Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 362 Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met een aanpassing van de aanvullende regeling voor antiek, kunst- en verzamelvoorwerpen, en in verband met aanpassingen van de bepalingen inzake plaats van dienst voor de heffing van omzetbelasting bij bepaalde diensten die virtueel aan een afnemer worden verricht
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 5 juli 2023
Inhoudsopgave
Inleidende opmerkingen
2
Algemeen
2
2.
Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
2
2.2
Plaats van dienst voor bepaalde virtuele activiteiten en virtuele toegang tot evenementen
5
3.
Budgettaire aspecten
6
4.
Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst
6
Inleidende opmerkingen
Het kabinet heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van
het door de vaste commissie van Financiën uitgebrachte verslag over het wetsvoorstel.
Het kabinet is verheugd dat de leden van de fracties van de VVD, de D66, de BBB en
het SP inbreng hebben geleverd voor het verslag. De vragen van de leden van de verschillende
fracties zien onder andere op de verlaagde tarieven en de uitvoerbaarheid door de
Belastingdienst. Het kabinet vindt dit, net als deze leden, belangrijke onderwerpen.
Wij danken de leden voor hun gedegen inbreng.
Het kabinet hoopt met deze nota de onduidelijkheden over dit wetsvoorstel weg te nemen.
In deze nota zijn de vragen en opmerkingen uit het verslag integraal opgenomen in
cursieve tekst en de beantwoording daarvan in gewone typografie. De vragen en antwoorden
zijn van een nummer voorzien, waarnaar in voorkomende gevallen in andere antwoorden
is verwezen.
Algemeen
2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
1 – D66
De leden van de D66-fractie lezen in de onderliggende beslisnota’s discussie over
de strategie richting de onderhandelingen over de flexibiliteit van lidstaten wat
betreft het vaststellen van verlaagde btw-tarieven. In de uiteindelijke stukken lezen
deze leden hier weinig tot niets over terug; hoe komt dat? Hier wordt bijvoorbeeld
onderscheid gemaakt tussen het behouden van ruimte voor btw-tarieven die nu al verlaagd
zijn in Nederland, en ruimte creëren voor eventuele toekomstige wensen qua verlaagde
btw-tarieven. Zou de regering willen toelichten wat de uitkomst hiervan is geweest?
Zijn er tarieven die nu verlaagd zijn, maar dat straks niet meer kunnen zijn?
Het kabinet heeft uw Kamer bij de inwerkingtreding van de BTW-tarievenrichtlijn geïnformeerd
over de nieuwe beleidsruimte op het gebied van verlaagde btw-tarieven.1 Nederland heeft, zoals ook wordt geschetst in de beslisnota’s over de onderhandelingen,
ingezet op behoud van zijn huidige verlaagde tarieven, meer beleidsruimte ter bevordering
van het gelijke speelveld tussen lidstaten en om bepaalde wensen en toezeggingen van/aan
uw Kamer eventueel mogelijk te maken. In dat kader heeft Nederland actief gepleit
voor een btw-nultarief op zonnepanelen en een verlaagd tarief voor kringloopwinkels.
Deze inzet was grotendeels succesvol. De BTW-tarievenrichtlijn biedt voldoende ruimte
om het huidige Nederlandse verlaagde btw-tarievenbeleid in stand te houden en maakt
daarnaast mogelijk om een btw-nultarief te hanteren op zonnepanelen. Zoals reeds aan
uw Kamer gemeld, is een (super) verlaagd tarief of nultarief voor leveringen door
kringloopwinkels tijdens de onderhandelingen onhaalbaar gebleken.2
In algemene zin geldt dat het niet verplicht of vanzelfsprekend is dat (alle) gecreëerde
beleidsruimte wordt benut. Dit hangt mede af van de vraag of het gebruik van een verlaagd
tarief ook uitvoerbaar, doeltreffend en doelmatig is. Ten aanzien daarvan wordt ook
verwezen naar de integrale evaluatie van de verlaagde btw-tarieven.3 Op Prinsjesdag ontvangt uw Kamer de kabinetsreactie op de evaluatie.
2 – D66
Daarop aansluitend zijn de leden van de D66-fractie benieuwd welke gevolgen de toegenomen
complexiteit rondom het handhaven van de volledigheid van de in Nederland aangegeven
virtuele diensten heeft. Hoe wordt hiermee rekening gehouden?
De toegenomen complexiteit leidt ertoe dat in het toezicht door de Belastingdienst,
bij de relevante ondernemers die toegang geven tot dergelijke diensten, ook rekening
gehouden moet worden met de nieuwe regels ingeval ondernemers grensoverschrijdend
toegang verlenen tot een virtuele dienst. Dit geldt zowel voor ondernemers die in
Nederland zijn gevestigd en die virtuele diensten verrichten aan afnemers die gevestigd
of woonachtig zijn in het buitenland als voor ondernemers die in het buitenland zijn
gevestigd en een virtuele dienst verrichten aan afnemers die in Nederland gevestigd
of woonachtig zijn. In dat laatste geval is Nederlandse btw verschuldigd. De nieuwe
regels vereisen aandacht in de toezichtplannen van de Belastingdienst voor dit aspect
en de bijbehorende afbakeningsvraagstukken, zoals genoemd in de uitvoeringstoets.
De Belastingdienst schat naar huidige inzichten overigens in dat dit geen omvangrijke
vraagstukken zijn en dat de extra aandacht hieraan binnen de huidige handhavingscapaciteit
kan worden opgevangen.
3 – D66
De leden van de D66-fractie zijn benieuwd naar hoe de regering reflecteert op de mogelijke
gevolgen van deze wijzigingen voor de cultuursector, in het bijzonder voor kunsthandelaren
en veilinghuizen die kunstwerken importeren en/of hun kunstwerken aankopen van kunstenaars.
Deze leden vragen of kan worden bevestigd dat op basis van de voorgestelde wetgeving
de verkoop van een kunstwerk rechtstreeks door een (btw-plichtige) kunstenaar aan
een klant wordt belast tegen het verlaagd tarief van negen procent btw, terwijl als
de kunstenaar ervoor kiest om hetzelfde kunstwerk via een veilinghuis te veilen, het
veilinghuis 21 procent btw moet berekenen over de gehele verkoopprijs wanneer het
kunstwerk aan dezelfde klant wordt verkocht. Deze leden vragen de regering om erop
te reflecteren hoe een dergelijk verschil in btw-behandeling zich verhoudt tot fiscale
neutraliteit.
Dit wetsvoorstel brengt geen verandering in de reikwijdte van het huidige verlaagde
btw-tarief op leveringen van kunstvoorwerpen. Het is correct dat niet alle leveringen
van kunstvoorwerpen onder het verlaagde tarief vallen. Het verlaagde tarief is momenteel
van toepassing op o.m. leveringen van kunstvoorwerpen door de maker (kunstenaar),
maar niet op leveringen van kunstvoorwerpen door bijvoorbeeld veilinghuizen. Nederland
maakt hiermee gebruik van de volledige ruimte die de BTW-richtlijn 2006 op dit punt
momenteel biedt. Het kabinet is vanuit dat perspectief van mening dat de btw-behandeling
in overeenstemming is met het beginsel van fiscale neutraliteit.
Dit wetsvoorstel implementeert alleen de verplichte onderdelen uit de BTW-tarievenrichtlijn.
Deze richtlijn dwingt niet tot een aanpassing van de verlaagde tarieven. Uw Kamer
is eerder geïnformeerd dat met ingang van 1 januari 2025 beleidsruimte ontstaat voor
lidstaten om alle leveringen van kunstvoorwerpen onder het verlaagde btw-tarief te
brengen.4 Onlangs is – zoals hiervoor reeds aangegeven – de evaluatie van het verlaagde btw-tarief,
waaronder ook het verlaagde tarief op leveringen van kunstvoorwerpen, aan uw Kamer
verzonden.5 Het uitgangspunt ten aanzien van het eventueel benutten van nieuwe beleidsruimte
is om de resultaten van die evaluatie mee te nemen. Het kabinet vindt het belangrijk
om die resultaten en de aanbevelingen zorgvuldig te bestuderen en komt op Prinsjesdag
met een inhoudelijke reactie op dit rapport waarbij ook wordt ingegaan op het verlaagde
btw-tarief op culturele goederen en diensten, met inbegrip van kunstvoorwerpen.
4 – D66
Ook vragen leden van de D66-fractie of bevestigd kan worden dat een kunstwerk dat
van buiten de Europese Unie wordt ingevoerd (onderworpen aan negen procent btw bij
invoer) en vervolgens door een professionele wederverkoper aan een Nederlandse klant
wordt verkocht, onderworpen is aan 21 procent btw over de gehele verkoopprijs, terwijl
voor hetzelfde werk dat buiten de Europese Unie aan een Nederlandse klant wordt verkocht
en vervolgens door de klant zelf wordt geïmporteerd in Nederland, slechts negen procent
btw bij invoer wordt geheven. Wederom vragen deze leden de regering om te reflecteren
op de fiscale neutraliteit van zo’n verschil in btw-behandeling.
Het kabinet bevestigt dat invoer van antiquiteiten, kunst- en verzamelvoorwerpen belast
is tegen het verlaagde tarief en dat de doorlevering is belast tegen het algemene
tarief. Van schending van het fiscale neutraliteitsbeginsel is geen sprake, omdat
de concurrentieverhoudingen tussen de in Nederland gevestigde ondernemers niet wordt
verstoord.6 De BTW-richtlijn 2006 voorziet bovendien uitdrukkelijk in een rechtsgrondslag om
een algemeen btw-tarief toe te passen op leveringen en tegelijkertijd een verlaagd
tarief toe te passen op de invoer van deze goederen.7
5 – D66
De leden van de D66-fractie merken op dat het – vanaf 1 januari 2025 – mogelijk is
om een verlaagd btw-tarief toe te passen op alle verkopen van kunstwerken ongeacht
de status van de verkoper en zij merken tevens op dat verschillende lidstaten (waaronder
Italië en Frankrijk) op dit moment overwegen om in lijn hiermee het verlaagde btw-tarief
uit te breiden naar alle verkopen van kunstwerken. Deze leden zijn benieuwd hoe de
regering enerzijds de concurrentiepositie van de Nederlandse/Europese kunstmarkt wil
gaan beschermen, zonder een race to the bottom te starten. Is de regering hierover
in gesprek met zijn Europese collega’s? Zo nee, is de regering van plan dat te gaan
doen? Wat wordt de insteek van de regering bij deze eventuele gesprekken?
Het is onwaarschijnlijk dat de verlaagde tarieven in andere lidstaten aanzienlijke
invloed zullen hebben op de concurrentiepositie van de Nederlandse kunstmarkt. De
btw heeft als doel om de consumptie te belasten en dat betekent dat veelal het btw-tarief
van toepassing is van de lidstaat van de consument (het zogeheten «bestemmingslandbeginsel»).
In die situaties waarin de afnemer tevens ondernemer is, leidt de hogere btw-tariefstelling
evenmin tot hogere prijzen. Immers, ondernemers zijn veelal aftrekgerechtigd. Dit
wetsvoorstel beoogt dat eventuele concurrentieverstoringen tussen lidstaten worden
voorkomen.
6 – BBB
Het lid van de BBB-fractie constateert dat er in de wet wat aanpassingen worden gedaan
op de margeregeling antiek, kunst- en verzamelvoorwerpen en plaats van dienst bij
virtuele toegang tot culturele diensten. In de toekomst kan men de margeregeling niet
meer toepassen. Het is dit lid niet helemaal duidelijk wat hier het precieze doel
van is. Kan de regering dit concreet toelichten?
De beoogde wijziging heeft als doel concurrentieverstoringen tussen lidstaten te voorkomen.
Deze concurrentieverstoringen kunnen ontstaan door samenloop van het verlaagde btw-tarief
op de inkoop van antiquiteiten, kunst- en verzamelvoorwerpen en de toepassing van
de margeregeling op de doorverkoop van deze goederen. Een kunsthandelaar die de margeregeling
toepast mag de in rekening gebrachte btw op zijn aankoop van deze goederen niet in
aftrek brengen. Voor deze kunsthandelaar kan het dus commercieel aantrekkelijk zijn
om zich te vestigen in een lidstaat met een relatief laag btw-tarief in vergelijking
met andere lidstaten. De beoogde wijziging neemt deze prikkel weg door het niet meer
mogelijk te maken dat beide faciliteiten op hetzelfde goed van toepassing zijn. Dat
betekent dat een kunsthandelaar in het vervolg antiquiteiten, kunst- en verzamelvoorwerpen
niet meer kan inkopen tegen het verlaagde tarief en vervolgens ook gebruik kan maken
van de margeregeling (en slechts btw afdragen over de winstmarge).
7 – BBB
Verder valt te lezen dat de btw-percentages van negen procent naar 21 procent gaan.
Wat het lid van de BBB-fractie betreft houdt de regering de btw-percentages in de
cultuursector juist laag om de sector op deze manier te stimuleren. Wat zijn de beweegredenen
van de regering om dit te verhogen?
Het wetsvoorstel wijzigt het btw-tarief voor de levering van antiquiteiten, kunst-
en verzamelvoorwerpen niet. Dit implementatievoorstel poogt juist de concurrentieverstoringen
met andere lidstaten te verminderen.
8 – BBB
De Belastingdienst geeft aan deze wetswijziging prima uit te kunnen voeren, zo constateert
het lid van de BBB-fractie. Wel geeft de Belastingdienst daarbij aan dat de complexiteit
rondom het handhaven toeneemt. Wat vindt de regering hiervan en deelt de regering
de mening van het lid van de BBB-fractie dat de Belastingdienst het niet al erg zwaar
heeft?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 2.
2.2. Plaats van dienst voor bepaalde virtuele activiteiten en virtuele toegang tot
evenementen
9 – D66
De leden van de D66-fractie begrijpen dat door deze wijziging virtuele culturele diensten
niet langer worden belast in de lidstaat waar het evenement of de activiteit daadwerkelijk
plaatsvindt, maar dat deze worden belast daar waar de afnemer is gevestigd. Zou de
regering kunnen toelichten of en waarom dit wenselijk is (op Europees niveau). Biedt
dit geen ruimte voor belastingontwijking, bijvoorbeeld doordat een afnemende partij
zich in een laagbelastend land vestigt?
De btw heeft als doel om consumptie door particulieren te belasten. De beoogde wijziging
van de plaats van dienst van virtuele diensten past binnen het streven om de consumptie
zoveel mogelijk te belasten in de lidstaat waar de afnemer de dienst consumeert. De
aanpassing van de plaats van virtuele diensten sluit om die reden ook aan bij de wijze
waarop andere diensten worden belast.
Het kabinet verwacht verder dat het onderhavige wetsvoorstel het risico op belastingontwijking
zal mitigeren. Momenteel worden de desbetreffende virtuele diensten belast op de plaats
waar het evenement of de activiteit plaatsvindt. Deze activiteiten en evenementen
kunnen om fiscaaltechnische redenen plaatsvinden buiten de Unie om zodoende heffing
van Europese btw te voorkomen. De voorgestelde aanpassing zorgt ervoor dat in het
vervolg btw verschuldigd is in de lidstaat van consumptie. Deze wijziging geldt voor
dienstverrichtingen zowel aan particulieren als aan ondernemers. Laatstgenoemden hebben
in beginsel recht op aftrek van de in rekening gebrachte btw en ervaren daardoor geen
btw-druk, ongeacht welk tarief van toepassing is. Het is om die reden zeer onwaarschijnlijk
dat zij zich zullen vestigen in een lidstaat waar de desbetreffende dienst wordt belast
met een laag btw-tarief. Het is bovendien onwaarschijnlijk dat particulieren van woonplaats
zullen veranderen als gevolg van het btw-tarief op de desbetreffende diensten in een
andere lidstaat.
3. Budgettaire aspecten
10 – VVD
De leden van de VVD-fractie vragen of de voorgestelde maatregelen leiden tot een lastenverzwaring
voor ondernemers. Ook vragen deze leden of de regering nader kan toelichten waarom
per saldo de maatregel budgetneutraal zal zijn.
De voorgestelde maatregelen zullen niet of zeer beperkt leiden tot een administratieve
lastenverzwaring. Wel leiden de maatregelen tot een budgettaire opbrengst van € 24
miljoen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het onderdeel Budgettaire aspecten in de memorie van toelichting.
4. Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst
11 – VVD
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan toelichten welke gevolgen de
toegenomen complexiteit rondom het handhaven van de volledigheid van de in Nederland
aangegeven virtuele diensten heeft. Hoe wordt hiermee rekening gehouden en deze zoveel
mogelijk gemitigeerd?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 2.
De Staatssecretaris van Financiën,
M.L.A. van Rij
Indieners
M.L.A. van Rij, staatssecretaris van Financiën