Brief regering : Voortgang versterking VTH-stelsel juli 2025
22 343 Handhaving milieuwetgeving
28 663 Milieubeleid
Nr. 429 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 14 juli 2025
Met deze brief wordt de Kamer, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid
(JenV), geïnformeerd over de voortgang van de versterking van het stelsel van vergunningverlening,
toezicht en handhaving milieu (VTH-stelsel milieu). In dit kader worden drie onderwerpen
rond de aanpak van milieucriminaliteit belicht: de formalisatie van de Strategische
Milieukamer, de doorzettingskracht bij de aanpak van milieucriminaliteit en het VTH-stelsel,
en het verkennend onderzoek naar de oprichting van een landelijk expertisecentrum
in de aanpak van milieucriminaliteit. Tot slot wordt in deze brief ingegaan op twee
moties die zijn ingediend tijdens het tweeminutendebat VTH-stelsel van 5 februari
2025.
Formalisatie Strategische Milieukamer
De formalisering van de Strategische Milieukamer (SMK) was een gedeelde wens van zowel
de SMK als de betrokken ministeries, en werd aangekondigd door de Minister van JenV
en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) in de Kamerbrief van
8 april 2022.1 De formalisering is in gang gezet binnen het Interbestuurlijk Programma Versterking
VTH-stelsel milieu (IBP VTH). De SMK is nu formeel ingesteld door middel van een instellingsbesluit.
Dit instellingsbesluit is op 15 april jl. gepubliceerd in de Staatscourant.2 Het besluit is ondertekend door de Minister van JenV, de Staatssecretaris van IenW
en de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
In de Strategische Milieukamer hebben structureel zitting de Hoofdofficier van Justitie
van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie (voorzitter), de Inspecteur-Generaal
van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), de Inspecteur-Generaal van de Nederlandse
Voedsel- en Warenautoriteit, de door de korpschef gemandateerde politiechef die landelijk
verantwoordelijk is voor het functionele werkgebied milieucriminaliteit en een directeur
van een omgevingsdienst namens de directeuren van de omgevingsdiensten. De taken van
de SMK liggen op het terrein van de strafrechtelijke aanpak van milieucriminaliteit.
De deelnemers aan de SMK stellen daarvoor gezamenlijk de prioriteiten vast. Daarbij
werken zij elke vier jaar aan een Dreigingsbeeld Milieucriminaliteit, en stellen zij
aan de hand daarvan elke vier jaar een Agenda Strafrechtelijke Aanpak Milieucriminaliteit
op.
Doorzettingskracht bij de aanpak van milieucriminaliteit en het VTH-stelsel
Naar aanleiding van het rapport Om de leefomgeving van de commissie Van Aartsen is in de Kamerbrief van 13 december 20213 toegezegd dat advies (voorlichting) zou worden gevraagd aan de Raad van State over
de wijze waarop de doorzettingskracht voor milieucriminaliteit en het VTH-stelsel
op rijksniveau het beste kan worden georganiseerd. Een onderdeel van de adviesaanvraag
zou daarbij zijn hoe de Europese eis van evenredige, doeltreffende en afschrikwekkende
sancties in de uitvoering van de handhaving (bestuurs- en strafrecht) geborgd kon
worden. In de Kamerbrief van 21 oktober 20224 is aangegeven dat de vraag over deze Europese eis geen strikt juridische vraag was
waar de Raad van State voorlichting over zou kunnen geven. Daarom werd ook aangegeven
dat opnieuw zou worden overwogen welke route geschikt zou zijn om de vraag over het
versterken van de doorzettingskracht te beantwoorden. Daarbij werden toen reeds het
versterken van de positie van de SMK en de actielijnen binnen het IBP VTH genoemd
als relevante ontwikkelingen. Hierbij informeer ik de Kamer over de stand van zaken
van de opvolging van deze toezegging.
Zoals eerder aangegeven in deze Kamerbrief, is de SMK onlangs formeel ingesteld. Daarnaast
hebben de diverse actielijnen uit het IBP VTH geresulteerd in het vaststellen van
de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht en het inrichten van een overlegstructuur
tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke toezicht- en handhavingspartners. Bovendien
werkt het Ministerie van IenW aan een verdere versterking van het brede VTH-stelsel
milieu. In de Kamerbrief van 8 mei jl.5 is de Kamer geïnformeerd over de laatste stand van zaken betreffende het wetsvoorstel
versterking VTH. Vanuit de verantwoordelijkheid en bevoegdheden van de Staatssecretaris
van IenW is het nodig om te werken aan de versterking van het stelsel. Deze versterking
vindt plaats door middel van een breed pakket aan maatregelen die, waar nodig, in
wetgeving worden ondergebracht. Daarmee zal de regie vanuit het Rijk worden versterkt.
Deze stappen worden de aankomende jaren verder uitgewerkt en gemonitord. Mocht dit
over enkele jaren nodig blijken, dan kan worden bezien welke aanvullende acties kunnen
worden ingezet om de doorzettingskracht te versterken.
Verder wordt op dit moment door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC)
onderzoek gedaan naar de straftoemeting bij (ernstige) milieudelicten. De uitkomsten
van het onderzoek worden in het vierde kwartaal van 2025 verwacht.
Verkennend onderzoek landelijk expertisecentrum aanpak milieucriminaliteit
Met deze brief ontvangt de Kamer, zoals eerder aangekondigd in de Kamerbrief van 4 april
jl.6, het onderzoeksrapport Onderzoek Landelijk Expertisecentrum Milieucriminaliteit (bijlage 1). Deze rapportage is in opdracht van het Ministerie van IenW uitgevoerd
en bevat een verkennend onderzoek naar mogelijke scenario’s voor de oprichting van
een landelijk expertisecentrum in de aanpak van milieucriminaliteit. In dit onderzoek
is samen met betrokken partners uit het stelsel verkend hoe het huidige speelveld
rondom milieucriminaliteit eruitziet en wat daarin de huidige behoeften zijn met betrekking
tot expertise-, kennis- en informatiedeling. Het onderzoek geeft in het algemeen aan
dat ter versterking van de aanpak van milieucriminaliteit ingezet moet worden op het
beter delen van informatie, kennis en expertise in de VTH-keten en formuleert hiervoor
een drietal scenario’s. Het Ministerie van IenW onderzoekt samen met betrokken partners
hoe vorm te geven aan de mogelijke opvolging van deze scenario’s. De Kamer zal hierover
nader worden geïnformeerd.
Motie van het lid Gabriëls over het waarborgen van de onafhankelijkheid van de omgevingsdiensten
(22 343, nr. 412)
De onafhankelijkheid van omgevingsdiensten is essentieel voor een professionele uitvoering
van toezicht en handhaving in de fysieke leefomgeving. Binnen het huidige stelsel
is bewust gekozen voor een structuur waarin deze diensten zijn ingebed in de lokale
en regionale bestuurlijke context, met behoud van professionele autonomie. Voor een
adequate invulling van deze onafhankelijkheid zijn uniforme mandaatverstrekking, ruimte
voor professionele oordeelsvorming en toereikende middelen nodig. Een omgevingsdienst
moet in staat zijn om adviezen uit te brengen aan haar bevoegd gezag zonder bestuurlijke
druk, financiële afhankelijkheid of andere externe invloeden. Het Ministerie van IenW
stimuleert en volgt een aantal ontwikkelingen die in gang zijn gezet om deze onafhankelijkheid
verder te borgen.
Zo zorgt het interbestuurlijk vastgestelde modelmandaat voor uniformiteit en duidelijkheid
in de bevoegdheden van directeuren. De beweging van outputfinanciering naar outcomefinanciering
versterkt de autonomie van omgevingsdiensten in de invulling van toebedeelde VTH-taken.
Daarnaast werkt het Ministerie van IenW aan het wettelijk vastleggen van een aanvaardbaar
niveau van uitvoering via de robuustheidscriteria binnen het stelsel van de Omgevingswet.
Ook wordt momenteel onderzocht of adviestaken van omgevingsdiensten helder omschreven
kunnen worden binnen het stelsel Omgevingswet. Het Ministerie van IenW verwacht hiermee
de onafhankelijke adviesrol van omgevingsdiensten te verduidelijken. Ook ondersteunen
diverse instrumenten de monitoringsrol van het Rijk bij de beoordeling van de onafhankelijkheid
van omgevingsdiensten. Het gaat hierbij onder meer om de Staat van VTH, die dit jaar
voor het eerst wordt gepubliceerd en inzicht geeft in hoe het VTH-stelsel functioneert,
de onderzoeken van de ILT en de visitaties uitgevoerd door de omgevingsdiensten zelf.
De primaire verantwoordelijkheid voor het functioneren van de omgevingsdienst ligt
bij de gemeenten en provincies die als bevoegd gezag optreden. Dit geldt ook wanneer
vastgesteld wordt dat een omgevingsdienst niet in staat is om onafhankelijk te opereren,
ondanks de inspanningen van partijen in het stelsel. De bevoegd gezagen mandateren
de taken aan de dienst, financieren deze grotendeels en zijn dus ook in positie om
bij te sturen indien verbeterpunten zich voordoen. De horizontale verantwoording is
hierbij een belangrijk controlemechanisme, waarbij gekozen volksvertegenwoordigers
toezien op de kwaliteit en integriteit van de uitvoering.
Indien uit de Staat van VTH of andere onderzoeken blijkt dat er structurele knelpunten
zijn die de onafhankelijkheid van een dienst ondermijnen en deze niet binnen de reguliere
bestuurlijke verhoudingen kunnen worden opgelost, beziet het Ministerie van IenW welke
aanvullende maatregelen nodig zijn. Zolang het bevoegd gezag in staat is binnen de
bestaande bestuurlijke verhoudingen verantwoordelijkheid te nemen, past het de Rijksoverheid
om daarbij terughoudend op te treden.
Motie van het lid Buijsse over de inventarisatie van toegepaste technologieën door
omgevingsdiensten (Kamerstuk 22 343, nr. 415)
De motie van het lid Buijsse7 verzoekt de regering te inventariseren bij welke diensten van omgevingsdiensten opkomende
technologieën kunnen worden toegepast. Met deze technologieën worden onder andere
sensortechnologie, satellietbeelden, kunstmatige intelligentie (AI) en cloudoplossingen
bedoeld, die kunnen bijdragen aan een efficiëntere en effectievere uitvoering van
taken.
Via Omgevingsdienst NL is geïnventariseerd welke opkomende technologieën door omgevingsdiensten
worden ingezet. Uit de inventarisatie blijkt dat omgevingsdiensten op uiteenlopende
wijze gebruikmaken van opkomende technologieën, zowel bij de uitvoering van de wettelijke
taken, als in de bedrijfsvoering. Zo worden satellietbeelden onder meer toegepast
bij vergunningverlening, toezicht en handhaving, ruimtelijke ordening en milieumonitoring.
AI wordt vooral ingezet voor rapportageondersteuning en data-analyse. Sensortechnologie
wordt gebruikt bij toezicht op industriële installaties, bijvoorbeeld voor het detecteren
van warmtebronnen, gaslekken of het inspecteren van isolatie.
De cloud, een online omgeving voor onder andere het opslaan en benaderen van data,
wordt door Omgevingsdienst NL niet gezien als opkomende technologie, maar als een
bestaande voorziening. Binnen de bedrijfsvoering van omgevingsdiensten wordt de cloud
onder andere gebruikt voor de hosting van applicaties en de opslag van data. Verder
worden drones ingezet voor dataverzameling. Daarnaast zetten sommige omgevingsdiensten
Robotic Process Automation (RPA) in, naast andere vormen van digitale procesoptimalisatie,
om verschillende bedrijfsprocessen efficiënter te laten verlopen.
De motie verzoekt ook inzicht te geven in welke partijen deze technologieën kunnen
leveren. In de praktijk blijkt dat omgevingsdiensten al samenwerken met diverse marktpartijen
die dergelijke oplossingen bieden en ontwikkelen. Enkele omgevingsdiensten maken gebruik
van zelfontwikkelde technologieën of van technologieën die zijn ontwikkeld door het
bevoegd gezag.
Het toepassen van opkomende technologieën in de uitvoering van VTH-taken is zowel
belangrijk als noodzakelijk. Het Ministerie van IenW heeft daarom meerdere keren innovatieve
projecten gefinancierd die hieraan bijdragen. Zo zijn onder andere projecten gefinancierd
die het gebruik van drones stimuleren en digitale hulpmiddelen ontwikkelen, zoals
een adviesrobot en methoden voor data- en risicogericht werken. Daarnaast wordt door
het Ministerie van IenW ingezet op het delen van kennis en ervaringen. Bij de besteding
van beschikbare rijksmiddelen is, onder andere in het kader van de digitalisering
van het VTH-stelsel milieu, aandacht voor het toepassen van opkomende technologieën
in de uitvoering van VTH-taken.
Verder wordt in de Actieagenda Industrie & Omwonenden onderzocht hoe sensoren kunnen
bijdragen aan het signaleren van piekemissies, met het oog op de bescherming van de
omwonenden en de leefomgeving. De resultaten van dit onderzoek worden meegenomen in
de Kamerbrief over de actieagenda, die eind dit jaar verschijnt.
Met deze brief is de Kamer geïnformeerd over de recente ontwikkelingen in de versterking
van het VTH-stelsel. Tegelijkertijd worden de twee moties hiermee als afgedaan beschouwd.
Deze ontwikkelingen dragen bij aan het realiseren van een veilige, schone en gezonde
leefomgeving in Nederland.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, A.A. Aartsen
Indieners
-
Indiener
A.A. Aartsen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat