Brief regering : Overeenkomst tussen de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden) en de Republiek Suriname betreffende de terug- en overname van personen die onregelmatig op het grondgebied verblijven (terug- en overnameovereenkomst); Brussel, 14 februari 2025
36 895 (R2216) Overeenkomst tussen de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden) en de Republiek Suriname betreffende de terug- en overname van personen die onregelmatig op het grondgebied verblijven (terug- en overnameovereenkomst); Brussel, 14 februari 2025
A/ Nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op
6 februari 2026.
De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt
onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door ten minste vijftien leden
van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer of door de Gevolmachtigde
Ministers van Aruba, Curaçao en van Sint Maarten te kennen worden gegeven uiterlijk
op 8 maart 2026.
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 januari 2026
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste en derde lid, en artikel 5, eerste
en tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van
State van het Koninkrijk gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring
over te leggen de op 14 februari 2025 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst tussen
de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk
der Nederlanden) en de Republiek Suriname betreffende de terug- en overname van personen
die onregelmatig op het grondgebied verblijven (terug- en overnameovereenkomst) (Trb. 2025, 16 heruitgave).
Een toelichtende nota bij deze overeenkomst treft u eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt voor het gehele Koninkrijk gevraagd.
Aan de Gouverneurs van Aruba, Curaçao en van Sint Maarten is verzocht hogergenoemde
stukken op 6 februari 2026 over te leggen aan de Staten van Aruba, Curaçao en van
Sint Maarten.
De Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en van Sint Maarten zijn van deze overlegging
in kennis gesteld.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
D.M. van Weel
TOELICHTENDE NOTA
I. Algemeen
1.1 Inleiding
Migranten die niet rechtmatig in Nederland mogen blijven, dienen terug te keren naar
hun land van herkomst. Om dit te bereiken wordt ingezet op het realiseren en onderhouden
van een goede samenwerking op het gebied van migratie met de herkomstlanden. Het Hoofdlijnenakkoord
spreekt in het kader van «Grip op migratie» van akkoorden over terugkeer met derde
landen.1 Binnen het terugkeerbeleid wordt er naar gestreefd terug- en overnameverdragen te
sluiten met herkomstlanden van immigranten. Hierbij gaat het niet uitsluitend om de
landen van herkomst die in het kader van dat beleid als prioritaire migratielanden
zijn aangemerkt. Het wordt van belang geacht om de internationale samenwerking in
het terugkeerproces met een brede groep landen van herkomst te verbeteren en daarmee
de terug- en overname van onrechtmatig verblijvende personen te bevorderen.
De op 14 februari te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Benelux-Staten
en Suriname betreffende de terug- en overname van onregelmatig binnengekomen en/of
verblijvende personen (hierna te noemen: het Verdrag), met Uitvoeringsprotocol met
Bijlagen, regelt de verplichtingen over en weer tussen de Benelux-staten enerzijds
en Suriname anderzijds in het kader van de terugname van eigen onderdanen dan wel
de overname van onderdanen van andere staten die niet of niet langer rechtmatig verblijven
op het grondgebied van één van de verdragsluitende partijen. Het gaat daarbij om de
procedures en bewijsregels voor het vaststellen van de nationaliteit van betrokkene,
het aanvragen van eventueel benodigde vervangende reisdocumenten en regels betreffende
daadwerkelijke terugkeer. De praktijk leert dat dergelijke afspraken, de procedures
die moeten leiden tot het vaststellen van de identiteit en nationaliteit van vreemdelingen
aanzienlijk bekorten. Hoewel de terugkeersamenwerking met Suriname thans redelijk
goed verloopt, was er nog geen sprake van een juridisch bindend instrument. Verwachting
is dat dit Verdrag het terugkeerproces tussen Suriname en Nederland verder verbetert.
België heeft namens de Benelux-staten de onderhandelingen over de terug- en overnameovereenkomst
met Suriname geleid.
Het Verdrag is gekoppeld aan de eveneens op 14 februari 2025 te Brussel tot stand
gekomen Overeenkomst tussen de Benelux-Staten en de Republiek Suriname inzake de vrijstelling
van de visumplicht voor houders van een geldig diplomatiek of dienstpaspoort (Trb. 2025, 15).
1.2 De samenwerking tussen de Benelux-staten en in de EU
Terug- en overnameverdragen waarbij het Koninkrijk der Nederlanden partij is of waaraan
Nederland als lid van de Europese Unie is gebonden, worden gesloten op verschillende
niveaus. Het verdragsrechtelijke kader inzake terug- en overname wordt vormgegeven
door de Europese Unie en door het gezamenlijke optreden van de Benelux-staten. De
Benelux-staten sluiten gezamenlijk terug- en overnameverdragen op grond van de op
11 april 1960 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der
Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg inzake de verlegging
van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Benelux-gebied.2 De Benelux-staten bepalen in overleg met elkaar met welke herkomstlanden onderhandelingen
worden geopend en welke van de Benelux-staten daarin het voortouw neemt. Daarbij is
de omvang van de terugkeerproblematiek in de drie landen mede bepalend. De terug-
en overnameverdragen die in Benelux-verband worden gesloten, gaan in de regel vergezeld
van een uitvoeringsprotocol waarin specifieke uitvoeringsbepalingen zijn opgenomen.
Het uitvoeringsprotocol wordt eveneens door de Benelux-staten gezamenlijk met de verdragspartner
overeengekomen. De Benelux heeft tot nu toe terug- en overnameovereenkomsten gesloten
met twintig staten.3
Daarnaast is het Europese deel van Nederland gehouden aan overnameovereenkomsten die
de Europese Unie sluit. De Europese Unie is bevoegd tot het sluiten van dergelijke
verdragen op grond van artikel 79, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie (VWEU), volgens de procedure zoals bepaald in artikel 218 VWEU.4 Op grond van artikel 218 VWEU verleent de Raad van de Europese Unie de Europese Commissie
op haar voorstel een mandaat om onderhandelingen te openen met bepaalde landen. Bij
de keuze van deze landen baseert de Raad zich onder meer op criteria als migratiedruk
uit het desbetreffende land en de geografische ligging ten opzichte van het grondgebied
van de Europese Unie. De Europese Unie heeft tot nu toe EU-overnameovereenkomsten
gesloten met zeventien staten.5 In 2020 is een EU-overnameovereenkomst gesloten met Belarus,6 maar deze overeenkomst heeft Belarus in oktober 2021 opgeschort. Zolang de Europese
Unie geen gebruik maakt van haar bevoegdheid een EU-overnameovereenkomst te sluiten,
blijven de lidstaten bevoegd dat zelf, op bilateraal, of zoals in het geval door de
Benelux-staten op multilateraal niveau, te doen.
Nederland sluit de uitvoeringsprotocollen ter nadere uitvoering van EU-overnameovereenkomsten
in Benelux-verband, ingevolge de eerdergenoemde Overeenkomst inzake de verlegging
van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Benelux gebied. Het uitvoeringsprotocol
biedt de partijen de mogelijkheid nadere afspraken te maken over de praktische uitvoering
van de in de terug- en overnameovereenkomst overeengekomen bepalingen en over de concrete
samenwerking tussen de uitvoerende diensten die hiervoor verantwoordelijk zijn. Er
zijn tot nu toe uitvoeringsprotocollen gesloten met tien staten.7
1.3 Inhoud van het Verdrag en het Uitvoeringsprotocol
De terug- en overnameovereenkomsten beogen de feitelijke uitzetting van vreemdelingen,
ten aanzien van wie op basis van het nationale recht de verplichting bestaat om een
lidstaat te verlaten, te vergemakkelijken. Voor Nederland wordt de uitoefening van
de bevoegdheid om vreemdelingen op grond van de Vreemdelingenwet 2000 uit te zetten
aanzienlijk vergemakkelijkt, wanneer de aangezochte Staat erkent onder bepaalde omstandigheden
tot terug- of overname verplicht te zijn. De terugnameovereenkomst met Suriname bevat
de voorwaarden waaronder de partijen gehouden zijn eigen onderdanen terug te nemen,
evenals procedurele bepalingen met betrekking tot het indienen en beantwoorden van
een verzoek voor terug- of overname.
Het Verdrag regelt naast de terugname van eigen onderdanen ook de overname van onderdanen
van derde landen. Het Verdrag regelt voorts de voorwaarden waaronder en de wijze waarop
partijen gehouden zijn de doorgeleiding over elkaars grondgebied toe te staan van
naar derde landen te verwijderen personen.
De uitvoerende autoriteiten van Nederland en Suriname voeren al langere tijd regulier
bilateraal overleg over de terug- en overname van personen. Om aan te sluiten bij
deze praktijk en te zorgen voor een goede implementatie van het Verdrag is artikel
21 aan het Verdrag toegevoegd. Dit artikel bepaalt dat er overleg tussen autoriteiten
kan plaatsvinden over de praktische uitvoering van het Verdrag voordat het Verdrag
in werking treedt. Hiermee kan tegemoet worden gekomen aan vraagstukken die betrekking
hebben op de samenwerking specifiek tussen het Koninkrijk en Suriname en waarover
in de afgelopen jaren reeds afspraken zijn gemaakt (in het bijzonder t.a.v. re-integratie
van terugkerende Surinaamse onderdanen). Deze bepaling wijkt af t.o.v. eerdere terug-en
overnameovereenkomsten met andere landen.
In het Uitvoeringsprotocol worden vooral de procedurele bepalingen uit de overeenkomst,
die door de uitvoerende diensten van de verdragsluitende partijen dienen te worden
gevolgd, nader uitgewerkt. Zo worden in het Uitvoeringsprotocol nadere afspraken gemaakt
over de termijnen die in acht dienen te worden genomen in het kader van een terug-
en overnameverzoek, de wijze van transport, de vergoeding van gemaakte kosten en de
handelwijze bij doorgeleiding over elkaars grondgebied. Met de nadere uitwerking van
de door de Benelux-Staten en Suriname gemaakte afspraken wordt beoogd de concrete
afhandeling van een terug- en overnameverzoek verder te bespoedigen.
1.4 Koninkrijkspositie
Het Verdrag is van toepassing op het Europese grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden
en zal overeenkomstig artikel 17 van de terug- en overnameovereenkomst worden uitgebreid
tot Caribisch Nederland. Op grond van die bepaling zal het Verdrag worden uitgebreid
tot het Caribische deel van Nederland. De regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten
hebben aangegeven medegelding van dit Verdrag wenselijk te vinden voor hun land, dus
het is de bedoeling dat het Verdrag ook tot die delen van het Koninkrijk wordt uitgebreid.
De goedkeuring van het Verdrag wordt voor het gehele Koninkrijk gevraagd.
II. Een ieder verbindende bepalingen
Naar het oordeel van de regering kunnen artikel 13 van het Verdrag inzake gegevensbescherming,
alsmede artikel 12, derde lid, van het Uitvoeringsprotocol inzake het beperken van
de bevoegdheden van de begeleider tot zelfverdediging en het in voorkomend geval op
kunnen treden op het grondgebied van de aangezochte Staat worden aangemerkt als een
ieder verbindende bepalingen in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet.
Deze bepalingen kunnen rechtstreeks de rechtspositie van particulieren beïnvloeden.
III. Artikelsgewijze toelichting
3.1 Verdrag
Hieronder worden de artikelen uit de terug- en overnameovereenkomst toegelicht.
Artikel 1: Definities en werkingssfeer
Artikel 1 definieert de belangrijkste begrippen van het Verdrag. Zo wordt onder andere
het grondgebied van de Benelux-Staten, waarbij wordt aangegeven dat het gaat om de
grondgebieden in Europa, alsmede Suriname omschreven. Op basis van artikel 17 kan
de werking van het Verdrag worden uitgebreid tot het Caribische deel van Nederland
en de andere landen van het Koninkrijk.
Artikel 2: Terugname van eigen onderdanen
Dit artikel bepaalt wanneer er een verplichting bestaat tot terugname van eigen onderdanen.
Er is sprake van een dergelijke verplichting indien betrokkene niet of niet langer
aan de voorwaarden voor toegang tot of verblijf op het grondgebied van de verzoekende
partij voldoet en indien kan worden bewezen dan wel aannemelijk kan worden gemaakt
dat betrokkene de nationaliteit heeft van de aangezochte partij. Deze verplichting
geldt in de regel ook indien betrokkene de nationaliteit is kwijtgeraakt. Op grond
van het vierde lid van dit artikel zal de aangezochte partij de noodzakelijke reisdocumenten
verstrekken voor de teruggeleiding van de over te nemen persoon.
Artikel 3: Overname van onderdanen van een derde Staat
Dit artikel bepaalt wanneer er een verplichting bestaat tot overname van onderdanen
van een derde Staat, dat wil zeggen een staat die geen Benelux-staat en niet Suriname
is. Deze verplichting bestaat wanneer een onderdaan van een derde Staat niet of niet
langer aan de voorwaarden voor toegang tot of verblijf op het grondgebied van de verzoekende
partij voldoet en aangetoond kan worden dat betrokkene in het bezit is van een geldige
verblijfstitel afgegeven door de aangezochte Staat of bij inreis op het grondgebied
van de verzoekende Staat in het bezit was van een geldige verblijfstitel afgegeven
door de aangezochte Staat.
Artikel 4: Indiening van het verzoek om terug- of overname
Artikel 3 legt vast welke gegevens bij een indiening van verzoek tot terug- of overname
dienen te worden overgelegd. Indien betrokkene beschikt over een geldig reisdocument
of identiteitsbewijs hoeft er geen verzoek voor de overdracht te worden gedaan.
Artikel 5: Bewijsmiddelen met betrekking tot eigen onderdanen
In artikel 5 wordt verwezen naar het Uitvoeringsprotocol voor een opsomming van de
bewijsmiddelen waarmee de nationaliteit van een eigen onderdaan kan worden bewezen,
dan wel aannemelijk kan worden gemaakt. Indien geen van de bewijsmiddelen kan worden
overgelegd, kan de aangezochte partij worden gevraagd om de nodige maatregelen te
nemen om de nationaliteit van de betrokkene vast te stellen. Tevens kan de aangezochte
partij worden verzocht een interview af te nemen met betrokkene om te bepalen of betrokkene
een eigen onderdaan is.
Artikel 6: Bewijsmiddelen met betrekking tot onderdanen van een derde Staat
In artikel 6 wordt verwezen naar het Uitvoeringsprotocol voor een opsomming van de
bewijsmiddelen waarmee kan worden bewezen dat er is voldaan aan de in artikel 3 genoemde
voorwaarden voor overname van onderdanen van een derde Staat.
Artikel 7: Termijnen
In dit artikel worden de termijnen vastgelegd voor de verschillende procedurestappen.
Een verzoek tot terugname kan te allen tijde worden ingediend. Een aangezochte partij
dient uiterlijk binnen 20 werkdagen op het verzoek te antwoorden. Indien geen antwoord
wordt ontvangen, wordt aangenomen dat met het verzoek wordt ingestemd. Na goedkeuring
vindt de overdracht zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen 6 maanden plaats
naar de aangezochte partij, met gebruikmaking van een door de aangezochte Staat af
te geven reisdocument.
Artikel 8: Overdrachtsmodaliteiten en wijze van vervoer
Artikel 8 legt de werkwijze bij de feitelijke overdracht vast. De aangezochte partij
wordt over een ophanden zijnde overdracht geïnformeerd. In principe wordt gebruik
gemaakt van het vliegtuig, evenwel worden overdrachten via het land of zee niet uitgesloten.
Artikel 9: Onterechte terug- of overname
Artikel 9 legt de afspraken vast voor het geval dat achteraf blijkt dat ten onrechte
met een terug- of overnameverzoek is ingestemd. In het artikel is opgenomen dat de
verzoekende partij een persoon terug- overgenomen terug neemt indien na overdracht
van de persoon alsnog blijkt dat niet is voldaan aan de voorwaarden die opgenomen
zijn in artikelen 2 en 3.
Artikel 10: Uitgangspunten bij doorgeleiding
Artikel 10 zet de uitgangspunten van doorgeleiding van onderdanen van een derde Staat
uiteen. Doorgeleiding van onderdanen van een derde Staat wordt zoveel mogelijk beperkt,
maar wordt in principe toegestaan wanneer de verdere reis in eventuele andere Staten
van doorreis en de overname door de Staat van bestemming verzekerd zijn. Daarnaast
worden voorwaarden voor weigering van doorgeleiding of intrekking van toestemming
voor doorgeleiding omschreven.
Artikel 11: Doorgeleidingsprocedure
Dit artikel omschrijft de procedure die door de verzoekende en de aangezochte staat
wordt gevolgd bij een doorgeleiding van onderdanen van een derde staat. Artikel 11
bevat onder andere de voorwaarden waaraan een schriftelijk doorgeleidingsverzoek moet
voldoen en hoe de autoriteiten elkaar op de hoogte brengen van een doorgeleiding.
Artikel 12: Kosten
De kosten die voortvloeien uit de terugname of doorgeleiding, evenals uit onterechte
terugname, komen ten laste van de verzoekende Staat.
Artikel 13: Gegevensbescherming
Dit artikel ziet op het rechtmatig omgaan met persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten
van de verdragsstaten conform de bepalingen van Verordening (EU) 2016/679 van het
Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke
personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije
verkeer van die gegevens, en van de nationale wetgeving van de respectieve Benelux-staten
aangenomen op grond van deze verordening.
Artikel 14: Onverminderde toepasselijkheid
In dit artikel wordt bepaald dat het Verdrag geen afbreuk doet aan de rechten en verplichtingen
van de verdragspartijen die voortvloeien uit het internationale recht.
Artikel 15: Comité van deskundigen
Dit artikel stelt een Comité van deskundigen in om onderling hulp bij de toepassing
en uitlegging van het Verdrag te verlenen. Het Comité van deskundigen bestaat uit
één vertegenwoordiger van België, Luxemburg, Nederland en twee vertegenwoordigers
van Suriname.
Artikel 16: Uitvoeringsprotocol
Op de dag van ondertekening van het Verdrag is tevens een Uitvoeringsprotocol tot
stand gekomen. Op basis van artikel 16 bevat het Uitvoeringsprotocol praktische bepalingen
voor de uitvoering van het Verdrag, zoals de benoeming van de bevoegde autoriteiten
de te benutten grensposten en de bewijsmiddelen. Het Uitvoeringsprotocol, dat hierbij
eveneens ter goedkeuring wordt voorgelegd, betreft uitsluitend de uitvoering van het
Verdrag, zodat eventuele wijzigingen ervan op grond van artikel 7, aanhef en onderdeel
b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring
behoeven, behoudens het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van die Rijkswet.
Bij het Uitvoeringsprotocol is een zestal bijlagen gevoegd: formulieren die ten behoeve
van de terug- en overnameprocedure door de bevoegde instanties gebruikt worden. Wijziging
van deze bijlagen, waarvan de inhoud van uitvoerende aard is ten opzichte van de bepalingen
van het protocol waar de bijlagen onderdeel van vormen, behoeft op grond van artikel
7, aanhef en onderdeel f, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen
parlementaire goedkeuring, tenzij de Staten-Generaal zich thans het recht tot goedkeuring
ter zake voorbehouden.
Artikel 17
Volgens artikel 17 kan de werking van het Verdrag worden uitgebreid naar Aruba, Curaçao,
Sint Maarten en naar Caribisch Nederland. Zoals toegelicht in de paragraaf Koninkrijkspositie
is het de bedoeling dat het Verdrag voor alle delen van het Koninkrijk gaat gelden.
Artikel 18
Artikel 18 bepaalt dat geschillen die voortvloeien uit de toepassing of de interpretatie
van het Verdrag in der minne worden geschikt door middel van overleg of onderhandelingen.
Artikel 19
In artikel 19 is bepaald dat het Secretariaat-Generaal van de Benelux-Unie de depositaris
van het Verdrag is.
Artikel 20
Artikel 20 bepaalt dat het Verdrag of het Uitvoeringsprotocol met wederzijdse schriftelijke
instemming kan worden gewijzigd.
Artikel 21
In artikel 21 is bepaald dat de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk België, het
Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en Suriname met elkaar kunnen
overleggen over de praktische uitvoering van het Verdrag voordat het Verdrag in werking
treedt. Dit artikel is opgenomen om te voorzien in overleg tussen de bevoegde autoriteiten
na de totstandkoming en voor de inwerkingtreding van het Verdrag, zodat in die fase
alvast afspraken kunnen worden gemaakt over de samenwerking tussen de autoriteiten.
Artikel 22
Artikel 22 bepaalt dat het Verdrag in werking treedt op de eerste dag van de tweede
maand nadat alle ondertekenende staten aan de depositaris hebben laten weten dat zij
de nationale goedkeuringsprocedures hebben afgerond.
Artikel 23
Op grond van artikel 23 kan het Verdrag opgeschort worden door de Benelux-staten gezamenlijk
of door Suriname via een kennisgeving aan de depositaris. De opschorting wordt van
kracht op de eerste dag van de eerste maand na de kennisgeving.
Artikel 24
In artikel 24 is bepaald dat de Benelux-staten gezamenlijk of Suriname het Verdrag
kunnen opzeggen via een kennisgeving aan de depositaris. De opzegging wordt van kracht
op de eerste dag van de zesde maand na de kennisgeving.
3.2 Uitvoeringsprotocol
Hieronder worden de artikelen uit het Uitvoeringsprotocol toegelicht.
Artikel 1: Aanwijzing bevoegde autoriteiten
Artikel 1 bevat een omschrijving van de procedure van het aanwijzen van de bevoegde
autoriteiten bij de uitvoering van het Uitvoeringsprotocol.
Artikel 2: Aanwijzing plaatsen grensovergang
In bijlage 1 bij het Uitvoeringsprotocol is een lijst opgenomen van grensovergangen
waarvan gebruik moet worden gemaakt voor de uitvoering van de overeenkomst. Verder
wordt gesteld dat elke partij de ander onmiddellijk zal informeren over een verandering
van deze plaatsen van grensoverschrijding en dat er op ad hoc basis hiervan afgeweken
kan worden.
Artikel 3: Indiening van het verzoek om terug- of overname
De procedure van een verzoek om terug- of overname is beschreven in artikel 3. Het
bevat nadere aanwijzingen voor het indienen van een dergelijk verzoek bij de aangezochte
partij. Bijlage 2 van het Uitvoeringsprotocol bevat het model voor het verzoekformulier.
Artikel 4: Bewijsmiddelen met betrekking tot eigen onderdanen
Artikel 4 bevat de opsomming van de bewijsmiddelen en documenten die gebruikt kunnen
worden voor de vaststelling van de nationaliteit van eigen onderdanen.
Artikel 5: Bewijsmiddelen met betrekking tot onderdanen van een derde Staat
Artikel 5 bevat de opsomming van de bewijsmiddelen en documenten die gebruikt kunnen
worden om te voldoen aan de voorwaarden in artikel 3 van het Verdrag.
Artikel 6: Antwoord op het verzoek
Artikel 6 bevat nadere aanwijzingen voor het beantwoorden van een verzoek om terug-
of overname. Bijlage 2 van het Uitvoeringsprotocol bevat het model voor het antwoordformulier.
Artikel 7: Reisdocumenten
De procedure voor het verstrekken van reisdocumenten is beschreven in artikel 7. Het
artikel bevat nadere informatie voor het verstrekken van deze reisdocumenten.
Artikel 8: Interviews
Artikel 8 bevat nadere afspraken over het afnemen van interviews om de nationaliteit
van de betrokkene te bepalen.
Artikel 9: Overdracht
De afgesproken overdrachtsprocedure en wijze van vervoer zijn beschreven in artikel
9. Bijlage 5 van het Uitvoeringsprotocol bevat het model voor het verzoek van de overdracht.
Artikel 10: Doorgeleidingsprocedure
Dit artikel bevat nadere afspraken ten behoeve van de procedure voor de in artikel
11 van het Verdrag voorziene doorgeleiding van onderdanen van een derde staat.
Artikel 11: Ondersteuning van de doorgeleiding
Dit artikel bevat nadere afspraken bij een verzoek van de verzoekende staat tot ondersteuning
van de doorgeleiding door de autoriteiten van de aangezochte staat.
Artikel 12: Verplichtingen voor begeleiders
In artikel 12 zijn enkele rechten en plichten opgenomen van begeleiders van de terug
of over te nemen of door te geleiden persoon. Begeleiders dienen het recht van de
aangezochte staat na te leven en zijn ongewapend en gekleed in burgerkleding. Zij
mogen zichzelf verdedigen en in uitzonderingssituaties voorkomen dat de betrokkene
vlucht of schade of letsel veroorzaakt. Dit kan in theorie doorwerken in de verhouding
tussen de begeleider en de begeleide persoon (bijvoorbeeld indien de rechtmatigheid
van het handelen van de begeleider ter discussie wordt gesteld). Begeleiders ontvangen
bij de uitoefening van hun taken dezelfde ondersteuning als ambtenaren in het aangezochte
land ontvangen.
Artikel 13: Kosten
Artikel 13 behelst een nadere uitwerking van artikel 12 van het Verdrag dat ziet op
de verrekening van de kosten verbonden aan terug- of overname.
Artikel 14: Taal
Dit artikel stelt dat de partijen met elkaar zullen communiceren in het Nederlands
of in het Engels.
Artikel 15: Bijlagen
In artikel 15 is bepaald dat bijlagen 1 tot en met 6 een integrerend onderdeel van
het Uitvoeringsprotocol vormen. Het gaat daarbij om formulieren die ten behoeve van
de terug- of overnameprocedure door de bevoegde instanties gebruikt worden. Zoals
is toegelicht bij artikel 16 van het Verdrag, behoeft wijziging van deze bijlagen,
waarvan de inhoud van uitvoerende aard is ten opzichte van de bepalingen van het protocol
waar de bijlagen onderdeel van vormen, behoeft op grond van artikel 7, aanhef en onderdeel
f, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring,
tenzij de Staten-Generaal zich thans het recht tot goedkeuring ter zake voorbehouden.
De Minister van Asiel en Migratie,
D.M. van Weel
De Minister van Buitenlandse Zaken,
D.M. van Weel
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.