Brief regering : Analyses van additionele koopkrachtinstrumenten
32 043 Toekomst pensioenstelsel
Nr. 710
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 mei 2026
De Wet toekomst pensioenen (Wtp) is ingevoerd om het pensioenstelsel persoonlijker
en transparanter te maken en om het pensioen meer te laten aansluiten bij de veranderende
arbeidsmarkt. Ook moet de Wtp eerder perspectief bieden op een koopkrachtig pensioen.
Deze doelstellingen staan in onderlinge relatie met elkaar en kunnen niet los van
elkaar worden bezien. Dat betekent dat deze doelen elkaar kunnen versterken, maar
ook dat er afruilen kunnen zijn tussen deze doelen.
Tijdens de wetsbehandeling van de Wtp is aangegeven dat het nieuwe pensioenstelsel
eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen biedt ten opzichte van het oude pensioenstelsel.
Ten opzichte van het oude pensioenstelsel bieden de pensioencontracten van de Wtp
diverse nieuwe opties om het inflatiepatroon te volgen waar de pensioenfondsen gebruik
van kunnen maken Bijvoorbeeld door toedelingsregels, de inzet van de solidariteits-
of risicodelingsreserve, een vaste afslag van het projectierendement en het directe
beschermingsrendement met inflatiegerelateerde beleggingsproducten. Sociale partners
hebben de wettelijke ruimte om daarin samen met pensioenfondsbesturen en deelnemersvertegenwoordigingen
binnen het pensioenfonds verantwoorde keuzes te maken binnen hun pensioenregeling.
Ook bij gebruik van deze instrumenten geldt dat er altijd sprake is van een afruil,
bijvoorbeeld meer kans op verhoging van pensioen maar wel groter risico op verlaging
of verhoogde complexiteit.
In de Kamerbrief van 9 juli jl. is toegezegd dat een kwantitatieve analyse zal worden
gemaakt van de effecten van additionele koopkrachtinstrumenten1. De Nederlandsche Bank (DNB) heeft deze kwantitatieve analyse gemaakt. Hiermee is
een beter beeld verkregen van de mate waarin de pensioenuitkering de feitelijk gerealiseerde
inflatie kan volgen bij deze varianten en de mate van ex-ante herverdeling die deze
varianten tot gevolg kunnen hebben. Om inzicht te krijgen in zowel het risico als
het rendement is nagegaan wat de impact is op de mediane en pessimistische reële uitkering
en in hoeverre sprake is van vermogensaanpassingen achteraf als uitkomst van deze
varianten. Bij het bieden van additionele koopkracht aan gepensioneerden geldt dat
er nooit sprake is van een zogeheten «free lunch».
Dit betekent dat er kosten of risico’s tegenover kunnen staan zoals ex-ante herverdelingseffecten,
een lagere startuitkering of meer risico tijdens de opbouw- en/of uitkeringsfase.
Vooraf is gezamenlijk met Pensioenakkoordpartijen gesteld dat eventuele additionele
koopkrachtvarianten moeten voldoen aan de volgende randvoorwaarden:
1. De varianten moeten niet leiden tot een heropening van discussies tussen generaties.
2. Zij moeten geen financiële gevolgen hebben voor werkgevers en geen budgettaire gevolgen
voor de overheidsbegroting.
3. Het draagvlak van Pensioenakkoordpartijen mag niet wegvallen. Veranderingen van het
contract ten opzichte van het feitelijke contract dat sociale partners hebben afgesproken
in de transitie moet op draagvlak kunnen rekenen.
4. De varianten hebben een substantiële impact op de koopkracht van deelnemers. Er wordt
in kaart gebracht in welke mate de variant of de combinatie van varianten ervoor zorgt
dat de uitkering de feitelijke inflatie beter kan volgen ten opzichte van het wettelijk
beschikbare koopkrachtinstrumentarium.
5. De varianten dienen uitvoerbaar te zijn voor de pensioensector en mogen geen grote
uitvoeringskosten met zich meebrengen.
6. De varianten moeten logisch, intuïtief begrijpelijk en daarmee uitlegbaar zijn.
7. De varianten mogen niet leiden tot vertraging van de pensioentransitie.
Bij de kwantitatieve analyse zijn de experts die eerder betrokken waren bij het opstellen
van de varianten betrokken geweest als klankbordgroep. Als een variant tot stand is
gekomen via één van de experts, dan zijn het model en de aannames van deze variant
in overleg met deze experts vastgesteld.
Daarna is door het Ministerie van SZW, in afstemming met de sociale partners een eerste
kwalitatieve analyse verricht over de uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid van de vier
varianten. De analyse is inmiddels afgerond en de uitkomsten worden hieronder behandeld.
Resultaten analyse
Uit de analyse kunnen vier conclusies worden getrokken:
1. De nieuwe premieovereenkomsten uit de Wtp bieden middels de basisvariant reeds meer
perspectief op een koopkrachtig pensioen dan het oude stelsel, met name door de mogelijkheden
van de solidariteitsreserve.
2. De additionele instrumenten die voorgesteld zijn hebben elk hun voor- en nadelen en
er kan geen eenduidige voorkeur worden uitgesproken voor een specifieke variant. Ook
ten aanzien van de uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid van de diverse varianten, kan
niet worden geconcludeerd dat een van deze voorgestelde varianten evident beter is
dan een andere variant, of dat ze beter zijn dan het huidige instrumentarium onder
de Wtp.
3. Meer inflatiebescherming zonder extra premie-inleg kan alleen bereikt worden door
meer beleggingsrisico te nemen, een lagere startuitkering te ontvangen, spreiding
van vermogen door de tijd of meer ex-ante herverdeling met andere generaties binnen
het fonds ten opzichte van het huidig instrumentarium, waarbij grotere ex-ante herverdeling
met andere generaties het risico heeft van hernieuwde generatiediscussies.
4. De uitkomsten van de analyses voor de verschillende varianten zijn afhankelijk van
hun verdere invulling. Er zijn immers veel aanpassingen binnen de varianten mogelijk
die andere uitkomsten tot gevolg zullen hebben en/ of effecten kunnen mitigeren. Er
zal altijd een afruil zijn tussen het beter volgen van de feitelijke inflatie en meer
beleggingsrisico, een lagere startuitkering of meer herverdeling (met jezelf of met
anderen). Mogelijke aanpassingen binnen de varianten zullen altijd getoetst moeten
worden op hun uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid in de praktijk.
Uitvoeringspartijen in de pensioensector zijn het best gepositioneerd om de varianten
en diverse denkbare modaliteiten te toetsen op uitvoerbaarheid en uitlegbaarheid.
De uitvoeringspartijen zijn ook beter in staat om de praktische uitwerking van deze
varianten verder te onderzoeken. Daarmee ligt het voor de hand dat de pensioensector
hier het initiatief neemt. Onder coördinatie van de Pensioenfederatie zal hier verder
vorm aan gegeven worden binnen de eerdergenoemde randvoorwaarden. Om dit op een degelijke
manier te doen is ruime tijd nodig. Het ministerie zal de Kamer begin volgend jaar
hierover een stand van zaken geven. De uiteindelijke resultaten en aanbevelingen van
deze initiatieven zullen worden meegenomen in de evaluatie van de Wtp.
Inflatie inzichtelijk
Tenslotte is toegezegd om met betrokken partijen in gesprek te gaan over hoe pensioenuitvoerders
inzichtelijk kunnen maken aan sociale partners en deelnemers wat de kans is dat in
de pensioenregeling de pensioenuitkering naar verwachting de inflatie bijhoudt in
de uitkeringsfase. Bestuurders van pensioenfondsen moeten in staat zijn om aan hun
deelnemers uit te leggen wat de keuzes in de vormgeving en uitvoering van de pensioenregeling
betekenen voor de kans op verlaging van de uitkering en voor de mate waarin de regeling
naar verwachting de koopkracht kan bijhouden. Voor deelnemers kan het toegevoegde
waarde hebben als zij kennis kunnen nemen van de betekenis en onderbouwing van beslissingen
van het pensioenfondsbestuur over de pensioenregeling voor koopkracht en pensioenzekerheid.
Pensioengerechtigden krijgen al informatie over hun eigen pensioen in reële termen
over tien jaar. Zij zien hierbij hoe hoog het pensioenbedrag in reële termen naar
verwachting zal zijn over 10 jaar. Dat geeft deze groep een goede indicatie in hoeverre
de koopkracht wordt bijgehouden. In het licht van bovenstaande is het een open vraag
of, en zo ja, hoe deze informatie ook kan worden gegeven aan nog actieve deelnemers
zonder de indruk te wekken dat sprake is van een reële doelstelling. Een aandachtspunt
hierbij is dat het tonen van extra informatie, naast de bestaande informatie, kan
leiden tot een te grote hoeveelheid aan informatie en verwarring over bestaande communicatie.
Daarom zal de pensioensector in de komende periode onderzoeken en in de praktijk toetsen
hoe dergelijke communicatie het best kan worden vormgegeven. Naast informatie over
de bestuurlijke afweging rondom koopkracht en bijvoorbeeld beleggingsbeleid en risicohouding,
gaat het ook over welke informatie (en hoeveel) relevant is en te verwerken is voor
deelnemers.
Ik wil dit combineren met een bredere evaluatie van de informatievereisten over premieregelingen.
Uitkomsten hiervan zullen meegenomen worden in de Wtp-evaluatie. De Kamer zal hierover
in 2028 worden geïnformeerd.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.A. Vijlbrief
Indieners
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid