Brief regering : Voortgang van de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling
34 843 Seksuele intimidatie en geweld
28 345
Aanpak huiselijk geweld
31 015
Kindermishandeling
Nr. 133
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT EN VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 juli 2026
Iedereen moet overal veilig kunnen zijn, binnenshuis en buiten op straat. Kinderen
hebben het recht om in een veilige omgeving op te groeien. Vrouwen zouden niet achterom
moeten hoeven kijken wanneer zij ’s avonds over straat gaan en slachtoffers moeten
toegang hebben tot de ondersteuning en zorg die nodig is. De gevolgen van (huiselijk)
geweld zijn enorm, daarom zet het kabinet stevig in op de aanpak van geweld tegen
vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling.
Onveilig zijn zorgt op de korte en lange termijn voor schade aan gezondheid, relaties
die worden opgebouwd en het mee kunnen doen aan de samenleving. Ongezonde en schadelijke
patronen binnen gezinnen of een relatie worden vaak van generatie op generatie doorgegeven.
Daar mogen en daar willen we ons niet bij neerleggen. Het bestrijden van geweld tegen
vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling is een belangrijke prioriteit van
dit kabinet. De inzet van het kabinet sluit op veel punten aan op de aanbevelingen
zoals gedaan in de initiatiefnota van de leden Van der Werf (D66), Mutluer (PRO) en
Bruyning (NSC) over het stoppen van geweld tegen vrouwen.1 Bij de meeste gevallen van geweld tegen vrouwen en femicide, is de dader (ex-)partner
of familielid. Daarom bouwt de aanpak van geweld tegen vrouwen voor een belangrijk
deel voort op de aanpak van huiselijk geweld. De Nationaal Coördinator geweld tegen
vrouwen en huiselijk geweld krijgt een belangrijke rol in het nog verder aanbrengen
en uitwerken van samenhang in de aanpak en acties van de verschillende departementen
en veldpartijen. De aanpak van seksueel geweld is onderdeel van de aanpak van geweld
tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling. Deze inzet draagt eveneens
bij aan een betere bescherming en ondersteuning van mannelijke slachtoffers. Op 26 mei
jl. heeft uw Kamer een kabinetsreactie ontvangen op de initiatiefnota van het lid
Dobbe over de zorg voor slachtoffers van seksueel geweld2.
Uw Kamer benadrukte tijdens het commissiedebat Maatschappelijk domein op 28 mei jl.
het grote belang van een goede aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en
kindermishandeling en de urgentie om niet te blijven hangen in actieplannen en onderzoeken,
maar om te komen tot voor slachtoffers merkbare verandering3. Wij onderschrijven dit belang. Dit vraagt kabinetsbrede inzet. Wij sturen deze brief
mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en de Staatssecretaris
van Justitie en Veiligheid. In deze voortgangsbrief gaan wij in op de belangrijkste
knelpunten in het stelsel, de speerpunten waar we op inzetten om te komen tot verbetering
en hoe we dit gaan bereiken.
Knelpunten in het huidige stelsel
Professionals zetten zich iedere dag met hart en ziel in om onveiligheid van volwassenen
en kinderen te voorkomen, herkennen en aan te pakken. We zien helaas dat het stelsel
van ondersteuning, zorg, bescherming, soms ook in combinatie met een strafrechtelijke
aanpak in Nederland nog niet goed genoeg werkt. We zien de volgende drie oorzaken:
– Complexiteit van problematiek, onderliggende oorzaken en het ontbreken van een integrale
benadering
Onveiligheid hangt vaak samen met situaties van armoede, schulden, psychische problemen,
stress, stereotype genderopvattingen en genderongelijkheid en verslaving en vraagt
dus om een aanpak die zich (ook) daarop richt. Hierbij kan ook sprake zijn van samenloop
met strafrechtelijke inzet. Duurzame oplossingen in gevallen van huiselijk geweld
of kindermishandeling kunnen uitblijven wanneer de context, voorgeschiedenis en omgevingsfactoren
onvoldoende worden meegenomen. De nadruk ligt te vaak op crisisbeheersing en oplossingen
voor de korte termijn, zonder dat voldoende breed wordt geanalyseerd wat de precieze
oorzaken zijn. Veiligheids- en risicotaxaties worden niet consequent toegepast, die
juist van belang zijn om de alarmerende situaties waarbij directe actie nodig is sneller
te kunnen onderscheiden.
– Samenwerking tussen organisaties en met het gezin
Doordat taken en verantwoordelijkheden bij veel verschillende organisaties zijn belegd,
moeten slachtoffers vaak verschillende keren hun verhaal vertellen. Daarnaast ontbreekt
nog te vaak een eenduidige manier van het beoordelen en analyseren van een situatie
en is er geen gelijkwaardige samenwerking met het gezin. Ook zijn er soms belemmeringen
in de samenwerking tussen betrokken instanties. Het onvoldoende kunnen delen van gegevens
horen wij vaak terug.
– Geboden hulp en ondersteuning
Betrokken professionals leveren veel goed werk, maar hebben ook te maken met een hoge
werkdruk, mede door personeelstekorten. Dat heeft invloed op de kwaliteit en beschikbaarheid
van hulp en daardoor hebben professionals vaak minder tijd om relatiegericht te werken.
Het leidt er ook toe dat passende hulp vaak te laat komt of dat de geboden hulp onvoldoende
aansluit op de problematiek. Ook blijven vormen van informele hulp en ondersteuning
soms onbenut. De vele wisselingen van hulpverleners verstoren de continuïteit van
de ondersteuning voor slachtoffers en andere betrokkenen in het huishouden of relationele
systeem. Ook verkeren gezinnen en huishoudens soms nog te lang in onveiligheid, onder
meer door een gebrek aan (goede) afstemming tussen strafrechtelijke organisaties en
organisaties uit het zorg- en jeugddomein, een gebrek aan kennis en het kunnen inzetten
van passende interventies zowel voor slachtoffers als plegers.
Bovenstaande laat zien dat de problemen niet worden veroorzaakt door individuele professionals
of organisaties, maar voortkomen uit hoe we op dit moment inzetten op het voorkomen
van geweld en hoe we de ondersteuning en zorg voor en bescherming van slachtoffers
van geweld hebben georganiseerd. We moeten daarom vooral werk maken van een gezamenlijke
visie op veiligheid, betere samenwerking, sneller de meest passende hulp opstarten
wanneer dit nodig is, meer continuïteit van hulp bieden en inzetten op sterkere rechtsbescherming.
Daartoe hebben wij vier speerpunten geïdentificeerd om de bestaande knelpunten weg
te kunnen nemen.
Vier speerpunten om te komen tot verbetering
1. Voorkomen van geweld tegen vrouwen en meisjes
Het kabinet kiest voor een daadkrachtige aanpak van geweld tegen vrouwen en meisjes.
Dit begint bij het voorkomen van geweld. Daarom zet het kabinet onder andere met het
emancipatiebeleid in op het voorkomen van nieuwe slachtoffers. Hiervoor werken we
aan het bevorderen van een gelijkwaardige positie voor vrouwen in de samenleving,
bestrijden we schadelijke gendernormen en stereotyperingen en bevorderen we bewustwording
over de gevolgen die deze kunnen hebben4. Daarnaast werken we aan het bestendigen van preventieve maatregelen vanuit het Nationaal
Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (NAP).
Ook wordt ingezet op nieuwe of het verbeteren van bestaande interventies om slachtoffers
te beschermen en daders (strafrechtelijk) aan te pakken.
2. Versterken werkwijze en deskundigheid van professionals
Professionals moeten goed kunnen samenwerken en handelen vanuit een gezamenlijke visie
op veiligheid, een gedeelde veiligheids- en risicotaxatie, analyse en aanpak. Praktijk-,
ervarings- en wetenschappelijke kennis wordt gebruikt om kwaliteit van hulp te verbeteren
en professionals beschikken over actuele kennis over geweldspatronen zoals dwingende
controle en de rode vlaggen voorafgaand aan femicide. Dit is nodig om gezamenlijk
en effectief te kunnen handelen.
3. Voorzieningen zijn toegankelijk, hulpaanbod wordt verbeterd en meer vergelijkbaar
tussen regio’s
Door de toenemende druk op onder meer Veilig Thuis, de Centra Seksueel Geweld en opvangvoorzieningen
lopen wachttijden op. We zorgen dat kinderen, volwassenen en gezinnen sneller toegang
krijgen tot passende hulp en ondersteuning. Daarnaast verbeteren we het hulpaanbod
voor slachtoffers en plegers van huiselijk geweld en kindermishandeling, zowel in
het vrijwillig kader als in het gedwongen kader en zorgen we dat dit hulpaanbod tussen
regio’s meer vergelijkbaar wordt. Ook verbinden we dit hulpaanbod beter aan preventieve
maatregelen en informele ondersteuning.
4. Betere samenwerking op lokaal, regionaal en landelijk niveau
We zorgen dat instanties op lokaal niveau beter gaan samenwerken zodat kinderen en
volwassenen tijdig passende hulp en ondersteuning dichtbij huis ontvangen. Dit vraagt
om intensieve samenwerking tussen professionals uit verschillende organisaties vanuit
zorg, (jeugd)bescherming en de strafrechtketen en om duidelijke regie, waarbij alle
betrokken instanties gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor veiligheid en herstel.
Dit geldt ook voor samenwerking op regionaal en landelijk niveau.
Concrete inzet
a. Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming
Met het programma Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming werken wij (VWS en JenV)
samen met de VNG, gemeenten, lokale teams en veiligheidspartners (Veilig Thuis, gecertificeerde
instellingen, Raad voor de Kinderbescherming) aan een fundamenteel andere werkwijze
bij het helpen en beschermen van volwassenen en kinderen in huishoudens en gezinnen
waar veiligheids- en ontwikkelingsbedreigingsvraagtukken spelen. Deze werkwijze is
de afgelopen vijf jaar ontwikkeld en beproefd, heeft nu al effect in de praktijk van
de tien proeftuinen en gaat uit van een meer gelijkwaardige manier van samenwerken
met het gezin in plaats van alleen het kind, met beter zicht op de samenhang met andere
problematiek binnen het gezin en de onderliggende oorzaken. Voor gezinnen betekent
dit concreet: één vast aanspreekpunt, niet telkens opnieuw het verhaal hoeven doen,
sneller passende hulp of ondersteuning en betere samenwerking tussen professionals.
Juist door die samenwerking, en minder «estafette» met steeds wisselende hulpverleners,
voorkomen we dat problemen (verder) escaleren. Daarom investeren we verder in stevige
lokale teams, in de toekomst aangevuld met brede expertise vanuit een Regionaal Veiligheidsteam.
Momenteel stelt de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport samen met de Staatssecretaris
van Justitie en Veiligheid en met alle betrokken partners een veranderstrategie op
met als doel dat meer kinderen en volwassenen in een blijvend veilige (thuis)situatie
leven. Deze veranderstrategie is een verdere uitwerking binnen het Toekomstscenario.
Wat in de proeftuinen werkt, brengen we breder in de praktijk. De veranderstrategie
maakt ten eerste duidelijk welke acties en maatregelen we de komende tijd nemen om
nu al verbeteringen in de werkwijze door te voeren, die passen binnen de huidige wet-
en regelgeving. Daarnaast wordt in de veranderstrategie beschreven hoe we de komende
jaren de voorbereidingen treffen voor de fundamentele herziening van het stelsel.
In deze nieuw manier van werken nemen we waardevolle, werkzame elementen van de werkwijze
van Filomena mee bijvoorbeeld t.a.v. één aanspreekpunt, specifieke (toegevoegde) expertise
en langdurige betrokkenheid. Evenals de werkzame elementen van de aanpak MDA++ gericht
op ernstig en structureel huiselijk geweld. Begin juli 2026 wordt deze veranderstrategie
besproken in een bestuurlijk overleg, waarna het in een brief aan uw Kamer zal worden
toegezonden.
b. Aanstelling Nationaal Coördinator geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld
We zien dat organisaties te veel langs elkaar heen werken in het voorkomen en bestrijden
van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarom is versterkte
coördinatie nodig. Wij zijn dan ook verheugd te kunnen melden dat de Nationaal Coördinator
geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld deze zomer wordt aangesteld.
De Nationaal Coördinator krijgt de opdracht om versnippering in de aanpak van geweld
tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling tegen te gaan en samenhang te
vergroten. De Nationaal Coördinator wordt gevraagd hierbij ook aandacht te hebben
voor geweld tegen mannen. De kerntaken van de Nationaal Coördinator zijn het opstellen
en aanjagen van een Nationaal Actieplan geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en
kindermishandeling, het aanbrengen van samenhang in de aanpak en acties van verschillende
departementen en het dienen als aanspreekpunt voor signalen van gemeenten en uitvoeringsorganisaties.
Versterking van coördinatie en samenhang moet leiden tot een merkbaar effectievere
aanpak voor (potentiële) slachtoffers en plegers. De Nationaal Coördinator bouwt verder
op de lessen en het werk vanuit het plan van aanpak Stop femicide! en het Nationaal
Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. De Nationaal
Coördinator neemt de lessen van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend
gedrag en seksueel geweld mee, onder andere ten aanzien van de inzet op primaire preventie
en zet deze zoveel als mogelijk door.
De Nationaal Coördinator valt onder de verantwoordelijkheid van de coördinerend bewindspersoon
op de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, de Minister van Langdurige
Zorg, Jeugd en Sport. De functie wordt hoogambtelijk ingevuld. De Nationaal Coördinator
neemt geen verantwoordelijkheid over, de inhoudelijke beleidsverantwoordelijkheid
blijft bij de desbetreffende departementen en bewindspersonen. Daarnaast behouden
de bewindspersonen hun aanjagende en vertegenwoordigende rol.
c. EU-Richtlijn geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld
De ministerraad heeft op 29 mei 2026 ingestemd met het toezenden van het wetsvoorstel
ter implementatie van de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en
huiselijk geweld (EU 2024/1385) aan de Afdeling advisering van de Raad van State voor
advies. Het wetsvoorstel introduceert twee nieuwe strafbaarstellingen, die betrekking
hebben op cyberintimidatie en het dwingen van een vrouw of haar ertoe te bewegen om,
kort gezegd, vrouwelijke genitale verminking te ondergaan. Daarnaast worden de wettelijke
strafmaxima die gelden voor huwelijksdwang en het lokken van een persoon naar een
ander land in verband met (huwelijks)dwang verhoogd, naar drie jaar gevangenisstraf.
Ook wordt de Wmo 2015 aangepast om de ondersteuning van slachtoffers van seksueel
geweld wettelijk te verankeren. Bij de beleidsmatige implementatie wordt zoveel mogelijk
aangesloten bij bestaande werkwijze op het terrein van geweld tegen vrouwen, huiselijk
geweld en seksueel geweld. In lijn met de richtlijn is daarbij aandacht voor het bevorderen
van deskundigheid van professionals en toegankelijkheid van voorzieningen voor slachtoffers.
Daarnaast vraagt de richtlijn nadrukkelijk aandacht voor de aanpak van genderstereotypen
en andere onderliggende oorzaken van geweld tegen vrouwen. De beleidsmatige implementatie
omvat daarom ook versterking van primaire preventie via gemeenten en nationaal beleid.
Het wetsvoorstel, inclusief de voorgestelde beleidsmatige implementatie van de richtlijn,
bieden wij naar verwachting dit najaar aan uw Kamer aan.
d. Versterken toegankelijkheid, uniformiteit en houdbaarheid van ondersteuning en
voorzieningen
Samen met gemeenten werken we aan een beter toegankelijk, meer uniforme en toekomstbestendige
aanpak van huiselijk geweld met ook meer duidelijkheid in de verantwoordelijkheidsverdeling
(tussen Rijk en gemeenten, maar ook gemeenten onderling). De noodzaak hiertoe bleek
ook uit het houdbaarheidsonderzoek Wmo 20155 dat eind vorig jaar naar uw Kamer is gestuurd. Uit dat onderzoek werd duidelijk dat
de schaarse hoeveelheid personeel meer gericht moet worden ingezet omdat de groep
mensen die ondersteuning nodig heeft groeit en dat er verschillen zijn op het gebied
van ondersteuning en voorzieningen tussen gemeenten die maatschappelijk niet geaccepteerd
worden. Door een stijgend aantal meldingen en adviesvragen neemt de druk op de uitvoering
van de aanpak van huiselijk geweld toe, tegelijkertijd is er ook in deze sector sprake
van schaarste van personeel. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport verkent
samen met de VNG hoe de aanbevelingen uit het houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 ook
voor dit domein de juiste opvolging kan krijgen. Dit gaat onder andere over meer zicht
op de uitvoering van de aanpak, hoe verantwoordelijkheden verdeeld zijn en wenselijkheid
van uniformere kaders ten aanzien van het uitvoeren van de aanpak. Dit gaat bijvoorbeeld
over Veilig Thuis maar ook over de vrouwenopvang en ondersteuning en specifieke expertise
die wordt geboden door en aan het lokale team. Dit traject richt zich op de toegankelijkheid
en uniformiteit van voorzieningen door het hele land. In dit traject wordt ook specifiek
de oproep uit de Kamer meegenomen om te zorgen dat de werkzame elementen van de werkwijze
van Filomena landelijk worden toegepast. Ook wordt onderzoek gedaan naar knelpunten
die, onder andere door Filomena, worden ervaren ten aanzien van gegevensdeling. Uw
Kamer wordt middels de voortgangsbrief voor het einde van het jaar geïnformeerd over
de uitkomsten van dit onderzoek en de hieruit volgende vervolgstappen.
e. Versterking Veilig Thuis
Veilig Thuis is een spil in de aanpak van kindermishandeling en huiselijk geweld.
Veilig Thuis geeft advies, denkt mee, neemt meldingen aan en onderzoekt waar nodig
of er sprake is van kindermishandeling of huiselijk geweld. Voor de uitvoering van
die taken is Veilig Thuis naast de eigen organisatie, ook afhankelijk van de samenwerking
met de keten. Op dit moment kampt Veilig Thuis met een structureel hoge werkdruk,
met een sterk stijgend aantal adviesvragen en meldingen, wachtlijsten bij Veilig Thuis
zelf en ketenpartners en neemt ook de complexiteit van de meldingen toe. Dit alles
maakt dat Veilig Thuis onder toenemende druk staat. En dat is zeer zorgelijk. Op de
korte termijn werken we aan het terugdringen van de wachtlijsten, het versterken van
de advies- en ondersteuningsfunctie van Veilig Thuis en het beter en efficiënter inrichten
van de werkprocessen. Daarnaast werken we toe naar verbeteringen bij Veilig Thuis
en in de keten via het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming. In de «werkagenda
Veilig Thuis», waar in het debat «Maatschappelijk Domein» van 28 mei jl. aan werd
gerefereerd, werken het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, de VNG, JenV en VWS nauw samen
aan een overzicht van initiatieven en verbeteracties. Hierin zorgen we dat de korte
en lange termijn inzet goed op elkaar aansluiten en dat naast het Toekomstscenario
ook andere ontwikkelingen en wettelijke aanpassingen, zoals uit de EU-richtlijn geweld
tegen vrouwen en huiselijk geweld mee worden genomen. Deze werkagenda moet leiden
tot meer samenhang van initiatieven waardoor meer gelijkgerichtheid binnen de aanpak
van en stapsgewijs aan benodigde veranderingen wordt gewerkt.
Landelijke cijfers over adviesvragen en meldingen
Landelijk zien we de afgelopen jaren een stijging in het aantal adviesvragen en meldingen
dat Veilig Thuis ontvangt. Dit beeld heeft zich doorgezet in 2025, zoals de in april
gepubliceerde CBS-cijfers laten zien6. Hierbij zien we vooral een grote stijging in het aantal adviesvragen: in 2025 een
stijging van 16% ten opzichte van dezelfde periode in 2024. Het aantal meldingen is
in 2025 met ongeveer 5% gestegen ten opzichte van 2024. Een vergelijkbaar verschil
was ook in 2024 al zichtbaar ten opzichte van 2023. De snellere stijging van het aantal
adviesvragen sluit aan bij de inzet vanuit het kabinet, het Landelijk Netwerk Veilig
Thuis (LNVT) en de VNG, om meer bekendheid en betere toegankelijkheid te creëren voor
de advies- en ondersteuningsfunctie van Veilig Thuis: onder andere door campagnes,
het ontwikkelen van het digitale platform en het verbeteren van de bereikbaarheid
van Veilig Thuis. De snellere groei van het aantal adviezen ten opzichte van het aantal
meldingen geeft het beeld dat Veilig Thuis vaker in een eerder stadium wordt betrokken;
mensen zoeken sneller advies bij signalen of twijfel, nog voordat situaties escaleren.
Wachtlijsten en verbetering werkprocessen
Bij vrijwel alle 25 Veilig Thuis organisaties is er op dit moment sprake van wachtlijsten.
Met wachtlijsten wordt bedoeld dat de termijn van 5 werkdagen voor het afronden van
de veiligheidsbeoordeling en de termijn van 10 weken voor het doen van onderzoek niet
worden gehaald. De verschillen tussen de 25 Veilig Thuis organisaties zijn groot en
worden onder andere verklaard door regionale verschillen in hoe de keten is georganiseerd,
verschillende wijzen van registratie en variaties in personeelstekorten. De IGJ houdt
toezicht op het halen van de wettelijke termijnen. De laatste publicatie van de IGJ
is van oktober 2024. Op dit moment loopt de huidige monitoringsronde, daar zal de
IGJ naar verwachting na de zomer van 2026 over rapporteren.
De consequenties van het niet halen van de wettelijke termijn kunnen verschillen.
Het kan zijn dat zaken langer blijven liggen totdat er een medewerker beschikbaar
is om het onderzoek uit te voeren, maar het kan ook zo zijn dat het onderzoek wel
is afgerond, maar dat de geadviseerde vervolghulp niet direct beschikbaar is, waardoor
de melding nog niet wordt afgesloten en overgedragen. Ook kan het zijn dat een casus
zo complex is, dat het om verschillende redenen niet lukt binnen 10 weken het onderzoek
af te ronden. In de laatste twee gevallen wordt er ondanks dat de termijnen niet worden
gehaald, wel zicht gehouden op onveiligheid en kan er ook al inzet zijn gericht op
het opheffen van onveiligheid.
Iedere melding die niet tijdig wordt opgepakt is er een te veel, ongeacht de ernst
of urgentie. Maar in momenten van schaarste wordt wel degelijk geprioriteerd en daarmee
gegarandeerd dat acute meldingen direct worden opgepakt en een casus van ernstige
onveiligheid niet op een wachtlijst komt. Bij iedere melding die Veilig Thuis ontvangt
wordt direct een triage uitgevoerd op basis van de beschikbare informatie. Als uit
de triage komt dat er sprake is van directe ernstige onveiligheid wordt er altijd
meteen gehandeld. Veilig Thuis-organisaties zetten verschillende maatregelen in om
meldingen tijdig op te pakken, zicht te houden op veiligheid en achterstanden terug
te dringen. Voorbeelden hiervan zijn:
– Alle meldingen worden binnen 24 uur beoordeeld op urgentie op basis van de inhoud
van de melding.
– Veiligheidsbeoordelingen worden uitgevoerd door daarvoor opgeleide professionals,
waarbij wordt gekeken naar de aard, ernst en urgentie van de veiligheidsrisico's.
– Meldingen waarbij sprake is van acute of ernstige onveiligheid krijgen direct prioriteit.
– Veilig Thuis-organisaties treffen maatregelen om ook tijdens wachttijden zicht te
houden op de veiligheid van betrokkenen.
– Er wordt extra inzet georganiseerd om achterstanden terug te dringen en meldingen
sneller op te pakken. Voorbeelden hiervan zijn gezamenlijke overwerksessies en de
inzet van doorbraakteams die zich specifiek richten op het versneld oppakken van meldingen.
– Veilig Thuis-organisaties investeren in verbetering van werkprocessen, digitalisering
en samenwerking met ketenpartners.
Digitale toegankelijkheid
Om haar toegankelijkheid en bereikbaarheid verder te vergroten, heeft het Landelijk
Netwerk Veilig Thuis vorig jaar een nieuw digitaal platform gelanceerd en wordt de
chatfunctie stapsgewijs uitgebreid. Dit sluit aan bij groeiende behoefte om Veilig
Thuis niet alleen telefonisch, maar ook op andere manieren laagdrempelig en 24/7 te
kunnen bereiken. Het digitale platform stelt iedereen in staat om op hun eigen tijd
en eigen tempo betrouwbare informatie te vinden, bijvoorbeeld over wat signalen van
huiselijk geweld zijn, maar ook op hoe je een gesprek kunt beginnen wanneer je je
zorgen maakt om iemand. Dat kan een belangrijke eerste stap zijn om eerder huiselijk
geweld en kindermishandeling in beeld te krijgen en sneller verdere stappen te zetten.
Door middel van een AI-chatbot worden mensen ondersteund om de juiste informatie te
vinden. Indien gewenst, kan vanuit het platform direct worden doorgeschakeld naar
de chatfunctie. Van hieruit kan het gesprek worden overgenomen door een medewerker
voor nog meer gerichte vragen en advies.
Buiten kantooruren is Veilig Thuis telefonisch bereikbaar voor spoedzaken die niet
tot de volgende dag kunnen wachten. De chatfunctie was tot halverwege 2025 regionaal
ingericht, wat leidde tot grote verschillen tussen de regio’s qua bereikbaarheid en
capaciteit. Sinds oktober 2025 is er een landelijke terugval geregeld zodat, als een regio de chats niet meer op kan vangen, het landelijke team
de chats kon overnemen. Dit heeft geleid tot een stijging in het aantal gevoerde chatgesprekken.
In lijn met het amendement van het lid Coenradie7 wordt nu structurele financiering vrijgemaakt voor de doorontwikkeling naar een landelijk
dekkende, uniform ingeregelde en 24/7-beschikbare chatfunctie. Uw Kamer wordt na de
zomer geïnformeerd over de realisatie van deze chatfunctie.
Terugkoppelingen van Veilig Thuis aan melders
In het debat «Maatschappelijk Domein» van 28 mei jl. heeft uw Kamer aandacht gevraagd
voor het belang van terugkoppeling door Veilig Thuis aan personen die een melding
hebben gedaan8. Het doen van een melding is voor veel professionals en betrokkenen vaak een grote,
spannende stap, waarbij niet altijd direct zichtbaar is of een melding is opgepakt.
Daarom is het belangrijk dat melders horen wat Veilig Thuis met de melding heeft gedaan.
De terugkoppeling aan de melder vindt plaats zoals in het Handelingsprotocol is vastgelegd
en verschilt afhankelijk van aan wie de terugkoppeling wordt gegeven. Professionals
krijgen in principe die informatie die noodzakelijk is voor een goede uitoefening
van hun taken en bevoegdheden (zoals informatie over of en bij welke organisatie een
vervolgtraject is ingezet). In situaties waar de melder beroepsmatig zelf een rol
speelt in het vervolgtraject, worden de veiligheidsvoorwaarden en de monitoringsafspraken
overgedragen. Scholen ontvangen altijd een terugkoppeling.
Wanneer de melding niet door een professional, maar door omstanders of het informele
netwerk is gedaan, is de terugkoppeling uit privacyoverwegingen beperkter en zal deze
zich vooral richten op een bevestiging dat Veilig Thuis de melding heeft opgepakt
of niet.
In de praktijk laat de terugkoppeling soms langer op zich wachten dan de melder wenst:
Veilig Thuis koppelt terug nadat haar betrokkenheid wordt afgesloten. Wanneer de zorgen
in de tussentijd blijven bestaan of als er nieuwe zorgen over mogelijke onveiligheid
zijn, kan de melder in de tussentijd altijd opnieuw contact met Veilig Thuis opnemen
en om advies vragen of een nieuwe melding doen.
Toezicht Veilig Thuis
Veilig Thuis heeft haar wettelijke basis in de Wmo 2015. Gemeenten dragen vanuit dit
decentrale wettelijke kader zorg voor de inrichting en bekostiging van de regionale
Veilig Thuis organisatie. Dit is een zorgplicht, geen toezichtstaak. Ten aanzien van
Veilig Thuis bepaalt de regionaal gekozen rechtsvorm daarbij de wijze van aansturing;
gemeenten sturen bijvoorbeeld door middel van subsidievoorwaarden, statuten of via
het bestuur van een Gemeenschappelijke Regeling. Gemeenten hebben geen wettelijke
toezichtsbevoegdheid op de kwaliteit van de taakuitvoering van Veilig Thuis, dat is
een Rijkstaak. Daartoe houdt de IGJ als Rijksinspectie bestuursrechtelijk toezicht
op Veilig Thuis, conform de bepalingen in de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Dit toezicht
kan risico gestuurd of thematisch van aard zijn. Veilig Thuis heeft een meldplicht
bij de IGJ wanneer zich calamiteiten of incidenten voordoen in zaken waar zij bij
betrokken is, waarna de IGJ onafhankelijk beoordeelt of onderzoek nodig is. Op basis
van het in 2025 herijkte Toetsingskader Veilig Thuis, houdt de IGJ kwaliteitstoezicht
of Veilig Thuis voldoet aan de gestelde normen en verplichtingen ten aanzien van 1)
veiligheid, 2) de mate waarin gezinnen of huishoudens centraal worden gesteld, 3)
kundige professionals en 4) goed bestuur. Aanvullend gelden wettelijke eisen ten aanzien
van het verplichte gebruik van VOG’s, de inzet van geregistreerde professionals via
het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) en bijbehorend tuchtrecht, de beschikbaarheid van
een arts met het specialisme kindermishandeling en de verplichting voor Veilig Thuis
om een onafhankelijk klachtenprotocol in te stellen.
Vanuit het houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 zijn we op dit moment met het Landelijk
Netwerk Veilig Thuis, de VNG en de IGJ kijken hoe er wettelijk meer waarborgen in
kunnen worden gebouwd ten aanzien van kwaliteit en eenduidigheid van de Veilig Thuis
organisaties en welke aanpassingen aan de Wmo2015 hiervoor nodig zijn.
f. Verbeteren van landschap van meld-, steun- en hulppunten van seksueel geweld
Sinds 2024 is samen met de VNG, Centrum Seksueel Geweld, Veilig Thuis, Politie, openbaar
ministerie, Slachtofferhulp Nederland, Perspectief Herstelbemiddeling en slachtoffers
gewerkt aan een nieuwe integrale manier van samenwerken om daarmee de hulp en ondersteuning
aan slachtoffers van seksueel geweld en misbruik te verbeteren.
De kernelementen uit deze werkwijze zijn: 1) een goed afgestemd en georganiseerd eerste
contact met slachtoffers van seksueel geweld door één van de organisaties, waardoor
het slachtoffer zo min mogelijk opnieuw zijn/haar verhaal hoeft te vertellen, 2) een
vroegtijdige – en indien nodig doorlopende – multidisciplinaire weging en triage (MDT)
van casuïstiek om te bepalen welke inzet nodig is en het beste past bij de behoeften
van het slachtoffer en zijn/haar (in)directe omgeving (gezin, familie, vrienden en
soms pleger) en 3) het bepalen of het nodig is om een regiehouder aan te wijzen dan
wel te bepalen wie van de betrokken organisaties de regie voert (d.w.z. afstemming
en samenwerking tussen de betrokken partijen coördineren en zorgdragen voor een «warme
overdracht» richting instanties) en vast aanspreekpunt is voor het slachtoffer. Deze
werkwijze is in de regio’s Den Haag en Oost-Brabant beproefd in de praktijk.
Een uitvoeringstoets wordt gedaan om te bepalen of de werkwijze uitvoerbaar is voor
professionals en met een resultaat- en effectmeting wordt onderzocht of de werkwijze
de gewenste verbetering oplevert voor slachtoffers. Deze uitvoeringstoets wordt in
de zomer afgerond. Op basis van deze resultaten wordt door de uitvoeringsorganisaties
– in afstemming met de betrokken departementen – beslist over verdere opvolging en
eventuele opschaling. Besluitvorming vindt deze zomer plaats. Uw Kamer wordt in de
volgende voortgangsbrief schriftelijk geïnformeerd over het vervolg.
g. Verbeteren contact voor slachtoffers van (ex-)partnerstalking
In de voortgangsbrief van 18 december 20259 is toegezegd uw Kamer te informeren over de eerste resultaten van de verkenning rond
het verbeteren van het contact dat organisaties hebben met slachtoffers van (ex-)partnerstalking,
bezien vanuit de behoefte van slachtoffers. Deze verkenning is in 2025 met de betrokken
organisaties10 gedaan en heeft inzichten en uitgangspunten voor het vervolg opgeleverd. Het gaat
met name om de toegevoegde waarde van een contactpersoon die een luisterend oor en
praktische ondersteuning biedt voor alle slachtoffers van (ex-)partnerstalking, de
wens voor een landelijk kader en aansturing waarbij regionale uitvoering, multidisciplinaire
afstemming en samenwerking centraal staan. In mei jl. is samen met de organisaties
gestart met de uitwerking van de inzichten en uitgangspunten met de ambitie om deze
in de praktijk te gaan beproeven. Hierbij worden de lessen uit het hierboven beschreven
traject voor slachtoffer van seksueel geweld en misbruik nadrukkelijk meegenomen.
Belangrijk hierbij is dat moet worden voorkomen dat een extra schakel wordt toegevoegd
voor slachtoffers. Zij moeten een beroep kunnen doen op duidelijke contactpersonen
van verschillende betrokken organisaties. De resultaten worden in het voorjaar van
2027 verwacht. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd.
h. Deskundigheidsbevordering gendergerelateerd geweld
Regioplan en Avans Hogeschool voerden een actieonderzoek uit naar het versterken van
deskundigheid over gendergerelateerd geweld bij professionals werkzaam bij zorgorganisaties
en organisaties in de strafrechtketen (zoals Veilig Thuis, Centrum Seksueel Geweld,
Vrouwenopvang, politie, openbaar ministerie, reclassering, Raad voor de Kinderbescherming
en gecertificeerde instellingen). Dit onderzoek is onder andere voortgekomen uit het
plan van aanpak Stop femicide!. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als
bijlage. Doel was om samen met partijen uit de zorg- en strafsector een plan van aanpak
te ontwikkelen om deskundigheid structureel naar een hoger niveau te tillen, zodat
professionals over de juiste kennis en vaardigheden beschikken om signalen van gendergerelateerd
geweld te herkennen en hierop adequaat te handelen.
Het actieonderzoek laat zien dat er steeds meer aandacht en urgentiebesef is op het
thema, maar betere deskundigheidsbevordering om versterking vraagt van bestuurlijk
commitment en draagvlak, intensievere samenwerking binnen en tussen organisaties,
meer landelijke regie en coördinatie op het scholingsaanbod, het stellen van gezamenlijke
kwaliteitsnormen en het ontwikkelen en verbeteren van het aanbod om aan te sluiten
bij de noodzaak en behoeften uit de praktijk. Gezien het belang van integrale inzet
op deskundigheidsbevordering om de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties te
verbeteren, wordt samen met de Nationaal Coördinator gewerkt aan het laten landen
van deze aanbevelingen in het Nationaal Actieplan.
i. Onderzoek naar omvang, risico’s en factoren schadelijke praktijken
Kennisinstituut Pharos heeft in opdracht van het Ministerie van VWS een onderzoek
uitgevoerd naar de omvang, risico’s en meespelende factoren bij vrouwelijke genitale
verminking, huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld. Dit heeft geleid
tot twee deelonderzoeken: een onderzoek naar de omvang en risico’s van vrouwelijke
genitale verminking en een onderzoek naar de omvang en bepalende factoren voor vrouwelijke
genitale verminking, huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld. In de
bijlage van deze Kamerbrief is de beleidsreactie op deze onderzoeken opgenomen en
worden de bevindingen en aanbevelingen van deze onderzoeken nader toegelicht. Met
deze beleidsreactie is de toezegging van de toenmalige Staatssecretaris van Langdurige
en Maatschappelijke zorg om de onderzoeksbevindingen inzake prevalentieonderzoek schadelijke
praktijken met de Kamer te delen afgedaan11.
j. Verbetering tijdelijk huisverbod en verkenning aanvullende beschermingsbevelen
Het tijdelijk huisverbod is een bestuursrechtelijke maatregel voor de aanpak van plegers
en bescherming van slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling. In de
afgelopen jaren is gebleken dat de inzet van het tijdelijk huisverbod verschillende
knelpunten kent, zie o.a. het adviesrapport «Het tijdelijk huisverbod vanuit een nieuw
perspectief»12, 13. Momenteel wordt in pilots in Den Haag, Groningen, Rotterdam en Utrecht tot en met
eind 2026 beproefd hoe het tijdelijk huisverbod binnen het huidige wettelijke kader
beter kan worden ingezet. Uitgangspunt voor de verbeterde uitvoering is de «Leidraad
Tijdelijk huisverbod – Een nieuw perspectief».14 In de eerste maanden van dit jaar is de opzet van deze pilots samen met de lokale
partijen nader uitgewerkt en op dit moment worden de verschillende verbeteringen in
de praktijk gebracht, voor zover juridisch mogelijk. De Minister van Justitie en Veiligheid
verwacht de uitkomsten van de pilots in het eerste kwartaal van 2027 met uw Kamer
te kunnen delen. Op basis van de bevindingen van eerder onderzoek en van deze pilots
zal in 2027 wijziging van wet- en regelgeving worden voorbereid. Tijdens bovengenoemd
traject is duidelijk geworden dat het tijdelijk huisverbod niet altijd een geschikt
instrument is. Ook uw Kamer heeft dit kenbaar gemaakt middels de motie van het lid
Mutluer c.s. over het verlengen van het tijdelijk huisverbod met maximaal één jaar.15 In voorliggende gevallen kan de behoefte bestaan om, buiten het strafrechtelijk kader,
aanvullende gedwongen maatregelen op te leggen om huiselijk geweld en kindermishandeling
te stoppen. Daarnaast is in opdracht van het WODC het onderzoeksrapport «Over Grenzen:
een rechtsvergelijkend onderzoek naar preventieve beschermingsbevelen bij huwelijksdwang,
achterlating en vrouwelijke genitale verminking» verschenen en naar uw Kamer gestuurd.16 Zoals vermeld in de beleidsreactie op dit onderzoek17 verkent de Minister van Justitie en Veiligheid momenteel met gemeenten en betrokken
uitvoeringsorganisaties welke aanvullende (preventieve) beschermingsbevelen kunnen
worden gecreëerd die in bestuursrechtelijk en civielrechtelijk kader worden opgelegd.
Uw Kamer wordt in het eerste kwartaal van 2027 geïnformeerd over de uitkomsten van
deze verkenning, samen met de bevindingen van bovengenoemde pilots. De inzichten zullen
worden meegenomen in de bovengenoemde voorbereiding van wijziging van wet- en regelgeving.
k. Landelijke inzet van het Slachtofferdevice
Tijdens de behandeling van de begroting van Justitie en Veiligheid op 28 januari is
toegezegd uw Kamer te informeren over de gemeenten waar het Slachtofferdevice is uitgerold
en waar die uitrol in gang is gezet of gepland. Zoals eerder aan uw Kamer is gemeld,
zet het kabinet zich er sinds januari 2026 voor in om gefaseerd toe te werken naar
landelijke inzet van het Slachtofferdevice. De verwachting is dat dit medio 2027 is
bereikt. Het overzicht van de huidige stand van zaken en de planning is:
– De inzet van het Slachtofferdevice in de vier voormalige pilotregio’s Rotterdam-Rijnmond,
Haaglanden, Hart van Brabant en Noord-Nederland wordt sinds januari 2026 gecontinueerd.
– Vanaf de zomer van 2026 wordt het in vier nieuwe regio’s ingezet: regio Hollands Midden
en daarmee het gehele arrondissement Den Haag, in het arrondissement Amsterdam, in
de regio Zuid-Holland Zuid aan en daarmee het gehele arrondissement Rotterdam, in
de regio Zeeland West-Brabant kan naar verwachting in of vlak na de zomer worden gestart.
– Vanaf juni 2026 zijn de voorbereidingen in drie nieuwe regio’s: Noord-Holland, Midden-Nederland
en Oost-Nederland, gestart. Naar verwachting kan het device aan het einde van 2026
ook hier worden ingezet.
– In januari 2027 starten naar verwachting de voorbereidingen in de laatste twee arrondissementen
Limburg en Oost-Brabant.
Tijdens het Commissiedebat Maatschappelijk Domein van 28 mei jl. heeft de Minister
van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport toegezegd uw Kamer te informeren over de mogelijkheid
om het Slachtofferdevice ook preventief in te zetten, voordat de reclassering in beeld
is. Dit is niet mogelijk omdat het Slachtofferdevice pas kan worden ingezet als de
rechter in het kader van een schorsing of als straf elektronische monitoring (een
enkelband) oplegt aan de pleger in combinatie met het Slachtofferdevice. Als er (nog)
geen sprake is van een enkelband bij een verdachte of veroordeelde pleger dan is een
ander hulpmiddel wel inzetbaar, namelijk de AWARE-noodknop. Hiermee kan het slachtoffer
de politie direct alarmeren in een dreigende situatie. Naast het alarmsysteem wordt
hierbij ook hulpverlening ingezet. In de praktijk kan dit betekenen dat het slachtoffer
eerst AWARE heeft en daarna een Slachtofferdevice krijgt. De begeleiding van het slachtoffer
blijft, los van welk instrument wordt ingezet, hetzelfde. Na afloop van de inzet van
het Slachtofferdevice wordt idealiter aan het slachtoffer aangeboden om voor een bepaalde
periode AWARE in te zetten zodat zij langzaam kan toewerken naar een situatie zonder
technische hulpmiddelen. Dit kan van grote meerwaarde zijn in situaties waar de periode
van elektronische monitoring is verlopen, maar het dreigingsrisico nog steeds aanwezig
is.
l. Verbetering van de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld
Het wetsvoorstel ter verruiming van de strafbaarheid van psychisch geweld is op 29 juni
jl. in (internet)consultatie gebracht. Consultatie is de eerste en een belangrijke
mijlpaal in een wetstraject. Na verwerking van de ontvangen adviezen volgen de gebruikelijke
stappen in een wetstraject: aanhangig maken van het wetsvoorstel bij de Raad van State
en daarna indiening bij de Tweede Kamer.
Om de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld te versterken is in opdracht van
de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verkend hoe de dossiervorming
van de samenwerkende organisaties kan worden verbeterd18. Om vervolging te kunnen instellen bij vermoedens van psychisch geweld, waaronder
dwingende controle, is het immers belangrijk om inzicht te verkrijgen in het geweldspatroon.
Ook voor andere vormen van huiselijk geweld en kindermishandeling is het van belang
dat het geweldspatroon goed in beeld komt. Om de duur en ernst van het geweld scherp
in het strafdossier te beschrijven is goede informatie nodig, onder meer van Veilig
Thuis-organisaties (die over een langere periode meldingen over de geweldssituatie
kunnen verzamelen), de politie (die de relatie kan leggen tussen meldingen, aangiften
en mutaties), de reclassering (die met expertise over de verdachte of dader het openbaar
ministerie kan adviseren) en de Raad voor de Kinderbescherming (die, indien betrokken,
relevante informatie kan hebben uit beschermings-, straf- en/of gezags- en omgangsonderzoeken).
In het samenwerkingsverband tussen onder meer deze organisaties («Veiligheid Voorop»)
zal verder worden gewerkt aan het versterken van deze gezamenlijke dossiervorming.
Ook de verbetering van de informatievoorziening tussen o.a. Veilig Thuis, politie
en justitieorganisaties in het traject «Samen onder handbereik» wordt hiervoor benut.
Dit traject richt zich op de verbetering en vereenvoudiging van de informatievoorziening
en informatie-uitwisseling tussen de samenwerkende organisaties, waaronder de politie,
Veilig Thuis, Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen. Deze
dossiervorming gaat noodzakelijkerwijs gepaard met versteviging van het gezamenlijke
veiligheidsplan voor slachtoffers. Specifiek bij dwingende controle is de kans op
geweldsescalatie immers groot als er melding of aangifte wordt gedaan. Het is juist
dan van belang dat de samenwerkende organisaties paraat staan met een degelijk plan
van aanpak om de veiligheid van de betrokkenen te garanderen.
Verder leggen de Open Universiteit en Avans Hogeschool momenteel de laatste hand aan
de doorontwikkeling van het online naslagwerk («digizine») over psychisch geweld.
De bestaande informatie in het digizine is geactualiseerd en samen met de organisaties
van de doelgroep (professionals in het zorg- en veiligheidsdomein) wordt verkend hoe
deze informatie optimaal kan worden benut in de interne opleidingen en nascholingsmodules
van deze organisaties. Tevens werkt het openbaar ministerie met deskundigen aan een
wetenschappelijk standaardwerk waarin de aannemelijkheid van het causale verband tussen
psychisch geweld en psychologisch trauma en/of psychologische stoornissen wordt beschreven.
Naast deze deskundigheidsbevordering voor professionals wordt gewerkt aan maatschappelijke
bewustwording over het gevaar van dwingende controle. Ook dit jaar wordt in opdracht
van de Minister van Justitie en veiligheid de publiekscampagne «Waar ben je?» georganiseerd,
in nauwe samenwerking met onder meer Veilig Thuis en de politie. Deze campagne start
eind augustus. De campagne krijgt een breder bereik dan vorig jaar: op televisie en
radio, online en in de bioscopen. Daarnaast wordt een toolkit met alle campagnematerialen,
waaronder posters en brochures, gedeeld met onder meer Veilig Thuis, de politie en
justitieorganisaties, gemeenten (via de VNG) en GGD’en.
m. Onderzoek suïcides en huiselijk geweld
De Minister van Justitie en Veiligheid zal de Universiteit Leiden een subsidie verstrekken,
met cofinanciering van enkele gemeenten, voor een driejarig vervolgonderzoek naar
mogelijk huiselijk geweld en kindermishandeling voorafgaand aan suïcides onder vrouwen.
Uit een eerste pilotstudie van Universiteit Leiden in samenwerking met de Forensische
Artsen Rotterdam-Rijnmond (FARR) blijkt namelijk dat een significant deel van de vrouwen
die waren overleden aan (veronderstelde) suïcide, daaraan voorafgaand waren blootgesteld
aan geweld. Deze eerste resultaten vormen voor de Universiteit Leiden aanleiding om
dit onderzoek uit te diepen en op te schalen. Het doel is dat een accuraat beeld ontstaat
van de mate waarin huiselijk geweld een rol speelt bij suïcides en dat op grond daarvan
een basis wordt gelegd voor landelijke richtlijnen om hulpverleners, politie, forensisch
artsen en forensisch pathologen signalen te laten herkennen. Hiermee kunnen vermoedens
van suïcide in de toekomst mogelijk beter worden weerlegd (en vermoedens van fataal
huiselijk geweld of fatale kindermishandeling worden onderbouwd), kan strafrechtelijk
onderzoek worden uitgevoerd en indien opportuun vervolging worden ingesteld en kan
mogelijk toekomstig slachtofferschap van andere vrouwen worden voorkomen. Met dit
vervolgonderzoek zal worden voortgebouwd op de data van de Femicide Monitor, die eveneens
door de Universiteit Leiden is ontwikkeld.
n. Stand van zaken pilots forensisch-medisch onderzoek bij vermoedens van niet-fatale
verwurging
Momenteel worden er twee pilots uitgevoerd ter verbetering van de inzet van forensisch-medisch
onderzoek bij vermoedens van niet-fatale verwurging. FARR (Forensische Artsen Rotterdam-Rijnmond)
werkt in samenwerking met GGD Amsterdam met betrokken organisaties zoals Veilig Thuis,
politie, huisartsenposten, ziekenhuizen en het openbaar ministerie in drie politieregio’s
aan de verbetering van de vroegtijdige samenwerking tussen deze partijen zodat forensisch-medische
expertise snel wordt ingeschakeld. Het is immers belangrijk dat sporen van verwurging
snel worden vastgelegd, onderzocht en geduid om eventueel strafrechtelijk te kunnen
ingrijpen, en om erger te voorkomen. In de eerste drie maanden van 2026 hebben FARR
en GGD Amsterdam ruim 225 personen onderzocht, waarbij personen werden onderzocht
op aanwezigheid van letsel met behulp van forensisch licht en op indicatie met MRI-scans.
Van deze personen was 95% volwassen en 5% minderjarig. 90% van de onderzochte personen
was een vrouw, 10% een man. In 78% van de gevallen was er vermoedelijk sprake van
partnergeweld, en in 46% van de gevallen waren er ook kinderen aanwezig of betrokken
in het gezin. Bij 75% van de aanvragen vond het onderzoek binnen 24 uur plaats; 92%
van de te onderzoeken personen kwam opdagen bij het onderzoek. De pilot van FARR loopt
nog door tot eind 2026. Op basis van de inzichten wordt een samenwerkingsprotocol
opgeleverd. Op landelijk niveau zullen wij vervolgens met de betrokken organisaties
bespreken hoe deze bevindingen toegepast kunnen worden in alle tien politieregio’s
in Nederland, in samenhang met het bestaande handelingskader voor inzet van forensisch-medische
expertise bij vermoedens van kindermishandeling.
Daarnaast voert het LOEF (Landelijk Onderzoeks- en Expertiseburo Forensisch-Medisch
Onderzoek) in samenwerking met het openbaar ministerie, de politie en het Maastricht
Forensic Institute (TMFI) in drie politieregio’s een pilot uit. In deze pilot worden
endoscopie en mri ingezet voor forensisch-medisch onderzoek bij vermoedens van niet-fatale
verwurging. Hiermee kan eventueel inwendig letsel worden herkend. Dit is relevant
omdat letsel van niet-fatale verwurging niet altijd aan de buitenkant zichtbaar is.
Deze methode wordt tot september 2029 wetenschappelijk onderzocht. Dit wetenschappelijk
onderzoek ziet op de impact van het gestructureerd inzetten van deze technieken binnen
het forensisch medisch onderzoek, de effecten hiervan binnen de strafrechtpraktijk
en de gevolgen van niet-fatale verwurging voor het ongeboren kind inclusief de consequenties
daarvan binnen het strafrecht. Na deze wetenschappelijke onderbouwing kan worden verkend
of ook andere aanbieders van forensisch-medisch onderzoek deze methode kunnen gaan
inzetten. Het LOEF heeft deze onderzoeksmethode in het eerste kwartaal van 2026 bij
bijna 100 personen uitgevoerd. Er zijn meer zaken van niet-fatale verwurging dan aanvankelijk
was ingeschat waardoor het budget voor drie regio’s in 2026 nu ontoereikend is. Het
Ministerie van Justitie en Veiligheid en het openbaar ministerie hebben voor 2026
extra middelen vrij kunnen maken om deze forensisch-medische onderzoeken in 2026 toch
in deze drie politieregio’s te kunnen uitvoeren. De mogelijkheid tot financiering
van deze onderzoeksmethode van de extra benodigde middelen voor de drie politieregio’s
na 2026 en de aansluiting van andere regio’s worden momenteel verkend.
o. Beter meenemen van huiselijk geweld in het familie- jeugd- en strafrecht
Eind 2025 is een verbetertraject gestart met als doel te waarborgen dat wanneer sprake
is van (onderbouwde vermoedens van) huiselijk geweld en/of kindermishandeling, dit
altijd moet worden meegewogen in de familierechtelijke procedure. In het Coalitieakkoord
worden combizittingen in het straf- en familierecht benoemd als een middel om strafzaken
en civiele zaken (familie- en jeugdrecht) te combineren. Gesprekken met de Rechtspraak
leren dat een ruime toepassing van dit type zittingen niet voor de hand ligt. Het
strafrecht en het civiele recht kennen andere wettelijke kaders en termijnen, waardoor
zaken vaak niet synchroon lopen en niet gelijktijdig behandeld kunnen worden. Wel
wordt gekeken naar andere vormen van informatie-uitwisseling. Het kabinet werkt samen
met betrokken organisaties19 en andere experts zoals ervaringsdeskundigen en wetenschappers het onderliggende
doel verder uit om huiselijk geweld en kindermishandeling goed mee te nemen in zowel
het familie-, jeugd- als strafrecht. Dit doen we onder meer door in te zetten op deskundigheidsbevordering
en informatie-uitwisseling. Conform de toezegging aan uw Kamer20 wordt de voortgang van het traject in de bijlage bij deze brief toegelicht.
In de bijlage vindt u naast de voortgang op het verbetertraject «Recht doen aan veiligheid»,
ook een reactie op het aanpakplan «Kinderen van femicideslachtoffers en -overlevers»
uit november 2025, de beleidsreactie op de onderzoeken van Kennisinstituut Pharos
over de omvang, risico’s en meespelende factoren bij vrouwelijke genitale verminking,
huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld21 en een beleidsreactie op het rapport van de Kinderombudsman «Niemand hielp mij».
Tot slot
Zoals in deze brief uiteengezet is de inzet om te komen tot verbetering van het voorkomen
en bestrijden van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling omvangrijk.
Het kabinet werkt samen met gemeenten en betrokken organisaties aan concrete praktijkverbetering
en tegelijkertijd aan verbetering van het stelsel en wetgeving. Dit vraagt een lange
adem én scherpe keuzes in waar we met vereende krachten aan blijven werken. Dat verdienen
de kinderen, volwassenen, huishoudens en gezinnen die op onze zorg, bescherming en
ondersteuning rekenen.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
Indieners
-
Indiener
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport -
Medeindiener
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid