Brief regering : Rapport RIVM en WUR 'Verkenning rekenmethode voor veilige afstanden tussen gewaspercelen en omwonenden'
27 858 Gewasbeschermingsbeleid
Nr. 769
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 7 juli 2026
Met deze brief informeer ik uw Kamer over het onderzoek van het Rijksinstituut voor
Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en Wageningen University & Research (WUR), dat in
opdracht van het Ministerie van LVVN is uitgevoerd, naar de mogelijkheden voor de
ontwikkeling van een wetenschappelijk onderbouwde rekenmethode voor spuitzones. Het
onderzoek is gepubliceerd onder de titel Verkenning rekenmethode voor veilige afstanden tussen gewaspercelen en omwonenden.
Aanleiding
Spuitzonering is een ruimtelijk instrument dat wordt toegepast om mogelijke effecten
van gewasbeschermingsmiddelen (GBM) op de omgeving te beperken. In de huidige praktijk
wordt vaak een afstand van 50 meter gehanteerd bij nieuwe gevoelige functies, maar
deze afstand kent geen volledige wetenschappelijke onderbouwing. Daarnaast blijkt
uit jurisprudentie dat bestaande onderbouwingen voor maatwerk in lokale situaties
regelmatig onvoldoende worden geacht. Een motie van het lid Vedder (Kamerstuk 27 858, nr. 659) verzocht daarom om de ontwikkeling van een wetenschappelijk onderbouwd kader voor
de benodigde afstand tussen agrarische percelen waar GBM worden toegepast en gevoelige
functies.
Het RIVM en WUR hebben verkend of en hoe een wetenschappelijk onderbouwde rekenmethode
kan worden ontwikkeld voor de onderbouwing van spuitzones. Het bijgevoegde rapport
beschrijft de haalbaarheid en de voorwaarden voor verdere ontwikkeling van een dergelijke
methode.
Bevindingen van het onderzoek
Het onderzoek laat zien dat het in beginsel mogelijk is om een rekenmethode te ontwikkelen
waarmee op lokaal niveau een afstand tussen gewaspercelen en gevoelige functies kan
worden bepaald. Een dergelijke methode vereist echter dat meerdere bestaande modelonderdelen
met elkaar worden gecombineerd. Elk van deze modelonderdelen kent eigen onzekerheden,
zoals bijvoorbeeld:
– de verspreiding van kleine spuitdruppels en damp, waarbij bestaande modellen slechts
tot beperkte afstanden zijn gevalideerd en extrapolatie daarbuiten onzeker is;
– blootstelling via huidcontact en hand-mondcontact, waarbij gedragsfactoren en overdrachtsprocessen
onvoldoende zijn gekwantificeerd;
– overdracht van residuen van oppervlakken naar de huid;
– verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen in het binnenmilieu;
Wat de optelsom van eerdergenoemde onzekerheden met de betrouwbaarheid van de rekenmethode
doet, is onduidelijk.
Daarnaast is sprake van belangrijke kennisleemtes in de onderliggende wetenschappelijke
kennis, onder meer ten aanzien van:
– cumulatieve blootstelling aan meerdere gewasbeschermingsmiddelen;
– mogelijke neurodegeneratieve effecten van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen.
Daarmee is onzeker in welke mate een dergelijke methode in de praktijk voldoende betrouwbare,
nauwkeurige en reproduceerbare uitkomsten kan bieden.
Daarnaast vraagt de ontwikkeling van een rekenmethode omvangrijk en langdurig vervolgonderzoek.
Beleidsreactie
Het onderzoek laat zien dat een rekenmethode in beginsel kan worden ontwikkeld. Tegelijkertijd
vraagt de ontwikkeling daarvan omvangrijk en langdurig vervolgonderzoek, terwijl onzeker
is of een dergelijke methode in de praktijk voldoende betrouwbare, nauwkeurige en
reproduceerbare uitkomsten kan bieden.
Gelet op deze bevindingen, de bestaande kennisleemten en de omvang en duur van het
benodigde vervolgonderzoek heb ik besloten geen opdracht te geven voor de ontwikkeling
van een rekenmethode voor spuitzonering.
In plaats daarvan zet ik in op bestuurlijke afspraken over de omgang met gewasbeschermingsmiddelen
in relatie tot gevoelige functies. Deze afspraken worden uitgewerkt in het kader van
het Convenant Gewasbescherming, met als doel te komen tot een werkbaar, uitvoerbaar
en juridisch houdbaar beleidskader.
De komende periode blijf ik met het RIVM en de WUR in gesprek over de benutting van
de beschikbare wetenschappelijke inzichten ten behoeve van de onderbouwing van deze
bestuurlijke afspraken. Deze gesprekken zijn niet gericht op de ontwikkeling van een
rekenmethode.
Vervolgstappen
De komende periode worden de bestuurlijke afspraken in het kader van het Convenant
Gewasbescherming verder uitgewerkt. Uw Kamer wordt over de voortgang geïnformeerd.
Met de oplevering van dit onderzoek en de voorgestelde vervolgstappen beschouw ik
de toezegging van 17 maart jongstleden tijdens de Milieuraad als afgedaan.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens
Ondertekenaars
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur