Brief regering : Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Japan betreffende de wederzijdse levering van goederen en diensten tussen de krijgsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden en de zelfverdedigingsmacht van Japan; ‘s-Gravenhage, 18 december 2025
36 946 Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van Japan betreffende de wederzijdse levering van goederen en diensten tussen de krijgsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden en de zelfverdedigingsmacht van Japan; ‘s-Gravenhage, 18 december 2025
A/ Nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op
12 mei 2026.
De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt
onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door ten minste vijftien leden
van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven
uiterlijk op 11 juni 2026.
Aan de Voorzitters van de Eerste en van Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 mei 2026
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, van
de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State gehoord, heb
ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 18 december
2025 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk
der Nederlanden en de regering van Japan betreffende de wederzijdse levering van goederen
en diensten tussen de krijgsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden en de zelfverdedigingsmacht
van Japan (Trb. 2026, nr. 4 en Trb. 2026, nr. 17).
Een toelichtende nota bij dit verdrag treft u eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt voor het Europese deel van Nederland gevraagd.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
TOELICHTENDE NOTA
A. ALGEMEEN
1. lnleiding
Op 18 december 2025 is te ’s-Gravenhage het Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk
der Nederlanden en de regering van Japan betreffende de wederzijdse levering van goederen
en diensten tussen de krijgsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden en de zelfverdedigingsmacht
van Japan (Trb. 2026, nr. 4) tot stand gekomen. Dit wederkerige Verdrag regelt de wederzijdse samenwerking tussen
de partijen op het gebied van logistieke levering van goederen en diensten door hun
krijgsmachten in het kader van militaire activiteiten, en wordt beschouwd als een
eerste stap op weg naar een juridisch raamwerk voor verdere samenwerkingsactiviteiten
met Japan in het militaire en in het veiligheidsdomein.
De bepalingen maken voor Nederland het sluiten van een verdrag niet noodzakelijk,
een niet-juridisch verbindende internationale afspraak behoorde ook tot de mogelijkheden.
Voor Japan is het verdrag echter wel noodzakelijk om verdere militaire samenwerking
met Nederland mogelijk te maken. Ook andere landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk,
Frankrijk, Duitsland en Italië, die de militaire samenwerking met Japan wensten uit
te breiden, hebben eerst een dergelijk verdrag met Japan gesloten om verdere militaire
samenwerking vorm te geven. Het afsluiten van het Verdrag volgens de Japanse wens
past daarbij nadrukkelijk in de defensie- en veiligheidsambities van Nederland met
Japan, en is een logische vervolgstap in de bilaterale samenwerking.
Het Verdrag verplicht de landen niet tot toekomstige samenwerking, maar biedt wel
de mogelijkheden daartoe. Het aangaan van het Verdrag betekent niet dat er bij voorbaat
toezeggingen worden gedaan over de aard en de invulling van (toekomstige) samenwerking
op logistiek gebied of over militaire samenwerking. Voor iedere concrete activiteit
zal er eerst nadere afstemming en besluitvorming plaatsvinden.
Hoewel in het Verdrag de regeringen als partijen worden genoemd, zal het Verdrag gelden
tussen de staten.
2. Een ieder verbindende bepalingen
Naar het oordeel van de regering bevat het Verdrag geen een ieder verbindende bepalingen
in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, die aan rechtssubjecten rechtstreeks
rechten toekennen of plichten opleggen. De bepalingen zijn duidelijk bestemd om alleen
de overheid te binden in haar betrekking tot Japan.
3. Koninkrijkspositie
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, zal het Verdrag alleen voor het Europese
deel van Nederland gelden. De toezeggingen zoals aangegaan in dit Verdrag, raken in
de uitvoering alleen de Nederlandse krijgsmacht. Het Verdrag kan voor de samenwerking
wel overal ter wereld worden ingeroepen zodat logistieke ondersteuning ongeacht de
locatie kan plaatsvinden.
B. Artikelsgewijze toelichting
De preambule en artikel 1 beschrijven het doel van het Verdrag. Artikel 1 gaat in
het eerste lid ook dieper in op gezamenlijk activiteiten die zouden kunnen plaatsvinden,
zoals trainingen en oefeningen, VN-operaties en operaties in het kader van grootschalige
(natuur)rampen. Er mogen unilaterale activiteiten plaatsvinden in de context van beschermingsmaatregelen
of evacuatie (vervoer) van burgers (eigen burgers of van andere landen) vanuit het
gastland, na instemming van het gastland. Daarnaast kunnen communicatie-, coördinatie-
en andere routineactiviteiten plaatsvinden, zoals bezoeken van schepen, bijeenkomsten
tussen de (onderdelen van de) strijdkrachten, maar ook deelname aan air shows, op
uitnodiging van de andere partij. Japan wenst in eerste instantie echter niet dat
er in de context van voorgaande activiteiten unilaterale oefeningen of trainingen
plaatsvinden op diens grondgebied; dit geldt ook voor andere landen, en alleen de
Verenigde Staten van Amerika is hiervan uitgezonderd o.g.v. bilaterale afspraken met
Japan. Het eerste lid van artikel 1 laat wel ruimte voor andere activiteiten, voor
zover dit niet in strijd is met nationale wet- en regelgeving. Het tweede lid van
artikel 1 stelt dat in de context van het leveren van goederen en diensten er uit
wordt gegaan van wederkerigheid. Het derde lid beschrijft dat de goederen en diensten
zullen worden geleverd door desbetreffende krijgsmachten van de partijen, hoewel hiervoor
in het eerste lid van artikel 2 wel de voorwaarden worden gesteld dat dit binnen de
bevoegdheden van de krijgsmachten zal blijven, – het is ultimo geen verplichting en
aan de krijgsmachten zelf om te bepalen of zij verzoeken kunnen inwilligen.
Vervolgens gaat artikel 2 in op de verschillende categorieën goederen en diensten,
die nader worden uitgewerkt in de Bijlage bij het Verdrag. Levering van goederen en
diensten zal gebeuren conform de nationale wet- en regelgeving van de partijen. De
levering van wapens wordt hiervan uitdrukkelijk uitgesloten. De Bijlage vormt een
integrerend onderdeel van het Verdrag en is uitvoerend van aard. Verdragen tot wijziging
van de Bijlage behoeven, ingevolge artikel 7, aanhef en onderdeel f, van de Rijkswet
goedkeuring en bekendmaking verdragen, geen parlementaire goedkeuring, tenzij de Staten-Generaal
zich thans het recht tot goedkeuring terzake voorbehouden.
De artikelen 3 en 4 beschrijven overige voorwaarden en procedures voor levering van
goederen en diensten en behoeven geen nadere toelichting.
In artikel 5 wordt verduidelijkt dat nadere uitvoeringsafspraken kunnen worden gemaakt
in een procedurele uitvoeringsafspraak. Dit is een niet-juridisch maar wel moreel
en politiek verbindende uitvoeringsafspraak die kan worden aangegaan door de relevante
autoriteiten van de partijen bij dit Verdrag, in dit geval door of namens de Ministers
van Defensie.
De artikelen 6 en 7 omvatten de slotbepalingen en gaan dieper in op geschillenbeslechting,
de inwerkingtreding, en de mogelijkheid tot wijziging en opzegging van het Verdrag.
De Minister van Defensie,
D. Yeşilgöz-Zegerius
De Minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
Ondertekenaars
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.