Brief regering : Overeenkomst tussen de Benelux-Staten en de Republiek Suriname inzake de vrijstelling van de visumplicht voor houders van een geldig diplomatiek of dienstpaspoort; Brussel, 14 februari 2025
36 896 (R2217) Overeenkomst tussen de Benelux-Staten en de Republiek Suriname inzake de vrijstelling van de visumplicht voor houders van een geldig diplomatiek of dienstpaspoort; Brussel, 14 februari 2025
A/ Nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op
6 februari 2026.
De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt
onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door ten minste vijftien leden
van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer of door de Gevolmachtigde
Ministers van Aruba, Curaçao en van Sint Maarten te kennen worden gegeven uiterlijk
op 8 maart 2026.
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 januari 2026
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste en derde lid, en artikel 5, eerste
en tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van
State van het Koninkrijk gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring
over te leggen de op 14 februari 2025 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst tussen
de Benelux-Staten en de Republiek Suriname inzake de vrijstelling van de visumplicht
voor houders van een geldig diplomatiek of dienstpaspoort (Trb. 2025, 15 heruitgave).
Een toelichtende nota bij deze overeenkomst treft u eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt voor het gehele Koninkrijk gevraagd.
Aan de Gouverneurs van Aruba, Curaçao en van Sint Maarten is verzocht hogergenoemde
stukken op 6 februari 2026 over te leggen aan de Staten van Aruba, Curaçao en van
Sint Maarten.
De Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en van Sint Maarten zijn van deze overlegging
in kennis gesteld.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
D.M. van Weel
TOELICHTENDE NOTA
I. Algemeen
De op 14 februari 2025 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Benelux-Staten
en de Republiek Suriname inzake de vrijstelling van de visumplicht voor houders van
een geldig diplomatiek of dienstpaspoort (hierna te noemen: het Verdrag) heeft als
doel om houders van diplomatieke paspoorten of houders van dienstpaspoorten uit Suriname
en de Benelux-Staten visumvrij toegang te geven tot elkaars grondgebied voor een verblijf
van ten hoogste 90 dagen in een periode van 180 dagen.
Het visumbeleid betreft een gedeelde bevoegdheid van de Europese Unie (EU) en de EU-lidstaten
op grond van artikel 4, eerste en tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie (VWEU). De gedeelde bevoegdheid betekent op grond van artikel
2, tweede lid, VWEU dat de Unie en de lidstaten wetgevend kunnen optreden en juridisch
bindende handelingen kunnen vaststellen. De lidstaten oefenen hun bevoegdheid uit
voor zover de Unie haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend. Voor wat betreft het visumbeleid
voeren de Benelux-Staten deze bevoegdheid tezamen uit op grond van de op 11 april
1960 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden,
het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg inzake de verlegging van de
personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied (Trb. 1960, 40).
Welke nationaliteiten een visum nodig hebben om het Schengengebied in te reizen en
welke niet, is geregeld in Verordening (EU) nr. 2018/1806 van het Europees Parlement
en de Raad van 14 november 2018 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan
de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van
een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld
(PbEU 2018, L 303). Op basis van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van deze Verordening,
kunnen de EU-lidstaten hier zelfstandig van afwijken ten aanzien van houders van diplomatieke
paspoorten, dienstpaspoorten en andere officiële paspoorten. Als de Europese Commissie
van de Europese Raad een mandaat krijgt om met een derde staat te onderhandelen over
het vrijstellen van de visumplicht (inclusief houders van diplomatieke of dienstpaspoorten),
moeten de Benelux-Staten hun eigen initiatieven die onder artikel 6, eerste lid, aanhef
en onder a vallen beëindigen. De Benelux-Staten bepalen in overleg met elkaar met
welke landen onderhandelingen worden gestart en welke van de Benelux-Staten daarin
het voortouw neemt. De in het Verdrag opgenomen uitzondering op de visumplicht voor
houders van diplomatieke paspoorten en dienstpaspoorten wordt binnen vijf werkdagen
nadat deze uitzonderingsmaatregelen in werking zijn getreden medegedeeld aan de Europese
Commissie op grond van artikel 12 van de Verordening.
De onderhandelingen met Suriname over het Verdrag zijn gevoerd door België. De onderhandelingen
van de Benelux-Staten met Suriname over een overeenkomst betreffende de terug- en
overname van onregelmatig verblijvende personen verliepen gelijktijdig met de onderhandelingen
over visumvrijstelling voor houders van diplomatieke of dienstpaspoorten.
De technische analyse van de huidige niet-biometrische diplomatieke en dienstpaspoorten
van Suriname wees uit dat de beveiliging van de documenten achterhaald is, omdat het
lange tijd zonder technische verbeteringen in omloop is. De Surinaamse autoriteiten
hebben echter inmiddels grote stappen gezet om biometrische paspoorten uit te gaan
geven, zoals de benodigde wetswijzing en het tekenen van een aanbesteding voor de
productie ervan. Met het sluiten van de visumvrijstellingsovereenkomst verbindt Suriname
zich aan artikel 8 van het Verdrag, waarin is vastgelegd dat een partij de andere
partijen van specimina zal voorzien indien er gewijzigde paspoorten in omloop gebracht
worden.
Het sluiten van dit Verdrag onderstreept en ondersteunt de goede bilaterale relatie
van Nederland met Suriname. Het verdrag betreffende de terug- en overname van personen
die onregelmatig op het grondgebied verblijven (Trb. 2025, 16) dient het realiseren en onderhouden van goede samenwerking op het gebied van migratie.
Het sluiten van dergelijke verdragen met herkomstlanden is onderdeel van het terugkeerbeleid,
zoals ook verwoord in het Hoofdlijnenakkoord. Nederland had gelet hierop een sterke
wens om beide verdragen met Suriname te sluiten.
De regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten wensen de medegelding van dit Verdrag.
Omdat het visumbeleid een Koninkrijksaangelegenheid is zal de gelding van het Verdrag
op grond van artikel 14 het Verdrag worden uitgebreid tot Aruba, Curaçao, Sint Maarten
en Caribisch Nederland. De goedkeuring van het Verdrag wordt derhalve voor het gehele
Koninkrijk gevraagd.
Op grond van de Regeling vrijstelling visumplicht Rijksvisumwet zijn personen met
de Surinaamse nationaliteit reeds vrijgesteld van de visumplicht voor de Caribische
delen van het Koninkrijk. Het Verdrag blijft deze visumvrijstelling voor houders van
een diplomatiek of dienstpaspoort borgen.
Ruim voor de invoering van het Schengenvisum had de Benelux in 1975 reeds een visumvrijstellingsverdrag met Suriname gesloten (Trb. 1975, 139). Dit verdrag regelde vrijstelling voor alle paspoorthouders. Vanaf 1 september 1980
is de toepassing van het verdrag uit 1975 door het Koninkrijk der Nederlanden (Trb. 1980, 152) geschorst. Vanaf 22 december 1980 is de toepassing van het verdrag uit 1975 door
Suriname geschorst (Trb. 1981, 125). De bepalingen van het verdrag uit 1975 worden als gevolg van de opschorting niet
uitgevoerd. Het huidige Verdrag heeft geen gevolgen voor de werking van het verdrag
uit 1975. Het onderhavige Verdrag ziet enkel op vrijstelling van de visumplicht voor
diplomatieke en dienstpaspoorten. In artikel 7 van het Verdrag is voorzien in de terug-
en overname van personen met een diplomatiek of dienstpaspoort.
II. Een ieder verbindende bepalingen
Naar het oordeel van de regering bevat dit Verdrag geen een ieder verbindende bepalingen
in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, die aan een rechtssubject rechtstreeks
rechten toekennen of plichten opleggen. De vrijstelling voor houders van diplomatieke
of dienstpaspoorten is immers bedoeld om de internationale betrekkingen te ondersteunen
en om de houders van diplomatieke of dienstpaspoorten bij de uitoefening van de functie
in de andere staat te faciliteren door visumvrijstelling. De bepalingen van het Verdrag
zijn dan ook bestemd om alleen de overheid te binden in haar betrekking tot de andere
verdragspartij.
III. Koninkrijkspositie
De regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten wensen de medegelding van dit Verdrag.
Op grond van artikel 14 kan het Verdrag worden uitgebreid tot Aruba, Curaçao, Sint
Maarten en Caribisch Nederland. De goedkeuring van het Verdrag wordt derhalve voor
het gehele Koninkrijk gevraagd.
VI. Artikelsgewijze toelichting
Hieronder worden de artikelen uit het Verdrag toegelicht.
Artikel 1: Definities
Artikel 1 definieert de begrippen «Benelux-Staten» evenals «Grondgebied», waarbij
wordt aangegeven dat het gaat om de grondgebieden in Europa van de Benelux-Staten.
Op basis van artikel 14 kan de werking van het Verdrag worden uitgebreid tot het Caribische
deel van Nederland en tot de andere landen van het Koninkrijk.
Artikel 2: Bevoegde autoriteiten
Dit artikel wijst de bevoegde autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering
van het Verdrag. Voor het Koninkrijk der Nederlanden is dat het Ministerie van Buitenlandse
Zaken.
Artikel 3: Vrijstelling van de visumplicht
Surinaamse diplomatieke of dienstpaspoorthouders hebben zonder visum toegang tot de
Benelux-Staten en mogen daar maximaal 90 dagen gedurende een periode van 180 dagen
verblijven. De periode van maximaal 90 dagen uit 180 dagen is conform de definitie
van kort verblijf die geïntroduceerd is in Verordening (EU) nr. 610/2013 van het Europees
Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006
van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautaire code
betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) en
van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord, Verordeningen (EG) nr. 1683/95
en (EG) nr. 539/2001 van de Raad en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EG) nr. 810
/ 2009 van het Europees Parlement en de Raad.
Anderzijds hebben houders van diplomatieke of dienstpaspoorten van de Benelux-Staten
visumvrij toegang tot Suriname en mogen zij daar maximaal 90 dagen verblijven.
Artikel 4: Geaccrediteerde vertegenwoordigers
In geval een houder van een diplomatiek paspoort of dienstpaspoort wordt geplaatst
op een ambassade of consulaat of bij een internationale organisatie op het grondgebied
van de andere partij, zal deze schriftelijk worden aangemeld en gedurende zijn plaatsing
visumvrij kunnen binnenkomen, verblijven en vertrekken. Partijen verbinden zich om
de bij accreditatie geldende regelingen te respecteren.
Artikel 5: Weigering van toegang
Een verdragspartij kan de toegang weigeren aan een diplomatieke of dienstpaspoorthouder
van de andere partij als deze als ongewenste vreemdeling wordt beschouwd of als de
aanwezigheid van de desbetreffende persoon wordt beschouwd als een bedreiging voor
de openbare orde of nationale veiligheid.
Artikel 6: Recht van de Europese Unie en nationaal recht
Voor zover het niet in het Verdrag is geregeld, blijven alle nationale wetten en regelingen
alsmede EU-verordeningen gelden die betrekking hebben op toegang, verblijfsduur, verblijf,
tewerkstelling en uitzetting.
Artikel 7: Terug- en overname
In dit artikel wordt de medewerking verzekerd van de respectievelijke autoriteiten
voor de terugkeer van onderdanen in het bezit van een diplomatiek paspoort of een
dienstpaspoort die op elkaars grondgebied verblijven.
Artikel 8: Documentatie
Indien een van de partijen nieuwe of gewijzigde diplomatieke paspoorten of dienstpaspoorten
in omloop brengt, zal deze de andere partijen tijdig – in beginsel minimaal 60 dagen
van tevoren – specimina hiervan sturen, evenals de bijbehorende technische specificaties.
Artikelen 9 tot en met 14
De artikelen 9 tot en met 14 bevatten bepalingen over het oplossen van geschillen,
de depositaris, de procedure voor wijziging van het Verdrag, inwerkingtreding, opzegging,
schorsing en de territoriale toepassing. Op grond van artikel 14 zal de depositaris
in kennis worden gesteld van de uitbreiding van het Verdrag tot Caribisch Nederland
en Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
D.M. van Weel
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.