Brief regering : Fiche: Herziening precursorenwetgeving
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4264
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 februari 2026
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij 7 fiches die werden opgesteld
door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).
Fiche – Pakket EU-netwerken (Kamerstuk 22 112, nr. 4260).
Fiche – Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder (Kamerstuk 22 112, nr. 4261).
Fiche – Mededeling herziening actieplan Europese Unie voor de Alpenregio (Kamerstuk
22 112, nr. 4262).
Fiche – Mededeling Routekaart voor kwaliteitsbanen (Kamerstuk 22 112, nr. 4263).
Fiche – Herziening precursorenwetgeving.
Fiche – Aanbeveling voor het openen van onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk
(VK) over deelname aan de interne elektriciteitsmarkt en een bijdrage van het VK aan
cohesiefondsen (Kamerstuk 22 112, nr. 4265).
Fiche – Pakket Militaire Mobiliteit (Kamerstuk 22 112, nr. 4266).
De Minister van Buitenlandse Zaken,
D.M. van Weel
Fiche: Herziening precursorenwetgeving
1. Algemene gegevens
a) Titel voorstel
REGULATION OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL on monitoring and controlling
drug precursors and repealing Regulations (EC) No 273/2004 and (EC) No 111/2005
b) Datum ontvangst Commissiedocument
3 december 2025
c) Nr. Commissiedocument
COM(2025) 747
d) EUR-Lex
EUR-Lex – 52025PC0747 – EN – EUR-Lex
EUR-Lex – 52025PC0747 – EN – EUR-Lex
e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing
SEC(2025) 328, SWD(2025) 397, SWD(2025) 398final, SWD(2025) 399
f) Behandelingstraject Raad
ECOFIN-Raad
g) Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in nauwe samenwerking met het Ministerie
van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Financiën
h) Rechtsbasis
Artikel 33, 114 en 207 VWEU
i) Besluitvormingsprocedure Raad
Gekwalificeerde meerderheid
j) Rol Europees Parlement
Medebeslissing
2. Essentie voorstel
a) Inhoud voorstel
Op 3 december 2025 heeft de Europese Commissie (hierna: de Commissie) een voorstel
gepubliceerd voor een verordening betreffende de monitoring en controle van drugsprecursoren
en tot intrekking van Verordening 273/20041 en Verordening 111/20052. Precursoren zijn stoffen die kunnen dienen als grondstof voor de productie van (synthetische)
drugs. Deze stoffen worden ook gebruikt voor legitieme toepassingen, waaronder medische
en industriële doeleinden.
Het voorstel moderniseert en vervangt de huidige regelgeving voor drugsprecursoren.
Uit een evaluatie in 2020 was gebleken dat deze een aantal tekortkomingen had. Daarnaast
is vernieuwing nodig, omdat de drugsmarkt en daarmee de vraag naar (designer) precursoren
sterk groeit. Het woord «designer» duidt erop dat een precursor speciaal ontworpen
is om te dienen als grondstof voor drugs en net iets verschilt van een bestaande stof
om een verbod te ontwijken (artikel 2, lid 8, van het voorstel). In de conceptverordening
gaat het echter over alle precursoren voor drugs, dus ook reeds bestaande (artikel
3, lid 1, van het voorstel). Deze definitie van precursoren wijkt af van de definitie
van precursoren in kaderbesluit 2004/757.3
Het voorstel beoogt het gebruik van precursoren voor de vervaardiging van illegale
drugs tegen te gaan en tegelijkertijd de regels voor de legitieme handel te vereenvoudigen.
De afgelopen jaren is de handel in designerprecursoren toegenomen. Deze stoffen kennen
nauwelijks legitieme toepassingen, behalve voor onderzoek en innovatie. Dit vormt
een uitdaging voor de controle op drugprecursoren op mondiaal niveau en binnen de
EU. Het voorstel introduceert nieuwe regels voor deze stoffen en digitaliseert administratieve
verplichtingen om de regeldruk te verminderen. De controle op drugprecursoren in belangrijke
mate verband met de EU-Drugsstrategie en het EU-Actieplan tegen drugshandel, waarvoor
aparte BNC-fiches zijn opgesteld.
Het voorstel maakt onderscheid tussen drie categorieën van drugsprecursoren, afhankelijk
van hun risico voor de illegale productie van drugs. Deze categorieën zijn vastgesteld
in de bijlagen bij de verordening. Categorie 1 omvat stoffen met het hoogste risico
op gebruik in de illegale productie van drugs, die striktere controle vereisen, zoals
verplichte vergunningen voor handel en strikte rapportageverplichtingen. Voor deze
categorie blijft de bestaande verplichting gelden om te verifiëren of klanten ook
een vergunning hebben. De verplichting om klantverklaringen te verkrijgen, moet echter
niet langer worden gehandhaafd, aangezien deze administratieve lasten met zich meebrengt
zonder duidelijke voordelen voor het vergemakkelijken van de identificatie van verdachte
transacties. Categorie 2 betreft, zogeheten dual-use, stoffen die veelvuldig worden gebruikt in de legitieme industrie, maar die ook misbruikt
kunnen worden voor drugproductie, waarvoor de controle uitsluitend gericht is op de
externe handel. Om de administratieve belasting te verminderen, moeten verplichtingen
voor externe handelaren beperkt blijven tot het registreren van hun activiteiten,
zonder de vereiste goedkeuring door nationale autoriteiten. Categorie 3 introduceert
de nieuwe regels voor designerprecursoren, die in principe verboden zijn voor commercieel
gebruik, maar waarvan kleinschalige transacties voor onderzoeksdoeleinden onder strikte
voorwaarden mogelijk blijven. Als «operators» Categorie 3 drugprecursoren in grotere
hoeveelheden of voor andere legitieme doeleinden dan onderzoek en innovatie nodig
hebben, moeten zij vervolgens een vergunning verkrijgen in overeenstemming met de
bepalingen voor Categorie 1 drugprecursoren, aangezien de risico’s vergelijkbaar zijn.
Deze (generieke groepen of families) designer precursoren worden in beginsel verboden
(behalve voor onderzoek en innovatie), tenzij er grond is voor ontheffing. Dit betekent
dat ook individuele designerprecursoren (die onder een stofgroep of -familie vallen)
onder het verbod kunnen vallen, ook als zij niet afzonderlijk zijn genoemd.
Ten tweede zorgt samenvoeging van de bestaande wetgeving voor meer (juridische) duidelijkheid
en consistentie door digitalisering en vereenvoudiging van toezicht en handhaving.
Het voorstel introduceert een centraal elektronisch licentiesysteem dat de aanvraag
en het beheer van vergunningen voor drugsprecursoren vergemakkelijkt. Het stelt zowel
de autoriteiten als bedrijven, vooral het Midden en Klein Bedrijf (MKB), in staat
om sneller en efficiënter vergunningen voor het handelen met precursoren aan te vragen
en te verifiëren. Dat vergroot het concurrentievermogen van die sector. Bedrijven
die met drugsprecursoren werken zijn verplicht om meldingen en rapportages digitaal
in te dienen. De digitalisering van de controle over drugsprecursoren zal worden gekoppeld
aan het EU-douanesysteem, het zogenaamde Single Window. Dit systeem zorgt ervoor dat gegevens over de invoer en uitvoer van precursoren
automatisch worden gedeeld tussen de verschillende relevante autoriteiten. Deze koppeling
maakt het mogelijk om sneller verdachte zendingen te identificeren en te monitoren,
wat de controle op de handel in precursoren aanzienlijk vergemakkelijkt. Ook komt
er een precursorendatabank (legaal en illegaal) bij het EU Drugs Agentschap (EUDA)
ter ondersteuning van de betrokken organisaties en bedrijven om hen in staat te stellen
verdachte stoffen snel te identificeren. Ook zal de EUDA toegang hebben tot de informatie
in het elektronisch systeem om de uitvoering van haar mandaat en de bijwerking van
het precursorendatabank te vergemakkelijken. Ook zullen als gevolg van de digitalisering
op termijn rapportageverplichtingen voor nationale autoriteiten en handhavers vervallen.
Een derde vernieuwing is de harmonisatie van interne en externe handelscontroles,
dit houdt in dat de wetgeving voor de handel met van drugsprecursoren binnen de EU
en met derde landen waar mogelijk gelijkgetrokken worden. De verordening introduceert
een uniform systeem voor meldingen van import en export. Het doel hiervan is om de
controlebevoegdheden van de nationale autoriteiten te versterken en de procedures
voor het monitoren van de handel te vereenvoudigen. Hiermee beoogt de Commissie de
administratieve lasten voor bedrijven en autoriteiten te verminderen.
Ook besteedt de verordening expliciet aandacht aan bewustwording, training en samenwerking
tussen nationale diensten. Lidstaten moeten ervoor zorgen dat wetshandhavings- en
douaneautoriteiten regelmatig getraind worden, bijvoorbeeld in risicomanagement, zodat
zij effectief geplande en niet-geplande drugprecursoren kunnen opsporen die mogelijk
gebruikt worden voor de illegale productie van drugs. Bovendien moeten lidstaten jaarlijks
bewustwordingsacties organiseren voor operators die betrokken zijn bij de handel in
drugprecursoren, om hen te informeren over hun verplichtingen onder de verordening.
De verordening bevat geen strafbaarstellingen van categorie 3 precursoren maar wel
een verplichting daartoe voor de lidstaten.
b) Impact assessment Commissie
In het impact assessment van de Commissie zijn drie beleidsopties overwogen om het
beoogde doel te bereiken. De drie opties werden vergeleken op basis van hun effectiviteit
in het verminderen van de illegale handel en productie van drugs. Optie 1 richt zich
op het vereenvoudigen van de interne handelsprocedures voor designerprecursoren, door
meldingsverplichtingen voor kleine hoeveelheden voor onderzoek en innovatie te vereenvoudigen.
Deze optie vermindert de administratieve lasten, maar heeft mogelijk onvoldoende effect
op de proliferatie van stoffen die voor illegale productie worden gebruikt.
Optie 2 is een uitgebreide herziening van de wetgeving, met als doel de interne en
externe handel beter af te stemmen. Het introduceert een nieuwe categorie voor designerprecursoren,
die voor kleine hoeveelheden onderzoek vooraf moeten worden gemeld, terwijl voor grotere
hoeveelheden een licentie vereist is. Deze optie biedt een meer effectieve controle
en stroomlijning van procedures en wordt als de beste oplossing gezien voor het verminderen
van illegale handel zonder onnodige belasting van bedrijven. Optie 3 is vergelijkbaar
met optie 2, maar legt meer nadruk op strengere controlemaatregelen, zoals de vereisten
voor licenties voor alle transacties van designerprecursoren. Hoewel deze optie het
meeste effect heeft op het voorkomen van illegaal gebruik, verhoogt het de administratieve
lasten en handhavingskosten aanzienlijk. De Commissie heeft geconcludeerd dat de tweede
optie de beste keuze is gelet op de balans tussen effectiviteit en kosten. Volgens
de impact assessment zal de vereenvoudiging van procedures en versterking van controles
zorgen voor verwachte jaarlijkse besparingen van 25,27 miljoen EUR.
3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein
De productie en handel in synthetische drugs brengen aanzienlijke risico’s met zich
mee voor de volksgezondheid, onder meer door hun wisselende samenstelling en daarmee
samenhangende kans op acute gezondheidsincidenten. Daarnaast leiden drugsproductie
en drugshandel tot brede maatschappelijke schade en dragen zij bij aan ondermijning
door georganiseerde criminaliteit. Georganiseerde criminaliteit houdt zich niet aan
sectorale of nationale grenzen. Daarom is een brede en samenhangende aanpak op lokaal,
nationaal en internationaal niveau noodzakelijk.
Het kabinetsbeleid is gericht op het terugdringen van de synthetische drugsproductie
en -handel, mede vanwege de grote impact op veiligheid, gezondheid en milieu. Het
kabinet zet in op zowel het inperken van de vraag als van het aanbod. Het kabinet
is voorstander van een gecoördineerde EU-aanpak van drugsproblematiek, in lijn met
de EU-Drugsstrategie en het EU-actieplan tegen drugshandel.4
Het kabinet onderschrijft het belang van behoud van legale handel in de chemische-
en farmaceutische branche, met aandacht voor werkbare regelgeving en beperkte regeldruk.
Omdat deze stoffen ook voor legale doeleinden kunnen worden gebruikt en de handel
in categorie II stoffen in beginsel legaal is, kan toegang tot deze stoffen niet algemeen
worden verboden. Er moeten derhalve maatregelen worden genomen om het juiste evenwicht
te vinden tussen enerzijds de wens om te voorkomen dat drugsprecursoren in handen
komen van illegale drugsproducenten en anderzijds het belang van het veiligstellen
van legitieme toepassingen, waaronder de productie van geneesmiddelen. Deze afweging
vraagt om gerichte maatregelen die misbruik tegengaan zonder legale toepassingen onnodig
te belemmeren.
Het kabinet geeft hier invulling aan door een ketenbenadering te hanteren, publiek-private
samenwerking te versterken en intensief samen te werken met buurlanden, andere EU-lidstaten
en EU-agentschappen zoals Europol en de EUDA.
b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Het voorstel wordt in de kern positief beoordeeld. Het sluit goed aan bij de Nederlandse
prioriteit om synthetische drugsproductie te voorkomen en effectief terug te dringen.
Het voorstel is vanuit gezondheidsperspectief relevant, aangezien snelle innovaties
in synthetische drugsproductie gepaard gaan met sterk wisselende samenstelling en
potentie van middelen, wat kan leiden tot acute gezondheidsincidenten. Het voorstel
moderniseert verouderde regels uit 2004/2005 en brengt interne markt- en externe handelsaspecten
onder één regime. Het kabinet zal oog houden voor de uitvoerbaarheid van het voorstel,
zodat douaneautoriteiten de taken met betrekking tot het toezicht op de legale en
illegale precursoren effectief kunnen uitvoeren. Dit betekent onder meer dat de verordening
heldere definities moet bevatten en goed zal moeten aansluiten bij het Douanewetboek
van de Unie. Ook is van belang dat er voldoende implementatietijd is voor het inrichten
van de ICT-benodigdheden en dat niet wordt afgedaan aan de effectiviteit en kwaliteit
van de bestaande risicogerichte handhaving. Daarbij dient dan ook rekening te worden
gehouden met de gevolgen voor de uitvoeringscapaciteit van de douane-organisatie in
Nederland daar waar dit tot extra werk leidt bij de voorbereidings- en implementatiefase
van dit voorstel.
Wat betreft de categorisering van precursoren wordt het voorstel positief beoordeeld.
De introductie van een duidelijke indeling van precursoren in verschillende categorieën
is essentieel voor het gericht kunnen handhaven en het tijdig aanpakken van stoffen
die misbruikt kunnen worden voor de productie van drugs. De introductie van een categorie
voor stoffen zonder legale toepassingen (categorie 3) wordt als positief beoordeeld,
omdat het helpt om nieuwe, gevaarlijke stoffen snel te reguleren. Dit draagt bij aan
het beperken van gezondheidsrisico’s die samenhangen met de snelle introductie van
nieuwe synthetische stoffen waarvan toxiciteit en effecten vaak nog onvoldoende bekend
zijn. Nederland zal zich inzetten voor de heldere afbakening van stoffen die onder
deze categorie vallen, zodat legale industrieën, zoals de geneesmiddelenindustrie,
chemische en farmaceutische sector, niet onterecht worden belast. Ook wil Nederland
flexibiliteit in de manier waarop stoffen geclassificeerd kunnen worden, zodat er
ruimte blijft voor innovatieve toepassingen.
Het voorstel maakt het mogelijk om de interne handel (binnen de EU) en de externe
handel (met derde landen) uniform te reguleren. Dit wordt van groot belang geacht
om het misbruik van precursoren over nationale grenzen heen te voorkomen. Harmonisatie
van de regels voorkomt dat criminele netwerken via lidstaten met zwakkere regels de
EU binnenkomen. Nederland zal zich actief inzetten voor een stevige regeling voor
de uitwisseling van informatie tussen EU-lidstaten en derde landen, en ook voor het
behoud van flexibele regelgeving die ruimte biedt voor bedrijven die stoffen legitiem
gebruiken. Daarnaast pleit Nederland voor een sterk EU-systeem voor risicobeoordeling
van precursoren, zodat snel ingegrepen kan worden bij de ontdekking van nieuwe gevaarlijke
stoffen.
Het voorstel voorziet in een gecentraliseerd licentiesysteem, waarbij bedrijven digitaal
hun aanvragen voor de invoer of uitvoer van precursoren kunnen doen. Dit maakt de
procedure efficiënter en transparanter. Nederland is positief over de digitalisering
van het licentieproces, aangezien dit de administratieve lasten voor bedrijven en
toezichthouders aanzienlijk zal verlichten. Nederland zal belang hechten aan een gebruiksvriendelijk,
digitaal systeem dat eenvoudig te integreren is in bestaande nationale systemen. Daarnaast
zal Nederland aandringen op een flexibel systeem waarin MKB-ondernemingen, zoals kleine
laboratoria en apotheken, niet onterecht zwaar belast worden door administratieve
verplichtingen.
Het voorstel benadrukt het belang van training en bewustwording voor alle betrokken
partijen, van bedrijven tot handhavers. Dit is essentieel voor een zorgvuldige toepassing
van het nieuwe systeem en voor het beperken van risico’s op misbruik van precursoren.
Het kabinet hecht hierbij bijzondere waarde aan ondersteuning van kleinere bedrijven.
Het voorstel introduceert een jaarlijkse rapportage van de voortgang bij de implementatie
van de verordening, wat zorgt voor transparantie en de mogelijkheid om bij te sturen.
Nederland steunt dit idee, aangezien het kan bijdragen aan betere handhaving en het
sneller identificeren van knelpunten. Nederland zal zich inzetten voor een praktische
en pragmatische invulling van de rapportage, waarbij de focus ligt op effectieve handhaving
en de impact op bedrijven.
c) Eerste inschatting van krachtenveld
Lidstaten met grote chemische/farmaceutische industrie kunnen extra nadruk leggen
op regeldruk en op bescherming van legale ketens. De positie van het Europees Parlement
is onbekend.
4. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit
a) Bevoegdheid
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen, toetst het
kabinet of de EU handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten
in de EU-verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken.
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid is positief. Het voorstel
is gebaseerd op artikel 33 VWEU, artikel 114, eerste lid, VWEU en artikel 207, tweede
lid, VWEU. Artikel 33 VWEU geeft de EU de bevoegdheid tot het vaststellen van maatregelen
ter versterking van de douanesamenwerking. Artikel 114, eerste lid, VWEU geeft de
EU de bevoegdheid tot het vaststellen van maatregelen betreffende de interne markt.
Artikel 207, tweede lid, VWEU geeft de EU de bevoegdheid om maatregelen vast te stellen
voor de uitvoering van de gemeenschappelijke handelspolitiek van de Unie. Het kabinet
kan zich vinden in deze rechtsgrondslagen.
Op het terrein van de douane-unie en gemeenschappelijke handelspolitiek is sprake
van een exclusieve bevoegdheid van de EU (artikel 3, eerste lid, sub a en e, VWEU).
Op het terrein van de interne markt is sprake van een gedeelde bevoegdheid tussen
de EU en de lidstaten (artikel 4, tweede lid, sub a, VWEU).
b) Subsidiariteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet de subsidiariteit van het optreden van de Commissie. Dit houdt in dat het
kabinet op de gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen
of wanneer sprake is van een voorstel dat gezien zijn aard enkel door de EU kan worden
uitgeoefend, toetst of het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op
centraal, regionaal of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang
of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kan worden bereikt (het
subsidiariteitsbeginsel).
Het subsidiariteitsbeginsel is niet van toepassing ten aanzien van de onderdelen die
zien op de gemeenschappelijke handelspolitiek en de douane-unie aangezien handelen
met betrekking tot deze terreinen tot de exclusieve bevoegdheden van de EU behoort.
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van subsidiariteit van de onderdelen van het
voorstel die zien op de interne markt, waarbij er sprake is van een gedeelde bevoegdheid,
is positief. Het voorstel heeft tot doel om de illegale productie van drugs tegen
te gaan door het vaststellen van geharmoniseerde regels omtrent de handel van drugsprecursoren.
Gezien de grensoverschrijdende aard van de interne markt, kan de controle en monitoring
van drugsprecursoren onvoldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal
niveau worden verwezenlijkt. Daarom is een EU-aanpak wel nodig. Het doel van het voorstel
kan daarnaast het beste door Uniebreed optreden worden bereikt, doordat het grensoverschrijdend
optreden tegen illegale handel mogelijk zou maken en geharmoniseerde regelgeving bevorderend
zou zijn voor de legale handel van chemicaliën op de interne markt. Harmonisatie van
de regels voorkomt dat criminele netwerken via lidstaten met zwakkere regels de EU
binnenkomen.
c) Proportionaliteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet of de inhoud en vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat
nodig is om de doelstellingen van de EU-verdragen te verwezenlijken (het proportionaliteitsbeginsel).
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de proportionaliteit is positief, met
aandachtspunten. Het voorstel heeft tot doel om de illegale productie van drugs tegen
te gaan door het vaststellen van geharmoniseerde regels omtrent de handel van drugsprecursoren.
Het voorgestelde optreden is geschikt om deze doelstelling te bereiken, omdat de introductie
van verscheidene categorieën voor precursoren, de samenvoeging van bestaande wetgeving
en de daar bijhorende digitalisering en vereenvoudiging van toezicht, en de harmonisatie
van interne en externe handelscontroles allemaal wezenlijk bijdragen aan het harmoniseren
van de handel van drugsprecursoren en het tegengaan van illegale productie. Bovendien
gaat het voorgestelde optreden niet verder dan noodzakelijk, omdat het voornamelijk
een modernisering van het bestaande kader betreft met een focus op digitalisering,
vereenvoudiging en efficiëntere handhaving. Hiermee wordt er voldoende ruimte overgelaten
aan de lidstaten.
Wel heeft het kabinet enkele aandachtspunten bij dit voorstel. Allereerst dat de jaarlijkse
opgaafverplichting voor ondernemingen wordt afgeschaft met dit voorstel. Dit kan een
lastenverzwaring als gevolg hebben voor toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten,
nu zonder deze informatie toezichthouders vaker op bezoek zullen moeten gaan bij ondernemingen
ten behoeve van effectief toezicht. Tevens is hierbij een aandachtspunt dat de speciale
vergunningen en toezicht op de export van precursoren zijn afgeschaft. Het kabinet
zal nog om toelichting vragen over de uiteindelijke uitvoeringslasten die hierdoor
bij de toezichthouden autoriteiten komen te liggen. Het kabinet zal er hierbij op
aandringen dat de toezicht voor de toezichthouders van de lidstaten zo uitvoerbaar
en simpel mogelijk zal blijven.
5. Financiële consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke
aspecten
a) Consequenties EU-begroting
In het voorstel wordt geschat dat de benodigde begrotingsmiddelen voor de EU na 2027
als volgt zijn: voor het interne markt IT-systeem en personele middelen wordt een
begrotingsbehoefte van EUR 1,322 miljoen per jaar voorzien, te beginnen vanaf 2028.
Voor externe handel wordt een voorlopige begrotingsanalyse gepresenteerd, die de kosten
inschat op maximaal EUR 24,148 miljoen, afhankelijk van het gekozen IT-oplossingsmodel. Daarnaast wordt de kostprijs van een databank voor drugsprecursoren geschat
op EUR 0,530 miljoen, inclusief personele middelen. Deze kosten zullen moeten worden
gefinancierd uit de EU-begroting voor de periode na 2027, binnen het kader van programma’s
die gericht zijn op digitale transformatie en marktintegratie.
Het kabinet is van mening dat de benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen
de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021–2027, en dat
deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. Het kabinet
wil niet vooruitlopen op de integrale afweging van middelen na 2027.
De implementatie van een gecentraliseerd elektronisch systeem zal de EU-autoriteiten
en lidstaten verplichten om de naleving van de regels met betrekking tot vergunningen,
registraties en hoeveelheden drugsprecursoren te monitoren, wat naar verwachting zal
leiden tot een toename van de personeelsbehoefte (FTE). Hoewel het voorstel geen specifieke
aantallen FTE’s noemt, wordt ervan uitgegaan dat er extra middelen nodig zullen zijn
om deze administratieve taken te beheren. Daarnaast moet de ontwikkeling van de administratieve
uitgaven in lijn zijn met de ER-conclusies van juli 2020 over het MFK-akkoord. Het
kabinet is kritisch over de stijging van het aantal werknemers.
b) Financiële consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/of medeoverheden
De financiële consequenties voor de rijksoverheid en medeoverheden zullen vooral betrekking
hebben op de kosten van implementatie en handhaving. De overgang naar een gecentraliseerd,
digitaal licentiesysteem vereist investeringen in IT-infrastructuur en digitale systemen
voor vergunningen en meldingen. Dit zal de rijksoverheid en lokale autoriteiten kosten
met zich meebrengen in de vorm van aanpassingen aan bestaande systemen en de oprichting
van nieuwe controlemechanismen.
Daarnaast zullen er extra personeelskosten zijn voor het trainen van medewerkers die
de nieuwe systemen en procedures moeten implementeren. Dit geldt zowel voor handhavingsinstanties
als voor de toezichthouders die verantwoordelijk zijn voor de naleving van de regels.
De (eventuele) budgettaire gevolgen worden ingepast op de begroting van het/de beleidsverantwoordelijk(e))
departement(en), conform de regels van de budgetdiscipline.
Op lange termijn kunnen deze kosten worden gecompenseerd door een efficiënter systeem,
wat zorgt voor minder handmatige administratie en snellere en effectievere controle
op precursoren. De lagere administratieve lasten voor de overheid kunnen de kosten
van toezicht en handhaving uiteindelijk verlagen, maar de initiële investeringen in
digitalisering zullen een belangrijke financiële consequentie zijn.
c) Financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger
Het voorstel zal voor bedrijven, vooral in de chemische, farmaceutische en logistieke
sector, zowel voordelen als extra lasten met zich meebrengen. De digitalisering van
het licentiesysteem en het vervallen van de verplichting om klantverklaringen te verkrijgen
zal de administratieve lasten op lange termijn verminderen, doordat bedrijven hun
vergunningen en meldingen centraal kunnen regelen. Dit maakt de procedures efficiënter
en minder complex, vooral voor bedrijven die internationaal actief zijn. Echter, de
overgang naar dit systeem vereist voor sommige bedrijven, met name kleinere, een initiële
investering in IT-systemen en training. Daarnaast worden verplichtingen voor externe
handelaren beperkt blijven tot het registreren van hun activiteiten, zonder de vereiste
goedkeuring door nationale autoriteiten. Daarbij is het van belang dat de lasten voor
legitieme toepassingen proportioneel blijven, zodat onderzoek, innovatie en de productie
en beschikbaarheid van geneesmiddelen en andere essentiële medische toepassingen niet
onbedoeld worden belemmerd.
Voor kleinere bedrijven en onderzoeksinstellingen kunnen de administratieve verplichtingen
zwaarder zijn, vooral als het gaat om het rapporteren van precursoren en het aanvragen
van vergunningen. De kosten van compliance zullen vooral voelbaar zijn voor bedrijven
die met risicovolle stoffen werken.
Voor burgers zijn de directe financiële gevolgen beperkt. De impact van de verordening
zal voornamelijk worden gevoeld door bedrijven die precursoren produceren of verhandelen.
De kosten voor de overheid zullen toenemen door handhaving en training, maar deze
kosten zullen waarschijnlijk niet direct aan de burger worden doorberekend.
Op lange termijn zullen de voordelen van een efficiënter systeem de initiële kosten
overtreffen, vooral doordat de effectievere controle op precursoren kan bijdragen
aan het verminderen van de productie van illegale drugs, wat uiteindelijk kosten voor
de samenleving kan besparen.
d) Gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
Door de introductie van een gecentraliseerd digitaal systeem voor de controle op drugsprecursoren,
kan de EU haar interne markten efficiënter en transparanter maken, wat vooral kleine
bedrijven ten goede zal komen. Dit vermindert administratieve lasten en vergroot de
concurrentiekracht. Door de striktere controlemaatregelen dienen landen buiten de
EU hun beleid aan te passen.
6. Implicaties juridisch
a) Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid
(inclusief toepassing van de lex silencio positivo)
Het kabinet zal de Wet voorkoming misbruik Chemicaliën (en o.a. de Wet op de economische
delicten voor de strafbaarstellingen) moeten herzien om te voorkomen dat de verordening
andere stoffen verbiedt dan de Nederlandse wet. Het merendeel van de artikelen in
de WVMC verwijst namelijk naar de bepalingen in de huidige verordeningen. In gevolg
het nieuwe artikel 16 van de verordening moet er een algeheel verbod komen op het
beschikbaar maken in de markt, de import, de export, het bezit en het gebruik van
categorie 3 precursoren, als ook het verrichten van intermediate activiteiten. Op
deze bepaling kan een uitzondering gemaakt worden voor handelingen met een hoeveelheid
onder de drempelwaarde van die stoffen bestemd voor onderzoek en innovatie. Voor handelingen
met stoffen boven de drempelwaarde moet een vergunning aangevraagd worden. Ook art.
4a WVMC zal moeten worden herzien.
b) Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan
Het voorstel bevat verschillende bevoegdheden voor de Commissie om gedelegeerde handelingen
vast te stellen op basis van artikel 37 van het voorstel. Dit betreft de ten eerste
bevoegdheid om op grond van art. 37, eerste lid, Annex I, II en III te wijzigen door
stoffen toe te voegen en daarmee in te spelen op nieuwe trends of om deze bijlagen
in overeenstemming te brengen met wijzigingen van de tabellen bij het VN-verdrag.
Ten tweede kan de Commissie op grond van artikel 37, tweede lid, stoffen uit Annex
III herclassificeren wanneer blijkt dat deze een legitiem gebruik heeft anders dan
voor onderzoek en innovatie. Ten derde kan de Commissie drempelwaarden vaststellen
(concentratie-, jaarhoeveelheids- en onderzoeksdrempels) en deze in Annex I, II en
III vastleggen op grond van artikel 37, derde lid. Ten vierde bevat het voorstel de
bevoegdheid voor de Commissie om Annex IV tot en met IX te wijzigen ten aanzien van
vergunningen, registraties, meldingsverplichtingen, criteria voor legitieme doeleinden
en verdenking van illegaal gebruik, rapportageverplichtingen en overgangsmaatregelen
op grond van artikel 37, vierde lid.
Voor de eerste bevoegdheid geldt het volgende. Het toekennen van deze bevoegdheid
is wel mogelijk, omdat het niet essentiële onderdelen van de basishandeling betreft.
Toekenning van deze bevoegdheid acht het kabinet wenselijk, omdat flexibiliteit nodig
is om in te spelen op nieuwe trends en om bijlagen doelmatig te actualiseren. Delegatie
i.p.v. uitvoering ligt hier voor de hand omdat het gaat om het aanvullen en wijzigen
van niet-essentiële elementen van de regeling en niet om uniforme toepassing van reeds
vastgestelde regels. Het kabinet acht deze bevoegdheid voldoende afgebakend.
Voor de tweede bevoegdheid geldt het volgende. Het toekennen van deze bevoegdheid
is wel mogelijk, omdat het niet essentiële onderdelen van de basishandeling betreft.
Toekenning van deze bevoegdheid acht het kabinet wenselijk, omdat op basis van nieuwe
informatie over legitiem gebruik van stoffen tijdig herclassificatie kan plaatsvinden
zonder herziening van de verordening.
Delegatie i.p.v. uitvoering ligt hier voor de hand omdat het gaat om het aanvullen
en wijzigen van niet-essentiële elementen van de regeling en niet om uniforme toepassing
van reeds vastgestelde regels. Het kabinet acht deze bevoegdheid voldoende afgebakend.
Voor de derde bevoegdheid geldt het volgende. Het toekennen van deze bevoegdheid is
wel mogelijk, omdat het niet essentiële onderdelen van de basishandeling betreft.
Toekenning van deze bevoegdheid acht het kabinet wenselijk, omdat flexibiliteit nodig
is om bijlagen doelmatig te actualiseren. Delegatie i.p.v. uitvoering ligt hier voor
de hand omdat het gaat om het aanvullen en wijzigen van niet-essentiële elementen
van de regeling en niet om uniforme toepassing van reeds vastgestelde regels. Het
kabinet acht deze bevoegdheid voldoende afgebakend.
Voor de vierde bevoegdheid geldt het volgende. Het toekennen van deze bevoegdheid
is wel mogelijk, omdat het niet essentiële onderdelen van de basishandeling betreft.
Toekenning van deze bevoegdheid acht het kabinet wenselijk, omdat het gaat om het
aanpassen van procedurele en technische onderdelen waarbij flexibiliteit wenselijk
is om deze bijlagen actueel te houden. Delegatie i.p.v. uitvoering ligt hier voor
de hand omdat het gaat om het aanvullen en wijzigen van niet-essentiële elementen
van de regeling en niet om uniforme toepassing van reeds vastgestelde regels. Het
kabinet acht deze bevoegdheid wel voldoende afgebakend. Het voorstel voldoet op dit
punt en levert geen problemen op voor de praktijk, mits de huidige wijze waarop lidstaten
inbreng/inspraak hebben wordt gehandhaafd.
Verder wordt in het voorstel bepaald dat de Commissie voor de vaststelling van de
gedelegeerde handelingen waarmee Annexen I, II en III worden gewijzigd gebruik mag
maken van de spoedprocedure, zolang er geen bezwaar hiertegen is ingediend door zowel
het Europees Parlement als de Raad. De mogelijkheid om gebruik te maken van de spoedprocedure
acht het kabinet wenselijk, omdat het nodig kan zijn dat de relevante Annexen met
spoed worden gewijzigd. Het kabinet acht echter niet voldoende afgebakend wanneer
de Commissie gebruik mag maken van deze spoedprocedure, nu geenszins is omschreven
in welke mogelijke gevallen sprake zou zijn van «spoed». Het kabinet zet in op het
verduidelijken van wanneer de Commissie gebruik kan maken van de spoedprocedure.
Het voorstel bevat ook de bevoegdheid voor de Commissie om een uitvoeringshandeling
vast te stellen. Dit betreft de bevoegdheid om op basis van artikel 35, achtste lid,
technische specificaties en procedurele uitvoeringsregels vaststellen voor de ontwikkeling
en werking van het centrale elektronische systeem voor drugsprecursoren. Het toekennen
van deze bevoegdheid is wel mogelijk, omdat het niet essentiële onderdelen van de
basishandeling betreft. Toekenning van deze bevoegdheden acht het kabinet tevens wenselijk,
omdat het wenselijk is de specificaties omtrent het elektronische systeem flexibel
en snel eenvormig te kunnen vast te stellen voor het goed functioneren van het elektronische
systeem. De keuze voor uitvoering i.p.v. delegatie ligt hier voor de hand omdat het
gaat om uitvoering van de verordening en specifiek het vaststellen van het elektronische
systeem volgens eenvormige voorwaarden. De uitvoeringshandelingen worden vastgesteld
volgens de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 5 van verordening 182/2011.
Toepassing van deze procedure is hier volgens het kabinet wel op zijn plaats omdat
het gaat om uitvoeringshandelingen van algemene strekking (artikel 2, lid 2, sub a,
verordening 182/2011).
c) Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum
inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid
De voorgestelde verordening zal na vaststelling en publicatie in het Publicatieblad
van de Europese Unie rechtstreeks van toepassing zijn. Gezien de omvang van de wijzigingen,
met name de invoering van een nieuw digitaal licentie- en registratiesysteem en de
benodigde aanpassingen in toezicht en handhaving, is een overgangsperiode noodzakelijk.
Een implementatietermijn van meerdere jaren wordt realistisch geacht om lidstaten,
uitvoeringsorganisaties en het bedrijfsleven voldoende tijd te geven om nationale
systemen aan te passen, personeel te trainen en procedures in te richten. Het kabinet
zal zich inzetten voor een voldoende lange en realistische overgangstermijn, zodat
de invoering zorgvuldig kan plaatsvinden en risico’s op verstoring van legale handel
en uitvoeringsproblemen worden beperkt.
d) Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling
Het voorstel introduceert een jaarlijkse rapportage van de voortgang bij de implementatie
van de verordening, wat zorgt voor transparantie en de mogelijkheid om bij te sturen.
Het kabinet steunt dit idee, aangezien het kan bijdragen aan betere handhaving en
het sneller identificeren van knelpunten. Het kabinet zal zich inzetten voor een praktische
en pragmatische invulling van de rapportage, waarbij de focus ligt op effectieve handhaving
en de impact op bedrijven.
e) Constitutionele toets
Niet van toepassing
7. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving
Partijen die zich in Nederland op enige manier bezighouden met precursoren («operators»)
zijn in het voorstel nog altijd verplicht dat te melden aan de bevoegde autoriteiten,
in Nederland is dat de FIOD. Dat geldt ook voor verdachte situaties en misdrijven
(artikel 8). Per categorie precursoren is er een reeks administratieve verplichtingen
voor bedrijven, ook met betrekking tot import en export. Gunstig is dat douane, politie,
defensie en officiële labs van de competente autoriteiten nu van deze verplichtingen
zijn uitgezonderd.
De jaarlijkse opgaafverplichting waaruit veel relevante informatie wordt gehaald door
de douane en op grond waarvan onderzoeken worden geselecteerd, zoals die in de huidige
Verordeningen is opgenomen, maakt geen deel uit van de voorgestelde Verordening. Dat
leidt mogelijk tot extra werkzaamheden/taken. Voor het effectief uitvoeren van toezicht
zou de douane immers vaker bedrijven («operators») moeten bezoeken.
Aan de andere kant zou het ook zo kunnen zijn dat het voorstel van de Commissie tot
verregaande digitalisering, inclusief aansluiting van systemen via CERTEX, de hiervoor
genoemde extra werkzaamheden voorkomt. In dat geval zou het voorstel juist meer doelmatig
en risicogericht toezicht mogelijk maken.
Ook verdwenen zijn de speciale vergunningen en het toezicht op de export van precursoren.
Nederland zal de Europese Commissie verzoeken om aanvullende maatregelen die waarborgen
dat douane- en handhavingsdiensten effectief toezicht kunnen blijven houden op de
in- en uitvoer van drugsprecursoren. Het verlichten van administratieve lasten voor
het bedrijfsleven zou niet mogen leiden tot een verhoogd risico op misbruik van precursoren.
De huidige tekst lijkt overigens ook voldoende ruimte te bieden voor een nadere invulling
van die mogelijke voorwaarden
In het voorstel van de Commissie worden taken en verantwoordelijkheden consequent
toebedeeld aan de «competent authorities» van de Lidstaten. In het geval van implementatie van de Verordening zullen taken
en verantwoordelijkheden in de Nederlandse wet- en regelgeving worden toebedeeld aan
de betreffende Nederlandse autoriteiten zoals op dit moment ook het geval is.
Het voorstel van de Commissie bevat geen sanctiebepalingen, maar wel de verplichting
om sancties op te nemen in de nationale wetgeving in het geval van implementatie van
de Verordening. Dit vraagt aanpassing van de huidige wetgeving, o.a. de WVMC en de
Wed.
8. Implicaties voor ontwikkelingslanden
Er zijn geen verwachte implicaties voor ontwikkelingslanden, anders dan implicaties
voor derde landen in het algemeen.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken