Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over beleidsopties belasting- en invorderingsrente (Kamerstuk 32140-202)
32 140 Herziening Belastingstelsel
Nr. 282 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 20 oktober 2025
De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Staatssecretarissen van Financiën over de brief van 27 juni 2024 over Beleidsopties
belasting- en invorderingsrente (Kamerstuk 32 140, nr. 202).
De vragen en opmerkingen zijn op 10 september 2024 aan de Staatssecretarissen van
Financiën voorgelegd. Bij brief van 20 oktober 2025 zijn de vragen beantwoord.
De vaste commissie voor Financiën heeft op10 september 2024 enkele vragen en opmerkingen
aan de Staatssecretarissen van Financiën voorgelegd over de door beiden op 27 juni
2024 toegezonden brief inzake Beleidsopties belasting- en invorderingsrente (Kamerstuk
32 140, nr. 202).
De voorzitter van de commissie, Nijhof-Leeuw
Adjunct-griffier van de commissie, Lips
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de Belasting- en
Invorderingsrente (BIR) en hebben daarover enkele vragen.
De leden van de PVV-fractie merken op dat het vorige kabinet, vanwege haar demissionaire
status, geen keuzes heeft gemaakt ten aanzien van de verschillende varianten. Heeft
het huidige kabinet inmiddels wel reeds een visie ontwikkeld omtrent de BIR? Zo ja,
waaruit bestaat die visie? Prevaleert bij het huidige kabinet de wens van een verdere
vereenvoudiging van de BIR, dan wel het belastingstelsel als geheel en het tegengaan
van versnippering over verschillende middelen of is voor het huidige kabinet het budgettaire
aspect leidend? Is het kabinet voornemens om de huidige varianten te voorzien van
een uitvoeringstoets?
Is het denkbaar dat een sterk vereenvoudigde uitvoering een eventuele budgettaire
derving verder teniet doet? Zijn de diverse beleidsopties voorgelegd aan het Adviescollege
toetsing regeldruk (ATR). Zo nee, waarom niet, zo ja wat waren de bevindingen?
Kan het kabinet aan de leden van de PVV-fractie nader toelichten wat een overheveling
van het uitgavenkader naar het inkomstenkader in de praktijk betekent in het geval
van een mogelijke budgettaire derving? Kan het kabinet aangeven wat het concreet betekent
als de BIR in het uitgavenkader gehandhaafd blijft?
Betekent dat, in de praktijk, dat een budgettaire derving dient te worden opgevangen
binnen de uitgaven van het Ministerie van Financiën?
Wat is de visie van het kabinet, in algemene zin, op het voorstel van de Studiegroep
Begrotingsruimte om de BIR over te hevelen van het uitgavenkader naar het inkomstenkader?
De leden van de PVV-fractie lezen in de brief dat er – voor de BIR bij belastingen –
vier opties zijn. Waarvan 1 budgettaire variant budgetneutraal is, maar echter wel
zorgt voor een verhoging van de rente op de inkomstenbelasting.
Daartegenover zorgt de variant die het dichtst bij een doel van BIR ligt, (variant 1)
namelijk de verzuimgedachte, voor de grootste budgettaire derving. De leden van de
PVV-fractie vragen hoe het kan dat de variant die dat voorname doel dient tóch zorgt
voor de grootste derving. Kan het kabinet aangeven welk doel zij nastreeft in het
kader van de BIR?
De leden van de PVV-fractie merken ten aanzien van de belasting- en invorderingsrente
bij Toeslagen op dat er wel een – indicatief – budgettair effect is opgenomen bij
de BIR Belastingen maar niet bij de Toeslagen. Kunnen de Staatssecretarissen ook een
indicatief budgettair effect opnemen van elke beleidsoptie in de categorie Toeslagen?
Voorts vragen de leden van de PVV-fractie of er een significant verschil is te vinden
tussen de verschillende toeslagen daar waar het kortweg de BIR aan gaat?
Hebben de Staatssecretarissen ook de mogelijkheid voor de BIR bij toeslagen onderzocht
in de situatie dat er geen voorschotstelsel zou zijn? Wat zijn de effecten hiervan
op de uitvoerbaarheid?
De leden van de PVV-fractie lezen dat indien er uitgegaan wordt van één systeem voor
de BIR (variant 1) dat de rente een grotere rol gaat spelen als gedragsprikkel.
Tegelijkertijd lezen de leden van de PVV-fractie dat de Staatssecretarissen niets
concreet kunnen zeggen over de effectiviteit van rente als gedragsprikkel.
Kunnen de Staatssecretarissen de effectiviteit, in algemene zin, hiervan nader onderzoeken?
Kunnen de Staatssecretarissen daarbij tevens aangeven hoe dit systeem specifiek voor
de toeslagendoelgroep zal uitpakken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fracties hebben de brief van de Staatssecretaris met
interesse gelezen. Deze leden hebben enkele vragen.
Deze leden zijn benieuwd naar de eventuele dekking van de verschillende beleidsopties.
In de brief lezen deze leden dat het kabinet voornemens is het 17e advies van de Studiegroep
Begrotingsruimte over te nemen met betrekking tot het inkomstenkader. Deze leden vragen
wanneer het nieuwe inkomstenkader wordt vastgesteld. Ook vragen deze leden of de beleidsopties
worden meegenomen in het inkomstenkader. Als dit het geval is, heeft dit dan budgettaire
consequenties en op welke manier worden deze dan opgevangen en hoe wordt dit inzichtelijk
gemaakt aan de Kamer? Is het kabinet van plan om toeslagen aan de inkomsten- of aan
de uitgavenkant van het kader te plaatsen? Hoe wordt omgegaan met de invorderingsrente
bij toeslagen binnen het kader? Kunnen de Staatssecretarissen toelichten welke keuze
hier wordt gemaakt en waarom? In het advies wordt als reden tot overheveling gegeven
dat fluctuaties op deze manier gedekt kunnen worden. Kunnen de Staatsecretarissen
voorbeelden geven van endogene en exogene fluctuaties?
De leden van de fractie GroenLinks-PvdA zijn voorts benieuwd naar de overwegingen
achter de gekozen percentages voor de opslag van de belastingrente bij beleidsopties I
en II. Bij optie I wordt gerekend met een ECB-depositorente met een opslag van één
procentpunt. Waarom is voor dit percentage gekozen? Bij optie II wordt vervolgens
gedifferentieerd tussen de vermogensbelasting (Vpb) en overige belastingmiddelen;
daarbij vragen deze leden waarom hier is gekozen voor een drie procentpunt opslag.
Deze leden vragen de Staatsecretarissen ook waarom bij beleidsoptie II met betrekking
tot de belastingrente alleen voor de Vpb een hogere opslag zou gelden en niet ook
voor de bronbelasting en solidariteitsbijdrage.
Daarnaast zijn deze leden benieuwd naar de mogelijkheid tot aangifteverzuim-monitoring.
In beleidsoptie IV met betrekking tot de belastingrente wordt afsluitend gesproken
over de optie om het aangifteverzuim te monitoren en het rentepercentage te verhogen
op het moment dat verzuim toeneemt. Deze leden vragen in hoeverre deze optie een onderdeel
is van beleidsoptie IV of ook op zichzelf als optie meegenomen kan worden.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen de Staatssecretarissen daarnaast
naar de uitvoeringstoets. In de brief geven de Staatssecretarissen aan dat de uitvoerbaarheid
van de beleidsopties niet nader is onderzocht door middel van een uitvoeringstoets.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn alsnog benieuwd naar de uitvoeringskosten
en haalbaarheid van de verschillende beleidsopties en vragen de Staatssecretarissen
naar een uitwerking hiervan.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de Staatssecretaris inzicht kan
geven in onderzoek naar de invloed van verandering van het rentepercentage op de effectiviteit
van de belasting als gedragsprikkel bij zowel belastingen als toeslagen. Deze leden
zijn benieuwd of er onderzoek is geweest naar het effect per belastingmiddel/toeslag
en doelgroep. Zo niet, zijn de Staatssecretarissen bereid daarnaar onderzoek te doen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn verder benieuwd op welke manier er wordt
om gegaan met de invorderingsrente, wanneer door toedoen van de overheid vertraging
bij betalingen is ontstaan. Zijn belastingplichtigen of toeslagenontvangers die buiten
hun schuld een achterstand hebben rente over die achterstand verschuldigd of niet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief «Beleidsopties belasting-
en invorderingsrente». Deze leden hebben nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie constateren ten aanzien van de vormgeving belasting- en
invorderingsrente dat de brief van 27 juni 2024 over beleidsopties voor belasting-
en invorderingsrente bijna uitsluitend ziet op de rentepercentages van de belasting-
en invorderingsrente. Welke afwegingen zijn er bij dit besluit gemaakt? Waarom is
niet breder gekeken naar de vormgeving van de belasting- en invorderingsrente? Gelet
op de niet meer demissionaire status van het kabinet, welke keuzes is het huidige
kabinet voornemens te maken met betrekking tot de belasting- en invorderingsrente?
De leden van de VVD-fractie lezen dat veel van de verschillende beleidsopties een
forse budgettaire derving tot gevolg hebben. Hoe verhoudt dit zich tot een gesloten
inkomstenkader? Zijn de Staatssecretarissen voornemens om tussen een van de geschetste
varianten te kiezen? Zo ja, vinden de Staatssecretarissen dat een budgettair neutrale
optie de voorkeur geniet? Zijn er logische alternatieve varianten die budgetneutraal
kunnen worden vormgegeven?
De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van de compensatiegedachte dat het doel
van de belastingrente is om te compenseren voor financieringskosten indien verzuim
reeds is aangevangen aan de kant van de burger of de kant van de overheid. Kan het
kabinet aangeven hoe deze compensatiegedachte zich uit in de huidige rentepercentages
voor de belastingrente? Welke uitzonderingen bestaan er op deze hoofdregel? In welke
gevallen compenseert de overheid de burger voor verzuimen aan de kant van de overheid?
In welke gevallen juist niet? Kan het kabinet aangeven of er een verschil bestaat
in de financieringskosten voor burgers enerzijds en de overheid anderzijds? Liggen
de financieringskosten aan de kant van de overheid hoger of lager dan bij burgers?
De leden van de VVD-fractie constateren dat een dergelijke compensatiegedachte ook
niet pleit voor een hogere te vergoeden belastingrente als het verzuim aan de kant
van de overheid ligt, doordat de financieringskosten voor burgers hoger liggen dan
voor de overheid? Kan het kabinet verklaren waarom er verschillende belastingrentepercentages
zijn en wat deze verschillen rechtvaardigt? Waarom kende de heffingsrente slechts
één rentepercentage en kent de belastingrente twee rentepercentages?
Kan het kabinet aangeven hoe de compensatiegedachte zich uit in de systematiek voor
de invorderingsrente? Welke uitzonderingen bestaan er op deze hoofdregel? Bestaat
er een verschil in de financieringskosten voor burgers enerzijds en de overheid anderzijds
en wat voor implicaties dit zou hebben bij toepassing van de compensatiegedachte?
Kan de regering het verschil tussen de belasting- en invorderingsrente verklaren?
Waarom kent de invorderingsrente één rentepercentage?
De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van de budgettaire opbrengst dat een
bijkomend doel van de belastingrente is om burgers te stimuleren om tijdig de juiste
gegevens door te geven, zodat tijdig vaststellingen kunnen worden beschikt. Zij onderschrijven
dit belang, maar vragen nog op welke manier er bij de vaststelling van de belastingrente
rekening wordt gehouden wordt met het doenvermogen en handelingsperspectief van burgers.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de belasting- en invorderingsrente in 2013 is
ingevoerd om het sparen bij de fiscus tegen te gaan. Deze leden onderschrijven dit
en vinden het goed dat de regels stimuleren om tijdig de correctie gegevens door te
geven. Kan het kabinet de omvang van het probleem dat is verholpen met de invoering
van de belasting- en invorderingsrente in 2013 schetsen? Kan het kabinet aangeven
wat de budgettaire opbrengst is van de belastingrente uitgesplitst naar belastingmiddel
waarop het rentebedrag is gebaseerd en uitgesplitst naar het toepasselijke rentepercentage?
Kan het kabinet voorts aangeven wat de budgettaire opbrengst is van de invorderingsrente?
Ten aanzien van externe inbreng lezen de leden van de VVD-fractie In de knelpuntenbrief
van de NOB dat de aanpassingen per 1 januari 2023 nog geen rekening hebben gehouden
met een onevenwichtigheid die ontstaat als een belastingplichtige en de inspecteur
een geschil hebben over de hoogte van de verschuldigde belasting. Klopt het dat de
belastingplichtige een groter risico loopt dan de Belastingdienst? Komt de rechtszekerheid
van de belastingplichtige hierdoor in het geding?
De leden van de VVD-fractie lezen ook dat een andere onevenwichtigheid zich voordoet
als de inspecteur afwijkt van de aangifte en er geen voorlopige aanslagen zijn opgelegd.
In de praktijk legt de inspecteur vaak kort nadat de aangifte is ingediend een voorlopige
aanslag op conform de ingediende aangifte. Klopt het dat hierdoor de belastingrente
wordt gemitigeerd en er vaak alleen belastingrente verschuldigd is over het bedrag
van de afwijking? Komt de rechtszekerheid van de belastingplichtige hierdoor wederom
in het geding? Worden de genoemde onevenwichtigheden versterkt door de hoogte van
de rentepercentages? Hoe wil het kabinet dit oplossen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende brief. Deze leden
hebben daarover enkele vragen.
De leden van de SGP-fractie wijzen ten aanzien van de beleidsopties met betrekking
tot de belastingrente erop dat de opbrengst van de belastingrente afhangt van de hoogte
van de gekoppelde rente in een bepaald jaar. Klopt het dat de opbrengst daarom ook
elk jaar fluctueert? Hoe groot is deze fluctuatie? Kan inzicht worden gegeven in de
opbrengst in de afgelopen 15 jaar?
Kunnen de Staatssecretarissen ten aanzien van beleidsoptie 1 inzicht bieden in de
hoogte van de ECB-rente voor basisherfinancieringsoperaties en de ECB-depositorente
in de afgelopen jaren?
Deze beleidsoptie leidt tot een budgettaire derving van structureel 360 miljoen euro,
zo lezen de leden van de SGP-fractie. In welke mate wordt dat gedreven door de verlaging
in de Vpb? Hoe groot is de derving als er gekozen wordt voor een opslag van twee procent?
Wat kunnen volgens de Staatssecretarissen bij beleidsoptie 2 redenen zijn om te kiezen
voor een hogere opslag voor de Vpb?
Ten aanzien van beleidsoptie 1 bij de beleidsopties (belasting)rente toeslagen is
optie 1 vrijwel budgetneutraal, zo lezen de leden van de SGP-fractie. Komt dat vooral
doordat de rentes gelijk blijven of leidt het verruimen van de termijn ook nog tot
derving?
De leden van de SGP-fractie begrijpen ten aanzien van beleidsoptie 2 op dit punt de
oproep tot een vereenvoudiging van de BIR-systematiek en daarmee tot een gelijke behandeling
tussen de rentes voor belastingen en toeslagen. Tegelijk zien deze leden ook verschillen
tussen de onderbouwing voor beide typen rentes. Waar de belastingrente ook een prikkel
dient te zijn om niet in verzuim te treden, dient de rente voor toeslagen ook al compensatie
van potentiële financieringslasten. Kunnen de Staatssecretarissen hierover hun visie
geven? In hoeverre is volgens hen een verschil in rente uitlegbaar?
II Reactie van de bewindspersonen
Inleiding
De vaste commissie voor Financiën heeft op 10 september 2024 enkele vragen en opmerkingen
aan de Staatssecretarissen van Financiën voorgelegd over de door beiden op 27 juni
2024 toegezonden brief inzake Beleidsopties belasting- en invorderingsrente (Kamerstuk
32 140, nr. 202).
Wij hebben met interesse kennisgenomen van de vagen die door de verschillende fracties
zijn gesteld naar aanleiding van de brief. In onderstaande reactie gaan wij in op
de gestelde vragen per fractie. Vooraf merken wij op dat in verschillende vragen wordt
gevraagd naar de visie van het kabinet op het beleid rondom de belasting- en invorderingsrente
(BIR). Vanwege de demissionaire status van het kabinet worden hier op dit moment geen
keuzes over gemaakt gelet op de budgettaire gevolgen die daarmee gepaard gaan, met
uitzondering van de rente op terugvorderingen en nabetalingen van toeslagen1 en het percentage van de invorderingsrente per 2026. Het is aan een volgend kabinet
om een visie op de BIR-systematiek te vormen en met uw Kamer te delen.
De leden van de fracties van de PVV en de VVD vragen of het huidige kabinet een visie
heeft ontwikkeld over de belasting- en invorderingsrente (BIR) en, zo ja, waar deze
uit bestaat.
Het kabinet deelt de conclusie van het vorige kabinet dat het BIR-regime, met name
de belastingrente, de afgelopen jaren versnipperd is geraakt. In de kamerbrief van
27 juni 2024 zijn verschillende beleidsopties gepresenteerd om deze versnippering
te verminderen.
Zoals inleidend is aangegeven, acht het kabinet het niet passend om een visie te vormen
op de BIR-systematiek, met name de belastingrente, gelet op haar demissionaire status.
Daarnaast loopt op dit moment cassatie tegen een uitspraak van Rechtbank-Noord-Nederland
over de hoogte van het belastingrentepercentage vennootschapsbelasting (Vpb).
Voor wat betreft de rente die wordt gerekend over terugvorderingen en nabetalingen
van toeslagen acht het kabinet het niet langer passend om deze te rekenen.2 Het kabinet heeft daarom reeds een voorstel van wet ingediend waarmee deze rente
wordt afgeschaft.3 Terugvorderingen en nabetalingen zijn inherent aan het hanteren van een voorschotstelsel.
Daarbij is het moment van vaststelling van een definitieve tegemoetkoming in grote
mate afhankelijk van de processen bij de Dienst Toeslagen en de aangifte inkomstenbelasting
(IB) bij de Belastingdienst. Er zijn geen signalen dat het stimuleren van gedrag van
de burger via rente bij toeslagen – bovenop de belastingrente bij belastingen – effectief
is. Daarom is het kabinet voorstander van het afschaffen van de rente voor toeslagen
(beleidsoptie III in de Kamerbrief). Het afschaffen van rente voor toeslagen betekent
ook een vereenvoudiging voor zowel de burger als de uitvoering, wat een nadrukkelijke
ambitie is van dit kabinet.
Voor wat betreft de invorderingsrente is het kabinet van mening dat mensen met een
belasting- of toeslagvordering niet geconfronteerd moeten worden met een forse stijging
van dit percentage. Daarom stelt het kabinet het percentage invorderingsrente per
2026 vast op 4,3%, in plaats van een vaststelling op een hoger percentage dat eerder
voorzien was. Dit is een lichte stijging ten opzichte van het huidige percentage van
4%. Hiervoor is gekozen omdat, met name voor de toeslagenpopulatie, een grotere stijging
van de invorderingsrente onwenselijk is. Op dit moment is het in de systemen van de
Belastingdienst niet mogelijk om te differentiëren tussen belastingen en toeslagen.
Het is aan een volgend kabinet om voor de lange termijn, in samenhang met de belastingrente,
een visie voor de invorderingsrente te ontwikkelen, inclusief uitwerking van het vraagstuk
over eventuele ontkoppeling van het percentage dat geldt voor toeslagvorderingen van
het percentage dat geldt voor belastingvorderingen.
De leden van de fractie van de PVV vragen of een vereenvoudiging van de BIR prevaleert
voor het kabinet, boven budgettaire aspecten.
Het kabinet hecht belang aan vereenvoudiging van de BIR en het tegengaan van versnippering
van de BIR over de verschillende middelen. Zoals eerder aangegeven heeft het kabinet
reeds een voorstel ingediend om rente op terugvorderingen en nabetalingen van toeslagen
af te schaffen, waar ook vereenvoudiging van de BIR-systematiek uit voortvloeit vanwege
het vervallen van een element uit de BIR-systematiek.4 Dat neemt niet weg dat budgettaire inpasbaarheid randvoorwaardelijk is om de systematiek
van de BIR-percentages aan te kunnen passen. Het is aan een volgend kabinet om hierover
verdere keuzes te maken.
De leden van de fracties van de PVV en GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet voornemens
is om de voorliggende varianten op uitvoerbaarheid te laten toetsen.
Uitvoerbaarheid is uiteraard van groot belang. Voor zover de uiteindelijk gekozen
beleidsopties een wijziging van het beleid behelzen, zullen deze worden voorzien van
een uitvoeringstoets. Een wijziging van de percentages (zonder systeemwijziging) is
overigens een parameteraanpassing. Hier is geen (uitgebreide) uitvoeringstoets voor
nodig.
De leden van de fractie van de PVV vragen of het voordeel dat kan worden behaald met
een vereenvoudigde uitvoering opweegt tegen de budgettaire derving van een lagere
belastingrente.
Belastingrente wordt in beginsel automatisch berekend. Dit geldt zowel als sprake
is van één tarief als bij meerdere tarieven. De uitvoeringskosten van het aanpassen
en gelijk trekken van de belastingrentetarieven zijn daarom in beginsel beperkt. Vereenvoudiging
van het systeem weegt in financiële zin niet op tegen de budgettaire derving.
De leden van de fractie van de PVV vragen of de beleidsopties zijn voorgelegd aan
het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR).
De beleidsopties zijn niet voorgelegd aan het ATR. Zodra er wordt gekozen voor een
beleidsoptie, zal in de concrete uitwerking van het voorstel van de beleidsoptie een
adviesaanvraag bij het ATR meegenomen worden. Het voorstel tot afschaffen van de rente
op toeslagen loopt mee in het wetsvoorstel Wet verbetermaatregelen toeslagen (Kamerstuk
36 779, nr. 2). Voor dit wetsvoorstel is advies gevraagd aan het ATR.
De leden van de fractie van de PVV en GroenLinks-PvdA vragen wat overheveling van
de BIR naar het inkomstenkader betekent in het geval van een budgettaire derving,
en de leden van de PVV vragen wat het betekent als de BIR in het uitgavenkader zou
worden gehandhaafd. De leden van de PVV vragen daarnaast wat de visie van het kabinet
is op het voorstel van de Studiegroep Begrotingsruimte om de BIR over te hevelen naar
het inkomstenkader. De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de budgettaire derving
van de geschetste beleidsopties zich verhoudt tot een gesloten inkomstenkader.
Op advies van de 17e Studiegroep Begrotingsruimte is bij het aantreden van het Kabinet Schoof de post
voor de BIR op de begroting van het Ministerie van Financiën overgeheveld naar het
inkomstenkader van de rijksbegroting. Het ging daarbij om de BIR gerelateerd aan de
belastingen.
Door de overheveling kan dekking voor beleidsmatige wijzigingen gevonden worden in
de regelingen waarmee de BIR verbonden is. Indien een volgend kabinet ervoor kiest
om de BIR-systematiek aan te passen, zal hiervoor altijd eerst budgettaire dekking
moeten worden gevonden.
De leden van de fractie van de PVV vragen hoe het kan dat variant I voor de belastingrente
voor belastingen, die het voornaamste doel dient, toch zorgt voor de grootste derving,
en welk doel het kabinet nastreeft met de BIR.
Deze variant brengt de belastingrente voor de Vpb weer in lijn met de overige belastingmiddelen,
waardoor deze flink wordt verlaagd. Daarnaast wordt de opslag voor de overige middelen
verkleind ten opzichte van de huidige situatie. Door deze verlagingen treedt er een
budgettaire derving op.
De BIR bij belastingen draagt eraan bij dat belastingplichtigen en -schuldigen tijdig
belastingaangifte doen en hun belastingen betalen, zodat de staat tijdig over de financiële
middelen beschikt om de overheidsuitgaven te kunnen betalen. Het berekenen van belastingrente
over een niet-tijdig ingediende aangifte of invorderingsrente over een niet tijdig
betaalde belastingaanslag draagt bij aan dit doel.
De leden van de PVV-fractie vragen of er een indicatief budgettair effect opgenomen
kan worden van elke beleidsoptie in de categorie toeslagen. Ook vragen zij of de budgettaire
effecten significant verschillen tussen de verschillende toeslagen.
Met betrekking tot de rente op terugvorderingen en nabetalingen van toeslagen stelt
het kabinet voor deze af te schaffen. Dit voorstel is ingediend met het wetsvoorstel
Wet verbetermaatregelen toeslagen. Het budgettaire effect van deze maatregel (tevens
uitgesplitst per toeslag) is te vinden in de memorie van toelichting bij het genoemde
wetsvoorstel.5 Met betrekking tot invorderingsrente geldt dat op dit moment een percentage van 4,0%
wordt gehanteerd, en dat vanaf 1 januari 2026 het percentage wordt vastgesteld op
4,3%. Voor de in de Kamerbrief geschetste opties voor herziening van de invorderingsrente
op de lange termijn zijn geen budgettaire effecten niet in beeld gebracht. Voorstellen
hiertoe zijn aan een volgend kabinet.
De leden van de fractie van de PVV vragen of ook de mogelijkheid voor de BIR bij toeslagen
is onderzocht in de situatie dat er geen voorschotstelsel zou zijn, en wat hiervan
de effecten zouden zijn op de uitvoerbaarheid.
Zonder voorschotstelsel zouden er geen afwijkingen ontstaan tussen het toeslagvoorschot
en de definitieve toekenning van toeslagen, en zou er dus ook geen grondslag zijn
waarover rente op terugvorderingen en nabetalingen van toeslagen kan worden geheven.
Invorderingsrente wordt geheven ingeval van een niet-tijdige betaling door de belanghebbende.
Een niet-tijdige betaling van een belanghebbende kan nog steeds ontstaan zonder voorschotstelsel
(indien bijvoorbeeld het recht op een toeslag wijzigt wegens nieuwe informatie waaruit
een terugvordering ontstaat). Verondersteld wordt dat er minder terugvorderingen ontstaan
indien er geen voorschotstelsel zou zijn, waardoor er ook minder invorderingsrente
geheven wordt wegens niet-tijdige betalingen van terugvorderingen. Voor specifieke
effecten zou nader onderzoek moeten worden gedaan.
De leden van de fracties van de PVV en GroenLinks-PvdA vragen of het mogelijk is om
de effectiviteit van de BIR (belasting- en invorderingsrente) als gedragsprikkel in
algemene zin te onderzoeken.
Er is in de gedragswetenschap onderzoek gedaan naar financiële prikkels voor gedragsbeïnvloeding.
Deze onderzoeken worden bij de verkenning van een nieuw systeem voor het vaststellen
van de BIR-percentages meegenomen. De onderzoeken geven een indicatie dat rente als
gedragsprikkel mogelijk effectief zou kunnen zijn, met name waar het ondernemingen
betreft.
Mocht door een volgend kabinet gekozen worden voor een rentesystematiek voor belastingen
waarbij een toename van verzuimgedrag een risico vormt, dan kan (afhankelijk van de
uitvoeringskosten) het effect van de gewijzigde rentepercentages worden gemonitord.
Als hieruit blijkt dat er een ongewenst gedragseffect optreedt (meer verzuim), dan
kunnen de rentepercentages worden bijgesteld.
De leden van de fractie van de PVV vragen hoe dit systeem specifiek voor de toeslagendoelgroep
zal uitpakken.
Het ligt niet voor de hand dat de rente op terugvorderingen en nabetalingen van toeslagen
effectief is als gedragsprikkel om tijdig en juist informatie aan te leveren. Voor
de meeste toeslagontvangers zijn de mogelijkheden om terugvorderingen (of nabetalingen)
te voorkomen beperkt. Daarnaast heeft de toeslagontvanger binnen het proces van definitief
vaststellen van de toeslag maar beperkt invloed op het tijdstip van de definitieve
vaststelling, omdat dit sterk afhankelijk is van de doorlooptijd van de processen
bij de Dienst Toeslagen. Daarom stelt dit kabinet in het wetsvoorstel Wet verbetermaatregelen
toeslagen voor om deze rente voor toeslagen af te schaffen.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen wanneer het nieuwe inkomstenkader
wordt vastgesteld en of de beleidsopties worden meegenomen in het inkomstenkader.
Bij het aantreden van het nieuwe kabinet wordt een nieuw inkomstenkader opgesteld.
Beleidsmatige wijzigingen in de BIR gerelateerd aan de belastingen dienen te worden
ingepast in het lastenkader. Als ervoor wordt gekozen om een van de beleidsopties
voor de rente op belastingen door te voeren, zal moeten worden gezocht naar budgettaire
dekking.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet van plan is om toeslagen
aan de inkomsten- of aan de uitgavenkant van het kader te plaatsen, en hoe binnen
dit kader wordt omgegaan met de invorderingsrente.
Het kabinet is niet van plan om iets te wijzigen aan de huidige begrotingssystematiek
bij toeslagen. De huurtoeslag, het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag zijn
opgenomen aan de uitgavenkant van de begrotingen van de beleidsverantwoordelijke departementen
(het Ministerie van VRO resp. SZW). Vergoedingen en ontvangsten van invorderingsrente
op schulden die zijn ontstaan in het kader van deze toeslagen staan op dezelfde begrotingen.
De zorgtoeslag staat op de begroting van het Ministerie van VWS, maar valt in het
inkomstenkader omdat deze gekoppeld is aan de zorgpremies die daar ook onderdeel van
uitmaken. Dit geldt ook voor de vergoedingen en ontvangsten van invorderingsrente
op schulden die zijn ontstaan in het kader van de zorgtoeslag.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen welke keuzes er zijn gemaakt ten
aanzien van de begrotingsbehandeling van de BIR. Ook vragen deze leden naar voorbeelden
van endogene en exogene fluctuaties bij de opbrengst van de BIR.
Zoals in het Hoofdlijnenakkoord is aangegeven, heeft het kabinet het advies van de
SBR overgenomen en is de BIR gerelateerd aan belastingen verplaatst naar het inkomstenkader.
Op deze manier kan een derving die voortvloeit uit de BIR gerelateerd aan belastingen
worden gedekt binnen regelingen waarmee de BIR verbonden is.
Een voorbeeld van een exogene fluctuatie, ook wel een beleidsmatige aanpassing, bij
de BIR is een wijziging van het belastingrentepercentage. Het gaat hier dus om een
actieve keuze van het kabinet of het parlement om het beleid te wijzigen wat leidt
tot een derving of opbrengst van de BIR inkomsten. De budgettaire gevolgen van zo’n
aanpassing moeten worden verwerkt in het inkomstenkader.
Een voorbeeld van een endogene fluctuatie zou kunnen zijn dat meer burgers en bedrijven
hun belastingaanslag binnen de wettelijke betalingstermijn betalen. Hierdoor zouden
de BIR-inkomsten dalen. De budgettaire gevolgen van zo’n ontwikkeling worden niet
verwerkt in het inkomstenkader.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarom is gekozen voor de opslagpercentages
bij beleidsopties I en II. Voorts vragen de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA
en de SGP waarom bij beleidsoptie II wordt gekozen voor een hoger opslagpercentage
voor de Vpb.
Het vorige kabinet heeft gezocht naar percentages voor de belastingrente op belastingen
die zo veel mogelijk in lijn zijn met het beleidsdoel, kortgezegd het voorkomen van
aangifte- en betaalverzuim. Hierbij is overwogen dat dit beleidsdoel het beste kan
worden bereikt wanneer belastingplichtigen geconfronteerd worden met een rentepercentage
dat iets hoger ligt dan het percentage waarvoor zij bijvoorbeeld zouden kunnen sparen.
De opslagpercentages in de beleidsopties zijn bedoeld om een inschatting te geven
van de budgettaire impact van de geschetste beleidsopties. De uiteindelijke opslagpercentages
zijn mede afhankelijk van de budgettaire mogelijkheden. Het kabinet laat het aan een
volgend kabinet om hierover te beslissen.
De ECB-depositorente wordt in de financiële markt breed gebruikt als ijkpunt om rentepercentages
op te baseren. Omdat in de financiële markt wel afgeweken kan worden van deze referentierente,
wordt voorgesteld om een beperkte opslag van één procentpunt te hanteren, zodat de
belastingrente waarschijnlijk niet snel onder de gehanteerde rentes in de markt uitkomt.
Voor belastingplichtigen binnen de Vpb kan worden betoogd dat Vpb-ondernemers een
hoger rendement kunnen behalen op geld dat nog niet is afgedragen aan de Belastingdienst.
Ten grondslag aan de (huidige) systematiek van de belastingrenteregeling ligt immers
de veronderstelling dat belastingplichtigen voor de Vpb zich begeven in het handelsverkeer.
Omdat de bronbelasting, de minimumbelasting en de solidariteitsbijdrage een grote
overlap in belastingplichtigen hebben, kan deze beredenering ook voor deze belastingmiddelen
worden toegepast. De gekozen drie procentpunt in beleidsoptie II is een benadering
van wat dat rendement zou kunnen zijn. Hierbij is uitgegaan van een schatting. Ook
hierbij geldt dat het aan een volgend kabinet is om hierover beleidskeuzes te maken.
Overigens is de hoogte van de opslag die wordt gekozen afhankelijk van de budgettaire
mogelijkheden. Uw Kamer zal over een besluit tot wijziging van de (opslag)percentages
door een volgend kabinet in ofwel de Voorjaarsnota ofwel de Miljoenennota worden geïnformeerd.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarom het hogere opslagpercentage
enkel zou gelden voor de Vpb en niet ook voor de bronbelasting en de solidariteitsbijdrage.
Het hogere opslagpercentage in beleidsoptie II is beoogd te gelden voor dezelfde categorie
als waarvoor nu het hogere belastingrentepercentage geldt. Dit betekent dat dit hogere
percentage ook zou gaan gelden voor de bronbelasting, solidariteitsbijdrage en de
minimumbelasting.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de mogelijkheden tot aangifteverzuim-monitoring.
In de Kamerbrief lijkt aangifteverzuim-monitoring alleen te zien op beleidsoptie IV,
maar het was de bedoeling om dit voor alle beleidsopties als mogelijkheid te benoemen.
Het is mogelijk om aangifteverzuim te monitoren. De frequentie en intensiteit hiervan
hangen mede af van de uitvoeringskosten.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe er wordt omgegaan met de invorderingsrente,
als door toedoen van de overheid vertraging bij betalingen is ontstaan.
Voor belastingen geldt dat een betaling als tijdig wordt aangemerkt als het moment
van bijschrijven op de rekening van de Belastingdienst uiterlijk samenvalt met de
dag waarop de toegestane belastingtermijn verstrijkt. In beginsel is dit de verantwoordelijkheid
van belastingplichtige zelf. Wanneer door toedoen van de overheid vertraging bij betalingen
is ontstaan, is het op grond van de Invorderingswet mogelijk om te bezien of er sprake
is van een uitzonderlijke omstandigheid waarbij het niet redelijk wordt geacht om
invorderingsrente in rekening te brengen. Voor toeslagen geldt dezelfde procedure.
De leden van de fractie van de VVD vragen waarom er in de Kamerbrief vrijwel uitsluitend
wordt ingegaan op de rentepercentages voor de BIR en waarom er niet breder is gekeken
naar de vormgeving van de BIR.
De directe aanleiding voor de Kamerbrief van 27 juni 2024 was de toezegging in het
nader rapport bij het Eindejaarsbesluit 2023 dat het kabinet voor het zomerreces van
2024 een integrale beleidsvisie aan uw Kamer zou sturen over de wijze van vaststelling
van de BIR-percentages, omdat daarin een te gefragmenteerde aanpak was ontstaan. Voor
de belastingrente voor belastingen en toeslagen is daarom fundamenteel gekeken naar
de werking van de rentes, de te behalen doelen en de daarbij meest passende vormgeving.
Uit deze fundamentele verkenning volgden de beleidsopties zoals beschreven in de Kamerbrief
en volgde vervolgens het voorstel van het kabinet om de rente op terugvorderingen
en nabetalingen van toeslagen af te schaffen.
Zoals ook in de Kamerbrief gedeeld, is de invorderingsrente minder fundamenteel bezien
in deze verkenning. De reden is dat invordering, waaronder de vraag of en wanneer
rente wordt geheven, een breder vraagstuk is dat niet alleen belastingen en toeslagen
raakt.
De leden van de fractie van de VVD vragen of het de bedoeling is dat een van de geschetste
varianten wordt gekozen voor de BIR-percentages en of een budgetneutrale variant de
voorkeur geniet. Voorts vragen deze leden of er nog andere alternatieven te bedenken
zijn voor een budgetneutrale variant.
De in de Kamerbrief geschetste beleidsopties zijn indicatief voor de mogelijkheden
die er zijn om de rentepercentages voor de BIR vast te stellen. Het is aan een volgend
kabinet of een van deze varianten wordt gekozen, en welke.
Zoals ook hiervoor is geschetst, stelt het kabinet voor om de rente op terugvorderingen
en nabetalingen van toeslagen af te schaffen. Deze optie heeft een klein positief
budgettair effect.
De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de compensatiegedachte tot uitdrukking
komt in de huidige opzet van de belastingrente. Ook vragen deze leden in welke gevallen
de overheid belastingplichtigen compenseert voor een verzuim aan de kant van de overheid.
Bij invoering van de belastingrente in 2013 heeft de wetgever ervoor gekozen om de
compensatiegedachte, die nog leidend was voor de heffingsrente, los te laten en de
verzuimgedachte als beleidsdoel voor de belastingrente aan te merken. De compensatiegedachte
komt daarom niet tot uiting in de huidige rentepercentages. Dit gold ook voor de systematiek
bij de rente op toeslagen, gezien de koppeling van toeslagen met het systeem van belastingen
voordat het rentepercentage werd losgekoppeld en vastgesteld op de huidige 4%.
Belastingrente wordt enkel vergoed als de inspecteur te lang doet over het vaststellen
van een aanslag, en als er sprake is van nabetalingen van toeslagen.
De leden van de fractie van de VVD vragen waarom er verschillende belastingrentepercentages
zijn en wat de rechtvaardiging is voor deze verschillen. Ook vragen deze leden waarom
de heffingsrente slechts één percentage kende.
Sinds de invoering van de belastingrente in 2013 is de wijze waarop de BIR-percentages
worden vastgesteld een aantal keer gewijzigd. Het hanteren van een hoger rentepercentage
voor de Vpb dan voor andere belastingmiddelen sluit aan bij de gedachte achter de
wettelijke rente, namelijk dat in het handelsverkeer een hoger rentepercentage geldt
dan in het niet-handelsverkeer. Budgettaire overwegingen hebben bij de keuze voor
differentiatie ook een rol gespeeld. Dit verklaart waarom er verschillende belastingrentepercentages
worden gehanteerd. Het is aan een volgend kabinet om te bezien of deze verschillende
percentages nog te rechtvaardigen zijn.
De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de compensatiegedachte zich uit in de
systematiek van de invorderingsrente en of er een verschil bestaat in de financieringskosten
voor burgers en de overheid.
Invorderingsrente kan zowel worden vergoed als in rekening gebracht. Het niet betalen
van een belastingschuld is feitelijk een lening bij de overheid, waar een rentevergoeding
tegenover staat. Aan een belastingschuldige die te laat een belastingschuld betaalt
wordt invorderingsrente in rekening gebracht, en als de ontvanger te laat een belastingteruggaaf
uitbetaalt wordt invorderingsrente aan de belastingschuldige vergoed. De invorderingsrente
gaat dus, naast de verzuimgedachte ook uit van de compensatiegedachte, terwijl de
belastingrente hoofdzakelijk is gericht op het voorkomen van aangifteverzuim.
Ten aanzien van de financieringskosten kan in de regel worden gesteld dat de Nederlandse
staat tegen gunstiger voorwaarden kan lenen dan een burger of een bedrijf, omdat het
risico dat de Nederlandse staat haar schulden niet kan betalen heel erg laag is.
De leden van de fractie van de VVD vragen op welke manier er bij de vaststelling van
het rentepercentage van de belastingrente rekening wordt gehouden met het doenvermogen
en het handelingsperspectief van burgers.
Het kabinet vindt het belangrijk dat de hoogte van de belastingrente passend is om
verzuim te voorkomen, maar niet hoger is dan noodzakelijk. Daarmee wordt een balans
gezocht tussen een goede prikkel ten bate van nalevingsgedrag, en het handelingsperspectief
en doenvermogen van burgers. Er vindt een doenvermogenscan plaats wanneer gekozen
beleidsopties in regelgeving worden uitgewerkt.
De leden van de fractie van de VVD vragen wat de omvang is van het sparen bij de fiscus,
wat beoogd werd te beëindigen met de invoering van de huidige systematiek van de belastingrente.
In 2012 werd nog over zo’n 8 miljoen belastingaanslagen heffingsrente (tegenwoordig
belastingrente) vergoed. Dat aantal is gedaald naar gemiddeld circa 300.000 vergoedingen
van belastingrente op jaarbasis. Budgettair leidde de invoering van de belastingrente
destijds tot een besparing van circa € 400 miljoen.
De leden van de fractie van de VVD vragen naar een overzicht van de opbrengst van
de belastingrente uitgesplitst naar belastingmiddel en uitgesplitst naar de verschillende
rentepercentages die worden toegepast. Ook vragen deze leden naar een overzicht van
de budgettaire opbrengst van de invorderingsrente.
De ontvangsten en uitgaven aan belastingrente in 2024 – het meest recente volledige
jaar waarover realisatiecijfers beschikbaar zijn – waren als volgt verdeeld over de
verschillende belastingmiddelen:
Tabel: ontvangsten en uitgaven belastingrente 2024
Belastingrente (excl. premies; in mln €)
Ontvangsten
Uitgaven
Saldo
Inkomensheffing
281
5
276
Vennootschapsbelasting
575
85
490
Omzetbelasting
87
52
35
Loonheffingen
10
3
7
Overig
48
12
36
Totaal
1.001
157
844
Tabel: van toepassing zijnde rentepercentages in 2024
Belastingrentepercentage per belastingmiddel
Belastingrente Vpb
In rekening te brengen
10%
Te vergoeden
10%
Belastingrente overige middelen
In rekening te brengen
7,5%
Te vergoeden
7,5%
De ontvangsten zijn opgebouwd uit rente over aanslagen uit voorgaande belastingjaren
en de daaraan gekoppelde rentepercentages. De meeste ontvangsten in 2024 hebben betrekking
op belastingjaar 2023.
Het totaal aan ontvangen invorderingsrente gerelateerd aan belastingen (exclusief
premies) in 2024 (het meest recente volledige jaar waarover realisatiecijfers beschikbaar
zijn) bedroeg € 191 miljoen, de uitgaven aan invorderingsrente in dat jaar bedroegen
€ 96 miljoen. De netto-opbrengst in 2024 was derhalve € 95 miljoen.
De leden van de fractie van de VVD vragen of het klopt dat belastingplichtigen een
groter risico lopen ten aanzien van de belastingrente dan de inspecteur, als er een
geschil is over de hoogte van de verschuldigde belasting.
Als een aanslag resulteert in een te betalen bedrag, dan is de belastingplichtige
daarover in beginsel belastingrente verschuldigd. Bij een geschil kan belastingrente
voorkomen worden door het hoogste bedrag aan belasting te betalen, waardoor er recht
op een teruggaaf ontstaat als de belastingplichtige in het gelijk wordt gesteld. Onder
de huidige regels krijgt een belastingplichtige dan geen belastingrente vergoed. Dit
is een bewuste keuze geweest van de wetgever om sparen bij de fiscus tegen te gaan.6
De leden van de fractie van de VVD vragen of het klopt dat met een voorlopige aanslag
de belastingrente kan worden gemitigeerd.
Het is inderdaad zo dat met een voorlopige aanslag de omvang van de belastingrente
wordt beperkt. Als de definitieve aanslag conform de voorlopige aanslag wordt opgelegd,
is er geen (aanvullende) belastingrente verschuldigd.
Belastingplichtigen voor de IB en de Vpb kunnen belastingrente voorkomen door tijdig
aangifte te doen of door uiterlijk vier maanden na afloop van het belastingjaar een
voorlopige aanslag aan te vragen. Uiteraard wordt wel belastingrente in rekening gebracht
over het meerdere als de definitieve aanslag hoger uitvalt dan de voorlopige aanslag.
Omdat er voldoende mogelijkheden bestaan om het in rekening brengen van belastingrente
te voorkomen of mitigeren, is er geen sprake van een onevenwichtigheid. Ook is het
kabinet niet van mening dat dit de rechtszekerheid van belastingplichtigen beperkt.
De leden van de fractie van de SGP vragen hoe groot de fluctuatie van de belastingrente
is, doordat deze wordt gekoppeld aan een rente in een bepaald jaar. Ook vragen deze
leden of er inzicht kan worden gegeven in de fluctuatie van de rentepercentages in
de afgelopen 15 jaar.
Onderstaande tabel laat de ontvangsten en uitgaven aan belastingrente zien voor de
jaren 2009 tot en met 2024:
Tabel: totaal aan ontvangsten en uitgaven belastingrente 2009–2024
NB inclusief Douane, exclusief premies
De inkomsten en uitgaven BIR worden door meer dan alleen de rentestand beïnvloed.
Andere relevante factoren zijn bijvoorbeeld betaalgedrag van burgeres en bedrijven,
grote incidentele uitschieters of gerechtelijke uitspraken. Om die reden is het lastig
om de doorwerking van de rente op de ontvangsten en uitgaven van de BIR te schatten.
Voorts vragen de leden van de fractie van de SGP een overzicht van de hoogte van de
ECB-rente voor basisherfinancieringsoperaties en de ECB depositorente in de afgelopen
jaren.
Tabel: ECB-basisherfinancieringsrente en ECB-depositorente vanaf 2019
Ingangsdatum
Depositorente
Basisherfinancieringsrente
2024
18 Sep.5
3.50
3.65
2024
12 Jun.
3.75
4.25
2023
20 Sep.
4.00
4.50
2023
2 Aug.
3.75
4.25
2023
21 Jun.
3.50
4.00
2023
10 May
3.25
3.75
2023
22 Mar.
3.00
3.50
2023
8 Feb.
2.50
3.00
2022
21 Dec.
2.00
2.50
2022
2 Nov.
1.50
2.00
2022
14 Sep.
0.75
1.25
2022
27 Jul.
0.00
0.50
2019
18 Sep.
− 0.50
0.00
Ten aanzien van dit overzicht wordt opgemerkt dat de ECB recent heeft besloten dat
het verschil tussen deze rentes wordt verkleind naar 15 basispunten7, waar dit voorheen 50 basispunten bedroeg.
De leden van de fractie van de SGP vragen welk deel van de budgettaire derving van
€ 360 miljoen te wijten is aan de verlaging van de belastingrente voor de Vpb. Ook
vragen zij hoe groot deze derving is als er wordt gekozen voor een opslag van twee
procentpunten, in plaats van een procentpunt.
De geraamde derving van € 360 miljoen wordt voor ruim de helft bepaald door de derving
van de belastingrente bij de Vpb. Bij een opslag van twee procentpunt bedraagt de
derving naar schatting ruim € 240 miljoen.
De leden van de fractie van de SGP vragen of beleidsoptie 1 bij de beleidsopties belastingrente
toeslagen vrijwel budget neutraal is doordat de rentes gelijk blijven of dat het verruimen
van de termijn ook tot derving leidt.
Het bedrag aan nabetalingen en terugvorderingen is om en nabij gelijk, waarbij in
de huidige systematiek iets meer rente wordt vergoed dan ontvangen. Het verruimen
van termijnen, waarbij wordt gedoeld op het opschuiven van de aanvang van het tijdvak,
zal daarom niet leiden tot derving. Het verruimen van termijnen brengt dan nog steeds
een lichte opbrengst met zich mee, omdat het aandeel rentebetaling na de tijdvakverschuiving
iets afneemt ten opzichte van de huidige situatie.
De leden van de SGP-fractie geven tot slot aan ten aanzien van beleidsoptie 2 bij
de beleidsopties belastingrente toeslagen de oproep tot een vereenvoudiging van de
BIR-systematiek te begrijpen, maar zien ook verschillen tussen de onderbouwing voor
beide typen rentes. Deze leden vragen naar de visie op deze verschillen en vragen
in hoeverre een verschil in rente uitlegbaar is.
De rente op terugvorderingen en nabetalingen voor toeslagen is overgenomen uit het
systeem van belastingen, toen de toeslagen in 2005 in werking traden. Eerst van 2005
tot en met 2012 gold de heffingsrente, vanaf 2013 geldt de systematiek van de belastingrente.
Vanuit het belastingensysteem is de rente op toeslagen vanaf 2013 toegepast vanuit
de verzuimgedachte, waarbij de rente diende als gedragsprikkel. Na loskoppeling van
systematiek tussen de rente op toeslagen en de belastingrente op belastingen in 20238 is verkend voor welke doelen de rente op toeslagen specifiek zou kunnen dienen. Daarbij
is de beleidsoptie uitgewerkt om rente op toeslagen te gaan toepassen als compensatie
van potentiële financieringskosten en dus niet meer vanuit de verzuimgedachte. Zoals
ook hierboven geschetst heeft het de voorkeur van het kabinet om de belastingrente
voor toeslagen volledig af te schaffen. Een voorstel hiertoe is opgenomen in het wetsvoorstel
Wet verbetermaatregelen toeslagen (zie hiervoor).
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.M. Nijhof-Leeuw, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
W.A. Lips, adjunct-griffier