Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda van de Milieuraad van 25 juni 2026 (Kamerstuk 21501-08-1033)
21 501-08 Milieuraad
Nr. 1035
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 23 juni 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Staatssecretaris en Minister van Infrastructuur en Waterstaat en
de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de brief van 11 juni
2026 over de geannoteerde agenda van de Milieuraad van 25 juni 2026 (Kamerstuk 21 501–08, nr. 1033).
De vragen en opmerkingen zijn op 16 juni 2026 aan de Staatssecretaris en Minister
van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur voorgelegd. Bij brief van 23 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Huizenga
Adjunct-griffier van de commissie, Van der Graaf
Vraag 1
De leden van de VVD-fractie lezen dat er nog discussie bestaat over onder meer de
definitie van zero-emissievoertuigen en de aanscherping van de «utility»-factor voor
plug-in hybride voertuigen. Tevens constateren deze leden dat Nederland samen met
zes andere lidstaten een non-paper heeft ondertekend waarin wordt gepleit voor het
behoud van een duidelijke prikkel richting elektrificatie.
Kan de Staatssecretaris nader ingaan op het huidige krachtenveld rondom deze discussiepunten?
Welke lidstaten zetten in op het verruimen van de definitie van zero-emissievoertuigen
en het niet aanscherpen van de «utility»-factor, en hoe schat de Staatssecretaris
de kans in dat deze voorstellen uiteindelijk onderdeel worden van de Raadspositie?
Antwoord
Binnen de onderhandelingen over de verschillende onderdelen van het Automotive Package, waaronder de CO2-emissienormen, is er telkens sprake van een verdeling in twee groepen: een groep
lidstaten die pleit voor behoud van de prikkel tot elektrificatie en een groep lidstaten
die pleit voor technologische neutraliteit. Er is zicht op een blokkerende minderheid
aan weerszijden.
De groep lidstaten die het behoud van de prikkel tot elektrificatie voor de EU auto-industrie
bepleit, benadrukt het belang van het behoud van investeringszekerheid en het niet
verder afzwakken van het Commissievoorstel. Deze lidstaten verzetten zich tegen het
aanpassen van de definitie van zero-emissievoertuigen en tegen een grotere rol voor
biobrandstoffen ten koste van elektrificatie in de nieuwverkoop van voertuigen. Daarnaast
onderstrepen zij het belang van een realistische weergave van de praktijkuitstoot
en het praktijkverbruik van plug-in hybride elektrische voertuigen (PHEVs). Het door
Nederland medeondertekende non-paper is opgesteld door een deel van de lidstaten uit
het elektrificatiekamp. De groep lidstaten die pleit voor technologische neutraliteit
zetten in op een nog grotere rol voor de verbrandingsmotor ten opzichte van het Commissievoorstel.
Zij zetten daarom in op verdere afzwakking van de doelstellingen en op uitbreiding
van de flexibiliteit voor voertuigproducenten. Ze pleiten voor onvoorwaardelijke flexibiliteit
en een grotere rol voor hernieuwbare brandstoffen (met name biobrandstoffen). Deze
groep bepleit zowel de verruiming van de definitie van zero-emissievoertuigen en het
bevriezen of afzwakken van de utility factor.1
Het kabinet gaat niet in op de individuele standpunten van lidstaten in de Raad vooruitlopend
op de Milieuraad. Voorts is het in deze fase van de onderhandelingen niet in te schatten
welke standpunten onderdeel worden van de Raadspositie. Aan weerszijden van de onderhandelingen
is er immers sprake van zicht op een blokkerende minderheid. Zoals genoemd in de Geannoteerde
Agenda voor de Milieuraad van 25 juni2 zijn de belangrijkste uitgangspunten voor het kabinet het behoud van de transitie
naar elektrificatie van de EU auto-industrie en het ervoor zorgen dat duurzame mobiliteit
betaalbaar en toegankelijk is voor burgers. Het kabinet wil daarom zorgen voor uitvoerbare
normen, daadwerkelijke innovatie op het gebied van personen- en bestelauto’s en het
verder verminderen van afhankelijkheden van Nederland en de EU van fossiele brandstoffen.
Aanpassing van de definitie van zero-emissievoertuigen en afzwakking van de utility factor leiden naar verwachting tot administratieve lastenverzwaring, vermindering van investeringszekerheid
en meerkosten voor burgers en bedrijven. Het kabinet zet zich er daarom voor in dat
de genoemde punten niet overgenomen worden in de Raadspositie. Het verzonden non-paper,
dat deze punten ook benoemt, is daarmee voordelig voor de Nederlandse positie in de
onderhandelingen en vormt daarom een belangrijk onderdeel van de kabinetsinzet.
Waterweerbaarheidsstrategie
Vraag 2
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van een toekomstbestendige Europese
aanpak van waterbeschikbaarheid en waterveiligheid. Tegelijkertijd lezen deze leden
dat Nederland zich inzet voor een efficiënte uitwerking van de strategie met aandacht
voor het beperken van regeldruk. Kan de Minister aangeven of binnen de verdere uitwerking
van de Europese Waterweerbaarheidsstrategie voorstellen in voorbereiding zijn die
kunnen leiden tot aanvullende rapportage-, monitorings- of verantwoordingsverplichtingen
voor lidstaten, bedrijven of waterbeheerders? Zo ja, hoe beoordeelt de Minister deze
voorstellen?
Antwoord
De Europese Waterweerbaarheidsstrategie voorziet in beginsel niet in nieuwe regelgeving.
Daarom zijn aanvullende verplichtingen niet snel te verwachten. Wel kondigt de strategie
een aantal plannen aan voor de toekomst, die bij verschijnen worden beoordeeld, ook
als die extra verplichtingen bevatten. Zo wordt binnen de Europese Waterweerbaarheidsstrategie
ook een voorstel gedaan voor een «EU-wide Action Plan on the digitalisation of the water sector». Onderdeel hiervan is het delen van data via nationale data portals. Hoewel de Nederlandse
overheid veel data beschikbaar heeft en ontsluit via verschillende kanalen, kan dit
plan leiden tot aanvullende rapportage-, monitorings- of verantwoordingsverplichtingen
voor lidstaten, bedrijven of waterbeheerders. Het kabinet wil de samenwerking tussen
landen versterken en binnen die samenwerking data delen die al beschikbaar zijn. Aanvullende
verplichtingen werken drempelverhogend voor lidstaten om mee te gaan in de gewenste
samenwerking. Aanvullende verplichtingen verminderen bovendien de flexibiliteit om
in te spelen op veranderende data-behoeften. Het kabinet wacht eerst af hoe het actieplan
wordt uitgewerkt.
Vraag 3
De leden van de PRO-fractie hechten net als het kabinet veel waarde aan een goede
waterweerbaarheidsstrategie. Deze leden hebben met interesse de kabinetsinzet gelezen.
Graag ontvangen deze leden een nadere toelichting van de Minister wat de inzet in
Europees verband concreet heeft opgeleverd tot nu toe. Wat hebben de gesprekken binnen
de riviercommissies concreet opgeleverd? En wat heeft de nationale campagne voor drinkwaterbesparing
tot nu toe opgeleverd? Is de Minister hier tevreden over of is extra inzet hierin
gewenst? Wat betekent het adresseren van PFAS precies voor de verdere implementatie
van de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Prioritaire stoffen en de Grondwaterrichtlijn?
En welke afspraken heeft Nederland precies met buurlanden over de aanpak van PFAS
in het grensoverschrijdende water?
Antwoord
Binnen de Rijn- en Maascommissies (ICBR en IMC) werken de oeverstaten steeds gerichter
samen bij laagwater. Naast het delen van meetgegevens, ontwikkelt de ICBR nu een gezamenlijke
methode om droogte in het stroomgebied te beoordelen. Dit helpt de landen om beter
op elkaar afgestemd maatregelen te nemen en zo de schade van laag water te beperken,
in lijn met de doelen van de Rijnministerconferentie uit 2020 die zijn opgenomen in
het Rijn 2040 programma. Daar is ook afgesproken om het overstromingsrisico in het
Rijnstroomgebied in 2040 met 15% te verminderen ten opzichte van 2020. Mede door deze
afspraak worden bovenstrooms retentiemaatregelen genomen, waardoor de hoogwaterpiek
die Nederland bereikt, wordt verlaagd. Daarnaast werken zowel de IMC als de ICBR aan
betere vroegtijdige waarschuwing en informatie-uitwisseling, zodat bij dreigend hoogwater
sneller kan worden gehandeld.
Om ook op de langere termijn voorbereid te zijn, wordt binnen de ICBR samengewerkt
met de EU en de Rijnscheepvaartcommissie (CCR). Zo is recent gezamenlijk berekend
hoe klimaatverandering de toekomstige waterafvoer van de Rijn beïnvloedt. Met deze
nieuwe inzichten werkt de ICBR haar klimaatadaptatiestrategie bij. Dit geeft de landen
een beter beeld van het toekomstige wateraanbod en van de mogelijke oplossingen tegen
droogte. Binnen de CCR wordt gewerkt aan klimaatadaptatie van de vaarwegen. Een onderdeel
daarvan is om tot een gezamenlijk Masterplan Rijn te komen met als doel een gedragen
visie om de Rijn ook in de toekomst robuust te houden voor vervoer over water, met
inachtneming van klimaatverandering. Voor de Maas (IMC) is inmiddels afgesproken om
net als in de ICBR een vergelijkbare, gezamenlijke klimaatstudie te starten als basis
voor nieuwe afspraken.
De nationale campagne voor drinkwaterbesparing is op 12 juni 2026 begonnen, en richt
zich op een duurzame gedragsverandering. Daarom wordt ingezet op een meerjarige campagne.
De campagne is nog te kort van start om te beoordelen hoe deze doorwerkt in het drinkwatergebruik.
Nederland bespreekt de aanpak van PFAS zowel bilateraal met Vlaanderen en Duitsland
als in de internationale riviercommissies. In de internationale riviercommissies is
al eerder afgesproken om monitoringsgegevens en informatie over bronnen uit te wisselen.
Op basis hiervan zullen verdere afspraken worden gemaakt over de aanpak. De herziene
richtlijn prioritaire stoffen gaat hierbij helpen. Ook in het kader van de herziene
richtlijn prioritaire stoffen zullen de landen emissies van PFAS terug moeten dringen.
In de richtlijn prioritaire stoffen is een somnorm3 voor 25 PFAS (inclusief TFA) voor oppervlaktewater opgenomen. Oppervlaktewaterlichamen
moeten uiterlijk 2039 voldoen aan de norm. In de stroomgebiedbeheerplannen worden
de monitoringsplannen opgenomen. Vanaf begin 2028 moeten waterbeheerders daadwerkelijk
monitoren en resultaten rapporteren. Binnen de riviercommissies wordt hierover afgestemd.
Vraag 4
De leden van de PRO-fractie lezen verder dat vrijwel alle lidstaten de publicatie
van de strategie verwelkomden en dat er eensgezindheid was over de aandacht voor waterbeschikbaarheid.
Daarover past uiteraard tevredenheid. De vraag die dit bij de aan het woord zijnde
leden oproept, is wat de inwoners van de EU en meer in het bijzonder Nederland hier
concreet van gaan merken de komende tijd. En wat gaat, zo vragen deze leden, de Minister
doen met de resolutie van het Europees parlement waaruit meer ambitie spreekt dan
uit de uiteindelijk door de Europese Commissie gepresenteerde strategie? Gaat hij
in lijn met deze resolutie zich ook inzetten voor steviger waterweerbaarheid? Zo nee,
waarom niet? En tot slot ontvangen deze leden graag een verwachte planning van relevante
toekomstige momenten op het Europees waterweerbaarheidsbeleid.
Antwoord
Het kabinet wil met de strategie internationale samenwerking verbeteren en regeldruk
verminderen. Daarmee kunnen we sneller en effectiever inspelen op wateropgaven zoals
waterkwaliteit van rivieren, waterbeschikbaarheid en bevaarbaarheid van rivieren.
In de meeste gevallen zullen inwoners niet veel merken, maar zouden ze zonder deze
strategie meer merken van problemen met waterkwaliteit, -beschikbaarheid of -overlast.
Het kabinet gaat kijken hoe de resolutie zich verhoudt tot de ambities van Nederland
en hoe in overleg met andere lidstaten de doelen van de resolutie bereikt moeten worden.
Wellicht kan lagere regeldruk en grensoverschrijdende samenwerking al voldoende bijdragen
aan de ambities. Waterweerbaarheid is een breed begrip en het zal beoordeeld moeten
worden welke aspecten in de resolutie verstevigd worden. Zoals gezegd kijkt het kabinet
eerst wat de resolutie in de praktijk betekent. De ambities van Nederland voor waterweerbaarheid
zijn vooralsnog niet gewijzigd. De Europese Commissie en het Europees Parlement gaan
over hun eigen agenda. Het kabinet zal u blijven informeren over relevante ontwikkelingen.
Kaderrichtlijn Water
Vraag 5
De leden van de PRO-fractie hebben ook nog enkele specifieke vragen over de KRW. Allereerst
de vraag of de Minister de conclusie deelt dat bij een verlaging van het beschermingsniveau
van de KRW de maatschappelijke kosten, zoals hogere drinkwaterzuiveringskosten, biodiversiteitsverlies
en gezondheidsschade, uiteindelijk bij burgers en belastingbetalers terechtkomen.
Deze leden constateren dat uit de call for evidence, uit signalen vanuit het Europees
Parlement en uit de standpunten van onder meer Frankrijk, Zweden en Nederland zelf
brede weerstand tegen herziening van de KRW blijkt. Welke noodzaak ziet het kabinet
nog om aan dit traject mee te werken? Deelt de Minister de mening dat een gebrek aan
uitvoering en kwalitatief goede milieubeoordelingen van de KRW, niet hetzelfde is
als een probleem met de wetgeving zelf? Zo nee, waarom niet? En onderschrijft de Minister
het belang van behoud van het «one-out, all-out»-principe, de resultaatsverplichting
van de richtlijn, de deadline van 2027 en het het «non-deterioration»-principe? Zo
nee, waarom niet?
Antwoord
Uiteindelijk komen alle maatschappelijke kosten direct of indirect bij burgers en
belastingbetalers terecht. Het kabinet blijft altijd in gesprek met de Commissie,
want zonder gesprek geen invloed. En als er mogelijkheden zijn om bij een herziening
voor Nederland belangrijke punten in te brengen zet het kabinet zich daarvoor in.
Voor elke wet geldt dat het belangrijk is om de wet goed uit te voeren en pas als
dat niet goed werkt de wet aan te passen. Het kabinet onderschrijft de uitgangspunten
van de KRW, waarbij dit kabinet het belangrijk vindt altijd goed te kijken naar de
mogelijkheden voor simplificatie en verbetering.
Vraag 6
De leden van de PRO-fractie vragen voorts of de Minister dezelfde lijn hanteert bij
de KRW als bij de Food & Feed Safety Omnibus, waarbij de Kamer heeft aangegeven dat
voorstellen die het beschermingsniveau verlagen niet zonder meer gesteund mogen worden.
En kan de Minister toezeggen dat Nederland niet instemt met een Commissievoorstel,
zolang onvoldoende in kaart is gebracht wat de gevolgen zijn voor milieu-, natuur-
en gezondheidsbescherming? Kan hij toezeggen dat de Kamer voorafgaand aan een definitief
beslismoment over een KRW-herziening wordt geïnformeerd en dat tot die tijd geen onomkeerbare
stappen worden gezet? Zo nee, waarom niet? En kan hij tot slot op dit punt uitleggen
waarom er een proces is opgestart om een wet open te breken waarvan de Europese Commissie
zelf zegt dat die voldoende flexibel is, terwijl vrijwel niemand om die herziening
vraagt, behalve een deel van de mijnbouwsector?
Antwoord
Het kabinet steunt vereenvoudiging van regelgeving. Het voortouw bij de Food & Feed
Safety Omnibus ligt bij de Minister van LVVN. Als de waterkwaliteit in het geding
is blijft voor het kabinet gelden dat Nederland als benedenstrooms gelegen land geen
baat heeft bij afzwakking van de ambitie. Het kabinet beoordeelt ieder voorstel van
de Commissie op zijn merites. Daar wordt niet op vooruit gelopen. In de brief aan
de Kamer van 1 juni is reeds toegezegd dat u wordt geïnformeerd hierover.4 Bekend is alleen hetgeen officieel is gecommuniceerd in het ResourceEU action plan, waarin de Commissie aangegeven heeft de KRW in Q2 van 2026 te willen evalueren en
herzien op basis van de input en ervaringen van belanghebbenden in de lidstaten. Hierbij
is bijzondere aandacht voor vereenvoudiging en de noodzaak om potentiële knelpunten
aan te pakken, teneinde circulariteit en toegang tot kritieke grondstoffen in de EU
te bevorderen en tegelijkertijd het milieu en de menselijke gezondheid te beschermen.
Er is geen andere formele mededeling gedaan.
Chemicaliën
Vraag 7
De leden van de D66-fractie lezen over de beslissing van de Europese Commissie om
de herziening van de wettekst van REACH niet door te zetten en in plaats daarvan uitsluitend
wijzigingen via comitologie na te streven. Deze leden vragen hoe deze beslissing zich
verhoudt tot het aangekondigde PFAS-verbod. Wanneer wordt dit verbod uiterlijk verwacht?
Deze leden vragen tevens of de Staatssecretaris deze Milieuraad zal benutten om wederom
snelheid te betogen voor het Europese PFAS-verbod. En hoe borgt de Staatssecretaris
dat vereenvoudiging van REACH niet leidt tot een verlaging van het beschermingsniveau
voor mens en milieu? Kan de Staatssecretaris concreet maken welke verbeteringen zij
nastreeft in het gesprek met de Commissie en gelijkgestemde lidstaten, en welke minimumwaarborgen
zij daarbij hanteert? Deze leden wijzen erop dat bescherming tegen gevaarlijke stoffen,
waaronder PFAS en zeer zorgwekkende stoffen (ZZS), juist versterking behoeft en dat
vereenvoudiging in dit licht met grote zorgvuldigheid moet worden benaderd.
Antwoord
De PFAS-restrictie wordt opgesteld op basis van de huidige REACH verordening. Het
wel of niet herzien van deze verordening heeft geen enkele invloed op de voortgang
van deze restrictie. De verwachting is dat de Europese Commissie medio 2027 een voorstel
zal publiceren ter discussie en stemming, waarna er hopelijk eind 2027 overeenstemming
wordt bereikt. De restrictie zal vervolgens 18 maanden daarna van kracht worden. Zoals
hiervoor gemeld, zijn we inmiddels dicht bij de besluitvormingsfase. Nederland zal
ook in deze Milieuraad ervoor pleiten dat de restrictie zo snel mogelijk wordt vastgesteld.
De inzet van het kabinet blijft gericht op verbetering, versnelling en vereenvoudiging
van REACH waarbij het niveau van bescherming van gezondheid en milieu minimaal wordt
gehandhaafd en zo mogelijk verbetert. Het gaat daarbij om wijzigingen die zorgen voor
een snellere en eenvoudigere uitvoering van REACH en een versterking van het concurrentievermogen
van de chemische industrie.
Veel verbeteringen, waaronder ook ideeën uit het non-paper over de REACH herziening
dat afgelopen jaar met de Kamer is gedeeld5, zijn ook te realiseren zonder een herziening van de wettekst van REACH. Denk aan
het actualiseren van informatievereisten om nieuwe eigenschappen beter aan te pakken
(zoals hormoonontregelende stoffen en persistente stoffen) en het verbeteren van de
beschikbaarheid van informatie over stoffen en mengsels voor de gehele toeleveringsketen.
Geharmoniseerde digitale formats en verbetering van de (digitale) toegang tot informatie
zorgen ervoor dat de werknemer beter wordt beschermd en de kosten voor bedrijven verlagen.
Daarnaast blijft het belangrijk dat er meer, betere en snellere testmethoden komen
die, indien mogelijk, dierproefvrij zijn.
Tevens is het van belang dat handhaving en toezicht wordt verbetert zodat er een beter
gelijk speelveld wordt gecreëerd voor Nederlandse en Europese bedrijven en non-conforme
producten van buiten de Europese Unie effectiever kunnen worden geweerd.
Vraag 8
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Europese Commissie heeft aangegeven
geen herziening van de REACH-verordening zelf voor te stellen, maar uitsluitend te
kijken naar aanpassingen van de bijlagen via comitologie. Kan de Staatssecretaris
aangeven welke verbeteringen die Nederland eerder heeft bepleit, hierdoor niet langer
realiseerbaar lijken? Welke belangrijke knelpunten in de huidige uitvoering van REACH
kunnen volgens de Staatssecretaris uitsluitend worden opgelost door wijzigingen van
de verordening zelf? Daarnaast lezen deze leden dat de Staatssecretaris mogelijkheden
verkent om handhaving en toezicht op REACH te verbeteren, eventueel via andere wetgevingsinitiatieven.
Kan zij nader toelichten aan welke mogelijkheden hierbij wordt gedacht, in het bijzonder
ten aanzien van geïmporteerde producten van buiten de Europese Unie? Deze leden vragen
voorts hoe de Staatssecretaris zich ervoor inzet dat vereenvoudiging van REACH daadwerkelijk
leidt tot minder administratieve lasten en snellere procedures voor bedrijven.
Antwoord
Een aantal van de verbeteringen die Nederland eerder heeft bepleit, zijn enkel te
realiseren via een herziening van de wettekst. Twee voorbeelden zijn het toevoegen
van de Kandidatenlijst met stoffen van zeer hoge zorg (substances of very high concern, SVHC) als nieuwe bijlage en het voorstel om altijd een Risk Management Option Analysis (RMOA) op te stellen om het beste wetgevingsinstrument te kiezen. Deze wijzigingen
vereisen een wijziging van de wettekst. Daarnaast is de uitbreiding van de generieke
risicobeheersaanpak naar andere categorieën van gevaarlijke stoffen, niet mogelijk
via een wijziging van de bijlagen. Het gaat hierbij om de mogelijkheid versneld stoffen
met bepaalde gevaareigenschappen te verbieden in producten. Ook hervorming van de
autorisatie- en restrictieprocedures, een eerder geuite wens van de Europese Commissie,
kan uitsluitend worden opgelost door wijzigingen van de verordening zelf. Dat betekent
echter niet dat een verandering van de praktijk niet kan plaatsvinden, bijvoorbeeld
door het strenger toezien op doorlooptijden om de rechtszekerheid voor stakeholders
te bevorderen en het verbeteren van richtsnoeren voor betere informatie en toelichting
aan bedrijven en stakeholders.
Zoals ook beschreven in het non-paper over de REACH herziening, kan handhaving en
toezicht van REACH worden verbeterd door de samenwerking tussen handhavingsinstanties
van de lidstaten te versterken. Strengere controles op geïmporteerde producten van
buiten de Europese Unie is vereist om mens en milieu beter te beschermen en het speelveld
gelijker te maken. De inzet van het kabinet ziet op een proportionele aanpak die moet
leiden tot een verbetering van de bescherming van mens en milieu en een vereenvoudiging
van procedures en voorschriften.
Vraag 9
De leden van de PRO-fractie zijn teleurgesteld dat het ambitieniveau om de REACH-verordening
te moderniseren en aan te scherpen zo laag was dat het inmiddels is gedegradeerd tot
een comitologieproces.
Deze leden vragen om meer toelichting hoe hier desondanks democratisch gelegitimeerde
participatie op mogelijk is. Wat is nu wél de inzet? Of is het de bedoeling om vooral
de chemische industrie te ontzien in plaats van mens en milieu?
Antwoord
De democratisch tot stand gekomen tekst van REACH, vastgesteld door Europees Parlement
en de Raad, heeft de Europese Commissie de bevoegdheid toegekend om de bijlagen van
REACH aan te passen aan voortgang in de wetenschap. Via comitologie kunnen geen structurele
wijzigingen aan teksten worden doorgevoerd. Daarmee is het geen sluipweg om democratische
participatie buiten de deur te houden.
De Nederlandse inzet is aangegeven in de beantwoording op vragen 7 en 8 en ziet op
een bescherming van mens en milieu als ook een verbetering van de concurrentiepositie
van de chemische industrie.
Vraag 10
De leden van de PRO-fractie vragen de Staatssecretaris om nationaal en Europees in
te zetten op een generiek productieverbod van PFAS. Omdat dit persistente stoffen
zijn, is dat de enige optie. Deze leden erkennen dat er handige toepassingen zijn,
maar de mensheid heeft het millennia lang zonder gedaan. De zeer beperkte toepassingen
voor bijvoorbeeld levensreddende geneesmiddelen waar nog geen alternatieven voor zijn,
kunnen desnoods een tijdelijke uitzondering krijgen.
Voor alle andere toepassingen zijn dezelfde alternatieven beschikbaar die we hadden
voor de uitvinding van PFAS. Dus wachten tot de chemische industrie een alternatief
product gevonden heeft dat ze met evenveel winst kan verkopen, is onnodig voor een
verbod. Bovendien verwachten deze leden dat juist een verbod de industrie zal stimuleren
om alternatieven te vinden. De aankondiging van de Commissie om vooral het gebruik
in consumentenproducten te beperken is wat deze leden betreft dan ook de verkeerde
insteek. Deelt de Staatssecretaris dit uitgangspunt? Het is de PFAS-productie, niet
de verwerking tot consumentenproducten, die moet worden verboden. Juist ook de toepassing
in industrie en landbouw moet worden aangepakt. Alleen een productieverbod voorkomt
verdere ophoping in het milieu en dus blootstelling van mensen aan PFAS via water
en voedsel.
Antwoord
Het kabinet deelt het uitgangspunt dat PFAS in het milieu zoveel mogelijk moet worden
beperkt. Het probleem van PFAS is dat als het in het milieu terechtkomt, het vrijwel
niet meer weg te krijgen is. Bij voortgaande emissies naar het milieu nemen risico’s
op schade voor de gezondheid toe. Het is daarom belangrijk dat die emissies naar het
milieu zo ver mogelijk worden teruggedrongen.
In het oorspronkelijke restrictievoorstel is uitgegaan van een verbod op alle toepassingen
– behalve de paar categorieën die zijn uitgezonderd (gewasbeschermingsmiddelen, biociden
en (dier)geneesmiddelen) – met wel overgangstermijnen die opliepen naarmate het belang
van de toepassing en de verwachting ten aanzien van het beschikbaar komen van alternatieven.
Het Europees Agentschap voor Chemische Stoffen (ECHA) heeft op basis van inbreng in
de openbare raadpleging ook een alternatief scenario bekeken, om voor bepaalde industriële
toepassingen in plaats van een verbod, strenge eisen te stellen aan emissies tijdens
productie, gebruik en in de afvalfase.
Het uiteindelijke voorstel van de Europese Commissie zal worden beoordeeld op basis
van de effectiviteit van de voorgenomen restricties om emissies van PFAS naar het
milieu te reduceren.
Vraag 11
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of de Staatssecretaris kan toezeggen
dat zij tijdens het informele «REACH-up»-overleg dat zij gaat initiëren, ook het onderwerp
PFAS in pesticiden zal bespreken, en uitvraagt of en, zo ja, hoe collega’s deze giftige
stoffen in hun voedsel nationaal gaan verminderen en uitbannen. En kan ze toezeggen
dat ze zal verkennen of er interesse is om een Europese kopgroep te starten om in
Europa te gaan pleiten voor een Europees verbod op PFAS in pesticiden? Is de Staatssecretaris
daarnaast bereid om tijdens het «REACH up»-overleg een (online of fysieke) afspraak
te maken tussen de Staatssecretaris, de Minister van LVVN, en de Deense Ministers
verantwoordelijk voor milieu en pesticiden, om te leren van het Deense PFAS-verbod?
Specifiek om te leren hoe lang het heeft geduurd om van idee tot invoering te gaan
en of en, zo ja, welke positieve effecten al merkbaar zijn? Zo ja, kan de Staatssecretaris
de lessen daarna met de Tweede Kamer delen? Zo nee, waarom is de Staatssecretaris
hiertoe niet bereid? Kan de Staatssecretaris na de Milieuraad een overzicht sturen
van landen die nationaal aanvullende maatregelen treffen om PFAS in hun leefomgeving
te verminderen en, zo ja, welke landen dit zijn en welke maatregelen zij overwegen?
Antwoord
Het kabinet hanteert ten aanzien van biociden de lijn dat Nederland tegen de toelating
van PFAS bevattende werkzame stoffen zijn. Als in het betreffende EU-comité wordt
gestemd, stemt Nederland standaard tegen. Deze lijn zal de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat delen met de REACH-UP in collega’s in Luxemburg en hier steun voor vragen.
Daarbij is het belangrijk te vermelden dat voor enkele plagen geen alternatief beschikbaar
is. Zo is het enige middel tegen termieten een middel op basis van PFAS. Termieten
niet meer bestrijden zal leiden tot schade aan bossen en woningen. Ten aanzien van
gewasbeschermingsmiddelen heeft de daartoe verantwoordelijke Staatssecretaris van
LVVN de Kamer op 19 januari 2026 schriftelijk geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 739) dat, op basis van nieuwe wetenschappelijke informatie uit Denemarken, 46 gewasbeschermingsmiddelen
worden her beoordeeld. Het kabinet heeft vertrouwen in het Ctgb die deze herbeoordeling
als onafhankelijke beoordelingsautoriteit uitvoert. De Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat zal in REACH-UP vragen welke strategieën andere landen erop na houden
om het gebruik van deze middelen te beperken en indien daar nuttige informatie uit
volgt te delen met de kamer.
Er zijn twee landen die nationale maatregelen hebben om het op de markt brengen van
producten te beperken. In Frankrijk geldt een verbod voor PFAS in skiwas, cosmetica
en een deel van textiel (schoenen en kleding). In Denemarken geldt eveneens een verbod
op PFAS in schoenen en kleding, maar alleen indien een bepaald gehalte aan PFAS wordt
overschreden. Door het hanteren van die gewichtsgrens is niet duidelijk hoeveel producten
onder dit verbod vallen. De Europese regelgeving inzake organische voedselcontactmaterialen
kent een procedure waarbij op nationaal niveau maatregelen mogelijk zijn tegen aanwezigheid
van stoffen. Denemarken maakt daar sinds 2020 gebruik van voor PFAS, Nederland heeft
sinds 2022 de toelating van vier veelgebruikte PFAS-stoffen in dergelijke materialen
ingetrokken.
Vraag 12
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of de Staatssecretaris inmiddels
meer inzicht kan geven in het comitologieproces van REACH: wanneer gaat dit van start
en welke onderwerpen zullen worden gewijzigd? Heeft de Staatssecretaris daarnaast
al duidelijkheid wanneer de Europese PFAS-restrictie daadwerkelijk in zal gaan? Hoe
schat de Staatssecretaris het krachtenveld in tussen de lidstaten bij de behandeling
van de PFAS-restrictie in het REACH-comité? Voorziet zij hierbij nog problemen? Wat
vindt de Staatssecretaris van de aankondiging van de betrokken Eurocommissarissen
dat de restrictie voornamelijk betrekking zal hebben op consumentenproducten, en hoe
vat zij het begrip «essential use» in dit verband op?
Antwoord
De Europese Commissie heeft nog geen planning bekendgemaakt en heeft ook niet aangegeven
welke onderwerpen zullen worden gewijzigd. Hierop is dus nog geen zicht. Zoals ook
aangegeven in de brief van 5 februari jl.,6 zal het kabinet de Kamer op de hoogte houden over nieuwe ontwikkelingen. Zie de beantwoording
van vraag 7 voor het tijdspad van de restrictie (naar verwachting medio 2027 een voorstel,
waarna er hopelijk eind 2027 overeenstemming wordt bereikt). Veel lidstaten kampen
met problemen door PFAS-vervuiling. Al in 2019 zijn Raadsconclusie van deze strekking
unaniem door de Milieuraad aangenomen7. Daarmee is de verwachting dat de bereidheid tot actie groot is. Gelijktijdig kunnen
bepaalde nationale belangen ook een rol gaan spelen. Daarom is het belangrijk dat
het voorstel voor een restrictie een degelijke wetenschappelijke basis heeft. Nederland
heeft daar zowel bij het indienen van het restrictievoorstel als bij het verwerken
van inbreng daarop in de openbare raadpleging, hard aan meegewerkt en gaat ook door
met het verlenen van wetenschappelijke ondersteuning van de Commissie. Het doel van
de restrictie is niet om te komen tot een verbod maar om te zorgen dat de emissies
van PFAS naar het milieu zo ver mogelijk worden gereduceerd. Daar zal het kabinet
het Commissievoorstel straks op beoordelen.
De REACH-verordening vereist daarbij een onderbouwing van risico en een weging daarvan
met sociaaleconomische gevolgen. Op grond daarvan wordt bepaald of een maatregel nodig
en proportioneel is. Daarop zal het kabinet zijn positie bepalen.
Vraag 13
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat de Staatssecretaris wil
inbrengen dat Nederland zich inzet om het aantal chemicaliën in drinkwater te verminderen.
Kan de Staatssecretaris, naast verkenningen en onderzoeken, toelichten welke concrete
maatregelen ze hier bedoelt? Kan de Staatssecretaris toezeggen dat zij zich tijdens
de Milieuraad uitspreekt voor aansluiting bij de lidstaten die bezwaar maken tegen
wijzigingen van REACH wanneer deze het huidige beschermingsniveau verminderen?
Antwoord
Het kabinet blijft inzetten op het voldoen aan de eisen van de Kader Richtlijn Water
en het verbeteren van de kwaliteit van het grond- en oppervlakte water dat wordt gebruikt
als bron voor drinkwater.
Daarnaast investeren de drinkwaterbedrijven in geavanceerde zuivering om schoon en
veilig drinkwater te kunnen blijven leveren.
Voor wat betreft het beschermen van het huidige beschermingsniveau; zie het antwoord
op vraag 7.
Biodiversiteit, bedrijfsleven en concurrentievermogen
Vraag 14
De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van een ambitieuze aanpak van
biodiversiteitsverlies en de koppeling die in de agenda wordt gemaakt met economische
en financiële risico's. Deze leden zijn van mening dat een systeem op basis van natuurkredieten
kan bijdragen aan marktgestuurd natuurherstel, zoals het Emissions Trading System
(ETS), dat succesvol is geweest voor CO2-uitstoot. Kan de Minister van LVVN toelichten wat de concrete bijdrage van Nederland
zal zijn op dit punt? Wanneer wordt hier een concreet voorstel op verwacht?
Antwoord
Het kabinet onderzoekt momenteel op wat voor manier natuurkredieten bij kunnen dragen
aan natuurherstel in de Nederlandse context. Eerste bevindingen tonen aan dat er in
Nederland goede aanknopingspunten zijn voor de ontwikkeling van een natuurkredietenmarkt,
maar ook dat er nog verschillende aandachtspunten geadresseerd moeten worden. Voordat
beoordeeld kan worden of natuurkredieten beleidsmatig een waardevol instrument is
hebben we onder andere meer inzicht nodig in factoren die vraag en aanbod bepalen,
waarvoor de kredieten gebruikt mogen worden, en wat de meest geschikte methodiek voor
Nederland zou zijn. Dit zullen we ook verder onder de aandacht brengen via actieve
deelname aan de door de Europese Commissie georganiseerde expertgroep over natuurkredieten,
bestaande uit verschillende stakeholders zoals kennisinstellingen, natuurorganisaties
en vertegenwoordigers van sectoren en lidstaten.
Het traject van bovengenoemde expertgroep loopt tot en met 2027. De Europese Commissie
zal op basis van de resultaten van de discussies uit de expertgroep beoordelen of
er een voorstel gedaan zal worden op dit onderwerp en wat voor vorm dat zal hebben.
Vraag 15
De leden van de VVD-fractie lezen over de ontwikkeling van natuurkredieten als mogelijk
instrument om private investeringen in natuurherstel te stimuleren. Kan de Minister
van LVVN nader uiteenzetten hoe wordt voorkomen dat dergelijke systemen leiden tot
extra administratieve lasten voor ondernemers, grondeigenaren en financiële instellingen?
Antwoord
Het doel van een goed natuurkredietensysteem is om effectief en efficiënt natuurherstel
te realiseren via private investeringen. Het systeem moet daarom een balans vinden
tussen robuuste monitoring voor ecologische integriteit en werkbaarheid voor de uitvoerders
en ontwikkelaars van de kredieten.
Er zijn vele vormen denkbaar van een dergelijk systeem, van vrijwillig tot verplicht
en van kleinschalig tot grootschalig. Om een geschikte balans te vinden zullen verschillende
stakeholders meegenomen worden bij de creatie van een dergelijk systeem.
Vraag 16
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat een gedachtewisseling
over natuur, bedrijfsleven en concurrentievermogen op de agenda staat. Deze leden
hebben daarover nog enkele vragen. Is de Minister bereid om tijdens de vergadering
te pleiten voor het verbeteren van de instandhouding van bijen en bestuivers, ten
behoeve van onze voedselzekerheid? Beaamt de Minister met de leden van de Partij voor
de Dieren-fractie dat natuur veel meer waarde heeft dan enkel economische waarde?
Is de Minister het eens met deze leden dat natuur waarde heeft in zichzelf en daarom
alleen al het waard is om te beschermen en te versterken? Is het kabinet zich ervan
bewust dat er grenzen zijn aan onze economische groei, zoals onder andere Paul Schenderling
beschrijft in zijn boek «Er is leven na de groei?» Is het kabinet bereid om ook scenario’s te bespreken op Europees niveau waarbij
schadelijke sectoren voor het milieu en de gezondheid economisch krimpen?
Antwoord
Het kabinet hecht belang aan het versterken van bestuiverpopulaties. De instandhouding
van bijen en andere bestuivers maakt echter geen onderdeel uit van de gedachtewisseling
over natuur, bedrijfsleven en concurrentievermogen tijdens de Milieuraad van juni.
In het kader van de implementatie van de Natuurherstelverordening wordt via het Ontwerp-Natuurplan
toegewerkt naar de opgenomen doelen voor bestuivers uit de Natuurherstelverordening,
waarbij tevens aandacht wordt besteed aan het belang van bestuiving als ecosysteemdienst
aan de voedselzekerheid.
Het kabinet onderschrijft dat de natuur verschillende waarden vertegenwoordigt, zoals
omschreven in het Values Assessment van het Intergouvernementeel Platform voor Biodiversiteit
en Ecosysteemdiensten (IPBES). Naast economische of instrumentele waarde heeft zij
ook waarde in zichzelf (intrinsieke waarde) en is er waarde in de interactie tussen
mens en natuur (relationele waarde). Deze verschillende typen waarden – en specifiek de intrinsieke waarde – zijn een belangrijke basis voor het natuurbeleid,
welke primair gericht is op het beschermen en herstel van biodiversiteit, habitats
en soorten. Tegelijkertijd kan de economische en maatschappelijke waarde van natuur
de relatie tussen natuur, een gezonde leefomgeving en de economie zichtbaar maken.
Het expliciet maken van de economische waarde van natuur kan daarbij helpen om natuurbelangen
beter mee te laten wegen in besluitvorming en investeringsbeslissingen. Er zijn verschillende
methoden en tools om de waarde van natuur (monetair) te waarden, voor zowel de publieke
als private sector. Het kabinet ondersteunt de doorontwikkeling en toepassing hiervan.
Het kabinet is zich ervan bewust dat economische ontwikkeling plaats moet vinden binnen
ecologische randvoorwaarden en dat het adresseren van klimaatverandering, biodiversiteitsverlies,
vervuiling en het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen nodig is voor het realiseren
van een toekomstbestendige en weerbare economie. Daarom zet het kabinet in op de transitie
naar een klimaatneutrale en circulaire economie in 2050, in lijn met nationale, Europese
en internationale afspraken. Ook zet het kabinet in op natuurinclusief als kans en
oplossing voor maatschappelijke opgaven met betrekking tot fysieke, sociale en economische
ontwikkelingen.8 Echter, het kabinet acht economische groei van het bbp als noodzakelijk om de brede
welvaart in Nederland te behouden en te versterken.9 Daarnaast spelen ook afwegingen in het kader van (Europese) strategische autonomie
een belangrijke rol bij beleid in deze context. Hierbij erkent het kabinet dat noodzakelijke
verduurzaming kan leiden tot transformatie van sectoren en neemt actief deel aan Europese
discussies hierover.10
Milieuschade, klimaatadaptatie en economische groei
Vraag 17
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of de Staatssecretaris in kaart
kan brengen wat de kosten zijn voor de Europese samenleving van het repareren van
milieuschade en het adapteren aan nieuwe klimaatomstandigheden als we door blijven
gaan met economische groei? Tot slot, is de Staatssecretaris bereid om ervoor te pleiten
dat in de Europese besluitvorming nadrukkelijk het perspectief van het mondiale Zuiden
mee wordt genomen, in het bijzonder wat betreft de gevolgen van groei, zoals klimaatverandering,
uitbuiting, uitputting, vervuiling en natuur- en milieuschade?
Antwoord
De kosten van milieuschade kunnen steeds beter worden berekend. In 2025 berekende
het Planbureau voor de Leefomgeving dat de jaarlijkse kosten van de schade die wordt
veroorzaakt door de uitstoot van milieuverontreinigende stoffen aan mens en natuur
in 2022 46 miljard euro bedroegen. Dat is circa 4,6% van het bruto binnenlands product.
Op Europees niveau is vergelijkbare informatie bekend. Het Europees Milieuagentschap
liet bijvoorbeeld in 2024 zien dat de kosten van luchtvervuiling door de grootste
industriële installaties van Europa gemiddeld tussen 268 en 428 miljard euro per jaar
zijn. Tegelijk meldt het EEA dat de externe kosten door luchtvervuiling vanuit de
industrie het afgelopen decennium met bijna 35% zijn gedaald. Weersextremen en klimaat
gerelateerde impact hebben de EU tussen 1980–2024 naar schatting 822 miljard euro
aan economische schade berokkend, waarvan ruim 208 miljard euro (ca. 25%) alleen al
in de jaren 2021 tot en met 2024. De Environmental Implementation Review van 2025 berekende dat volledige implementatie van de EU-milieuwetgeving de Europese
maatschappij jaarlijks ongeveer 180 miljard euro zou kunnen besparen aan gezondheidskosten
en directe kosten voor het milieu. Het kabinet zet zich daarom in om milieuschade
verder te beperken en tegelijk te werken aan economische groei met oog voor een gelijk
speelveld en het concurrentievermogen, zowel op Europees als nationaal niveau. Een
innovatieve economie en aandacht voor verbetering van de milieukwaliteit moeten hand
in hand gaan.
De impact van Europees beleid op derde landen wordt standaard getoetst bij nieuwe
Europese regelgeving. Hierbij vinden onder andere consultaties met stakeholders van
landen uit het mondiale zuiden plaats. Het kabinet onderschrijft deze praktijk en
ziet er op toe dat dit zorgvuldig wordt gedaan.
Milieuomnibus
Vraag 18
De leden van de D66-fractie vragen ten aanzien van de EU-Milieuomnibus aan de Staatssecretaris
wanneer de toegezegde nationale quickscan naar de Kamer wordt gestuurd en of deze
tijdig beschikbaar is om serieus meegenomen te worden in de Raadsonderhandelingen.
Zij benadrukken dat de quickscan niet slechts een inventarisatie van administratieve
lasten mag zijn, maar dat ook de effecten op milieu en volksgezondheid volwaardig
moeten worden beoordeeld. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat dit in de opdrachtverlening
is geborgd? Deze leden zijn voorts bezorgd over de signalen dat een groep lidstaten
de reikwijdte van de Milieuomnibus wil verbreden. Zij vragen de Staatssecretaris hoe
zij zich verhoudt tot deze druk en of zij bereid is actief weerstand te bieden als
verbreding ten koste gaat van de bestaande milieubescherming.
Antwoord
Het streven is onverkort om de quickscan vlak na het zomerreces aan de Kamer te doen toekomen. Het Cypriotisch voorzitterschap
heeft reeds echter aangegeven het Brusselse onderhandelingstraject in een stroomversnelling
te brengen en is voornemens eind deze maand tot een Raadspositie te komen. Verdere
toelichting hierover en het Nederlandse standpunt vindt u in de bijlage.
Dit vraagt met betrekking tot de quickscan dat we kritisch nadenken over hoe en wanneer we de resultaten van de quickscan kunnen benutten in de onderhandelingen. Bevestigd kan worden dat een evenwichtige
beoordeling van de effecten op milieu en volksgezondheid is geborgd in de opdrachtverlening
van de quickscan. Het onderzoek richt zich specifiek op de drie kernthema’s, zoals ook door de Kamer
gevraagd: milieu, gezondheid en het bedrijfsleven. Deze thema's worden in relatie
gebracht met de Richtlijn industriële emissies (RIE), de Batterijenverordening, de
Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid (UPV), de INSPIRE-richtlijn en de Verordening
versnellen milieubeoordelingen (VVMB). Juist om te voorkomen dat dit een eenzijdige
exercitie in regeldrukvermindering wordt, brengt de quickscan de effecten op de gezondheid, het milieu en het bedrijfsleven gezamenlijk in kaart.
Mocht de formele Raadspositie inderdaad vastgesteld worden vóór de definitieve oplevering
van het rapport, dan zullen de resultaten uit de quickscan meegenomen worden in de onderhandelingen met het Europees Parlement.
Ten aanzien van de reikwijdte van de Milieuomnibus ligt de nadruk in de huidige onderhandelingen
niet op een verbreding van de scope. Het voorzitterschap heeft waar mogelijk getracht
om gerichte verwijzingen op te nemen naar sectorale wetgeving in de tekst van de Milieuomnibus.
Het voorzitterschap heeft vastgesteld dat de Verordening versnellen milieubeoordelingen
een hoge mate van complexiteit kent. Zoals eerder gecommuniceerd11 pleiten diverse lidstaten tijdens de besprekingen voor een meer overkoepelende en
brede hervorming van vergunningsprocedures, omdat de huidige regelgeving volgens deze
lidstaten te veel versnipperd is over een groot aantal verschillende wetgevende instrumenten.
Het kabinet blijft deze discussie over een meer horizontale verbreding met betrekking
tot vergunningverlening volgen. Gezien de snelheid van behandeling door het voorzitterschap
lijkt het echter aannemelijker dat deze discussie niet meer binnen de Milieuomnibus
zal worden gevoerd. In algemene zin staat het kabinet positief tegenover verdere versimpeling
en vereenvoudiging, waar behoud van bescherming van mens en milieu voorop staat.
Vraag 19
De leden van de PRO-fractie hebben verder enkele vragen over de Milieuomnibus en de
verdere afzwakking van het beschermingsniveau en de democratische controle. Gaat de
Staatssecretaris zich inzetten dat het proces en de uitkomst niet strijdig zijn met
het verdrag van Aarhus? Dat transparantie en democratische controle gegarandeerd zijn?
En wat gaat Nederland doen, als blijkt dat het beschermingsniveau zoals gevreesd daalt,
in plaats van stijgt? Wordt de uitkomst aan de Kamer voorgelegd?
Antwoord
Het waarborgen van internationale en grondwettelijke verplichtingen vormt een fundamenteel
uitgangspunt in de Nederlandse onderhandelingsinzet, zoals vastgelegd in het BNC-fiche.
Het kabinet zal zich er dan ook onverkort voor inzetten dat zowel het proces als de
uiteindelijke uitkomst van de Milieuomnibus niet strijdig zijn met het Verdrag van
Aarhus. Nederland heeft in Brussel reeds kritische vragen en aandachtspunten gesteld
bij specifieke voorstellen, zoals de introductie van de zogeheten «grondentrechter»12 in de Verordening inzake het versnellen van milieubeoordelingen. Hoewel de Europese
Commissie naar aanleiding van deze Nederlandse vragen inmiddels heeft aangegeven dat
het voorstel in lijn is met het Verdrag van Aarhus, blijft het kabinet in de lopende
onderhandelingen scherp hierop toezien.
Hoewel de behandeling in de Raad onder het Cypriotisch voorzitterschap in een stroomversnelling
is geraakt, zoals is toegelicht in de bijlage, verloopt de wetgevingsprocedure via
de reguliere Europese kanalen. Dit betekent dat zowel de Raad van de EU als het Europees
Parlement een formele positie moeten innemen alvorens de triloogonderhandelingen van
start gaan. De democratische controle is hiermee op Europees niveau verankerd via
het medebeslissingsrecht van het Europees Parlement. Op nationaal niveau blijft het
kabinet de Kamer informeren, onder andere via de bijlage.
De Europese Commissie heeft de voorstellen voor de Milieuomnibus gebaseerd op een
brede publieke consultatie en diverse dialogen met wetenschappelijke en maatschappelijke
stakeholders. De inzet van het kabinet is er onverminderd op gericht te voorkomen
dat vereenvoudigingen ten koste gaan van het beschermingsniveau.
Middels de bijlage ontvangt u de meest recente stand van zaken met betrekking tot
voortgang van de onderhandelingen over de Milieuomnibus en het Nederlandse standpunt.
Zoals toegezegd ontvangt u vlak na het zomerreces eerst de resultaten van de nationale
quickscan. Het Cypriotisch voorzitterschap heeft reeds echter aangegeven het Brusselse onderhandelingstraject
in een stroomversnelling te brengen en is voornemens eind deze maand tot een Raadspositie
te komen. Hierdoor kan de besluitvorming zich snel voltrekken, met of zonder Nederlandse
steun.
Vraag 20
De leden van de CDA-fractie lezen in de brief over de onderhandelingen inzake de EU-Milieuomnibus
en de geplande nationale quickscan dat er slechts een korte periode zit tussen de
oplevering van deze quickscan en een mogelijke afronding van de onderhandelingen in
het najaar. Daarmee zou er nog wel voldoende tijd zijn om de uitkomsten van de quickscan
mee te nemen. Deze leden vragen de Staatssecretaris waar zij deze inschatting op baseert.
Kan de Staatssecretaris concreet uiteenzetten hoe het verdere tijdpad eruitziet en
op welke momenten de uitkomsten van de quickscan nog kunnen doorwerken in de Nederlandse
inzet en de onderhandelingen? Deze leden vragen de Staatssecretaris om te bevestigen
dat de Nederlandse inzet gericht zal zijn op vereenvoudiging van regelgeving, zonder
afbreuk te doen aan het niveau van milieubescherming en de bestaande duurzaamheidsambities.
Antwoord
De inschatting was gebaseerd op de eerdere Brusselse planning en snelheid van onderhandeling
dat de Raad pas in het najaar van 2026 een positie zou innemen. De actualiteit lijkt
dit tijdpad echter te hebben ingehaald, zoals in de bijlage vermeld. Het Cypriotisch
voorzitterschap stuurt er nu op aan om eind deze maand (juni 2026) al tot een Raadsmandaat
te komen. Dit betekent dat de Raadspositie mogelijk zal worden vastgesteld vóórdat
de nationale quickscan gereed is, waardoor het kabinet tijdens de komende Raadsbijeenkomst zal sturen op
de prioriteiten uit het reeds vastgestelde BNC-fiche.
De quickscan wordt zoals toegezegd vlak na het zomerreces aan de Kamer gezonden. Omdat de stemming
in het Europees Parlement in het najaar plaatsvindt en de triloogonderhandelingen
over de definitieve wetteksten pas daarna starten. Het kabinet zal de concrete uitkomsten
van de quickscan dan ook waar mogelijk benutten in de triloogfase.
Zoals beschreven in het BNC-fiche verwelkomt het kabinet de milieuomnibus. Het kabinet
onderschrijft de noodzaak om wet- en regelgeving te vereenvoudigingen om zodoende
zowel de concurrentiekracht te vergroten als de transitie naar een schone toekomstbestendige
economie te versnellen. De voorgenomen vereenvoudigingen in Europese wet- en regelgeving
mogen daarbij niet leiden tot extra schade aan gezondheid, natuur en milieu.
Vraag 21
De leden van de CDA-fractie constateren ten aanzien van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid
(UPV) dat dit instrument in de praktijk goed functioneert. Deze leden vragen welke
(compromis)voorstellen momenteel op tafel liggen op dit punt. Hoe zet de Minister
zich ervoor in dat de UPV wordt behouden, versterkt en waar mogelijk uitgebreid naar
aanvullende productgroepen?
Antwoord
Het Cypriotisch voorzitterschap heeft laten weten dat de voorstellen voor een verordening
en richtlijn om bepaalde regels voor gemachtigde vertegenwoordigers bij de uitgebreide
producentenverantwoordelijkheid (UPV) op te schorten en het aantal rapportageverplichtingen
te verminderen tot maximaal éénmaal per jaar, negatief zijn beoordeeld door de lidstaten.
Dit is mede met het oog op de komende Circular Economy Act. Het voorzitterschap heeft de werkzaamheden aan deze voorstellen daarom gestaakt
en dit inmiddels aan de lidstaten gecommuniceerd.
Het kabinet deelt de constatering dat UPV in de praktijk goed functioneert en zet
zich daarom in voor het verder versterken en harmoniseren van de UPV-verplichtingen
op Europees niveau, zoals ook uiteengezet in de Nederlandse inzet voor de Circular Economy Act.13 Nederland is hier actief over in gesprek met de Commissie en EU-lidstaten in aanloop
naar het voorstel, dat later dit jaar wordt verwacht.
Vraag 22
De leden van de CDA-fractie merken op dat goede inzameling en hergebruik van batterijen
belangrijk is voor het toewerken naar een circulaire economie. Deze leden vragen de
Minister in dit kader of zij mogelijkheden ziet om op Europees niveau een heffing
op nieuwe, niet-herbruikbare batterijen te agenderen. Kan zij daarbij aangeven in
hoeverre een dergelijke maatregel volgens haar kan bijdragen aan het stimuleren van
hergebruik, reparatie en hoogwaardige inzameling van batterijen?
Antwoord
Gezien de bestaande vereisten en doelstellingen uit de EU-Batterijenverordening, ziet
het kabinet geen meerwaarde in het agenderen van een nieuwe heffing. De Batterijenverordening
(2023/1542) is op 17 augustus 2023 in werking getreden en is sinds 18 februari 2024
van toepassing op alle batterijen die op de EU-markt, en daarmee ook op de Nederlandse
markt, worden aangeboden. Dit betreft zowel oplaadbare als niet-oplaadbare batterijen.
In deze bestaande verordening staat circulariteit centraal. De verordening bevat regels
voor de gehele levenscyclus en stimuleert hergebruik, reparatie en hoogwaardige inzameling
van batterijen door strenge eisen te stellen aan duurzaamheid, vervangbaarheid en
verwijderbaarheid, inzameling en recycling. De verordening is erop gericht dat batterijen
in de toekomst een lage CO2-voetafdruk hebben, zo min mogelijk schadelijke stoffen gebruiken, minder grondstoffen
nodig hebben uit landen buiten de EU en in hoge mate binnen de EU worden ingezameld,
hergebruikt en gerecycled.
Vraag 23
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben eerder aangegeven dat zij zich
grote zorgen maken om de Milieuomnibus waarin milieuregels worden afgezwakt. De onafhankelijke
Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer) heeft op verzoek van de Tweede
Kamer een position paper geschreven over de Milieuomnibus waarin ze concludeert dat
de Milieuomnibus grote risico’s voor de bescherming van ons milieu met zich meebrengt.
De Commissie mer beschrijft expliciet dat «beperkter milieuonderzoek bij «wijzigingen
en uitbreidingen van bestaande projecten» leidt tot een lager milieubeschermingsniveau:
voor het milieu in brede zin, maar specifiek ook voor Natura 2000-gebieden.» Ook betwijfelt
de Commissie mer sterk of de besluitvorming en het milieubelang met de voorstellen
gediend zijn, omdat juist wanneer je aan de voorkant knelpunten signaleert, je achteraf
problemen voorkomt. Kan de Staatssecretaris op alle risico’s die de Commissie mer
aanhaalt reflecteren? En kan zij toelichten hoe zij gaat borgen dat deze risico’s
geen werkelijkheid worden? Kan de Staatssecretaris daarnaast toezeggen de resultaten
van het onderzoek van de Commissie mer te delen met haar Europese collega’s tijdens
de volgende Milieuraad?
Antwoord
Er is toegezegd direct na de zomer te komen met een reactie op het position paper
van de Commissie mer over de Milieuomnibus. Daarnaast wordt er ook nog gewerkt aan
de quickscan van de Milieuomnibus.
Hier kan niet op vooruit worden gelopen.
Zoals vastgelegd in het BNC-fiche, acht het kabinet het van belang om in het kader
van versnellen te blijven benadrukken dat de kwaliteit van de milieubeoordeling gewaarborgd
blijft. De voorgenomen vereenvoudigingen in Europese wet- en regelgeving mogen niet
leiden tot extra schade aan gezondheid, natuur en milieu.14 Voor het kabinet is het een gezamenlijk doel om dat te borgen. De Kamer is op 29 mei
jl. geïnformeerd over de Milieuomnibus onderhandelingen.15 Middels de bijlage toegevoegd aan de beantwoording van dit Schriftelijk Overleg,
vindt u de meest recente stand van zaken.
De Milieuomnibus staat momenteel niet als discussiepunt geagendeerd voor de komende
Milieuraad. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat zal de resultaten
van de Commissie mer echter waar mogelijk delen met de Commissie en counterparts.
Vraag 24
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of de Staatssecretaris kan toezeggen
dat zij niet vóór de Milieuomnibus stemt, als blijkt dat deze inderdaad leidt tot
een lager beschermingsniveau? Zo nee, hoe rijmt de staatsecretaris dit met het uitvoeren
van de aangenomen motie-Kostić (Kamerstuk 22 112, nr. 4328)? Is de Staatssecretaris van mening dat (onderdelen van) de Milieuomnibus in strijd
is of zou kunnen zijn met het Verdrag van Aarhus? Zo ja, op welke onderdelen?
Antwoord
Middels de bijlage wordt u geïnformeerd over het Nederlandse standpunt inzake de Milieuomnibus.
Het kabinet deelt de randvoorwaarde van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie
dat administratieve vereenvoudiging niet ten koste mag gaan van het beschermingsniveau
van mens, gezondheid en milieu. Hoewel het kabinet de intentie van de Milieuomnibus
om de regeldruk te verminderen verwelkomt, stelt Nederland zich in de lopende onderhandelingen
juist kritisch op bij onderdelen waar risico's ontstaan. In lijn met de aangenomen
motie-Kostić zet het kabinet zich in Brussel actief in voor het behoud van een hoog
milieubeschermingsniveau en dringt erop aan dat toekomstige vereenvoudigingsvoorstellen
vergezeld gaan van een gedegen impact assessment. Het kabinet zal deze inzet en de
motie blijven uitvoeren tijdens de komende onderhandelingen.
Zoals uiteengezet in het BNC-fiche is het kabinet kritisch op de introductie van een
zogenaamde «grondentrechter»16, aangezien dit de rechtsbescherming beperkt en afwijkt van het Nederlandse systeem
dat uitgaat van een onderdelentrechter tussen de administratieve- en de rechterlijke
fase. Voor het kabinet staat voorop dat de versnelling van rechtspraak niet ten koste
mag gaan van de rechtsbescherming en dat de grondwettelijke scheiding der machten
gewaarborgd blijft. In lijn met dit BNC-fiche zal het kabinet daarom in Brussel duidelijkheid
blijven vragen aan de Commissie over hoe een dergelijke grondentrechter zich verhoudt
tot de bepalingen over toegang tot de rechter uit het Verdrag van Aarhus.
Vraag 25
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen ook waarom de Staatssecretaris
ervoor heeft gekozen om in de nationale quickscan het bedrijfsleven expliciet mee
te nemen, gezien de zorgen voor afzwakking duidelijk liggen bij bescherming van ons
milieu, en juist niet bij de bescherming van de kortetermijnwinsten van bedrijven.
Ook vragen deze leden of de Staatssecretaris kan toezeggen dat, net als bij de «food
& feed security»-omnibus, de Milieuomnibus aan de Kamer wordt voorgelegd voorafgaand
aan een definitief beslismoment, en dat zij voor die tijd geen onomkeerbare stappen
neemt.
Antwoord
De keuze om de effecten op het bedrijfsleven expliciet mee te nemen in de nationale
quickscan is rechtstreeks voortgevloeid uit het tweeminutendebat Milieuraad van 17 maart jl.
Tijdens dit debat is van de zijde van de VVD-fractie expliciet verzocht om, naast
de effecten op het milieu, ook de consequenties voor het bedrijfsleven mee te wegen.
Dit is destijds toegezegd omdat wegen van de verschillende belangen noodzakelijk is
om tot een verantwoord en volledig beeld van het pakket te komen.
Middels de bijlage ontvangt u de meest recente stand van zaken en het Nederlandse
standpunt met betrekking tot de Milieuomnibus. Het huidige Cypriotische voorzitterschap
streeft naar een spoedig Raadsmandaat aan het einde van deze maand, waardoor de besluitvorming
zich snel kan voltrekken, met of zonder Nederlandse steun.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.A. Huizenga, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
L. van der Graaf, adjunct-griffier