Brief regering : Fiche: Mededeling bio-economie strategie
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4238
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 januari 2026
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij 3 fiches die werden opgesteld
door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).
Fiche: Mededeling Digital Justice @2030 (Kamerstuk 22 112, nr. 4236).
Fiche: Mededeling Europese strategie justitiële opleiding 2025–2030 (Kamerstuk 22 112, nr. 4237).
Fiche: Mededeling bio-economie strategie.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
D.M. van Weel
Fiche: Mededeling bioeconomie strategie
1. Algemene gegevens
a) Titel voorstel
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH
EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S. Een strategisch kader voor een concurrerende
en duurzame bio-economie in de EU
b) Datum ontvangst Commissiedocument
november 2025
c) Nr. Commissiedocument
COM(2025) 960
d) EUR-Lex
EUR-Lex – 52025DC0960 – EN
e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing
Niet opgesteld
f) Behandelingstraject Raad
Milieuraad
g) Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in nauwe samenwerking met het Ministerie
van Klimaat en Groene Groei en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur
2. Essentie voorstel
Op 27 november 2025 publiceerde de Europese Commissie (hierna: Commissie) de mededeling
voor de bio-economie strategie. De strategie heeft tot doel innovatie te stimuleren
en Europese bedrijven te ondersteunen bij de groene transitie, waaronder circulaire
productie. Een duurzame bio-economie versterkt groene groei, concurrentievermogen
en weerbaarheid in de Europese Unie (EU).
De Commissie wil innovatie en investeringen binnen de bio-economie verder opschalen.
De Commissie ziet de opschalingsproblemen voor innovatieve toepassingen in de bio-economie
vooral rond de eerste commercialiseringsfase na onderzoek en de industriële opschalingsfase
na markttoegang. Om toepassingen succesvol naar de markt te helpen, zal de Commissie
in de aangekondigde Biotech Acts1 de wettelijke vereisten voor bio-innovaties (bijvoorbeeld vergunningsprocedures voor
fabrieksinstallaties) vereenvoudigen en de marktautorisatie voor biogebaseerde oplossingen
versnellen. Ook zal ze werk maken van harmonisering van regelgeving. Het (door)ontwikkelen
van milieuvoetafdrukmethodes zorgt voor een eerlijkere vergelijking met fossiele alternatieven.
Innovatie en investeringen moeten worden gestimuleerd via het Commissievoorstel voor
een nieuw Meerjarig Financieel Kader (MFK 2028–2034), onder meer door innovatierisico’s
te verminderen. De Circular Biobased Joint Undertaking (CBE-JU) en de EU-Taxonomie2 worden geëvalueerd.
De mededeling gaat ook in op het ontwikkelen van nieuwe markten voor biogebaseerde
grondstoffen en producten (plastic en verpakkingsmaterialen, vezels, chemicaliën,
bouwproducten, meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen) en technologieën (bioraffinage,
geavanceerde fermentatie en koolstofverwijdering). Acties worden vormgegeven in de
uitwerking van bestaande productregelgeving3. De Commissie zet daarnaast in op marktcreatie via private inkoop (middels een Biobased Europe Alliance, waarin bedrijven zich committeren aan de inkoop van biogebaseerde materialen en
producten) en overheidsinkoop. De toepassing van biogebaseerde bouwproducten wordt
gestimuleerd door het certificeren en belonen van de koolstofopslag in deze producten.
De vraag naar biogrondstoffen4 vanuit verschillende toepassingen stijgt. De Commissie zet daarom in op efficiënt
gebruik, via uitwisseling van expertise over cascadering en via de volgende Energy
Union package in 2026. Verder is er ondersteuning van pilot- en andere faciliteiten
voor opschaling.
De strategie beoogt het aanbod duurzame biogrondstoffen te waarborgen, waarbij optimaal
gebruik van secundaire biogrondstoffen wordt gestimuleerd voor de productie van onder
meer biomethaan via tripartite overeenkomsten, via efficiënter gebruik van stikstof
en kennisuitwisseling over circulair gebruik van dierlijke bijproducten. Een gezond
ecosysteem is de basis voor een toekomstbestendig aanbod. Daarom worden data over
de bio-economie versterkt met onder meer aardobservatiedata (bijvoorbeeld aan de hand
van regionale dataplatforms) en wordt er een risico-analyse uitgevoerd op de toeleveringsketen,
om vraagsturing hierop te baseren. Ook brengt de Commissie marktpartijen samen voor
aanbodvoorspellingen. Primaire producenten worden ondersteund via het Gemeenschappelijk
Landbouwbeleid (GLB) en de vrijwillige markt voor koolstof- en biodiversiteitscertificaten.
Om de vraag naar koolstofcertificaten die voldoen aan het EU certificeringskader5 te stimuleren zal de Commissie een «EU kopersclub» oprichten. Om de participatie
van boeren en bosbouwers aan de vrijwillige koolstofmarkt te vergemakkelijken zal
de Commissie een EU kennisdatabank voor koolstoflandbouw opzetten. Tot slot zet ze
in op de blauwe bio-economie6.
De Commissie geeft aan het monitoren van de bio-economie te blijven verbeteren en
ernaar te streven aardobservatiedata te integreren in de monitoringsmethoden, onder
andere om de monitorings- en administratieve last terug te brengen.
Mondiaal gaat de Commissie strategische partnerschappen aan om de leveringszekerheid
van duurzame biogrondstoffen te bevorderen, en om de toegang van Europese-bio-innovaties
tot markten in derde landen te verbeteren. Lidstaten worden aangemoedigd hun bio-economieprofiel
te definiëren, bijvoorbeeld met een focus op primaire productie of op hoogwaardige
verwerking.
3. Nederlandse positie ten aanzien van de mededeling/aanbeveling
a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein
De bio-economie is een sectoroverstijgend thema, dat onder andere voedsel-7, grondstoffen-, energie- en industriebeleid samenbrengt. Dit vereist een integrale
aanpak met oog op gerelateerde regelgeving zoals de klimaatwet en de natuurherstelverordening.
Daarom werkt het kabinet onder andere aan een nationale biogrondstoffenstrategie8. Deze geeft richting aan het vergroten van het duurzaam aanbod, het optimaal en hoogwaardig
toepassen van biogrondstoffen, en de verwerking en het gebruik van biogrondstoffen
voor voedsel, materialen en energie.
Nederland benadrukt het belang van vitale ecosystemen en duurzame productiemethoden
in de landbouw en voedselproductie (de toepassing van goede landbouwpraktijk) als
basis voor de bio-economie. Dit betekent onder meer het vermijden van voedselverliezen
en verspilling en zuinig gebruik en hergebruik van biogrondstoffen, water en nutriënten.
De nationale Bossenstrategie geeft uitvoering aan revitalisering en uitbreiding van
de Nederlandse bossen waarmee een lichte stijging van houtoogst gerealiseerd kan worden,
en geeft de kaders voor duurzaam bosbeheer, waarbij oogst plaatsvindt op een wijze
die de ecologische functie van het bos borgt en waarbij het cascaderingsprincipe9 voor houtbenutting wordt gevolgd. Een speerpunt van het gewasbeschermingsbeleid is
een grotere beschikbaarheid en gebruik van laag-risico biologische middelen. Deze
middelen hebben – in lijn met de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming10 – de voorkeur boven chemische methoden11 voor bestrijding van ziekten, plagen en onkruiden. Nederland heeft zich de afgelopen
jaren actief ingezet om binnen de huidige EU-kaders de beoordeling van deze gewasbeschermingsmiddelen
beter passend en efficiënter te maken en mede daardoor beoordelingsprocedures te versnellen.
Het kabinet ambieert een volledig circulair12 en klimaatneutraal Nederland in 2050. Daarvoor zijn biogrondstoffen essentieel. Voor
het gebruik van biogrondstoffen voor materialen en energie hanteert het kabinet twee
randvoorwaarden13: 1) de duurzaamheid van biogrondstoffen moet geborgd zijn, en 2) biogrondstoffen
dienen zo hoogwaardig mogelijk te worden ingezet. Daarnaast heeft dit kabinet er oog
voor dat de productie van biogrondstoffen voor materialen en energie niet ten koste
gaat van de primaire functie van agrarische sector voor voedselproductie14. Voor hoogwaardige toepassingen zet het kabinet specifiek in op de chemische industrie
en de bouw. Binnen de chemie zet het kabinet in op het ombouwen van bestaande fossiele
processen en het opbouwen van nieuwe processen op basis van secundaire en biogrondstoffen15. Voor de bouw zet het kabinet zich in voor het creëren van een volwassen markt en
het opschalen van de teelt, verwerking en toepassing van duurzame biogrondstoffen16. Voor textiel zet het kabinet in op een volledig fossielvrije textielketen in 205017. Gerecyclede vezels hebben daarbij de voorkeur dankzij de lagere milieu-impact. Nieuwe
vezels die nodig blijven, dienen fossielvrij en biogebaseerd te zijn. Het kabinet
ambieert een koploperpositie in de biotechnologie, waarbij technologie op een veilige
en verantwoorde manier bijdraagt aan de maatschappelijke doelstellingen op het gebied
van gezondheid, circulaire economie en voedselproductie, en aan het Nederlandse concurrentievermogen18. Om deze positie te bereiken, zet het kabinet enerzijds in op transparantere, doelmatige
en voorspelbare toelatingsprocedures (bijvoorbeeld voor markttoegang voor biotech-innovaties),
en anderzijds op het creëren van groene markten. Het kabinet is ook voorstander van
meer ruimte voor biotechnologie-experimenten in de voedselproductie in de vorm van
pilots of proeverijen. Hiervoor kan geleerd worden uit de Nederlandse gedragscode
voor kweekvleesproeverijen. Met betrekking tot koolstofverwijdering heeft het kabinet
de Commissie eerder opgeroepen om met duidelijke plannen te komen voor permanente
en tijdelijke koolstofverwijdering en maatregelen te treffen die de ontwikkeling van
verschillende koolstofverwijderingstechnieken stimuleren19.
Voor het energiesysteem zet het kabinet in op het, zoveel mogelijk, beperken van het
gebruik van biogrondstoffen. Voor de energieopwekking door particulieren is de inzet
van biogrondstoffen onwenselijk vanwege de negatieve effecten op de leefomgeving,
met uitzondering van de inzet van biomethaan in de gebouwde omgeving. Het kabinet
voorziet wel dat er een significante vraag naar biogrondstoffen zal blijven bestaan
voor sectoren waar de inzet van andere duurzame alternatieven voorlopig (nog) niet
haalbaar is, zoals het zwaar wegtransport en de lucht- en scheepvaart. Daarom zet
het kabinet ook in op het vergroten van het aanbod aan duurzame koolstofbronnen, waaronder
biogrondstoffen20. Als onderdeel hiervan wordt ook een importstrategie ontwikkeld. Bij het vergroten
van het aanbod is oog voor het voorkomen en mitigeren van negatieve effecten op de
leefomgeving.
Het kabinet heeft eerder zijn prioriteiten voor de bio-economie gedeeld met de Europese
Commissie21. Het creëren en beschermen van een afzetmarkt voor biogebaseerde producten is de
eerste prioriteit, door het stimuleren van marktvraag voor hoogwaardige toepassingen
(bv. materialen) middels normerend beleid en harmonisatie van regelgeving. De tweede
prioriteit is het ondersteunen van boeren en van de strategische bio(tech)-industrie,
door het versterken van de rol van boeren, het ondersteunen van de innovatieve industrie
tijdens de opschaling, en het aanpassen van verouderde en belemmerende regelgeving.
De derde prioriteit is het verhogen van de beschikbaarheid van duurzame biogrondstoffen.
Naast het stimuleren van de productie van duurzame biogrondstoffen vereist dit het
afbouwen van de inzet van biogrondstoffen voor toepassingen waarvoor andere duurzame
alternatieven beschikbaar komen en door het biogrondstoffensysteem integraal te benaderen
zodat bijvoorbeeld synergieën tussen voedsel- en materiaalproductie worden benut.
Tevens bepleit het kabinet dat voedselgewassen onder bepaalde voorwaarden kunnen worden
ingezet voor materiaaltoepassingen, waarbij voedselzekerheid voorop blijft staan.
b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Het kabinet verwelkomt de brede interpretatie van de bio-economie die de Commissie
hanteert. Een brede aanpak waarin zowel alle typen duurzame biogrondstoffen als al
hun toepassingen worden meegenomen, biedt kansen om deze optimaal en zo duurzaam mogelijk
te benutten.
Het kabinet onderschrijft het belang van de juiste marktcondities voor biogebaseerde
oplossingen. Voor de Biotech Act, het wetgevende kader dat is aangekondigd in de mededeling,
pleit het kabinet voor transparante, doelmatige en voorspelbare procedures voor biotechnologie,
met behoud van de hoogste veiligheidsnormen22. Het wetgevingskader23 voor genetisch gemodificeerde organismes is een concreet voorbeeld waar meer harmonisatie
gewenst is omdat uiteenlopende interpretaties momenteel voor onzekerheden zorgen.
Bij wijzigingen in procedures is aandacht voor uitvoerbaarheid door regionaal bevoegd
gezag en omgevingsdiensten van belang. Ook roept het kabinet op om in de Act te verankeren
dat informatievoorziening gebaseerd op wetenschappelijke feiten voor een breed publiek
toegankelijk is, om de maatschappelijke dialoog over biotechnologie en voedselinnovaties
te faciliteren24. Het harmoniseren van milieuvoetafdrukmethodes25, zoals voorgesteld, draagt bij aan een gelijker speelveld voor verschillende grondstoffen.
Deze methodes zijn complex; daarom vraagt het kabinet om vergelijkende studies die
laten zien hoe biogrondstoffen zich verhouden tot fossiele alternatieven en hoe ze
bijdragen aan de optimalisatie van de duurzaamheid van de hele productketen. Met betrekking
tot ondersteuning van opschaling, verwijst de Commissie onder andere naar het Meerjarig
Financieel Kader (MFK). Het daaronder vallende Europese Concurrentievermogenfonds
omvat thematische vensters, waar bio-economie en biotechnologie één van is. In reactie
op het MFK-voorstel heeft het kabinet het belang van investeringen in de groene transitie
onderstreept, en benadrukt dat er voldoende aandacht moet zijn voor biodiversiteit26. Als het gaat om vraagstukken voor de bio-economie is met name onderzoek en innovatie
op het gebied van bioraffinage en de biogebaseerde maakindustrie relevant. Het kabinet
is positief over het uitbreiden van de EU-Taxonomie naar alle activiteiten die vallen
onder de duurzame biogebaseerde maakindustrie, ten opzichte van de huidige focus op
bioafval. Dit ontsluit private financiering. Ten behoeve van investeringen in de productie
van biogebaseerde materialen en chemie bepleit het kabinet bij de Commissie dit ook
te betrekken bij de herziening van staatssteunkaders, zoals bij de herziening van
de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, rekening houdend met het gelijke speelveld
op de interne markt.
Het kabinet is voorstander van marktcreatie voor hoogwaardige biogebaseerde toepassingen.
Dit is cruciaal voor het opschalen van deze markten en zorgt voor een prikkel om het
aanbod duurzame biogrondstoffen te vergroten. Het kabinet is daarom verheugd over
de vervroegde biogebaseerde doelstelling voor plastic verpakkingen en de mogelijkheid
om doelstellingen te formuleren voor biogebaseerde chemicaliën. Het kabinet zal zich
blijven inzetten voor (onderzoek naar) haalbare doelstellingen in andere productregelgeving,
waaronder de automobiel – en bouwsector. Het kabinet kijkt uit naar de uitwerking
van maatregelen ter bevordering van het gebruik van duurzame biogrondstoffen via de
Circular Economy Act en de Ecodesign Verordening, en benadrukt dat de duurzaamheid
van producten integraal moet worden benaderd – het gebruik van duurzame biogrondstoffen
alleen is niet voldoende. Het hanteren van de Safe and Sustainable by Design principes is daarbij van belang. Het kabinet pleit ervoor deze in te bedden in de
kennisuitwisselingen over de bio-economie27. De aandacht voor biogebaseerde vezels in de strategie sluit aan bij het nationale
beleid. Echter, het kabinet hanteert een bredere definitie van biogebaseerde vezels
dan in de mededeling wordt gegeven, omdat het ook kansen ziet in vezels gemaakt uit
biogebaseerde polyesters. Verder is het essentieel is dat ook gerecyclede biogebaseerde vezels worden gestimuleerd; deze dragen het meest bij aan de circulariteitsdoelstellingen.
Het kabinet onderschrijft het belang van koolstofvastlegging, en ziet dat er bijvoorbeeld
veel potentieel is voor tijdelijke vastlegging in biogebaseerde (bouw)materialen.
Daarom ziet het kabinet de gedelegeerde handeling met de certificeringsmethodologie
voor koolstofopslag in gebouwen, als onderdeel van het EU certificeringskader, met
belangstelling tegemoet. Ook ondersteunt het kabinet de aangekondigde initiatieven
van de Commissie om de vrijwillige vraag naar koolstofcertificaten te bevorderen en
om de participatie van boeren en bosbouwers aan de vrijwillige koolstofmarkt te vergemakkelijken
middels een EU kennisdatabank voor koolstoflandbouw.
Het kabinet verwelkomt naast de bevordering van vraag naar eindproducten van bioraffinage,
de aandacht voor financiering van de opschaling van deze technologie. Bioraffinage
heeft, naast een economische waarde, in de toekomst ook een belangrijke rol in de
open strategische autonomie en het concurrentievermogen van zowel Nederland als de
EU28, alsook in koolstofverwijdering. Er is beleid nodig om naast financiële risico’s
ook technologierisico’s te mitigeren en infrastructuuropbouw en vergunningsprocedures
te versnellen. Voor koolstofverwijdering zet het kabinet in op de ontwikkeling van
verschillende technieken: zowel permanente als tijdelijke verwijdering29. Het kabinet moedigt de Commissie aan om beide op te nemen in het klimaatbeleid,
en om permanente biogene koolstofverwijdering in de bioeconomie strategie in samenhang
met de bredere inzet van koolstofverwijdering voor het behalen van klimaatneutraliteit
te onderzoeken. Om hergebruik van biogene koolstof na afvangen evenwichtig mogelijk
te maken en te stimuleren, vraagt het kabinet om een certificeringssysteem te implementeren
dat ook gemengde koolstofstromen erkent. Voor de glastuinbouwsector en de industrie
is het daarnaast belangrijk dat op korte termijn voldoende duurzame CO2 beschikbaar is, respectievelijk om planten te kunnen bemesten en voor de productie
van duurzame materialen. Daarom vraagt het kabinet de Commissie in de strategie zodanig
aan te sluiten op het EU-emissiehandelssysteem dat duurzame CO2 effectief hergebruikt kan worden.
Het kabinet verwelkomt de aandacht voor efficiënt en duurzaam gebruik van biogrondstoffen
en het principe dat biogrondstoffen zo hoogwaardig mogelijk dienen te worden ingezet.
Om binnen de planetaire grenzen te blijven moet, zoals de strategie beschrijft, de
productie van biogrondstoffen afgestemd zijn met duurzaam behoud van ecosystemen.
Het kabinet stelt dat de strategie hiervoor moet aansluiten bij doelen en verplichtingen
uit de klimaatwet en de natuurherstelverordening. Daarnaast heeft het kabinet er oog
voor dat de verdere ontwikkeling van de bio-economie niet ten koste gaat van de primaire
functie van de agrarische sector voor voedselproductie. Met betrekking tot het cascaderingsprincipe
roept het kabinet de Commissie op tot concrete acties om dit consistent toe te passen
in EU-wetgeving en zo het gebruik van biogebaseerde materialen te stimuleren. Het
gebruik van biogrondstoffen dient daarbij gericht te zijn op de vervanging van fossiel,
opdat het totale grondstoffengebruik niet stijgt. Ook moet er ruimte zijn voor regionale
afwegingen30. Om dit mogelijk te maken, is geharmoniseerde regelgeving voor verschillende toepassingen
van belang. Bij het uitwerken van duurzaamheidscriteria voor biogebaseerde verpakkingen
roept het kabinet de Commissie daarom op de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen
te hanteren uit de Richtlijn Hernieuwbare Energie31. Het kabinet verwelkomt het initiatief om biomethaanproductie in Europa uit te breiden
via tripartite overeenkomsten. Daarnaast werkt het kabinet graag samen met de Commissie
om van productie-gedreven naar consumptie-gedreven beleidsinitiatieven te bewegen
om op die manier gezamenlijk barrières weg te halen die de opschaling van biomethaan
in de weg staan. Ook voor de terugwinning van fosfaat faciliteert het kabinet kennisdeling
over het terugwinnen van grondstoffen bij waterzuiveringsprocessen. Daarin lopen de
Nederlandse waterschappen reeds voorop32.
Het gebruik van biogrondstoffen voor laagwaardige toepassingen, zoals elektriciteit
en het verwarmen van huizen, dient zoveel mogelijk te worden afgebouwd en vervangen
met duurzame alternatieven. Wel voorziet het kabinet dat biogrondstoffen op de middellange
termijn nog onmisbaar zijn voor zogenaamde hard-to-abate energetische toepassingen, met name als brandstof voor het zwaar wegverkeer, en de
lucht- en scheepvaart33. Zoals de Commissie aangeeft, zal de vraag naar duurzame lucht- en scheepvaartbrandstoffen
de komende jaren toenemen als gevolg van Europese verplichtingen34. Het kabinet betwijfelt daarom of enkel rest- en secundaire stromen voldoende zijn
en roept de Commissie op het potentieel te verkennen van niet-voedselgewassen (bv.
tussengewassen en gewassen geteeld op marginale gronden) voor geavanceerde biobrandstoffen35. Het kabinet acht het van belang dat er een goede aansluiting is bij de initiatieven
uit het Investeringsplan duurzaam vervoer (STIP) dat de Commissie eveneens dit najaar
heeft gepubliceerd36. Voor inzet van biogrondstoffen in hoogwaardige toepassingen zoals materialen moet
daarnaast worden verkend hoe ook voedsel- en voedergewassen een rol kunnen spelen.
Studies tonen aan dat dit onder de juiste voorwaarden geen negatief effect hoeft te
hebben op de voedselzekerheid terwijl er wel grote besparingen mogelijk zijn op landgebruik37.
Het kabinet onderschrijft, mede vanuit het oogpunt van open strategische autonomie38 en het versterken van het Nederlandse en Europese concurrentievermogen, het belang
van het vergroten van het biogrondstoffenaanbod in Europa. In Europese partnerschappen
vraagt het kabinet specifiek aandacht voor regionale clusters. Dit sluit niet uit
dat ook import van duurzame biogrondstoffen uit derde landen daarbij een rol speelt.
Voor zowel het mobiliseren van het Europese aanbod als voor import is de ontwikkeling
van duurzame biogebaseerde commodities van belang, via standaardisering en certificering, zodat kwaliteits- en duurzaamheidseisen
kunnen worden geborgd. Ook monitoring is belangrijk; systematisch inzicht in het (regionale)
aanbod is essentieel om de beschikbare grondstoffen optimaal te benutten. Daarom steunt
het kabinet het gebruik van aardobservatie voor onderzoek en monitoring, in lijn met
de Nederlandse Langetermijn-ruimtevaartstrategie.
Mede omdat import belangrijk blijft, steunt het kabinet de inzet van de Commissie
op het gebied van internationale samenwerking en hecht het kabinet eraan dat eventuele
handelsbelemmerende effecten van de aangekondigde maatregelen tot een minimum worden
beperkt. Daarbij is conformiteit met de internationale verplichtingen van de EU in
het kader van de Wereldhandelsorganisatie en EU-handelsakkoorden een minimale randvoorwaarde
voor steun aan deze maatregelen, waaronder op het gebied van productiestandaarden
en productregelgeving, standaardisering en certificering. De wereldwijde competitie
voor toegang tot biogrondstoffen neemt toe. Het aangaan van strategische partnerschappen
met derde landen wordt dan ook verwelkomd – Nederland heeft om deze reden als co-voorzitter
de BIOfuture Platform Declaration on Sustainable Chemicals and Materials gecoördineerd. Daarbij onderschrijft het kabinet het belang van sociale en milieuwaarborgen
(waaronder wederzijds overeengekomen duurzaamheidscriteria) bij de productie en verwerking
van biogrondstoffen. Het kabinet zet er daarom op in dat de EU ook in multilateraal
verband inzet op een zo hoogwaardig mogelijke toepassing van biogrondstoffen en dat
de bio-economie onderdeel blijft van de bredere circulaire-economieagenda.
c) Eerste inschatting van krachtenveld
De eerste reactie van de lidstaten op de mededeling is over het algemeen positief.
Sommige lidstaten benadrukken een gezond ecosysteem als randvoorwaarde, en de meeste
lidstaten hechten belang aan het verminderen van administratieve lasten. Er is veel
aandacht voor het belang van financiering en ondersteunen van lokale en regionale
initiatieven. Er zitten verschillen tussen lidstaten met betrekking tot het gebruik
van houtige biogrondstoffen voor energie, waarbij lidstaten met een sterke bosbouwsector
bio-energie willen ondersteunen, en andere lidstaten (waaronder Nederland) inzetten
op afbouw van bio-energie en opbouw van inzet van duurzame biogrondstoffen in hoogwaardige
toepassingen. De positie van het Europese Parlement is nog onbekend.
4. Grondhouding ten aanzien van bevoegdheid, subsidiariteit, proportionaliteit, financiële
gevolgen en gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
a) Bevoegdheid
De grondhouding van het kabinet is positief. De mededeling heeft betrekking op de
interne markt; landbouw; milieu; (hernieuwbare) energie; onderzoek en technologische
ontwikkeling; gemeenschappelijke handelspolitiek inclusief economische samenwerking,
handel en investeringen; industrie.
Op het terrein van gemeenschappelijke handelspolitiek is sprake van een exclusieve
bevoegdheid van de EU (artikel 3, lid 1, sub e) VWEU). Op het terrein van interne
markt, landbouw, milieu en energie is sprake van een gedeelde bevoegdheid tussen de
EU en de lidstaten (artikel 4, lid 2, sub a/d/e/i) VWEU). Op het terrein van onderzoek
en technologische ontwikkeling hebben de EU en de lidstaten een parallelle bevoegdheid
(artikel 4, lid 3 VWEU). Op het terrein van industrie is de Unie bevoegd om het optreden
van lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen (artikel 6, lid b VWEU).
b) Subsidiariteit
De grondhouding van het kabinet is positief. De mededeling heeft tot doel het bevorderen
van een duurzame bio-economie in de EU, door innovatie te stimuleren en bedrijven
te ondersteunen bij de groene transitie, en door het concurrentievermogen van EU-bedrijven
te verhogen en groene banen te creëren, zonder de natuur te schaden. Gezien het transnationale
karakter van deze doelstellingen en belangen, bv. met betrekking tot productregelgeving,
kan dit onvoldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau worden
verwezenlijkt, daarom is een EU-aanpak nodig. Door EU-brede eisen te stellen aan producten,
wordt een gelijk speelveld bewaard en wordt een veel grotere milieu-impact behaald.
Economische en innovatiesamenwerking wordt efficiënter op EU-niveau geregeld, in het
bijzonder voor complexe waardeketens in de bio-economie die veelal een transnationaal
karakter hebben. Door het harmoniseren van regelgeving worden belemmeringen op de
interne markt voor bedrijven actief in de bio-economie weggenomen. Om die redenen
is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd.
c) Proportionaliteit
De grondhouding van het kabinet is positief. De mededeling heeft tot doel het bevorderen
van een duurzame bio-economie in de EU, door innovatie te stimuleren en bedrijven
te ondersteunen bij de groene transitie, en door het concurrentievermogen van EU-bedrijven
te verhogen en groene banen te creëren, zonder de natuur te schaden. Het vooropgestelde
optreden is geschikt om deze doelstelling te bereiken omdat de acties die worden voorgesteld
voortbouwen op bestaande akkoorden, dialogen en EU instrumenten. Bovendien gaat het
voorgestelde optreden niet verder dan noodzakelijk, omdat de mededeling voornamelijk
de ambities en uitgangspunten uiteenzet en ruimte laat voor de daadwerkelijke invulling
van de instrumenten.
d) Financiële gevolgen
De implementatie van de in de mededeling genoemde voorstellen zal volgens de Commissie
geschieden binnen het MFK. Investeringen in de blauwe economie komen uit de InvestEU
Blue Economy, ondersteuning voor samenwerking tussen primaire producenten uit de GLB
en ondersteuning voor innovatie uit het European Innovation Partnership. Nederland
is van mening dat de benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen de in
de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021–2027 en dat deze moeten
passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. Het kabinet wil niet vooruit
lopen op de integrale afweging van middelen na 2027. Er worden geen budgettaire gevolgen
voor de Rijksbegroting verwacht. Eventuele budgettaire gevolgen voor de Rijksbegroting
worden steeds ingepast op de begroting van het beleidsverantwoordelijke departement,
conform de regels van de budgetdiscipline.
e) Gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
De mededeling zelf heeft geen gevolgen voor de regeldruk. De mededeling kondigt verschillende
maatregelen aan. Bij het voorstel voor de Biotech Act wordt specifiek de link gelegd
met het verminderen van regeldruk voor bedrijven actief op bio-economie. Deze en andere
voorgestelde acties zullen apart beoordeeld worden na publicatie. Om dit goed te kunnen
beoordelen en de mogelijke gevolgen voor de regeldruk in kaart te brengen, verzoekt
het kabinet de Commissie daarom om een impact assessment uit te voeren voor de aangekondigde voorstellen.
De mededeling heeft tot doel het Europese concurrentievermogen op het vlak van bio-economie
te vergroten, maar het effect wordt niet gekwantificeerd. Wel wordt aangegeven dat
de Europese bio-economie in 2023 een waarde tot 2.7 miljard euro had, en dat deze
over de laatste tien jaar sneller is gegroeid dan de economie als geheel. Ook Nederland
schat dit effect positief in, en ziet deze mededeling als in lijn met de Nederlandse
langdurige inzet op marktcreatie voor biogebaseerde materialen.
De mededeling heeft specifiek aandacht voor de geopolitieke aspecten van bio-economie.
Op dit moment is de EU grotendeels zelfvoorzienend op het gebied van biogrondstoffen
(circa 90%). Bij het opbouwen van de vraag naar biogrondstoffen dient er aandacht
te zijn voor diversificatie van de importpartners, zodat risicovolle strategische
afhankelijkheden zoveel mogelijk worden vermeden. Dit wordt benoemd in de mededeling.
Daarnaast kan het borgen van duurzaamheidseisen voor biogrondstoffen die van buiten
de EU worden geïmporteerd gevoelig liggen bij derde landen. Dit komt onder meer tot
uiting in de Ontbossingsverordening en het koolstofgrensheffingsmechanisme. Het kabinet
acht het van belang om eerlijke concurrentie te borgen en ervoor te zorgen dat er
geen ongewenste effecten plaatsvinden buiten de EU. Daarbij hecht het kabinet aan
de relevante regels van de World Trade Organization en handelsakkoorden van de EU, en aan het beperken van eventuele nadelige impact
van de voorgestelde maatregelen op derde landen.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken