien of er aanvullende middelen gevonden
kunnen worden voor zowel militaire als niet-militaire steun aan Oekraïne. Indien er
nog geen nieuw kabinet is aangetreden, zal het huidige demissionaire kabinet bij de
voorjaarsnota besluitvorming bezien hoe verdere invulling aan de motie kan worden
gegeven. Nieuwe contracten zullen zich niet direct in nieuwe leveringen vertalen.
Wel in een direct effect op het voortzetten van productielijnen. Duidelijk is dat
Oekraïne op korte termijn meer steun nodig heeft, zowel militair als financieel om
maatschappelijk en economisch op de been te blijven. Het IMF schat de noden op EUR
135 mld. voor 2026–2027.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat er ook in Europees verband
voorstellen zijn gedaan om te zorgen voor meer steun aan Oekraïne. Voorzitter Von
der Leyen deed in de afgelopen dagen een voorstel om ofwel de Russische bevroren tegoeden
in te zetten ofwel zelf 90 miljard euro voor Oekraïne te lenen. Deze leden zijn benieuwd
of het Nederlandse kabinet al een positie heeft ingenomen ten opzichte van dit voorstel
van Von der Leyen. Hoe schat de Minister de kans in dat een van deze plannen wordt
voortgezet? In België kon het plan niet rekenen op steun, hoe is het voorstel bij
andere lidstaten geland?
29. Antwoord van het kabinet:
De appreciatie van de voorstellen komt uw Kamer op korte termijn toe. Het kabinet
geeft de voorkeur aan de optie van herstelleningen op basis van de geïmmobiliseerde
Russische Centrale Banktegoeden. De optie van EU-leningen tegen gemeenschappelijke
schulduitgifte sluit het kabinet niet op voorhand uit, vanwege de huidige terughoudendheid
van een aantal lidstaten ten aanzien van de eerstgenoemde optie en de noden van Oekraïne.
Gezien de urgente noden van Oekraïne is het is cruciaal dat de EU tijdens de Europese
Raad van 18 december tot politieke besluitvorming op hoofdlijnen komt over financiering
van de steun.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat er tijdens de Raad Algemene
Zaken van 16 december gesproken zal worden over het Meerjarig Financieel Kader. Deze
leden lezen in het verslag van de Raad Algemene Zaken van 17 november dat de inzet
van het kabinet onder andere is om niet tot gezamenlijke schulden voor nieuwe EU-instrumenten
te komen. Op hoeveel steun kan dit voorstel rekenen in de Raad? Vindt het kabinet
niet ook dat, aangezien er altijd een stemming in de Raad zal plaatsvinden over het
gebruik van deze instrumenten, het juist verstandig zou zijn om deze mogelijkheden
wel in te bouwen?
30. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet heeft reeds aangegeven geen voorstander te zijn van het aangaan van gemeenschappelijke
schuld voor nieuwe Europese instrumenten. Dat geldt ook voor het verstrekken van NRPP
leningen aan lidstaten (Catalyst Europe). Het kabinet is van mening dat er in dit geval geen noodzaak is om middelen te lenen
op de kapitaalmarkt voor uitgaven onder het NRPP. De EU verdragen bieden reeds mogelijkheden
om in geval van moeilijkheden of de dreiging van grote moeilijkheden financiële bijstand
te verlenen zonder daarvoor een apart instrument te hebben ingesteld. De posities
in de Raad op de voorstellen voor Catalyst Europe en een crisisleeninstrument zijn verdeeld.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat de EU voor grote uitdagingen
staat en dat daar sinds het vorige MFK geen uitdagingen af, maar alleen maar uitdagingen
bij zijn gekomen, zoals de veiligheid van de EU en onze concurrentiepositie. Daarom
is het logisch om een groter MFK te hebben. Hoewel het volgende MFK de facto een groter
bedrag is, betekent dit niet dat er ook veel meer geld beschikbaar is voor de aanpak
van deze uitdagingen. Ook omdat in het volgende MFK de terugbetalingen van NextGenerationEU
en steun aan Oekraïne wordt meegenomen. Is er volgens het kabinet in het volgende
MFK voldoende budget om de uitdagingen waar de EU voor staat – zoals het veilig houden
van de EU, ons concurrentievermogen en de energietransitie – het hoofd te bieden?
31. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet is van mening dat er voldoende middelen in het MFK beschikbaar zijn voor
de prioriteiten waar de Europese Unie de komende jaren haar focus op moet richten.
Dit vereist echter wel dat de EU, net als de lidstaten in hun nationale begrotingen,
scherpe keuzes maakt. Daar dringt het kabinet dan ook op aan.
De Raad zal stil staan bij de «vereenvoudiging» van EU-wetgeving, lezen de leden van
de GroenLinks-PvdA-fractie. In de geannoteerde agenda spreekt het kabinet van onnodige
regeldruk. Deze leden zijn het eens dat onnodige regels moeten worden vereenvoudigd,
maar vragen wat het kabinet onder «onnodig» schaart. Vindt het kabinet regels die
werknemers en arbeidsomstandigheden beschermen, zorgen voor een beter klimaat of een
gezondere natuur «onnodig», zoals bij de afbraak van de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD)-wetgeving bleek? Hoe gaat het kabinet er juist voor zorgen dat als regels
vereenvoudigd worden, arbeidsomstandigheden en regels die zorgen voor een gezonde
natuur en schone lucht juist geborgd blijven?
32. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet benadrukt dat de vermindering van onnodige regeldruk in balans moet zijn
met het behoud van de beleidsdoelstellingen. Bij het terugdringen van regeldruk wordt
er daarom op ingezet dat de effectiviteit van de regelgeving niet wordt aangetast.
Nederland blijft de Europese Commissie daarom wijzen op het belang van onder meer
gedegen impact assessments, zodat duidelijk is welke werkelijke gevolgen wetgeving
heeft voor bedrijven en de maatschappij. Ook wordt bij de beoordeling van voorstellen
de verwachte impact op regeldruk en de effectiviteit van de regelgeving meegenomen
in de standpuntbepaling. In de onderhandelingen over de aanpassingen van de Corporate Sustainability Due Dilligence Directive (CSDDD) onder Omnibus I heeft het kabinet ervoor gepleit dat bedrijven nog steeds
verplicht worden om mensenrechten- en milieurisico’s in hun waardenketens te identificeren
en aan te pakken, maar met vermindering van de regeldruk. Zo behouden we de centrale
doelstelling van risicobeheersing, terwijl we de regeldruk waar mogelijk verminderen.
Tijdens de Raad zal worden stilgestaan bij EU-uitbreiding De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
vinden het van groot belang dat er stappen gezet worden in de toetreding van Oekraïne
en Moldavië. De blokkade van Hongarije blijft echter bestaan. Op welke manier wordt
de druk op Hongarije opgevoerd? Gaat de Minister zich ervoor inzetten dat het toetredingsproces
op merites gebaseerd blijft en er niet voortdurend politiek-gemotiveerde blokkades
opgeworpen blijven worden? Zo ja, hoe, zo nee, waarom niet? Zal het voorstel van Voorzitter
van de Europese Raad Costa ter tafel worden gebracht?
33. Antwoord van het kabinet:
Zie het antwoord op vraag 1.
Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie en reactie van de bewindspersoon
De leden van de FVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Raad Algemene Zaken van 16 december 2025. Deze leden hebben hierover
enkele vragen.
De leden van de FVD-fractie vragen of de onderhandelingspositie van het Nederlandse
kabinet met betrekking tot het volgend Meerjarig Financieel Kader (MFK) al bekend
is. Tijdens de technische briefing die de Kamer hierover onlangs heeft ontvangen werd
duidelijk dat het nieuwe MFK mogelijk zal leiden tot 6 miljard euro per jaar (!) aan
extra afdrachten voor Nederland. Klopt dit? En is dit voor het Nederlandse kabinet
acceptabel? Kan het kabinet de Tweede Kamer laten weten, waar, voor Nederland, wat
de toename van de EU-afdrachten betreft, de grens ligt? Is het kabinet bereid een
veto over het nieuwe MFK uit te spreken indien er straks een positie wordt bereikt
die voor Nederland onacceptabel is? Heeft Nederland ooit eerder, tijdens de onderhandelingen
over het MFK, gedreigd met een veto?
34. Antwoord van het kabinet:
Zoals reeds aangegeven in beantwoording op 10 november jl. van vragen van uw Kamer
over de kabinetsappreciatie van de Commissievoorstellen voor het volgend MFK en het
eigenmiddelenbesluit (EMB) is het voorstel van de Commissie het startschot voor de
onderhandelingen die naar verwachting tot in 2027 zullen duren.10 In de kabinetsappreciatie van 12 september jl. heeft het kabinet haar positie met
betrekking tot het voorstel van de Europese Commissie uiteengezet en dat vormt de
basis voor de Nederlandse inzet bij de onderhandelingen.11 Voorafgaand aan de laatste besprekingen in de Europese Raad en de uiteindelijke stemming
in de Raad over het MFK en het EMB, zal het kabinet haar positie bepalen op basis
van het onderhandelingsresultaat. Gelet op de verwachte tijdslijn van de MFK-onderhandelingen
zal het mogelijk aan een volgend kabinet zijn om deze positie te bepalen.
De leden van de FVD-fractie vragen voorts of het correct is dat het toetreden van
Montenegro tot de Europese Unie een verdragswijziging vereist. Is het correct dat
een dergelijke verdragswijziging kan worden gebruikt door Nederland voor het bewerkstelligen
van een opt-out op het gebied van bijvoorbeeld het immigratiebeleid aangezien een
opt-out immers een verdragswijziging vereist?
35. Antwoord van het kabinet:
De toetreding van nieuwe lidstaten tot de EU wordt vastgelegd in een toetredingsverdrag.
Een toetredingsverdrag bevat de voorwaarden voor toetreding en de aanpassingen aan
de bestaande EU-verdragen die voortvloeien uit de toelating (denk aan de toevoeging
van de taal van de nieuwe lidstaat aan de talenregeling, zie artikel 49 van het Verdrag
betreffende de Europese Unie). Het is niet mogelijk om in een toetredingsverdrag een opt-out op het gebied van migratiebeleid voor een bestaande lidstaat te bewerkstelligen.
Is het correct dat Nederland een veto heeft met betrekking tot het toetreden van nieuwe
landen (zoals Montenegro) tot de Europese Unie?
36. Antwoord van het kabinet:
Ja.
Is het Nederlandse kabinet, in het belang van Nederland, bereid tijdens de Raad Algemene
Zaken andere EU-landen te laten weten dat Nederland niet akkoord zal gaan met de toetreding
van Montenegro en gebruik zal maken van het vetorecht als in de verdragswijziging
die nodig is voor de toetreding van Montenegro Nederland niet, net zoals Denemarken,
een opt-out krijgt met betrekking tot immigratie? Zo nee, waarom is het Nederlandse
kabinet daartoe niet bereid?
37. Antwoord van het kabinet:
Zie het antwoord op vraag 36.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie en reactie van de bewindspersoon
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Raad Algemene Zaken van 16 december 2025. Zij danken de Minister voor de stukken en
hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de BBB-fractie constateren dat in het verslag van de vorige Raad Algemene
Zaken staat dat er wederom gesproken is over het European Democracy Shield en Information
Shield, en dat in publiek debat signalen zijn verschenen dat de Europese Commissie
verkent of een Europese Inlichtingendienst of aanverwante uitvoeringsorganisatie zou
moeten worden opgericht. Het kabinet gaf eerder aan, als antwoord op door BBB gestelde
schriftelijke Kamervragen, dat er geen formeel voorstel is ingediend (Aanhangsel van
de Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 525). Deze leden maken zich alsnog zorgen. Zij vragen daarom: kan de Minister bevestigen
dat Nederland zich actief zal verzetten tegen iedere vorm van het optuigen van een
Europese Inlichtingendienst? En is de Minister bereid deze inzet expliciet in te brengen
tijdens de RAZ, ook preventief, zodat eventuele contourverkenningen van de Commissie
direct (kunnen) worden gestaakt?
38. Antwoord van het kabinet:
Nederland is voorstander van het intensiveren van inlichtingensamenwerking op Europees
niveau. Het SIAC, de Single Intelligence Analysis Capacity, is voor het kabinet de centrale toegangspoort voor strategische inlichtingenbijdragen
voor de Europese Unie. Het versterken van SIAC is daarbij een belangrijke doelstelling,
zoals afgesproken in het EU Strategisch Kompas. Het beschermen van de nationale veiligheid
is een taak van de lidstaten. Het delen van inlichtingen met SIAC gebeurt daarom op
vrijwillige basis. Het delen van inlichtingen vindt plaats in het inlichtingendomein.
De diensten maken daar een eigenstandige afweging in, binnen de daartoe vastgestelde
(wettelijke) kaders. Het kabinet zal een eventueel voorstel van de Europese Commissie
langs bovenstaande lijnen beoordelen.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de passage in het verslag van
de Raad Algemene Zaken van 17 november 2025 over de uitvoering van de motie-Dassen
c.s. (Kamerstuk 21 501-20, nr. 2299). Deze leden merken allereerst op dat zij tegen deze motie hebben gestemd. Desondanks
is de motie met een Kamermeerderheid aangenomen, waarmee de Minister is verzocht een
formele klachtprocedure bij het Hof van Justitie tegen Slowakije te starten. Het kabinet
is niet verplicht een motie uit te voeren, maar dient een beslissing hierover wel
deugdelijk te motiveren én expliciet kenbaar te maken. Aan het eerste is volgens de
leden volledig voldaan: de leden van de BBB-fractie vinden de toelichting van de Minister
overtuigend en terecht.
Aan het tweede onderdeel is volgens de leden van de BBB-fractie echter niet voldaan.
In het verslag wordt, zij het impliciet, duidelijk dat de motie niet wordt uitgevoerd,
maar het wordt nergens expliciet uitgesproken. Deze leden vinden het belangrijk dat
zo'n mededeling wel explicieter wordt uitgesproken, en zijn van mening dat zo’n belangrijke
mededeling niet slechts indirect uit een RAZ-verslag moet worden afgeleid.
De leden van de BBB-fractie lezen dat er in de geannoteerde agenda wordt gesproken
over het jaarlijkse uitbreidingspakket waarin ook de stand van zaken rond Turkije
wordt behandeld. Deze leden constateren dat Turkije al jaren de facto geen stappen
zet in het toetredingsproces en dat de politieke realiteit in Turkije steeds verder
afstaat van de Kopenhagencriteria. Deze leden vragen aan de Minister hoe het kabinet
de huidige status van Turkije als kandidaat-lidstaat beoordeelt, mede in het licht
van het uitblijven van vooruitgang. Zijn er financiële of institutionele voordelen
voor Turkije verbonden aan het behoud van de kandidaat-status? Zo ja, welke en wat
kosten deze de EU?
39. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet deelt de serieuze zorgen over het gebrek aan voortgang in Turkije op de
rechtsstaat, democratie, rechterlijke onafhankelijkheid en fundamentele rechten. Dat
geldt ook voor de backsliding die de Commissie signaleert bij het functioneren van de rechtspraak en vrijheid van
meningsuiting. Het EU-toetredingsproces met Turkije ligt feitelijk stil. Turkije komt
– net als andere kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten – in aanmerking
voor pre-accessiesteun onder het Instrument voor Pre-Accessie (IPA). Voor een overzicht
van steun aan kandidaat-lidstaten verwijst het kabinet naar de data op de website
van het IPA.12 Het kabinet is alleen voorstander van pre-accessiesteun aan Turkije op terreinen
van wederzijds belang en draagt dat in EU-verband ook uit. Tevens wordt Turkije af
en toe uitgenodigd voor informele besprekingen in de Raad met kandidaat-lidstaten
en neemt Turkije deel aan enkele EU-programma’s en agentschappen, zoals Horizon Europe
en Erasmus+.
En is het kabinet bereid om in de Raad het gesprek te openen over de vraag of het
reëel en wenselijk is om Turkije nog langer als kandidaat-lidstaat aan te merken?
40. Antwoord van het kabinet:
Het EU-toetredingsproces met Turkije ligt feitelijk al tijden stil. Het kabinet onderschrijft
dat Turkije een belangrijke partner van de EU is, ook op het gebied van Europese veiligheid,
en een strategische NAVO-bondgenoot. Het kabinet hecht aan een goede relatie met Turkije,
omdat Turkije een belangrijke partner is voor Nederland op terreinen als migratie,
veiligheid, terrorismebestrijding, energie en economie. Daarom verwelkomt het kabinet
ook de overeengekomen bestaande insteek van de EU om op een gefaseerde, proportionele
en omkeerbare wijze samen te werken met Turkije op terreinen van wederzijds belang.13
De leden van de BBB-fractie merken op dat de geannoteerde agenda ook spreekt over
mogelijke Intergouvernementele Conferenties (IGC’s) met Montenegro, en dat in eerdere
RAZ-besprekingen brede steun bestond voor het onder voorwaarden sluiten van bepaalde
hoofdstukken. Deze leden vragen hoe Nederland borgt dat het principe van merit-based uitbreiding leidend blijft en dat geopolitieke druk niet leidt tot het kunstmatig
versnellen van toetredingsprocessen.
41. Antwoord van het kabinet:
Zie ook het antwoord op vraag 28. Het kabinet ziet er nauw op toe dat het uitbreidingsproces
gebaseerd blijft op merites. Een hoofdstuk kan onder voorbehoud gesloten worden als
er voldoende voortgang is in de bredere rechtsstaatsituatie en Montenegro voldoet
aan de beleidsinhoudelijke closing benchmarks. Het uitbreidingsrapport van de Commissie laat zien dat Montenegro op de rechtsstaat
stappen blijft zetten. Zoals gemeld in de geannoteerde agenda heeft de Commissie vastgesteld
dat Montenegro voor de vijf hoofdstukken aan de closing benchmarks heeft voldaan. Het kabinet deelt die analyse. Met het onder voorbehoud sluiten van
deze hoofdstukken is het niet afgelopen. De Commissie blijft stappen monitoren en
bij achteruitgang zijn de besluiten in principe omkeerbaar.
De leden van de BBB-fractie zien uit naar de beantwoording van bovenstaande vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie en reactie van de bewindspersoon
De leden van de SGP-fractie hebben de stukken ten behoeve van de Raad Algemene Zaken
d.d. 16 december 2025 met belangstelling gelezen, en hebben een aantal volgende vragen.
De leden van de SGP-fractie lezen in het verslag van de Raad Algemene Zaken van 17 november
jl. dat het kabinet, in reactie op de Hongaarse oproep tot herziening van de EU-strategie
tegen antisemitisme, voorkeur heeft voor volledige implementatie van de huidige strategie,
met waar nodig aanscherping. Kan de Minister aangeven wat het kabinet bedoeld met
«whole-of-government en whole-of-society aanpak» en op welke punten deze verschilt
van de Hongaarse zienswijze?
42. Antwoord van het kabinet:
De door de Commissie gehanteerde whole-of-government en whole-of-society aanpak houdt in dat alle relevante overheidsinstanties gezamenlijk optrekken in de
bestrijding van antisemitisme en dat daarnaast maatschappelijke organisaties, lokale
overheden, onderwijsinstellingen en private actoren actief worden betrokken. Deze
brede, geïntegreerde aanpak omvat zowel preventie en educatie als weerbaarheid, monitoring
en handhaving. Hongarije legt in de discussie over de strategie van de Commissie vooral
de nadruk op bescherming van burgers, door bijvoorbeeld zwaardere beveiliging van
Joodse en Israëlische instellingen en het effectiever gebruik van de EU-terrorismelijst.
Nederland ondersteunt de brede benadering van de Commissie, die inzet op zowel preventie
als bescherming.
Is de Minister het eens met Hongarije dat lidstaten zich moeten inzetten voor versterkte
bescherming van Joodse en Israëlische instellingen, een steviger aanpak van ondermijnende
fondsenwerving aanbeveling verdient en dat de EU-terrorismelijst effectiever benut
kan worden?
43. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet onderschrijft het belang van adequate bescherming van Joodse instellingen
en van een krachtige aanpak van organisaties die haat, discriminatie of radicalisering
bevorderen. In het gezamenlijke non-paper van Nederland, Frankrijk en Oostenrijk wordt
daarom benadrukt dat EU-middelen uitsluitend mogen worden verstrekt aan entiteiten
die de waarden van artikel 2 VEU en het EU-Grondrechtenhandvest respecteren, waaronder
de bestrijding van antisemitisme en alle andere vormen van haat en discriminatie.14 Hierbij zet het kabinet ook in op het beperken van de administratieve lasten.
Op welk vlak verwelkomt de Minister «aanscherping» van de EU-strategie tegen antisemitisme?
44. Antwoord van het kabinet:
Nederland richt zich op de uitvoering van de bestaande EU-strategie tegen antisemitisme
(2021–2030), maar ziet ruimte voor gerichte aanscherpingen die zijn uitgewerkt in
het gezamenlijke non-paper met Frankrijk en Oostenrijk, dat nadrukkelijk dient als
aanvulling op de bestaande strategie en niet als herziening daarvan.15 De aanvullingen zien onder meer toe op: striktere waarborgen voor EU-financiering,
zodat middelen niet terechtkomen bij entiteiten die haat of discriminatie bevorderen;
intensievere samenwerking en monitoring, onder meer rond online antisemitisme; betere
data- en kennisdeling; versterking van preventieve maatregelen, waaronder educatie
en bewustwording. Hierbij zet het kabinet ook in op het beperken van de administratieve
lasten.
Wat is de kabinetsinbreng tijdens de Europese Raad van 18-19 december op het terrein
van strijd tegen antisemitisme?
45. Antwoord van het kabinet:
Nederland zal tijdens de Europese Raad van 18 t/m 19 december blijvende aandacht vragen
voor de strijd tegen antisemitisme, racisme en xenofobie, waarbij het verdedigen van
fundamentele Europese waarden centraal staat. Nederland pleit voor volle implementatie
van de huidige EU-strategie, aangevuld met de gerichte aanvullingen uit het non-paper,
waarin wordt bepleit dat EU-financiering niet ten goede mag komen aan entiteiten die
handelen in strijd met de waarden van artikel 2 VEU en het EU-Handvest, met aandacht
voor de beperking van administratieve lasten.16 Nederland ziet tevens uit naar de presentatie van de nieuwe antiracismestrategie
van de Commissie in januari 2026.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.P.A. Erkens, voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken -
Mede ondertekenaar
L.B. Blom, griffier