Brief regering : Beleidsreactie op het rapport 'Op de rem; voorbij de hypernerveuze samenleving'
25 424 Geestelijke gezondheidszorg
Nr. 777
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 februari 2026
Als het gaat om gezondheid, gaat het over meer dan lichamelijke gezondheid; ook mentale
en sociale gezondheid zijn belangrijke waarden in onze samenleving. Mentaal gezond
zijn wordt geassocieerd met een 15 tot 20 jaar langere levensverwachting, onder meer
door sneller herstel van lichamelijke ziekten. Tegelijkertijd treffen stemmingsstoornissen,
angststoornissen en middelenstoornissen jaarlijks zo’n 3,4 miljoen Nederlanders (leeftijd
18 tot 75 jaar).1 Deze stoornissen leiden tot ongeveer € 18,8 miljard2 aan kosten per jaar. Monitors laten verder zien dat ongeveer 30% van de adolescenten
kampt met mentale problemen.
Deze cijfers sluiten aan op de bevindingen en conclusies in het rapport «Op de rem;
voorbij de hypernerveuze samenleving» van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
(hierna Raad). Ondanks de demissionaire status van het kabinet heeft uw Kamer mij
verzocht – bij brief van 4 december 2025 (kenmerk 2025Z21179) – om een snelle beleidsreactie. Het verzoek van snelheid trof mij in het licht van
de titel van het genoemde rapport. Is het niet aan een ieder van ons, om het goede
voorbeeld te geven om te vertragen en oog te hebben voor elkaar en de druk die we
elkaar opleggen?
De mentale volksgezondheid: een maatschappelijke opgave
Achter de cijfers over mentale gezondheid gaat een wereld schuil. Het is een weerbarstig
en maatschappelijk vraagstuk, dat ook nauw en nadrukkelijk samenhangt met andere zaken,
zoals leren, werk, zorg en sociale relaties. De Raad beschrijft een hypernerveuze
samenleving, waarin nadruk op individuele verantwoordelijkheid, prestatiedruk op school
of werk, en (technologische) versnelling zijn doorgeschoten. Dit kunnen volgens de
Raad juist wel eens de oorzaken zijn van de verslechtering van de mentale volksgezondheid.
Het tot rust brengen van de samenleving is nodig om de mentale volksgezondheid te
verbeteren. De Raad spreekt over een sociaal -culturele verandering die nodig is om
maatschappelijke tendensen te keren, en dat die ook gaan over de manier waarop wij
eisen stellen aan onszelf, aan onze manier van leven en presteren. Dit vraagt een
gezamenlijke inzet (transitie), maar ook om het hebben van een lange adem: van overheden,
politiek, maatschappelijke organisaties, bedrijven, (zorg)professionals én mensen
zelf. In deze transitie staan waarden als verbinding, vertraging en verscheidenheid
centraal.
Mentale gezondheid: voelt als normaal en gedeeld
Ik herken en erken de bevindingen die de Raad in haar rapport heeft opgenomen. Ik
gebruik de aangeboden handvatten om de oorzaken van de verslechterende mentale gezondheid
verder te onderzoeken. De al gestarte dialoog wordt verder uitgediept vanuit de vraag:
«waar moet de dialoog zich naartoe bewegen om een andere blik (transitie) in de samenleving
op mentale gezondheid te faciliteren». De effecten van maatregelen op de mentale volksgezondheid
vanuit verschillende leefomgevingen worden daarbij meegenomen. In die uitwerking betrek
ik de leefomgevingen die door de Raad zijn genoemd: zorg, werk en leren. Deze sluiten
ook aan bij de «Versterkingsagenda mentale gezondheid en ggz»3 (hierna versterkingsagenda). Ik leg de focus in eerste instantie op (jong)volwassenen
van 16 tot 35 jaar, omdat in deze groep grote problematiek zichtbaar is. Ook volwassenen
en ouderen gaan in deze aanpak een plek krijgen. Ik betrek daar onder andere de Nationale
Jeugdraad, MIND/MIND Us, de Raad, en ook het Trimbos-instituut bij. Voor de jaren
2026 en 2027 heb ik middelen beschikbaar om via design thinking/social design4 aan bovenstaande invulling te geven.
Maatregelen in samenhang
Het Rijk zet sinds 2022 in op een mentaal gezonde samenleving via de aanpak «Mentale gezondheid: van ons allemaal».5 Doordat deze aanpak – door een afname in het aantal beschikbare middelen – in die
vorm is gestopt, is het niet mogelijk de huidige inzet gelijk te houden. Mijn inzet
kent, een vervolg via de Versterkingsagenda, gericht op onder meer op kennisontwikkeling,
preventie (zoals het bespreekbaar maken van mentale gezondheid en het versterken van
mentale veerkracht) en op (stelsel) afspraken binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord.6 Binnen de Versterkingsagenda is daarnaast specifieke aandacht voor vrouwengezondheid,
bijvoorbeeld door het vergroten van kennis en bewustwording. Dit is nodig omdat de
manier waarop mentale gezondheidsproblemen in de cijfers tot uiting komen verschilt
tussen jongens en meiden en tussen mannen en vrouwen. In 2025 is een eerste aanzet
tot een Nationale Strategie Vrouwengezondheid 2025–2030 gepubliceerd.7 Het doel is het structureel verbeteren van de gezondheid van vrouwen en meiden in
Nederland en benadrukt ook het belang van het bredere perspectief van vrouwengezondheid:
ook mentaal en sociaal. Hoewel deze rijksbrede inzet zich nog niet in de cijfers vertaalt,
heb ik er vertrouwen in dat de eerste belangrijke stappen zijn gezet.
Tot slot is er samenhang met het in 2025 uitgevoerde Interdepartementale Beleidsonderzoek
«Uit Balans»8 (hierna IBO). Dit IBO laat ook zien dat er zorgen zijn over de mentale gezondheid
in Nederland. Daar waar het IBO vooral het overheidsbeleid rondom mentale gezondheid
adresseert, legt het advies van de Raad de nadruk op de oorzaken in de samenleving
achter mentale gezondheid. Een kabinetsreactie op het IBO volgt in het derde kwartaal
van 2026.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.Z.C.M. Tielen
Ondertekenaars
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport