Brief regering : Relatie wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers (Kamerstuk 36746) en pgb
36 746 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en de Wet financiering sociale verzekeringen teneinde aan flexibele arbeidskrachten meer zekerheden te verschaffen over werk en inkomen (Wet meer zekerheid flexwerkers)
25 657 Persoonsgebonden Budgetten
Nr. 8 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 maart 2026
In de procedurevergadering van januari heeft de vaste Kamercommissie SZW het wetsvoorstel
meer zekerheid flexwerkers aangemeld voor plenaire behandeling. Inmiddels is duidelijk
dat het wetsvoorstel naar verwachting begin april plenair behandeld kan worden. Middels
deze brief wil ik uw Kamer informeren over de stand van zaken van het wetsvoorstel
meer zekerheid flexwerkers. Dit in relatie tot de planning van de inwerkingtreding
van het wetsvoorstel en de samenloop tussen dit wetsvoorstel, budgethouders en uitvoerders
persoonsgebonden budget (pgb).
Inwerkingtreding wetsvoorstel
In de nota naar aanleiding van het verslag van het wetsvoorstel die in december is
gepubliceerd, is aangegeven dat om de voorziene inwerkingtredingsdata van 1 juli 2026
en 1 januari 2027 te halen, het wetsvoorstel tijdig moet worden aangenomen en in april
2026 in het Staatsblad wordt gepubliceerd, vanwege de relatie van dit wetsvoorstel
met wijzigingen in de loonaangifteketen. Met een plenaire behandeling van het wetsvoorstel
begin april, is deze planning niet meer haalbaar. Daarom onderzoeken de Belastingdienst
en het UWV momenteel wat voor hen de eerst mogelijke inwerkingtredingsdata zijn. Naar
verwachting betekent dit dat het onderdeel gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden op zijn
vroegst per 1 januari 2027 en de overige onderdelen per 1 januari 2028 in werking
kunnen treden. Dit is uiteraard afhankelijk van de plenaire behandeling en de voorraadagenda
van de uitvoerders. Uw Kamer wordt over de uitkomsten van de herijking van de uitvoeringstoetsen
geïnformeerd voorafgaand aan de plenaire behandeling.
Interactie wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers en pgb
Daarnaast wil ik u mede namens de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport informeren
over de interactie van het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers en het persoonsgebonden
budget (pgb). Toen, in de aanloop naar het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers,
in 2023 het wetsvoorstel voor internetconsultatie werd gepubliceerd, is dit ook voor
uitvoeringstoetsen naar de verschillende uitvoerders gestuurd. De directe uitvoerders
en handhavers van het wetsvoorstel zijn de Belastingdienst, het UWV en de Nederlandse
Arbeidsinspectie. Tevens heeft de SVB een Quickscan impactanalyse uitgevoerd ten aanzien
van de gevolgen van het wetsvoorstel voor de pgb-houders. Gegeven de korte tijd heeft
de SVB geen juridische analyse kunnen uitvoeren en konden begrippen en interpretatie
niet worden getoetst. Wel bleek uit de Quickscan dat er minstens 12 maanden nodig
waren om de pgb uitvoering voor te bereiden en dat deze vraagstukken bevatte over
hoe om te gaan met de situatie dat pgb-zorgverleners wel doorbetaald moeten worden
voor beschikbare uren, waarin geen zorg geleverd is. Bij de publicatie van het wetsvoorstel
in mei 2025 werd duidelijk dat de mogelijke gevolgen groter zouden zijn dan uit de
eerste impactanalyse was gebleken. Daarop heeft het Ministerie van VWS een uitvoeringstoets
aan de SVB op dit punt verzocht en de pgb-ketenpartners gevraagd welke gevolgen zij
voor de pgb-keten voorzien. Uit de uitvoeringstoets in december (als bijlage toegevoegd)
bleek dat het wetsvoorstel binnen de huidige voorwaarden en uitvoering van het pgb
niet uitvoerbaar is. Niet zonder grote gevolgen voor pgb-houders en forse uitvoeringslasten
voor de pgb-keten die van dien mate zijn dat uitvoering niet binnen afzienbare tijd
(voor 2030) mogelijk is.
Mede in dat licht is ons voornemen dat het tijdelijk in stand houden van de mogelijkheden
om oproepcontracten (waaronder nulurencontracten) af te sluiten en een verkorte tussenpoos
van 6 maanden te behouden voor pgb-houders en pgb-zorgverleners het meest zorgvuldig
is. Dit betekent dat de wijzigingen op deze punten voor pgb-houders en pgb-zorgverleners
nog niet in werking treden.
Om de gevolgen van het wetsvoorstel voor pgb te schetsen is het van belang ook inzicht
te geven in de budgethouders die momenteel een pgb hebben. Op dit moment zijn er in
totaal ongeveer 103.000 budgethouders. Van deze budgethouders zijn er ongeveer 16.500
werkgever (soms met meerdere arbeidsovereenkomsten). Het wetsvoorstel meer zekerheid
flexwerkers heeft dus potentieel betrekking op de ongeveer 15% van de budgethouders
die werkgever is (en dus op de meerderheid van de budgethouders niet). Voor dit wetsvoorstel
zit de problematiek in 13.082 arbeidsovereenkomsten met flexibele uren die zijn afgesproken
(9.126 zijn arbeidsovereenkomsten met vaste uren, waar het wetsvoorstel meer zekerheid
flexwerkers geen invloed op heeft).
Kern hierbij is dat het pgb een instrument is om zelf zorg in te kopen op eigen voorwaarden,
waarbij flexibiliteit belangrijk is. In een minderheid van de gevallen wordt dit op
een manier ingekocht dat de pgb-houder individueel werkgever voor een pgb-zorgverlener
wordt. In die gevallen komt het arbeidsrecht in beeld. De afgelopen periode heeft
al helder gemaakt dat het arbeidsrecht en het pgb op gespannen voet staan met elkaar.
Zo bracht de SVB in hun stand van de uitvoering al eerder naar voren dat het werkgeverschap
in het pgb moeilijk is voor pgb-budgethouders.1
Het kabinet signaleert hierbij de dilemma’s tussen de nieuwe beweging richting meer
zekerheid op de arbeidsmarkt bij flexibele contracten, het doenvermogen van pgb-houders
én de vrijheid binnen en vormgeving van het pgb. Daarbij nemen we ook de constatering
over van een groot gedeelte van de Tweede Kamer dat het doenvermogen voor pgb-houders
om het werkgeverschap goed uit te voeren beperkt is. Tegelijkertijd stuiten uitzonderingen
in het arbeidsrecht specifiek voor pgb-houders ook snel op (de juridische) gelijke
behandelingsgrenzen die gelden voor onderscheid tussen werknemers. Een dusdanige vormgeving
van het pgb, waardoor er minder vaak of niet meer sprake is van individueel werkgeverschap,
is een koerswijziging binnen het pgb en dit brengt ook forse vragen met zich mee.
Dit verder verkennen is wel een prioriteit mede gelet op de genoemde juridische risico’s
rond gelijke behandeling. Daarom zijn wij al begonnen met het inrichten van een verkenning
naar aanleiding van de aangenomen motie van Kamerlid Flach (SGP), waarin wordt opgeroepen
een verkenning uit te voeren naar een vereenvoudigd en verlicht regime voor budgethouders,
waarbij het verlichten van de administratieve lasten en de arbeidsrechtelijke verplichtingen
nadrukkelijk wordt betrokken.2
Wij zijn met de betrokken uitvoerders in overleg over wat een tijdelijke uitzondering
voor pgb-houders en zorgverleners op het wetsvoorstel betekent voor hun uitvoering
en per welke termijn een oplossing uitvoerbaar is. De Belastingdienst doet hier nog
een uitvoeringstoets op en ook de andere uitvoerders moeten dit nog toetsen. We zullen
uw Kamer voorafgaand aan de plenaire behandeling van het wetsvoorstel informeren en
u daarbij een nota van wijziging voorleggen.
Mede namens de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief
Ondertekenaars
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid