Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het ontwerp-wijzigingsbesluit uitzonderen mkb van rapportageverplichting zakelijk en woon-werkverkeer (wijziging Bal)(Kamerstuk 32637-757)
32 637 Bedrijfslevenbeleid
Nr. 762
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 19 juni 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de brief
van 24 april 2026 over het ontwerp-wijzigingsbesluit uitzonderen mkb van rapportageverplichting
zakelijk en woon-werkverkeer (wijziging Bal) (Kamerstuk 32 637, nr. 757)
De vragen en opmerkingen zijn op 28 mei 2026 aan de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van 19 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Huizenga
Adjunct-griffier van de commissie, Koerselman
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
D66-fractie
Vraag 1
De leden van de D66-fractie lezen dat door dit ontwerpbesluit het beoogde reductiedoel
voor werkgebonden personenmobiliteit in 2030 wordt verlaagd van 1,5 megaton naar 1,2
megaton CO2. Zij lezen tevens dat de Staatssecretaris dit verlies wil compenseren door de brandstoftransitieverplichting
geleidelijk te verhogen. De leden vragen hoe wordt gegarandeerd dat het geleidelijk
verhogen van de brandstoftransitieverplichting de ontbrekende 0,3 megaton daadwerkelijk,
tijdig en volledig zal worden opgevangen.
Antwoord:
Bij de augustusbesluitvorming in 2025 heeft het kabinet ervoor gekozen de negatieve
effecten op de CO2-uitstoot door de accijnskorting en aanpassing van het besluit WPM structureel te
compenseren door verhoging van de brandstoftransitieverplichting1. In totaal gaat het om een CO2-reductie van 0,4 megaton CO2 in 2030. Omdat de accijnskorting en de pseudo-eindheffing al zijn vastgesteld, is
bij de recente wijziging van het Besluit energie vervoer de brandstoftransitieverplichting
verhoogd met 0,3 megaton in 2030. Na inwerkingtreding van het ontwerpbesluit zal de
resterende 0,1 megaton in het Besluit energie worden verwerkt.
Vraag 2
De leden van de D66-fractie vragen tevens, in navolging van het Adviescollege toetsing
regeldruk (ATR), of deze compenserende maatregelen op zichzelf niet tot nieuwe en
mogelijk forse regeldruk zullen leiden, waardoor de nu beoogde vermindering van regeldruk
deels teniet wordt gedaan. Op welke wijze wordt de Kamer over de regeldrukeffecten
van deze compenserende maatregelen geïnformeerd?
Antwoord:
De verwachting is dat de (geringe) verhoging van de brandstoftransitieverplichting
niet zal leiden tot extra regeldruk voor brandstofleveranciers. Regeldrukeffecten
door wijzigingen worden uiteengezet in de toelichting van het Besluit energie vervoer
en aan de Kamer voorgelegd in het kader van de voorgeschreven voorhangprocedure.
Vraag 3
Daarnaast delen deze leden de zorgen van het ATR omtrent het snel wijzigende overheidsbeleid.
Deze leden constateren dat binnen twee jaar na invoering verplichtingen worden geschrapt
waarvoor bedrijven reeds investeringen in tijd en systemen hebben gedaan. Zij lezen
dat de Staatssecretaris onderkent dat dit haaks staat op het streven naar een betrouwbare
overheid en stabiel beleid. Deze leden vragen de Staatssecretaris hoe dergelijke snelle
en ingrijpende beleidswijzigingen en de daarmee gepaard gaande desinvesteringen en
onzekerheid voor ondernemers in de toekomst bij klimaatwetgeving voorkomen kunnen
worden.
Antwoord:
Hoewel ex ante toetsing van voorgenomen beleid een goed beeld geeft van de gevolgen, biedt dit geen
absolute garantie dat zich geen onvoorziene gevolgen voordoen. Dat blijkt uit de ervaringen
na invoering van het besluit WPM. In de voorbereiding op dat besluit zijn, naast de
effecten voor de uitvoering en het milieu, de regeldrukeffecten in kaart gebracht
en is een MKB toets uitgevoerd. Uit de toetsen kwam niet naar voren dat het verzamelen
van gegevens voor de rapportage de midden- en kleinbedrijven veel meer tijd zou kosten
dan de grote bedrijven. Daardoor zijn de gevolgen voor de midden- en kleinbedrijven
onderschat. Dat bleek pas na invoering van het besluit WPM. Vanwege onevenredige administratieve
lasten is daarom besloten om het besluit WPM aan te passen. Dit ondanks het gegeven
dat het besluit WPM relatief kort daarvoor van kracht is geworden. Deze wijziging
had de voorkeur boven het in stand houden van een onevenredig zware lastendruk voor
de midden- en kleinbedrijven.
Vraag 4
De leden van de D66-fractie lezen tot slot dat verschillende overheidsorganisaties
tijdens de internetconsultatie hebben gewezen op het belang van de rapportageverplichting
voor het verkrijgen van inzicht in de CO2-uitstoot en voor het stimuleren van verduurzaming bij werkgevers. Aangezien een aanzienlijk
deel van de bedrijven nu buiten de rapportageplicht valt, vragen deze leden hoe de
Staatssecretaris de monitoring van de CO2-uitstoot bij het midden- en kleinbedrijf (mkb) de komende jaren gaat vormgeven. Welke
alternatieve instrumenten gaat zij inzetten om ook het mkb te blijven stimuleren tot
het verduurzamen van hun mobiliteitsbeleid?
Antwoord:
Het uitzonderen van werkgevers met minder dan 250 werknemers betekent niet dat het
zicht op de CO2-uitstoot door werkgebonden personenmobiliteit bij het midden- en kleinbedrijf geheel
verdwijnt. Bestaande databronnen, waaronder CBS-statistieken en KEV-rapportages blijven
beschikbaar en bruikbaar voor het beleid. Verder blijft verduurzaming binnen het mkb
gestimuleerd worden met verschillende beleidsinstrumenten, waaronder de COVER subsidie
(collectieve verduurzaming reisgedrag) en de Sprila-subsidie (private laadpunten op
eigen terrein), specifieke brancheaanpakken en aandacht voor het verduurzamen van
bedrijventerreinen (PVB programma) waarbij barrières voor verduurzaming worden weggenomen.
Hiermee wordt ook zonder generieke rapportageverplichting een bijdrage geleverd aan
de verduurzaming van werkgebonden mobiliteit bij het midden- en kleinbedrijf. Verder
kunnen midden- en kleinbedrijven op vrijwillige basis gebruik maken van de faciliteiten
die RVO biedt om inzicht te krijgen in de CO2-uitstoot door werkgebonden personenmobiliteit. RVO biedt ook een digitaal hulpmiddel
aan voor het uitzetten van enquêtes onder werknemers en het verwerken van de resultaten
naar data. De data kunnen worden ingevoerd op het elektronisch formulier dat organisaties
gebruiken voor het rapporteren van gegevens over zakelijk en woon-werkverkeer.
GroenLinks-PvdA-fractie
Vraag 1
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de klimaatdoelen steeds verder
uit zicht komen, met het schrappen van de verplichting voor duizenden bedrijven en
honderdduizenden werknemers en tegelijk het verlagen van de doelstellingen voor de
CO2-uitstoot. Deze leden hadden hier eventueel mee kunnen instemmen, als het kabinet
met een geloofwaardig effectieve alternatieve maatregel was gekomen, die ervoor zorgt
dat de transitie naar emissievrij verkeer en afname van het woon-werkverkeer geen
vertraging oploopt. Dat is niet gebeurd. Erger nog, de toch al weinig ambitieuze doelstellingen
zijn gewoon verlaagd. De leden wijzen op paragraaf 5.3 van de nota van toelichting
bij het wijzigingsbesluit waarin staat dat in 2026 wordt bepaald of een aanpassing
van het (verlaagde) emissieplafond noodzakelijk is. Wat de leden betreft is dat zeker
noodzakelijk. Terug naar 1,5 megaton of beter met een bijbehorend pakket aan alternatieve
maatregelen. Is de Staatssecretaris hiertoe bereid? Welke extra maatregelen zijn in
voorbereiding en hoe snel kunnen die worden ingevoerd?
Antwoord:
De nationale klimaatdoelen blijven het uitgangspunt. Met Prinsjesdag verschijnt de
jaarlijkse Klimaat- en Energieverkenning. Mocht daaruit blijken dat de CO2-emissiereductie niet op koers ligt dan worden in het voorjaar van 2027 aanvullende
maatregelen overwogen.
Vraag 2
Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat met een compensatie via de brandstoftransitieverplichting
de last op het behalen van de doelen verschuift van werkgevers naar gewone mensen,
die nu al worstelen met hoge brandstofprijzen? Waarom is dit beter of eerlijker of
effectiever?
Antwoord:
Zoals aangegeven in paragraaf 2.1 van de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit
is in de augustusbesluitvorming besloten om de brandstoftransitieverplichting met
0,4 Mton te verhogen2. Hiervoor is gekozen om de negatieve effecten op de CO2-uitstoot van de accijnskorting en aanpassing van het besluit WPM structureel te compenseren
door verhoging van de brandstoftransitieverplichting. Naar verwachting zijn de effecten
van deze compensatie zeer gering. De laatste tijd worden burgers en bedrijven door
het conflict in het Midden-Oosten geconfronteerd met hogere brandstofprijzen. Hiervoor
heeft het kabinet in het kader van «Acties Weerbaarheid Energieschok» een aantal maatregelen
getroffen om de koopkracht van huishoudens en veerkracht van bedrijven te verbeteren.3
Vraag 3
Was de regeling niet ook bedoeld om werkgevers te stimuleren om hun werknemers minder
te laten rijden? Wat zijn de gevolgen voor de filedruk en het aantal afgelegde kilometers
woon-werkverkeer? Wat zijn de gevolgen voor de transitie naar EV en de lease?
Antwoord:
Het besluit WPM heeft inderdaad een tweeledig doel: het verkrijgen van inzicht in
emissies en het stimuleren van werkgevers om bewuste duurzame mobiliteitskeuzes te
maken: minder rijden door te kiezen voor thuiswerken, anders te reizen door te kiezen
voor OV of fiets of omschakelen naar elektrische auto’s. Het midden- en kleinbedrijf
is verantwoordelijk voor 18% van het aantal afgelegde kilometers voor woon-werkverkeer
bij organisaties met 100 of meer werknemers. Dat is ongeveer een vijfde van het totaal.
Een deel van die bedrijven voert ook zonder wettelijke rapportageverplichting actief
beleid op het gebied van verduurzaming van werkgebonden personenmobiliteit. Het vervallen
van die verplichting zal niet direct betekenen dat werknemers massaal het OV en de
fiets zullen verruilen voor de auto. Het uitzonderen van werkgevers met minder dan
250 werknemers zal dan ook beperkte gevolgen hebben voor het aantal afgelegde kilometers,
de filedruk en de elektrificatie van mobiliteit. Daar komt bij dat met ingang van
volgend jaar de pseudo-eindheffing wordt ingevoerd voor fossiele leaseauto’s. Dat
zal naar verwachting een positieve invloed hebben op de transitie naar emissieloos
vervoer.
CDA-fractie
Vraag 1
De leden van de CDA-fractie hebben allereerst vragen over de drie verschillende loketten
waar ondernemingen op dit moment bij dienen te rapporteren over werkgebonden personenmobiliteit.
In de ontwerpnota van toelichting staat dat deze loketten zijn ingesteld op grond
van respectievelijk het besluit Werkgebonden Persoonsmobiliteit (WPM), de Corporate
Sustainability Reporting Directive (CSRD) en de Energy Efficiency Directive (EED).
Deze leden onderschrijven het door de werkgroep regeldruk werkgebonden personenmobiliteit
geuite ideaalbeeld dat organisaties maar één keer gegevens hoeven aan te leveren via
één loket, juist in het kader van de vermindering van de regeldruk. Daarom maken deze
leden zich zorgen over de reactie van de Staatssecretaris op deze uiting, namelijk
dat dit ideaalbeeld pas na 2028 gerealiseerd zou kunnen worden en het ingrijpende
maatregelen zou vergen van het besluit WPM. Deze leden vragen hoe de Staatssecretaris
haar reactie beoordeelt in het licht van het doel van het ontwerpbesluit, namelijk
de directe vermindering van regeldruk voor het mkb.
Antwoord:
Alleen grote ondernemingen met meer dan 1.000 werknemers die daarnaast ook minimaal
50 miljoen euro omzet of 25 miljoen euro balanstotaal hebben, moeten op grond van
de CSRD een duurzaamheidsverslag opstellen. In de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit
is aangegeven dat het in Nederland gaat om ongeveer 800 bedrijven die vanaf 2028 verplicht
zijn om een duurzaamheidsverslag op te stellen. Bij nader inzien is deze inschatting
te hoog omdat hierbij ook de niet-commerciële bedrijven zijn meegeteld, waaronder
overheidsorganisaties en zorginstellingen. Het werkelijke aantal is lager, namelijk
ongeveer de helft. Dat betekent dat ongeveer 400 bedrijven een duurzaamheidsverslag
moeten opstellen volgens de CSRD. In 2028 moet over boekjaar 2027 worden gerapporteerd.
Van de 400 bedrijven zullen ongeveer 350 bedrijven in het kader van de CSRD moeten
rapporteren over de uitstoot door werkgebonden personenmobiliteit. Dat komt omdat
CO2-uitstoot door werkgebonden personenmobiliteit niet voor alle grote bedrijven van
belang is en dan is het volgens de CSRD niet verplicht om daarover te rapporteren.
Het instellen van één loket waar ondernemingen kunnen rapporteren in het kader van
zowel de CSRD als het besluit WPM levert dan ook een beperkte vermindering van de
regeldruk op. Daar komt nog bij dat de grote bedrijven beschikken over administratiesystemen
waaruit relatief eenvoudig de voor de rapportage WPM benodigde gegevens zijn te halen.
Voor de EED geldt dat bedrijven alleen hoeven te rapporteren over zakelijke mobiliteit
met leaseauto’s en auto’s uit het eigen wagenpark. Daarmee is er sprake van een beperkte
overlap met de gegevens die op grond van het besluit WPM moeten worden gerapporteerd.
De grootste voordelen zijn te bereiken door het midden- en kleinbedrijf uit te zonderen.
De focus van het ontwerpbesluit is dan ook gelegd bij die groep. Dat betekent niet
dat er geen oog is voor de ondernemingen die ook op grond van de CSRD of de EED moeten
rapporteren. Op dit moment heeft het midden- en kleinbedrijf echter prioriteit.
Vraag 2
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de uitleg van de Staatssecretaris
dat de gegevens die op grond van het besluit WPM, de CSRD en de EED moeten worden
gerapporteerd en de methode voor het berekenen van de CO2-uitstoot momenteel niet hetzelfde zijn. De Staatssecretaris doet momenteel onderzoek
naar de mogelijkheid en wenselijkheid van de aanpassing van het besluit WPM, zodanig
dat op grond daarvan dezelfde gegevens worden gerapporteerd als op grond van de CSRD
en de EED. Deze leden vragen hoe de voortgang van het onderzoek verloopt en of de
Staatssecretaris bereid is maatregelen te treffen die deze voortgang bespoedigen.
Antwoord:
Dit onderzoek wordt opgepakt in het kader van de evaluatie komend najaar. Dan wordt
niet alleen bepaalt of normering nodig is om het reductiedoel te halen, maar ook of
met aanpassing van de regels verbeteringen en verdere reductie van de regeldruk mogelijk
is.
Vraag 3
De leden van de CDA-fractie hebben voorts kennisgenomen van het standpunt van de Staatssecretaris
dat er momenteel slechts sprake is van een beperkte overlap tussen de door de CSRD
en de EED vereiste gegevens enerzijds en de door de WPM vereiste gegevens anderzijds.
Deze leden hechten er toch aan te benadrukken dat het van groot belang is dat – ondanks
dat sprake zou zijn van beperkte overlap – de Staatssecretaris een oplossing biedt
voor die bedrijven die wél moeten rapporteren op grond van zowel de CSRD en de EED,
als de WPM.
Antwoord:
Zie de antwoorden op de eerste en de tweede vraag.
Vraag 4
De leden van de CDA-fractie wijzen op het feit dat het, ondanks dat er een uitzondering
gaat gelden, van belang is dat er zicht blijft op de werkgebonden mobiliteit van de
organisaties die onder de uitzondering vallen. Deze leden vragen op welke manier de
Staatssecretaris dit gaat doen.
Antwoord:
Het uitzonderen van werkgevers met minder dan 250 werknemers betekent niet dat het
zicht op de CO2-uitstoot door werkgebonden personenmobiliteit bij het midden- en kleinbedrijf geheel
verdwijnt. Bestaande databronnen, waaronder CBS-statistieken en KEV-rapportages blijven
beschikbaar en bruikbaar voor het beleid. Verder blijf ik verduurzaming binnen het
mkb stimuleren met verschillende beleidsinstrumenten, waaronder de COVER subsidie,
specifieke brancheaanpakken en aandacht voor verduurzamen bedrijventerreinen (PVB
programma) waarbij barrières voor verduurzaming worden weggenomen. Hiermee wordt ook
zonder generieke rapportageverplichting een bijdrage geleverd aan de verduurzaming
van werkgebonden mobiliteit bij het midden- en kleinbedrijf. Verder kunnen midden-
en kleinbedrijven op vrijwillige basis gebruik maken van de faciliteiten die RVO biedt
om inzicht te krijgen in de CO2-uitstoot door werkgebonden personenmobiliteit. RVO biedt ook een digitaal hulpmiddel
aan voor het uitzetten van enquêtes onder werknemers en het verwerken van de resultaten
naar data. De data kunnen worden ingevoerd op het elektronisch formulier dat organisaties
gebruiken voor het rapporteren van gegevens over zakelijk en woon-werkverkeer.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.A. Huizenga, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
G.B. Koerselman, adjunct-griffier