Nota van wijziging : Tweede nota van wijziging
36 812 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)
Nr. 21
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 7 november 2026
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
1
In artikel I, onderdeel C, onder 2, wordt in het voorgestelde zesde lid «Indien (...)
afdeling 7.3 behoren» vervangen door «Ingeval de tot een werkzaamheid als bedoeld
in artikel 3.92b behorende vermogensbestanddelen middellijk worden gehouden via een
lichaam waarin de belastingplichtige niet een aanmerkelijk belang als bedoeld in hoofdstuk
4 of afdeling 7.3 houdt en die vermogensbestanddelen met ingang van enig tijdstip
worden gehouden via een lichaam waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang
houdt» en wordt «moment direct voorafgaand aan het ontstaan van het aanmerkelijk belang»
vervangen door «direct daaraan voorafgaande tijdstip».
2
Artikel II, onderdeel B, komt te luiden:
B
In artikel 10.6ter, vijfde lid, wordt «rlozt-1» vervangen door «rlozt-1 – 3,35».
3
Het in artikel IV, onderdeel B, voorgestelde artikel 32bc wordt als volgt gewijzigd:
1. In het vijfde lid wordt «loontijdvak» telkens vervangen door «tijdvak».
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de beoordeling of voor
de toepassing van dit artikel sprake is van woon-werkverkeer.
4
Na artikel XVII, onderdeel A, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
Aa
Na artikel 27 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 28
In afwijking van dit hoofdstuk, afdeling 3, bedraagt de belasting nihil voor een motorrijtuig
van voertuigcategorie N2 als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, onder
ii, van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei
2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens
daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen
zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009
en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2018, L 151), indien dat motorrijtuig
een toegestane maximum massa heeft van 3.500 kilogram of minder.
5
Na artikel XVII wordt een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL XVIIA
In de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 vervalt met ingang van 1 januari 2027
artikel 28.
6
Na artikel XIX, onderdeel A, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
Aa
In artikel 17, derde lid, wordt «300 kubieke meter» telkens vervangen door «50.000
kubieke meter».
7
Artikel XXI, onderdeel D, komt te luiden:
D
Artikel 18a vervalt.
8
Na artikel XXXV wordt een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL XXXVA
De Wet vrachtwagenheffing wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. De begripsbepaling van toegestane maximummassa vervalt.
2. In de alfabetische volgorde worden de volgende begripsbepalingen ingevoegd:
maximummassa: de technisch toelaatbare maximummassa van een vrachtwagen in beladen toestand;
maximummassa van de combinatie: de maximummassa die, voor zover de vrachtwagen mag worden uitgerust met een of meer
aanhangwagens of opleggers, wordt vermeerderd met de technisch toelaatbare maximummassa
van de aanhangwagens of opleggers in beladen toestand die de vrachtwagen maximaal
mag trekken;.
3. In de begripsbepaling van Verordening (EU) 2018/858 wordt «30 mei 2019» vervangen
door «30 mei 2018».
B
Artikel 3, eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:
d. emissievrij zijn en een maximummassa hebben van maximaal 4.250 kilogram.
C
In de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b en c, opgenomen tabellen wordt «Toegestane
maximummassa (kg)» telkens vervangen door «Maximummassa van de combinatie (kg)».
D
Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het vierde lid, eerste zin, wordt «toegestane maximummassa» vervangen door «maximummassa
van de combinatie».
2. In het vijfde lid, tweede zin, wordt «dat de vrachtwagen een toegestane maximummassa
heeft van meer dan 32.000 kilogram» vervangen door «dat de maximummassa van de combinatie
meer dan 32.000 kilogram bedraagt».
9
Aan artikel XXXVIII wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
F
In artikel LXV, derde lid, wordt «artikel 2, eerste lid,» vervangen door «artikel
30».
10
Artikel L wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt «onderdeel B» vervangen door «onderdelen Aa en B» en wordt
«artikel 2, eerste lid,» vervangen door «artikel 30».
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XXXVA in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende onderdelen daarvan verschillend
kan worden vastgesteld.
TOELICHTING
I. Algemeen
Tegengaan structuren lucratiefbelangregeling
In het wetsvoorstel wordt een maatregel voorgesteld die bepaalde onwenselijke structuren
in de lucratiefbelangregeling in de inkomstenbelasting tegengaat. De achtergrond van
deze in het wetsvoorstel opgenomen maatregel en de lucratiefbelangregeling is nader
toegelicht in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Hieronder volgt een
verkorte weergave hiervan.
Lucratiefbelangregeling en aanmerkelijkbelangvariant
Met name binnen de private-equitypraktijk en in het kader van managementparticipatieregelingen
is het mogelijk dat (fonds)managers als onderdeel van hun beloningsstructuur vermogensbestanddelen
ontvangen waarmee zij hoge rendementen kunnen behalen. In bepaalde situaties staan
de ontvangen rendementen niet in verhouding tot het geïnvesteerde kapitaal of het
feitelijk op de investering gelopen risico. Deze rendementen zijn dan (deels) disproportioneel.
Dergelijke voordelen zijn daarom onder omstandigheden belast onder de lucratiefbelangregeling.
De wetgever heeft bij een dergelijk lucratief belang ervoor gekozen dat in beginsel
sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden (box 1). Het rendement is daardoor
in beginsel volledig belast als arbeidsinkomen in box 1.
Met de lucratiefbelangregeling is onder meer geregeld dat als de belastingplichtige
daarvoor kiest de in een kalenderjaar genoten voordelen uit middellijk gehouden lucratieve
belangen onder voorwaarden niet in box 1 worden belast als resultaat uit overige werkzaamheden.
Daarvoor moet in dat kalenderjaar tot een bedrag van ten minste 95% van die voordelen
inkomen uit aanmerkelijk belang worden genoten dat een weerspiegeling is van die voordelen
(aanmerkelijkbelangvariant). In dat geval vindt geen box 1-heffing plaats, maar een
box 2-heffing over (ten minste 95% van) de genoemde inkomsten.
Maatregel in het wetsvoorstel
Het kabinet stelt in dat kader in het wetsvoorstel een maatregel voor om een onwenselijke
structuur te kunnen tegengaan bij de lucratiefbelangregeling. Het gaat hierbij om
de situatie waarbij aanvankelijk geen gebruik kan worden gemaakt van de aanmerkelijkbelangvariant,
omdat het lucratieve belang niet middellijk wordt gehouden via een lichaam waarin
de belastingplichtige een aanmerkelijk belang houdt. Vervolgens wordt het aandelenbelang
in dat lichaam op enig moment uitgebreid waardoor vanaf dat moment wel gebruik kan
worden gemaakt van de aanmerkelijkbelangvariant. Daarbij wordt derhalve voor ten minste
95% van de voordelen uit het lucratieve belang inkomen uit aanmerkelijk belang genoten.
Bij het ontstaan van het aanmerkelijk belang wordt de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk
belang vastgesteld op de waarde in het economische verkeer van het aandelenbelang
in de vennootschap waarin het middellijk gehouden lucratieve belang is ondergebracht.
Het is denkbaar dat belastingplichtigen zich op het standpunt gaan stellen dat zij
onder omstandigheden na liquidatie van die vennootschap of na verkoop van aandelen
een verlies uit aanmerkelijk belang kunnen realiseren. Dit verlies zou dan volgens
die belastingplichtigen kunnen worden verrekend met de gerealiseerde voordelen in
box 2 via de aanmerkelijkbelangvariant. Deze uitkomst is onwenselijk, aangezien hierdoor
de belastingheffing in box 2 over voordelen uit lucratief belang per saldo de facto
ongedaan wordt gemaakt. Daarom is in het wetsvoorstel een maatregel opgenomen waarmee
zeker wordt gesteld dat de belastingheffing in box 2 in deze structuren niet de facto
ongedaan kan worden gemaakt.
Situaties waarop deze nota van wijziging ziet
Er zijn andere situaties denkbaar die vergelijkbaar zijn met de hierboven genoemde
situatie maar die naar de letter van de wet niet onder de in het wetsvoorstel voorgestelde
maatregel vallen. Ook bij die andere situaties kan aanvankelijk geen gebruik worden
gemaakt van de aanmerkelijkbelangvariant, omdat het lucratieve belang niet middellijk
wordt gehouden via een lichaam waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang
houdt. In afwijking van de hierboven beschreven situatie worden in de andere situaties
de vermogensbestanddelen waarmee het lucratieve belang middellijk wordt gehouden,
die geen aanmerkelijk belang vormen, ondergebracht in een ander lichaam waarin de
belastingplichtige wel een aanmerkelijk belang heeft. Zoals gezegd valt deze situatie
dan naar de letter van de wet niet onder de in het wetsvoorstel voorgestelde maatregel.
In die visie gaan de vermogensbestanddelen waarmee het lucratieve belang middellijk
wordt gehouden namelijk geen aanmerkelijk belang vormen en geldt de in het wetsvoorstel
voorgestelde maatregel daarvoor niet. Dat is niet gewenst. Ter illustratie is hierna
een voorbeeld opgenomen.
Voorbeeld 1
In dit voorbeeld houden de aandeelhouders A en B ieder 4,9% van de aandelen in de
Holding. Vervolgens brengen A en B deze aandelenpakketten, die geen aanmerkelijk belang
vormen, onder in de Top Holding, bijvoorbeeld via een storting op de aandelen in de
Top Holding. A en B kunnen het standpunt innemen dat de in het wetsvoorstel voorgestelde
wettekst hier niet goed op aansluit. De oorspronkelijke aandelenpakketten van A en
B van ieder 4,9% worden namelijk niet uitgebreid. Met deze nota van wijziging wordt
geregeld dat de in het wetsvoorstel voorgestelde maatregel ook ziet op de situatie
waarin de belastingplichtige het indirect gehouden lucratieve belang (direct of indirect)
onderbrengt in een ander lichaam waarin hij, al dan niet tezamen met zijn partner,
direct of indirect wel een aanmerkelijk belang houdt.
Budgettaire gevolgen
De wijziging voorkomt een onbedoelde derving en heeft geen budgettaire gevolgen.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
De maatregel is voor de Belastingdienst uitvoerbaar per 1 januari 2026. De uitvoeringstoets
is bijgevoegd als bijlage bij deze nota van wijziging.
Fiscale normering markt fossiele personenauto’s
Met deze nota van wijziging wordt in het wetsvoorstel een wijziging aangebracht met
betrekking tot het moment waarop de voorgestelde pseudo-eindheffing fossiele auto’s1 uiterlijk moet worden betaald. Daarnaast wordt met deze nota van wijziging een delegatiebepaling
opgenomen in het wetsvoorstel op basis waarvan in lagere regelgeving kan worden geregeld
wanneer voor de toepassing van deze pseudo-eindheffing sprake is van woon-werkverkeer.
Tijdvak
In het wetsvoorstel is opgenomen dat de verschuldigde pseudo-eindheffing uiterlijk
moet worden aangegeven en voldaan tegelijk met de aangifte loonheffingen over het
tweede loontijdvak. Het loontijdvak is het tijdvak waarover het loon wordt genoten
en sluit over het algemeen aan bij het betaalmoment. Een werkgever kan het salaris
bijvoorbeeld per week of per maand uitbetalen. Bij nader inzien wordt het echter wenselijk
geacht om in dit kader niet aan te sluiten bij het loontijdvak, maar bij het tijdvak
waarover de verschuldigde loonaangifte dient te worden voldaan of afgedragen (aangiftetijdvak).
Het aangiftetijdvak is over het algemeen een tijdvak van een kalendermaand of een
aaneengesloten periode van 4 weken.2 Met de aansluiting bij het aangiftetijdvak wordt bewerkstelligd dat werkgevers na
afloop van het kalenderjaar in beginsel nog twee kalendermaanden (of twee aaneengesloten
periodes van vier weken) de tijd hebben om de eventueel verschuldigde pseudo-eindheffing
te berekenen en te voldoen. Met deze nota van wijziging wordt derhalve voorkomen dat
een inhoudingsplichtige die een loontijdvak hanteert van bijvoorbeeld een week en
een aangiftetijdvak van een maand, uiterlijk bij de aangifte over het eerste aangiftetijdvak
in plaats van het tweede aangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar de pseudo-eindheffing
moet aangeven en voldoen.
Delegatiebepaling
Daarnaast wordt in het wetsvoorstel een delegatiebepaling opgenomen ten behoeve van
de voorgestelde pseudo-eindheffing fossiele auto’s, op basis waarvan via een ministeriële
regeling ten behoeve van de duidelijkheid kan worden geregeld welke definitie van
het begrip woon-werkverkeer voor deze regeling geldt. De delegatiebepaling wordt opgenomen
naar aanleiding van signalen uit de uitvoeringstoets van de Belastingdienst en ook
vanwege vragen hierover door belangenbehartigers, zoals de Vereniging van Nederlandse
Autoleasemaatschappijen (VNA). Het is op grond van de memorie van toelichting3 de bedoeling dat voor de pseudo-eindheffing fossiele auto’s voor het begrip woon-werkverkeer
nauw wordt aangesloten bij de definitie die wordt gehanteerd voor de omzetbelasting.
Voor de pseudo-eindheffing wordt van de volgende definitie uitgegaan: het (heen of
terug) reizen van de woon- of verblijfplaats naar de in het kader van een overeenkomst
tot het verrichten van arbeid overeengekomen vaste werkplaats(en) waar men (een of
meerdere dagen) zijn werkzaamheden verricht, met dien verstande dat een plek waar
de inhoudingsplichtige is gevestigd ook kwalificeert als vaste werkplaats. Er is dus
in beginsel sprake van woon-werkverkeer als een werknemer vanuit diens woning naar
de vaste werkplaats rijdt of terug. Er is dus bijvoorbeeld geen sprake van woon-werkverkeer
als een werknemer vanuit huis eerst naar een klant rijdt en vervolgens naar kantoor
rijdt. In deze situatie valt de terugreis wel onder het woon-werkverkeer als deze
werknemer aan het eind van de dag vanuit kantoor rechtstreeks naar huis rijdt. Als
de werknemer binnen een kalendermaand minimaal eenmaal rechtstreeks van huis naar
kantoor rijdt of terug, is op basis van de voorgestelde wettekst4 de pseudo-eindheffing over die gehele maand verschuldigd. De memorie van toelichting
bevat daarnaast een aantal voorbeelden van ritten die voor de toepassing van de voorgestelde
pseudo-eindheffing fossiele auto’s al dan niet kwalificeren als woon-werkverkeer.
Er is hierbij bijvoorbeeld geen sprake van woon-werkverkeer als met fossiele personenauto’s
gereden móet worden vanwege de bedrijfsvoering (bijvoorbeeld surveilleren door politieagenten)
en die auto’s voorafgaand aan of na afloop van dergelijke diensten door de betreffende
werknemer worden gebruikt om van huis naar de werkplaats te rijden of andersom. Het
bovenstaande geldt overeenkomstig voor werknemers met piketdiensten of wachtdiensten,
zoals slotenmakers, liftmonteurs en verloskundigen.
Na inwerkingtreding van de delegatiebepaling, wordt het bovenstaande via een ministeriële
regeling vastgelegd.
Budgettaire gevolgen en gevolgen voor burgers en bedrijven
De wijziging heeft geen budgettaire effecten.
Gevolgen voor burgers en bedrijven
De wijziging heeft geen tot beperkte gevolgen voor burgers en bedrijven.
Uitvoeringsgevolgen
Deze wijziging volgt mede naar aanleiding van de uitvoeringstoets van de Belastingdienst.
De Belastingdienst heeft in de uitvoeringstoets op het oorspronkelijke wetsvoorstel
met betrekking tot de pseudo-eindheffing fossiele auto’s aangegeven dat in veel gevallen
duidelijk zal zijn of sprake is van woon-werkverkeer, maar dat desalniettemin wel
discussie wordt verwacht over dit begrip. Met het opnemen van een delegatiebepaling
kan via een ministeriële regeling worden verduidelijkt wanneer voor de pseudo-eindheffing
fossiele auto’s al dan niet sprake is van woon-werkverkeer. De aanpassingen hebben
geen gevolgen voor de uitvoeringskosten. De Belastingdienst acht deze wijziging per
1 januari 2027 uitvoerbaar. De uitvoeringstoets is als bijlage toegevoegd bij deze
nota van wijziging.
Voorkomen van een gelijktijdige heffing van de vrachtwagenheffing en de motorrijtuigenbelasting
Bij invoering van de vrachtwagenheffing ontstaat tot 1 januari 2027 de situatie dat
sommige vrachtwagens van de categorie N2 als bedoeld in Verordening 2018/8585 zowel motorrijtuigenbelasting (mrb) als vrachtwagenheffing zijn verschuldigd. Er
wordt voorgesteld voor die vrachtwagens geen motorrijtuigenbelasting te heffen.
De achtergrond en inhoud van dit voorstel is de volgende.
In de mrb bepaalt de toegestane maximum massa van een motorrijtuig of er sprake is
van een vrachtwagen. Een vrachtwagen heeft een toegestane maximum massa van meer dan
3.500 kilogram. Het is mogelijk om de toegestane maximum massa van een vrachtwagen
administratief te verlagen (ook wel «terugkeuren» genoemd), op voorwaarde dat de vrachtwagen
inclusief lading dat gewicht nooit overschrijdt. Het komt voor dat de toegestane maximum
massa van een vrachtwagen administratief wordt verlaagd naar 3.500 kilogram of minder.
Daardoor worden deze vrachtwagens fiscaal aangemerkt als bestelauto’s in plaats van
als vrachtwagens, en kan met die vrachtwagen met rijbewijs B in plaats van rijbewijs
C1 worden gereden.
Vrachtwagens van de EU-categorie N2 (met een technisch toelaatbare maximummassa van meer dan 3.500 kilogram maar niet meer dan 12.000 kilogram)
of EU-categorie N3 (met een technisch toelaatbare maximummassa van meer dan 12.000 kilogram)6 vallen onder de vrachtwagenheffing. Bij het administratief verlagen van de toegestane
maximum massa blijft de technisch toelaatbare maximummassa van het voertuig ongewijzigd.
Vrachtwagens van de EU-categorie N2 waarvan de toegestane maximum massa administratief
is verlaagd naar 3.500 kilogram of minder, vallen dus onder de vrachtwagenheffing.
Voor de mrb kwalificeren deze teruggekeurde vrachtwagens als bestelauto, en dus vallen
zij onder zowel de vrachtwagenheffing als de mrb. Dat leidt voor deze groep vrachtwagens
tot een gelijktijdige heffing van motorrijtuigenbelasting en vrachtwagenheffing, en
dat is ongewenst. Er zijn ongeveer 15.000 vrachtwagens waarvan de toegestane maximum
massa administratief is verlaagd naar 3.500 kilogram of minder.
In het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2027 wordt een maatregel opgenomen die regelt
dat ook in de mrb de Europese voertuigcategorieën zullen worden gehanteerd voor de
definitie van een vrachtwagen (N2 of N3). Dit zorgt ervoor dat de mrb en de vrachtwagenheffing
op dezelfde wijze worden geharmoniseerd met de Europese begrippen. Het administratief
verlagen van de toegestane maximum massa van een N2-vrachtwagen naar 3.500 kilogram
of minder leidt dan niet meer tot heffing van mrb als bestelauto. Een gelijktijdige
heffing van zowel mrb als vrachtwagenheffing wordt daarmee voor deze vrachtwagens
voorkomen. Deze wijziging in de voertuigclassificatie in de mrb treedt gelijktijdig
in werking met het brede pallet aan definitiewijzigingen in de mrb en bpm, zoals de
definities van personenauto’s, motorrijwielen, bestelauto’s en lijkwagens. Deze vereenvoudiging
is geregeld in het Belastingplan 2025 en de inwerkingtreding hiervan is 1 januari
2027. Een eerdere inwerkingtreding is niet inpasbaar in het IV-portfolio van de Belastingdienst.
De geplande start van de vrachtwagenheffing en volledige inwerkingtreding van de Wet
vrachtwagenheffing is 1 juli 2026. Om in de periode tot 1 januari 2027 een gelijktijdige
heffing van mrb en vrachtwagenheffing te voorkomen, wordt met deze nota van wijziging
voorgesteld dat voor vrachtwagens uit voertuigcategorie N2 waarvan de toegestane maximum
massa administratief is verlaagd naar 3.500 kilogram of minder, de mrb in die periode
nihil bedraagt.
Tevens wordt van de gelegenheid gebruikgemaakt om enkele technische verbeteringen
door te voeren in de begripsbepalingen voor de toepassing van de vrachtwagenheffing.
Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar de onderdeelsgewijze toelichting.
Budgettaire aspecten
De budgettaire gevolgen van het voorstel worden verwerkt in artikel 15 van de begroting
van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. In dit artikel zijn de opbrengsten
van de vrachtwagenheffing begroot. Op dit artikel is ook een post opgenomen om de
fiscale derving van de mrb als gevolg van de invoering van de vrachtwagenheffing te
compenseren. Zowel de raming voor de opbrengsten van de vrachtwagenheffing als de
compensatie voor de fiscale derving van de mrb worden de komende periode herzien.
Deze herziene ramingen worden bij de Voorjaarsnota 2026 verwerkt in de begroting.
Bij deze herziening wordt rekening gehouden met het voorliggende voorstel, waarbij
voor de circa 15.000 N2-vrachtwagens met een toegestane maximum massa van maximaal
3.500 kilogram in de periode van 1 juli 2026 tot 1 januari 2027 geen mrb is verschuldigd.
Deze vrachtwagens zijn vanaf 1 juli 2026 direct onderworpen aan de vrachtwagenheffing.
De harmonisatie van de Europese voertuigclassificaties levert in 2026 naar verwachting
€ 16 miljoen extra op aan vrachtwagenheffing. De mrb voor de «teruggekeurde» vrachtwagens
zou in de periode 1 juli 2026 tot 1 januari 2027 naar verwachting € 8 miljoen bedragen.
Met de voorgestelde maatregel zal deze opbrengst in de mrb er niet zijn. Dit zal tot
uiting komen in de compensatie voor de fiscale derving in de mrb.
De technische verbeteringen die worden doorgevoerd in de begripsbepalingen van de
vrachtwagenheffing hebben geen budgettaire consequenties.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst en RDW
De maatregel is voor de uitvoeringsgevolgen beoordeeld door de Belastingdienst en
RDW. De Belastingdienst concludeert dat het voorstel uitvoerbaar is en dat invoering
mogelijk is per 1 juli 2026. De noodzakelijke systeemaanpassingen kunnen tijdig worden
gerealiseerd. De Belastingdienst heeft van de RDW (periodiek) overzichten van de teruggekeurde
vrachtwagens nodig.
De RDW concludeert dat het voorstel goed uitvoerbaar is voor RDW en een oplossing
is die recht doet aan de ontstane situatie. Concreet heeft deze oplossing een beperkte
impact op gegevenslevering aan Belastingdienst en vrachtwagenheffing. De technische
verbeteringen die worden voorgesteld voor de vrachtwagenheffing hebben geen aanvullende
gevolgen voor RDW. De uitvoeringstoets is toegevoegd als bijlage.
Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie
De maatregel is doeltreffend, omdat zij exact voorkomt wat beoogd is: het voorkomen
van een (tijdelijke) gelijktijdige heffing van mrb en vrachtwagenheffing voor vrachtwagens
van de EU-categorie N2, waarvan de toegestane maximum massa administratief is verlaagd
naar 3.500 kilogram of minder. De doelmatigheid is hoog, omdat gekozen is voor een
eenvoudige en tijdelijke generieke regeling die zonder teruggaafsystematiek of maatwerk
kan worden uitgevoerd. De regeling eindigt zodra de structurele oplossing in werking
treedt per 1 januari 2027. Gezien het tijdelijke karakter is een afzonderlijke evaluatie
niet voorzien. Wel worden op basis van artikel 34 van de Wet vrachtwagenheffing de
doeltreffendheid en effecten van de Wet vrachtwagenheffing geëvalueerd.
Gevolgen voor burgers en bedrijfsleven
Voor de betrokken groep van circa 15.000 houders van vrachtwagens met een toegestane
maximum massa van 3.500 kilogram of minder wordt met deze maatregel voorkomen dat
zij geconfronteerd worden met dubbele lasten in de tweede helft van 2026. Daarmee
wordt een lastenverzwaring en onnodige regeldruk voor deze groep vermeden. Voor overige
weggebruikers of ondernemingen zijn geen effecten voorzien.
Doenvermogen
De regeling is eenvoudig en transparant: betrokkenen hoeven geen actie te ondernemen
om in aanmerking te komen voor het nihiltarief. Het doenvermogen wordt niet op de
proef gesteld. In het kader van de vrachtwagenheffing zal wel in de communicatie extra
aandacht worden besteed richting de belastingplichtigen die beschikken over een teruggekeurde
vrachtwagen van de EU-categorie N2.
Belasting op leidingwater
In het wetsvoorstel wordt ten aanzien van de belasting op leidingwater onder meer
voorgesteld het heffingsplafond te schrappen. De in deze nota van wijziging voorgestelde
aanpassingen met betrekking tot die maatregel zijn technisch van aard. De nota van
wijziging voorziet in de eerste plaats in een wijziging die aansluit op de voorgestelde
aanpassing van het heffingsplafond van 300 kubieke meter naar 50.000 kubieke meter
met ingang van 1 januari 2026. In de tweede plaats voorziet de nota van wijziging
in het laten vervallen van een artikel dat overbodig wordt per 1 januari 2027 omdat
wordt voorgesteld het heffingsplafond met ingang van die datum te laten vervallen.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en Douane
De maatregel is voor de Belastingdienst uitvoerbaar per 1 januari 2026. De uitvoeringstoets
is bijgevoegd als bijlage bij deze nota van wijziging.
II. Onderdeelsgewijs
Onderdeel 1
Artikel I, onderdeel C (artikel 3.95b van de Wet inkomstenbelasting 2001)
In artikel 3.95b, vijfde lid, Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is geregeld
dat als de belastingplichtige daarvoor kiest de in een kalenderjaar genoten voordelen
met betrekking tot middellijk gehouden vermogensbestanddelen die tot een werkzaamheid
als bedoeld in artikel 3.92b Wet IB 2001 behoren, niet tot het resultaat van een werkzaamheid
worden gerekend, mits in dat kalenderjaar tot een bedrag van ten minste 95% van die
voordelen inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten dat een weerspiegeling is
van die voordelen (aanmerkelijkbelangvariant).
Als een belastingplichtige een lucratief belang middellijk houdt via een vennootschap
waarin hij geen aanmerkelijk belang heeft, kan de aanmerkelijkbelangvariant van genoemd
vijfde lid niet worden toegepast. In deze situatie behoort het aandelenbelang in de
vennootschap door middel waarvan het lucratieve belang wordt gehouden tot de rendementsgrondslag
in box 3. Zodra echter een aanmerkelijk belang ontstaat, is het denkbaar dat belastingplichtigen
zich op het standpunt gaan stellen dat de aanmerkelijkbelangvariant in de huidige
regeling kan worden toegepast op alle inkomsten uit het lucratieve belang, mits ten
minste 95% daarvan als inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten. In dat geval
vindt geen box 1-heffing plaats, maar een box 2-heffing over (ten minste 95% van)
de genoemde inkomsten.
Bij sfeerovergang naar box 2 wordt de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang
bij het ontstaan ervan op grond van artikel 4.23 Wet IB 2001 gesteld op de waarde
in het economische verkeer. De verkrijgingsprijs omvat ook het verschil tussen de
waarde in het economische verkeer van het lucratieve belang en het opgeofferde bedrag
van het lucratieve belang. Zoals in het algemeen deel is toegelicht, is het denkbaar
dat naar het oordeel van belastingplichtigen de waardeaangroei tussen de waarde in
het economische verkeer van het lucratieve belang en het oorspronkelijk opgeofferde
bedrag buiten de belastingheffing in box 2 blijft. Om zeker te stellen dat dit onbedoelde
effect wordt voorkomen, is in het wetsvoorstel voorgesteld aan artikel 3.95b Wet IB
2001 een nieuw lid (een zesde lid) toe te voegen. Dat lid zorgt ervoor dat het voordeel
dat ontstaat bij de sfeerovergang van box 3 naar box 2 alsnog wordt belast in box
1 als inkomen uit lucratief belang waarop de aanmerkelijkbelangvariant niet van toepassing
is.
Zoals in het algemeen deel van deze toelichting is toegelicht, zijn vergelijkbare
situaties als genoemde ongewenste structuur denkbaar, die mogelijk niet onder de in
het wetsvoorstel voorgestelde maatregel vallen. In die situaties worden zoals geïllustreerd
in het voorbeeld in het algemeen deel van deze toelichting de oorspronkelijke aandelenpakketten
van A en B van ieder 4,9% die geen aanmerkelijk belang vormen, namelijk niet uitgebreid,
terwijl A en B op een later tijdstip wel hun lucratief belang via een vennootschap
houden waarin zij een aanmerkelijk belang hebben en daardoor gebruik kunnen maken
van de aanmerkelijkbelangvariant. Zonder wijziging van de voorgestelde tekst van artikel
3.95b, zesde lid, Wet IB 2001 zouden belastingplichtigen zich in deze situaties mogelijk
op het standpunt stellen dat zij onder omstandigheden na liquidatie van die vennootschap
of na verkoop van aandelen een verlies uit aanmerkelijk belang kunnen realiseren.
In dat geval kan dit verlies worden verrekend met de gerealiseerde voordelen in box
2 via de aanmerkelijkbelangvariant.
Met deze nota van wijziging wordt het voorgestelde artikel 3.95b, zesde lid, Wet IB
2001 derhalve gewijzigd, waarbij niet meer wordt aangesloten bij het ontstaan van
een aanmerkelijk belang door het uitbreiden van de vermogensbestanddelen (bijvoorbeeld
aandelen) in het lichaam waarin het lucratieve belang middellijk wordt gehouden, maar
bij het op enig tijdstip aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang in een lichaam
waarmee deze vermogensbestanddelen worden gehouden. Hierdoor wordt de waardeaangroei
tussen de waarde in het economische verkeer van het lucratieve belang en het oorspronkelijk
opgeofferde bedrag ook in box 1 belast als het lucratieve belang tot de rendementsgrondslag
in box 3 behoort en op een enig tijdstip wordt ondergebracht in een lichaam waarin
de belastingplichtige reeds een aanmerkelijk belang houdt.
Onderdeel 2
Artikel II, onderdeel B (artikel 10.6ter van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Met de wijziging van artikel II, onderdeel B, wordt een verschrijving in de daarin
opgenomen wijzigingsopdracht hersteld. Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om de
tekst van die wijzigingsopdracht te verkorten.
Onderdeel 3
Artikel IV, onderdeel B (artikel 32bc van de Wet op de loonbelasting 1964)
In het wetsvoorstel is opgenomen dat inhoudingsplichtigen uiterlijk bij de aangifte
over het tweede loontijdvak van het volgende kalenderjaar de pseudo-eindheffing fossiele
auto’s dienen aan te geven en te voldoen. Zoals in het algemeen deel van deze toelichting
is aangegeven is het de bedoeling om aan te sluiten bij het tweede aangiftetijdvak
van in beginsel een maand of vier weken. Dat wordt met deze nota van wijziging geregeld.
Deze nota van wijziging regelt daarnaast dat er een delegatiebepaling wordt opgenomen
in het aan het voorgestelde artikel 32bc Wet LB 1964 toe te voegen zesde lid. Na inwerkingtreding
van de delegatiebepaling zullen op grond daarvan via een ministeriële regeling regels
worden gesteld voor de beoordeling of voor de toepassing van de voorgestelde pseudo-eindheffing
fossiele auto’s sprake is van woon-werkverkeer.
Onderdeel 4
Artikel XVII, onderdeel Aa (artikel 28 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994)
Het voorgestelde artikel 28 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB
1994) bepaalt dat de mrb nihil bedraagt voor motorrijtuigen van de categorie N2 met
een toegestane maximum massa die verlaagd is naar 3.500 kilogram of minder. Hiermee
wordt bewerkstelligd dat houders van deze motorrijtuigen alleen vrachtwagenheffing
betalen, en geen mrb. Van belang is dat het alleen een afwijking betreft op het tarief
voor deze groep motorrijtuigen. Andere bepalingen van de Wet MRB 1994 blijven onverminderd
van kracht. Op grond van artikel 83 Wet MRB 1994 geldt deze tariefwijziging alleen
voor het tijdvak in de mrb dat aanvangt nadat de mrb-tarieven voor vrachtwagens vanwege de vrachtwagenheffing zijn verlaagd (de
inwerkingtreding van artikel 30 van de Wet vrachtwagenheffing).
Van belang is nog dat deze regeling niet geldt voor kampeerauto’s die behoren tot
de voertuigcategorie N2. Deze groep is namelijk vrijgesteld van de vrachtwagenheffing
en betalen daarom – net als andere kampeerauto’s – gewoon mrb. Zij worden belast onder
hoofdstuk IV, afdeling 2, Wet MRB 1994 (artikel 23a), terwijl deze regeling een uitzondering
maakt op hoofdstuk IV, afdeling 3, Wet MRB 1994.
Onderdeel 5
Artikel XVIIA (artikel 28 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994)
Artikel XVIIA regelt dat de tijdelijke regeling, dat de mrb nihil bedraagt voor motorrijtuigen
van de categorie N2 met een toegestane maximum massa die verlaagd is naar 3.500 kilogram
of minder, vervalt per 1 januari 2027. Met ingang van die datum wordt voorzien in
de structurele aanpassing van de voertuigclassificaties voor de toepassing van de
mrb. Die maatregel wordt opgenomen in het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2027. Vanaf
1 januari 2027 wordt voor de toepassing van de mrb – net als voor de vrachtwagenheffing
– aangesloten bij de EU-voertuigcategorieën, waardoor een gelijktijdige heffing van
mrb en vrachtwagenheffing structureel wordt uitgesloten.
Onderdeel 6
Artikel XIX (artikel 17 van de Wet belastingen op milieugrondslag)
In het wetsvoorstel is de verhoging van het heffingsplafond in de belasting op leidingwater
van 300 naar kubieke meter naar 50.000 kubieke meter in artikel 14, eerste lid, van
de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) met ingang van 1 januari 2026 abusievelijk
niet ook doorgevoerd in artikel 17, derde lid, Wbm. Laatstgenoemd artikellid zorgt
ervoor dat naar evenredigheid rekening wordt gehouden met het heffingsplafond bij
verbruikers die voorschotnota’s ontvangen en het heffingsplafond in een verbruiksperiode
overschrijden. In de aanpassing van de hoogte van het heffingsplafond in artikel 17,
derde lid, Wbm wordt in deze nota van wijziging alsnog voorzien.
Onderdeel 7
Artikel XXI (artikel 18a van de Wet belastingen op milieugrondslag).
In het wetsvoorstel is abusievelijk niet voorzien in het laten vervallen van artikel
18a Wbm met ingang van 1 januari 2027. Als de overeenkomst tot levering van leidingwater
in de loop van een kalenderjaar wordt beëindigd en er geen sprake is van voorschotten,
dan wordt de belasting op leidingwater herrekend ingevolge artikel 18a Wbm. De verbruiksperiode
is daarbij de periode van levering. De herrekening is relevant vanwege het heffingsplafond.
Het plafond moet naar evenredigheid worden verlaagd over de verbruiksperiode die korter
is dan een kalenderjaar, omdat het plafond van 300 kubieke meter, onderscheidenlijk
50.000 kubieke meter, geldt per verbruiksperiode van twaalf maanden (artikel 14, eerste
lid, eerste zin, Wbm). Indien het heffingsplafond met ingang van 1 januari 2027 wordt
afgeschaft, wordt artikel 18a Wbm overbodig. Daarom voorziet deze nota van wijziging
alsnog in het laten vervallen van genoemd artikel per genoemde datum.
Onderdeel 8
Artikel XXXVA (artikelen 1, 3, 5 en 8 van de Wet vrachtwagenheffing)
Er wordt voorgesteld enkele technische verbeteringen door te voeren in de begripsbepalingen
van de Wet vrachtwagenheffing.
In artikel XXXVA, onderdeel A, wordt voorgesteld om in artikel 1 van de Wet vrachtwagenheffing
de begripsbepaling «toegestane maximummassa» te laten vervallen en in plaats daarvan
de begripsbepalingen «maximummassa» en «maximummassa van de combinatie» in dat artikel
op te nemen.
De reden hiervoor is dat de begripsbepaling van toegestane maximummassa, zoals is
opgenomen in de nota van wijziging van het bij koninklijke boodschap van 3 oktober
2024 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet vrachtwagenheffing in verband
met de implementatie van de herziene Europese tolheffingsregels (Kamerstukken 36 626)7, leidt tot problemen bij de vrijstelling van emissievrije vrachtwagens met een toegestane
maximummassa van 4.250 kilogram of minder. Ingevolge het met dat wetsvoorstel te wijzigen
artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de Wet vrachtwagenheffing worden emissievrije
vrachtwagens vrijgesteld die een toegestane maximummassa hebben van 4.250 kilogram
of minder. In de betreffende begripsbepaling van toegestane maximummassa is echter
ook de technisch toelaatbare maximummassa van aanhangwagens of opleggers besloten.
Dat is in het kader van deze vrijstelling nadrukkelijk niet de bedoeling. Het gaat
bij deze vrijstelling uitsluitend om de technisch toelaatbare maximummassa van de
vrachtwagen zelf. Dat wordt nu aangepast.
Daarnaast is gebleken dat de begripsbepaling van toegestane maximummassa, zoals deze
wordt gewijzigd met het hiervoor genoemde wetsvoorstel, in de praktijk tot onduidelijkheid
leidt. Deze begripsbepaling komt namelijk niet overeen met de toegestane maximummassa
van het voertuig zoals deze op het kentekenbewijs vermeld staat, maar met de technisch
toelaatbare maximummassa, die eveneens op het kentekenbewijs vermeld staat. Om de
onduidelijkheid weg te nemen, worden de begripsbepalingen aangepast. Het nieuwe begrip
maximummassa komt te luiden: «de technisch toelaatbare maximummassa van een vrachtwagen
in beladen toestand». Het gaat hierbij om de technisch toelaatbare maximummassa van
de vrachtwagen zelf en niet om de technisch toelaatbare maximummassa van eventuele
opleggers of aanhangers die de vrachtwagen kan en mag trekken. Op het kentekenbewijs
is de bedoelde maximummassa te vinden onder code F1. Deze maximummassa bepaalt, in
samenhang met het begrip «vrachtwagen», of een voertuig onder de vrachtwagenheffing
valt.
Het nieuwe begrip «maximummassa van de combinatie» is grotendeels gelijkluidend aan
het huidige begrip «toegestane maximummassa». Het is een van de parameters om het
juiste tarief te kunnen bepalen. Voor een vrachtwagen die niet mag worden uitgerust met een of meer aanhangers of opleggers, is alleen de maximummassa
van deze vrachtwagen bepalend voor het tarief (de eerste twee woorden uit de begripsomschrijving
van «maximummassa van de combinatie»). Voor vrachtwagens die wel een of meer aanhangers of opleggers mogen meevoeren, wordt meegeteld de maximummassa
van de aanhangers of opleggers die de vrachtwagen maximaal mag trekken. Doorslaggevend
is de maximale trekkracht die de vrachtwagencombinatie aankan binnen de technische
en wettelijke grenzen, waarbij rekening wordt gehouden met de constructie-eigenschappen
van zowel het trekkend voertuig als de aanhangwagen of oplegger. Het gaat er dus niet
om of de vrachtwagen in de praktijk een aanhangwagen of oplegger trekt en hoeveel
gewicht aan lading er vervoerd wordt. Het gaat om wat de vrachtwagen theoretisch kan
en mag trekken. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat een chauffeur bij elke rit
het gewicht van de vrachtwagen of de combinatie inclusief de lading in de boordapparatuur
moet aanpassen.
Verder wordt voorgesteld een redactionele verschrijving te herstellen in de begripsbepaling
van Verordening (EU) 2018/858.
Het begrip «toegestane maximummassa» wordt op diverse plekken in de Wet vrachtwagenheffing
genoemd. Met artikel XXXVA, onderdelen B, C en D, wordt geregeld dat in de artikelen
3, 5 en 8 van de Wet vrachtwagenheffing voortaan de correcte begrippen worden gehanteerd.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de hier voorgestelde aanpassing van de begripsbepalingen
niet leidt tot een inhoudelijke wijziging in de uitvoering van de vrachtwagenheffing.
Onderdeel 9
Artikel XXXVIII (artikel LXV van het Belastingplan 2025)
In artikel LXV, derde lid, van het Belastingplan 2025 is geregeld dat het bijzondere
tarief voor de rijdende winkel in de Wet MRB 1994 vervalt bij de inwerkingtreding
van artikel 2 van de Wet vrachtwagenheffing. Daarmee vervalt het bijzondere tarief
zodra de vrachtwagenheffing van kracht wordt. Deze nota van wijziging brengt een technische
verbetering aan door de beëindiging van het bijzondere tarief te koppelen aan artikel
30 van de Wet vrachtwagenheffing (de inwerkingtreding van de verlaagde mrb-tarieven
voor vrachtwagens). Door de beëindiging van het bijzondere tarief voor de rijdende
winkel te koppelen aan de inwerkingtreding van genoemd artikel 30, wordt verzekerd
dat dit tarief vervalt op het moment dat de verlaagde mrb-tarieven van toepassing
worden. Dit is van belang, omdat vanaf dat moment het bijzondere tarief voor rijdende
winkels hóger zou zijn dan het reguliere tarief. Het bijzondere tarief heeft dan geen
functie meer.
Onderdeel 10
Artikel L
Er wordt voorgesteld om in artikel L, tweede lid, te regelen dat artikel XVII, onderdeel
Aa, en daarmee het voorgestelde artikel 28 Wet MRB 1994, in werking treedt op het
tijdstip waarop artikel 30 van de Wet vrachtwagenheffing in werking treedt. De tijdelijke
regeling – het nihiltarief – treedt daardoor in werking op het moment dat de mrb-tarieven
voor vrachtwagens vanwege de vrachtwagenheffing zijn verlaagd.
Gelijktijdig wordt voorgesteld om een technische verbetering door te voeren met betrekking
tot het vervallen van het kwarttarief voor vrachtwagens. Er wordt voorgesteld om deze
te koppelen aan de inwerkingtreding van artikel 30 van de Wet vrachtwagenheffing (inwerkingtreding
van de verlaagde mrb-tarieven voor vrachtwagens). Door de aanpassing van het kwarttarief
te koppelen aan artikel 30 van de Wet vrachtwagenheffing wordt verzekerd dat dit gelijktijdig
plaatsvindt met de invoering van de verlaagde mrb-tarieven. Dit is van belang, omdat
vanaf dat moment voor vrachtwagens reeds het Europese minimumtarief geldt en dus geen
aanvullende korting kan worden toegepast.
Verder wordt voorgesteld om in een nieuw derde lid te regelen dat de inwerkingtreding
van de in artikel XXXVA voorgestelde wijzigingen van de Wet vrachtwagenheffing plaatsvindt
op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit wordt voorgesteld omdat de
Wet vrachtwagenheffing nog niet integraal in werking is getreden en op dit moment
nog niet vaststaat wanneer de met deze nota van wijziging te wijzigen bepalingen van
die wet in werking zullen treden.
De Staatssecretaris van Financiën, Heijnen
Indieners
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën