Brief regering : Beantwoording vragen commissie naar aanleiding van de rapporteursnotie over de begroting OCW 2026
36 800 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2026
Nr. 76 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 februari 2026
Hierbij bieden wij u de antwoorden aan op de schriftelijke vragen van de commissie
naar aanleiding van de rapporteursnotie over de begroting OCW 2026.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, G. Moes
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, K.M. Becking
1.1 Kan de Minister voor alle opgegeven dekkingsposten in de brief over het beroep
op de Comptabiliteitswet 2016, art. 2.27 lid 2 in het kader van de prijsbijstelling
VO (Kamerstuk 36 725 VIII, nr. 4) aangeven wat de meerjarige reeks is vanaf 2026? (paragraaf 1.2)
In onderstaande tabel staan de opgegeven dekkingsposten voor de prijsbijstelling VO
meerjarig weergegeven. Deze tabel is overigens ook opgenomen in de Kamerbrief waar
in de vraag naar wordt gerefereerd.
Bedragen x € 1 miljoen
2026
2027
2028
2029
2030
Arbeidsmarkttoelage vo
– 10,0
– 10,0
– 10,0
– 10,0
– 10,0
Nationaal programma leefbaarheid en veiligheid (vrijval gedeelte vve)
– 4,4
– 4,4
– 4,4
– 4,4
– 4,4
Loonbijstelling subsidies (m.n. onderwijsregio’s)
– 13,9
– 14,6
– 14,6
– 14,7
– 14,7
Loonbijstelling GOAB
– 0,4
– 8,2
– 12,2
– 5,8
– 11,7
Totaal
– 28,6
– 37,2
– 41,2
– 34,9
– 40,8
1.2 Heeft de Minister beheersmaatregelen getroffen voor de dalende uitgaven in het
funderend onderwijs als gevolg van de dalende leerlingaantallen en zo ja welke? (paragraaf 1.3)
Voor het primair en voortgezet onderwijs hangt een groot deel van de kosten samen
met de huidige leerlingaantallen. Bij de Voorjaarsnota worden de budgetten daarom
jaarlijks bijgesteld op basis van de verwachte stijgingen of dalingen in leerlingenaantallen.
Hierbij wordt gebruik gemaakt van de jaarlijkse referentieraming van de verwachte
ontwikkeling van het aantal leerlingen en studenten voor de komende jaren. Bij dalende
leerlingaantallen wordt het budget naar beneden bijgesteld. Voor welke overige maatregelen
getroffen worden ten aanzien van de dalende leerlingaantallen in het funderend onderwijs
wordt verwezen naar het antwoord op vraag 1.3.
1.3 Welk beleid voert de Minister om de krimp in het funderend onderwijs op te vangen?
(paragraaf 1.3)
Om te zorgen voor een kwalitatief goed, gevarieerd en bereikbaar onderwijsaanbod in
krimpregio’s zijn diverse (beleids)maatregelen genomen, zoals de aanvullende bekostiging
voor «geïsoleerde vestigingen» in het voortgezet onderwijs en de verruiming van de
«50% regeling». Deze regeling maakt het mogelijk dat leerlingen maximaal de helft
van hun opleiding op een andere school volgen, waardoor scholen in krimpgebieden profielen
of sectoren gezamenlijk kunnen aanbieden. Daarnaast worden regiocoördinatoren ingezet,
zij ondersteunen en adviseren schoolbesturen en regionale samenwerkingsverbanden gericht
wanneer er sprake is van krimp. De samenwerking tussen vo scholen is gestimuleerd
via de subsidieregeling «incidentele middelen leerlingendaling» (IML; € 25 miljoen).
40 regio’s hebben deze subsidie toegekend gekregen. De looptijd van deze regeling
was tot 1 augustus 2025 en de resultaten van het eindonderzoek worden medio 2026 verwacht.
In het primair onderwijs geldt dat de instandhoudingsnormen voor scholen per gemeente
worden vastgesteld, om recht te doen aan de verschillen in leerlingdichtheid tussen
gebieden. Daarnaast werkt OCW aan een herziening van het stelsel van instandhouding en opheffing van basisscholen, waarbij onder andere de kleinescholentoeslag
zo wordt omgevormd dat deze meer gericht terecht komt in regio’s met een lagere leerlingdichtheid.
De prognoses tot en met 2032 laten zien dat de leerlingenkrimp in het po is afgevlakt.
Voor het vo geldt dat de leerlingaantallen dalen van 2025 tot 2026, om daarna eveneens
af te vlakken. Na 2030 is in het vo weer een lichte krimp te zien. De krimp in het
vo zet zich de komende jaren voort in het beroepsonderwijs.
1.4 Kan de Minister in een toekomstige situatie waarin meerdere begrotingsversies
van één begrotingsjaar naast elkaar lopen, duidelijk aangeven hoe de diverse mutaties
uit verschillende begrotingsversies zich tot elkaar verhouden? (paragraaf 1.4)
Iedere nieuwe begrotingswet is een bijstelling ten opzichte van de laatst bij het
parlement ingediende begrotingswet. Indien de eerder ingediende begrotingswet nog
niet door beide Kamers is geautoriseerd, kan het voorkomen dat er meerdere begrotingswetten
naast elkaar lopen. Dit is niet wenselijk om verschillende redenen:
– Er is een groot maatschappelijk belang om begrotingswetten tijdig te autoriseren.
Nieuw beleid kan bijvoorbeeld niet zomaar worden uitgevoerd als beide Kamers nog niet
akkoord zijn;
– Het kan onduidelijk zijn hoe de versies zich tot elkaar verhouden;
– Als de eerder ingediende begrotingswet uiteindelijk niet wordt geautoriseerd, moet
deze enerzijds opnieuw worden ingediend en anderzijds de later ingediende begrotingswet
worden aangepast. Dit is arbeidsintensief en foutgevoelig.
Het is niet wenselijk dat begrotingsstukken naast elkaar lopen. Het kabinet draagt
hieraan bij door de Voorjaarsnota en bijbehorende suppletoire begrotingen te vervroegen.
Mocht de situatie waarin meerdere begrotingsversies naast elkaar lopen in de nabije
toekomst toch plaatsvinden, dan zal er gepoogd worden om de Kamer zo goed mogelijk
te informeren over de samenhang tussen deze stukken.
2.5 Kan de Minister in de toekomstige begrotingsstukken de voortgang van de taakstelling
op het apparaat op een heldere manier inzichtelijk maken, bijvoorbeeld in tabelvorm
(zie Kamerstuk 36 725 VIII, nr. 5, p. 12). Kan de Minister in deze informatie onderscheid maken tussen de financiële
ontwikkelingen en ontwikkelingen in fte? (paragraaf 2.1)
De verdeling van de taakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord is inzichtelijk gemaakt
in de beantwoording van vraag 17 van de eerste suppletoire begroting 2025. Het is
niet mogelijk om apart over de voortgang van de taakstelling te rapporteren. Dit komt
omdat de budgetten van de onderdelen van het kerndepartement zijn verlaagd en er vervolgens
binnen de reguliere budgettaire kaders wordt gestuurd op realisatie binnen het totaal
beschikbare budget. Het totaal beschikbare budget voor de apparaatskosten wordt ook
beïnvloed door allerlei andere factoren zoals loonbijstelling, taakoverhevelingen,
etc., waardoor niet apart gestuurd kan worden op de voortgang van de taakstelling.
BZK rapporteert in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk over de rijksbrede voortgang
van de taakstelling én over de ontwikkeling van de fte’s per departement. De verantwoording
wordt dus afgelegd over het totaal van de apparaatskosten.
2.6 Kan de Minister per begrotingsartikel aangeven hoe de taakstelling op de apparaatskosten
zich verhoudt tot de beleidsdoelstellingen? (paragraaf 2.2)
Het is niet mogelijk om per begrotingsartikel het effect van de taakstelling op de
beleidsdoelstellingen concreet aan te geven. Beleidsdoelstellingen wijzigen immers
ook door andere factoren, zoals politieke prioriteiten en maatschappelijke ontwikkelingen
en niet in het minst door intensiveringen en bezuinigingen op beleidsbudgetten. Ook
kunnen de in 2025 opgestelde taakstellingsplannen wijzigen onder invloed van andere
prioriteiten. Inhoudelijk kijken we scherp naar wat onze kerntaken zijn voor onderwijs,
wetenschap, emancipatie, cultuur en media. Zodat we die taken, waar het ministerie
het sterkst van betekenis is, zo goed mogelijk kunnen blijven doen. De taakstelling
is vooral gericht op het bestuursdepartement. Dat leidt tot minder capaciteit en ruimte
voor beleidsontwikkeling. Dat betekent dat afhankelijk van politieke keuzes sommige
vraagstukken echt trager of niet worden opgepakt. Verantwoording hierover vindt plaats
in de brieven aan uw Kamer.
In principe zullen de onderdelen van het kerndepartement de komende jaren begrotingen
voor de apparaatskosten opstellen op basis van het verlaagde budget. Echter, bij de
besluiten over de begrotingen zal een veelvoud aan andere factoren meespelen. Het
is daarom niet vanzelfsprekend dat in de toekomst een direct verband gelegd kan worden
tussen de taakstelling en bepaalde taken.
2.7 Welke beleidsmatige gevolgen heeft de taakstelling op de apparaatskosten van de
agentschappen en zbo’s? Welke (wettelijke) taken worden in de toekomst minder of anders
uitgevoerd? (paragraaf 2.2)
Aan de zbo’s en agentschappen is een efficiencytaakstelling opgelegd, deze loopt vanaf
2025 met 0,5% per jaar op tot uiteindelijk 2,5% in 2029. Dit is de maximale korting
waarvan het CPB uitgaat in Keuzes in Kaart, die zonder het schrappen van specifieke
taken haalbaar zou moeten zijn. OCW gaat ervan uit dat deze korting gevonden kan worden
in efficiencymaatregelen. Overigens is er een grens aan het opleggen van efficiencykortingen
jaar op jaar. Bij aanvullende bezuinigingen moet gekeken worden naar (wettelijke)
taken of vereenvoudiging van wet- en regelgeving.
In principe zullen agentschappen en zbo’s de komende jaren begrotingen opstellen op
basis van de verlaagde budgetten. Echter, bij de besluiten over de begrotingen zal
een veelvoud aan andere factoren meespelen. Het is daarom niet vanzelfsprekend dat
in de toekomst een direct verband gelegd kan worden tussen de efficiencytaakstelling
en bepaalde (wettelijke) taken.
2.8 Hoe verhoudt de wens om meer ambtelijk ICT-personeel bij DUO aan te nemen zich
tot de opgelegde taakstelling bij DUO? (paragraaf 2.3)
Er zijn additionele middelen beschikbaar gesteld om te voldoen aan diverse compliance-vereisten.
Daarnaast bespaart DUO door de uitstroom van extern personeel en het aantrekken van
intern personeel. Het werken met meer ambtelijk personeel draagt hiermee bij aan de
invulling van de taakstelling.
3.9 Kan de Minister nader toelichten hoe de periodieke rapportage over het thema «Versterking
van de mediasector en hervorming van de publieke omroep» benut kan worden voor de
lopende stelselherzieningen van de lokale en landelijke publieke media als de resultaten
pas in 2028 en 2029 verwacht worden? (hoofdstuk 3)
De afgelopen jaren zijn benut voor uitwerking van de nieuwe stelselherzieningen voor
landelijke en lokale publieke media. Het proces van het uitwerken van de stelselherzieningen
is al een tijd gaande, terwijl een periodieke rapportage per periodiek gepland wordt.
Het komt in de tijd daarom nu zo uit dat de resultaten van de toekomstige, nog in
te plannen, periodieke rapportage niet benut kunnen worden voor de stelselherzieningen
van de landelijke en lokale publieke media. Voor die stelselherzieningen is onder
andere gebruik gemaakt van de geleerde lessen van de vorige Beleidsdoorlichting (2022)
en van andere adviesrapporten. De eerstvolgende Periodieke Rapportage Mediabeleid
(artikel 15) valt samen met het ingaan van deze vernieuwde omroepstelsels. Daarmee
kan een toekomstige, nog in te plannen, Periodieke Rapportage benut worden voor de
evaluatie van de (werking van de) nieuwe omroepstelsels in de periode ná 2028. De
eerstvolgende Periodieke Rapportage over het gevoerde mediabeleid binnen artikel 15
zal daardoor betrekking hebben op de beleidsperiode 2021–2027. Daarbij wordt opgemerkt
dat deze Periodieke Rapportage naast de landelijke en lokale omroepstelsels ook betrekking
heeft op andere onderdelen van het mediabeleid, zoals journalistiek, de regionale
omroepen en mediawijsheid.
4. 10 Hoe kijkt de Minister naar de suggesties ter verbetering van de in tabel 2 genoemde
beleidsindicatoren? (hoofdstuk 4)
Voor de beleidsprioriteiten in de begroting en het jaarverslag van OCW wordt er voortdurend
gewerkt aan een goede mix van beleidsindicatoren om het beleid over de volledige breedte
te kunnen monitoren. De suggesties in Tabel 2 neemt de Minister in overweging bij
de selectie van bestaande en de ontwikkeling van nieuwe beleidsindicatoren. Het is
aan het nieuwe kabinet om vanuit de dialoog over het nieuwe regeerakkoord die indicatoren
te ontwikkelen die passen bij de informatiebehoefte.
4.11 Kan de Minister toezeggen dat de Tweede Kamer wordt betrokken bij de totstandkoming
van beleidsindicatoren over een nieuw regeerakkoord en zo ja, op welke wijze? (hoofdstuk
4)
Het is aan het nieuwe kabinet om het gesprek met uw Kamer te voeren over de gestelde
doelen, ambities en streefwaarden ten aanzien van het nieuwe regeerakkoord en over
de informatiebehoefte ten behoeve van de controlerende taak. De nieuwe bewindspersoon
kan de inhoud van dit gesprek dan in overweging nemen bij het bepalen van de set beleidsindicatoren.
Met het nieuwe regeerakkoord zal identificatie van passende beleidsindicatoren bij
de doelen uit het regeerakkoord en de daaruit voortkomende beleidsprioriteiten ook
aan de orde zijn, zoals geschetst in de brief van 25 juni 2025 (Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 177).
5. 12 Heeft de Minister de ontwikkeling van executieve vaardigheden en sociaal-emotionele
ontwikkeling bij leerlingen in het funderend onderwijs gemeten ten tijde van het NP
Onderwijs en zo ja, welke ontwikkelingen zijn hier zichtbaar geworden? (paragraaf 5.2)
Ja. Enerzijds door gebruik te maken van gegevens uit onderzoeken, zoals het Health
Behaviour in School-aged Children-onderzoek en het Peilstationsonderzoek Scholieren,
anderzijds door dit te vragen aan onderwijsprofessionals. Hieruit blijkt onder andere
dat gedrags- en aandachtsproblemen onder vo-scholieren tussen 2017 en 2021 toenamen.
Tussen 2021 en 2023 was er een kleine, maar niet significante, toename. Belangrijk
om op te merken is dat niet vast te stellen is in hoeverre dit door de pandemie komt:
ook andere maatschappelijke ontwikkelingen hebben invloed op deze cijfers. Daarom
is aanvullend aan onderwijsprofessionals gevraagd in hoeverre zij zich na afloop van
het NP Onderwijs zorgen maken over de gevolgen van de pandemie op diverse domeinen,
waaronder de executieve vaardigheden en sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen.
Hieruit blijkt dat de omvang van hun zorgen is verminderd ten opzichte van het begin
van de pandemie.
5.13 Op welke manier houdt de Minister bij het meten van de doeltreffendheid van de
maatregelen van het Masterplan Basisvaardigheden rekening met de aanbevelingen uit
het onderzoek «Het verhaal achter de cijfers» van KBA Nijmegen en ResearchNed, over
het harmoniseren van datasets, het analyseren van leerprestaties binnen en tussen
leerlingen en scholen en neveneffecten als gevolg van beleidskeuzes? (paragraaf 5.2)
Bij onderzoek naar de maatregelen uit het Masterplan basisvaardigheden wordt rekening
gehouden met de conclusie uit het betreffende onderzoek dat landelijke gemiddelden
variatie maskeren. Er wordt daarom niet alleen gekeken naar gemiddelde cijfers, maar
waar mogelijk ook naar verschillen tussen groepen leerlingen en scholen. Data over
leerprestaties worden daarnaast gecombineerd met informatie over de schoolloopbanen
van leerlingen (op- en afstroom, zittenblijven) om deze van context te voorzien. Bovendien
wordt gebruik gemaakt van verschillende bronnen en, wanneer deze een wisselend beeld
schetsen, met wetenschappers overlegd over de interpretatie van zulke (ogenschijnlijke)
verschillen. Ook zorgen we ervoor dat we kwantitatief onderzoek naar leerprestaties
combineren met meer kwalitatief en verdiepend onderzoek naar de uitvoering en het
effect van verschillende beleidsmaatregelen.
5.14 Beschikt de Minister over gegevens van de leerprestaties en sociale vaardigheden
van eerstejaarsstudenten in het mbo en ho en zo niet, is hij van plan deze te gaan
verzamelen met het oog op het monitoren van eventuele
De leerprestaties en vaardigheden van eerstejaarsstudenten in het vervolgonderwijs
worden niet op landelijk niveau gevolgd. Het ministerie is niet voornemens daarmee
te starten. Er zijn wel langlopende onderzoeken waarmee het niveau van vo-leerlingen
wordt gevolgd, zodat nu en in de toekomst kan worden gemeten wat het niveau is van
studenten die instromen in het eerste jaar van het vervolgonderwijs.
Voor het vervolgonderwijs is geen instrumentarium op dit gebied voorhanden en het
feit dat opleidingen en vormgeving van de opleidingsprogramma’s sterk uiteenlopen
bemoeilijkt dat ook in hoge mate. Gedurende de looptijd van het Nationaal Programma
Onderwijs (NPO) is studievertraging op basis van zelfrapportage door studenten in
beeld gebracht met een apart kwantitatief onderzoek. Deze monitor is gelijktijdig
met het NP Onderwijs in het vervolgonderwijs beëindigd.
Daarnaast blijkt uit de onderzoeken naar de Vaardigheid Examenkandidaten 2024 en 2025
(Cito, Arnhem), Monitor Basisvaardigheden 2025 funderend onderwijs (Ministerie van
OCW) en de Schoolloopbanen NP Onderwijs 2025 en Examenmonitor voortgezet onderwijs
2025 (DUO) dat er nog altijd vo-leerlingen zijn die instromen in het vervolgonderwijs
met achterstanden.
In het vervolgonderwijs zelf worden studenten in het hbo en wo middels de Studentenmonitor
wel jaarlijks gevraagd naar eventuele studievertraging en de redenen hierachter, net
als dat er landelijk gemonitord wordt op studie-uitval, switch en diplomarendement.
Ook in het mbo wordt elk jaar de studie-uitval per leerjaar en instroom(cohort) in
beeld gebracht. Daarbij worden ook achtergrondkenmerken van studenten meegenomen.
Mbo-instellingen zijn tot op heden in staat gebleken het voortijdig schoolverlaten
na de Coronapandemie jaar op jaar te laten dalen.
5.15 Wanneer wordt het eindrapport van het effectonderzoek naar 14 kansrijke interventies
vanuit het NP Onderwijs opgeleverd en naar de Tweede Kamer gestuurd? (paragraaf 5.3)
Het onderzoeksprogramma «Effectmeting kansrijke interventies in het po en vo» wordt
uitgevoerd door het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (nu: NKO, voorheen: NRO).
Conform afspraken met het NKO, worden de eindrapportages van de kansrijke interventies,
zodra zij beschikbaar zijn, gepubliceerd op de website van het NKO. Op dit moment zijn 11 eindrapportages gepubliceerd. Zodra de methodologische
kwaliteit van de overige eindrapportages voldoende is, worden zij op de website van
het NKO gepubliceerd. Dit gebeurt naar verwachting voor de zomer van 2026.
5.16 Welke lessen heeft de Minister geleerd van de kritiek op de uitvoering van het
NP Onderwijs, in het bijzonder in relatie tot de personeelscapaciteit bij onderwijsinstellingen,
de tijdsdruk en administratieve lasten? Welke onderdelen van het NP Onderwijs heeft
hij toegepast in nieuwe beleidscontexten en welke onderdelen past hij niet meer toe?
(paragraaf 5.4)
Het NP Onderwijs heeft ons meerdere waardevolle lessen geleerd. Daarover is uw Kamer
op 8 december 2025 geïnformeerd. Het NP Onderwijs onderscheidt zich door gerichte steun voor de meest kwetsbare leerlingen,
uitgebreide monitoring en de inzet op evidence-informed onderwijs. Deze lessen worden
toegepast in andere beleidsprogramma’s, zoals «Ontwikkelkracht», «School en Omgeving»
en «Masterplan Basisvaardigheden».
Ondanks personeelstekorten is gebleken dat scholen tijdens het NP Onderwijs in staat
zijn geweest om extra personeel aan te trekken.
In de brief over de herijking sturing in het funderend onderwijs is geconstateerd dat er in het onderwijs behoefte is aan structurele middelen. Het
is verklaarbaar dat er voor het NP Onderwijs tijdelijk middelen zijn verstrekt. De
coronapandemie was immers een tijdelijk, maar urgent, probleem. Tegelijkertijd maken
tijdelijke middelen het voeren van beleid gericht op de lange termijn lastig. Daarom
wordt gewerkt aan structurele bekostiging voor structurele taken.
5.17 Welke elementen uit de verantwoording over het NP Onderwijs worden ook toegepast
bij andere beleidsprogramma’s? Hoe houdt de Minister rekening met de ervaren verantwoordingslast?
(paragraaf 5.5)
Bij het NP Onderwijs is er bewust voor gekozen de middelen grotendeels in de vorm
van aanvullende bekostiging te verstrekken. Op deze manier is getracht de administratieve
lasten zo beperkt mogelijk te houden. Schoolbesturen moesten tijdens de looptijd van
het NP Onderwijs wel in het jaarverslag verantwoorden hoe op schoolniveau de middelen
zijn besteed, en enkele vragen in het XBRL-portaal van DUO beantwoorden. Zij zijn
middels handreikingen ondersteund met de verantwoording in het jaarverslag en XBRL.
Tijdens het NP Onderwijs is wel gebleken dat het huidig bekostigingsinstrumentarium
beperkingen kent. Het is niet mogelijk om middelen ambtshalve te verstrekken en daar
verplichtingen aan te verbinden. Het wetsvoorstel gerichte bekostiging maakt het wel
mogelijk om (tijdelijk) verplichtingen te stellen aan bekostiging. Gerichte bekostiging
wordt in eerste instantie alleen ingezet voor de middelen voor het verbeteren van
de basisvaardigheden.
Indieners
-
Indiener
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Medeindiener
K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap