Brief regering : Fiche: Verordening Industrial Accelerator Act
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4306
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 april 2026
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij 5 fiches die werden opgesteld
door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).
Fiche – Verordening Industrial Accelerator Act.
Fiche – Mededeling Europese Industriële Maritieme Strategie (EIMS) (Kamerstuk 22 112, nr. 4307).
Fiche – Mededeling Terrorismebestrijdingsagenda EU (Kamerstuk 22 112, nr. 4308).
Fiche – Richtlijn vuurwapensmokkel (Kamerstuk 22 112, nr. 4309).
Fiche – Roaming Westelijke Balkan (Kamerstuk 22 112, nr. 4310).
De Minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
Fiche: Verordening Industrial Accelerator Act
1. Algemene gegevens
a. Titel voorstel
Voorstel gepubliceerd voor een verordening tot vaststelling van een kader van maatregelen
om de industriële capaciteit en verduurzaming in strategische sectoren te versnellen
en tot wijziging van verordeningen (EU) 2018/1724, 2024/1735 en 2024/3110
b. Datum ontvangst Commissiedocument
4 maart 2026
c. Nr. Commissiedocument
COM(2026) 100
d. EUR-Lex
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=COM%3A2026%3A100%3A…
e. Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing
SWD(2026) 71
f. Behandelingstraject Raad
Raad voor Concurrentievermogen
g. Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
h. Rechtsbasis
Artikel 114 VWEU
Artikel 207 VWEU
2. Essentie voorstel
a) Inhoud voorstel
Op 4 maart 2026 heeft de Europese Commissie (hierna: de Commissie) een voorstel gepubliceerd
voor een verordening tot vaststelling van een kader van maatregelen om de industriële
capaciteit en verduurzaming1 in strategische sectoren te versnellen en tot wijziging van verordeningen (EU) 2018/1724,
2024/1735 en 2024/3110 (hierna: de Industrial Accelerator Act, IAA). Met de IAA wil de Commissie de economische veiligheid, strategische autonomie
en concurrentiekracht van de EU versterken door de industriële capaciteit en verduurzaming
in strategische sectoren te versnellen en de werking van de interne markt te verbeteren.
Ook is het voorstel gericht op duurzame welvaart, industriële veiligheid en veerkracht
met inbegrip van voorzienings- en leveringszekerheid, en economische veiligheid. De
Commissie acht dit noodzakelijk gezien de toenemende geopolitieke spanningen, (toenemende)
oneerlijke mondiale concurrentiedruk en risico’s rond strategische afhankelijkheden
van derde landen. Het voorstel vormt, onder andere, een uitwerking van de Clean Industrial Deal,2 de Europese economische veiligheidsstrategie van 20233 en de in 2025 gepubliceerde Mededeling versterking van de Economische Veiligheid.4 De IAA is afgebakend tot sectoren in de energie-intensieve industrie, de auto-industrie
en netto-nultechnologieën, waaronder ook batterijtechnologie en bio-economie (zoals
beschreven in de Net-Zero Industry Act, hierna: NZIA). De Commissie wil met de IAA kwetsbaarheden in waardeketens van strategische
sectoren en technologieën aanpakken, afzetmarkten van strategische markten stimuleren,
de vraag naar Europese koolstofarme producten stimuleren en opschaling van nieuwe,
groene technologieën bevorderen.
In de IAA worden maatregelen aangekondigd die in verschillende (thematische) hoofdstukken
zijn ingedeeld. In het eerste hoofdstuk worden de doelen van de IAA uiteengezet. De
IAA introduceert als overkoepelende doelstelling dat het aandeel van de maakindustrie
in het Europees Bruto Binnenlands Product (hierna: BBP) in 2035 20% moet bedragen.
Dit wil de Commissie bereiken door het versterken van de industriële capaciteit in
strategische sectoren en het versnellen van de verduurzaming van de Europese industrie.
In het tweede hoofdstuk worden maatregelen aangekondigd die vergunningverlening voor
industriële projecten in de EU moet harmoniseren, versnellen en vereenvoudigen. Lidstaten
moeten hiervoor één nationaal loket en een nationaal geïntegreerde vergunningsprocedure
instellen. Daarnaast moeten lidstaten een bevoegd gezag aanstellen om de geïntegreerde
vergunningaanvraag te coördineren. Het bevoegd gezag mag slechts in twee, op elkaar
aansluitende verzoeken aanvullende informatie opvragen over de (geïntegreerde) vergunningsaanvraag.
De eisen aan het stroomlijnen van procedures uit hoofdstuk twee van de NZIA, waaronder
toegang tot het centrale contactpunt, worden uitgebreid naar alle verduurzamingsprojecten
in de energie-intensieve industrieën. Daarnaast moeten energie-intensieve verduurzamingsprojecten
in het kader van versnelling van milieubeoordelingen worden aangemerkt als strategisch
project, om milieueffectrapportages te versnellen.5
Het derde hoofdstuk introduceert EU-oorsprongseisen om de vraag naar EU-geproduceerde
producten te stimuleren met koolstofarme productnormen in aanbestedingen, subsidies
en andere marktinterventies, zoals veilingen. Specifiek gelden de EU-oorsprongseisen
voor aluminium, cement, bepaalde elektrische voertuigen en een aantal netto-nultechnologieën
uit de NZIA (o.a. onderdelen van batterijtechnologie, zonne-pv-technologie, warmtepompen,
elektrolysers en kerncentrales). De NZIA en daarbij geldende kwalitatieve eisen voor
duurzaamheid en weerbaarheid worden uitgebreid met de EU-oorsprongseisen uit de IAA.
Daarnaast worden in de NZIA vastgelegde kwalificatie-eisen voor weerbaarheid aangescherpt.
De koolstofarme productnormen bepalen welk percentage van het product geproduceerd
moet zijn met lage broeikasgasemissies, zoals voor staal (25%), cement/specie/mortel
(5%) en aluminium (25%). Voor cement en aluminium gelden zowel EU-oorsprongseisen
als koolstofarme productnormen. Tot slot kan de Commissie ter bevordering van vraagcreatie
vrijwillige CO2-labels introduceren voor nader te bepalen producten.
Het vierde hoofdstuk bevat nieuwe voorstellen voor een mechanisme ten aanzien van
toetsing van inkomende buitenlandse directe investeringen (foreign direct investment, «FDI») in productiecapaciteit in een aantal strategische sectoren, namelijk batterijtechnologieën
en batterij-energie-opslagsystemen, elektrische voertuigen, zonne-pv-technologieën
en kritieke grondstoffen (winning, verwerking, recycling daarvan). De Commissie stelt
voor grote investeringen (boven € 100 miljoen) van buiten de EU in dergelijke sectoren
te toetsen op een zestal criteria, waaronder toegevoegde waarde voor de Europese economie
en de structuur van de transactie. Het gaat hierbij om investeringen waarbij de investeerder
afkomstig is uit een derde land waarmee de EU geen handelsovereenkomst of een economisch
partnerschap heeft gesloten én dat meer dan 40% van de wereldwijde productiecapaciteit
bezit in de betreffende sector. De toetsing en monitoringsvoorwaarde gebeurt door
de, daartoe speciaal aan te wijzen, bevoegde toetsingsautoriteit van de betreffende
lidstaat.
Hoofdstuk vijf kondigt zogenaamde Industrial Manufacturing Acceleration Areas (hierna: versnellingsgebieden) aan: geografische clusters met een grote concentratie
strategische sectoren waarbinnen de industriële transitie versneld kan worden. Elke
lidstaat is verplicht minimaal één geografisch gebied/industriecluster aan te wijzen.
Voor deze gebieden wordt vooraf een basisvergunning voor industriële activiteiten
afgegeven. Bij aanwijzing van het gebied dient rekening te worden gehouden met verschillende
aspecten, zoals de impact op het milieu, de energiebehoefte en potentiële bijdrage
aan productiecapaciteit en weerbaarheid van strategische sectoren. Lidstaten dienen
in deze clusters gerichte versnellingsmaatregelen te nemen ten behoeve van de transitie
en de weerbaarheid van het cluster, zoals het verbeteren van toegang tot financiering
en stimuleren van onderzoek en innovatie.
b) Impact assessment
De Commissie heeft een grondig en uitgebreid impact assessment uitgevoerd waarin meerdere
beleidsopties zijn getoetst die verschillen in de mate van marktinterventie en verplichtingen
voor bedrijven en lidstaten. De opties zijn beoordeeld op effectiviteit, efficiëntie,
proportionaliteit, coherentie en subsidiariteit. De Commissie concludeert dat het
uiteindelijke pakket maatregelen in de IAA een gebalanceerde aanpak vormt om de industriële
transitie te versnellen en waarbij tegelijkertijd de kosten voor bedrijven en lidstaten
beheersbaar blijven. De Commissie beargumenteert dat alternatieve beleidsopties zouden
leiden tot hogere (maatschappelijke) kosten, tot mogelijk grotere repercussies van
derde landen of moeilijkere implementatieprocedures. Aan de andere kant zouden meer
vrijblijvende maatregelen onvoldoende effect hebben en kunnen leiden tot fragmentatie
tussen lidstaten en een te trage versnelling van de industriële transitie. Verder
licht het impact assessment toe hoe de percentages voor de koolstofarme eisen tot
stand zijn gekomenen besteedt het aandacht aan de effecten van afzonderlijke maatregelen.
Deze analyse is beperkt en kent een hoog aggregatieniveau. De gepresenteerde cijfers
zijn EU-breed en niet systematisch uitgesplitst naar type bedrijf of maatregel. Dit
vergt daarom nog extra uitwerking op lidstaat- en sectoraal niveau. Daarnaast zitten
er nog veel hiaten in het impact assessment. Zo wordt niet duidelijk welke data precies
ten grondslag liggen aan de beleidsvorming, is de totstandkoming van kosten en baten
onduidelijk en wordt onvoldoende getoetst of onderbouwd hoe de maatregelen van invloed
zijn op bedrijven (ook downstream) en kosten van producten en technologieën. Er ontbreekt
een uitgebreidere toelichting hoe «koolstofarm» gedefinieerd moet worden.
Verder toetst het impact assessment het voorstel niet aan het WTO-recht en wordt niet
gekeken naar de impact van de voorgestelde maatregel op ontwikkelingslanden. Ook laat
het impact assessment buiten beschouwing hoe de overkoepelende doelstelling van een
20% BBP-bijdrage van de industrie in 2035 tot stand is gekomen. Een belangrijk doel
van de IAA is het reduceren van CO2-emissies en het stimuleren van de verduurzaming van de industrie. In het impact assessment
wordt ook een inschatting gemaakt van de hoeveelheid megaton (hierna: Mt) CO2 die wordt gereduceerd met de maatregelen. In totaal wordt met de maatregelen die
inzetten op koolstofarme productnormen in de verschillende sectoren (staal, cement
en aluminium) een jaarlijkse reductie van 31 Mt CO2 vanaf 2030 bereikt.
3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein
Het kabinet hecht waarde aan een sterke, schone en concurrerende industrie in Nederland
en de EU, die bijdraagt aan het verdienvermogen, economische veiligheid,6 weerbaarheid en het oplossen van de maatschappelijke uitdagingen zoals klimaatdoelen
en een gezonde leefomgeving7. Nederland zet daarom, op nationaal en Europees niveau, via industrie-, innovatie-
en klimaatbeleid in op het verduurzamen, digitaliseren en versterken van strategische
industriële waardeketens en het duurzame verdienvermogen van de economie, waarbij
maatregelen gericht, proportioneel en WTO-conform moeten zijn Nederland zet zich op
Europees niveau in voor een strategischer industriebeleid dat de concurrentiekracht
en weerbaarheid van Europese productie en waardeketens versterkt. Het kabinet acht
het noodzakelijk dat, ook op Europees niveau, stappen worden gezet om de industrie
te versterken, mede in het licht van toenemende (oneerlijke) mondiale concurrentie.
Daarbij is het van belang dat gebruik wordt gemaakt van het volledige beschikbare
instrumentarium dat de EU hiervoor heeft ingericht (handel, investeringen, industriebeleid,
financiering en regelgeving).
Daarnaast onderschrijft het kabinet het belang van het versterken van de economische
veiligheid en weerbaarheid en het gericht verminderen van risicovolle strategische
afhankelijkheden.
Het kabinet zet zich verder in voor industriebeleid dat zich richt op strategische
markten waarbinnen Nederland een sterke positie heeft of kan opbouwen, die vanuit
weerbaarheidsperspectief noodzakelijk zijn.8 Het gaat hierbij ook om schone marktcreatie. Daarbij ligt de nadruk op het versterken
van randvoorwaarden voor schone productie en het stimuleren van de vraagzijde. Hiertoe
dienen instrumenten te worden ontwikkeld waarmee bedrijven ruimte krijgen om te innoveren,
op te schalen en lange termijnperspectief hebben, terwijl ook schone technologieën
worden toegepast. In de Kamerbrief toekomstperspectief voor de energie-intensieve
industrie (EII)9 heeft het kabinet verder uiteengezet hoe dee inzet rond schone marktcreatie wordt
vormgegeven en hoe deze bijdragen aan het behalen van de klimaatdoelen. De klimaatdoelen
en het EU Emission Trading
System (ETS) bieden de EII lange termijn zekerheid. De transitie vereist betere randvoorwaarden
voor verduurzaming voldoende infrastructuur, betaalbare en schone energie, circulair
grondstoffengebruik, efficiënte vergunningverlening en een goed functionerende interne
markt. Daarnaast dient zowel de vraag naar als de productie van schone producten te
worden gestimuleerd.10
Het kabinet voert via de interdepartementale Taskforce Strategische Afhankelijkheden
(TFSA)11 een actieve aanpak gericht op het identificeren van risicovolle strategische afhankelijkheden12 uit en verkent beleidsopties, zoals diversificatie van aanvoerketens, versterking
van het Europese en nationale verdienvermogen en samenwerking met betrouwbare partners,
in lijn met de Nederlandse inzet op open strategische autonomie.13 Daarnaast zet het kabinet via de Nationale Grondstoffenstrategie14 in op het vergroten van de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen en het mitigeren
en verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden. De circulaire economie
draagt hieraan bij door hergebruik en recycling van materialen te stimuleren en zo
weerbare waardeketens te versterken via het Nationaal Programma Circulaire Economie.15 Ook digitalisering draagt hieraan bij, bijvoorbeeld door het efficiënter maken van
productieprocessen of het faciliteren van datastromen die de circulaire economie mogelijk
maken.
Ten aanzien van een Europees voorkeursprincipe – in dit voorstel gereflecteerd in
Europese oorsprongseisen t.a.v. publieke aanbestedingen en subsidies – is het kabinet
terughoudend met de inzet hiervan.
Het voorkeursprincipe kan worden gebruikt om de weerbaarheid van de Unie te versterken.
Als minder ingrijpende maatregelen niet voldoende zijn, kunnen ze worden ingezet om
strategische markten te stimuleren die essentieel zijn voor de weerbaarheid.
Het kabinet weegt per sector zorgvuldig af of de baten opwegen tegen de kosten.16 Het principe mag niet worden ingezet om de fossiele productieprocessen kunstmatig
te verlengen of om staande beleidsdoelen te ondermijnen. De toepassing moet daarbij
tijdelijk, gericht, risico gebaseerd en proportioneel zijn. De toegang voor gelijkgestemde
handelspartners moet hierin zo min mogelijk belemmerd worden. Dit kan door vooraf
de impact op handelspartners van de EU zorgvuldig in kaart te brengen.
Europese oorsprongseisen moeten verenigbaar zijn met internationale juridische verplichtingen
van de EU, zoals die onder de WTO en bilaterale handelsovereenkomsten. Voor een effectieve
inzet van Europese oorsprongseisen zal EU-markttoegang voor onze handelspartners het
uitgangspunt moeten zijn, tenzij er binnen bepaalde strategische markten een gedegen
risico is voor de weerbaarheid van de Unie. Dit zodat Europese oorsprongseisen ook
effectieve steun bieden aan weerbaarheid in kritieke sectoren om binnen de EU-grenzen
bedrijfsactiviteiten te ontwikkelen en voldoende concurrentiekracht op te bouwen.
Ook sommige handelspartners hanteren een nationaal voorkeursbeleid. De EU zet zich
daarom continue in voor betere toegang voor EU-bedrijven tot derde markten. Dit kan
door onder andere nieuwe handelsovereenkomsten te sluiten en door derde landen aan
te spreken op marktverstorende handelspraktijken. Indien nodig treft de EU daar ook
maatregelen tegen, bijvoorbeeld door inzet van het handelsdefensieve instrumentarium
of recentere instrumenten zoals het Instrument voor Internationale Overheidsopdrachten
(International Procurement Instrument, IPI).
Nederland heeft als open economie baat bij een zoveel mogelijk open investeringsklimaat,
rekening houdende met geopolitieke ontwikkelingen. Het kabinet hanteert in de beleidsaanpak
economische veiligheid het credo «open waar het kan, gesloten waar het moet». Het
kabinet is zich er echter van bewust dat het onder bepaalde omstandigheden mogelijk
moet zijn investeringen te toetsen en in het uiterste geval tegen te houden, als dit
risico’s voor de nationale veiligheid met zich meebrengt. In Nederland vindt deze
toetsing onder meer plaats op grond van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies
en overnames (Vifo)17, die van toepassing is op bepaalde verwervingsactiviteiten ten aanzien van vitale
aanbieders, bedrijven actief op het gebied van sensitieve technologie en beheerders
van een bedrijfscampus. In dit kader zal het kabinet als onderdeel van het bredere
economische veiligheidsbeleid concreter afbakenen waar precies de risico’s zitten
met betrekking tot ongewenste kennisoverdracht, welke kennis het kabinet primair wil
beschermen en welke aanvullende maatregelen daarvoor nodig zijn, waaronder op het
terrein van personeelsbeleid en screening.
b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Het kabinet verwelkomt de inzet van de Commissie om de concurrentiekracht, verduurzaming,
open strategische autonomie en weerbaarheid van de EU te versterken, maar plaatst
een aantal belangrijke kanttekeningen bij de voorgestelde maatregelen. In de huidige
geopolitieke en economische context, waarin mondiale concurrentie toeneemt en andere
economieën hun industrie actief ondersteunen wat in bepaalde gevallen tot een ongelijk
speelveld kan leiden, acht het kabinet het van belang dat de EU inzet op het versterken
van strategische industriële waardeketens die essentieel zijn voor de lange termijn
weerbaarheid van de Unie. Tegelijkertijd plaatst het kabinet kanttekeningen bij de
effectiviteit van het hanteren van een harde generieke doelstelling van 20% voor het
aandeel van de maakindustrie in het BBP in 2035. Een dergelijke kwantitatieve en algemene
doelstelling voor de gehele EU zegt op zichzelf weinig over de kwaliteit, strategische
relevantie of toekomstbestendigheid van de industriële activiteiten, zoals hun bijdrage
aan weerbaarheid, concurrentievermogen en maatschappelijke uitdagingen. Een streefwaarde
kan echter wel stimulerend werken en onderstreept daarmee tevens het belang van een
sterke industriële basis.
Het kabinet verwelkomt het initiatief van de Commissie om vergunningverlening van
industriële verduurzamingsprojecten meer te stroomlijnen in de EU. Dit geeft duidelijkheid
aan aanvragers en maakt vergunningverlening eenvoudiger. In Nederland bestaat al het
centrale (digitale) omgevingsloket waar aanvragen voor vergunningen ingediend kunnen
worden en informatie over de fysieke leefomgeving beschikbaar is. Het is van belang
dat bestaande initiatieven, zoals het omgevingsloket, blijven bestaan en zoveel mogelijk
gestroomlijnd kunnen worden met de bepalingen uit de IAA. Tevens schrijft het voorstel
voor dat de European Business Wallet (hierna: EBW) gebruikt moet worden om informatie te bundelen. Implementatie van de
EBW-verordening is hiervoor van belang, omdat de impact voor gemeenten aanzienlijk
is.18 Versnelling en vereenvoudiging van procedures met behoud van het beschermingsniveau
van de veiligheid en kwaliteit van de leefomgeving blijven belangrijk. Een tijdige
en voorspelbare vergunningverlening draagt bij aan een beter investeringsklimaat.
De Commissie verklaart de bepalingen over vergunningverlening uit de NZIA ook toepasbaar
op industriële verduurzamingsprojecten. Mede hierdoor voorziet het kabinet niet direct
grote versnellingen optreden in de vergunningverlening voor industriële verduurzamingsprojecten.19 Tegelijkertijd voegt de Commissie ook nieuwe regels voor vergunningverlening toe
die anders zijn dan in de NZIA en waarvan het de vraag is of deze regels elkaar niet
tegenspreken. De IAA richt zich meer op de behandelfase van een vergunningprocedure,
terwijl Nederland juist in zet op versnelling in de voorbereiding- en beroepsfase.
In lijn met de Kamerbrief «Samenhangende aanpak Landbouw, Natuur en Stikstof» verkent
het kabinet de mogelijkheid om op Europees niveau een uitzondering te krijgen die
het mogelijk maakt om soepeler om te gaan met (tijdelijke) stikstofemissies van industriële
verduurzamingsprojecten, mits structurele verbetering van natuur, klimaat en leefomgeving
voor de lange termijn hierbij is geborgd.20
Het kabinet kijkt met interesse naar het voorstel om via vraaggerichte instrumenten,
de Europese industriële productiecapaciteit te versterken, investeringszekerheid te
vergroten en vraagcreatie in strategische sectoren te stimuleren. Tevens vindt het
kabinet het belangrijk per sector een haalbaar transitiepad naar schone en competitieve
productieprocessen te ontwikkelen. Daarbij acht het kabinet het van belang dat deze
instrumenten bijdragen aan een goed functionerende interne markt, een mondiaal gelijk
speelveld en het versterken van het concurrentievermogen van de Europese industrie.
In dat licht worden EU-oorsprongseisen met terughoudendheid benaderd en hecht het
kabinet eraan dat de voorgestelde maatregelen verenigbaar zijn met de internationale
verplichtingen van de EU worden vormgegeven, zoals die onder WTO en handelsakkoorden.
Het kabinet onderschrijft het belang van weerbare strategische waardeketens en het
verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden en verzoekt de Commissie
te verduidelijken hoe de IAA zich verhoudt tot de mededeling versterking Europese
economische veiligheid,21 met name ten aanzien van de prioritering en uitvoering van risicoanalyses. In een
internationale context waarin andere landen hun industrie actief ondersteunen, kan
een gerichte inzet van dit soort instrumenten, onder voorwaarden, overigens wel bijdragen
aan het mitigeren van oneerlijke concurrentie. Het kabinet zal nog per toepassing
een afweging maken over de rechtvaardigingsgrond, de wenselijkheid en de mogelijke
risico’s van het toepassen van een EU-voorkeursprincipe. Daarnaast kan inzet van het
instrument ook effect hebben op het tijdspad en de betaalbaarheid van de uitrol van
schone energie technologieën (waaronder kernenergie) als door repercussies van derde
landen de import van benodigde componenten geraakt wordt. Tegelijkertijd heeft het
kabinet oog voor sectoren waar dit in specifieke gevallen nodig kan zijn.22 Het is verder goed voor de uniforme toepassing in de EU dat deze kwalitatieve criteria
ook in de NZIA worden opgenomen. Het kabinet kijkt constructief naar de voorgestelde
aanscherpingen van de eisen uit de NZIA, maar zal daarbij kritisch kijken naar de
specifieke haalbaarheid in de betreffende sectoren. Het is van belang dat de kwalitatieve
eisen uit de NZIA in proportionele verhouding (blijven) staan tot de doelmatigheid,
uitvoerbaarheid en lastendruk van het subsidie-instrumentarium. Ook zal het kabinet
zich ervoor inspannen dat eventuele handelsbelemmeringen tot een minimum beperkt blijven,
zoals verzocht door de Tweede Kamer.23 Het kabinet zal de Kamer op een later moment nader informeren over de uitvoering
van deze motie.
Het kabinet is positief over de introductie van koolstofarme productnormen, maar mist
in de breedte ambitie op het gebied van vraagcreatie om juist koolstofarme productie
te stimuleren. De in de IAA voorgestelde normen zijn beperkt tot publieke aanbestedingen
en subsidieprogramma’s voor met name gebouwen, infrastructuur (bruggen) en motorvoertuigen,
en qua producten tot staal, cement en aluminium. In aanloop naar de IAA-publicatie
heeft het kabinet in een non-paper24 voor een grotere reikwijdte gepleit, zodat bijvoorbeeld ook de chemiesector werd
opgenomen. Een schone industrie dient zowel CO2-neutraal als circulair te zijn. Door koolstofarme productvereisten te introduceren,
worden producenten gestimuleerd om schoner te produceren. Het kabinet heeft met het
oog hierop in aanloop naar de IAA-publicatie bij de Commissie ook actief gepleit voor,
onder andere, brede inzet van verplichte labels die consumenten inzicht geven in de
CO2-voetafdruk van producten. Daarnaast heeft het kabinet gepleit voor productnormering,
waar passend en in lijn met internationaal recht, om te zorgen dat producten aan minimale
duurzaamheidscriteria voldoen als ze de EU-markt op komen. Dit kan bijvoorbeeld onder
de ESPR.
Ook promoot het kabinet de inzet van Digitale Productpaspoorten (DPPs), waarin gestandaardiseerde,
controleerbare gegevens over bijvoorbeeld de herkomst, materialen, emissies en duurzaamheid
van producten. Zo kunnen overheden en investeerders eenvoudig nagaan of producten
voldoen aan de criteria van de IAA.
De Commissie zet in de IAA vooralsnog alleen in op vrijwillige labels voor nog nader
te bepalen productgroepen, wat mogelijk kan leiden tot verschillen in de implementatie
en een ongelijk speelveld in EU. Het kabinet zal in de onderhandelingen, conform het
non-paper, pleiten voor verplichte CO2- en recyclaatlabels, in ieder geval voor staal. Aansluiting bij de Ecodesign eisen
voor staal is daarbij het uitgangspunt. Daarnaast zal het kabinet pleiten voor verbreding
van vraagcreatiemaatregelen (bijvoorbeeld productnormering) naar andere energie-intensieve
sectoren. Hier dient ook samenhang met ESPR geborgd te worden om overlap te voorkomen.
Daarbij dienen lasten voor bedrijven en negatieve gevolgen voor handelspartners te
worden beperkt.
De IAA bevat vooralsnog geen specifieke maatregelen voor de chemie sector. Uitwerking
van deze maatregelen vindt plaats binnen de Critical Chemicals Alliance, waaraan Nederland
en Nederlandse bedrijven actief deelnemen. De aanbevelingen zullen via een gedelegeerde
handeling onder de IAA worden gebracht. Het kabinet zet in op vraagcreatiemaatregelen
voor chemieproducten met lage emissies en op basis van duurzame koolstofbronnen.25 Het kabinet verzoekt de Commissie om de urgente problematiek in de chemiesector met
spoed het hoofd te bieden.
Voor de auto-industrie, met name elektrische bedrijfsvoertuigen, worden voorkeurscriteria
en CO2-labels aangekondigd. In de wetgevingsvoorstellen uit het Automotive Package worden
gedelegeerde handelingen voorgesteld die in lijn met de IAA door de Commissie worden
uitgewerkt. Het kabinet acht het op basis van dit voorstel onvoldoende duidelijk voor
consumenten, overheden en type-goedkeurders in welke situatie, welk individueel voertuig
en onder welke voorwaarden geldt als «EU-oorsprong».
Het kabinet wil dat de definitie van «EU-oorsprong» voor elektrische voertuigen helder
en eenduidig afgebakend, duidelijk toepasbaar en uitvoerbaar is. Het kabinet is tegenstander
van een brede of generieke toepassing op elektrische voertuigen omdat dit negatieve
gevolgen kan hebben voor de beschikbaarheid en betaalbaarheid van dit soort voertuigen.
Het kabinet vindt het van groot belang dat er kritisch gekeken voor welke (onderdelen
van) elektrische voertuigen voorkeurscriteria wel noodzakelijk en wenselijk zijn.
Dit dient verder uitgewerkt te worden in samenhang met de beleidsdiscussie over de
wetgevingsvoorstellen uit het Automotive Package.26 Uitgangspunt van Nederland daarbij is dat markttoegang voor gelijkgestemde handelspartners
met wie we een handelsverdrag hebben zo min mogelijk moet worden belemmerd. Tot slot
wil het kabinet een uitgebreidere toelichting en methodiek zien wat definieert als
«koolstofarm» om te garanderen dat er daadwerkelijk schoner geproduceerd wordt en
zodat elke lidstaat gelijkwaardige standaarden daarvoor hanteert. De Commissie heeft
aangegeven dit in een later stadium vorm te zullen geven.
De manier waarop het FDI-screeningsinstrument wordt ingezet is op een aantal elementen
in lijn met het kabinetsstandpunt op de inzet van het EU-voorkeursprincipe (zie onder
3a, essentie Nederlands beleid) dankzij de sectorale afbakening, gerichte toepassing
en proportionele aard van de eisen onder artikel 18 van de IAA. Het kabinet is positief
over het feit dat investeringen uit derde landen niet per definitie worden uitgesloten
van toegang tot de Europese markt en acht de gestelde drempel van 40% marktaandeel
voldoende proportioneel en flexibel, geredeneerd vanuit een mondiaal concurrerend
speelveld met open markten. Wel acht het kabinet het in algemene zin van belang dat
terughoudend wordt omgegaan met het toetsen van buitenlandse investeringen en het
opleggen van voorwaarden of drempels daaraan, omdat dit druk kan zetten op de borging
van een open en aantrekkelijk investeringsklimaat, met begrip voor toepassing in specifieke
sectoren. Het invoeren van een dergelijke toetsing dient voor elk van de voorgestelde
sectoren echter dragend onderbouwd en gerechtvaardigd te worden, ook met het oog op
de proportionaliteit en met borging van tijdelijkheid. Daarnaast heeft het kabinet
vragen over hoe de voorgestelde voorwaarden zich verhouden tot de internationale verplichtingen
van de EU op basis van onder andere de WTO-akkoorden inzake handel in diensten (General Agreement on Trade in Services, GATS) en inzake handelsaspecten van investeringsmaatregelen (Agreement on Trade-Related Investment Measures, TRIMS).
Verder vindt het kabinet dat een aantal elementen in dit voorstel ten aanzien van
FDI nadere uitwerking en precisie vereisen op het gebied van rechts- en uitvoeringszekerheid.
Ten eerste de toepassing op joint ventures (buitenlandse partij mag maximaal 49% eigenaarsbelang hebben en EU behoudt meerderheid
51%) en de voorgestelde drempel van € 100 miljoen. Het is onvoldoende duidelijk hoe
deze drempel wordt berekend, hoe joint ventures juridisch worden afgebakend en wanneer precies een meld- of toetsingsplicht ontstaat.
Ten tweede, de gedelegeerde bevoegdheid van de Commissie om de lijst van strategische
sectoren waarop de investeringstoets uit dit hoofdstuk van toepassing is uit te breiden.
Uitbreiding van deze lijst leidt ertoe dat meer investeringen onder de toets uit dit
hoofdstuk vallen en kan derhalve substantiële gevolgen voor nationale economieën en
het investeringsklimaat. Het kabinet acht het van belang dat lidstaten inspraak houden
bij besluiten over uitbreiding van deze lijst. Ten derde is de mogelijke toename van
administratieve lasten op nationale investeringstoetsingsautoriteiten een zorg. Tot
slot heeft het kabinet vragen bij de bevoegdheid van de Commissie om op eigen initiatief
transacties te toetsen en zo nodig te blokkeren. Het al dan niet toestaan van transacties
kan grote effecten op de nationale economieën van lidstaten hebben. De bevoegdheid
om specifieke transacties te toetsen en in het uiterste geval te verbieden dient daarom
bij de lidstaten te blijven.
Het kabinet verwelkomt wel de introductie van EU gemeenschappelijke normen voor deze
toetsing, ter bevordering van een gelijke toepassing van toetsingsmechanismen tussen
lidstaten. Het kabinet wil weten van de Commissie hoe deze vormen van toetsing samenhangen
met reeds bestaande toetsingsgronden onder de FDI-verordening, die in Nederland met
name zijn neergelegd in de wet Vifo.27
Het is wenselijk dat procedures, termijnen en definities zoveel mogelijk aansluiten
bij het bestaande FDI-toetsingskader op Nationale Veiligheid. Tot slot merkt het kabinet
op dat de IAA FDI-toetsing mede van toepassing wordt verklaard op greenfield investeringen.28 Voor het kabinet is toetsing van greenfield-investeringen alleen gelegitimeerd als
duidelijk wordt uitgewerkt hoe en wanneer deze plaatsvindt en of dit uitvoerbaar is.
In de huidige vorm acht het kabinet de afbakening en het praktische effect hiervan
onvoldoende duidelijk en zal daarom bij de Commissie om uitwerking vragen van deze
bepalingen.
Het voorstel om de verduurzaming te versnellen in en weerbaarheid te vergroten van
industrieclusters past in de clusteraanpak van het Nationaal Programma Verduurzaming
Industrie, aangezien binnen deze aanpak ook wordt gekeken hoe de transitie in clusters
versneld kan worden en hoe optimaal van de ruimte gebruikt kan worden gemaakt.29 Het aanwijzen van industrieclusters als IAA-versnellingsgebied kan bijdragen aan
een meer gerichte inzet op het versnellen van de verduurzamingsopgave in deze clusters.
Het kabinet ziet echter met de huidige uitwerking een aantal aandachtspunten (zie
ook kopje 6, Implicaties juridisch). Het eerste aandachtspunt betreft onduidelijkheid
hoe de inrichting van een versnellingsgebied zich verhoudt tot de voorschriften voor
versnellingsgebieden in Renewable Energy Directive (RED) en de NZIA. Voorkomen moet worden dat het aanwijzen van een dergelijk gebied
tot extra regeldruk leidt of dubbelop is met bestaande initiatieven (die nog niet
altijd de gewenste versnellingen hebben bewerkstelligd). Het tweede aandachtspunt,
is de aanwijzing van de gebieden en de daarbij behorende toetsen. De Commissie stelt
veel eisen waar rekening mee gehouden dient te worden bij aanwijzing van een versnellingsgebied.
De strenge materiële normering waar rekening mee gehouden dient te worden, zoals milieu-impact,
is nu al een knelpunt in de transitie van deze clusters. Het kabinet is daardoor niet
overtuigd dat snel tot aanwijzing overgegaan kan worden en daarmee tot versnelling
van de transitie in deze clusters. Het kabinet is positief dat bij de aanwijzing rekening
moet worden gehouden met de behoeften voor (energie)infrastructuur in de gebieden,
zodat voor de lange termijn duidelijkheid geboden kan worden wat aanvullend nodig
is en hoe daarop gestuurd kan worden, ook bij grensoverschrijdende infrastructuur.
De plastic recycling industrie lijkt niet direct onderdeel van versnellingsgebieden
te zijn. Gezien de situatie van plasticrecyclers en hun wezenlijke rol voor een toekomstbestendige
plasticketen, is dit wel wenselijk. Nederland zal hier aandacht voor vragen. Verder
introduceert de IAA het instrument van basisvergunningen die alle projecten voor industriële
productie in dit gebied moet beslaan. Dit instrument voor vergunningen binnen versnellingsgebieden
wordt door het kabinet toegejuicht zolang er beleidsvrijheid is voor iedere lidstaat
om de basisvergunning zodanig in te richten,dat het een werkbaar en efficiënt instrument
kan worden. Het derde aandachtspunt is de daadwerkelijke versnelling die bereikt wordt
als een cluster eenmaal als versnellingsgebied is aangewezen. De maatregelen die lidstaten
moeten nemen ten behoeve van de versnellingsgebieden lijken niet de fundamentele doorbraken
te forceren die nodig zijn in de verduurzamingsopgave van deze clusters, maar juist
extra regeldruk en verplichtingen aan lidstaten te creëren. In de onderhandelingen
wil het kabinet pleiten voor versnelling van de aanwijzingsprocedure van versnellingsgebieden
en voor het inbouwen van concrete voordelen die de EU kan bieden, zoals soepelere
normstelling in vergunningverlening, voorrang bij aanvraag van financiering en versnelde
aansluiting op energie-infrastructuur. Het is bovendien positief dat het voorstel
ook oog heeft voor andere strategische industrieën binnen dezelfde gebieden zodat
synergievoordelen kunnen worden benut. Daarnaast wil het kabinet dat de Commissie
onderzoekt welke mogelijkheden er zijn om maximaal gebruik te maken van de voordelen
van de Europese interne markt, bijvoorbeeld door binnen deze clusters voorop te lopen
in de toepassing van geharmoniseerde interne-marktregels. Lidstaten zouden actief
in kaart kunnen brengen welke nationale eisen overbodig zijn en geschrapt kunnen worden
om toepassing van geharmoniseerde interne marktregels te stimuleren.
c) Eerste inschatting van krachtenveld
In de aanloop naar de publicatie van de IAA hebben verschillende lidstaten zich uitgesproken
over de toepassing en reikwijdte van de verordening. De meeste lidstaten benadrukken
de noodzaak om inspanning te leveren voor de industrie en strategische afhankelijkheden
te verminderen en erkennen dat hoge energieprijzen, netcongestie, niet marktconform
handelen van derde landen en het uitblijven van schone marktcreatie de industrie onder
druk zetten. Daarnaast hebben lidstaten zorgen geuit over de additionele regeldruk
die voortkomt uit de IAA. De meest uiteenlopende posities zijn te vinden rond de EU-oorsprongsmaatregelen en FDI-bepalingen. Bij het EU-voorkeursprincipe willen sommige lidstaten
een ruimere toepassing van het principe, terwijl een andere groep lidstaten pleit
voor voorzichtigheid in het gebruik van het principe en openheid naar partnerlanden
verwelkomen. Over de FDI-screening spreekt een groep lidstaten zorgen uit rondom de
administratieve lasten voor nationale toetsingsautoriteiten. Een enkele lidstaat verwelkomt
wel het harmoniseren van regels rondom FDI-screening.
Tot slot bestaat bij sommige lidstaten de tendens het concurrentievermogen ten koste
van de verduurzaming te willen versterken, door bijvoorbeeld te pleiten voor een verzwakking
van het ETS. Nederland heeft samen met een aantal andere landen zich hard gemaakt
voor behoud van het ETS als hoeksteen van het klimaatbeleid en ziet juist een rol
weggelegd voor een sterke IAA om de transitie te versnellen. Op het moment van schrijven
is de positie van het Europees Parlement nog niet duidelijk.
4. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit
a) Bevoegdheid
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden in overeenstemming met de EU-verdragen,
toetst het kabinet of de EU handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar
door de lidstaten in de EU-verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen
te verwezenlijken.
Het oordeel van het kabinet is deels positief, deels negatief. Artikel 114 VWEU geeft
de EU de bevoegdheid tot het treffen van harmonisatiemaatregelen ter verwezenlijking
van de interne markt. Op dit terrein is er sprake van een gedeelde bevoegdheid tussen
de EU en de lidstaten op grond van artikel 2, lid 2, juncto artikel 4, lid 2, sub
a VWEU. Artikel 207, lid 2, VWEU, geeft de EU de bevoegdheid tot het vastleggen van
maatregelen die het kader voor de uitvoering van de gemeenschappelijke handelspolitiek
van de Unie bepalen. Op dit terrein is er sprake van een exclusieve bevoegdheid van
de EU op grond van artikel 2, lid 1, juncto artikel 3, lid 1, sub e VWEU.
Het kabinet kan zich gedeeltelijk vinden in deze grondslagen. Het kabinet acht het
juist dat de Commissie haar voorstel mede baseert op artikelen 114 en 207 VWEU. Artikel
114 VWEU is een juiste rechtsgrondslag, omdat het voorstel betrekking heeft op interne
marktaspecten zoals publieke aanbestedingen, de vereenvoudiging en digitale ontsluiting
van vergunningprocedures voor industriële projecten, standaarden en berekeningsmethoden
voor koolstofintensiteit van producten en industriebeleid. Artikel 207 VWEU is een
juiste rechtsgrondslag, omdat het voorstel directe investeringen uit derde land reguleert
en dit past binnen de bevoegdheid neergelegd in artikel 207, eerste lid, VWEU. Wel
heeft het kabinet vragen over de verhouding tussen deze gekozen rechtsgrondslag en
artikel 64, tweede en derde lid, VWEU, omdat het voorstel een terugtred inhoudt van
de liberalisering van het kapitaalverkeer met derde landen.
Echter, het kabinet vindt dat voor hoofdstuk V van het voorstel dat ziet op Industrial Manufacturing Acceleration Areas, de artikelen 114 en 207 VWEU geen juiste rechtsgrondslag zijn wegens de impact op
de fysieke leefomgeving en ruimtelijke ordening, omdat dit raakt aan nationale bevoegdheden.
Het aanwijzen van ten minste één van deze geografische gebieden op grond van criteria
die door dit voorstel zijn vastgesteld waarbij lidstaten verplicht worden aanvullende
ondersteuning voor faciliteiten, energie, toeleveranciersketens te bieden en daarbovenop
verplicht worden één integrale vergunning voor alle industriële activiteiten in het
gebied te realiseren, raakt rechtstreeks de fysieke leefomgeving ter bevordering van
industriële activiteiten. Meer in het bijzonder treedt het voorstel in de ruimtelijke
ordening van lidstaten. Voor die regels acht het kabinet artikel 192, lid 2, onderdeel
b, eerste lid, VWEU, de enige juiste rechtsgrondslag. Daarmee is er sprake van een
bijzondere wetgevingsprocedure krachtens dit verdragsartikel die onverenigbaar is
met de gewone wetgevingsprocedure ingevolge artikel 114, eerste lid, VWEU en artikel
207, tweede lid, VWEU. Daarom acht het kabinet het zeer wenselijk dat hoofdstuk V
ofwel van het voorstel wordt afgesplitst met de juiste rechtsbasis ofwel in de verordening
op de juiste grondslag wordt gebaseerd van artikel 192, lid 2, VWEU. Artikel 192,
lid 2, onderdeel b, is een met de lidstaten gedeelde bevoegdheid (zie artikel 2 en
artikel 4, tweede lid, onderdeel e, VWEU).
b) Subsidiariteit
Als onderdeel van de beoordeling of de EU mag optreden volgens de EU-verdragen toetst
het kabinet de subsidiariteit van het optreden van de Commissie. Dit houdt in dat
het kabinet op de gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen
of wanneer sprake is van een voorstel dat gezien zijn aard enkel door de EU kan worden
uitgeoefend, toetst of het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op
centraal, regionaal of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang
of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kan worden bereikt (het
subsidiariteitsbeginsel). De subsidiariteitsvraag is niet van toepassing voor zover
het de gemeenschappelijke handelspolitiek betreft, gegeven de exclusieve bevoegdheid
van de EU ten aanzien daarvan.
Het oordeel van het kabinet is positief met kanttekeningen. Op het gebied van verduurzaming
van de industrie en producten, en industrieel concurrentievermogen is EU-actie geoorloofd
en gewenst. Het doel van het voorstel is het versterken van de economische veiligheid,
strategische autonomie en concurrentiekracht van de EU door de industriële capaciteit
en verduurzaming in strategische sectoren te versnellen en de werking van de interne
markt te verbeteren. Ook is het voorstel gericht op duurzame welvaart, industriële
veiligheid en veerkracht met inbegrip van voorzienings- en leveringszekerheid, en
economische veiligheid. Hoewel nationale maatregelen delen van de uitdaging kunnen
aanpakken, dreigen ze de interne markt te fragmenteren en de collectieve effectiviteit
te ondermijnen als deze bepalingen niet gelijkmatig worden ingevoerd. Gezien de diepe
verwevenheid van toeleveringsketens tussen de lidstaten is daarom een gecoördineerde
aanpak op EU-niveau essentieel. Deze aanpak maakt schaalvoordelen en oplossingen mogelijk
die passen bij de schaal waarop de industrie opereert en helpt inefficiëntie en overlapping
te voorkomen. Een geharmoniseerde aanpak op EU-niveau is daarom noodzakelijk om een
gelijk speelveld te waarborgen en administratieve knelpunten aan te pakken. Dit kan
onvoldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau worden verwezenlijkt.
Bovendien is klimaatverandering een grensoverschrijdende kwestie die internationale
en EU-actie vereist om regionale, nationale en lokale actie effectief aan te vullen
en te versterken.
Evenwel plaatst het kabinet twee kanttekeningen bij de subsidiariteit van het voorstel.
Het kabinet betwijfelt namelijk of aanvullend handelen op EU-niveau wenselijk is op
twee aspecten: verplichte aanwijzing van tenminste één versnellingsgebied voor het
doel van aanzwengeling van industriële activiteiten (artikel 1, lid 2, onderdeel d),
en investeringstoetsing voor zover die betrekking heeft op het doel van industriële
veiligheid en veerkracht, met inbegrip van energie- en leveringszekerheid en economische
veiligheid.
Ten aanzien van de verplichte aanwijzing door lidstaten van tenminste één versnellingsgebied,
kan worden volstaan met een bevoegdheid om dergelijke gebieden aan te wijzen, in plaats
van een verplichting. Daarmee wordt rekening gehouden met de ruimtelijke ordeningsaspecten
die per lidstaat anders kunnen liggen en waar schaarste aan ruimte en de benodigde
infrastructuur aan de orde kan zijn. Lidstaten zijn namelijk veel beter in staat om
te wegen of en waar aanwijzing van ruimte als een industrieel versnellingsgebied passend
is gelet op de schaarste van die fysieke ruimte en de verschillende lokale en regionale
belangen die daarbij spelen. Een ander alternatief is dat een al bestaande NZIA-vallei
kan verkleuren naar IAA-vallei zodat daarmee aan een deel van de verplichting tot
aanwijzing uit de IAA wordt voldaan.
Ten aanzien van de aanvullende voorschriften en regels van het voorstel op het vlak
van economische veiligheid, voorzienings- en leveringszekerheid en veiligheid van
toeleveringsketens, twijfelt het kabinet aan de noodzaak van aanvullend handelen op
EU-niveau in de vorm van additionele investeringstoetsing voor zover die economische
veiligheid en voorzienings- en leveringszekerheid tot doel heeft. De IAA breidt deze
investeringstoetsing namelijk uit tot bijvoorbeeld tot de productie van elektrische
auto’s (artikel 17, lid 2, onder b). Ook de sector voor zonnepanelen is tot op heden
niet in zijn geheel onderhavig aan investeringstoetsing (artikel 17, lid 2, onder
c). Het kabinet acht onvoldoende onderbouwd waarom aanvullend handelen op EU-niveau
op dit vlak wenselijk en noodzakelijk is, naast de al bestaande Europese instrumenten
zoals Verordening (EU) 2019/452 (FDI-screening) en Verordening (EU) 2024/1252 (Verordening
inzake kritieke grondstoffen voor Europa). Aanvullend Europees optreden met het risico
van doublures en overlap met de bevoegdheden van de lidstaten zoals ingekaderd door
Verordening (EU) 2019/452 (FDI-screening) en de opvolger daarvan, acht het kabinet
niet gewenst.
c) Proportionaliteit
Als onderdeel van de vraag of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet of de inhoud en vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat
nodig is om de doelstellingen van de EU-verdragen te verwezenlijken (het proportionaliteitsbeginsel).
Het oordeel van het kabinet is positief met kanttekeningen. Het doel van het voorstel
is het versterken van de economische veiligheid, strategische autonomie en concurrentiekracht
van de EU door de industriële capaciteit en verduurzaming in strategische sectoren
te versnellen en de werking van de interne markt te verbeteren. Het voorstel bevat
diverse onderdelen die geschikt zijn om dit doel te bereiken. Zo voorziet het voorstel
in een digitale en versnelde afhandeling van een vergunningaanvraag, één globale basisvergunning
voor aangewezen versnellingsgebieden, standaarden en berekeningsmethoden voor koolstofintensiteit
van producten, labels en andere vormen van industriebeleid zoals het aanwijzen van
versnellingsgebieden die gericht zijn op de bevordering van industriële productie
in deze gebieden voor de strategische domeinen die op grond van dit voorstel zijn
aangewezen.
Ook de Europese vraagbevordering via aanbestedingen die bepaalde producten uit derde
landen uitsluiten, kan bijdragen aan de beoogde doelstelling. Het kabinet is daarnaast
positief over de ruimte die de Commissie in het voorstel biedt voor latere uitwerking
van maatregelen op basis van actuele ontwikkelingen. Zo wordt expliciet ruimte geboden
voor de Critical Chemicals Alliance om aanbevelingen te doen voor de chemische industrie die omgezet kunnen worden naar
wetgeving en wordt meermaals de mogelijkheid geboden de scope van maatregelen aan
te passen (bijvoorbeeld bij de toepassing van oorsprongseisen, CO2-labels en aanwijzen strategische sectoren). Wel maant het kabinet de commissie tot
spoed om de urgente problematiek in deze kritische sector het hoofd te bieden.
Het kabinet plaatst ten aanzien van de proportionaliteit de volgende drie kanttekeningen
bij het voorstel. Allereerst gaat de verplichting tot aanwijzing van ten minste één
versnellingsgebied neergelegd in artikel 25, eerste lid, verder dan nodig is. Een
benadering zoals nu wordt toegepast in artikel 17 van de NZIA is meer proportioneel,
omdat daarmee beter rekening wordt gehouden met de schaarste van fysieke ruimte, door
lidstaten de ruimte te geven noodzakelijke (regionale en lokale) belangenafwegingen
te maken bij de allocatie van ruimte in de leefomgeving.
Ten tweede worden de lidstaten – ondanks artikel 6 – niet daadwerkelijk in staat gesteld
om de vergunningsprocedures te versnellen voor de desbetreffende industriële sectoren
ter verwezenlijking van de genoemde doelstellingen. Hoewel de Commissie lidstaten
verplicht om industriële gebieden aan te wijzen en de vergunningprocedures te stroomlijnen
en te digitaliseren, stelt zij tegelijkertijd lidstaten verplicht om bij die aanwijzing
rekening te houden met alle kaders genoemd in artikel 25, lid 5 van het voorstel (zie
ook artikel 27, tweede lid). Daarmee zijn de lidstaten verplicht alle Unierechtelijke
eisen bijvoorbeeld op het gebied van milieu en op inspraak in acht te nemen, maar
stuurt zij wel aan op aanzienlijke versnelling van de vergunningsprocedures, waarbij
het voorstel lidstaten daarbovenop oplegt om voor die gebieden bepaalde vergunningsvereisten
zo aan te passen, dat zij één gezamenlijke vergunning vormen. Hiermee dreigen de lidstaten
met conflicterende verplichtingen te maken te krijgen, omdat de benodigde effectbeoordelingen
en inspraak logischerwijs tijd kosten. Ten derde, bij hoofdstuk IV, ten aanzien van
de toetsing en regulering van directe investeringen vanuit derde landen, is er geen
rekening gehouden met de al bestaande toetsen (FDI-screening en concentratietoezicht)
anders dan deze onverkort ook gelden en dus naast de toetsing onder dit voorstel moeten
worden doorlopen. Ten aanzien van dit laatste punt, zijn er nog wat extra opmerkingen.
Zowel qua toepassingsbereik en qua synergiemogelijkheden op het gebied informatie
en administratieve lasten moet het voorstel verbeterd worden. Ten tweede is onzeker
en onvoldoende onderbouwd of de verplichtingen om bij toelating van de betrokken investeringen
diverse eisen toe te passen, zoals joint ventures en technologieoverdracht, geschikt
zijn om het doel te bereiken. Bovendien heeft het kabinet om twee redenen gerede twijfels
bij de noodzakelijkheid van het voorstel op dit punt. In de eerste plaats bestaat
er aanzienlijke overlap van de materiële strekking van hoofdstuk IV met de investeringstoetsing
die onderdeel is van het voorstel voor herziening van de FDI-screeningverordening,
bijvoorbeeld op het gebied van batterijen en op het bredere energiedomein (zie bijlage II,
punt 3 onder h, van het voorstel van 24 januari 2024, COM(2024) 23).
In de tweede plaats introduceert het voorstel met hoofdstuk IV verregaande vormen
van investeringstoetsing in het licht van overwegingen van economische veiligheid
(zie bijvoorbeeld overwegingen 28, 33 en 36 en de verwijzingen aldaar naar aanbodzekerheid,
economische veiligheid en veiligheid van de EU). Ook op dat punt overlapt het voorstel
met de (voorgestelde herziening van) de FDI-screeningsverordening en acht het kabinet
het onjuist dat dit voorstel eveneens investeringstoetsing in het kader van economische
veiligheid introduceert. Veiligheidsoverwegingen zijn namelijk nadrukkelijk andere
overwegingen dan die voortvloeien uit een economisch belang dat het voorstel wil versterken.
Om die reden stelt het kabinet voor de investeringstoetsing nadrukkelijk te beperken
tot toetsing vanuit een economisch belang. Tot slot is onvoldoende onderbouwd waarom
een investeringsautoriteit met eigen middelen en voldoende personeel per lidstaat
moet worden ingericht. Het wordt niet duidelijk onderbouwd waarom een dergelijke nieuwe
organisatie met een zekere zelfstandigheid per lidstaat nodig is.
5. Financiële consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke
aspecten
De Commissie heeft in het impact assessment verschillende analyses gepresenteerd van
de budgettaire gevolgen voor de EU, de lidstaten, het bedrijfsleven en de burger.
Hieronder worden de cumulatieve kosten en opbrengsten gepresenteerd op basis van berekeningen
via verschillende modellen.
De daadwerkelijke effecten kunnen echter per lidstaat en sector alsnog verschillen
en het kabinet dient nader uit te werken wat de daadwerkelijke financiële implicaties
van het voorstel zijn (zie ook onder kopje 2b) Impact assessment).
a) Consequenties EU-begroting
Het totaal van administratieve kosten voor de Europese Commissie bij de gepresenteerde
maatregelen wordt geraamd op eenmalig 408.000 euro en terugkerend 181.667 euro. Nederland
acht het van belang dat de benodigde EU-middelen worden gevonden binnen de in de Raad
afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021–2027 en passen bij een prudente
ontwikkeling van de jaarbegroting. Het kabinet wil niet vooruitlopen op de integrale
afweging van middelen na 2027.
b) Financiële consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/of medeoverheden
In het impact assessment van de Commissie worden de totale administratieve kosten
voor lidstaten geraamd op 9 miljoen euro per jaar, met een inzet van circa 5 FTE voor
de implementatie en uitvoering van de maatregelen. Door de beoogde versnelling van
een aantal administratieve procedures wordt voor lidstaten tezamen ook een besparing
van 1,3 miljard euro voorzien. Tevens worden door de aanpassingen van regelgeving
en doorwerking in bedrijven ook aanpassingskosten geraamd op 821 miljoen euro. De
Commissie raamt de netto voordelen voor lidstaten op 469 miljoen euro. De nationale
impact, inclusief kosten, besparingen en uitvoeringslasten, is nog onduidelijk. Het
voorstel vereist onder meer dat lidstaten een bevoegd gezag aanwijzen voor toezicht
taken. De precieze lasten voor Nederland moeten nog worden uitgewerkt.
(Eventuele) budgettaire gevolgen worden ingepast op de begroting van de beleidsverantwoordelijke
departementen, conform de regels van de budgetdiscipline.
c) Financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger
De Commissie geeft een raming van totale kosten voor bedrijven op wie de maatregelen
van toepassing zullen zijn. Eenmalige administratieve lasten worden geraamd op € 120.000
en terugkerende kosten op € 1,2 miljoen. Hierbij gaat het om kosten voor extra personeel
en extra verplichtingen rond labels en monitoring die bedrijven zullen moeten uitvoeren.
Ook wordt een totaal administratieve lastenbesparing van € 240 miljoen voor bedrijven
voorzien. Daarbij zijn ook aanpassingskosten voorzien. Deze zijn voor bedrijven geraamd
op € 3,7 miljard. Onduidelijk is wat de extra kosten voor de notificatieplicht van
buitenlandse investeringen zijn.
Voor burgers worden totale aanpassingskosten geraamd op € 1,4 miljard, door bijvoorbeeld
prijsstijgingen van producten ten gevolge van gebruik van schone productiemethodes.
De prijsstijgingen worden ook gekwantificeerd. Zo leiden de 25% koolstofvereisten
in de autosector tot een prijsstijging van 0,225% (oftewel: € 70 per voertuig). De
verplichting tot 25% koolstofarm staal gebruik in aanbestedingen en subsidies zal
leiden tot een vermoedelijke prijsverhoging van 0,25%. Voor de verplichtingen met
betrekking tot cement is een prijsstijging van 0,1% voorzien. De combinatie van gebruik
koolstofarm staal, aluminium en cement is begroot op 0,45% prijsstijging.
Ondanks dat de Commissie verwacht dat de kostenstijging minimaal zal zijn, zal deze
stijging met name landen bij het mkb en mogelijk ook bij burgers. Deze kosten zullen
met name in de auto-industrie aanzienlijk zijn. Ook de kosten voor overheden zullen
stijgen door toenemende prijzen in aanbestedingen en subsidies. Een precieze uitsplitsing
van deze kosten ontbreekt echter in het impact assessment, en is niet op lidstaatniveau
uitgesplitst. Dit behoeft nog extra onderzoek. Tot slot voorziet de Commissie dat
de maatregelen ook tot behoud en een toename in werkgelegenheid zal leiden (afhankelijk
van de sector). Zo voorziet de Commissie een totaal behoud van 4500 banen in de staalsector,
maar een toename van ruim 140.000 banen in de markt voor zonne-energie en batterij
technologie. De toegevoegde waarde van de maatregelen in groeimarkten wordt in de
EU geraamd op € 10 miljard. De voordelen die voortkomen uit emissiereductie worden
geraamd op € 14 miljard. Het kabinet ziet verder graag een meer gedetailleerde uitwerking
van het impact assessment, met specifiekere prijseffecten voor producten uit bepaalde
sectoren en technologieën. Toenemende kosten mogen op korte termijn niet leiden tot
demotivatie bij de burger om te verduurzamen, omdat bijvoorbeeld warmtepompen en zonnepanelen
te duur worden. De maatregelen zorgen idealiter op lange termijn wel voor stimulering
van Europese productie van instrumenten voor verduurzaming, waardoor prijzen mogelijk
weer stabiliseren.
De Commissie beoogt met het voorstel de regeldruk rond vergunningverlening te verminderen,
maar stelt wederom nieuwe regels voor die niet overeenkomen met eerdere regels over
vergunningverlening. Het streven naar harmonisatie van vergunningprocedures kan hier
een bijdrage aan leveren, maar zal op de korte termijn een toename in regeldruk bewerkstelligen.
Tevens wordt voor centrale en decentrale overheden een toename in regeldruk voorzien
door extra monitoring en implementatie van de bepalingen rond aanbestedingen en andere
vormen van overheidsondersteuning. Toenemende regeldruk zal leiden tot hogere kosten
voor overheden, bedrijven en burgers. Ook de extra verplichtingen rond monitoring
en adressering van buitenlandse investeringen leiden tot toename van regeldruk voor
bedrijven en overheden. Het aanwijzen van de versnellingsgebieden zorgt voor extra
regeldruk en vertraging vanwege de hoeveelheid eisen waar aan voldaan moet worden
voordat tot aanwijzing over kan worden gegaan. Om de voortgang van de realisatie van
versnellingsgebieden te borgen wordt voorgesteld om de mogelijkheid te bieden dat
een NZIA-versnellingsgebied van een lidstaat aangemerkt wordt als IAA-versnellingsgebied
(artikel 25 lid 1 IAA). Het NZIA-versnellingsgebied kan dan overgaan in een IAA-versnellingsgebied.
Het kabinet maakt zich zorgen over de lasten van de voorgestelde investeringstoets
voor het bedrijfsleven en de toetsingsautoriteiten en zal de Commissie vragen om een
inschatting van de impact van het invoeren van een dergelijke toets en hoeveel transacties
hier onder zullen vallen.
Advies ATR
Het Adviescollege toetsing regeldruk kwam tot de volgende adviespunten ten aanzien
van het BNC-fiche:
1. ATR adviseert om de regeldrukeffecten voor het Nederlandse bedrijfsleven in kaart
te brengen.
2. ATR adviseert om de in het fiche genoemde inhoudelijke tekortkomingen van het Commissievoorstel
ook te duiden in termen van regeldruk.
3. ATR adviseert om alleen tot een uitbreiding van de reikwijdte van de IAA over te gaan
(al dan niet door middel van het instrument van een gedelegeerde handeling) als de
regeldrukeffecten daarvan toereikend in beeld zijn gebracht.
Reactie op advies ATR
Het kabinet constateert dat kwantificering van de regeldrukeffecten (inclusief inhoudelijke
nalevingskosten) van het voorstel voor het Nederlandse bedrijfsleven niet mogelijk
is zonder nader onderzoek, gezien het impact assessment van de Commissie slechts beperkt
de regeldrukeffecten kwantificeert en slechts een EU-brede analyse maakt. Impact assessments
spelen een belangrijke rol bij het voorkomen van onnodige regeldruk van EU-wetgeving
en waar mogelijk het verminderen daarvan. Vanuit dat perspectief bezien beschouwt
het kabinet een impact assessment als een noodzakelijk ondersteunend instrument in
het besluitvormingsproces. Het kabinet onderschrijft dat het impact assessment bij
de IAA niet helemaal compleet is om een kwantitatieve uitsplitsing te maken van de
regeldruk of in kaart te brengen welke bedrijven op welke manier geraakt zullen worden
door het voorstel (met name ook downstream).
Het kabinet heeft in het BNC-fiche onderdelen van de IAA geïdentificeerd die ofwel
opgehelderd moeten worden of tot een onnodige toename van regeldruk leiden. In overeenstemming
met het advies van het ATR pleit het kabinet in het BNC-fiche ook voor het blijven
meewegen en in kaart brengen van de regeldruk van verschillende voorstellen, maar
vooral ook hoe deze regeldruk verminderd kan worden. Het kabinet zal hier op blijven
toezien bij de verdere onderhandelingen over het voorstel, en bij een eventuele verbreding
van de scope van de IAA.
e) Gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
Het voorstel beoogt de concurrentiekracht van strategische sectoren van de energie-intensieve
industrie, de auto-industrie en netto-nultechnologieën te verbeteren. Het kabinet ziet aanknopingspunten in het voorstel die de concurrentiekracht
van deze sectoren kan verbeteren, maar ziet door sommige maatregelen (bijvoorbeeld
de oorsprongseisen) ook op korte termijn mogelijke prijsopdrijvende effecten verderop
in de keten. Harmonisatie van regelgeving, het versterken van industriële clusters,
zekerstellen dat er voldoende passende infrastructuur beschikbaar is in de versnellingsgebieden,
het adresseren van risicovolle strategische afhankelijkheden en proportionele bescherming
van sectoren tegen marktverstorende handelingen van derde landen kan de aangewezen
sectoren lange termijn zekerheid geven te investeren in verduurzaming ten behoeve
van het lange termijn verdienvermogen. Daar tegenover staat dat het kabinet onnodige
toename in regeldruk wil voorkomen, omdat dit extra barrières in de interne markt
kan opwerpen en daarmee het vestigingsklimaat kan verslechteren.
Het kabinet merkt in algemene zin op dat in veel voorstellen van de Commissie sectorspecifieke
aanpassingen worden geïntroduceerd op het gebied van vergunningverlening. Ondanks
dat de aandacht voor de problematiek in specifieke sectoren noodzakelijk is, vraagt
het kabinet in dit kader aandacht voor het belang van een integraal Europees kader
met uniforme definities en procedures, om zo op een effectieve en efficiënte manier
voor initiatiefnemers en overheid te komen tot realisatie en een aantrekkelijker vestigingsklimaat
te creëren. Daarbij zal het kabinet kijken of en in hoeverre al wordt voldaan aan
de verplichtingen rond vergunningverlening die de IAA voorschrijft. Het voorstel van
de Commissie heeft geopolitieke gevolgen, omdat één van de doelen van de IAA is om
de positie van de Europese industrie in mondiale context te versterken en risicovolle
strategische afhankelijkheden van derde landen te verminderen. Met name de voorstellen
rond oorsprongscriteria en screening van buitenlandse investeringen en de daarbij
behorende mogelijkheid om – in geval van niet-nakoming van de afspraken – markttoegang
te beperken van producten, producenten en investeerders uit derde landen waar een
handelsovereenkomst mee is gesloten, raken aan geopolitieke verhoudingen. De aankondiging
van de IAA heeft reeds geleid tot reacties vanuit partnerlanden, zoals het VK, de
VS en Canada. Het kabinet vindt het van belang dat maatregelen WTO-conform zijn en
internationale afspraken respecteren. Het kabinet is positief dat het voorstel hier
rekening mee houdt, maar heeft ook vragen over hoe de bepalingen over subsidies en
FDI zich tot WTO-verplichtingen van de EU verhouden. Als de Commissie de bevoegdheid
gebruikt om derde landen geheel of gedeeltelijk uit te sluiten bij aanbestedingen
of andere steunmechanismen verwacht het kabinet een gedegen onderbouwing en impactanalyse
om de doelmatigheid, juridische doelmatigheid en proportionaliteit hiervan aan te
tonen.
Uitgangspunt van Nederland daarbij is dat markttoegang voor gelijkgestemde handelspartners
met wie we een handelsverdrag hebben zo min mogelijk moet worden belemmerd. Daarbij
dient de Commissie ook aan te tonen dat hetzelfde doel niet met minder zware instrumenten
bereikt kan worden. Hierbij moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat
geraakte landen met een tegenreactie komen. De inzet van het FDI-instrumentarium neergelegd in hoofdstuk IV ten behoeve van industrie- en verduurzamingsbeleid
is zwaar en heeft mogelijk ongewenste effecten op geopolitieke verhoudingen.
6. Implicaties juridisch
a) Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid
(inclusief toepassing van de lex silencio positivo)
Het voorstel is een verordening. Op grond van artikel 288 VWEU is een verordening
in haar geheel verbindend en rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten. Er is derhalve
geen omzetting in nationale wet- en regelgeving voorgeschreven. Daarentegen rust op
de lidstaten wel de verplichting effectief uitvoering te kunnen geven aan de verplichtingen
van de verordening en dient nationale wet- en regelgeving en uitvoeringspraktijken
die in strijd zijn met de verplichtingen van het voorstel weggehaald te worden. Op
grond van de inhoud van het voorstel, wordt verwacht dat een uitvoeringswet noodzakelijk
zal zijn om effectief gevolg te geven aan het voorstel. In ieder geval zal op het
niveau van een wet in formele zin uitvoering moeten worden gegeven aan hoofdstuk IV
van het voorstel. Een investeringsautoriteit met bijpassende bevoegdheden en middelen
en personeel moet worden ingesteld.
Gelet op de voorziene hiërarchische verhouding tussen de investeringsautoriteit en
de Commissie en de rolverdeling tussen beide, is het waarschijnlijk dat een zelfstandig
bestuursorgaan moet worden opgericht of een bestaand zelfstandig bestuursorgaan aanvullende
wettelijke taken krijgt om uitvoering te geven aan hoofdstuk IV. Daarbij zal tevens
moeten worden voorzien in de noodzakelijke toezichts- en handhavingsbevoegdheden dat
ook punitieve boetes bevat (zie artikel 22 van het voorstel).
Daarnaast is het aannemelijk dat artikel 5, artikel 6, artikel 25 en artikel 27 van
het voorstel gevolgen heeft voor de wettelijke inkadering van besluit neergelegd in
hoofdstukken 3 en 4 van de Algemene wet bestuursrecht en de Omgevingswet. Weliswaar
biedt het Nederlandse bestuursrecht flexibiliteit om op punten te voldoen aan de vereisten
van het voorstel, maar er zijn verschillen die wettelijk opgelost moeten worden. Uitvoeringswet-
en regelgeving voor de wijzigingen die dit voorstel aanbrengt in de NZIA is aannemelijk.
In het voorstel wordt verwezen naar de gereedschapskist van de verordening inzake
het versnellen van milieubeoordelingen. Deze instrumenten, zoals verwoord in het oorspronkelijke
Commissievoorstel, sluiten aan bij het standpunt van het kabinet zoals dat in eerdere
Europese onderhandelingen is uitgedragen. Het kabinet is in beginsels terughoudend
ten aanzien van vergunningverlening van rechtswege (lex silencio positivo), mede gelet
op de vereisten van zorgvuldige besluitvorming, effectieve rechtsbescherming en de
noodzaak tot naleving van Europees milieurecht, waaronder de verplichtingen voortvloeiend
uit het Verdrag van Aarhus.
b) Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan
Gedelegeerde handelingen
Het voorstel bevat negen grondslagen voor de vaststelling van gedelegeerde handelingen.
Artikel 30 van het voorstel en overweging 59 voldoen aan de vereisten van het Interinstitutioneel
Akkoord Beter Wetgeven. Er is gekozen voor optie 1 van de modelbepalingen. Drie grondslagen
zien op de vaststelling van gedelegeerde handelingen waarmee derde landen kunnen worden
uitgesloten van gelijke behandeling met Unielanden. Dat zijn artikel 8, lid 2, artikel
9, lid 2 en artikel 34, lid 6 (dat delegatiebevoegdheden invoegt in verordening 2024/1735
(NZIA) met artikel 28 quinquies, lid 2, artikel 28 sexies, lid 4 (foutief vernummerd),
en artikel 28 septies, lid 2). Het gevolg van die uitsluiting is dat die aangewezen
derde landen geen preferente behandeling meer genieten op het niveau van de lidstaten
zelf ondanks een daartoe strekkend akkoord. Met deze bevoegdheid kan de Commissie
derde landen uitsluiten van de gelijke behandeling zoals overeengekomen in het akkoord
met dat derde land als a) het derde land het beginsel van nationale behandeling van
EU producten en EU ondernemingen niet respecteert, b) zo’n uitsluiting gerechtvaardigd
is om strategische afhankelijkheden of andere ontwikkelingen de voorzienings- en leveringszekerheid
van deze producten in de Unie in gevaar kan brengen, of 3) zo’n uitsluiting gerechtvaardigd
is op andere gronden opgenomen in het desbetreffende akkoord met het derde land. De
keuze voor gedelegeerde handelingen acht het kabinet onjuist, nu het niet gaat om
het wijzigen dan wel aanvullen van de basishandeling. Het kabinet ziet deze maatregel
als een handelspolitieke tegenmaatregel die bepaalde preferenties opschort als reactie
op de gedragingen van het derde land. Daarmee toont het een veel grotere gelijkenis
met handelsdefensieve maatregelen of zelfs uitvoeringshandelingen die vastgesteld
kunnen worden op grond van Verordening (EU) 2023/2675 van het Europees Parlement en
de Raad van 22 november 2023 over de bescherming van de Unie en haar lidstaten tegen
economische dwang door derde landen. Het kabinet pleit er dan in ieder geval voor
deze drie bevoegdheidsgrondslagen voor gedelegeerde handelingen te wijzigen in bevoegdheidsgrondslagen
voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen die overeenkomstig de onderzoeksprocedure
neergelegd in artikel 5 van Verordening (EU) 182/2011 worden vastgelegd, aangezien
de handelingen zien op uitvoering van het voorstel volgens eenvormige voorwaarden.
Gelet op de grote geopolitieke impact van dergelijke uitvoeringshandelingen, acht
het kabinet zelfs voorstelbaar dat de vaststelling van deze uitvoeringshandelingen
aan de Raad wordt voorbehouden ingevolge artikel 291, tweede lid, VWEU vergelijkbaar
met de benadering gekozen bij artikel 5 van Verordening (EU) 2023/2675.
In artikel 10, lid 2, van het voorstel is een grondslag opgenomen voor de vaststelling
van een gedelegeerde handeling voor een vrijwillig classificatiesysteem gebaseerd
op de intensiteit van broeikasgassen die vrijkomen bij de productie van industriële
goederen in de zin van richtlijn 2003/87. Het toekennen van deze bevoegdheid is mogelijk,
omdat het gaat om een niet-essentieel onderdeel van de basishandeling. Toekenning
van deze bevoegdheid acht het kabinet wenselijk, omdat een vrijwillig classificatiesysteem
een zinvolle aanvulling is bij de basishandeling, nu een dergelijk systeem investeringsbeslissingen
potentieel goed kan informeren zoals bedoeld in artikel 10, lid 2.
Delegatie in plaats van uitvoering ligt hier voor de hand, omdat het gaat om een aanvulling
van de wetgevingshandeling, niet om eenvormige uitvoering van de basishandeling daarvan.
Het kabinet acht deze bevoegdheid voldoende afgebakend, in het bijzonder door de elementen
opgesomd in onderdelen a tot en met f.
In artikel 16, lid 1, van het voorstel is de bevoegdheid opgenomen voor de vaststelling
van een gedelegeerde handeling om maatregelen te formuleren ten behoeve van de chemische
industrie om vraag naar bepaalde chemische producten afgeleid van duurzame koolstofbronnen
te stimuleren. Hoewel het kabinet de keuze voor de bevoegdheid voor gedelegeerde handelingen
met het geschetste doel steunt, is deze bevoegdheid onvoldoende afgebakend. Het voorstel
maakt geheel niet duidelijk welke maatregelen de Commissie zou kunnen nemen en hoe
verstrekkend de vraagstimulering kan zijn. Daarmee is een te ruime bevoegdheidsgrondslag
voorgesteld die verder gaat dan het aanvullen van de basishandeling. Het kabinet zet
daarom in op een verbetering van de grondslag, bijvoorbeeld door het meer in lijn
te brengen met de doelstelling van de Critical Chemicals Alliance waarbinnen deze
maatregelen vormgegeven moeten worden.
Op grond van artikel 16, lid 2, van het voorstel kan de Commissie een gedelegeerde
handeling vaststellen om bijlagen II en III bij de verordening te wijzigen. Het toekennen
van deze bevoegdheid is mogelijk, omdat het niet-essentiële onderdelen van de maatregel
betreft. Daarnaast is toekenning van deze bevoegdheid wenselijk, omdat flexibiliteit
nodig is. Delegatie in plaats van uitvoering ligt hier voor de hand, omdat het gaat
om maatregelen die aanvullend zijn om te bepalen of producten mogen worden geacht
een laag koolstofgehalte te hebben voor de toepassing van corresponderende verplichtingen
van het voorstel. Hetzelfde geldt voor bijlage III dat ziet op (elektrische) auto’s
en waarvoor een EU-oorsprongsvereiste geldt.
Echter, het kabinet acht de bevoegdheid onvoldoende afgebakend, omdat niet duidelijk
is hoe hoog het percentage is dat de Commissie mag vaststellen voordat een product
als «low carbon» mag worden beschouwd. Het kabinet zet in op verduidelijking. Een
vergelijkbare bevoegdheid is opgenomen in artikel 34 van het voorstel waarmee artikel 28h,
lid 1, en onder lid 2, in de NZIA wordt ingevoegd. Met deze bevoegdheid kan de Commissie
een gedelegeerde handeling vaststellen om eisen omtrent Europese oorsprong van producten
vast te leggen in de NZIA. Ook het toekennen van deze bevoegdheid is mogelijk, wenselijk
en voldoende afgebakend.
Met artikel 24, lid 1, van het voorstel wordt de Commissie bevoegd om de lijst met
opkomende strategische sectoren waar hoofdstuk IV (toetsing en regulering van investeringen)
van het voorstel op van toepassing wordt, aan te vullen met onder andere «net zero
industries» die zijn opgesomd in de NZIA met uitzondering van digitale technologie,
AI, quantum technologie en halfgeleiderindustrie. Ook wordt in deze bevoegdheidsgrondslag
expliciet gemarkeerd dat dit de investeringscriteria die krachtens andere EU-regelgeving
gelden onverlet worden gelaten. Hoewel het kabinet begrip heeft voor de wens om de
lijst van opkomende strategische sectoren te kunnen aanvullen op een flexibele wijze
(zoals ook krachtens artikel 8 van Verordening (EU) nr. 2019/452 kan), doet zich hier
een aanzienlijk risico voor op doublures en overlap met FDI-screening krachtens o.a.
Verordening (EU) nr. 2019/452 en de opvolger daarvan.
De nucleaire brandstof cyclus is bijv. qua technologie onderdeel van de EU dual use lijsten inzake exportcontrole en als zodanig ook onderdeel van de investeringstoetsing
op grond van Verordening (EU) nr. 2019/452. Nu in artikel 24, eerste lid, van het
voorstel expliciet economische veiligheid als grondslag voor deze uitbreidingsmogelijkheid
wordt genoemd, acht het kabinet het wenselijk dat de Uniewetgever zich hierover buigt
om de coherentie met andere instrumenten te bewaken. Het kabinet heeft dan ook de
voorkeur om deze bevoegdheidsgrondslag te schrappen. Als alternatief kan het kabinet
ook meegaan in een aanpassing van de grondslag op zodanige wijze dat het veiligheidsbelang
als criterium wordt geschrapt in het eerste lid en tweede lid van artikel 24.
Met artikel 35 van het voorstel wordt artikel 22, negende lid, eerste alinea van Verordening
2024/3110 over bouwproducten gewijzigd. Deze wijziging heeft tot gevolg dat de reikwijdte
van de gedelegeerde handeling die al kon worden vastgesteld op grond van artikel 22,
negende lid wordt verruimd. Nu ziet de bevoegdheid op specifieke etiketteringsvoorschriften
inzake ecologische duurzaamheid vast te stellen voor bepaalde productfamilies en -categorieën
wanneer deze producten a) doorgaans door consumenten gekozen of gekocht, en b) het
product heeft over zijn gehele levenscyclus geen significant verschillende algemene
milieuprestaties afhankelijk van de installatie ervan. Deze cumulatieve vereisten
van a en b komen te vervallen. Toekenning van deze bevoegdheid acht het kabinet niet
wenselijk, omdat het kabinet geen goede onderbouwing heeft ontvangen waarom deze verruiming
gewenst en noodzakelijk is mede in het licht van de lasten voor het bedrijfsleven.
Uitvoeringshandelingen
Het voorstel bevat twee bevoegdheidsgrondslagen voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen.
Artikel 16, lid 3, biedt de grondslag voorde vaststelling van een uitvoeringshandeling
om de berekeningsmethoden vast te stellen voor het aandeel van productvolumes en -onderdelen
die een oorsprong in de Unie moeten hebben, zowel voor de Commissie als voor de bevoegde
nationale autoriteiten. Het toekennen van deze bevoegdheid is mogelijk, omdat het
niet-essentiële onderdelen van de handeling betreft. Toekenning van de bevoegdheid
is ook wenselijk, omdat vaststelling van de berekeningsmethoden noodzakelijk is voor
uniforme toepassing van de corresponderende verplichtingen van hoofdstuk 3 van het
voorstel. Uitvoering in plaats van delegatie ligt hier voor de hand, omdat de handeling
noodzakelijk is om een eenvormige methode vast te stellen voor de berekening van het
aandeel in het volume van producten en componenten dat een oorsprong in de Unie heeft.
De uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de raadplegingsprocedure als bedoeld
in artikel 4 van verordening 182/2011. Gelet op de aanzienlijke economische implicaties
in de zin van artikel 2, lid 2, onder b), punt i), van Verordening (EU) nr. 182/2011,
acht het kabinet de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 5 van verordening 182/2011
de passende procedure in dit verband. Daarnaast is het kabinet van mening dat in de
basishandeling moet worden bepaald dat een ontwerpuitvoeringshandeling niet kan worden
vastgesteld indien het adviescomité geen advies heeft uitgebracht, zoals bepaald in
artikel 5, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 182/2011.
In artikel 18, lid 5, is de bevoegdheidsgrondslag voorzien voor de Commissie om binnen
6 maanden na inwerkingtreding van de verordening een uitvoeringshandeling voor gedetailleerde
regels om naleving van de voorwaarden waaraan buitenlandse investeringen volgens artikel 18
moeten voldoen, te bepalen. Het toekennen van deze bevoegdheid is mogelijk, omdat
het geen essentieel onderdeel van de basishandeling betreft. Toekenning van deze bevoegdheden
acht het kabinet wenselijk, omdat dit bijdraagt aan een uniforme uitvoering en consistente
toepassing van het kader binnen de Unie, de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid versterkt
en de rechtszekerheid voor investeerders en lidstaten vergroot. Uitvoering in plaats
van delegatie ligt hier voor de hand, omdat de voorschriften betrekking hebben op
toetsing in de praktijk van individuele buitenlandse investeringen. Het kabinet vindt
het echter problematisch dat het voorstel uit gaat van een uiterste datum na inwerkingtreding
van de basishandeling, waarvoor de uitvoeringshandeling moet worden vastgesteld. Dat
verdraagt zich slecht met de voorschriften van de onderzoeksprocedure zoals vastgesteld
in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011.
Hoewel dit niet zo expliciet in het voorstel is benoemd, ziet het kabinet in artikel
19, lid 6, de facto een bevoegdheid om een uitvoeringshandeling vast te stellen om
te bepalen welke voorwaarden lidstaten moeten toepassen bij de toetsing van buitenlandse
investeringen die meerdere lidstaten aangaan, ingeval de betrokken lidstaten het onderling
niet eens zijn daarover. Dit is een situatie waarvoor uitvoeringshandelingen bedoeld
zijn: het waarborgen van een eenduidige en uniforme toepassing en uitvoering van het
Unierecht in de zin van artikel 291 VWEU.
Het kabinet zal zich inzetten om het besluit van de Commissie aan te merken als een
uitvoeringshandeling die ingevolge de onderzoeksprocedure van artikel 5 van Verordening
(EU) nr. 182/2011 moet worden vastgesteld. Daarvoor sluit het kabinet aan bij artikel
2, lid 2, onder b), punt iv), van Verordening (EU) nr. 182/2011. De desbetreffende
bevoegdheid ziet op investeringstoetsing en markttoegang, hetgeen ligt op het gebied
van handelspolitiek. Het toekennen van de bevoegdheid om uitvoeringshandelingen vast
te stellen is mogelijk, omdat het geen essentieel onderdeel van de basishandeling
betreft.
c) Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum
inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid
Het voorstel zal in werking treden de dag direct na publicatie in het publicatieblad.
Er worden daarnaast een aantal termijnen genoemd wanneer bepalingen van toepassing
moeten zijn na inwerkingtreding. Bepalingen over het versnellen van vergunningen (artikelen
4 en 5) zullen één jaar na de inwerkingtreding van de wet van toepassing zijn. Lidstaten
moeten binnen 12 maanden na inwerkingtreding versnellingsgebieden aanwijzen. De inkoopverplichtingen
gelden vanaf 1 januari 2029. Hoofdstuk 4 (investeringstoetsing en regulering) is van
toepassing voor wat betreft de aanwijzing van de investeringsautoriteit één maand
na inwerkingtreding. Twaalf maanden na inwerkingtreding van de verordening, dient
het hoofdstuk integraal door de investeringsautoriteit te worden toegepast. Voor zover
wetgeving in formele zin noodzakelijk is om uitvoering te geven aan de verplichtingen
uit dit voorstel, zijn de voorgestelde termijnen waarop de verplichtingen van toepassing
worden niet haalbaar. Een termijn van ten minste 24 maanden is noodzakelijk.
d) Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling
De Commissie zal twee jaar na inwerkingtreding, en daarna iedere drie jaar, de verordening
evalueren en dan met name de bijdrage die het levert aan het functioneren van de interne
markt. Bij de evaluatie worden verschillende zaken behandeld. Ten eerste wordt het
behalen van de doelen uit artikel 1 van de verordening gemonitord (functioneren interne
markt verbeteren door concurrentievermogen, weerbaarheid en verduurzaming te stimuleren).
Ten tweede wordt het doel van 20% bijdrage aan het Europese BBP in 2035 gemonitord.
Ten derde worden de administratieve lasten, de economische impact op downstream sectoren
en het mkb gemonitord. Tot slot wordt de impact op nationale begrotingen meegewogen
bij de evaluatie.
e) Constitutionele toets
Niet van toepassing.
7. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving
De implicaties voor de uitvoering en handhaving zijn op dit moment nog niet volledig
duidelijk. De aanvullende vereisten voor het toetsen van investeringen zullen naar
verwachting gevolgen hebben voor de uitvoeringsinstanties. Het is nog onduidelijk
of deze taak bij een bestaande instantie kan worden belegd of dat daarvoor een nieuwe
organisatie nodig is (bijvoorbeeld een Zelfstand Bestuursorgaan). Het voorstel hangt
verder samen met andere sectorale EU-wetgeving. Nadere uitwerking is vereist om de
uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid te kunnen beoordelen
8. Implicaties voor ontwikkelingslanden
Met betrekking tot ontwikkelingslanden is de impact naar inschatting klein, omdat
hun aandeel in deze sectoren beperkt is. Tegelijkertijd zijn er relatief weinig ontwikkelingslanden
waarmee de EU een handelsakkoord heeft afgesloten, waardoor deze landen onder het
voorstel uitgesloten worden van deelname en niet als zogenaamde «EU-oorsprong» kunnen
gelden. Onduidelijk is hoe eventuele prijsstijgingen ontwikkelingslanden raken. Daarmee
is lastig te beoordelen of de IAA ook in lijn is met het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid
van de EU.
Indieners
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.