Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
35 852 Uitvoering van Deel III van de op 30 december 2020 te Brussel en Londen tot stand gekomen Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie enerzijds en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland anderzijds (PbEU 2020, L 444 en PbEU 2021, L 149) (Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU – VK Justitie en Veiligheid)
Nr. 6
VERSLAG
Vastgesteld 18 juni 2021
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbereidend onderzoek
van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het
voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen
zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet
genoegzaam voorbereid.
INHOUDSOPGAVE
Algemeen
1
1.
Noodzaak voor een voorziening – Justitiële gegevens
2
2.
Noodzaak voor een voorziening – Passagiersgegevens (PNR-gegevens)
3
3.
Toelichting van de Overleveringsovereenkomst
3
4.
Toelichting Titel VII van de Overeenkomst
4
5.
Wederzijdse rechtshulp
5
6.
Justitiële gegevens
5
7.
Toelichting Titel IX van de Overeenkomst
5
8.
Passagiersgegevens
5
9.
Uitvoerings- en handhavingsaspecten
6
10.
Overig
6
Algemeen
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorstel van
wet tot uitvoering van Deel III van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen
de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie enerzijds en het Verenigd
Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland anderzijds (hierna: het wetsvoorstel).
Deze leden betreuren het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie,
onder andere omdat het vertrek een groot aantal gevolgen met zich meebrengt voor Nederland
en het Verenigd Koninkrijk. Niettemin zijn deze leden tevreden dat het is gelukt een
regeling te treffen om de negatieve effecten van de Brexit op de Britse en Nederlandse
justitiële samenwerking te voorkomen. Deze leden spreken hun waardering uit voor de
inzet van iedereen die betrokken is geweest bij de totstandkoming van dit deel van
de samenwerkingsovereenkomst. Het is voor Nederland van cruciaal belang dat er adequate
afspraken worden gemaakt, die in dit wetsvoorstel zien op de doorgifte en verwerking
van persoonsgegevens van passagiers, op wederzijdse rechtshulp en op de uitwisseling
van informatie uit het strafregister. Het is voor deze leden onaanvaardbaar dat veiligheid
van Nederlanders of de belangen van slachtoffers van misdrijven in gevaar worden gebracht
door de gevolgen van de Brexit. Deze leden stellen nog enkele vragen over het wetsvoorstel.
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel
en willen de regering nog enkele vragen voorleggen.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige
wetsvoorstel. Zij hebben nog enkele vragen.
De leden van de SP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorstel van
enkele wettelijke voorzieningen ten aanzien van de overlevering van personen van en
naar het Verenigd Koninkrijk, de wederzijdse rechtshulp met het Verenigd Koninkrijk
en doorgifte van justitiële gegevens en passasgiergegevens. Deze leden waarderen het
dat vergaande samenwerking op het terrein van rechtshandhaving en justitie doorgang
zal blijven vinden met het Verenigd Koninkrijk post-Brexit. Toch hebben deze leden
nog diverse vragen over de gemaakte keuzes en de uitwerking daarvan.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden
hebben nog enkele vragen.
1. Noodzaak voor een voorziening – Justitiële gegevens
De leden van de VVD-fractie lezen dat Deel III, Titel IX, van de overeenkomst ziet
op de doorgifte van justitiële gegevens. Zij vragen naar een nadere toelichting op
de stelling van de regering dat het niet nodig zou zijn een voorziening op te nemen
in het wetsvoorstel om andere soorten gegevens dan justitiële gegevens uit te wisselen,
bijvoorbeeld voor de doorgifte van politiegegevens. In de memorie van toelichting
wordt immers wel gesteld dat er een voorziening is voor de doorgifte van justitiële
gegevens voor het onderzoek met betrekking tot de afgifte van een verklaring omtrent
het gedrag (vog). Als in 2022 het wetsvoorstel Wijziging van de Wet justitiële en
strafvorderlijke gegevens in verband met het mogelijk maken van het in bepaalde gevallen
weigeren van afgifte van een verklaring omtrent het gedrag op basis van politiegegevens
(Kamerstuk 35 355) in werking treedt dat het mogelijk maakt in bepaalde gevallen een vog te weigeren
op basis van politiegegevens, is het dan niet wenselijk een voorziening te treffen,
zodat ook politiegegevens in verband met bijvoorbeeld de afgifte van een vog-politiegegevens
kunnen worden uitgewisseld met het Verenigd Koninkrijk?
De leden van de D66-fractie willen graag weten van de regering wat voor gegevens worden
bedoeld als men spreekt van justitiële gegevens. Zijn dit alleen gegevens van een
veroordeelde persoon of kunnen dit ook persoonsgegevens zijn van iemand die nog niet
veroordeeld is, maar wel reeds vervolgd wordt door het Openbaar Ministerie? Raken
de Overeenkomst en dit wetsvoorstel ook het delen van politiegegevens met het Verenigd
Koninkrijk? Kan de regering uiteenzetten op grond waarvan politiegegevens uitgewisseld
kunnen worden met het Verenigd Koninkrijk? Deze leden willen graag weten van de regering
wat de mogelijke invloed is van de Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke
gegevens in verband met het mogelijk maken van het in bepaalde gevallen weigeren van
afgifte van een verklaring omtrent het gedrag op basis van politiegegevens (Kamerstuk
35 355) op de uitwisseling van justitiële- en politiegegevens tussen Nederland en het VK
als deze wijziging en het onderhavige wetsvoorstel beide inwerking zijn getreden.
Deze leden zijn zich ervan bewust dat de genoemde wijzigingswet nog bij de Eerste
Kamer ligt, maar toch zien zij graag een reactie van de regering op dit punt.
2. Noodzaak voor een voorziening – Passagiersgegevens (PNR-gegevens)
De leden van de D66-fractie vragen welke extra waarborgen gesteld worden aan de doorgifte
van passagiersgegevens aan het VK. Zij horen graag op welke manier de uitspraken van
Schrems I en Schrems II van het Europese Hof van Justitie de data-uitwisseling met
het Verenigd Koninkrijk beïnvloeden, nu zij grootschalig data uitwisselen met de Verenigde
Staten. Graag krijgen deze leden een reactie van de regering.
3. Toelichting van de Overleveringsovereenkomst
De leden van de VVD-fractie merken op dat de onderhavige Overleveringsovereenkomst
grote gelijkenissen vertoont met de Overleveringsovereenkomst EU – Noorwegen en IJsland
en ook dat er veel overeenkomsten zijn met het kaderbesluit Europees aanhoudingsbevel
(EAB). Kan de regering toelichten welke verschillen tussen de onderhavige Overleveringsovereenkomst
en de Overleveringsovereenkomst tussen de EU, Noorwegen en IJsland en welke verschillen
tussen de onderhavige Overleveringsovereenkomst en het EAB het meest relevant zijn
voor de uitvoeringspraktijk? Deze leden stellen dat de veelheid aan verschillende
grondslagen kunnen leiden tot meer complexiteit in de uitvoeringspraktijk. De regering
schrijft zelf dat de tekst van de Overeenkomst pas op 25 december 2020 door de onderhandelaars
naar buiten is gebracht. Zijn inmiddels alle uitvoerings- en handhavingsaspecten in
kaart gebracht en is de uitvoering intensief betrokken geweest bij de totstandkoming
van het wetsvoorstel?
De leden van de SP-fractie lezen dat uitlevering tussen de EU en het VK in grote lijnen
zal geschieden in lijn met het Kaderbesluit Europees aanhoudingsbevel (EAB). De regering
licht toe dat overleveringen voortaan, zoals dat binnen de EU reeds gebruikelijk is,
geschieden op basis van wederzijds vertrouwen. Dit roept bij deze leden vragen op.
Zij hebben namelijk recentelijk al aangegeven dat zij een structureel probleem constateren
in het EAB. Kortheidshalve verwijzen zij naar hun inbreng op het schriftelijk overleg
over de JBZ-raad van 7 en 8 juni 2021 (algemene deel) (Kamerstuknummer 32 317, nr. 687). Houdt deze overeenkomst straks ook in dat de aanhoudingsbevelen vanuit het VK door
de Internationale Rechtskamer niet inhoudelijk getoetst kunnen worden? En wat zijn
de mogelijkheden wanneer – in het uiterst onwaarschijnlijke geval – de rechtsstaat
in het VK wordt afgebroken? Kunnen aanhoudingsbevelen dan worden geweigerd, omdat
er geen garanties zijn afgegeven met betrekking tot een maximumvoorarrest, detentieomstandigheden,
toegang tot rechtsbijstand, tolk of vertaler, medische omstandigheden of een eerlijk
proces? Komen rechters, advocaten en verdachten in Europa dan ook voor de onmogelijke
opgave te staan om aan te tonen dat in individuele gevallen er een reële kans op de
schendingen van mensenrechten bestaat om aanhoudingsbevelen te weigeren, zoals reeds
in de EU het geval is?
De clausule die regelt dat deze Overeenkomst wordt opgeschort wanneer het VK zou ophouden
partij bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) te zijn, zoals
neergelegd in artikelen 692 en 693, ontvangt de goedkeuring van deze leden. Bovendien
zijn deze leden tevreden met het expliciet opnemen van het evenredigheidsbeginsel
bij het aanhoudingsbevel. Zij zijn benieuwd of er in dit kader ook een grondslag is
voorzien om digitaal deel te nemen aan een rechtszaak, uiteraard met instemming van
de verdachte, als alternatief voor overlevering. En wordt er in een grondslag voorzien
om bijvoorbeeld bewijs over te dragen, zodat de rechtszaak in een land kan plaatsvinden
dat niet de rechtsmacht heeft, maar wel de verdachte huisvest?
Artikel 602 bevat een uitzonderingsclausule op een aanhoudingsbevel indien de uitvoerende
lidstaat van mening is dat de feiten kunnen worden aangemerkt als een politiek delict.
Deze clausule wordt ontleend aan de Overleveringsovereenkomst tussen de EU en Noorwegen
en IJsland. Deze leden zijn benieuwd of dit ook in het EAB is voorzien, zoals die
binnen de EU geldt? Zo nee, wat vindt de regering van dit gebrek?
In lijn met de kritiek vanuit de Raad voor de rechtspraak hebben de leden van de SP-fractie
de volgende vragen betreffende executie-EAB’s. De regering geeft aan het bestaande
beleid te willen handhaven, namelijk het overnemen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf
wanneer een uitvaardigende lidstaat overlevering gelast van onderdanen, ingezetenen
of andere personen die in Nederland verblijf houden ter fine van strafexecutie, en
dat ook ten overstaande van het gespecialiseerd comité, zoals bedoeld in artikel 8,
eerste lid, onder r, zo te verklaren. Daarmee poogt de regering te voorkomen dat de
hiaat in artikel 603, tweede lid, dat niet toeziet op ingezetenen of personen die
hier verblijven op te vullen. Klopt het dat de definitieve invulling van de artikelen
601, 603 en 604 dus neerkomt op de uitspraak van het op te richten gespecialiseerd
comité? Loopt Nederland hiermee niet het risico nul op zijn rekest te krijgen en straks
ook ingezetenen en personen die in Nederland verblijven uit te moeten leveren ter
fine van tenuitvoerlegging van onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen? Wanneer verwacht
Nederland een uitspraak van het op te richten gespecialiseerd comité op dit punt tegemoet
te zien? Welke opties ziet de regering weggelegd, zodra deze uitleg niet conform de
lezing van de Nederlandse regering is? Was dit ook voorzien in de laatste versie van
de Overeenkomst zoals die aan de regering is voorgelegd voorafgaand aan het bereiken
van een finale tekst? Zo nee, hoe heeft de Nederlandse regering daar inhoudelijk op
gereageerd?
De leden van de SP-fractie lezen op pagina 14 van de memorie van toelichting dat via
de vereenvoudigde procedure verdachten in kunnen stemmen met een overleveringsverzoek
en dat daarmee de procedure bij de Internationale Rechtskamer komt te vervallen. Hoe
worden verdachten geïnformeerd over de consequenties van het instemmen met het overleveringsverzoek?
Met andere woorden, worden verdachten wel voldoende gewezen op hun rechten? Kunnen
verdachten ook aanspraak maken op een consult met een raadsman op basis van toevoegingen?
En heeft de verdachte recht op een raadsman op basis van toevoeging, wanneer de verdachte
het verzoek heeft geweigerd en gehoord wordt door de uitvoerende justitiële autoriteit?
Waarom ziet Nederland af van de mogelijkheid om instemming met overlevering te herroepen?
4. Toelichting Titel VII van de Overeenkomst
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het gespecialiseerde comité betreffende
samenwerking inzake rechtshandhaving en justitie inzake strafzaken, dat wordt beschreven
in de Overeenkomst en in de memorie van toelichting. Kan de regering toelichten welke
taken en bevoegdheden dit comité precies krijgt en wanneer dit comité wordt geoperationaliseerd?
Kan de regering tevens bevestigen dat vraagstukken die verband houden met de uitleg
van de Overeenkomst ook aan het comité kunnen worden voorgelegd?
Voornoemde leden lezen dat een van de consequenties van de Brexit is dat het Verenigd
Koninkrijk niet langer kan beschikken over toegang tot het Schengen Informatiesysteem.
De regering schrijft dat er voorlopig geen alternatief beschikbaar is voor deze toegang.
Kan de regering toelichten welke consequenties dit heeft voor de uitvoeringspraktijk
van de justitiële samenwerking tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland? Aan welke
alternatieven op de lange termijn wordt gedacht om beperkte toegang tot het Schengen
informatiesysteem te doen herleven?
5. Wederzijdse rechtshulp
De leden van de SP-fractie hekelen het feit dat parkeerboetes van buitenlandse voertuigen
zelden worden geïnd. Zij vragen de regering of deze Overeenkomst daar speciale regelgeving
voor treft, nu Britten nog altijd welkom zijn met hun voertuig in Nederland. Kan de
regering toelichten hoe het innen van parkeerboetes is neergelegd en waarom de regering
dat afdoende vindt?
6. Justitiële gegevens
De leden van de SGP-fractie lezen dat het wetsvoorstel voorziet in het delen van een
veelvoud categorieën gegevens. Waarom gaat de Overeenkomst over de uitwisseling van
zo veel categorieën gegevens, zoals strafvorderlijke gegevens, tenuitvoerleggingsgegevens
en gerechtelijke strafgegevens? Wat is hiervan de noodzaak, en hoe verhoudt dit zich
tot het recht van verdachten op privacy? Kan de regering aangeven met welke niet-EU-landen
deze gegevens ook gedeeld worden?
7. Toelichting Titel IX van de Overeenkomst
De leden van de SP-fractie constateren in de memorie van toelichting dat het VK samen
blijft werken aan de Europese justitiële gegevensbank (ECRIS), maar niet met de evenknie
van derdelanders (ECRIS-TCN). Maar het VK is sinds 1 januari 2021 een derde land,
zoals ook de Autoriteit Persoonsgegevens constateert. Zouden de ontvangen gegevens
van het VK dan niet in ECRIS-TCN moeten worden geregistreerd, waardoor in feite samenwerking
met het VK met zowel ECRIS als ECRIS-TCN noodzakelijk is? Hoe is de nieuwe positie
van het VK als derde land in de verordeningen van ECRIS en ECRIS-TCN vastgelegd?
8. Passagiersgegevens
De leden van de SGP-fractie lezen dat dit wetsvoorstel ertoe strekt justitiële- en
passagiersgegevens te kunnen doorgeven. Zij lezen in het advies van de Autoriteit
Persoonsgegevens dat er kritische opmerkingen worden geplaatst bij de wijze waarop
dit plaatsvindt. Deze leden vragen of de overeenkomst volgens de regering de vereiste
passende waarborgen voor de bescherming van persoonsgegevens bevat. Welke zijn dat?
Deze leden lezen dat is gekozen voor een afwijking van artikel 13 PNR-wet. Kan de
regering aangeven waarom is gekozen voor deze afwijking en hoe verhouden de gekozen
kaders voor de uitwisseling van PNR-gegevens zich tot de relevante Europeesrechtelijke
bepalingen, ook als het gaat om de «bewaartermijn» van zes maanden?
Voornoemde leden lezen dat de opslag van gedepersonaliseerde gegevens die langer dan
zes maanden zijn opgeslagen, alleen mag plaatsvinden met toestemming van de officier
van justitie en dat de functionaris voor de gegevensbescherming daarover wordt geïnformeerd.
Deze leden constateren dat het takenpakket van de functionaris voor de gegevensbescherming
niet wordt geëxpliciteerd in de toelichting. Welk van de partijen levert deze functionaris?
Wat is het mandaat en takenpakket van de functionaris voor de gegevensbescherming?
9. Uitvoerings- en handhavingsaspecten
De leden van de CDA-fractie begrijpen dat de bestaande relaties met het VK min of
meer gehandhaafd blijven. Zij vragen of middels dit wetsvoorstel alles geregeld is
voor een soepele justitiële samenwerking met het VK. Zijn er nog uitvoeringsvraagstukken
die middels deze wetgeving niet worden opgelost? Zo ja, welke? Ziet de regering problemen
in het uitvoeren van de deal?
Deze leden vragen voorts of er nog bilaterale afspraken nodig zijn om te komen tot
een soepele samenwerking op het vlak van justitie met het VK. Zou het bijvoorbeeld
nodig zijn om een liaison te benoemen die specifieke uitvoeringsproblemen of problemen
in de samenwerking gaat oplossen?
10. Overig
De leden van de CDA-fractie vragen tot slot of het nodig zou zijn om de uitvoering
van deze afspraken binnen afzienbare tijd te evalueren om te zien of in de praktische
uitwerking ergens de schoen wringt. Is de regering bereid een dergelijke evaluatie
toe te zeggen of te verwerken in dit wetsvoorstel?
De fungerend voorzitter van de commissie, Van Meenen
Adjunct-griffier van de commissie, Koerselman
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.H. van Meenen, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
G.B. Koerselman, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.