Brief regering : Verzamelbrief Sport en Bewegen april 2026
30 234 Toekomstig sportbeleid
Nr. 439
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 april 2026
Hierbij stuur ik uw Kamer een verzamelbrief over Sport en Bewegen toe waarin vijf
onderwerpen aan bod komen. U ontvangt de evaluatie van het Sportakkoord II en de voortgangsrapportage
van het Actieplan Nederland Beweegt 2025. Verder wordt u geïnformeerd over de aangepaste
toekenningsprocedure voor de subsidieregeling Stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties
(BOSA), de toezeggingen van mijn voorganger over middelen van gemeentes voor sportaccommodaties1 en de voortzetting van het programma Sportinnovator. Tot slot stuur ik u, mede namens
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), de beleidsreactie op het eindrapport
«Achter de Coulissen» van de Opvolgingscommissie Dansen.
Evaluatie Sportakkoord
Bijgaand treft u het rapport Evaluatie Sportakkoord. In opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft
Berenschot een evaluatie uitgevoerd van het Sportakkoord I en het Sportakkoord II.
Het doel van het evaluatieonderzoek was om te beoordelen in hoeverre de akkoorden
als instrument hebben geleid tot veranderingen in de totstandkoming en uitvoering
van sportbeleid op zowel landelijk als lokaal niveau. Daarbij hebben de onderzoekers
expliciet gekeken of deze veranderingen structureel en duurzaam zijn verankerd, met
bijzondere aandacht voor de samenwerking tussen partijen.
Berenschot concludeert dat het Sportakkoord op veel plaatsen heeft geleid tot versterking
van sportbeleid, samenwerking en verbinding met andere maatschappelijke domeinen.
De geïntegreerde aanpak en gekozen financieringsstructuur – met integratie van gelden
voor de Brede Regeling Combinatiefuncties (BRC) en het Gezond en Actief Leven Akkoord
(GALA) en het uitvoeringsbudget via de Brede SPUK – blijkt daarbij volgens de onderzoekers
een krachtige succesfactor. Deze bundeling van financiële stromen stimuleerde gemeenten
tot gezamenlijke doelstellingen, tot verbreding van sportinitiatieven en tot sterke
verbindingen buiten het sportdomein.
De onderzoekers stellen dat het te verwachten is dat de effecten van het Sportakkoord
mogelijk tijdelijk zijn en afhankelijk blijven van aanvullende middelen. Structurele
beleidsinbedding en duurzame financiering zijn volgens Berenschot daarom cruciaal
voor de borging van mechanismen die op gang zijn gebracht door de Sportakkoorden.
Topsport is door bestaande structuren en middelen beter geborgd, terwijl breedtesport
extra kwetsbaar blijft. De bestuurlijke afspraken rond de Brede Regeling Combinatiefunctionarissen
hebben de inzet van functionarissen verbreed naar meer verbindende rollen en werken
in een programmatische aanpak. De verbreding van de inzet naar meerdere doelgroepen,
zoals mensen met een handicap en kwetsbare groepen, is beperkt van de grond gekomen.
De reactie op de uitkomsten van deze evaluatie wordt meegenomen in een brief over
sport en bewegen die rond de zomer 2026 naar de Kamer zal worden gestuurd.
Voortgangsrapportage van het Actieplan Nederland beweegt 2025
In de bijlagen kunt u tevens de tweede voortgangsrapportage en de bijbehorende beleidssamenvatting
vinden van het Actieplan Nederland Beweegt. In deze rapportage beschrijft het RIVM
de voortgang op de drie actielijnen van het Actieplan Nederland Beweegt: 1) het vergroten
van de aandacht en bewustwording voor het belang van bewegen en een beweegvriendelijke
omgeving, 2) het creëren van meer maatschappelijk initiatief voor bewegen via de Beweegalliantie
en 3) het vergroten van de inzet op een lokale/regionale aanpak van bewegen.
De evaluatie laat zien dat het Actieplan Nederland Beweegt de afgelopen tweeënhalf
jaar een eerste impuls heeft gegeven aan het veranderen van het beweegsysteem. Zo
is er een groeiende aandacht voor het belang van bewegen en een beweegvriendelijke
leefomgeving. Verder laat de evaluatie zien dat het aantal partijen dat is aangesloten
bij de Beweegalliantie in 2025 verder groeide naar 585. Sinds november 2024 kwamen
er 143 organisaties bij. Door aansluiting bij de Beweegalliantie zijn nieuwe samenwerkingen
ontstaan tussen partijen uit verschillende domeinen en worden verbindingen gelegd
tussen verschillende werkvelden. De meeste partijen zetten zich ook actief in voor
het vergroten van bewustwording over bewegen en het agenderen van bewegen in beleid,
mede dankzij hun deelname aan de alliantie. Ook op lokaal beleidsniveau ziet het RIVM
dat gemeenten meer domeinoverstijgend samenwerken aan bewegen. Dit is onder meer dankzij
lopende initiatieven als het Sportakkoord II, de BRC, het GALA en het Programma Gezonde
Leefomgeving.
Het RIVM geeft echter aan dat er nog meer kan worden bereikt. Ze signaleren dat er
vanuit ministeries weinig (extra’s) is gedaan om bewegen te koppelen aan school en
werk, omgevingen waarin zitten vaak nog de norm is. Daarnaast is er de komende jaren
blijvende, maar vooral ook extra inzet nodig om het beweegsysteem verder en duurzaam
te veranderen. In de afgelopen jaren lag de focus vooral op relatief eenvoudige acties
met minder impact op het beweegsysteem, zoals het verbeteren van kennisdeling en samenwerking
binnen bestaande structuren. Voor impactvollere en duurzame verandering geeft het
RIVM aan dat het noodzakelijk is om ook de doelen, normen en overtuigingen in de maatschappij
te veranderen. De inzet van krachtigere beleidsinstrumenten, zoals wet- en regelgeving
en structurele financiering, kunnen bij uitstek hieraan bijdragen. De evaluatie laat
bovendien zien dat er nieuwe kansen zijn om bewegen (sterker) te koppelen aan andere
maatschappelijke opgaven, zoals maatschappelijke participatie, klimaatadaptatie, een
aantrekkelijke woon- of leefomgeving en mentale gezondheid. Het RIVM adviseert VWS
om samen met andere ministeries hierop in te zetten.
Het RIVM concludeert zodoende dat blijvende inzet en tijd nodig is om verdere systeemveranderingen
te bereiken en het beweeggedrag van mensen te verbeteren. Daarom adviseert het RIVM
de ingeslagen weg langer door te zetten, ook na de afronding van het Actieplan. De
reactie op de uitkomsten van deze evaluatie wordt meegenomen in de hiervoor genoemde
brief over sport en bewegen die rond de zomer 2026 naar de Kamer zal worden gestuurd.
Aangepaste toekenningsprocedure BOSA
Op 9 januari 2026 is uw Kamer geïnformeerd over de sluiting van het BOSA-loket.2 De instroom aan aanvragen was zo groot dat er na opening van het loket op 5 januari
2026 diezelfde ochtend al voor 155% van het subsidieplafond aan subsidie was aangevraagd.
Het loket opende om 9:00 en sloot dezelfde dag om 15:00 uur, toen er door circa 2400
aanvragers voor € 109 miljoen aan BOSA-subsidie was aangevraagd. Aanvragen tot BOSA-subsidie
die buiten het subsidieplafond vallen zullen moeten worden afgewezen. Het loket is
daarom gesloten voor 2026.
Zoals al aangegeven in de beantwoording van vragen van het lid van Dijk (CDA) over
de BOSA-subsidie 2026 raakte de server na de opening om 9:00 uur al snel overbelast
waardoor het tijdelijk niet mogelijk was om een subsidieaanvraag in te dienen. Rond
10:15 uur was deze storing verholpen en was het weer mogelijk om een subsidieaanvraag
in te dienen.3
Door opeenvolging van omstandigheden hebben aanvragers niet allemaal een eerlijke
en gelijke kans gehad tot het indienen van hun aanvraag. Niet iedereen was namelijk
op hetzelfde moment op de hoogte dat de storing was verholpen en dat zij weer een
aanvraag kon worden ingediend. Ook waren aanvragers die een vooraf ingevulde aanvraag
hadden ingediend tijdens de storing deze aanvraag kwijt en moesten ze de gegevens
opnieuw invullen. Daarnaast zijn er ook aanvragen buiten het loket per mail ingezonden
tijdens de storing.
Bij de verdeelwijze van het beschikbare budget op volgorde van binnenkomst is een
gelijk speelveld voor het tijdig indienen van de aanvraag van groot belang. Vanwege
een storing van het aanvraagportaal voor de BOSA-subsidie is een ongelijke situatie
ontstaan tussen de aanvragers. Daarom is besloten de verdeelwijze van het beschikbare
budget van de BOSA aan te passen naar rangschikking van de aanvragen op basis van
loting. Hiervoor zal de BOSA in mei met terugwerkende kracht gewijzigd worden.
Zodra de wijzigingsregeling gepubliceerd is zal DUS-I binnen 2 weken de loting laten
uitvoeren door een notaris, waarna de nieuwe rangschikking wordt gepubliceerd. Met
deze rangschikking worden de aanvragers op de hoogte gesteld van hun nieuwe positie.
Na rangschikking op basis van loting worden aanvragen eerst op compleetheid getoetst.
Zoals gebruikelijk bij de BOSA gaan complete aanvragen voor op aanvragen die incompleet
zijn.
Omdat besluitvorming pas kan plaatsvinden na het moment dat loting heeft plaatsgevonden,
wordt de beslistermijn verschoven tot na het moment van de loting.4 Het is voor te stellen dat dit voor sommige aanvragers een teleurstelling is. Op
dit moment is een loting echter de eerlijkste manier om het beschikbare budget te
verdelen.
Toezegging over middelen van gemeentes voor sportaccommodaties
Tijdens het Wetgevingsoverleg (WGO) van 9 februari 20265 stelde het Kamerlid Kisteman (VVD) dat gemeenten door de financiële verhoudingswet
beperkt worden in het uitgeven van middelen voor sportaccommodaties. Op basis van
gesprekken met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en de Vereniging Sport en Gemeenten
kan geconcludeerd worden dat het geschetste probleem niet wordt herkend.
Gemeenten bekostigen investeringen voor sportaccommodaties voornamelijk uit de algemene
uitkering die gemeenten van het Rijk ontvangen. Deze mogen zij naar eigen inzicht
besteden aan publieke taken zoals sport. Ook eigen inkomsten worden ingezet voor de
exploitatie en investeringen in maatschappelijk vastgoed. Tot slot ontvangen gemeenten
een bijdrage van het Rijk via de SPUK Stimulering Sport. Deze regeling voorziet onder
meer in een tegemoetkoming voor de btw-kosten op investeringen en exploitatie van
sportaccommodaties en ondersteunt daarmee gemeenten bij het betaalbaar houden van
sportvoorzieningen.
Gemeenten kunnen op verschillende wijze uitgaven aan sportaccommodaties doen, zoals
investeringen via een dekkingsreserve, onderhoud via een voorziening en aan een sportvereniging
via een subsidie. Vanuit regelgeving en toezicht zijn er geen beperkingen voor gemeenten
om te investeren in sportaccommodaties. Hiermee is de toezegging om dit vraagstuk
nader uit te zoeken afgedaan.
Toezegging over voortzetting van het programma Sportinnovator
Sportinnovator is sinds 2015 een innovatieprogramma van VWS voor sport en bewegen.
Het programma en het uitvoerend team Sportinnovator zijn ondergebracht bij ZonMw.
Beiden worden aangestuurd door het Topteam Sportinnovator. De huidige programmaperiode
heeft een looptijd van 2023 tot en met 2026.
Eind 2024 heeft mijn ambtsvoorganger de Tweede Kamer geïnformeerd dat, als onderdeel
van de Rijksbrede taakstelling op subsidies, de komende jaren richting 2029 een bedrag
oplopend tot 75 procent op het budget van innovaties in de sport wordt bespaard.6
In het najaar van 2025 is Sportinnovator geëvalueerd door KPMG. Via de beleidsreactie
op deze evaluatie heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd de Tweede Kamer naar verwachting
in het eerste kwartaal van 2026 te informeren over het besluit tot eventuele voorzetting
van het programma.7
Ik ben voornemens het programma Sportinnovator en de inzet vanuit het Topteam in afgeslankte
vorm voort te zetten in 2027. In de afgelopen 10 jaar heeft Sportinnovator een groot
netwerk en naam als aanjager van innovaties op weten te bouwen in de sector. Sportinnovator
kan dit netwerk en haar positie in de nieuwe programmaperiode aanwenden om barrières
voor bestaande innovaties gericht op maatschappelijke uitdagingen te doorbreken.
Gelet op het verminderde beschikbare budget zal ik een nieuwe focus meegeven in de
opdracht aan het Topteam. De focus van het programma wordt inhoudelijk gekoppeld aan
de zogeheten wicked problems van het programma Missiegedreven Ontwikkeling van Onderzoek en Innovatie sport en
bewegen (MOOI in Beweging). Doordat Sportinnovator zich, naast het programma van MOOI
in Beweging, ook richt op de wicked problems, valt meer effectieve bundeling van de inzet van beide programma’s te verwachten.
Daarbij zal de nadruk in de werkwijze van Sportinnovator komen te liggen op de implementatie
en (zo mogelijk) opschaling van innovaties.
Ik beschouw de toezegging de Tweede Kamer te informeren over het besluit tot eventuele
voortzetting van het programma Sportinnovator hiermee als afgedaan.
Beleidsreactie het eindrapport «Achter de Coulissen»
Op 6 februari 2026 heeft u van mijn voorganger het eindrapport «Achter de Coulissen»
van de Opvolgingscommissie Dansen ontvangen.8 Dit rapport bevat de opbrengst van de werkzaamheden van de Opvolgingscommissie Dansen,
die heeft beoordeeld of en hoe de aanbevelingen uit het onderzoeksrapport Schaduwdansen9 uit 2023 zijn opgevolgd. De beleidsreactie die bij de aanbieding van dit rapport
is toegezegd volgt hieronder. Deze reactie is mede namens de Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap (OCW) opgesteld. Het uiteindelijke doel is een florerende danssector,
waar iedereen zich sociaal veilig voelt. De ministeries hebben de Opvolgingscommissie
Dansen en de Ethische Commissie Dansen ingesteld en financieren de Alliantie Dans
Veilig om de danssector te ondersteunen bij het verbeteren van de sociale veiligheid.
In deze beleidsreactie zal worden ingegaan op de voorbereidende activiteiten van de
Opvolgingscommissie Dansen, hun werkwijze en zal worden afgesloten met een reactie
op het eindrapport.
Voordat ik dat doe, wil ik de leden van de Opvolgingscommissie Dansen van harte danken.
Het rapport is het resultaat van een zorgvuldig proces dat de Opvolgingscommissie
Dansen heeft doorlopen. Ook is de boodschap helder en biedt het aanknopingspunten
om mee verder te gaan. Ik stel de bijdrage die de Opvolgingscommissie Dansen daarmee
heeft geleverd aan het verbeteren van de sociale veiligheid in de danssector bijzonder
op prijs.
Voorbereidende activiteiten
De Opvolgingscommissie Dansen is ingesteld voor een periode van twee jaar10, te weten 2024 en 2025. Gezien de gevoeligheid van de problematiek was het nodig
om een proces in te richten waarbij duidelijk zou worden of de mensen die deelnamen
aan de Opvolgingscommissie Dansen ethisch verantwoord en op een onafhankelijke manier
hun werk konden doen. Deze beoordeling is gedaan door de Ethische Commissie Dansen11, die gelijktijdig met de Opvolgingscommissie Dansen is ingesteld. Dat proces heeft
de Ethische Commissie Dansen zeer zorgvuldig aangepakt. In verband met de uitwisseling
van persoonsgegevens van de beoogde deelnemers van de Opvolgingscommissie Dansen is
er een Data Protection Impact Assessment (DPIA) uitgevoerd. Dit proces heeft een aanzienlijke
periode in beslag genomen. De werkzaamheden van de Opvolgingscommissie Dansen voor
de beoordeling van de opvolging van de aanbevelingen is in mei 2025 gestart. De Opvolgingscommissie
Dansen heeft tot en met de start de tijd gebruikt voor voorbereidend werk en om haar
werkwijze gedegen in te richten.
De gekozen werkwijze
De Opvolgingscommissie Dansen heeft ervoor gekozen om te werken volgens een «audit-methode».
De Opvolgingscommissie Dansen zegt hierover in het eindrapport dat die methode «passend
is voor het monitoren van planvorming, en die leidt tot een gedegen beoordeling op
aspecten zoals implementatie en borging van maatregelen voor de toekomst.»
Er kan geconstateerd worden dat deze methode effectief is geweest voor diverse aanbevelingen
waar de Alliantie Dans Veilig aan heeft gewerkt. De Alliantie Dans Veilig heeft met
de audit-methode via de indieningsformulieren van de Opvolgingscommissie Dansen kunnen
reflecteren op een aantal acties die de Alliantie Dans Veilig heeft ingezet. Ook heeft
de Alliantie Dans Veilig in dit proces inzichten opgedaan die zij kan gebruiken bij
de activiteiten die betrekking hebben op de andere aanbevelingen. Een voorbeeld hiervan
is de uitwerking van de aanbeveling die vraagt om aandacht voor slachtoffers en erkenning
van het leed. Dit heeft de Alliantie Dans Veilig opgepakt met het verspreiden van
een videoboodschap, die is uitgedragen door de partners van de Alliantie Dans Veilig.
De door de Opvolgingscommissie Dansen gekozen werkwijze past echter minder goed bij
de maatregelen met een meer algemeen beleidsmatig karakter. De ministeries hebben
dan ook op een andere manier gerapporteerd aan de Opvolgingscommissie Dansen; deze
rapportage is opgenomen in bijlage 12 van het eindrapport. Hierin lichten de ministeries
toe hoe zij vanuit het bredere cultuur-, onderwijs- en sportbeleid opvolging hebben
gegeven aan zestien van de aanbevelingen uit het rapport Schaduwdansen.
Reactie op het eindrapport van de Opvolgingscommissie Dansen
De Alliantie Dans Veilig heeft voor vijf aanbevelingen in totaal zes indieningsformulieren
ingevuld. De Opvolgingscommissie Dansen heeft deze indieningsformulieren beoordeeld
en vastgesteld «dat de ingediende maatregelen een hoge bijdrage leveren aan de vijf
gekoppelde aanbevelingen».
Daarnaast merkt de Opvolgingscommissie Dansen op dat de Alliantie Dans Veilig als
gevolg van de werkwijze van de Opvolgingscommissie Dansen een ontwikkeling heeft doorgemaakt
in haar interne werkproces, wat volgens de Opvolgingscommissie Dansen bijdraagt aan
het succesvol implementeren van de aanbevelingen. De Alliantie Dans Veilig geeft aan
ook een meerwaarde te hebben ervaren in de samenwerking.
Voor wat betreft de inzet van de ministeries concludeert de Opvolgingscommissie Dansen
dat zij een rapportage hebben ingediend die afwijkt van hun werkwijze. De Opvolgingscommissie
Dansen vindt dat de ministeries onvoldoende maatregelen hebben ingediend die bovendien
te oppervlakkig zijn toegelicht, waarbij voornamelijk is verwezen naar reeds bestaand
beleid. Daardoor kon de Opvolgingscommissie Dansen niet voldoen aan haar taak om te
oordelen en te adviseren over de opvolging van de aanbevelingen door de ministeries
uit het rapport Schaduwdansen en of er voldoende transparantie is over het proces.
De maatregelen die de ministeries in de rapportage beschrijven zijn grotendeels tot
stand gekomen in een bredere context van de drie betrokken sectoren – te weten de
cultuur- (podiumkunsten), onderwijs- (dansopleidingen) en sportsector (wedstrijden
en competities) – waar de danssector een onderdeel van is. De audit-methode die uitgaat
van planvorming, uitvoering en implementatie en borging van elk van de voorgestelde
maatregelen is voor dergelijke maatregelen minder geschikt. De methode gaat namelijk
uit van een directe link met de aanbevelingen uit het rapport Schaduwdansen. Daarmee
is er geen ruimte voor de vele reeds lopende maatregelen en initiatieven, die wel
voor veel van de aanbevelingen relevant zijn. Na het zorgvuldig bestuderen van de
werkwijze van de Opvolgingscommissie Dansen, hebben de ministeries daarom gekozen
voor een andere insteek. Deze insteek doet in hun ogen meer recht aan het geven van
inzicht over de doorwerking en opvolging van de aanbevelingen. De keuze om geen gebruik
te maken van de indieningsformulieren hebben de ministeries zowel in hun rapportage
als in een gesprek met de Opvolgingscommissie Dansen toegelicht.
Wel hebben de ministeries naar aanleiding van het rapport Schaduwdansen de Alliantie
Dans Veilig gefinancierd en de Opvolgingscommissie Dansen en de Ethische Commissie
Dansen ingesteld. Dit waren géén expliciete aanbevelingen uit het rapport Schaduwdansen.
Ook deze maatregelen staan beschreven in de rapportage van de ministeries aan de Opvolgingscommissie
Dansen.
Conclusie en vervolg
De Opvolgingscommissie Dansen geeft aan dat in ieder geval voor 28 van de 33 aanbevelingen
nog (aanvullende) maatregelen zullen moeten worden ontplooid om een volledige opvolging
van de aanbevelingen te kunnen realiseren. De Opvolgingscommissie Dansen gaat daarmee
voorbij aan de rapportage van de ministeries, waarin is beschreven wat zij voor zestien
aanbevelingen ondernemen.
Het feit dat deze rapportage niet is meegenomen in de beoordeling door de Opvolgingscommissie
Dansen betekent niet dat er geen relevante maatregelen zijn genomen door de ministeries.
Daar komt bij dat de ministeries nu én in de toekomst aandacht blijven besteden aan
het thema veiligheid en integriteit, onder andere door de beoogde oprichting van Integere
Sport Nederland, het onafhankelijk integriteitscentrum voor de sport, en de financiering
van steun- en adviespunt Mores voor de culturele, creatieve en mediasector. De overige
aanbevelingen zijn gericht aan de sector; de Alliantie Dans Veilig speelt daarin een
belangrijke rol. De rapportage van de Alliantie Dans Veilig aan de Opvolgingscommissie
Dansen beschrijft niet alle activiteiten die zij uitvoeren voor de opvolging van de
aanbevelingen.
Ik kan de conclusie van de Opvolgingscommissie Dansen volgen op basis van haar vastgestelde
werkwijze. Tegelijkertijd hebben de ministeries in hun rapportage en tijdens de gesprekken
met Opvolgingscommissie Dansen toegelicht hoe het huidige beleid zich verhoudt tot
de aanbevelingen uit Schaduwdansen. De constatering van de Opvolgingscommissie Dansen
dat slechts 5 van de 33 aanbevelingen zijn opgevolgd wordt niet als zodanig herkend.
Wat betreft het verzoek van de Opvolgingscommissie Dansen om de instellingsduur te
verlengen geldt dat deze vooraf is vastgesteld op twee jaar. Er is in die periode
door de Alliantie Dans Veilig veel werk verzet om de danssector veilig te maken. Dat
werk is nog niet voltooid. Vanwege het belang van het werk van de Alliantie Dans Veilig
is bij Voorjaarsnota 2026 besloten om de subsidie met de inzet van financiële middelen
tot en met 31 december 2026 te verlengen. Zo kan de Alliantie Dans Veilig haar activiteiten
afronden, borgen en overdragen aan de danssector. Ook kan de Alliantie Dans Veilig
gedurende 2026 blijven werken aan de verdere opvolging van de resterende aanbevelingen
waartoe de Opvolgingscommissie Dansen de sector in het eindrapport aanmoedigt.
Ik vertrouw erop dat de Alliantie Dans Veilig de lessen die zijn geleerd in het komende
jaar meeneemt. Wanneer de financiering van de Alliantie Dans Veilig afloopt, zullen
de reguliere organisaties die zich inzetten voor sociale veiligheid, zoals Mores,
brancheorganisaties en het op te richten Integere Sport Nederland, dansers en dansorganisaties
blijven ondersteunen. De Minister van OCW en ik blijven ons inzetten op het versterken
van sociale veiligheid op onze respectievelijke terreinen, zodat iedereen veilig en
met plezier kan dansen.
Afsluiting
Met deze brief bent u geïnformeerd over de laatste ontwikkelingen en inzet op het
terrein van sport en bewegen. Rond de zomer van 2026 zal u verder geïnformeerd worden
over de relevante ontwikkelingen op dit terrein.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Indieners
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport