Brief regering : Fiche: Wijziging verordening biologische productie en etikettering
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4276
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 februari 2026
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij 11 fiches die werden opgesteld
door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).
Fiche – Verordening en richtlijn op het gebied van Gezondheidsbiotechnologie (Kamerstuk 22 112, nr. 4268).
Fiche – Amendement Verordening medische hulpmiddelen en medische hulpmiddelen voor
in-vitro diagnostiek (Kamerstuk 22 112, nr. 4269).
Fiche – Mededeling EU-plan cardiovasculaire gezondheid (Kamerstuk 22 112, nr. 4270).
Fiche – Verduurzamen Zakelijke Voertuigen (Kamerstuk 22 112, nr. 4271).
Fiche – Automobiel Omnibus (Kamerstuk 22 112, nr. 4272).
Fiche – Verordening CO2-emissienormen en voertuiglabel voor personen- en bestelauto’s (Kamerstuk 22 112, nr. 4273).
Fiche – Mededeling Europees Plan voor Betaalbaar Wonen (Kamerstuk 22 112, nr. 4274).
Fiche – Mededeling Europese Strategie voor Woningbouw (Kamerstuk 22 112, nr. 4275).
Fiche – Wijziging verordening biologische productie en etikettering.
Fiche – Mededeling Battery Booster Strategie (Kamerstuk 22 112, nr. 4277).
Fiche – Milieuomnibus (Kamerstuk 22 112, nr. 4278).
De Minister van Buitenlandse Zaken,
D.M. van Weel
Fiche: Wijziging verordening biologische productie en etikettering
1. Algemene gegevens
a) Titel voorstel
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging
van Verordening (EU) 2018/848 wat betreft bepaalde productie-, etiketterings- en certificeringsvoorschriften
en bepaalde voorschriften voor de handel met derde landen
b) Datum ontvangst Commissiedocument
16 december 2025
c) Nr. Commissiedocument
COM(2025) 780
d) EUR-Lex
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=celex:52025PC0780
e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing
Niet opgesteld
f) Behandelingstraject Raad
Landbouw- en Visserijraad
g) Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
h) Rechtsbasis
Artikel 43, lid 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)
i) Besluitvormingsprocedure Raad
Gekwalificeerde meerderheid
j) Rol Europees Parlement
Medebeslissing
2. Essentie voorstel
a) Inhoud voorstel
Op 16 december 2025 heeft de Commissie een voorstel gepubliceerd tot gerichte aanpassing
van regels in de biologische verordening (verordening 2018/848). Met dit voorstel
geeft de Commissie invulling aan [1] de opvolging van een uitspraak van het Hof van
Justitie van de EU (hierna: Hof) inzake het gebruik van het Europese biologische productie
logo (hierna: EU-biologo) op equivalente biologische producten uit derde landen, [2] het
verlengen van de periode om tot equivalentie overeenkomsten te komen en [3] een aantal
versimpelingsvoorstellen. Met het aanpassen van de verordening wil de Commissie zowel
een solide als gebruiksvriendelijke wettelijke basis bieden voor een groeiende biologische
sector.
In oktober 2024 concludeerde het Hof van Justitie van de Europese Unie (arrest Herbaria C-240/23) dat het EU-biologo niet mag worden gebruikt op producten die equivalent
zijn aan de regels van de biologische verordening, maar alleen gebruikt mag worden
op producten die volledig aan de regels van de EU voldoen. Dit is volgens het Hof
noodzakelijk zodat consumenten een geïnformeerde keuze kunnen maken tussen biologische
producten die conform EU-regels zijn geproduceerd en producten die in derde landen
zijn geproduceerd volgens equivalente regels. Dit acht het Hof tevens van belang in
het kader van het concurrentievermogen van EU-ondernemers.
Om te voldoen aan de Hofuitspraak stelt de Commissie voor om additionele eisen te
stellen aan biologische producten die geïmporteerd worden uit derde landen met equivalente
biologische productie- en controlesystemen, wanneer zij niet volledig aan de EU-regels
in de biologische verordening voldoen maar toch het EU-biologo willen vermelden op
het etiket van het biologische product. Op dit moment wordt het EU-biologo gebruikt
op producten die in de EU zijn geproduceerd conform de biologische verordening, op
producten uit derde landen waarvan het controlesysteem voldoet aan de biologische
verordening en op producten uit derde landen met equivalente biologische productie-
en controlesystemen. Het gebruik van het EU-biologo op producten is in de toekomst
dus alleen nog toegestaan wanneer volledig aan EU-eisen wordt voldaan. De Commissie
heeft hiertoe in haar voorstel een nieuwe bijlage (Annex 7) opgenomen met additionele
eisen waaraan equivalente producten moeten voldoen om het EU-biologo te mogen dragen.
De eisen betreffen een verbod op substraatteelt, een verbod op het aanbinden of isoleren
van dieren, een verbod op het gebruik van enig elektrisch of ander pijnlijk dwangmiddel
bij in- en uitladen van dieren, een verbod op het gebruik van allopathische kalmeringsmiddelen
bij vervoer van dieren en tenslotte een aanpassing van voorwaarden op het gebruik
van mineralen, vitamines, aminozuren en micronutriënten bij levensmiddelenverwerking.
Het tweede onderdeel van het Commissievoorstel betreft het verlengen van de erkenning
van derde landen waarvan de biologische productie- en controlesystemen als equivalent
aan die van de EU zijn aangemerkt. Deze erkenning verloopt op 31 december 2026 en
wordt in het voorstel verlengd tot 31 december 2036. In 2021 startte de Commissie
met onderhandelingen met deze landen, om tot equivalentie overeenkomsten over biologische
producten te komen. De fases van de technische onderhandelingen met deze derde landen
verschillen in voortgang vanwege een diversiteit aan wettelijke kaders en de complexiteit
van verschillende biologische productiesystemen. De Commissie geeft aan hier meer
tijd voor nodig te hebben en doet daarom dit voorstel.
Tenslotte stelt de Commissie enkele gerichte aanpassingen voor om een aantal biologische
productieregels te versimpelen. Daarbij geeft de Commissie aan dat het administratieve
en financiële lasten wil verminderen en uitzonderingsposities voor kleinere bedrijven
en boeren wil herijken.
De Commissie komt met een aantal concrete wijzigingsvoorstellen van de verordening.
Zo stelt de Commissie voor om geen aanvullende eisen uit te werken voor het gebruik
van producten en stoffen voor het reinigen en desinfecteren bij verwerking en opslag.
Het voorstel betreft het schrappen van het artikel dat de mogelijkheid biedt voor
aanvullende biologische regels op de regels uit horizontale wetgeving. Tevens stelt
de Commissie voor om kleinere ondernemers, die onverpakte biologische producten anders
dan diervoeder verkopen, uit te zonderen van de verplichting van het hebben van een
bio-certificaat. Dit doet de Commissie door in het voorstel het plafond van jaarlijkse
verkoop op te hogen van 5.000 naar 10.000 kg. Ook wil de Commissie de eisen voor groepscertificering
in de EU en in derde landen aanpassen, omdat de huidige regels beperkend zijn voor
de deelname van kleinere ondernemers.
Daarnaast stelt de Commissie voor om enkele biologische regels voor dierlijke productie
te versimpelen waar het gaat om: [i] de omschakelperiode van gangbaar naar biologisch
en minimumleeftijd slacht biologische kwartels, [ii] de wachttijd na behandeling met
diergeneesmiddelen, [iii] de voorwaarden voor toegang tot de buitenlucht voor pluimvee,
en [iv] de totale nuttige oppervlakte in pluimveestallen voor het afmesten van pluimvee.
Allereerst stelt de Commissie voor om voor biologische kwartels die worden gehouden
voor vleesproductie een kortere omschakelperiode te hanteren (5 weken) dan voor ander
pluimvee (10 weken) aangezien deze dieren eerder geslacht worden. Daarnaast stelt
de Commissie een minimum slachtleeftijd voor van 42 dagen. Met beide voorstellen krijgen
ondernemers volgens de Commissie een passendere omschakelperiode en slachtleeftijd
die past bij de lengte van de levenscyclus van biologische kwartels. Het betekent
ook dat de groei van de biologische kwartelsector vereenvoudigd wordt.
Ten tweede stelt de Commissie voor om de wachttijd na gebruik van chemisch gesynthetiseerde
allopathische diergeneesmiddelen aan te passen voor die geneesmiddelen die een wachttijd
van 0 dagen hebben. Dit betekent dat na de laatste toediening aan een dier van een
chemisch gesynthetiseerd allopathisch diergeneesmiddel met een wachttijd van 0 dagen,
er geen 48 uur meer hoeft te worden gewacht alvorens tot productie van biologische
levensmiddelen afkomstig van dat dier kan worden overgegaan.
Ten derde stelt de Commissie voor om de bestaande verplichting aan te passen met betrekking
tot continue toegang overdag tot buitenlucht voor pluimvee, vanaf een zo jong mogelijke
leeftijd. Het voorstel stelt de voorwaarde dat jonge vogels voldoende veren moeten
hebben om hun lichaamstemperatuur te reguleren wanneer ze worden blootgesteld aan
buitenomstandigheden.
Ten vierde doet de Commissie een voorstel om de maximale bruikbare oppervlakte voor
het afmesten van pluimvee vast te stellen op het op het niveau van de pluimveestallen
in plaats van op het niveau van de productie-eenheid. Dit maakt verdere ontwikkeling
van de biologische productie van mestpluimvee mogelijk zonder dat bedrijven worden
opgesplitst met als enig doel het exploiteren van meerdere biologische productie-eenheden.
Bedrijven hebben met deze maatregel de mogelijkheid om meerdere pluimveestallen te
hebben, elk met een maximale oppervlakte van 1.600 m2, binnen een productie-eenheid. De huidige beperking van het vastleggen van de totale
oppervlakte per productie-eenheid heeft geen extra voordelen voor dierenwelzijn en
het milieu.
b) Impact assessment Commissie
Er is geen impact assessment uitgevoerd door de Commissie. Het kabinet hecht er waarde
aan dat Commissievoorstellen gepaard gaan met een degelijk impact assessment. Dit
mag ook verwacht worden vanuit de agenda voor betere regelgeving van de Commissie.
Zonder een impact assessment ontbreekt een grondige analyse van de economische, sociale,
ecologische gezondheidsgevolgen van de wijzigingen in wetgeving. De urgentie van de
voorstellen laat volgens de Commissie echter geen ruimte voor een dergelijke toets.
Als de Commissie inderdaad geen impact assessment presenteert of als deze onvoldoende
informatie oplevert om de voorstellen goed te kunnen beoordelen, zal het kabinet zelf
het nodige doen om zich een beeld te vormen van de effecten van het voorstel, zodat
die kunnen worden meegewogen in het definitief oordeel van het kabinet. Hierbij zullen
belanghebbenden worden betrokken, eventueel via een MKB-toets.
3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein
Nederland heeft de ambitie om het biologisch landbouwareaal te vergroten naar 15%
van het totale areaal in 2030. Met biologische landbouw kan een bijdrage geleverd
worden aan maatschappelijke opgaven op het gebied van klimaat, stikstof, waterkwaliteit,
biodiversiteit en dierenwelzijn. Om deze ambitie te bereiken, geeft het kabinet uitvoering
aan het actieplan «Groei van biologische productie en consumptie1». Het kabinet hecht veel belang aan een gedegen controlestelsel om zo een betrouwbare
certificering voor biologische producten te waarborgen en daarmee consumentenvertrouwen
te bewerkstelligen.
b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
In algemene zin verwelkomt het kabinet het voorstel van de Commissie, en steunt het
de voorstellen die beogen de administratieve lasten voor het bedrijfsleven te verlagen.
Om de groei van het biologisch landbouwareaal te stimuleren is een solide, gebruiksvriendelijke
wettelijke basis wenselijk om daarmee administratieve lasten waar mogelijk te voorkomen
of verminderen. Het kabinet steunt de hiermee beoogde vereenvoudiging en verduidelijking
van de basisverordening, en is tevreden dat het voorstel geen afbreuk doet aan de
maatschappelijke doelen die ten grondslag liggen aan de biologische verordening. Het
kabinet betreurt echter dat enkele voorstellen die Nederland eerder heeft ingediend
ter aanpassing van de verordening, niet zijn overgenomen. Tevens maakt het kabinet
zich zorgen over het voorstel van de Commissie om aanvullende eisen te kunnen stellen
aan equivalente producten voor vermelding van het EU-biologo.
Het kabinet begrijpt dat de Commissie genoodzaakt is om gevolg te geven aan het Herbaria arrest en daartoe de verordening aanpast op het gebruik van het EU-biologo op equivalente
biologische producten. Het kabinet ziet daarbij het voordeel van voorgestelde de aanpassingen
vanuit het perspectief van juiste informatievoorziening aan de consument en vanuit
het concurrentieperspectief van de Europese interne markt ten opzichte van producenten
in derde landen. Echter, het kabinet vraagt zich af hoe de Commissie tot dit voorstel
is gekomen en of andere oplossingsrichtingen zijn overwogen. Het kabinet maakt zich
namelijk zorgen over de potentiële gevolgen voor de bestaande equivalentie overeenkomsten
en lopende onderhandelingen als het EU-biologo niet meer op geïmporteerde equivalente
producten uit derde landen is toegestaan, tenzij aan de voorgestelde aanvullende eisen
wordt voldaan.
Aangezien de Commissie geen impact assessment heeft uitgevoerd maakt het kabinet zich
niet alleen zorgen over de gevolgen voor import maar ook voor export van biologische
producten. Het is immers mogelijk dat derde landen met vergelijkbare regels voor Europese
biologische producten zullen komen. Het kabinet vraagt zich af wat de te verwachten
impact van deze aanvullende productieregels over en weer zal zijn en of een andere
oplossing mogelijk is met potentieel minder vergaande gevolgen. Het kabinet zal hier
aandacht voor vragen.
Het kabinet steunt het voorstel om de equivalentie erkenningen van derde landen tot
2036 te verlengen aangezien het begrijpt dat meer tijd nodig is voor onderhandelingen
om tot equivalentie overeenkomsten te komen.
Het kabinet steunt het voorstel om voor verwerking en opslag van biologische producten
geen biologische regels uit te werken voor reiniging en desinfectie. Hiermee mogen
voor verwerking en opslag dus reinigings- en desinfectiemiddelen gebruikt worden die
via horizontale wetgeving zijn toegestaan. Dit is in lijn met de oproep van Nederland
tot vereenvoudiging.
De Commissie stelt voor om kleinere ondernemers, die onverpakte biologische producten
anders dan diervoeder verkopen, uit te zonderen van de verplichting van het hebben
van een bio-certificaat. Hierdoor hoeven minder kleine verkooppunten zich te laten
certificeren. Zij moeten zich in nog wel registreren bij een biologische controle
organisatie of controle autoriteit. In Nederland is dit Skal Biocontrole. Het kabinet
had dit voorstel aangedragen bij de Commissie en steunt dit voorstel.
Hoewel er geen Nederlandse bedrijven gebruik maken van de mogelijkheid in wetgeving
voor groepscertificering, steunt Nederland het voorstel van de Commissie omdat dit
de deelname van kleinere ondernemers, met name in derde landen, vergemakkelijkt door
de administratieve lasten te verlichten, zonder concessies te doen aan de kwaliteit
van biologische certificering.
Het kabinet heeft geen bezwaar tegen het voorstel van de Commissie om voor biologische
kwartels die worden gehouden voor vleesproductie een kortere omschakelperiode te hanteren
en een minimum slachtleeftijd van 42 dagen. In Nederland worden geen kwartels biologisch
gehouden.
Het kabinet steunt het voorstel van de Commissie om voor biologisch gehouden dieren
de huidige wachttijd van 48 uur na gebruik van chemisch gesynthetiseerde allopathische
diergeneesmiddelen met een wachttijd van 0 uur, ook op 0 dagen te zetten. Dit leidt
niet tot extra risico's voor de voedselveiligheid en volksgezondheid.
Het kabinet steunt dit voorstel van de Commissie omdat het verduidelijkt dat de jonge
vogels voldoende veren moeten hebben alvorens zij worden blootgesteld aan continue
toegang tot de buitenlucht.
Het kabinet steunt het voorstel om de maximale bruikbare ruimte voor het mesten van
pluimvee op het niveau van stallen te leggen, omdat het de groei van de biologische
pluimveesector mogelijk maakt tegen lagere kosten dan nu. Bedrijven kunnen nu hun
productie-eenheid laten bestaan uit meerdere stallen in plaats van dat zij wanneer
zij willen groeien iedere keer een nieuwe productie-eenheid moeten beginnen.
c) Eerste inschatting van krachtenveld
Op het moment van schrijven hebben lidstaten formeel nog geen posities ingenomen.
Wel geven nagenoeg alle lidstaten aan de pogingen van de Commissie te verwelkomen
om snel opvolging te geven aan het arrest Herbaria van het Hof, de termijn te verlengen om tot equivalentie overeenkomsten te komen
met derde landen en om met versimpeling van de verordening regeldruk te verminderen.
De Commissie benadrukt dat snelle implementatie van het voorstel noodzakelijk is voor
het continueren van de handel in biologische producten met derde landen waar equivalentie
afspraken mee zijn, omdat de termijn om met hen tot overeenkomsten te komen, in 2026
afloopt. Verder geeft de Commissie opvolging aan het Herbaria arrest en benadrukt ook hier het belang om belemmeringen in handel te voorkomen.
Tot slot committeert de Commissie zich aan het verlagen van administratieve lasten
voor biologische ondernemers met een aantal versimpelingswijzigingen.
De positie van het Europees Parlement is niet bekend; er heeft nog geen aanwijzing
van rapporteurs plaatsgevonden.
In de Raad lijkt consensus te zijn over snelle afhandeling van dit dossier gezien
de wettelijke termijn van erkende equivalentie derde landen verloopt in 2026. Voor
technisch-inhoudelijke onderdelen geldt dat posities nog nader te bepalen zijn.
4. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit
a) Bevoegdheid
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet of de EU handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten
in de EU-verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken.
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid is positief. Het voorstel
van de Commissie is gebaseerd op artikel 43, tweede lid, VWEU. Artikel 43, tweede
lid, VWEU geeft de EU de bevoegdheid tot het vaststellen van regelgeving ten behoeve
van de gemeenschappelijke ordening van de landbouw en de doelstellingen van het gemeenschappelijk
landbouwbeleid. Het kabinet kan zich vinden in de keuze voor deze rechtsgrondslag.
Op het terrein van landbouw en visserij is overwegend sprake van een gedeelde bevoegdheid
tussen de EU en de lidstaten (artikel 4, tweede lid, onderdeel d, VWEU).
b) Subsidiariteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet de subsidiariteit van het optreden van de Commissie. Dit houdt in dat het
kabinet op de gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen
of wanneer sprake is van een voorstel dat gezien zijn aard enkel door de EU kan worden
uitgeoefend, toetst of het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op
centraal, regionaal of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang
of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kan worden bereikt (het
subsidiariteitsbeginsel).
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de subsidiariteit is positief. Het voorstel
heeft tot doel administratieve lasten voor ondernemers te verlagen met een aantal
vereenvoudigingen, om uitvoering te geven aan het arrest Herbaria (C-234/23) en om de termijn voor equivalentie afspraken te verlengen waarmee ondernemers
zo snel mogelijk juridische zekerheid krijgen over de eisen waaraan voldaan moet worden
rondom equivalentie afspraken met derde landen. Individuele lidstaten kunnen de integriteit
van een biologisch label dat door de gehele EU moet gelden niet zelfstandig op adequate
wijze waarborgen. Bovendien is het voorstel ingegeven door de noodzaak om gelijke
voorwaarden te creëren voor het gebruik van het EU biologo op biologische producten,
waar huidige eisen voor in de EU nog niet gelden voor biologische producten uit derde
landen met equivalente biologische productie- en controlesystemen. Deze doelstellingen
kunnen niet door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau worden verwezenlijkt.
Bovendien worden equivalentieafspraken met derde landen over handel in biologische
producten, inclusief het EU biologo gebruik, op EU niveau gemaakt en niet met Europese
lidstaten afzonderlijk. Biologische producten uit de hele EU voldoen aan dezelfde
eisen in de verordening waarmee het EU biologo het enige wettelijke Europese keurmerk
op voedsel is en daarmee een sterk keurmerk is. Daarom is een EU-aanpak nodig. Door
de voorgestelde nieuwe regels omtrent het EU biologische logo, wordt de concurrentiepositie
bevorderd van Europese biologische ondernemers, die volledig moeten voldoen aan de
EU-regels en controles, tegenover ondernemers buiten de EU die voldoen aan equivalente
regels maar wel hun biologisch product in de EU afzetten. Om die redenen is optreden
op het niveau van de EU gerechtvaardigd.
c) Proportionaliteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet of de inhoud en vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat
nodig is om de doelstellingen van de EU-verdragen te verwezenlijken (het proportionaliteitsbeginsel).
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de proportionaliteit van het voorstel
tot aanpassing van de verordening is positief met een aandachtspunt ten aanzien van
de noodzakelijkheid. Het voorstel heeft tot doel administratieve lasten voor ondernemers
te verlagen met een aantal vereenvoudigingen, om uitvoering te geven aan het arrest
Herbaria (C-234/23) en om de termijn voor equivalentie afspraken te verlengen waarmee ondernemers
zo snel mogelijk juridische zekerheid krijgen over de eisen waaraan voldaan moet worden
rondom equivalentie afspraken met derde landen.
Het kabinet acht het voorstel geschikt om genoemde doelstellingen, het verminderen
van administratieve lasten en juridische zekerheid, te bereiken. Een aantal biologische
productieregels wordt vereenvoudigd en zijn daarmee makkelijker implementeerbaar voor
ondernemers. Tegelijkertijd wordt niet getornd aan de beginselen van de verordening
dus is het kabinet van mening dat met het vereenvoudigen van regels het voorstel niet
verder gaat dan noodzakelijk.
Het kabinet acht de voorgestelde wijzigingen in de verordening geschikt om de doelstelling
om spoedig juridische zekerheid met betrekking tot uitvoering van het arrest Herbaria (C-240/23) en de verlenging van de termijn van equivalentieafspraken te bereiken.
Echter, het kabinet vraagt zich af hoe de Commissie tot dit voorstel is gekomen en
of andere oplossingsrichtingen zijn overwogen. Het kabinet maakt zich namelijk zorgen
over de potentiële gevolgen voor de bestaande equivalentie overeenkomsten en lopende
onderhandelingen als het EU-biologo niet meer op geïmporteerde equivalente producten
uit derde landen is toegestaan, tenzij aan de voorgestelde aanvullende eisen wordt
voldaan. Inhoudelijk gezien kan het kabinet om die reden nog niet beoordelen of het
voorstel om opvolging te geven aan het arrest Herbaria (C-240/23) verder gaat dan noodzakelijk, met name omdat andere mogelijke oplossingen
niet zijn besproken met de Commissie. Het kabinet zal hier aandacht voor vragen.
5. Financiële consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
a) Consequenties EU-begroting
Het voorstel heeft geen implicaties voor de EU-begroting. Mochten er toch gevolgen
zijn voor de EU-begroting, dan is het kabinet van mening dat de benodigde EU-middelen
gevonden dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de
EU-begroting 2021–2027. Het kabinet wil niet vooruitlopen op de integrale afweging
van middelen na 2027.
b) Financiële consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/ of medeoverheden
Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de Rijksbegroting. Mochten er uiteindelijk
toch budgettaire consequenties blijken te zijn, dan worden deze ingepast op de begroting
van het beleidsverantwoordelijke departement, conform de regels van de budgetdiscipline.
Naar verwachting hebben de voorgestelde wijzigingen geen (grote) gevolgen voor toezichthouder
Skal Biocontrole. Mochten deze gevolgen er wel zijn, zullen die conform de financieringssystematiek
van de toezichthouders worden ingepast.
c) Financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger
De voorgenomen wijzigingen zullen volgens de Commissie de administratieve lasten voor
het bedrijfsleven op een aantal fronten verlagen. Ook zal een aantal kleine bedrijven
in Nederland niet langer gecertificeerd hoeven te worden, wat tegemoetkomt aan hun
wens om de regeldruk te verlagen op dit punt. Door de erkenning van equivalente derde
landen te verlengen, zal een disruptie van de internationale handel in biologische
producten worden voorkomen. Tegelijkertijd zal er mogelijk (veel) regeldruk kunnen
ontstaan wanneer, door de nieuwe spelregels rondom het EU logo-gebruik, er aanvullende
productieregels worden opgelegd aan producten uit die derde landen dan wel wanneer
deze derde landen als tegenreactie ook aanvullende productieregels gaan opstellen
voor biologische producten uit de EU. Een goede inschatting van deze potentiële gevolgen
is momenteel niet te maken vanwege het ontbreken van een impact assessment.
d) Gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
Het kabinet verwacht dat de voorgestelde aanpassingen rondom het gebruik van het EU
biologo effect zullen hebben op bestaande equivalentie-overeenkomsten en lopende onderhandelingen
over nog te sluiten overeenkomsten. De Commissie heeft aanvullende eisen opgenomen
in een nieuwe bijlage in de verordening voor equivalente producten, maar een impact
assessment ontbreekt. Het is daarom onduidelijk voor het kabinet hoe groot de mogelijke
gevolgen zijn voor de concurrentiekracht en wat de geopolitieke gevolgen hiervan zijn.
Het staat buiten kijf dat het voor de Europese concurrentiekracht van belang is dat
de EU haar reputatie als eerlijke en voorspelbare handelspartner beschermt. Daarvoor
is het van belang dat de EU zich beweegt binnen de kaders van het internationale recht,
waaronder de afspraken die gemaakt zijn binnen de WTO en EU handelsakkoorden. Het
kabinet zal hier aandacht voor vragen.
6. Implicaties juridisch
a) Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid
(inclusief toepassing van de lex silencio positivo)
De gevolgen voor nationale en decentrale regelgeving zijn beperkt. Het voorstel brengt
wijzigingen aan in de biologische verordening. Deze verordening bevat uitputtende
regels voor de biologische productie en etikettering. De wijzigingen hebben betrekking
op bepalingen van de verordening die niet verder zijn uitgewerkt in nationale regelgeving
en waarvoor dus geen wijzigingen in nationale regelgeving vereist zijn.
b) Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan
Het voorstel bevat een nieuwe bevoegdheid voor de Commissie om op grond van artikel 33,
zevende lid, van de verordening kan de Commissie gedelegeerde handelingen vast te
stellen. Dit betreft de bevoegdheid om regels te stellen in aanvulling op de eisen
uit bijlage VII, met betrekking tot het gebruik van het biologische logo voor uit
derde landen geïmporteerde producten. Deze regels kunnen met name betrekking hebben
op het gehanteerde productiesysteem (met aandacht voor milieu, klimaat, dierenwelzijn,
natuur) of gehanteerde voedselverwerkingsmethodes (bijv. minimale kunstmatige inputs).
Hiermee verkrijgt de Commissie een bevoegdheid om te bepalen aan welke EU-eisen biologische
producten uit derde landen moeten voldoen om gebruik te mogen maken van het Europese
biologische logo. Het toekennen van deze bevoegdheden is mogelijk omdat hiermee niet-essentiële
onderdelen van de wetgevingshandeling worden aangevuld. Toekenning van deze bevoegdheden
acht het kabinet wenselijk, omdat dit de flexibiliteit op deze terreinen kan bevorderen.
Flexibiliteit is nodig met het oog op voortschrijden van innovatie en wetenschappelijke
inzichten. Delegatie in plaats van uitvoering ligt hier voor de hand omdat het gaat
om de aanvulling of wijziging van de verordening. Het kabinet merkt wel op dat deze
nieuwe gedelegeerde bevoegdheid ook een wijziging van artikel 54 van verordening 2018/848
dient mee te brengen. In artikel 54 van de verordening zijn de voorwaarden voor het
uitoefenen van de gedelegeerde bevoegdheden bepaald. Om deze voorwaarden op artikel 33,
zevende lid van toepassing te laten zijn, dient artikel 54 ook aangepast te worden.
Het kabinet zal dit onder de aandacht brengen bij de Commissie. Indien deze wijziging
wordt doorgevoerd, zal het kabinet deze bevoegdheid voldoende afgebakend achten: door
de toepassing van de procedure van artikel 54 van de verordening is de bevoegdheid
van de Commissie ingekaderd en is de betrokkenheid van de lidstaten gewaarborgd. Het
Interinstitutioneel Akkoord Beter Wetgeven zou hiermee goed worden nageleefd.
c) Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum
inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid
De voorgestelde datum van inwerkintreding is de dag na publicatie in het Publicatieblad
van de Europese Unie. Er is geen wijziging van de Nederlandse regelgeving nodig. Echter,
het voorstel brengt veranderingen aan in de voorwaarden waaronder producten het biologische
logo mogen dragen terwijl verpakkingsmateriaal vaak ruim op voorraad is. Bij directe
inwerkingtreding zou dit materiaal waardeloos worden. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid
dat producten die volgens de huidige regels zijn verpakt niet langer mogen worden
verkocht, omdat zij niet langer voldoen aan de eisen van de verordening. Daarom is
een overgangstermijn of uitgestelde inwerkingtreding van dit onderdeel wenselijk en
zal Nederland hiervoor pleiten.
d) Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling
N.v.t.
e) Constitutionele toets
N.v.t.
7. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving
De toezichthouder op biologische productie in Nederland is Skal biocontrole. Het kabinet voorziet dat Skal enige tijd nodig heeft om de voorgestelde
wijzigingen in te regelen, zowel voor wat betreft de informatievoorziening aan biologische
ondernemers via verschillende communicatiekanalen, als het aanpassen van het toezicht
op onderdelen.
8. Implicaties voor ontwikkelingslanden
Geen implicaties voor ontwikkelingslanden anders dan de genoemde consequenties voor
derde landen in het algemeen zoals aangegeven onder onderdeel 5d.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken