Brief regering : Maximumaantal kinderen per spermadonor volgens het CBO-advies
30 486 Evaluatie Embryowet
Nr. 42
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 mei 2026
Het kabinet wil met deze brief duidelijkheid geven over de status van het CBO-advies.
Helderheid hierover is in het bijzonder van belang voor de direct betrokkenen, zoals
donorkinderen, ouders en spermadonoren. Het CBO-advies werd in 1992 uitgebracht door
een daartoe geïnstalleerde commissie van de Medisch Wetenschappelijke Raad van het
Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing (CBO), in samenwerking
met de beroepsverenigingen voor obstetrie en gynaecologie (NVOG) en voor klinische
genetica (VKGN). In dit advies staat het maximumaantal van 25 kinderen per spermadonor
beschreven. Sinds de totstandkoming van het CBO-advies hebben het Ministerie van VWS,
de IGJ en andere partijen verschillende benamingen gegeven aan het CBO-advies. Het
werd beschreven als een norm, advies, richtlijn of professionele standaard.
In een brief aan de Kamer van 22 september 2025 schreef de toenmalig Staatssecretaris
van VWS over het CBO-advies: «Sinds 1 april 2025 is het aantal van 12 vrouwen per
donor wettelijk vastgelegd in de Wdkb. Maar voor die tijd werd gewerkt met een advies
van de beroepsvereniging. (...) Een advies is voor een kliniek, anders dan de wet,
echter niet bindend. Een zorgverlener kan er (gemotiveerd) voor kiezen om van een
advies of richtlijn af te wijken. (...).» In een voetnoot werd hieraan toegevoegd:
«Eerder werd gesproken over een beroepsrichtlijn. De IGJ heeft hier inmiddels nader
naar gekeken en stelt vast dat het een advies betrof vanuit de beroepsvereniging en
de Gezondheidsraad en dat er derhalve geen sprake was van een (beroeps)richtlijn.»1
Het kabinet betreurt dat door deze voetnoot mogelijk ten onrechte de indruk heeft
kunnen ontstaan dat het CBO-advies geen of een beperkte status had.
Zienswijze kabinet op het CBO-advies
Dat het CBO-advies in het verleden niet eenduidig is omschreven laat echter onverlet
dat het moet worden gezien als een gezaghebbend en breed gedragen document, opgesteld
door zorgprofessionals en wetenschappers. Het maximum van 25 kinderen per spermadonor
behoorde tot de gedragen vigerende beroepspraktijk. Dit is op 8 april jl. eens te
meer bevestigd in een nieuwsbericht van de NVOG, waarin staat dat het CBO-advies het
uitgangspunt vormde voor de zorg: «Het CBO-advies uit 1992 was in die periode het
enige landelijke document dat richting gaf aan de praktijk van kunstmatige inseminatie
met donorsperma.»2 Het CBO-advies was dus een gezaghebbend en breed gedragen document dat destijds binnen
de beroepsgroep richting gaf aan het handelen van zorgverleners; zij moesten zich
ertoe verhouden. De geschiedenis van donorconceptie kan en mag niet herschreven worden
door met terugwerkende kracht te suggereren dat het CBO-advies geen of een beperkte
status had en dat er daarom geen overschrijdingen van het maximumaantal kinderen per
spermadonor hebben plaatsgevonden. Nog steeds is het kabinet van mening dat in het
verleden onwenselijke overschrijdingen van het destijds geldende maximumaantal kinderen
per spermadonor hebben plaatsgevonden.
De rol van toezicht
De IGJ houdt toezicht op het aanbieden van goede zorg als bedoeld in de Wet kwaliteit,
klachten en geschillen zorg (Wkkgz). In die wet is vastgelegd wat de kenmerken zijn
van goede zorg. Aan het begrip goede zorg wordt in de praktijk vormgegeven, met inachtneming
van wet- en regelgeving en mede aan de hand van zorgvuldigheidsnormen en hetgeen in
de zorgverlening algemeen gebruikelijk is. Onder andere standaarden, adviezen en richtlijnen
uit het veld spelen bij de invulling van dit begrip een belangrijke rol. Ook in de
jaren negentig was er al wetgeving op dit terrein. Zo was met ingang van 1 april 1996
de Wet kwaliteit zorginstellingen van kracht die artsen voorschreef verantwoorde zorg
te leveren. Aan dit begrip verantwoorde zorg diende in de praktijk invulling te worden
gegeven. Het CBO-advies speelde hierbij, als gezaghebbend en breed gedragen document,
een belangrijke rol. De IGJ heeft het CBO-advies – ongeacht hoe het rapport is omschreven
– daarom gehanteerd als een door de beroepsgroep breed gedragen gangbare praktijk
als basis voor haar toezicht op kwalitatieve zorg.3 Wel moet worden erkend dat het CBO-advies niet volledig eenduidig was over het aantal
van 25 donorkinderen, omdat enige ruimte overbleef voor het afwijken van het maximumaantal
donorkinderen van 25. Bij afwijkingen van beroepsnormen gelden wel altijd voorwaarden
voor de arts. Hierbij valt te denken aan een goede en transparante onderbouwing van
de afwijking (het «pas toe of leg uit»-principe), en expliciete toestemming van de
patiënt – de donor en wensmoeder.
Tot slot
Het kabinet vertrouwt erop dat met de voorliggende Kamerbrief duidelijk is geworden
dat zowel het Ministerie van VWS als de IGJ het CBO-advies altijd hebben geïnterpreteerd
als gezaghebbende bron voor wat gezien moest worden als de gangbare en breed gedragen
beroepspraktijk.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
S.T.M. Hermans
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.