Brief regering : Beleidsreactie op het advies omgang verweesde Joodse roofkunst
25 839 Tegoeden Tweede Wereldoorlog
32 820
Nieuwe visie cultuurbeleid
Nr. 50
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 juni 2026
Ruim tachtig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog is de zoektocht naar de
oorspronkelijke eigenaren van tijdens de oorlog geroofde cultuurgoederen nog niet
afgelopen. In een Kamerbrief van 25 juni 2021 is een intensivering van het restitutiebeleid
aangekondigd met als doel zo veel mogelijk restituties aan rechthebbenden te realiseren.
Daarnaast zijn in deze Kamerbrief uitgangspunten opgenomen voor de omgang met roofkunst
in bezit van de Staat, die oorspronkelijk aan Joodse eigenaren toebehoorde en waarvan
geen rechthebbenden meer kunnen worden gevonden. Deze objecten behoren op morele gronden
toe aan de Joodse gemeenschap.1
Op 22 april ontving ik van het Centraal Joods Overleg (CJO) en een commissie onder
voorzitterschap van de heer Lodewijk Asscher het advies Verweesde Joodse roofkunst in de NK-collectie. Ik wil het CJO en de commissie hartelijk danken voor dit advies, dat mij duidelijke
kaders geeft voor de overdracht van verweesde Joodse roofkunst. In deze brief reageer
ik op de aanbevelingen uit het advies en geef ik verdere invulling aan de toekomst
van de NK-collectie. Conform het advies stel ik middelen beschikbaar voor programmering
met de collectie verweesde Joodse roofkunst en herkomstonderzoek.
Onderzoek naar de NK-Collectie
De NK-collectie is een bijzondere deelcollectie binnen de Rijkscollectie. Het omvat
kunst en gebruiksvoorwerpen die na de Tweede Wereldoorlog door de geallieerden uit
Duitsland zijn gerecupereerd en aan Nederland zijn teruggegeven. Een aanzienlijk deel
van deze collectie bestaat uit objecten die in de context van de Holocaust zijn geroofd
van, of onder dwang zijn verkocht door, Joodse Nederlanders en andere vervolgde bevolkingsgroepen.
In 2026 bevinden zich nog ruim 3.300 objecten in de NK-collectie.
In de periode 2022–2025 heeft de RCE het Programma Intensivering Restitutiebeleid
WOII uitgevoerd en daarbij de volledige NK-collectie onderzocht. Dit onderzoek heeft
bij sommige objecten nieuwe informatie opgeleverd die ertoe heeft geleid dat de RCE
nabestaanden van oorspronkelijke eigenaren heeft kunnen benaderen ten behoeve van
teruggave. Ook kon voor een deel van de objecten worden vastgesteld dat geen sprake
is van een transactie onder dwang. De resultaten van dit programma zijn neergelegd
in drie voortgangsrapportages van de RCE, die online zijn gepubliceerd.2 Gedurende het onderzoek heeft een externe commissie de kwaliteit van het onderzoek
gevolgd. Zij concludeerde dat het onderzoek goed is uitgevoerd.
Voor meer dan de helft van deze objecten kon de herkomstgeschiedenis onvoldoende sluitend
worden vastgesteld. Daardoor is ook niet eenduidig te bepalen of de oorspronkelijk
eigenaar Joods was. Naar deze groep zal de RCE in 2026 en 2027 nader onderzoek uitvoeren.
Daarbij wordt gebruikgemaakt van nieuwe mogelijkheden, waaronder inmiddels digitaal
toegankelijke archieven en beeldherkenning. Na afronding van dit onderzoek zal duidelijker
zijn welk deel van de NK-collectie als verweesde Joodse roofkunst te beschouwen is.
Besluitvorming verweesde Joodse roofkunst
Om tot gedragen besluitvorming over de omgang met verweesde Joodse roofkunst te komen,
is het CJO in 2024 gevraagd naar haar zienswijze op dit onderwerp. Voor de beantwoording
hiervan heeft het CJO een commissie ingesteld onder voorzitterschap van Lodewijk Asscher.
In 2025 heeft mijn ambtsvoorganger, Minister Moes, in overleg met de commissie besloten
een ruime definitie van verweesde Joodse roofkunst te hanteren. Dit besluit is in
lijn met het verruimde restitutiebeleid en met oog voor de historische context van
de Holocaust. Het betekent dat bij bezitsverlies van Joodse particulieren gedurende
het naziregime roof wordt verondersteld, overeenkomstig het beoordelingskader van
de Restitutiecommissie. Indien geheel niets bekend is over de herkomst van een object
in de NK-collectie, wordt- gelet op de systematische en grootschalige roof van Joodse
Nederlanders als onderdeel van de vervolging – verondersteld dat het Joodse roofkunst
betreft. Objecten die na afronding van het hierboven vermelde nadere herkomstonderzoek
door de RCE zijn gecategoriseerd als Joodse roofkunst en op dat moment geen onderdeel
zijn van een procedure bij de Restitutiecommissie, komen in aanmerking voor overdracht
aan de Joodse gemeenschap.
De commissie heeft mij geadviseerd over de vormgeving en het doel van deze overdracht.
De adviezen van de commissie Asscher kunnen worden ondergebracht in drie hoofdthema’s:
de overdracht zelf, de zichtbaarheid van de collectie, en herkomstonderzoek. Ik zal
langs deze lijnen ingaan op de aanbevelingen.
Overdracht van de collectie
De commissie adviseert dat verweesde Joodse roofkunst in de NK-collectie wordt overgedragen
aan de Joodse gemeenschap, conform de eerdere toezegging. De objecten moeten daarbij
beschikbaar blijven voor eventuele restitutieverzoeken van individuele rechthebbenden.
De commissie stelt verder een verdeling van verantwoordelijkheden voor. De commissie
adviseert het fysieke beheer onder verantwoordelijkheid van de Minister te laten.
Zeggenschap over de wijze waarop de collectie kan worden ingezet, hoort echter bij
de Joodse gemeenschap te liggen. De commissie adviseert daartoe overdracht van houderschap
van de collectie aan een daartoe opgerichte stichting.
Ik onderschrijf de uitgangspunten van de commissie over de overdracht en ben bereid
om het fysieke beheer uit te blijven voeren zoals dit nu ook al gebeurt. Ik wacht
het aanvullende herkomstonderzoek van de RCE naar de NK-collectie af om te bepalen
welke objecten in aanmerking komen voor overdracht. In de tussentijd verken ik de
(juridische) stappen die nodig zijn om de overdracht te realiseren. Ik blijf hierover
in gesprek met het CJO, zodat de uitvoering aansluit bij en recht doet aan het advies
van de commissie.
Zichtbaarheid van de collectie
De commissie onderstreept dat de overdracht als doel heeft dat «iemand zich ontfermt
over de verweesde objecten en deze naar buiten brengt. De collectie is immers van
groot belang omdat zij de overlevering in zich draagt van mensen van wie de identiteit
en daarmee hun levensverhaal niet meer bekend is.» De collectie kan daarmee een belangrijke
rol spelen in het vertellen van de geschiedenis van de Holocaust. De commissie adviseert
daartoe een actieve programmering rond de collectie te realiseren en schetst een helder
beeld over de wijze waarop dit gerealiseerd kan worden. Daarnaast stelt de commissie
voor het gebruik van tekstbordjes die de bezoeker wijzen op de herkomst van de objecten,
als voorwaarde in bruikleenleenoverkomsten op te nemen. Ik omarm deze adviezen en
ben bereid structureel € 400.000 ter beschikking te stellen ten behoeve van programmering
met deze collectie.
Onderzoek
De commissie wijst verder op het belang van herkomstonderzoek in de gehele museale
sector en adviseert dit te ondersteunen. Herkomstonderzoek is een kerntaak van musea,
zoals neergelegd in de Ethische Code voor Musea en de Museumnorm. Ik roep de museale
sector dan ook op de herkomst van de collecties kritisch tegen het licht te houden
en eventuele lacunes te onderzoeken.
Om musea te ondersteunen bij deze taak is in 2022 een informatiepunt bij de RCE ingesteld.
Hier kunnen collectiebeheerders, onderzoekers en ook mogelijke rechthebbenden terecht
voor vragen over restitutiebeleid, verzoekprocedures en herkomstonderzoek. Deze doelgroepen
weten RCE goed te vinden; in 2024 handelde de RCE 400 informatieverzoeken af. De RCE
deelt daarnaast informatie via bijeenkomsten, workshops, nieuwsbrieven en publicaties.
Ook via subsidie aan enkele cursussen van de ErfgoedAcademie draagt de RCE bij aan vaardigheden van herkomstonderzoekers en andere museummedewerkers.
De RCE kan aan de informatiebehoefte uit het veld voldoen, dus ik zie op dit moment
geen aanleiding de inzet van de RCE verder op te schalen.
Net als de commissie zie ik dat het uitvoeren van herkomstonderzoek voor musea een
tijdrovende en daarmee kostbare taak is. Kennis over de herkomst van objecten is noodzakelijk
voor een rechtvaardige omgang met onze museumcollecties. Daarmee is herkomstonderzoek
een voorwaarde voor de effectiviteit van zowel het restitutiebeleid Tweede Wereldoorlog
als de omgang met koloniale collecties. Ik zal de sector hierbij door middel van een
subsidieregeling bij het Mondriaan Fonds, tijdelijk extra ondersteunen. Deze regeling
heeft als doel herkomstonderzoek van musea naar koloniale collecties en naar roofkunst
uit de Tweede Wereldoorlog te stimuleren. Hiermee krijgen we ook beter zicht op verweesde
Joodse roofkunst in de gehele Collectie Nederland. Ik ga met het Mondriaan Fonds in
gesprek over de vormgeving van deze regeling en zal voortbouwen op de ervaringen van
de RCE en het consortium koloniale collecties. Voor dit doel stel ik in de periode
2027–2031 één miljoen euro per jaar beschikbaar, met een aanloop van 0,5 miljoen in
2026.
Tot slot
De geschiedenis van de Holocaust en de grootschalige roof van cultuurgoederen is een
Europese geschiedenis. Collecties zijn verspreid geraakt over meerdere landen. Ik
hecht dan ook aan Europese samenwerking op dit onderwerp en zal de dialoog met andere
landen hierover proactief voortzetten.
Deze objecten zijn de laatste zichtbare sporen van levens die zijn vernietigd. Ze
verdienen een bestemming die recht doet aan die geschiedenis en aan de Joodse gemeenschap.
Het immense onrecht dat de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog is aangedaan, kunnen
we niet herstellen. Maar we kunnen wel een stap zetten naar een waardige bestemming
voor wat van hen was. Ook als we de oorspronkelijke eigenaren of hun erven niet meer
kunnen vinden. Ik zal uw Kamer na afronding van de juridische verkenning nader informeren
over de implementatie van dit advies.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap