Brief regering : Reactie op verzoek commissie over brieven van de Waddenvereniging en de provincies Groningen en Friesland
33 529 Gaswinning
29 684
Waddenzeebeleid
Nr. 1373
BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 februari 2026
Op 5 februari ontving het kabinet het verzoek van de commissie voor Klimaat en Groene
Groei om voor het tweeminutendebat Mijnbouw dat gepland staat op dinsdag 10 februari
te reageren op brieven van de Waddenvereniging en de provincies Groningen en Friesland1. In deze brief geeft het kabinet een reactie op de inhoud van deze brieven.
Waddenvereniging
De waddenvereniging doet in haar brief twee suggesties richting de Tweede Kamer:
1.
«Fracties kunnen er bij de Minister op aandringen eerst alle aanbevelingen uit een
voorgaande evaluatie «hand aan de kraan» te laten uitvoeren voordat instemmingsbesluiten
worden gegeven aan nieuwe of gewijzigde winningsplannen bijvoorbeeld zoutwinning onder
de Waddenzee.»
De Kamer is op 28 juni 2021 geïnformeerd2 over de effectiviteit van de «hand-aan-de-kraan»-methodiek naar aanleiding van de
evaluatie. De aanleiding van de evaluatie was de gewijzigde motie van het lid Dik-Faber
c.s.3, waarin werd verzocht om onafhankelijk advies te vragen aan een wetenschappelijk
panel over de effectiviteit van mijnbouw met de «hand-aan-de-kraan»-methodiek. Hiervoor
is in 2020 het Adviescollege «hand aan de kraan»-principe Waddenzee ingesteld en zijn
experts benoemd tot lid. Op basis van een uitgebreide en kritische review van relevante
wetenschappelijke literatuur, haar eigen expertise, en de ingebrachte informatie van
partijen als de Nederlandse Unesco Commissie, de Waddenvereniging, het advies van
SodM (Zeespiegelscenario 2021–2026 voor «Hand aan de Kraan»), KNMI, Deltares en de
Auditcommissies gas- en zoutwinning onder de Waddenzee, heeft het Adviescollege op
8 januari 2021 haar advies uitgebracht, getiteld «De toekomst van de Hand aan de Kraan
– omgaan met onzekerheden». Samengevat stelt het Adviescollege vast dat de «hand-aan-de-kraan»-methodiek
heeft voldaan. Richting de toekomst achtte het Adviescollege echter een betere analyse
van onzekerheden op langere termijn wenselijk, met name waar het gaat om de verwachte
zeespiegelstijging en de natuurlijke sedimentatie. Inmiddels hebben deze aanvullende
analyses plaatsgevonden, uw Kamer is hierover geïnformeerd op 4 september 20254. Hierover het volgende.
Eén van de aanbevelingen was om te onderzoeken hoe een verbeterde, geïntegreerde «hand-aan-de-kraan»-
methodiek kan worden ontwikkeld en toegepast, die rekening houdt met de niet geringe
onzekerheden op de lange(re) termijn. TNO heeft hiervoor een verkenning uitgevoerd
van de haalbaarheid van een zuiver probabilistische gebruiksruimtetoets. De resultaten
van de haalbaarheidsstudie van TNO geven aan dat de huidige methodiek vaak eerder
een overschrijding van de gebruiksruimte geeft dan methodes die rekening houden met
de onzekerheden op lange termijn, uitzondering is de jaarlijkse overschrijdingskans
voor de komberging Vlie. De huidige methodiek is in vergelijking met een zuiver probabilistische
methode conservatiever en biedt daarmee meer zekerheid over de bescherming van de uitzonderlijke universele waarden (OUV) van
de Waddenzee.
Een andere aanbeveling van de evaluatie was om het meegroeivermogen eenduidig vast
te stellen inclusief onzekerheden. Deltares heeft hiervoor een studie uitgevoerd naar
het meegroeivermogen van de kombergingen gerelateerd aan de kritische zeespiegelstijgingssnelheid
voor verdrinking in de Nederlandse Waddenzee. Hiermee wordt een duidelijke en transparante
methodiek gehanteerd om het meegroeivermogen te definiëren. De meegroeivermogens die
op deze manier zijn bepaald voor de bekkens van Marsdiep, Vlie, Pinkegat en Zoutkamperlaag
zijn respectievelijk 7,8 mm/jr; 7,0 mm/jr; 10,2 mm/jr en 6,8 mm/jr. Deze liggen allen
boven de huidige waarden die in de «hand-aan-de-kraan» methodiek worden gehanteerd.
Ook hiermee is dus de huidige invulling van de «hand-aan-de-kraan»-methode conservatiever.
De aanbeveling over de zeespiegelstijging is uitgevoerd door experts te vragen naar
een nieuw advies over zeespiegelstijging. Dit advies is in 2024 opgeleverd en meegenomen
in het gebruiksruimtebesluit, met daarin een aanscherping van de gebruiksruimte voor
delfstoffenwinning in de Waddenzee, van 25 april 2024.5
Het kabinet heeft begrip voor de zorgen. Tegelijkertijd blijkt uit diverse onderzoeken
dat de huidige «hand-aan-de-kraan»-methode voldoet en op diverse punten zelfs conservatiever
(veiliger) is dan eerder gedacht. Het is aan een volgend kabinet om te bepalen hoe
om te gaan met deze nieuwe inzichten die meer ruimte lijken te geven voor activiteiten
in de Waddenzee dan het huidige vastgestelde «hand-aan-de-kraan»-beleid.
2.
«Fracties kunnen vragen of de Minister bereid is om op korte termijn bilaterale gesprekken
op te starten met de Bondsrepubliek Duitsland met als inzet het behoud van de werelderfgoedstatus
van de Waddenzee in relatie tot de winning en verwerking van zout door het Duitse
bedrijf K&S uit Kassel waar ESCO/Frisia onderdeel van is.»
Het kabinet bewaakt binnen bestaande wettelijke kaders dat door (vergunde en nog te
vergunnen) activiteiten in en onder de Waddenzee de natuurwaarden niet worden aangetast.
Op 1 mei 2024 is een wijziging van de Mijnbouwwet in werking getreden dat bepaalt
dat nieuwe winning van delfstoffen onder de Waddenzee niet langer zal worden toegestaan.
Aanvragen voor (de wijziging van) winningsplannen die vóór 1 mei 2024 zijn ingediend
worden volgens het in de Mijnbouwwet opgenomen overgangsrecht nog afgehandeld. Ook
dat kan alleen wanneer winning – van in dit geval zout – veilig en verantwoord kan.
De bestaande winning van zout en gas was onderdeel van de aanvraag van de Unesco werelderfgoedstatus
van de Waddenzee in 2009. De bestaande winning en de lopende wijzigingsaanvraag van
Frisia hebben op dit moment geen invloed op die status. Sinds 1978 werken Denemarken,
Duitsland en Nederland samen om de Waddenzee als een ecologische eenheid te beschermen.
Daarvoor is een bestaande overlegstructuur die op gezette momenten samenkomt. Deze
samenwerking is gebaseerd op de Joint Declaration on the Protection of the Wadden
Sea.6 Aanvullend bilateraal overleg is daarmee niet nodig.
Reactie Provincie Friesland aanvullende afspraken gaswinning op land
In de brief van de provincie Friesland wordt namens de Friese mijnbouwtafel waardering
uitgesproken dat het sectorakkoord land verder gaat dan de bestaande wet- en regelgeving.
Afspraken rond het zorgvuldig betrekken van de omgeving worden op prijs gesteld evenals
inzage in de mijnbouwprojecten op korte termijn. Ook de aanvullende afspraken over
veiligheid rond gaswinning worden gewaardeerd.
De provincie Friesland vraagt aandacht voor vier belangrijke zaken, die naar hun oordeel
onderdeel hadden moeten uitmaken van het vastgestelde akkoord. Die vier punten betreffen:
1.
«Het afbouwpad betekent voor de provincie Fryslân een voortzetting van gaswinning».
De provincie concludeert dat het afbouwpad afgevlakt is en dat onvoldoende duidelijk
is waar wel en geen gas gewonnen wordt.
In reactie hierop benadrukt het kabinet dat voor de transitie naar een klimaatneutraal
energiesysteem aardgas voorlopig nodig blijft. Het kabinet geeft daarbij de voorkeur
aan aardgas met zo min mogelijk klimaatimpact en zo min mogelijk afhankelijkheid van
andere landen. Het sectorakkoord «Gaswinning in de energietransitie» en de bijbehorende
aanvullende afspraken voor gaswinning op land dragen hieraan bij. De EBN-analyse (in
bijlage II van het sectorakkoord land) laat het afbouwpad zien. Daarin is onder meer
te zien dat het afbouwpad van gaswinning uit kleine velden veel sneller gaat dan de
binnenlandse vraag naar aardgas (van circa 16 miljard m3 gaswinning op land in 2000 naar circa 3 miljard m3 in 2024). Hierdoor neemt de importafhankelijkheid van Nederland toe. Dat wil het
kabinet waar mogelijk voorkomen en daarom wordt ingezet op een verantwoorde afbouw.
Onder een verantwoorde afbouw wordt verstaan het dempen ofwel tijdelijk afvlakken
van de versnelde afbouw. Het gaat dus om stabilisatie van de gaswinning uit kleine
velden op land voor de eerste periode ten behoeve leveringszekerheid en het verkleinen
van de importafhankelijkheid van Nederland en een daling daarna. De verantwoorde afbouw
van gaswinning op land dient verder bezien te worden in de context waarin al meer
afspraken over afbouw gelden, zoals de in deze brief genoemde op 1 mei 2024 in werking
getreden wijziging van de Mijnbouwwet dat bepaalt dat nieuwe winning van delfstoffen
onder de Waddenzee niet langer zal worden toegestaan.
De wens van de provincie Friesland om op projectniveau inzage te krijgen in waar wel
of geen gaswinning plaatsvindt is vanwege de bedrijfsvoering en de bedrijfsvertrouwelijkheid
niet mogelijk. Daarom is – in aanvulling op de EBN-analyse in bijlage II van het sectorakkoord
land – met gaswinningsbedrijven de afspraak gemaakt om op verzoek van medeoverheden
periodiek inzage te geven in de lopende en de op korte- en middellange termijn voorgenomen
gaswinningsprojecten. Deze afspraak draagt bij aan de gevraagde duidelijkheid op projectniveau
en is uitvoerbaar voor gaswinningsbedrijven. Hiermee is invulling gegeven aan de wens
van medeoverheden om meer duidelijkheid te krijgen.
2.
«Kwetsbare gebieden, zoals veenweide, worden nog niet uitgesloten van gaswinning,
terwijl hier wel onherstelbare schade ontstaat.» De provincie verzoekt om op grond van het voorzorgsprincipe veenweidegebieden uit
te sluiten van gaswinning totdat de resultaten van onderzoek bekend zijn.
Allereerst wil het kabinet benadrukken dat gaswinning alleen mogelijk is als het veilig
en verantwoord gewonnen kan worden. Dat geldt ook voor kwetsbare gebieden, zoals veenweidegebieden.
Daarin wordt niet alleen gekeken naar het hier en nu maar worden ook waarborgen opgenomen
voor de nabije toekomst (30 jaar) waarop wordt gemonitord.
Ten aanzien van het voorzorgsprincipe acht dit kabinet het niet proportioneel om op
voorhand slechts één activiteit uit te sluiten, namelijk gaswinning, zonder daarbij
ook naar alle andere activiteiten te kijken die van invloed zijn op bodemdaling in
veenweidegebieden.
Dat betekent niet dat dit kabinet geen oog heeft voor de effecten en de zorgen. Die
worden geadresseerd door onderzoek te blijven doen, waarbij de Friese medeoverheden
ook nauw zijn en worden betrokken. De eerste onderzoeksresultaten geven geen aanleiding
om nu te stoppen met gaswinning in veenweidegebieden7. Of een winningsvergunning kan worden verleend of kan worden ingestemd met een winningsplan
onder veenweidegebied en onder welke voorwaarden moet project specifiek worden beoordeeld.
Dat gebeurt op dit moment. De resultaten pleiten wel voor vervolgonderzoek en daar
werkt het Ministerie van Klimaat en Groene Groei in goede samenwerking aan met Friese
medeoverheden. Zo is dit jaar gestart met een meerjarig vervolgonderzoek dat wordt
uitgevoerd door TNO en Deltares. Ook heeft het Wetterskip samen met de Commissie Bodemdaling
Aardgaswinning Fryslân (CBAF) een onderzoek uitgezet bij Arcadis om in beeld te brengen
hoe de compensatie van de negatieve gevolgen van bodemdaling door onder meer aardgaswinning
in veenweidegebied De Hegewarren kan worden opgepakt. Het gaat daarbij om een verkenning
naar alternatieven voor schadebepaling en -herstel. Uitkomsten van deze en mogelijk
ook toekomstig vervolgonderzoeken zullen te zijner tijd worden meegenomen in de besluitvorming.
Daarop kan nu niet worden vooruitgelopen.
3.
«Het voorstel tot batendeling wordt niet gedragen door de Friese overheden». De provincie verzoekt een hoger percentage, namelijk 33% met daarin nadrukkelijk
een bijdrage vanuit het Rijk.
Het kabinet begrijpt de wens van de Provincie Friesland om mee te delen in de gasbaten.
Het kabinet heeft gekeken wat mogelijk is. Dat heeft geleid tot batendeling in de
vorm van een extra bijdrage vanuit de sector aan de regio.
Omdat gaswinningsbedrijven al bijna 70% van de gasbaten afdragen aan de overheid –
in de vorm van onder meer heffingen en belastingen – is een percentage van 33% onrealistisch
en bovendien niet afdwingbaar. Het kabinet acht de gemaakte afspraak van 5% van de
netto-opbrengsten van een gaswinning een goede uitwerking van de wens van de regio
om mee te delen in de gasbaten. Aan de bijdrage vanuit het gaswinningsbedrijf in de
richting van de regio betaalt de Rijksoverheid overigens indirect mee (via de deelname
van EBN, benutting van de investeringsaftrek en lagere belastinginkomsten).
Het kabinet meent met deze afspraak een eerlijke en haalbare formule te hebben gevonden
die de regio in de praktijk per project een paar miljoen euro kan opleveren. Dat is
veel geld dat gaswinningsbedrijven vrijwillig bijdragen aan de regio. Voor een aanvullende
bijdrage vanuit het Rijk waarop de Friese overheden lijken te doelen ziet dit kabinet
binnen de huidige begroting en begrotingssystematiek geen ruimte.
4.
«Het indienen van bezwaar en beroep wordt financieel afgestraft». De provincie verzoekt om de randvoorwaarde (die stelt dat batendeling start wanneer
de vergunning onherroepelijk is) te laten vervallen.
De betreffende randvoorwaarde waar de provincie Friesland naar verwijst moet bezien
worden in het samenstel van alle gemaakte afspraken en staat de rechtsgang niet in
de weg. Beroep of bezwaar blijft mogelijk en de regio blijft aanspraak maken op batendeling
over het gewonnen volume. De batendeling gaat alleen lopen vanaf het moment dat de
instemming met het winningsplan en de andere benodigde vergunningen onherroepelijk
zijn. Reden om deze randvoorwaarde op te nemen heeft te maken met het risico dat een
gaswinningsbedrijf loopt tijdens een beroep- of bezwaarprocedure. Dat zorgt voor grote
onzekerheid en financiële risico’s voor het bedrijf en in die periode is batendeling,
waartoe gaswinningsbedrijven zich vrijwillig hebben gebonden, niet passend. Een gaswinningbedrijf
staat dan voor de keuze om de beroepsprocedure af te wachten of alvast te starten
met alle risico’s van dien. In beide gevallen is de verwachting dat de bedoelde randvoorwaarde
geen tot slechts een beperkte uitwerking op de batendeling met de regio zal hebben
omdat een gaswinningsbedrijf vaak een beroepsprocedure zal afwachten alvorens grote
investeringen te doen en gaswinning waarop batendeling betrekking heeft over het algemeen
pas later in of na afloop van een beroepsprocedure daadwerkelijk zal worden gestart.
Omdat de batendeling wordt afgedragen op basis van daadwerkelijk gewonnen volume aardgas
zal het effect van deze randvoorwaarde hierdoor gering zijn.
In aanvulling hierop is het goed om te beseffen dat mocht een gaswinningsbedrijf gebruik
maken van de investeringsaftrek het genoten voordeel te allen tijde ten goede komt
aan de regio. Dus ook als de winning uiteindelijk niet door zou gaan. Het Rijk zal
de daadwerkelijke batendeling met de regio monitoren.
Reactie Provincie Groningen aanvullende afspraken gaswinning op land
In de brief gaat de Provincie Groningen mede namens hun overlegplatform Mijnbouwtafel
Groningen in op enkele knelpunten die ze signaleren in de uitwerking van het sectorakkoord:
1.
«Standpunt provincie Groningen». Het standpunt van de provincie is dat de gaswinning zo spoedig mogelijk moet worden
beëindigd omdat inwoners nog steeds te maken hebben met de effecten van de gaswinning.
De beving in Zeerijp vorig jaar november wordt daarbij als voorbeeld genoemd.
Het kabinet betreurt het dat er nog steeds aardbevingen plaatsvinden. Het kabinet
realiseert zich terdege dat door deze bevingen omwonenden opnieuw kunnen worden blootgesteld
aan gevoelens van onrust en onveiligheid en in sommige gevallen ook (opnieuw) geconfronteerd
worden met schade aan hun woning. De Kamer is op 9 december 20258 geïnformeerd over de beving in Zeerijp en de te nemen vervolgacties. De beving in
Zeerijp is niet het gevolg van gaswinning uit kleine velden maar het gevolg van natrillingen.
Hoewel de impact van de beving aanzienlijk is, staat deze los van de gaswinning in
kleine velden.
Het belang van gaswinning uit kleine velden in Nederland is toegenomen door de sluiting
van het Groningenveld. Op dit moment wordt er uit circa 250 kleine gasvelden op land
en de Noordzee gas gewonnen; waarvan ongeveer 1/3 op land. Deze winning is van cruciaal
belang geworden voor de leveringszekerheid en het beperken van de importafhankelijkheid
van Nederland. Alle kleine velden dragen daaraan bij. Omdat de gasvoorraden geologisch
zijn bepaald is het op voorhand uitsluiten van gebieden niet wenselijk.
Gaswinning uit kleine velden op land zijn van een andere orde dan de voormalige gaswinning
uit het Groningenveld. Dat heeft de maken met de omvang van de kleine gasvelden die
al gauw een factor 100–1.000 kleiner zijn dan het Groningenveld. Hetzelfde geldt voor
de mogelijk consequenties van gaswinning uit kleine velden: hoewel bevingen nog steeds
kunnen optreden, zijn zowel frequentie als schaal ervan niet vergelijkbaar met die
van het Groningenveld.
Het kabinet heeft bovendien lering getrokken uit eerdere ervaringen en belangrijke
verbeteringen doorgevoerd. Zo is bijvoorbeeld de schadeafhandeling centraal georganiseerd
en wordt eventuele schade op een toegankelijke en transparante wijze afgehandeld.
De geleerde lessen worden nu toegepast bij de huidige winning uit kleine velden op
land.
Vanwege het belang van winning uit kleine gasvelden blijft dit kabinet graag met de
provincie Groningen in gesprek over haar belangen en zorgen zodat we gezamenlijk kunnen
blijven werken aan de opgave waar we voor staan: realiseren van de energietransitie.
De diepe ondergrond speelt daarin een cruciale rol.
2.
«Betrokkenheid bij de totstandkoming». De provincie geeft aan op 16 oktober 2025 geïnformeerd te zijn over de status en
conceptuele inhoud van het sectorakkoord en daar een brief over gestuurd te hebben
waarvan de inhoud niet is verwerkt in het vastgestelde sectorakkoord.
Het Ministerie van KGG heeft op meerdere momenten met decentrale overheden gesproken
over de totstandkoming van het sectorakkoord land. Omdat gaswinning op land gevoelig
kan liggen is gekozen voor een aanpak die medeoverheden de ruimte geeft om open en
informeel inbreng te leveren. Vanaf de start was bekend dat de aanvullende afspraken
tussen het Rijk en de sector zouden worden gesloten omdat deze onderdeel uitmaken
van het op 23 april 2025 vastgestelde «Sectorakkoord gaswinning in de Energietransitie»9. Ook is meerdere keren in het traject benadrukt dat de gemaakte afspraken extra’s
zijn op de bestaande waarborgen in wet- en regelgeving om tegemoet te komen aan zorgen
van zowel omgeving als de sector.
Naar aanleiding van de bijeenkomst van 16 oktober jl. heeft het Ministerie van Klimaat
en Groene Groei alle inbreng meegenomen voor de nadere uitwerking van de aanvullende
afspraken. Naar aanleiding van dat overleg en de ontvangen reacties is ook bewust
gekozen voor een extra overlegmoment met medeoverheden om hen te informeren wat er
met hun inbreng is gedaan.
Dat overleg heeft op 7 januari jl. plaatsgevonden en toen is uitgebreid stilgestaan
bij de ontvangen reacties en aangegeven tot welke aanpassingen dat heeft geleid in
het sectorakkoord land. In dat overleg is aangegeven dat het sectorakkoord land niet
op zichzelf staat en dat medeoverheden ook in het kader van andere lopende trajecten
inbreng kunnen blijven leveren. Voorbeelden hiervan zijn het programma Duurzaam Gebruik
Diepe Ondergrond, de herziening van de Mijnbouwwet en de evaluatie Ekehaar. Dit omdat
het sectorakkoord, dat gesloten is met sectorpartijen en zich specifiek richt op de
gaswinning, zich niet leent om alles te regelen. Onderdelen van de inbreng van de
provincie Groningen zullen in de genoemde andere trajecten worden betrokken. Tot slot
is altijd ruimte geboden om in gesprek te gaan en waar nodig een extra overleg in
de plannen. De Provincie Groningen heeft van die mogelijk gebruik gemaakt.
3.
«Batendeling». De provincie constateert dat de batendeling zich beperkt tot nieuwe gaswinning en
dat bestaande gaswinning in de provincie niet in aanmerking komt voor batendeling.
De provincie verzoekt om de gasopslag Grijpskerk als nieuwe gaswinning te beschouwen
zodat deze in aanmerking komt voor batendeling.
De gemaakte afspraken rond batendeling zien op nieuwe velden of uitbereiding van bestaande
winning uit kleine velden op land. Het huidig gebruik van de gasopslagen valt daar
niet onder. De mogelijke toekomstige winning van kussengas uit een voorkomen dat nu
als gasopslag in gebruik is, waaronder de gasopslag Grijpskerk, daarentegen wel. Voor
projecten die de 2 miljard kuub overschrijden worden maatwerkafspraken gemaakt. De
mogelijke winning van kussengas uit voorkomens die nu als gasopslag in gebruik zijn
zal naar verwachting deze grens passeren en hiervoor geldt dus dat er, als kussengaswinning
aan de orde komt, maatwerkafspraken zullen worden gemaakt met betrokken medeoverheden.
Mocht het dus tot winning van kussengas komen dan kan de regio rekenen op batendeling.
4.
«Geen concreet afbouwpad». Volgens de provincie ontbreekt een concreet afbouwpad en is geen rekening gehouden
met kwetsbare gebieden.
Het kabinet verwijst hier naar reactie op de punten 1 en 2 van de Provincie Friesland,
eerder in deze brief.
5.
«Procedureel». De provincie is van oordeel dat het kabinet geen instemming had moeten verlenen
aan het sectorakkoord in de huidige vorm en verzoekt hierover in gesprek te gaan.
Het kabinet blijf graag in gesprek met medeoverheden over het gebruik van de diepe
ondergrond voor het realiseren van de energietransitie. Dat doet het kabinet ook,
onder meer met het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond, maar ook met het omgevingsproces
Zuidwending waarover in december 2025 met de provincie Groningen en de gemeenten Veendam
en Pekela een intentieverklaring is getekend. Gaswinning uit kleine velden op land
speelt in de energietransitie een belangrijke rol. Zoals tijdens het Commissiedebat
Mijnbouw van 29 januari jl. aangegeven is het kabinet niet bereid om het sectorakkoord
land ter discussie te stellen. De gemaakte afspraken dragen bij aan een verantwoorde
afbouw van de gaswinning op land en zijn extra’s op de bestaande wet- en regelgeving.
In overleg met betrokkenen zijn deze aanvullende afspraken gemaakt tussen het Rijk
en de sector. Als betrouwbare overheid hecht dit kabinet waarde aan het nakomen van
gemaakte afspraken.
Met het Programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond, de herziening van de Mijnbouwwet
en de aanvullende afspraken voor gaswinning op land beoogt het kabinet te komen tot
een zorgvuldig, samenhangend en toekomstbestendig kader voor het gebruik van de diepe
ondergrond in Nederland. Daarbij is samenwerking met alle betrokken partijen, waaronder
medeoverheden, van groot belang.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S.Th.M. Hermans
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei