Brief regering : Verslag Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 9 maart 2026 te Brussel
21 501-31 Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken
Nr. 819
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 maart 2026
Hierbij ontvangt u het Verslag van de Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid
van 9 maart jl. te Brussel. Conform de vastgestelde afspraken informeer ik uw Kamer
middels dit Verslag tevens over de voortgang van de onderhandelingen inzake de herziening
van de Coördinatieverordening Sociale Zekerheid.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.A. Vijlbrief
Verslag Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid d.d. 9 maart 2026 te Brussel
Op de agenda van de Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 9 maart jl.
in Brussel stonden twee beleidsdebatten, aanname van Raadsconclusies, aanname van
onderdelen van het Europees Semester en enkele w.v.t.t.k.-punten. Daarnaast heb ik
kennisgemaakt en gesproken met de Uitvoerend Vice-President van de Commissie Roxana
Mînzatu en diverse collega-bewindspersonen.
Agendapunt: gedachtewisseling «van innovatie naar kwaliteitsbanen: AI gebruiken om
de kwaliteit van werkgelegenheid en de rechten van werknemers te versterken»
De Raad hield een gedachtewisseling rondom het thema «van innovatie naar kwaliteitsbanen:
AI gebruiken om de kwaliteit van werkgelegenheid en de rechten van werknemers te versterken».
Tijdens het beleidsdebat onderschreven lidstaten dat AI kansen biedt voor productiviteitsgroei
en de arbeidsmarkt, maar dat deze kansen eerlijk verdeeld moeten worden over de gehele
samenleving. Meerdere lidstaten waarschuwden voor nieuwe vormen van ongelijkheid,
discriminatie en een toenemende macht van algoritmes over werknemers. Het belang van
mensgerichte AI – waarbij de mens de controle behoudt – werd door velen onderstreept.
Op het gebied van vaardigheden werd breed aandacht gevraagd voor opschaling en omscholing,
ook met het oog op de Porto-doelstelling omtrent vaardigheden. Lidstaten beschouwden
de sociale dialoog en collectieve onderhandelingen als essentieel voor een gerechtvaardigde
inzet van AI op de werkvloer. Lidstaten spraken zich tevens uit voor transparantie
bij het gebruik van AI, bescherming van kwetsbare werknemers en het voorkomen van
nieuwe vormen van misstanden. Ook werd genoemd dat publieke werkgelegenheidsdiensten
AI kunnen inzetten voor betere matching en begeleiding van arbeidstransities.
Ik heb in het beleidsdebat toegelicht dat Nederland digitalisering en AI als essentieel
ziet voor toekomstige economische groei en maatschappelijk welzijn1, maar benadrukt dat AI altijd mensgericht en veilig moet worden ingezet. AI mag geen
doel op zich zijn, maar dient bij te dragen aan welvaart en welzijn. Tegelijkertijd
kan AI klassieke arbeidsverhoudingen onder druk zetten, waardoor verantwoorde inzet
en sociale dialoog tussen werkgevers en werknemers onmisbaar zijn. Vanuit Europees
perspectief bieden de Europese AI-verordening2 en de Platformwerkrichtlijn3 reeds waarborgen, zoals een verbod op emotieherkenning op de werkvloer, een recht
op uitleg bij besluiten door hoog-risico AI-systemen, en transparantieverplichtingen
rond geautomatiseerde monitoring. Nederland heeft in de gedachtewisseling ingebracht
dat het waardevol is om in EU-verband het gesprek over deze ontwikkelingen voort te
zetten, onder meer in het kader van de routekaart kwaliteitsbanen4 en de aangekondigde Quality Jobs Act. Eventuele aanvullende Europese initiatieven dienen de balans te borgen tussen innovatie
en bescherming van werknemers.
Agendapunt: beleidsdebat «het doorbreken van de armoedecyclus»
De Raad hield een beleidsdebat over het doorbreken van de armoedecyclus. Het beleidsdebat
werd gehouden in het licht van het voornemen van de Europese Commissie om in het tweede
kwartaal van 2026 een Europese Anti-Armoedestrategie (EAAS) te publiceren.
Tijdens het beleidsdebat benadrukten de meeste lidstaten de noodzaak van een multidimensionale
en persoonsgerichte aanpak, waarbij toegang tot sociale dienstverlening, onderwijs,
gezondheidszorg en betaalbare huisvesting centraal staan. Integratie van diensten
via één-loketmodellen en samenwerking tussen beleidsniveaus werd breed onderschreven
als effectieve werkwijze. Bijzondere aandacht ging uit naar kinderarmoede en intergenerationele
armoede, met nadruk op vroege preventie, schoolmaaltijden en steun aan eenoudergezinnen.
De Europese Kindgarantie werd daarbij meerdere malen als waardevol instrument aangehaald.
Arbeidsmarktparticipatie wordt door veel lidstaten gezien als een belangrijk middel
om armoede te doorbreken, mits vormgegeven met maatwerk en begeleiding. Verschillende
lidstaten spraken zich uit voor gerichte financiering via het ESF+ en een actieve
monitoringsrol via het Europees Semester.
Ik heb in het beleidsdebat toegelicht dat het kabinet de ambitie heeft om zoveel mogelijk
mensen uit de armoede te halen of te voorkomen dat ze erin komen. Ik heb geïntervenieerd
langs de lijnen van het eerder met de Kamer gedeelde Nederlandse non-paper met de
kabinetsinzet voor de EAAS5. Deze inzet bouwt voort op het Nationaal Programma Armoede en Schulden6. Het is van belang dat de volgende punten terugkomen in de Europese strategie: 1)
hanteer een geïntegreerde aanpak; 2) geef prioriteit aan preventie; 3) besteed aandacht
aan (de gevolgen van) armoede die van generatie op generatie wordt doorgegeven; en
4) moedig lidstaten aan om ervaringsdeskundigen te betrekken bij het beleidsvormingsproces.
Dit is van belang om tot effectief beleid te komen dat problemen daadwerkelijk oplost.
Daarbij benadrukt het kabinet dat armoedebeleid primair een nationale competentie
is en dat de EAAS lidstaten moet ondersteunen bij het maken van nationaal beleid.
Ook moet de EAAS niet leiden tot onnodige extra administratieve lasten.
Agendapunt: Raadsconclusies over investeringen in kinderen: versterking van het welzijn
van kinderen, sociale inclusie en bestrijding van kinderarmoede in de Europese Unie
De Raad nam Raadsconclusies aan over investeringen in kinderen ter versterking van
het welzijn van kinderen, sociale inclusie en bestrijding van kinderarmoede in de
EU.
De Raadsconclusies beogen het welzijn van kinderen te versterken door economische
veerkracht van gezinnen te vergroten en armoede te verminderen. De Raadsconclusies
onderstrepen het belang om het EU 2030-doel op armoedebestrijding te halen, roepen
op tot een versterking van de European Kindergarantie, en benadrukken de meerwaarde
van voortzetting van beleid voor toereikende minimuminkomens. Daarnaast worden elementen
uitgelicht die van belang zijn voor het welzijn van kinderen zoals het verbeteren
van leefomstandigheden van kinderen en gezinnen, de ontwikkeling van basisvaardigheden,
en het betrekken van kinderen bij het maken van beleid dat hen aangaat. Ook benadrukken
de Raadsconclusies het belang van een geïntegreerde aanpak, evenals voldoende financiering
voor maatregelen die vooral kwetsbare kinderen ten goede komen. Tot slot wordt de
Europese Commissie opgeroepen om lidstaten te ondersteunen bij het maken van beleid
via dataverzameling en kennisuitwisseling tussen lidstaten te faciliteren.
Ik heb namens Nederland ingestemd met de Raadsconclusies. Het kabinet deelt het belang
en de urgentie om kinderarmoede tegen te gaan en het welzijn van kinderen te versterken.
Het kabinet wil investeren in armoedebeleid en een effectieve aanpak en preventie
van schulden, waarbij gezinnen worden ondersteund en meer zekerheid krijgen. De Raadsconclusies
zijn in lijn met staand Nederlands beleid. Het kabinet heeft in de onderhandelingen
benadrukt dat investeringen om de economische veerkracht van gezinnen te vergroten
en armoede te verminderen primair een nationale bevoegdheid zijn. Daarnaast is op
voorspraak van Nederland in de Raadsconclusies opgenomen dat de aangekondigde Europese
Anti-Armoedestrategie uit dient te gaan van een geïntegreerde aanpak.
Agendapunt: Aanname Raadsaanbeveling menselijk kapitaal
De Raad nam een Raadsaanbeveling aan over het versterken van het menselijk kapitaal
in de Unie.
De Europese Commissie heeft op 25 november 2025 een Raadsaanbeveling gepubliceerd
over menselijk kapitaal, gericht op het aanpakken van structurele uitdagingen voor
de arbeidsmarkt en het concurrentievermogen in de EU. De afgelopen maanden hebben
de lidstaten onderhandeld over de inhoud van de Raadsaanbeveling. Het kabinet heeft
het parlement via de Geannoteerde Agenda van de Informele Onderwijsraad7 geïnformeerd over de inhoud van de Raadsaanbeveling en de kabinetsinzet tijdens de
onderhandelingen. Waar relevant en afhankelijk van de nationale context zal de Commissie
de inhoud van de Raadsaanbeveling meenemen in de landspecifieke aanbevelingen die
als onderdeel van het Lentepakket (publicatie voorzien in juni 2026) in het kader
van het Europees Semester worden vastgesteld.
Ik heb namens Nederland ingestemd met de Raadsaanbeveling. Het kabinet onderschrijft
de belangrijke rol van vaardigheden en menselijk kapitaal voor het concurrentievermogen
en de sociale veerkracht van de EU. Dit is ook relevant in het licht van de groene-
en digitale transities, zoals ook aangekaart in het Draghi-rapport. Het kabinet onderschrijft
dan ook het belang van het versterken van vaardigheden en het bevorderen van de ontwikkeling
van een goed opgeleide en flexibele beroepsbevolking, zowel in strategische sectoren
als in het bredere maatschappelijke en economische domein. Conform de Nederlandse
inzet is verduidelijkt dat de inhoud van Raadsaanbeveling in lijn dient te zijn met
de bevoegdheidsverdeling van het Werkingsverdrag van de Unie (VWEU). Dit is voor kabinet
van belang omdat de Raadsaanbeveling voldoende ruimte dient te laten voor verschillen
tussen nationale onderwijssystemen, wat tot uitdrukking komt in het VWEU. Daarbij
heeft Nederland het belang onderstreept van synergie met de bredere doelen van onderwijsbeleid
en de bredere Europese onderwijssamenwerking gericht op een Europese onderwijsruimte.
Ook is op voorspraak van Nederland verduidelijk dat een versnelling van de procedures
voor de erkenning van beroepskwalificaties, van EU-burgers en derdelanders, niet ten
koste mag gaan van de geldende hoge kwaliteitseisen. Hierdoor blijft een effectieve
match van vraag en aanbod naar vaardigheden op de Europese arbeidsmarkt gewaarborgd.
Daarnaast heeft Nederland tijdens de onderhandelingen benadrukt dat arbeidsmigratie
en het aantrekken van talent weliswaar kan bijdragen aan het gericht verlichten van
personeelstekorten in bepaalde sectoren, maar dat dit niet ten koste moet gaan van
prikkels voor werkgevers om te investeren in arbeidsvoorwaarden en arbeidsbesparende
innovaties.
Agendapunt: goedkeuring van de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone
De Raad verleende goedkeuring aan de werkgelegenheids- en sociale aspecten van het
voorstel van de Europese Commissie voor de aanbevelingen van de Raad voor het economisch
beleid van de eurozone in 2026 en 2027.
De Commissie heeft op 25 november 2025 het herfstpakket in het kader van het Europees
Semester gepubliceerd. Onderdeel van dit pakket is de door de Commissie voorgestelde
ontwerpaanbeveling voor het economisch beleid in de eurozone voor 2026 (Euro Area Recommendation, EAR). Een kabinetsappreciatie van de EAR voor de economische aspecten is opgenomen
in de Geannoteerde Agenda van de Eurogroep en Ecofinraad van 19 en 20 januari 2026
en op 12 januari met het parlement gedeeld.8
In de EAR worden de gezamenlijke (beleids-)uitdagingen voor het eurogebied voor 2026
en 2027 geïdentificeerd. De voorliggende aanbevelingen, die zijn aangepast naar aanleiding
van besprekingen in de ambtelijke voorportalen van de Eurogroep, de Ecofinraad en
de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid, sluiten aan op de hoofdthema’s: begrotingsbeleid,
defensie-uitgaven en begrotingsbeleid, arbeidsmarkt, investeringen en innovatie, interne
markt, simplificatie, Spaar- en Investeringsunie, de digitale euro en de internationale
rol van de euro, en macro-financiële stabiliteit. De aanbevelingen op het gebied van
de arbeidsmarkt hebben primair aandacht voor het verhogen van de productiviteit en
innovatiecapaciteit en voor het ondersteunen van strategische sectoren. Om dit te
bewerkstelligen, is het nodig om bij- en omscholing van de beroepsbevolking te verhogen,
het onderwijs te verbeteren, en te zorgen voor een betere afstemming tussen vraag
en aanbod van vaardigheidsprofielen. Net als voorgaande jaren beveelt de Commissie
aan om de arbeidsmarktparticipatie van ondervertegenwoordigde groepen verder te verhogen
en de prikkels om te werken te versterken door middel van een passende hervorming
van belasting- en uitkeringsstelsels. Ook wordt wederom aanbevolen om gecontroleerde
legale migratie van werknemers uit derde landen te vergemakkelijken en maatregelen
te nemen om armoede te bestrijden.
Zoals aangegeven in bovengenoemde kabinetsappreciatie die uw Kamer eerder ontving,
kan het kabinet zich over het algemeen goed vinden in de voorgestelde aanbevelingen.
Ik heb daarom ook namens Nederland kunnen instemmen met de werkgelegenheids- en sociale
aspecten van de EAR. Ten aanzien van de aanbeveling over om- en bijscholing deelt
het kabinet de analyse dat een goed opgeleide beroepsbevolking met de juiste vaardigheden
essentieel is voor het concurrentievermogen van de EU. Daarvoor is het van belang
dat lidstaten, werkgevers en werknemers blijven investeren in leven lang ontwikkelen.
Ook kijkt het kabinet uit naar het reeds aangekondigde Skills Portability Initiative, dat zich ook zal richten op het wegnemen van grensoverschrijdende barrières voor
beroepskwalificaties en -vaardigheden. Het kabinet wil serieus grip krijgen op arbeidsmigratie,
door onszelf de vraag te stellen wat ons land aankan en nodig heeft, en daar ook naar
te handelen. Door te gaan sturen op arbeidsmigratie die we écht nodig hebben en uitbuiting
aan te pakken, mede door de adviezen van de Commissie Roemer en het SER-advies «Arbeidsmigratie
naar waarde» uit te voeren. Het kabinet wil waar nodig gericht internationaal talent
aantrekken, en stelt daartoe een talentstrategie op om ervoor te zorgen dat we het
juiste talent gericht selecteren en voor Nederland behouden.
De economische aspecten van de EAR zijn in de Ecofinraad besproken en goedgekeurd.
Hierna zal de Europese Raad voor Regeringsleiders de EAR in maart bekrachtigen, waarna
de Ecofinraad de aanbevelingen in april formeel aanneemt.
Agendapunt: hoofdboodschappen gezamenlijk werkgelegenheidsrapport
De Raad bekrachtigde het voorstel voor het Gezamenlijk Werkgelegenheidsrapport 2026.
Op 25 november 2025 heeft de Commissie een voorstel voor het jaarlijks Gezamenlijk
Werkgelegenheidsrapport (Joint Employment Report, JER) van de Commissie en de Raad gepubliceerd. In het JER signaleert de Commissie
de belangrijkste trends op het gebied van werkgelegenheid en sociale ontwikkelingen
binnen de EU. Verder geeft het JER een beeld over de voortgang van de lidstaten ten
aanzien van de drie EU-kerndoelen voor 2030 die toezien op de terreinen werkgelegenheid,
vaardigheden en de bestrijding van armoede.
Het JER merkt op dat de EU vooruitgang boekt op het gebied van werkgelegenheid en
bij het bestrijden van armoede, maar dat er structurele uitdagingen blijven bestaan
die vragen om gerichte actie. Ondanks economische en geopolitieke onzekerheid groeide
de werkgelegenheid in de EU in 2024 met 1,7 miljoen banen. Het werkloosheidspercentage
daalde naar een historisch laag niveau van 5,9%. Ondanks het feit dat armoede onder
werkenden daalde, blijft het risico op kinderarmoede groot, met name voor kinderen
van laagopgeleide ouders en in eenoudergezinnen. De Commissie roept daarom op tot
extra inspanningen om de armoededoelstellingen voor 2030 (EU) en 2050 (VN) te halen.
De Commissie gebruikt voor de analyse in het JER het «Sociale Scoreboard». Aan de
hand van zestien indicatoren toont het scorebord hoe lidstaten ervoor staan op het
terrein van gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt, eerlijke werkomstandigheden,
en sociale zekerheid en inclusie. Daarnaast zijn de drie EU-kerndoelen voor 2030 op
het gebied van werkgelegenheid, deelname aan opleiding en de bestrijding van armoede,
opgenomen in het JER.
Nederland presteert, net als voorgaande jaren, goed op de indicatoren. Bijvoorbeeld
op het gebied van werkgelegenheid en (jeugd)werkloosheid. Op het gebied van vaardigheden
presteert Nederland goed, hoewel de algemene basisvaardigheden van met name studenten
uit kwetsbare groepen zijn verslechterd. Het bij- en omscholen van bepaalde groepen
(zoals laaggeschoolden, mensen met flexibele of tijdelijke contracten, mensen met
een migratieachtergrond en mensen met een beperking) blijft belangrijk. De sociale
situatie in Nederland is over het algemeen goed. Het aandeel van de bevolking dat
risico loopt op armoede of sociale uitsluiting bleef stabiel en behoort tot de laagste
in de EU, hoewel er wel uitdagingen blijven bestaan voor specifieke groepen, zoals
mensen met een beperking of mensen met een migratieachtergrond, in het bijzonder kinderen.
Net als vorig jaar behoeft Nederland geen vervolganalyse zoals voorzien in het Sociale
Convergentie Raamwerk.
Het kabinet kan zich goed vinden in de voorgestelde hoofdboodschappen. Ik heb hier
dan ook mee ingestemd namens Nederland. Het kabinet herkent de aandachtspunten van
de Commissie voor wat betreft het tegengaan van armoede, in het bijzonder voor kinderen.
In het Nationaal Programma Armoede en Schulden is expliciet aandacht voor kinderen
en jongeren en werkt SZW met vier andere departementen (BZK, JenV, OCW en VWS) aan
een overheidsbrede aanpak rond gezinnen in een kwetsbare positie met kinderen in de
leeftijd van -1 tot en met 27 jaar.9 Daarnaast deelt het kabinet het belang van een wendbare en concurrerende arbeidsmarkt
waarin mensen zich een leven lang blijven ontwikkelen om arbeidsmarktkrapte tegen
te gaan en de groene, digitale en demografische transities te realiseren.
Agendapunt: Raadsconclusies gezamenlijk werkgelegenheidsrapport
De Raad nam Raadsconclusies over het gezamenlijk werkgelegenheidsrapport (Joint Employment Report, JER) aan.
De Raadsconclusies onderstrepen de hoofdboodschappen van het JER zoals hierboven omschreven
en roepen op tot het nemen van specifieke acties op onder meer het gebied van innovatie,
menselijk kapitaal, sociale zekerheid en huisvesting. De stagnatie van de arbeidsproductiviteit
vormt een uitdaging voor de concurrentiekracht en de economische groei op de lange
termijn in de EU. De Raadsconclusies roepen op tot het versterken van innovatie, onder
meer door de kwaliteit van banen te bevorderen en het menselijk kapitaal van Europa
te versterken.
Ook merken de Raadsconclusies op dat het gebrek aan basis- en digitale vaardigheden
een grote barrière vormt voor zowel sociale mobiliteit op individueel niveau als productiviteit
op macroniveau. Het tekort aan leraren in de STEM-vakken (science, technology, engineering, mathematics) komt daar nog bovenop. De gepubliceerde Raadsaanbeveling over menselijk kapitaal
(zie boven) is gericht op het aanpakken van het aanhoudend tekort aan arbeidskrachten
en vaardigheden. Daarnaast roepen de Raadsconclusies op tot gelijke toegang tot sociale
zekerheid, met name voor werknemers die geen vast contract hebben. Demografische trends
zetten socialezekerheidsstelsels onder druk, met name pensioenen, maar ook de gezondheidszorg.
Verder blijft de betaalbaarheid van woningen een dringende uitdaging in de Unie, en
vertoont de dakloosheid in verschillende lidstaten een stijgende trend.
Het kabinet kan zich vinden in de geschetste uitdagingen en prioriteiten in de Raadsconclusies
over het JER 2026 en ik heb daarom namens Nederland ingestemd met de Raadsconclusies.
Het kabinet onderschrijft de belangrijke rol van vaardigheden en menselijk kapitaal
voor het concurrentievermogen en de sociale veerkracht van de EU. Het kabinet onderschrijft
dan ook het belang van het versterken van vaardigheden en het bevorderen van de ontwikkeling
van een goed opgeleide en flexibele beroepsbevolking, zowel in strategische sectoren
als in het bredere maatschappelijke en economische domein. Daarnaast ziet het kabinet
de verhoging van de arbeidsparticipatie, in het bijzonder die van ouderen, als een
belangrijk onderdeel in de aanpak van de uitdagingen van vergrijzing en arbeidsmarktkrapte.
Ook in Nederland is er een grote groep dakloze mensen. Met het Nationaal Actieplan
Dakloosheid: Eerst een Thuis (2022–2030) wordt ingezet op een omslag van opvang naar
passende huisvesting met begeleiding en het versterken van de financiële bestaanszekerheid
om dakloosheid te voorkomen en duurzaam op te lossen.
Agendapunt: bekrachtiging hoofdboodschappen van het Werkgelegenheidscomité over de
implementatie van de Jongerengarantie
De Raad nam hoofdboodschappen van het Werkgelegenheidscomité over de implementatie
van de Jongerengarantie aan.
Het Werkgelegenheidscomité (Employment Committee, EMCO) heeft als taak de vooruitgang te monitoren inzake de versterkte Jongerengarantie.
In 2013 is de Jongerengarantie in het leven geroepen middels een Raadsaanbeveling.
Deze is in 2020 vervangen door een versterkte jongerengarantie. De evaluatie in 2025
richtte zich op structurele uitdagingen die de duurzame integratie van jongeren die
niet werken, onderwijs of een opleiding volgen (not in employment, education or training, NEETs) belemmeren. Alle lidstaten hebben vooruitgang geboekt bij het uitvoeren van
de versterkte Jongerengarantie, hoewel dit beeld ook deels verklaard wordt door demografische
ontwikkelingen. Door een dalend aandeel jongeren onder de bevolking, daalt ook het
aantal NEETs. Tegelijkertijd stijgt het aandeel inactieve NEETs, wat aantoont dat
er nog veel onbenut potentieel is.
Belangrijke uitdagingen voor de Jongerengarantie blijven een mismatch van vaardigheden,
gezondheidsproblemen (met name mentale gezondheid), en socio-economische en persoonlijke
barrières. Er zijn dan ook verdere inspanningen nodig. Dit omvat bijvoorbeeld betere
coördinatie tussen de verschillende betrokken organisaties, het verbeteren van de
gegevensuitwisselingen en het integreren van diensten.
Ik heb namens Nederland ingestemd met de hoofdboodschappen. De versterkte Jongerengarantie
draagt eraan bij dat de ondersteuning van jongeren in de EU-lidstaten op de agenda
blijft en houdt tegelijkertijd rekening met de nationale, regionale en lokale omstandigheden
in lidstaten. Nederland kent het laagste NEETs cijfer en na Duitsland het laagste
jeugdwerkloosheidcijfer in Europa. De nationale decentrale aanpak van het sociale
domein wordt in dit kader door de Europese Commissie verwelkomd.
W.v.t.t.k.-punt: Onrechtmatige detachering van derdelanderwerknemers
Nederland heeft tezamen met België, Bulgarije, Duitsland, Italië, Letland, Luxemburg
en Oostenrijk het Cypriotisch voorzitterschap verzocht om onder het agendapunt «overige
onderwerpen» kort stil te staan bij de onrechtmatige detachering van derdelanderwerknemers.
Tijdens mijn interventie heb ik mede namens bovengenoemde lidstaten aandacht gevraagd
voor eerlijke arbeidsmobiliteit en concurrentie binnen de EU. Ik heb de Commissie
opgeroepen tot een ambitieuze uitwerking van het Fair Labour Mobility Package, dat naar verwachting in het derde kwartaal van dit jaar wordt gepubliceerd. In het
bijzonder heb ik gepleit voor juridische verheldering van het wettelijk kader rondom
de detachering van derdelanderwerknemers. De jurisprudentie op dit terrein wordt nu
verschillend geïnterpreteerd door lidstaten, wat zowel de bescherming van derdelanderwerknemers
tegen misbruik en uitbuiting als een gelijk speelveld tussen bedrijven ondermijnt.
Duidelijke regels zijn bovendien noodzakelijk voor effectieve handhaving, waarbij
de Europese Arbeidsautoriteit een essentiële rol speelt.
Overig: Coördinatieverordening socialezekerheidsstelsels (883/2004)
Naar verwachting zal op 22 april a.s. een triloog plaatsvinden over de Coördinatieverordening
socialezekerheidsstelsels. Het is nog onduidelijk of voorafgaand aan deze triloog
een Coreper-vergadering zal worden ingepland. Zoals beschreven in de Geannoteerde
Agenda heeft het Cypriotische voorzitterschap onlangs een eerste concept-wettekst
onder dit voorzitterschap gedeeld. Op dit moment vinden bilaterale gesprekken plaats
tussen het voorzitterschap en lidstaten. Nederland benadrukt in deze gesprekken het
belang van modernisering van de verordening en het belang van een evenwichtig werkloosheidshoofdstuk.
Ook in bilaterale gesprekken met mijn collega-ministers uit andere lidstaten en andere
betrokkenen heb ik hiervoor aandacht gevraagd. Uiteraard zal ik uw Kamer informeren
zodra zich nieuwe ontwikkelingen voordoen op dit dossier.
Ondertekenaars
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid