Brief regering : Nadere uitwerking van de beleidsagenda bouwregelgeving
28 325 Bouwregelgeving
Nr. 308
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 mei 2026
Om in aanloop naar het commissiedebat Bouwregelgeving op 4 juni aanstaande meer inzicht
te krijgen in de beleidsagenda van het kabinet, heeft de Vaste Commissie voor Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening mij in de brief van 8 april jongstleden verzocht om een brief
met een nadere uitwerking van de beleidsagenda en de te maken strategische keuzes
ten aanzien van modernisering van de bouwregelgeving. De Commissie refereert hierbij
aan het regeerakkoord en de ambitie daarin om de bouweisen te vereenvoudigen en standaardiseren.
Ik begin deze brief met de voornemens in het regeerakkoord ten aanzien van de bouwregelgeving.
Het gaat daarbij om (1) standaardisatie en industriële bouw en (2) vereenvoudiging
van de bouwregelgeving. Als laatste informeer ik u over (3) de verdere modernisering
van de bouwregelgeving. Daarnaast wordt met deze brief invulling gegeven aan een aantal
moties en toezeggingen.
1. Standaardisatie en industriële bouw
Landelijke uniforme regels
Met het Bbl (en hiervoor Bouwbesluit) is in Nederland sprake van landelijke uniforme
regels voor veilige, gezonde, bruikbare en duurzame bouwwerken. Het betreft zowel
regels voor nieuwbouw, bestaande bouw als voor verbouw. Landelijke uniformering stond
bij de totstandkoming van het Bouwbesluit 1992 centraal. Tot dat moment waren bouwverordeningen
lokaal geregeld, wat leidde tot soms aanzienlijke verschillen tussen gemeenten, onduidelijkheid
voor marktpartijen en inefficiëntie in het bouwproces.
Met het Bouwbesluit 1992 is expliciet gekozen voor één samenhangend en landelijk geldend
stelsel van technische bouwvoorschriften, met als doel het bevorderen van rechtsgelijkheid,
het vergroten van de transparantie en het verminderen van administratieve lasten.1 Uniforme regels dragen bij aan een gelijk speelveld, een efficiëntere bouwpraktijk,
duidelijkheid en rechtszekerheid. Landelijk uniforme regels zijn ook het uitgangspunt
van het Bbl en blijven dit bij de verdere ontwikkeling van de regelgeving, zeker nu
het kabinet samen met de markt breed inzet op industriële bouw. Mede daarom kan dit
belangrijke uitgangspunt blijvend rekenen op brede steun in de bouw.
Landelijke regels versus lokale regels
Het stelsel van de bouwregelgeving is limitatief. Dit wil zeggen dat het Bbl een uitputtend
en landelijk uniform kader vormt voor bouwtechnische eisen aan bouwwerken. Tijdens
de Woontop in december 2024 is dit door alle betrokken partijen nogmaals bevestigd.
Zoals afgesproken op de Woontop (afspraak 12) is recent uitgewerkt hoe de eisen in
het Bbl de gemeenten publiekrechtelijk binden, waarbij ook de jurisprudentie is beschouwd.
Dit is vastgelegd in de bijlage bij deze brief. Uit de beschouwing volgt dat gemeenten
in beginsel geen ruimte hebben om aanvullende of strengere technische eisen te stellen,
tenzij het Bbl die mogelijkheid expliciet biedt. Lokale voorschriften die toch technische
eisen aan bouwwerken stellen, bijvoorbeeld via het omgevingsplan of vergunningverlening,
zijn in strijd met de wettelijke systematiek en daarmee onverbindend. Gemeenten kunnen
wel sturen via ruimtelijke of functionele regels, mits deze niet neerkomen op regels
over de technische uitvoering van bouwwerken.
Het Instituut voor Bouwrecht (IBR) heeft in mijn opdracht ook de privaatrechtelijke
kant beschouwd.2Hieruit blijkt dat de Omgevingswet (artikel 23.7) gemeenten verbiedt via privaatrechtelijke
weg (alsnog) aanvullende bouwtechnische eisen te stellen bovenop of in afwijking van
het Bbl. Afspraken in overeenkomsten (bijvoorbeeld bij grondverkoop, anterieure overeenkomsten
of selectieprocedures) die verder gaan dan het Bbl, waarbij medeoverheden partij zijn,
zijn in beginsel nietig. Opdrachtgevers van nieuwe bouwwerken mogen uiteraard voor
eigen rekening wel tegen hogere kwaliteitsniveaus laten bouwen dan het Bbl als minimum
voorschrijft, zolang dwang achterwege blijft.
In het regeerakkoord is opgenomen dat de regering zich zal inzetten om lokale, bovenwettelijke
regels tegen te gaan, zodat overal dezelfde regels gelden. Ook in uw Kamer zijn bovenwettelijke
regels regelmatig onderwerp van discussie blijkens de door uw Kamer aangenomen moties
van het Kamerlid Mooiman vorige jaar tijdens de begrotingsbehandeling en recent van
het Kamerlid Nobel tijdens het tweeminutendebat Klimaatbeleid gebouwde omgeving.3 Beide moties vragen om actie richting gemeenten om ervoor te zorgen dat ze geen aanvullende
eisen aan de bouw opleggen. Mede hierom heb ik recent aan alle gemeenteraden een brief
verzonden met daarin, onder meer, de uitleg waarom het stellen van aanvullende eisen
niet alleen juridisch niet toelaatbaar is maar ook contraproductief gezien de woningbouwopgave
en de verduurzaming waar we op dit moment gezamenlijk voor staan. Daarnaast zet dit
de betaalbaarheid van woningen onder druk.
In aanvulling daarop onderzoek ik naar aanleiding van de motie van het lid Nobel op
dit moment welke instrumenten mij ter beschikking staan of kunnen worden ontwikkeld,
om zo nodig maatregelen te treffen daar waar gemeenten onverhoopt aanvullende eisen
blijven stellen. Het lid Nobel legt in zijn motie ook een relatie met duurzaamheidsambities;
hier kom ik verderop in deze brief terug.
Industrialisatie en typegoedkeuring
Met de uniforme eisen in het Bbl is landelijke standaardisatie mogelijk van nieuwbouw.
Dit geeft ruimte voor de verdere industrialisatie van woningbouw, wat een essentieel
onderdeel is om de woningnood aan te pakken.4Ook typegoedkeuring op basis van het stelsel voor Erkende Kwaliteitsverklaringen (verder:
EKV) draagt bij aan meer woningen in minder tijd. Een EKV zorgt ervoor dat een woningconcept
slechts eenmalig technisch beoordeeld hoeft te worden en verdere (lokale) beoordeling
achterwege kan blijven. De afgelopen tijd zijn al de eerste ervaringen opgedaan met
woningen gebouwd onder een EKV, waarbij de kwaliteitsverklaring niet alleen de productie,
maar ook de bouw zelf omvat. De controle van de bouwkwaliteit verschuift hier van
een controle per project naar een controle op het product en het bouwproces, wat leidt
tot een verdere versnelling van de bouw. Bovendien leidt een fabrieksmatige manier
van bouwen vaker tot een hogere technische bouwkwaliteit vanwege een herhaalbare productie
onder gecontroleerde omstandigheden. Ik ben voornemens om bij woningen, gebouwd onder
een volledig dekkende EKV, de vergunning- en meldplicht voor de technische bouwactiviteit
te laten vervallen.5 Om ook tijdelijke huisvesting en flexbouw te vereenvoudigen zal ik, in navolging
van de motie van het Kamerlid Steen6, bezien onder welke voorwaarden woningen met een typegoedkeuring ook vergunning-
en meldingvrij verplaatst kunnen worden.
In aanvulling hierop werk ik samen met gemeenten in het programma Innovatie en Opschaling
Woningbouw aan standaardisatie van ruimtelijke lokale regels, zoals welstand en stedenbouwkundige
plannen.7In de industriële fastlane van de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen doen we daar
nu al ervaring mee op en worden vergunningen sneller verleend.
2. Vereenvoudiging bouwregelgeving
In het regeerakkoord is de vereenvoudiging van het Bbl met name gekoppeld aan het
schrappen van onnodige en kostbare bouweisen. De vereenvoudiging kan echter ook worden
gevonden in meer vergunningsvrij bouwen en het meer werken met erkende kwaliteitsverklaringen
of maatregelen.
Voor het schrappen van eisen is in 2025 met het programma Stoer al het nodige in gang
gezet. Hierover bent u door mijn ambtsvoorganger geïnformeerd in de brieven van 23 juni
2025 en 10 oktober 2025.,
8
9 Ik ben bezig met een wijziging van het Bbl aansluitend op de adviezen van Stoer die
ik na dit zomerreces aan uw Kamer ter voorhang wil voorleggen. Het betreft het verlagen
van eisen aan plafond- en deurhoogtes, steilheid trappen en interne geluid voor woningbouw.
Voorts worden de geplande nieuwe eisen voor daglicht op basis van de NEN-EN 17037
teruggedraaid, verdwijnt deels de ministeriële toestemming voor lagere kwaliteitsniveaus
voor bruikbaarheid via maatwerkvoorschriften, en is voor lage woningbouw het indienen
van de Checklist Veilig onderhoud niet meer vereist.
Aanvullend op deze uitwerking van de Stoer-adviezen wordt in deze wijziging van het
Bbl een verruiming opgenomen van het (technisch) vergunningsvrij bouwen. Verder wordt
een wijziging opgenomen, die het mogelijk maakt te werken met landelijk erkende maatregelen
in het verlengde met de al bestaande erkende kwaliteitsverklaringen. Hierdoor wordt
het werken met innovatieve bouwmethoden eenvoudiger.
Er zijn in het Stoer-traject geen andere potentieel te schrappen technische eisen
naar voren gekomen die kunnen worden geschrapt in het Bbl. Daarbij wil ik benadrukken
dat bouwtechnische regelgeving met name positief uitwerkt voor de bouw. Het geeft
de sector immers houvast en duidelijkheid bij het bouwen van voldoende veilige, gezonde,
duurzame en bruikbare gebouwen. Ook voor consumenten, waarvan niet verwacht kan worden
dat ze zelf voldoende kennis hebben over de bouw, is bouwtechnische regelgeving van
belang, omdat het zekerheid geeft over het minimum kwaliteitsniveau van hun woning.
Binnenkort laat ik verder een analyse uitvoeren van de grondslagen en achtergronden
van het Bbl en haar voorlopers vanaf het Bouwbesluit 1992. Op basis van deze analyse
kunnen de beoogde doelen van het Bbl opnieuw worden geijkt. Aansluitend hierop zal
ik opnieuw kritisch kijken waar verdere vereenvoudiging van (de regels in) het Bbl
mogelijk is. Recent heb ik ook het TNO-rapport Visie op een toekomstbestendige bouwregelgeving ontvangen van de VNG en het IPO, dat ik nog nader zal bestuderen.
Voorts heb ik u over de eerste resultaten van de Taskforce Versnelling Woningbouw
op 20 april jl. geïnformeerd.10 Daarin is opgenomen dat meer juridische ruimte wordt gecreëerd, zodat er sneller
en gemakkelijker gebouwd kan worden door nieuwe wet- en regelgeving eenvoudig te houden,
procedures te versnellen, vigerende wetten te vereenvoudigen en actief opzoek te gaan
naar overbodige stapeling van regels. Voor dat laatste zal het kabinet voortvarend
aan de slag gaan met een jaarlijkse Vereenvoudigingswet. Hiermee wordt een structurele,
blijvende werkwijze gecreëerd met een vast ritme om problemen sneller op te lossen
en tot oplossingen te komen die echt werken en waarmee structureel knelpunten worden
aangepakt.
Naast het schrappen van eisen kan er altijd sprake zijn van nieuwe eisen in het Bbl.
De wens of noodzaak tot stellen van nieuwe of strengere eisen in het Bbl kan bijvoorbeeld
voortvloeien uit maatschappelijke ontwikkelingen, nieuwe bouwmethoden of Europese
regelgeving. Bij deze nieuwe eisen wordt door mij altijd goed gekeken naar de nut
en noodzaak, de meerkosten en mogelijke knelpunten met bestaande eisen.
3. Overige modernisering bouwregelgeving
Bij de vorige twee onderwerpen heb ik de modernisering van de bouwregelgeving beschreven
in relatie tot de twee specifieke thema’s in het regeerakkoord: standaardisering en
vereenvoudiging. Hieronder ga ik in op andere belangrijke thema’s waarop modernisering
van de bouwregelgeving in gang is gezet.
Europese ontwikkelingen
Vanuit Europa komt regelmatig nieuwe regelgeving waarop het Bbl moet worden aangepast.
Europese richtlijn voor energieprestatie gebouwen (EPBD IV)
Over de implementatie van EPBD IV bent u meest recent met de brief van 17 maart jl.
geïnformeerd.11 Vanaf 2030 gaan voor alle nieuwbouw in het Bbl nieuwe eisen gelden voor energiezuinigheid
(ZEB-eis12) en duurzaamheid (wlc-gwp eis13). De ZEB-eis wordt in 2030 gebaseerd op een gemoderniseerde bepalingsmethode voor
de energieprestatie die op dit moment in mijn opdracht bij Nederlands Normalisatie
Instituut NEN (verder: NEN) wordt ontwikkeld.
De wlc-gwp eis betreft de broeikasgasemissies van de toegepaste materialen en het
energieverbruik in een gebouw gedurende de gehele levenscyclus. Deze eis moet periodiek
worden aangescherpt, met het streven om te komen tot een emissievrije gebouwenvoorraad
in 2050. Bij het proces om te komen tot de wlc-gwp eis in 2030 en de aanscherpingen
tot 2050 ga ik ook invulling geven aan drie moties:
– de motie van het lid Grinwis14, door de belangrijkste relevante beleidskeuzes en varianten in kaart te brengen en
te onderbouwen;
– de motie van het lid Mooiman15, door te zorgen dat de eisen de betaalbaarheid en realisatiekracht voor nieuwe woningen
niet belemmert;
– en de hiervoor genoemde motie van het lid Nobel, door het betrekken van de bouwsector
bij het vaststellen van de eisen.
Over de Routekaart voor de wlc-gwp naar 2050 zal ik uw Kamer na het zomerreces informeren.
Momenteel worden diverse berekeningen opgesteld en besproken in een breed samengestelde
klankbordgroep met bouwexperts.
Inmiddels bevindt de aangekondigde beleidsevaluatie naar de effectiviteit van het
huidige milieuprestatie-instrument voor gebouwen (mpg) in het Bbl zich in een afrondend
stadium. Bij de mpg, die zonder Europese verplichting in het vorige decennium in het
Bbl is opgenomen, tellen niet alleen de broeikasgasemissies (zoals bij de wlc-gwp)
maar ook andere vormen van milieubelasting van bouwmaterialen mee. In de kabinetsreactie
op het adviesrapport Stoer, is aangekondigd dat de mpg als eis in ieder geval tot
2030 onderdeel zal blijven uitmaken van het Bbl. Of de instrumenten mpg en de nieuwe
wlc-gwp vanaf 2030 naast elkaar blijven bestaan in het Bbl onderzoek ik op dit moment.
De conclusies van de beleidsevaluatie van de mpg én de logica van de vormgeving van
het nieuwe instrument wlc-gwp vormen aanleiding voor een zorgvuldige afweging. Ik
wil voorkomen dat bouwers en ontwikkelaars door de introductie van de wlc-gwp in het
Bbl worden geconfronteerd met verschillende beleidsuitgangspunten en tegengestelde
effecten of prikkels, maar zeker onnodige kosten.
Herziene Europese Verordening Bouwproducten (CPR)
Aansluitend op de herziene Europese Verordening Bouwproducten (CPR2024) wordt momenteel
binnen Europa gewerkt aan 440 nieuwe geharmoniseerde productnormen. Deze normen vormen
de basis voor de CE-markering van bouwproducten en beschrijven hoe productprestaties
moeten worden vastgesteld. Het ministerie zorgt ervoor dat (per productfamilie) experts
vanuit Nederland betrokken zijn bij dit zogenaamde CPR-aquis proces, zodat Nederlandse
kennis en belangen worden ingebracht bij de ontwikkeling van deze normen. Ook wordt
door mij in 2026 verder gewerkt aan wijzigingen van het Bbl in relatie tot de herziene
verordening.
Tweede generatie Eurocodes
Voor de eisen voor constructieve veiligheid van bouwwerken maakt het Bbl gebruik van
de Europese constructienormen, de zogenaamde Eurocodes die stammen uit de jaren 90.
Binnen Europa is de afgelopen jaren gewerkt aan de tweede generatie van de Eurocodes.
Door NEN worden nu in mijn opdracht de bijbehorende Nationale bijlagen opgesteld.
De nieuwe Eurocodes en Nationale bijlagen treden in Nederland naar verwachting op
1 januari 2029 in werking.
Maatschappelijke ontwikkelingen
Mensen met lichamelijke beperking blijven steeds langer zelfstandig thuis wonen. Ook
in het algemeen wordt de fysieke toegankelijkheid van gebouwen belangrijker. Woonfunctie voor zorg
In het huidige Bbl wordt aan huisvesting bestemd voor ouderen en minder zelfredzamen
(de zogenoemde woonfunctie voor zorg) extra eisen gesteld aan de brandveiligheid.
Om na te gaan in hoeverre deze regels nog aansluiten bij de veranderende zorg heeft
het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (hierna: NIPV) in opdracht van mijn ministerie
een inventariserend onderzoek uitgevoerd naar zorgwoningen.16Bij het onderzoek is een brede klankbordgroep betrokken met vertegenwoordigers van
huisvesters, zorgaanbieders, zorgontvangers, de brandweer en het Ministerie van VWS.
Het onderzoek laat zien dat de relatie tussen de zorgbehoefte van bewoners niet langer
automatisch gekoppeld is aan daartoe bestemde woonvormen. Bewoners blijven bij toenemende
zorg in hun eigen huis wonen en door «gespikkeld wonen» varieert de zelfredzaamheid
van bewoners in woongebouwen van woning tot woning.
Naar aanleiding van de resultaten is de klankbordgroep onder begeleiding van het NIPV
inmiddels gestart met een verkenning naar mogelijke nieuwe manieren om de brandveiligheid
van minder zelfredzamen te borgen. Daarbij wordt onderzocht hoe de brandveiligheid
kan worden verbeterd, rekening houdend met het belang van de keuze die een bewoner
maakt en de benodigde zorg. De uitkomsten van dit vervolgonderzoek en de gezamenlijk
gekozen richting voor aanpassing van het Bbl zal ik eind dit jaar met uw Kamer delen.
Woonfunctie nultreden en woonfunctie zorggeschikt
In het Bbl worden voor de woonfunctie nultreden en de woonfunctie zorggeschikt specifieke
bruikbaarheidseisen opgenomen. Deze wijziging van het Bbl is ter voorhang geweest
en leg ik binnenkort voor aan de Raad van State ter advies en hoop ik hierna snel
te kunnen publiceren in het Staatsblad.17
NEN 9120 Toegankelijkheid van gebouwen
Sinds februari 2025 is er een vrijwillig NEN-norm 9120 beschikbaar voor toegankelijk
bouwen, gefinancierd door mijn ministerie. Hierin staan voorzieningen voor toegankelijk
bouwen aanvullend op de minimumeisen in het Bbl voor toegankelijkheid. Er loopt een
periode van twee jaar waarin wordt gemonitord wat de drijfveer van marktpartijen is
om (delen van) de NEN-norm wel of niet toe te passen. Na deze periode wordt door mij
bepaald of specifieke delen van de NEN-norm opgenomen moeten worden in het Bbl.
Ontwikkelingen in de bouw
Door de verduurzaming en industrialisatie van de bouw wordt er steeds meer gebouwd
met lichte bouwmaterialen. Ook worden er veelal meer installaties toegevoegd. Dit
leidt tot meer risico’s op het gebied van brandveiligheid. Hierover bent u eerder
geïnformeerd, meest recent in de brieven van 23 mei 202518 en van 6 februari 2026 (geagendeerd voor het commissiedebat van 4 juni a.s.).19 Ik geef hieronder aanvullend informatie.
Gebouwschil
Haskoning heeft in opdracht van mijn ministerie een onderzoek uitgevoerd naar mogelijke
oplossingen om branduitbreiding via de gebouwschil te beperken20. Aanleiding voor dit onderzoek was het rapport van het NIPV in 2024 naar drie branden
in Nederland21 waarbij sprake was van snelle branduitbreiding in de gebouwschil.
Haskoning stelt in het rapport een tweesporenaanpak voor. Op korte termijn wordt voorgesteld
om een traject te starten dat moet leiden tot een betere naleving van de al bestaande
brandveiligheidseisen, door het meer toelichten en verduidelijken van deze eisen.
Parallel hieraan stelt Haskoning voor een traject te starten naar nieuwe eisen in
het Bbl voor de begrenzing van branduitbreiding in de gebouwschil. Ik neem deze voorstellen
over.
Gevels hoogbouw
In het Bbl gaan strengere eisen gelden voor hoogbouwgevels.22Door NEN is een bijbehorend testmethode vastgelegd in de Nederlandse Praktijkrichtlijn
NPR 6999. Deze NPR en het kwaliteitsniveau waar de hoogbouwgevel aan moet voldoen,
leg ik vast in de Omgevingsregeling. Ik verwacht dat deze strengere eisen vervolgens
per 1 juli 2027 in werking treden.
Aanleiding voor deze strengere eisen was de fatale brand van de Grenfell woontoren
in Londen (2017) en het advies van de ATGB23op het Engelse onderzoeksrapport fase 1 (2019). In september 2024 is het onderzoeksrapport
fase 2 over de Grenfellbrand gepubliceerd in Engeland. De ATGB heeft recent ook over
dit fase 2-rapport haar advies24uitgebracht. Dit advies bevat geen wijziging van haar eerdere advies voor hoogbouwgevels.
In het nieuwe rapport worden door de ATGB wel nieuwe, meer algemene, aanbevelingen
gedaan gericht op het tot stand komen van de bouwregelgeving, de risico-indeling van
gebouwen, het kennisniveau binnen de bouw en de testmethoden en certificatie. Ik bezie
deze aanbevelingen nog in relatie tot de verdere modernisering van de bouwregelgeving
en een betere naleving.
Houtbouw
Uit TNO-onderzoek25volgt dat de huidige prestatie-eisen voor brandveiligheid uit het Bbl niet adequaat
zijn voor gebouwen van massief hout door de verhoogde permanente vuurbelasting. De
ATGB heeft eind 2024 geadviseerd het Bbl hierop aan te passen.26 Ik werk inmiddels aan deze aanpassing van het Bbl, die naar verwachting na deze zomer
in consultatie gaat. Door NEN is in opdracht van mijn ministerie in 2025 al de Nederlandse
Technische Afspraak NTA 6125 «Brandveiligheid massieve houtbouw» opgesteld.27Deze NTA 6125 kan straks door bouwers worden gebruikt voor de nieuwe Bbl-eisen.
Motie Welzijn
Ik maak hier verder gebruik van deze brief om u te informeren over uitvoering van
de motie Welzijn over een publieksregister met gebruikte gevelmaterialen en het brandrisico
daarvan.28 Ik heb het Nederlandse Instituut Publieke Veiligheid NIPV gevraagd een publieksinformatieblad
op te stellen met informatie over de brandveiligheid van gevels van woningen en woongebouwen.
Hierin komt voor bewoners toegankelijke informatie beschikbaar over gebruikte gevelmaterialen
en brandrisico’s. Ook zal het een handelingsperspectief geven voor bewoners die twijfel
hebben over brandveiligheid van hun gevel.
Verduurzaming van de gebouwde omgeving
Naast de implementatie van de hiervoor genoemde EPBD IV zijn er nationaal verdere
ambities voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving die een doorvertaling krijgen
in het Bbl.
Uitfasering EFG-labels
Er wordt door mij gewerkt aan een wijziging van het Bbl voor de verplichte uitfasering
van E, F, en G-labels in 2029 bij huurwoningen. Ik stuur deze wijziging van het Bbl
in de zomer ter voorhang aan uw Kamer.
Hybride warmtepompen
Samen met de Minister van KGG bezie ik momenteel hoe de normering van hybride warmtepompen
kan worden vormgegeven in het Bbl. Bij de verdere uitwerking van de norm betrekken
we of deze voor huishoudens haalbaar is. Dit najaar wordt uw Kamer hierover verder
geïnformeerd.
Klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen
Klimaatadaptief bouwen en natuurinclusief bouwen kan vooral lokaal worden bewerkstelligd
met ruimtelijke regels in omgevingsplannen. Het gaat daarbij beperkt om landelijke
technische regels aan gebouwen in het Bbl.
Hergebruik water
In de brief van 27 januari 2026 heeft de Minister van IenW in afstemming met mijn
ambtsvoorganger uw Kamer geïnformeerd29dat er vooralsnog geen eisen in het Bbl komen voor het hergebruik van hemel- en grijswater.
Dit overeenkomstig een advies van RIVM ter voorkoming van gezondheidsrisico’s. De
komende twee jaar wordt de veilige toepassing verder onderzocht. Hierna maken de Minister
van IenW en ik samen de balans op.
Oververhitting
Ter voorkoming van oververhitting geldt er sinds 2021 in het Bbl al de zogenaamde
TOjuli -eis voor nieuwbouwwoningen. In 2030 (zie hiervoor bij EPBD IV) wordt in de gemoderniseerde
bepalingsmethode energieprestatie (NEN) verder bezien op welke wijze beter op het
risico van oververhitting in bouwwerken kan worden gestuurd.
Verblijfsvoorzieningen beschermde diersoorten
In het Bbl wordt voor nieuwe utiliteitsgebouwen regels opgenomen voor opnemen verblijfsvoorzieningen
voor gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen. Deze wijziging van het Bbl is ter voorhang
geweest30 en leg ik binnenkort voor aan de Raad van State ter advies en hoop ik hierna snel
te kunnen publiceren in het Staatsblad.
Verbetering naleving bouwregels
De kwaliteit van gebouwen staat of valt bij de naleving van de bouwtechnische regels
in het Bbl. Om de naleving bij nieuwbouw te verbeteren is in 2024 de Wet Kwaliteitsborging
voor het bouwen (Wkb) in werking getreden. Bij de bestaande bouw wordt het toezicht
door gemeenten op de naleving belangrijker, vooral door de nieuwe duurzaamheidseisen.
Kwaliteitsborging (Wkb)
In het Bbl wordt een maatwerkbevoegdheid opgenomen voor gemeenten bij de ingebruikname
van gebouwen in geval sprake is van beperkte, niet (proportioneel) herstelbare strijdigheden
bij gereedmelding. Deze wijziging van het Bbl is ter voorhang31geweest bij uw Kamer en zal naar verwachting 1 januari 2027 in werking treden.
Voor het commissiedebat zal ik u nog de monitoringsrapportage over 2025 toesturen.
Naar aanleiding van deze rapportage zal ik op korte termijn enkele aanpassingen in
de regelgeving doorvoeren. Ik zal u daar verder over informeren in de begeleidende
brief bij de monitoringsrapportage.
Naleving, toezicht en handhaving bestaande bouw
Dat bestaande gebouwen voldoen aan de Bbl-eisen is primair de verantwoordelijkheid
van gebouweigenaren. Zeker daar waar de veiligheid of gezondheid van gebruikers, huurders
en passanten in het geding is, is hier ook een belangrijke rol voor de gemeente als
bevoegd gezag weggelegd. Daarnaast introduceert de EPBD IV de komende jaren verschillende
nieuwe regels voor bestaande woningen en utiliteitsgebouwen. Aangezien dit een intensivering
van toezichtstaken met zich meebrengt voor gemeenten, wil ik de komende tijd samen
met de VNG en het IPO bezien hoe het toezicht op de bestaande bouw zo goed mogelijk
kan worden vormgegeven. Hiervoor is recent een gezamenlijk onderzoek gestart waarbij
gekeken wordt naar de financiële middelen, het wettelijke instrumentarium dat het
bevoegd gezag ter beschikking staat en de wijze waarop het toezicht door gemeenten
wordt ingevuld. Ik verwacht u begin volgend jaar over de resultaten van het onderzoek
te kunnen informeren.
Overige
Voor wat betreft de toezeggingen in het commissiedebat geagendeerde brief over de
opvolging van de aanbevelingen in de evaluatie van het CO-stelsel, kan ik u berichten
dat ik het Bbl zal aanpassen om de melding van de zogenaamde bijna-ongevallen te vereenvoudigen.
Situaties waarbij een concentratie koolmonoxide wordt gemeten van meer dan 20 ppm
en waarbij het probleem door de installateur is opgelost, hoeven dan niet meer bij
de gemeente te worden gemeld. Deze wijziging neem ik mee in de wijziging van het Bbl
in het kader van Stoer die ik hiervoor heb beschreven. Daarnaast zal ik de meldplicht
bijna-ongevallen uitbreiden met informatie over de (achterliggende) oorzaak van het
bijna-ongeval. Hiervoor zal de Omgevingsregeling worden aangepast. Verder kan ik u
in verband met het CO-stelsel melden dat eind 2025 een nieuw certificatieschema is
aangewezen. Dit schema van SKG-IKOB Certificatie B.V. is specifiek voor zzp-ers en
kleine bedrijven en is bedoeld om certificering voor deze bedrijven eenvoudiger en
goedkoper te maken. Ook is door de sector het verlengen van het Vakmanschap CO sinds
medio 2025 eenvoudiger gemaakt. Het gaat hier om een praktisch uitvoerbare en laagdrempelige
procedure met minder tijdsinvestering en kosten, maar met behoud van kwaliteit en
veiligheid.
Tot slot
Het grote aantal onderwerpen in deze brief laat zien dat er veel stappen zijn en worden
gezet om de bouwregelgeving te standaardiseren, te vereenvoudigen en te moderniseren.
Een stevige agenda. Al deze ontwikkelingen hebben effecten voor bouwers en ontwikkelaars,
die hier uiteindelijk rekening mee moeten houden in hun dagelijkse bouwplannen en
processen.
Tegelijkertijd klinkt vanuit diverse verschillende maatschappelijke stakeholders bijna
voortdurend de roep om nog meer regels en eisen of andere bevoegdhedenverdeling tussen
overheidslagen. Voor mij staat voorop dat de bouwregelgeving landelijk uitvoerbaar
moet zijn en ziet op het bouwkwaliteitsniveau dat overal ten minste moet worden gehaald.
Dat niveau stel ik vast als Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening,
nadat ik uw Kamer hierover heb gehoord. De bouwsector heeft meermaals aangegeven grote
behoefte te hebben aan deze duidelijkheid.
Graag ga ik op 4 juni bij het commissiedebat verder in gesprek met uw Kamer over de
bouwregelgeving.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
E. Boekholt-O'Sullivan
Ondertekenaars
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening