Brief regering : Update techniekonderwijs in het vmbo
30 079 VMBO
Nr. 126
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 februari 2026
Het vmbo biedt de helft van alle leerlingen een plek waar zij zich thuis voelen, kunnen
groeien en gewaardeerd worden. Waar ze zich oriënteren op hun toekomst – bijvoorbeeld
in de techniek. Maar in 2018 stond het technisch vmbo zwaar onder druk. Leerlingendaling
sloeg toe, vooral in het vmbo, waardoor tientallen technische vmbo-profielen verdwenen
en het regionale opleidingsaanbod verschraalde.
Daarom investeert het kabinet sinds 2018 met het programma Sterk Techniekonderwijs
(STO) structureel 100 miljoen euro per jaar in techniekonderwijs in het vmbo. Vmbo-scholen
werken in een landelijk dekkend netwerk van 74 STO-regio’s samen met het mbo, po en
het bedrijfsleven aan toekomstbestendig, dekkend en kwalitatief sterk techniekonderwijs.
STO-regio’s laten zien dat ze door nauwe samenwerking de daling van het technisch
vmbo een halt toeroepen. Door samenwerking groeit het technisch vmbo. Uit de onafhankelijke
eindevaluatie in opdracht van OCW van de eerste fase 2020–2024 blijkt: STO werkt.
Hierbij bied ik uw Kamer het rapport aan. Ook start ik met een verkenning naar de
borging van het programma na 2029.
Mijlpaal 1: Meer techniekaanbod ondanks verschraling
Door leerlingendaling in het vmbo verschraalt het onderwijsaanbod. Vmbo-leerlingen
komen niet meer vanzelfsprekend in aanraking met alle beroepsgerichte profielen. Het
vmbo biedt niet meer de brede oriëntatie die het hen hoort te bieden. Voor de start
van STO was de landelijke trend dat techniekprofielen werden gesloten. STO is er in
geslaagd om deze trend te keren. Sinds de start van STO is het aantal technische profielen
in Nederland gelijk gebleven. Sterker nog, het is zelfs licht gestegen. Een grote
prestatie gezien de forse leerlingendaling in het vmbo. Bij andere vmbo-profielen
is de daling van het aanbod wel te zien. Dit geeft de kracht van regionale samenwerking
weer. Ook worden er landelijk meer technische keuzevakken aangeboden. Dit is een succes,
maar geen oplossing voor de lange termijn. Het technisch vmbo-aanbod moet structureel
bestendigd worden. Daarom wordt er gewerkt aan een verkenning naar de toekomst van
de beroepsgerichte profielen.
Mijlpaal 2: Meer leerlingen kiezen voor techniek
Door STO is techniek in het vmbo aantrekkelijker dan ooit. Het aandeel techniekleerlingen
is tussen 2020 en 2025 toegenomen van 19,2% naar 20,4%. Ook zijn er meer leerlingen
uit niet-technische profielen die een technisch keuzevak volgen en zich oriënteren
op de techniek.
Mijlpaal 3: Meer docenten in de techniek ondanks het lerarentekort
Ook in het beroepsgerichte vmbo slaat het lerarenkort hard toe, met een tekort van
7,5%. Daarom ben ik trots om te zien dat tussen 2018 en 2023 in het technisch vmbo
14% meer fte aan docenten zijn. Ter vergelijking: In dezelfde periode daalt dit voor de niet-technische
profielen met 11%.
Dit komt mede doordat het aantal zij-instromers in de technische vmbo-profielen van
11% naar 23% is gestegen. Samenwerking met het bedrijfsleven heeft dus niet alleen
voordelen voor het onderwijs, maar geeft bedrijven de kans om de wereld van het onderwijs
te ontdekken. In de voorbereidingen voor een wetsvoorstel bevoegdheden in het beroepsgericht
vmbo wordt verkend hoe de routes voor mbo-opgeleide vakmensen naar het vmbo-leraarschap
beter kunnen.
Het succes van STO is regionale samenwerking
STO werkt door regionale samenwerking. Scholen denken en werken vanuit het gezamenlijke
belang. Regio’s krijgen begeleiding en ondersteuning in het samenwerken, kennisdelen,
en innoveren. Ook zien de onderzoekers als succesfactor dat het eigenaarschap bij
het vmbo ligt. Het vmbo vormt de schakel tussen het po, mbo en bedrijfsleven. Het
beroepsonderwijs laat met STO zien dat ondanks vele uitdagingen techniekonderwijs
succesvol kan zijn.
Vijf jaar STO: nog niet alle opbrengsten geoogst
De hoofdconclusie van het onderzoek is dat met de eerste fase van STO de basis op
orde is en successen zijn geboekt, maar nog niet alle opbrengsten zijn geoogst of
geborgd. Er zijn nog steeds uitdagingen: stijgende kosten en verdere leerlingendaling
zetten het beroepsgericht onderwijsaanbod, en met name het technische aanbod, verder
onder druk. Deze uitdagingen zijn groter dan individuele vmbo-vestigingen aankunnen.
Ook zijn er nog stappen te zetten op de aansluiting tussen vmbo en mbo. De oplossing
ligt in structurele regionale samenwerking. De structurele investering in techniekonderwijs
in het vmbo wordt dan ook in 2025–2029 vormgegeven door de tweede fase van het programma
STO.1 Het landelijk dekkend netwerk van 74 regio’s bouwt voort op hun succes om het techniekonderwijs
in het vmbo nog sterker neer te zetten. Ik krijg veel signalen dat scholen onzeker
zijn over de toekomst van dit programma. Ik wil hen geruststellen: sinds 2018 heeft
het kabinet het belang van dit programma steeds opnieuw onderstreept. Het ministerie
start zoals eerder toegezegd de verkenning naar een passende vorm van financiering
voor STO na 2029, waarbij de financiële middelen voor het technisch vmbo regionale
samenwerking borgen. Er wordt onderzocht hoe deze borging van STO er uit zal zien.
Het vmbo is in beweging, en STO moet mee. De uitdagingen zijn alleen op te lossen
via regionale samenwerking tussen vmbo, mbo en bedrijfsleven. Dit succes was niet
mogelijk geweest zonder al het enthousiasme en alle inzet van scholen, leraren, bedrijven,
mbo-instellingen, programmaleiders, en alle anderen die zich inzetten voor sterk techniekonderwijs.
Ook het advies van Wennink benadrukt het belang van het technisch vmbo. Hier moet
structureel aandacht voor blijven.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
K.M. Becking
Ondertekenaars
K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap